Zaanse politie tussen collaboratie en verzet

In de volksmond klinkt nog wel eens dat het Nederlandse politiekorps massaal ‘fout’ was tijdens de oorlog. Daarop valt het nodige af te dingen. Maar hoe zat het tussen 1940 en 1945 eigenlijk met de Zaanse dienders?

Vanaf het voorjaar van 1937 joeg de Zaandamse politieman Jan van der Schaaf enthousiast op Spanjestrijders. De Zaanstreek telde tientallen mannen, bijna allemaal uit de communistische hoek, die het gevecht wilden aangaan met de fascistische troepen van generaal Franco. Ruim twintig van hen trokken daartoe naar het Iberisch schiereiland. Van der Schaaf (bijnaam ‘Jantje-Grijpt-Alles’) kende ze stuk voor stuk. Aan hem de taak deze vrijwilligers tegen te houden of, als ze al naar hun beoogde bestemming onderweg waren, op te sporen en terug te halen. Maar waar hij in 1938 nog een koninklijke onderscheiding kreeg vanwege zijn voortreffelijke werk, werd Van der Schaaf na de oorlog voor tien jaar uit het politieambt gezet. De reden: ‘bewezen en verwijtbare handeling’ in bezettingstijd. Hem werd onder meer aangewreven dat hij enkele joden had aangehouden.
Stond deze rechercheur daarmee model voor de Zaanse politie in bezettingstijd?

Jan van der Schaaf, in het midden, met enkele collega’s (Zaanlander, 11-1-1939)

Gedurende de zomermaanden van 1940 leek er voor de Nederlandse politie niet veel te veranderen. Ogenschijnlijk konden de dienders doorgaan met wat ze voor de oorlog ook al deden, zonder al te opzichtige inmenging van bovenaf. Verheugend was bovendien dat de bezetter een langgekoesterde wens in vervulling deed gaan: de korpsen werden uitgebreid. Vanaf medio 1940 kwamen er verspreid over het land zesduizend agenten bij.
Heel lang duurde de schijnbare politionele zelfstandigheid onder leiding van de plaatselijke burgemeesters niet. De Duitsers vonden de versnipperde organisatie -een mengeling van gemeentepolitie, marechaussee, politietroepen, rijks- en gemeenteveldwachters- onoverzichtelijk. De marechaussee raakte daarom haar militaire status kwijt en de politietroepen werden opgeheven. SS-generaal Hanns Albin Rauter kreeg de leiding over het Nederlandse politieapparaat. Joden en disloyale dienders moesten plaatsmaken, NSB’ers namen hun plaatsen in. De politie werd meer en meer een werktuig van de nazi’s.

Dilemma’s

Goedwillende agenten kwamen steeds vaker voor een dilemma te staan. Als ze ontslag namen, was de kans groot dat hun plek werd overgenomen door een deutschfreundliche ‘collega’. Bleven ze, dan maakten ze zo goed als zeker hun handen vuil. De bezetter had de Hermandad nodig voor het vormgeven van zijn rabiate politiek.
Dat kwam vooral goed tot uiting in het ‘Judenrein‘ maken van het bezette gebied. Op 17 januari 1942 bood het Zaandamse politiekorps, als eerste in Nederland, de nazi’s de helpende hand bij het uit huis halen van joodse inwoners. De dienstdoende agenten begeleidden de slachtoffers vervolgens naar de boot of trein die hen naar het Judenviertel van Amsterdam bracht. In de navolgende maanden voerden ook hun collega’s elders in het land deze antisemitische verbanning uit. Slechts een enkeling weigerde mee te werken aan de racistische hand- en spandiensten.

Met name die buiging voor de vijand zou de politie nog lang worden aangewreven. Maar ook hun rol bij het arresteren van (vermeende) verzetsstrijders en het handhaven van de naziwetten in een tijd dat veel mannen voor dwangarbeid naar Duitsland moesten, werd hen aangerekend.

Zaanstreek

Na de bevrijding werd -symbolische getallen- 40 tot 45% van de zittende agenten in Nederland onderworpen aan een onderzoek. NSB’ers, WA’ers en SS’ers wachtte een vertrek op staande voet. Van de onderzochte politiemedewerkers kreeg uiteindelijk bijna 12% ontslag aangezegd, 1954 agenten. Zo’n 7% werd op een andere manier gestraft, maar mocht wel in dienst blijven. Negen politiemensen werden ter dood veroordeeld en gefusilleerd, onder wie de in Zaandam geboren en getogen, maar in Amsterdam en Groningen werkende rechercheur Abraham Kaper (1890-1949). Een andere extreem gevaarlijke Zaandamse jodenjager was Hendrik van der Kraan (1897-1955). Hij werd in 1942 wegens chantage geschorst bij de Zaandamse politie, maar was daarna actief voor het Amsterdamse korps. Na de oorlog kreeg hij eveneens de doodstraf. Die werd echter later omgezet in een levenslange gevangenisstraf.

Sommige collaborerende Zaanse collega’s hoefden zich na 1945 niet te verantwoorden; de illegaliteit had al tijdens de bezetting met hen afgerekend. Het betrof de Zaandamse korpschef Willem Marinus Ragut (op 21-6-1944), zijn plaatsgenoot Franciscus Diedericus Willemse (5-2-1945), de eveneens Zaandamse chef van de waterpolitie Willem Nicolaas Ehhardt (1-3-1945) en de Wormerveerse waarnemend inspecteur Jan Willem Bouwens (7-10-1944). Aanslagen op enkele andere Zaanse politiemannen mislukten. Zij, en met hen nog meer agenten, werden na de oorlog veroordeeld wegens hun ijver ten bate van de nazistische machthebbers.

Het politiekorps van Zaandam, 1941 (R.R. Pel)

Zaandam

Het begin van de Zaanse politie-nazificatie viel zo ongeveer samen met de benoeming van Cornelis van Ravenswaaij als burgemeester van Zaandam, in maart 1941. Hij zorgde eerst voor het vertrek van de weinig coöperatieve korpschef Cornelis Roscher. Toen diens beoogde opvolger, de fanatieke Amsterdamse nazi Douwe Bakker, voor de eer bedankte, kwam Willem Marinus Ragut in beeld.

Kort voor Van Ravenswaaij in maart 1942 naar Utrecht vertrok om daar burgemeester te worden, hield hij een zelfverheerlijkende toespraak. Daarin bracht hij ook het ontslag van Roscher en diens tijdelijke opvolger, de antifascistische hoofdinspecteur Anthonie Jan van Doorn, ter sprake. “Een NSB-inspecteur werd van buiten geëngageerd, en al is de oogst niet groot, dan hebben wij nu toch op de 42 agenten 6 Rechtsfronters, waarvan 3 aangesloten NSB’ers.” Het was -en bleef- dus een minderheid van de Zaandamse politie die zich verbond aan het nationaalsocialistisch gedachtegoed, ondanks alle druk van bovenaf.

Cornelis Roscher rond 1941 (R.R. Pel)

Ook Ragut liet van zich horen, onder meer in een klachtenlitanie over zijn waarnemend voorganger Meindert Talma. Daaruit blijkt dat Ragut de strijd aanbond met meerdere dwarsliggende ondergeschikten. “Wanneer destijds een politie-ambtenaar werd opgedragen een transport van joden, ondergedokenen en krijgsgevangenen te verrichten, dan stapte hij naar opperlt. Talma en zei om de een of andere reden bezwaar tegen zoo’n transport te hebben en werd dan ook prompt een ander voor dat transport aangewezen. (…) Een en ander strookt niet met mijn opvatting van plicht als korpschef-officier.”
Ragut zorgde er in 1943 voor dat drie opposanten hun ontslag kregen; Johan Jongepier, Abraham Moerdijk en Jelle Johan Merkus. Doordat hij medio oktober 1942 de beschikking had gekregen over vijf jonge agenten die even eerder hun opleiding hadden afgerond in het beruchte SS-kamp Schalkhaar sloeg de balans weer wat verder door naar de nazistische kant.

Eed   

Burgemeester Van Ravenswaaijs wat minder gestaalde opvolger, de NSB’er Hendrik Vitters, deed begin mei 1943 een poging om het Zaandamse politiekorps een eed te laten afleggen waarin trouw werd gezworen aan de bezettingsmacht. Die eed begon met de zin: “Ik zweer, dat ik het in het bezette Nederlandse gebied geldende recht getrouw zal toepassen en naleven.” Wie de eedaflegging weigerde, liep het risico op ontslag of zelfs vervolging. Desondanks hielden sommige van de inmiddels 55 agenten hun rug recht, aldus een in 1946 door verzetsleider August W. Sabel gemaakt verslag. Eén voor één moesten ze de eed afleggen, van laag tot hoog. Wachtmeester Robert Rudolf (‘Bob’) Pel weigerde als eerste. Daarna volgden de opperwachtmeesters G. Meijer, Jelle Johan Merkus, Abraham Moerdijk en Johan Jongepier. En tenslotte hielden ook de hoofdwachtmeesters M. Iedema, Willem Frederik Zweers en de eerder genoemde Jan van der Schaaf hun poot stijf. Eén op de zeven Zaandamse politiebeambten nam dus het risico van sancties. Ze hadden geluk. Al snel bleek dat Vitters’ eedaflegging geen wettelijke grondslag had. De dwarse dienders konden opgelucht ademhalen. 
Wat Sabel overigens niet vermeldde is dat de agenten op 7 juni 1943 alsnog een eed moesten afleggen die hun onderdanigheid bezegelde. Die luidde: “Ik verklaar hierbij plechtig, dat ik, zoolang ik mijn ambt waarneem, de verordeningen en andere bepalingen van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebieden van de hem ondergeschikte Duitsche organen naar eer en geweten zal nakomen en mij zal onthouden van elke handeling, gericht tegen het Duitsche Rijk of de Duitsche weermacht.” Ik heb geen totaaloverzicht, maar eerdere weigeraars als Bob Pel, Jan van der Schaaf en Jelle Merkus tekenden dit keer wel.

Walraven van Hall

Een aantal van bovengenoemde mannen begaf zich desondanks toch in de illegaliteit, met Bob Pel op eenzame hoogte. Hij onderhield wekelijks contact met Walraven van Hall, informeerde Jan Brasser over de beste optie om korpschef Ragut te elimineren, smokkelde wapens, bevrijdde gevangenen en saboteerde waar hij maar kon. Dat de Sicherheitsdienst hem en Jan van der Schaaf in januari 1944 een week vasthield op verdenking van hulp aan het illegale blad Vrij Nederland wekt dan ook geen verbazing. Dat de twee weer vrijkwamen, hoewel de dienstdoende SD-beambte Emil Rühl meer meende te weten, mag daarentegen een klein wonder heten.

Bob Pel na zijn arrestatie, januari 1944 (R.R. Pel)

Naarmate de oorlog vorderde en de Duitse nederlaag dichterbij kwam, stapten meer Zaandamse agenten over de streep. De opportunistische Tonny Jansen, de opvolger van Ragut als korpschef, keerde om als een blad aan de boom en nam vanaf 1943 enorme risico’s om het verzet ter wille te zijn. Voor een mede-Rechtsfronter, wachtmeester Jan van der Meij, gold op bescheidener schaal iets vergelijkbaars.

‘Dooie dienders’

Op een door de ondergrondse in 1945 samengestelde lijst met Zaandamse NSB-leden staan zeven politiemedewerkers. Eén van hen was toen echter al geliquideerd (Willem Ragut), een ander verhuisd naar Amsterdam (Hendrik van der Kraan). Op 14 februari van datzelfde jaar stelde een medewerker van het ‘GEBU’ (het Gewestelijk Bureau, een eind 1944 opgerichte Zaanse illegale inlichtingendienst onder leiding van Zaandammer August W. Sabel) een rapport op over de Zaandamse politie. Een paar citaten: “Het politie-corps te Zaandam bestond, zooals ieder politie-corps, uit een groot aantal, wat men in de wandeling noemt, dooie dienders, en slechts enkele flinke kerels. (…) In het politie-corps zelf zat een groot aantal NSB-agenten oorspronkelijk, die door Ragut naar Zaandam werden gezogen, doch resp. allemaal weer naar andere plaatsen afvloeiden.” In februari 1945 waren er volgens de anonieme auteur van het rapport nog vier (bij naam genoemde) agenten die zich hadden ‘uitgesloofd voor de Duitschers’. Het was een kleine minderheid binnen het Zaandamse korps, dat ‘zijn best [deed] bij alle mogelijke gelegenheden de burgerij te waarschuwen, wanneer Duitsche maatregelen te vreezen zijn. Er wordt sinds de laatste paar jaar volledig mee samengewerkt.’

Het algemene beeld bij de Zaandamse politie is dus dat een minderheid al gedurende de eerste oorlogshelft overging tot acties tegen de bezetter. Een nog kleinere, veelal door Willem Ragut gerekruteerde minderheid collaboreerde. En de overgrote meerderheid zette de tering naar de nering. Ze gingen door met hun politiewerk en probeerden zo min mogelijk smetten op te lopen, zonder principieel stelling voor of tegen te nemen. Gedurende de tweede bezettingsfase vond er een geleidelijke verschuiving plaats. Steeds vaker steunden dienders het opkomende verzet in meerdere of mindere mate. Anderen probeerden in alle opzichten hun neutraliteit te bewaren, om problemen te voorkomen.

Willem Ragut

Koog-Zaandijk

Zaandam had verreweg het grootste politiekorps van de regio, maar hoe was het tussen 1940 en 1945 in de omliggende dorpen?
In het kleine korps van Koog-Zaandijk waren verhoudingsgewijs veel ‘goede’ agenten. Toch moesten ook zij voorzichtig zijn. Een opperwachtmeester van de Koogse politie, Arie B., behoorde volgens een ondergronds rapport uit januari 1945 ‘niet bij de politie ingedeeld te zijn’. “Meer dan eens heeft hij pro-Duitse uitlatingen gedaan. (…) Meer dan eens heeft hij door onverantwoordelijk geklets zijn collega’s en ook andere personen in gevaar gebracht.” Waarna onder meer de namen volgen van zijn collega’s Jan Cornelis Breeker, Klaas van Doeland en Herm Nijzink, inderdaad agenten die zich jarenlang weerden tegen de bezetter.

Herm Nijzink, tweede van rechts, in mei 1945 (particuliere collectie)

In Koog aan de Zaan bevond zich een nog veel rottere appel. De NSB’er Jan Bloemsma was hulpagent en fervent speurder naar joodse onderduikers. Het is dan ook begrijpelijk dat de verzetsgroep Koog-Bloemwijk probeerde om Bloemsma van het leven te beroven. Diens plaatsgenoot Jan Cornelis Breeker had niet alleen de zorg op zich genomen voor zo’n honderd onderduikers, maar ook de leiding in handen van deze ‘wilde’ groep. Een collega als Bloemsma kon hij missen als kiespijn. Helaas voor Breeker; diverse pogingen om deze nationaalsocialist te liquideren mislukten.

In Zaandijk was het vooral rijkspolitieagent Joop Keijzer die enorme risico’s nam, in een poging afbreuk te doen aan de bezetter. Als een van de weinige Stijkelgroepleden ontsnapte hij in 1941 aan arrestatie. De navolgende jaren zwierf hij door het land, opgejaagd door de Duitsers. Zijn vrouw nam met zijn medewerking onder meer een aantal joodse onderduikers in huis. Joop Keijzer werd in de zomer van 1943 alsnog gearresteerd, voor de deur van zijn woning. Hij werd daar neergeschoten toen hij aan zijn belagers probeerde te ontkomen. Hij belandde in een Amsterdams ziekenhuis. Zijn collega Jan Breeker nam het initiatief om hem te bevrijden. Ondanks de bewaking in het Westergashuis lukte dat op 19 augustus. Het was een van de vele gewaagde stunts van de groep Koog-Bloemwijk (waarvan ook het ondergedoken marechausseelid Koos (‘Joep’) Heijdra deel uitmaakte).

De naam van de wat kalmer opererende Koogse agent Herm Nijzink is onder meer terug te vinden in een door Jan Dirk Vis geschreven oorlogsverslag. Deze Zaandijker opereerde in de top van het plaatselijk verzet en was dan ook goed geïnformeerd. Volgens Vis was Herm Nijzink ondercommandant van de Ordedienst in Koog aan de Zaan. Zijn collega Klaas van Doeland fungeerde vooral als doorgeefluik voor het verzet. Van Doelands dochter Jopie, die actief was in de illegaliteit: “Wat dat verzetswerk betreft, van mijn vader hoorde ik wel het een en ander. Dat vertelde hij dan expres, omdat hij wist dat wij er wat mee deden. Langs zijn neus weg, zeg maar. En dan kon ik het doorgeven.”

Krommenie

Over de politiekorpsen in Wormerveer en Krommenie is weinig bekend, ook al omdat de dag- en nachtrapporten van die gemeenten verdwenen zijn. Uit een ondergronds verslag d.d. 19 maart 1945 valt op te maken dat de Krommenieër NSB-burgemeester Gerrit Jongsma het niet makkelijk had met de aan hem toegewezen dienders: “Jongsma verklaarde tenminste, Visser is de eenige man van het Politiecorps die ik volledig kan vertrouwen en waar ik een goede steun aan heb.” Waar de fanatieke collaborateur Jongsma in 1948 werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien jaar, kreeg opperwachtmeester Jan Visser 2,5 jaar cel wegens het arresteren van een aantal april-/meistakers. Zijn betrokkenheid bij de aanhouding van verzetsmensen en ondergedoken joden werd Visser niet aangerekend. Daardoor kwam hij er met een milde straf vanaf.

Omdat Gerrit Jongsma blijkbaar weinig steun ondervond van zijn eigen politie trok hij er regelmatig zelf op uit, gewapend met een pistool. Hij arresteerde joodse onderduikers en jaagde op verzetsstrijders. Die op hun beurt deden daarom enkele vergeefse pogingen om Jongsma uit de weg te ruimen.

Wormerveer

Net als in Zaandam bleef in Wormerveer de gemeentepolitie gehandhaafd. Daarnaast herbergde deze gemeente een marechausseekazerne. De medewerkers daar behoorden sinds eind 1940 bij de politie. Een opvallende naam bij de Wormerveerse marechaussee was hoofdwachtmeester Reinier Cornelis van den Bosch. ‘Opper’ van den Bosch verspreidde illegale lectuur, haalde geld op ten bate van onder meer onderduikers (die hij ook verzorgde), verzamelde wapens en munitie voor het verzet en spioneerde. Hij was een van de weinigen in de Wormerveerse marechausseekazerne die zo hun nek uitstaken. Bekend is dat daar minstens drie NSB’ers werkten. Ook de commandant die daar in het najaar van 1944 aantrad, luitenant Van der Meer, had de naam pro-Duits te zijn.

In zijn boekje Na 50 jaar wijdde de Wormerveerse verzetsleider Jaap Boot enkele pagina’s aan zowel de plaatselijke politie als de daarin opgegane marechaussee. Ook hij noemde Reinier van den Bosch, onder wiens bevel ‘verscheidene manschappen altijd voor ons klaar stonden’. Boot rekende onder andere Wout van der Waal tot die betrouwbare manschappen. Met hem haalde Boot bijvoorbeeld een zender voor de ondergrondse van Utrecht naar Wormerveer. De marechausseekazerne kwam ook van pas toen een neergehaalde Amerikaanse vliegenier in 1943 onderdak moest krijgen. “De marechausseekazerne leek me een geschikte schuilplaats voor hem en dat gaf bij de Opper en Wout geen enkel probleem. De eerste nacht sliep ik met [vliegenier] Victor in het bovenhuis van Wout”, aldus Jaap Boot. “Opper van den Bosch en zijn rechterhand Wout van der Waal waren mannen op wie je altijd kon rekenen.”

Reinier Cornelis van den Bosch

In Na 50 jaar bleef ook politiecommissaris F.W. de Groot niet ongenoemd, maar dan in minder positieve zin. Deze voorganger van Bouwens werd er in illegale rapportages onder meer van beschuldigd aan de leiband van de bezetter te lopen en op hun bevel een joodse Wormerveerder en verzetsmensen te hebben laten oppakken. Jaap Boot was eveneens kritisch. “De Groot was een omstreden figuur, niet bepaald fout, maar ook geen vriend van het verzet.” Het betekende dat hij in mei 1945 werd geschorst. Boot: “Toen De Groot na de bevrijding voor de zuiveringscommissie van de politie moest verschijnen, vertelde hij zonder blikken of blozen dat hij zijn pistool tijdens de bezetting van mij had gekregen. Dat was zonder meer een leugen.” Volgens Boot had hij het vuurwapen eigenhandig gestolen uit het politiebureau aan de Wormerveerse Stationsstraat.
F.W. de Groot -die in juni 1944 was ondergedoken, omdat hij vermoedde dat de Duitsers het op hem hadden gemunt- liet het er niet bij zitten en tekende bezwaar aan tegen zijn veroordeling. Met succes: in meerdere kranten was op 28 juli 1949 te lezen dat hij ‘bij ministeriële beschikking volledig gerehabiliteerd’ was. Jaap Boot: “Voor de zuiveringscommissie durfden verscheidene agenten niet tegen De Groot te getuigen. ‘Als hij terugkomt als commissaris hebben wij geen leven meer.'”

Nadat De Groot in 1944 onderdook, werd Jan Willem Bouwens zijn opvolger. Niet voor lang overigens. Op 7 oktober van dat jaar liquideerde de Raad van Verzet deze politiecommissaris, ondanks instructies van de Binnenlandse Strijdkrachten om dat achterwege te laten. Bouwens zou een dag later naar het Oostfront vertrekken en was dus niet langer gevaarlijk voor Wormerveer en omstreken. De represaille was gruwelijk. Vier dagen na de aanslag executeerden de Duitsers aan de Wormerveerse oever van de Zaan vijf mannen die met de eliminatie van Bouwens niets te maken hadden. De RVV betuigde desondanks geen spijt van de actie. Commandant Jan Jongh: “Doordat wij genoodzaakt waren ter beveiliging van de illegaliteit verschillende SS-schurken te elimineren, waaronder commissaris Bouwens te Wormerveer, kwam de schrik erin onder het politiekorps, dat of een halfslachtige houding aangenomen had of volkomen hand- en spandiensten verleende aan de Duitse bezetting.”

Dat die laatste zin enige nuance behoeft, blijkt wel uit de woorden van Jaap Boot. “Tijdens de bezetting kreeg ik van [rechercheur] Rijkeboer ook medewerking van de agenten [P.A.] Lak en de gebroeders [den] Boef.” Na de dood van Bouwens arriveerde er een nieuwe commissaris, Gerrit Reinder Vleeming uit Zandvoort (bijnaam ‘mooie Willem’). Die zocht na zijn benoeming contact met het verzet, in de persoon van Jaap Boot. De codezin waarmee deze Wormerveerse BS-commandant tijdens hun eerste ontmoeting Vleeming zou aanspreken was: “Ik kom uit Brummen.” Boot: “Nauwelijks had ik dat gezegd of hij riep uit: ‘Wat ben ik blij dat u bent gekomen. Ik wil niet dezelfde weg als mijn voorganger.’ Vanaf die tijd tot de bevrijding had ik in wezen de leiding over het politiekorps. Vleeming deed niets zonder vooraf met mij overleg te plegen.” In tegenstelling tot Bouwens werd de nieuwe politie-inspecteur door zijn tegenstanders gespaard.

Jaap Boot in 1965

Westzaan

De hiervoor genoemde Reinier Cornelis van den Bosch werd begin 1941 commandant van de Ordedienst in Westzaan. Hij werkte, tot hun arrestatie in februari 1943 wegens spionage, onder meer ondergronds samen met de plaatselijke burgemeester H.F. Jantzen en diens secretaris R. Schoenmaker. Gegevens over de rol van de Westzaanse veldwachter tussen 1940 en 1945 zijn me niet bekend.

Assendelft

Ook over Assendelft kan ik weinig vertellen. Mij is, naast veldwachter P. Molenmaker (zie de foto hieronder), alleen de naam Wilhelmus Hoveijn bekend. Hij woonde in de Assendelftse Dorpsstraat, maar werkte als rechercheur in Wormerveer. In die hoedanigheid werd hij er in oktober 1944 van beschuldigd de burgemeester een lijst met dertien executiekandidaten te hebben overhandigd. Zij zouden in aanmerking komen voor de wraakactie die de Duitsers in gedachten hadden na de eliminatie van korpschef Jan Willem Bouwens. Hoveijn werd in mei 1945 gearresteerd, maar drie jaar later vrijgesproken. Hij keerde terug naar het Wormerveerse korps, ondanks alle ook toen nog over hem rondzingende verhalen.

Veldwachter P. Molenmaker controleert op de Dorpsstraat in Assendelft of varkensslachter Jan Steijn geen clandestien vlees vervoert (Gemeentearchief Zaanstad)

Oostzaan

Zoals burgemeester Gerrit Jongsma in Krommenie voor agent speelde, zo deed zijn collega Johannes de Bree dat vanaf zijn benoeming in 1942 in Oostzaan. Hij was met name gebrand op zwarthandelaars en clandestiene slachters, maar ging ook op zoek naar joden en illegale lectuur. Meestal trok hij er alleen op uit. Blijkbaar vertrouwde hij de Oostzaanse diender Roel van Maasdam onvoldoende. Die werd in 1945 geschorst en onderwerp van onderzoek, maar mocht per oktober 1946 weer in actieve dienst treden.
Na De Brees zelfmoord, in juli 1943, kreeg Oostzaan enkele gematigder burgemeesters en hield ook de weinige politie in het dorp zich gedeisd. Maar hoe moeilijk het was om desondanks de handen schoon te houden, bleek wel toen Roel van Maasdam op 4 januari 1945 assisteerde bij de arrestatie van zijn dorpsgenoot Henk Swart. Die werd verdacht van illegaal slachten. Dat de Duitsers Swart twee dagen later executeerden, een vergelding voor een aanslag door anderen, had Van Maasdam hoogstwaarschijnlijk niet voorzien. 

Veldwachter Roel van Maasdam in het gemeentehuis van Oostzaan. Op de deur van de burgemeesterskamer staat: ‘Betreed deze kamer nimmer met vrees’ (Oudheidskamer Oostzaan)

Wormer

De politie in Wormer bestond aanvankelijk  uit drie man, de veldwachters Klaas de Boer en P. Koopmans (eind 1942 opgevolgd door J. Blom) en marechausseelid Mulder. In 1943 kwamen daar twee marechausseemedewerkers bij, genaamd Fedde Foppes en J.J. Duursema. Van Klaas de Boer is bekend dat hij geliefd was bij de bevolking. Dat deze Wormer agent weinig ophad met het nazistisch gedachtegoed bleek wel toen hij op 29 november 1944 enkele Duitsers op het verkeerde been zette. Ze hadden even daarvoor verzetsman Jan Kuijper doodgeschoten. Het was een vergissing; ze zochten iemand anders. Gevraagd naar de identiteit van het slachtoffer hield ‘opper’ De Boer zich van de domme: “Die man komt hier niet vandaan.” Daarna lichtte hij een medewerker van de Raad van Verzet in. Of zijn collega’s in Wormer ook zo deutschfeindlig waren, is uit mijn archief niet te herleiden.

1 oktober 1942. Felicitaties voor Klaas de Boer, die dertig jaar bij de politie in Wormer is (Waterlands Archief)

Conclusie

Hoewel bovenstaande inventarisatie uiteraard niet compleet is, kan wel de voorzichtige conclusie worden getrokken dat er geen eenduidig oordeel mogelijk is over de Zaanse politie. De meeste korpsen telden zowel collaborateurs als verzetsstrijders. Er waren opportunisten en principiëlen, aan beide kanten van de streep. Maar de meerderheid binnen de politie probeerde, net als hun collega’s elders in Nederland en net als het overgrote deel van de bevolking, vooral om heelhuids door de oorlog te komen en besmetting -met name door de machthebbers- te voorkomen. Dat was misschien niet heldhaftig, maar in die context wel begrijpelijk.

Jan van der Schaaf

Tot slot nog even terug naar rechercheur Jan ‘Grijpt-Alles’ van der Schaaf. Op 20 januari 1945 vond hij een anonieme brief op zijn deurmat met een stempel van de ‘Verzetsbeweging Zaanstreek’. Die beschuldigde hem, overigens niet voor het eerst, van hand- en spandiensten aan de onderwereld. “Herhaalde malen blijkt dat U met verschillende inbrekers en helers in één schuitje vaart en er niet tegen opziet ten eigen bate met deze lieden tot een accoord te komen.” Er zat maar één ding op, volgens de briefschrijver: Van der Schaaf diende per direct met pensioen te gaan. Anders ‘gaan wij onmiddellijk tot de meest strenge maatregelen over’. 

Toen Jan van der Schaaf de doodsbedreiging leek te negeren, volgde er na een week een tweede brief. “Het schijnt dat U er niet genoeg van doordrongen zijt, dat we het meenen met onze voorwaarden. (…) Thans richten wij ons voor de laatste maal tot U en bevelen U onmiddellijk Uw pensioen aan te vragen en de dienst op staande voet te verlaten. Mocht U aan dit bevel vòòr a.s. Maandagmiddag 6 uur niet gevolg hebben gegeven, dan zijn alle risico’s voor U en Uw gezin. Wij zullen dan geen enkele reden hebben nog eenige clementie te hebben en zullen niet terugdeinzen de strengste maatregelen te treffen. (…) U hebt Uw lot in eigen handen.” Ook schoot de communistische verzetsstrijder Ber Hulsing als aanvullende waarschuwing een kogel door Van der Schaafs voordeur. 

Pensioen

Dir keer koos Jan van der Schaaf eieren voor zijn geld. Twee dagen later stuurde hij een brief naar de burgemeester met het verzoek ‘hem eervol ontslag te verleenen uit den politiedienst daar hij den 55-jarigen leeftijd heeft bereikt en momenteel physiek niet meer in staat is zijn dienst naar behooren te verrichten’. Het verzoek werd schriftelijk ondersteund door korpschef Tonny Jansen. Het verzet had ook hem inmiddels verzocht Van der Schaaf uit het korps te laten vertrekken.

Tonny Jansen voor het Gerechtshof, 1949

Misschien kwamen Jan van der Schaaf en Tonny Jansen nog het dichtst in de buurt van de gemiddelde Zaanse diender in oorlogstijd. Beiden bogen twee kanten op, naar de bezetter en naar het verzet. Daar tussendoor probeerden ze, net als voor de oorlog, hun reguliere politiewerk te doen. Na de bevrijding kregen ze de rekening gepresenteerd voor hun opportunistische houding, in de vorm van een sanctie. Agenten als Bob Pel -die overduidelijk aan de goede kant van de lijn stond- en Hendrik van der Kraan -fout tot op het bot- waren de uitzonderingen.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.