Berichten

De Zaanstreek als overtreffende trap

Sinds 2006 publiceer ik boeken en artikelen over de jaren 1940-1945. Dat levert steevast twee vragen op. Moet dat nou, nóg een oorlogsverhaal? En waarom gaat het steeds over de Zaanstreek?

Over de Tweede Wereldoorlog verschenen alleen al in Nederland duizenden boeken. De zwartste periode van de twintigste eeuw blijft schrijvers inspireren. Keer op keer duiken er gegevens op die leiden tot nieuwe bevindingen. Geen wonder: zelden was er een periode in de geschiedenis die én zo massaal het ultieme goed en kwaad toonde én zo uitputtend gedocumenteerd werd. Wie wil trachten de beweegredenen van de mens te doorgronden, kan zijn hart ophalen in de steeds toegankelijker oorlogsarchieven. Bovendien lijkt de belangstelling voor de bezettingsjaren nog altijd niet tanende. Films als Bankier van het verzet en De slag om de Schelde trokken honderdduizenden naar de bioscoop. En een boek als ‘t Hooge Nest is niet uit de bestsellerlijsten te slaan. De regelmatig terugkerende vraag of het nou echt moet, nog meer oorlogsboeken, beantwoord ik dan ook met een volmondig ja.

Het eerste boek over de Zaanstreek tijdens de Tweede Wereldoorlog (1946)

Dan die tweede vraag. Bij veel -niet alle- van mijn publicaties over de jaren 1940-1945 speelt de Zaanstreek een rol. Ik ben overigens niet de enige die deze regio als decor kiest. Er zijn inmiddels enkele tientallen boeken uitgebracht over de Zaanstreek in oorlogstijd. En het eind is nog niet in zicht. Ik weet dat er op dit moment minstens vijf oorlogsboeken in de maak zijn waarin de voormalige gemeenten rond de Zaan figureren. Weinig gebieden in Nederland zullen kunnen bogen op zo’n immense stapel bezettingsliteratuur. Bovendien duikt de Zaanstreek regelmatig op in oorlogsboeken over elders te vinden personen en gebieden. Het is mede een indicatie van de rol die deze regio destijds had.

Het uitzonderlijke

De redenen voor die schijnbare overvloed zijn volgens mij grotendeels gelegen in het uitzonderlijke. Laat ik die uniciteit illustreren aan de hand van een opsomming.

-SS-leider Hanns Albin Rauter verklaarde na de oorlog ‘dat de gehele Zaanstreek in zeer sterke mate opviel door communistische acties’.
-Nergens in Nederland deden verhoudingsgewijs zoveel mensen mee aan de Februaristaking als in de Zaanstreek.
-Die staking hield bovendien nergens zo lang aan als rond de Zaan.
-Van de slechts zes foto’s die wereldwijd bekend zijn met beelden van deze massale werkonderbreking zijn er vier in Zaandam gemaakt.

Februaristaking op de Dam (25-2-1941)

-De Zaandamse Artillerie-Inrichtingen waren de eerste oorlogsjaren de belangrijkste wapens- en springstoffenleverancier aan het Nederlandse verzet.
-De spin in het web van de Nederlandse illegaliteit, Walraven van Hall, woonde in Zaandam.
-Zaandam was de eerste Nederlandse gemeente die, in 1942, ‘Judenrein‘ werd gemaakt.
-De familie Strauss was bij mijn weten de enige joodse familie in Nederland die tussen 1940 en 1945 onder de eigen naam op het eigen huisadres kon blijven wonen.

De familie Strauss (1942)

-De allereerste gevangenen die uit Durchgangslager Westerbork ontsnapten, waren de drie leden van het Zaandamse gezin Pollak.
-Tijdens de Spoorwegstaking van 1944 legden de medewerkers van NS-station Zaandam als eersten in Nederland het werk neer.

Stof te over

Voeg daar aan toe het bovengemiddelde anti-nazistische verzet in de Zaanstreek, de vele Zaanse kopstukken in de landelijke illegaliteit, het relatief hoge aantal joodse onderduikers in de Zaanstreek, de bijzondere samenwerking binnen het Zaanse verzet die regelmatig de verzuiling ontsteeg, en de deelname van de Zaanse bevolking aan alle drie de grote werkonderbrekingen tijdens de oorlog (Februaristaking, April-meistaking, Spoorwegstaking) en de conclusie is getrokken: stof te over voor artikelen en boeken over de oorlog in de Zaanstreek.

In januari 2022 komt er overigens -ijs en weder dienende- een nieuw boek van me uit. Het speelt grotendeels tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Zaanstreek vormt het decor. En ook hier geldt de overtreffende trap, in de persoon van hoofdrolspeelster Franci Siffels. In heel Nederland is namelijk geen andere vrouw te vinden die in de korte tijd die haar gegeven was zoveel mensen verraadde, met veelal dodelijke gevolgen.

U bent gewaarschuwd.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Belangrijkste verzetsman

Eerste jodendeportaties.

Eerste ontsnapping uit Westerbork.

Familie Strauss

29 juni 1940: de dag dat de republikeinse Zaanstreek monarchistisch werd

De ‘rooie’ Zaanstreek is tijdens de jaren dertig in meerderheid republikeins en anti-Duits ingesteld. Maar op 29 juni 1940 stromen de straten opeens vol met mensen die een eerbetoon brengen aan prins Bernhard. Anjerdag, de eerste massademonstratie tegen de bezetter, is een feit.

De Zaanstreek doet tijdens de Tweede Wereldoorlog mee aan elk grootschalig protest tegen het heersende bewind. De bekendste zijn de Februaristaking (1941), de April-/meistaking (1943) en de Spoorwegstaking (1944-’45). Maar de eerste keer dat brede lagen van de bevolking zich tegen de nazistische machthebbers keren is Anjerdag, 29 juni 1940.

Dat de Zaankanters zich die dag zo massaal achter het koningshuis scharen, is geen vanzelfsprekendheid. De plaatselijke politiek wordt al decennia beheerst door socialisten en communisten, die tijdens het interbellum respectievelijk schoorvoetend en geen toenadering hebben gezocht tot het Oranjehuis. Dat sentiment krijgt in de meidagen van 1940 extra voeding, omdat koningin Wilhelmina en haar familieleden dan naar Engeland vluchten. Velen beschouwen dat als een laffe actie. Maar op zaterdag 29 juni 1940 slaat de stemming om. De aanleiding: de verjaardag van een (nota bene Duitse) prins.

‘Walgelijk’

Prins Bernhard is het eerste lid van het koningshuis dat na de bezetting van Nederland zijn verjaardag kan vieren. Door op 29 juni een anjer in het knoopsgat te steken -iets dat Bernhard ook met grote regelmaat doet-, etaleren veel Nederlanders hun weerzin tegen de nazi’s. Dat gebeurt verspreid over heel Nederland, en er doen tienduizenden mensen aan mee. NSB-leider Anton Mussert komt dan ook adem tekort om deze rebellie te veroordelen. “Terwijl uit Engeland, de verblijfplaats van deze man [Bernhard], de Engelse bommenwerpers opstijgen om dood en verderf te zaaien in ons volk, tooit het geestelijk rapaille zich met witte anjers ter ere van Prins Bernhard om zo hun Vaderlandsliefde te tonen”, schrijft hij in partijblad Volk en Vaderland. “Het is ontzettend, het is walgelijk.”

29 juni. Mensen leggen bloemen bij paleis Noordeinde in Den Haag, bij het standbeeld van Willem de Zwijger (Haags Gemeentearchief)

Tientallen gemeentebesturen geven openlijk of oogluikend steun aan de sympathiebetuigingen. Maar in Zaandam wordt geaarzeld. Burgemeester Joris in ‘t Veld heeft anderhalve week eerder een bericht ontvangen van de provinciecommissaris. Die schreef dat het College van secretarissen-generaal het wenselijk vond ‘dat met het oog op de rouw waarin ons land op het ogenblik verkeert voorlopig geen Nederlandse vlaggen worden getoond’. De commissaris voegde daar aan toe dat hij persoonlijk geen bezwaar had ‘tegen het dragen van een oranjestrik of -sjerp van cocardes en dergelijke in de nationale kleuren’.

Anthonie Jan van Doorn

Die zaterdagmiddag dragen overal in de Zaanstreek mensen witte anjers of oranje strikjes op hun kleding. Zelfs politie-inspecteur Anthonie Jan van Doorn heeft zo’n strik op zijn uniform gespeld. Hij moet niets hebben van de nieuwe machthebbers, en is bereid om daar consequenties aan te verbinden.

Rond half vijf komen er meerdere verontrustende meldingen binnen op het Zaandamse politiebureau: een aantal NSB’ers ontdoet de Zaankanters die ze tegenkomen hardhandig van hun Orangistische steunbetuigingen. Van Doorn stuurt onmiddellijk een surveillancegroep op pad. Zelf rijdt hij met de dienstauto noordwaarts de Westzijde af, omdat de fietsende nationaalsocialisten die kant op zouden zijn gegaan. Hij treft de vijftien bloemen stelende zwarthemden aan in Zaandijk. Daarop neemt Van Doorn contact op met Johannes van Wordragen. Die is bereid om in te grijpen. Het leidt ertoe dat deze plaatselijke NSB-leider zijn inmiddels tot Wormerveer gevorderde partijgenoten het bevel geeft om onmiddellijk terug te fietsen naar het Kringhuis in Zaandam. De rust keert terug. Voor even.

Hoofdinspecteur Anthonie Jan van Doorn, 1941

Engelsche propaganda’

Hoofdagent Johannes Blakenburg bevindt zich rond zeven uur ‘s avonds in het bureau aan de Vinkenstraat. Daar verzamelen zich voor- en tegenstanders van het nieuwe bewind; zo’n tien tot vijftien geüniformeerde NSB’ers en drie burgers. Uit de laatste groep klinken klachten; bij een hunner is ‘een oranjestrikje, dat hij in het knoopsgat van zijn jas droeg, afgerukt’. De dader, Johan Vis, staat erbij en geeft zijn diefstal grif toe. “Bij meerdere personen hebben wij reeds oranje of een bloem van hun jas gerukt”, verklaart hij trots tegen Blakenburg. “Dit is ons door onzen leider, het hoofd van de Weerafdeling, opgedragen en geschiedt thans over het geheele land, daar het dragen van oranje of van een bloem op dezen dag Engelsche propaganda is. Er is geen Nederlandsche regeering meer en wij houden ons dus niet meer aan de Nederlandsche wetten.” Vis verwijst naar hoofdinspecteur Van Doorn, ‘die er alles van weet’ sinds zijn ontmoeting met Van Wordragen. Het is voor Blakenburg aanleiding om de hoofdinspecteur te bellen.

Johannes Blakenburg, 1928

Rond half acht stapt Van Doorn het politiebureau binnen. Er ontstaat een woordenwisseling. Van Doorn tegen Van Wordragen: “Ik zou wel eens willen zien dat iemand de moed had mijn oranjestrikje weg te nemen.” Dat laat Vis zich geen twee keer zeggen. Blakenburg: “Hij zeide tegen I.v.P. v. Doorn, dat hij hem op de straat het oranjestrikje niet van zijn jas had willen wegnemen, om het prestige van de politie niet te schaden (althans woorden van gelijke strekking) en nam toen met een vlugge onverwachte beweging het oranjestrikje weg dat I.v.P. v. Doorn op zijn jas droeg.” De inspecteur reageert ontdaan: “Dat is toch het toppunt, ik arresteer je.” Hij loopt de gang in om Vis in de cel te zetten. “Deze riep luidkeels: ‘Jongens, ze arresteeren mij.’ Toen ik voor de deur van de agentenwacht stond, zag ik agent Jelsma daar staan met de hand aan den revolvertasch, terwijl een agent iets verderop stond, ik meen dat het Mus was, met getrokken revolver.”

Gespannen

Er dreigt een schietpartij in het hoofdbureau van politie. Van Doorn: “De atmosfeer was zeer gespannen. Ik voelde, dat de NSB’ers op mijn bevel om het bureau te verlaten, op z’n zachtst uitgedrukt, zeer hardhandig uit het bureau zouden worden gewerkt en dat ik de agenten niet in de hand zou kunnen houden.” Hij besluit daarom te de-escaleren. “Laat maar”, zegt hij tegen zijn collega’s, en hij vraagt Vis om mee te lopen naar zijn werkkamer. Daar leest de politieman hem de les en eist hij zijn oranjespeldje terug. Dat gebeurt. Ook krijgt Van Doorn excuses. Die herhaalt Vis, op aandrang van Van Doorn, tegen agent Blakenburg. De kou lijkt uit de lucht.

Het hoofdbureau van politie in de Vinkenstraat

Pyrrusoverwinning

Volgens Johannes van Wordragen, inmiddels ook in het bureau gearriveerd, heeft de Amsterdamse NSB-districtsleider hem verteld dat de hoofdstedelijke politie de opdracht heeft om op te treden tegen de dragers van oranje en witte protestsymbolen. Het is voor Van Doorn aanleiding om Joris in ‘t Veld te bellen. “De Burgemeester zeide mij, dat hij er alles voor voelde om het in Zaandam rustig te houden en gaf mij toen in overweging om zelf de zaak ter hand te nemen.” Van Doorn gaat akkoord, onder één voorwaarde: alle geüniformeerde NSB’ers moeten van straat. Dat vertelt hij ook tegen Van Wordragen en Vis. “Beiden beloofden mij dat dit zou gebeuren.”

Het is een pyrrusoverwinning. Het zittend regime slaat hard terug. Generaal Henri Winkelman, die de Anjerdag openlijk steunde, wordt gevangen gezet. Er komt een verbod op de vermelding van leden van het koningshuis in de kranten en op de radio. De padvinderij, die de monarchistische demonstranten op 29 juni heeft geholpen, wordt opgeheven. Er mag voortaan alleen naar Nederlandse en Duitse zenders worden geluisterd. En op 1 augustus 1940 maakt de bezetter bekend dat deelnemers aan pro-Oranjedemonstraties zware straffen te wachten staan. Het werkt. Vijf weken later wordt koningin Wilhelmina zestig jaar. Op straat is het stil.

Het lijkt er op dat Anjerdag de nekslag is voor de toch al met zijn gezondheid kwakkelende Anthonie Jan van Doorn. Onmiddellijk na afronding van zijn rapport over de gebeurtenissen van die dag meldt hij zich ziek. Hij keert niet meer op het bureau terug en overlijdt op 3 mei 1943 aan een slopende aandoening.
Een andere hoofdrolspeler uit dit artikel, Johannes Antonius van Wordragen, wordt in 1944 aangereden en overleeft dat niet.
Zijn partijgenoot Johan Arie Vis zegt uit onvrede over Van Wordragen in december 1940 zijn NSB-lidmaatschap op. Hij accepteert een baan bij de Wehrmacht, pleegt in 1943 in Zaandam een overval om joods roofgoed te bemachtigen en belandt na de bevrijding in de gevangenis.
Hoe het de laatste hoofdpersoon van dit verhaal verder verging, de sinds 1925 bij de Zaandamse politie werkende brigadier Johannes Blakenburg, is me onbekend.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



46 Zaanse oorlogsmonumenten (plus nog 27)

Op de onvolprezen website Monumenten Spreken valt te lezen dat ‘in de Zaanstreek 28 oorlogsmonumenten te vinden’ zijn. Dat is te bescheiden; het zijn er minimaal 18 meer. En dan bestaan er ook nog tientallen monumenten elders in Nederland die herinneren aan Zaanse oorlogsslachtoffers en -gebeurtenissen. Hieronder een overzicht, in alfabetische volgorde. Aanvullingen zijn welkom via info@schaapschrijft.nl.

Assendelft

  • Dorpsstraat 370 

Het oude gemeentehuis van Assendelft herbergt een in 1947 gemaakte houten oorlogsherinnering. Op de bovenrand staat de tekst “Opdat wij niet vergeten.” Onderaan vermeldt de lijst zestien namen ‘ter nagedachtenis der inwoners van Assendelft die [in] 1940-45 vielen door oorlogsgeweld en terreur’. Een vogel en een paard completeren het houtsnijwerk.

  • Dorpsstraat 570

Op het kerkhof achter de Sint Odulphuskerk is een gedenksteen te vinden met de namen van zes buiten Assendelft gestorven mannen. Van hen is alleen Eduard Philippus Buijck in zijn woonplaats ter aarde gesteld, hoewel hij in 1944 stierf in het Duitse Brandenburg. Theodorus Rijkhoff werd geëxecuteerd, omdat hij deelnam aan de April-meistaking van 1943, Klaas Winter was betrokken bij de hulpverlening aan joodse onderduikers.

  • Dorpsstraat 570

Foto: Anjo Kan, Wikipedia

Met dit monument in de tuin van de Sint Odulphuskerk worden de inwoners van Assendelft herdacht die omkwamen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Op een ingemetselde steen zijn hun namen vermeld, in totaal zestien personen, plus de zin “Een wereld zonder geheugen, heeft geen toekomst.” De achterliggende, door Bert Neelen ontworpen roestvrijstalen sculptuur is verdeeld in vijf vlakken die de oorlogsjaren symboliseren.             

                                                                                        Koog aan de Zaan

  • Koogerpark, Hoogstraat 46

Foto: Anjo Kan, Wikipedia

Op de verticale gedenksteen in het park staan de namen van zestien omgekomen verzetsstrijders. De meesten werkten met elkaar samen, in de zogenoemde Stijkelgroep (zes personen), de ‘wilde’ verzetsgroep Koog-Bloemwijk (drie) en het illegale Zaanse drukkersnetwerk (twee). Dit monument werd al op 5 mei 1946 onthuld, na een collecte in Koog aan de Zaan en Zaandijk.

  • Lagedijk 5

Foto: Doopsgezinde gemeente

Naast de kantine van Tate&Lyle (destijds Stijfselmakerij De Bijenkorf) en in kopie op de Lagedijk hangt een plaquette voor directeur Evert Honig, constructeur Piet Smit en boekhouder Jan Groot. Ze namen deel aan een van Nederlands eerste verzetsorganisaties, door de nazi’s Stijkelgroep genoemd. Door verraad belandden de meeste deelnemers al snel in gevangenschap. Veel leden van de Stijkelgroep zijn op 4 juni 1943 in de buurt van Berlijn doodgeschoten.

  • Provincialeweg, ter hoogte van Breedweer

Dit gedenkzuiltje is na de bevrijding in de wegberm tussen NS-station Koog-Bloemwijk en de Mallegatsloot geplaatst als herinnering aan de vliegtuigbom die daar in september 1940 neerkwam. De blindganger werd in juni 2002 onklaar gemaakt, waarna het weggezakte herinneringspaaltje in ere werd hersteld. Dat duurde niet lang: een grasmaaier maakte een eind aan het monumentje. Sindsdien liggen de brokstukken op de gemeentewerf in Zaanstad, in afwachting van herstel en een derde herrijzenis.

  • Schipperslaan 15

Foto: Gedenkboek P.M. Duyvis

Jacobus (‘Ko’) Goris was SDAP-raadslid in zijn woonplaats Zaandam en magazijnmeester bij de Koogse machinefabriek P.M. Duyvis en Co. Als fervent tegenstander van het fascisme verspreidde hij onder meer illegale periodieken als Het Parool en Paraat. Dat ging goed tot 27 januari 1945, toen Landwachters hem na spertijd betrapten met exemplaren van het ondergrondse blad Strijd. Op 12 maart werd hij met 35 andere Todeskandidaten als represaille in Amsterdam gefusilleerd. Een plaquette bij zijn voormalige werkgever herinnerde of herinnert -dat is niet duidelijk- aan deze verzetsman.

  • Wezelstraat 7

Jan Groot wordt niet alleen geëerd op het monument in het Koogerpark en op de plaquette bij Tate&Lyle, maar ook middels een gedenkplaat bij korfbalvereniging KZ. Hij was daar namelijk voorzitter. Ieder jaar wordt er op 4 mei even stilgestaan bij zijn dood voor het vuurpeloton, op 4 juni 1943 om zes over tien in het Duitse Tegel.

                                                                               Krommenie

  • H.D. Arinkplein

Foto: De Orkaan

Met de voortijdig gekapte herdenkingsboom verdween in maart 2014 ook het bijbehorende gedenkplaatje uit de Krommenieër Weverstraat. Boom en plaatje stonden daar al bijna zestig jaar. Op het H.D. Arinkplein werd -weer bij een boom- een nieuwe plek gevonden voor de herinnering met de tekst “Herdenking bevrijding 5 mei 1945-1955.” De onthulling vond plaats in 2016.

  • Saendelverlaan

Foto: J. Berghuis

Op 23 februari 2007 onthulden vier mensen uit evenveel generaties de gedenkplaat met de naam van Jan Brasser. Deze communistische verzetsman gaf in het laatste oorlogsjaar leiding aan het gewapend verzet van de Binnenlandse Strijdkrachten in Noord-Hollands Noorderkwartier. De van Uitgeest naar Krommenie getrokken Brasser hield zich vooral bezig met sabotage en liquidaties. Hoewel de Duitsers fanatiek naar hem op zoek waren, kwam hij heelhuids door de oorlog. De naar hem genoemde tunnel, met daarin het monument, bevindt zich onder de Provincialeweg.

  • Zuiderhoofdstraat, naast nummer 141

Foto: Wikipedia

De April-meistaking van 1943 vond in de Zaanstreek weinig weerklank, maar wel bij de Vereenigde Blikfabrieken in Krommenie. Uit protest tegen het plan om 300.000 voormalige Nederlandse militairen in het kader van de Arbeitseinsatz af te voeren naar Duitsland legden honderden Verblifa-arbeiders het werk neer. Op 1 mei namen de Duitsers wraak. Ze pakten dertien werknemers op, van wie er vier werden geëxecuteerd. De anderen belandden in het concentratiekamp. Slechts vier stakers zouden de ontberingen overleven. Kort na de oorlog werd ter nagedachtenis dit monument opgericht.

  • Zuiderhoofdstraat, naast nummer 151

Foto: Wikipedia

Arie van den Bergs Ad perpetuam rei memoriam kreeg in 1952 een plek aan de zijkant van de Nicolaaskerk, naast het voormalige gemeentehuis. Het natuurstenen reliëf van drie vrouwen die gebukt gaan onder een balk en worden vergezeld door twee kinderen en twee vogels staat voor de last die een groot deel van de Nederlandse bevolking tussen 1940 en 1945 moest dragen.

Oostzaan

  • Kerkbuurt 12

Foto: Anton van Daal

In de Grote Kerk van Oostzaan hangt een marmeren plaat die herinnert aan de klokkenroof door de bezettingsmacht. In 1943 lieten de nazi’s in heel Nederland kerkklokken naar beneden takelen. Ze waren bestemd voor de Duitse smeltovens. De legering van de klokken was bij uitstek geschikt om er kanonnen van te gieten. Het ingehuurde Limburgse aannemersbedrijf van Peter Meulenberg haalde in totaal 6700 klokken op. Pas drie jaar na de oorlog kon er een vervangend exemplaar in de toren worden gehesen.

  • Kerkplein 1

Foto: Anjo Kan, Wikipedia

Het monument op het Kerkplein refeert aan de Tweede Wereldoorlog en -algemener- aan de mensen die vervolgd werden op grond van ras of geloof. Het ontwerp van Roel Bentink werd onthuld op 4 mei 1978. Aanleiding voor de plaatsing was de gewelddadige dood van de Zuid-Afrikaanse anti-apartheidsstrijder Steve Biko. De stoel en het muurtje symboliseren de eenzaamheid, het mozaïek een gevangeniskoepel en de vogel de geketende vrijheid. De plaquettetekst luidt: “Waar recht tot onrecht wordt, wordt verzet een plicht.” Een tweede tekst herinnert aan Nanne Zwiep, de verzetsdominee die van 1924 tot 1927 in Oostzaan preekte en op 24 november 1942 omkwam in Dachau.

  • Hannie Schaftplein 1

Foto: Anjo Kan

Beeldhouwster Truus Menger maakte het eerbetoon aan haar medestrijdster en vriendin Hannie Schaft. Hannies vader was een Oostzaner en als kind kwam ‘het meisje met het rode haar’ regelmatig in het dorp. Op de tekst onder de plaquette staat dat Hannie Schaft op 23-jarige leeftijd werd gefusilleerd. In werkelijkheid was ze een jaar ouder toen ze op 17 april 1945 een gewelddadige dood vond in de duinen bij Bloemendaal.

Wormer

  • Dorpsstraat 187

Foto: Wikipedia

In een steeg naast de op dit adres gevestigde weverij M. Koster & Co. stierf op 29 november 1944 Jan Kuijper. De Wormer badmeester was de communistische spil van het dorpsverzet. Hij werd neergeschoten toen de Duitsers hem aanzagen voor een vluchtende onderduiker die een soortgelijke jas aanhad. Op 10 mei 1945 werd op deze plek een monumentje voor Kuijper onthuld. Het maakte later plaats voor een aan hem gewijde plaquette.

  • Jan Houtmanhof/Kees Jongensstraat

Foto: Anjo Kan, Wikipedia

Op het zogeheten Ketelhuisterrein staat een monument voor acht verzetsstrijders uit Wormer. Hun namen staan op de zuilen. Het betreft Jan Albert Allan, Wilhelmus Binken, Jan van Hinte, Jan Houtman, Cornelis Jongens, Johannes Kamp, Willem van de Kappelle en Jan Kuijper. Het keramiek op beton werd in 1989 gemaakt door de kunstenaars Reinier den Adel en Klaas de Boer.

  • Zaandammerstraat/Dorpsstraat

Foto: Wikipedia

Dat de namen van de Wormer oorlogsslachtoffers pas 54 jaar na de bevrijding het monument bij de Zaandammerstraat vulden, had alles te maken met de tijdgeest. Het betonnen eerbetoon verrees al enkele jaren na de oorlog. Maar omdat een aantal van de gevallenen in het dorp communist was, werd er simpelweg niemand op gezet. Het duurde tot 1999 voor er alsnog vijftien in brons gezette namen op het herdenkingsmonument kwamen, een initiatief van de toenmalige burgemeester. In mei 2000 volgde de officiële onthulling.

Wormerveer

  • Provincialeweg, tegenover Nagtegaalkade

Foto: Anjo Kan, Wikipedia

Op 14 april 1945 werd onder leiding van Jan Brasser een spoorbrug in Wormerveer opgeblazen, in een poging troepentransporten naar Den Helder te vertragen. Als represaille schoten de Duitsers een dag later naast de Provincialeweg zeven uit Amsterdam opgehaalde gevangenen dood. Een op die plek geplaatst stenen monument vermeldt hun namen.

 

 

  • Zaandijkerweg/Zuideinde

Foto: Anjo Kan, Wikipedia

Nadat het gewapend verzet op 15 december 1944 op de Zaan een met geroofde machines van papierfabriek De Eendracht gevulde Rijnaak tot zinken bracht, executeerden de Duitsers vijf mannen die niets met het voorval te maken hadden. Hun namen staan vlakbij de plek van de aanslag op een bronzen gedenkplaat.

  • Zaanweg, tegenover Stationsstraat

Foto: Wikipedia

Het aan de oever van de Zaan geplaatste witstenen monument met de naam ‘Vrouwe Justitia’ herinnert aan ‘hen die vielen 1940-1945’. Het werd in 1949 onthuld. Dit symbool van rechtvaardigheid staat aan het eind van de Stationsstraat, waar in de oorlog een overval door het verzet plaatsvond op het gemeentehuis en waar een geallieerde vliegtuigaanval op het station slachtoffers maakte.

 

  • Zaanweg, tegenover 86

Foto: Anjo Kan, Wikipedia

Op 11 oktober 1944 werden op deze plek aan de Zaanoever vijf mannen gefusilleerd. Het was een wraakactie vanwege een dodelijke aanslag op de ‘foute’ politiecommandant Jan Willem Bouwens, vier dagen eerder. De slachtoffers waren vier niet-Zaankanters en één Wormerveerder. Ze waren geen van allen betrokken bij de liquidatie van de SS’er. 

 

 

 

  • Locatie onbekend

Ergens in Wormerveer, onbekend is waar, hing of hangt deze gedenkplaat met de namen van drie voortijdig gestorven mannen. Het betreft Hendrikus ten Napel (Wormerveer, 28-4-1923/Schwesing-Engelsbrug, 27-11-1944), Jan Arend Grobbe (Alphen aan de Rijn, 18-2-1917/Westerbork, 12-10-1944) en Willem de Jong (Wormerveer, 18-4-1922/Zaandam, 5-10-1945).

 

Zaandam

  • Harenmakersstraat 17

Foto: H. Homma

In september 2017 werd bij de Harenmakersstraat 17 een bewerkte tegel onthuld die herinnert aan de Februaristaking. Op dit woonadres werd in de nacht van 25 op 26 februari 1941 het pamflet gestencild waarin CPN-leden de Zaanse bevolking opriepen om het werk neer te leggen uit protest tegen de jodenvervolging. Minstens vijftienduizend mensen gaven daaraan gehoor, wat het maakte tot de grootste Zaanse staking ooit.

  • G.L. Jambroesstraat 6/hoek W. Brinkmanstraat

De straten in een van de eerste naoorlogse Zaandamse buurtjes zijn vernoemd naar zes lokale verzetsstrijders die de oorlog niet overleefden. Op de hoek van de George Louis Jambroesstraat (een slachtoffer van het Englandspiel) en de Willem Brinkmanstraat (een provinciaal leider van de Landelijke organisatie voor hulp aan Onderduikers) is sinds 1950 een gevelsteen zichtbaar die herinnert aan de jaren 1940-1945.

  • Kalf 162

Foto: Anton van Daal

Bij de Maria Magdalenakerk staat een ‘aan Christus Koning’ gewijd stenen monumentje met als opschrift: “Geschonken krachtens een belofte op 10 dec. 1944 door de dankbare parochianen van ‘t Kalf voor redding uit den nood van den oorlog 1940-1945.”

  • Kapelaan Gerrit Grootstraat/hoek Cor Geugjesstraat

Foto: Monumenten Spreken

Het met mozaïek aangeklede torentje dat decennialang de kapel van het voormalige St. Janziekenhuis sierde, veranderde gaandeweg van kunstwerk in oorlogsmonument. Ieder jaar legden de Vrienden van het Verzet er op 4 mei bloemen. Op zich begrijpelijk, zo in het hart van dit naar verzetslieden vernoemde buurtje Driekwart eeuw na de bevrijding werd de herdenkingsstatus alsnog geformaliseerd door een bordje aan het werk te bevestigen dat herinnert ‘aan de Zaanse verzetsstrijders uit WO II’.

  • Leeghwaterweg

Foto: Anjo Kan, Wikipedia

Op 13 september 1944 werden drie Wormerveerders en een Zaandijker naast de Leeghwaterweg gefusilleerd. Het was een represaille voor het -door anderen- verborgen houden van een groep Amerikaanse vliegeniers. Die waren twee dagen eerder boven de Zaanstreek uit hun aangeschoten bommenwerper gesprongen en met hun parachutes in de regio geland, waar het Zaanse verzet hen verborg. Het Duitse dreigement om nog meer onschuldigen te doden, maakte dat de illegaliteit de meeste vliegeniers overdroeg.

  • Oostzijde 14

Foto Anjo Kan, Wikipedia

Het voor de St. Bonifatiuskerk geplaatste stenen beeld ‘Christus Koning’ werd in 1948 onthuld en herinnert aan de parochieleden tijdens de Tweede Wereldoorlog. De kerk fungeerde het laatste halfjaar van de bezetting als gewestelijk hoofdkwartier van de Binnenlandse Strijdkrachten. Achter het orgel en het altaar lagen wapens verborgen, de kerk en pastorie werden gebruikt als illegale vergaderlocaties en de eerste edities van het vanaf 12 oktober 1944 gemaakte ondergrondse blad De Typhoon werden in de pastorie getikt en gestencild.

  • Oostzijde, tegenover 238c

Naast de Prins Bernhardbrug -door de nazi’s in de oorlog hernoemd in Troelstrabrug- staat een monument ter nagedachtenis aan de vijf Alkmaarse verzetsstrijders die op 10 maart 1945 op enkele tientallen meters van deze plek werden gefusilleerd. Het was een wraakactie voor de liquidatie van de collaborerende Zaandamse waterpolitiechef Willem Ehlhardt door het Zaanse verzet, negen dagen eerder.

  • Plantsoen van het Verzet

Foto: Wikipedia

Op 4 mei 1948 werd een monument onthuld ter nagedachtenis aan alle Zaandammers die omkwamen in de Tweede Wereldoorlog. Centraal in het plantsoen staat een door Theo van Reijn gemaakt vrouwenbeeld, getiteld ‘Bezinning’ (in de volksmond is het overigens bekender als ‘Dikke Bertha’). Op de sokkel staat, naast een reeks namen van omgekomen verzetsstrijders, de zin: “Laat hen niet vergeefs gestorven zijn.”  Van Reijn was ook de maker van het beeld op de Haarlemse Jan Gijzenkade, waarop -net als op dat in Zaandam- onder anderen Walraven van Hall wordt genoemd.

  • Plantsoen van het Verzet

In een hoekje van dit plantsoen is een bordje geschroefd met de tekst “Geertruida Pel-Groot, geb 1889. Omgekomen in concentratiekamp Ravensbrück – 1945. Zij hielp een Joods kind overleven.” Geertje Pel had ondanks haar voortijdige dood geen plek gekregen op het monument in het Plantsoen van het Verzet. Tientallen jaren later werd dit verzuim een klein beetje goedgemaakt met een inmiddels overigens wel erg armoedig aandoend plakkaatje.

  • Prins Hendrikkade/hoek Burcht

Foto: Anjo Kan, Wikipedia

Op 9 februari 1945 werden op de loswal tegenover de Prins Hendrikkade tien mannen gefusilleerd, allen Todeskandidaten van buiten de Zaanstreek. Het was een represaille voor de liquidatie van politieman Frans D. Willemse, vier dagen eerder. Hij werd verdacht van activiteiten tegen de illegaliteit en zou van plan zijn om een aantal lokale ondergrondse bladen uit te schakelen.

 

  • Symon Spiersweg 18

Foto: Plekker.net

In het kantoor van olie- en transportbedrijf Pieter Bon hangt een herdenkingsplaat met de namen van vier werknemers die de oorlog niet overleefden. De bronzen plaquette werd in 1952, bij de viering van het tweehonderdjarig bestaan van de toenmalige oliefactorij, aangeboden namens het personeel. De herinnering betreft Willem Vaneveld, Hendrik Jacob Weerman, Jan Dirk Hoveling en Petrus Franciscus Smits. De twee laatsten zijn op 14 september 1944 doodgeschoten in het Duitse Emden.

  • Stadhuisplein 100

Foto: Anjo Kan, Wikipedia

In het gemeentehuis bevinden zich vier werken die aan de oorlog herinneren. Het eerste is een door de Stichting Voormalig Zaans Verzet 1940-1945 aangeboden drieluik dat de oorlogsdreiging symboliseert. Aan de wand -het tweede monument- hangt een penning waarmee vijftig jaar bevrijding wordt herdacht. In de hal staat een vitrine op een marmeren zuil. Daarin bevindt zich een boek met de namen van 171 omgebrachte Zaanse joden. Boven dit gedenkteken is een replica zichtbaar van het monument voor de Februaristaking.

  • Stadhuisplein 100

Foto: Gemeentearchief Zaanstad

In de raadzaal van het gemeentehuis zijn 39 namen van prominente Zaankanters te vinden, evenveel als er zetels van raadsleden zijn. Drie van de geëeerden staan bekend als verzetsstrijder: Jan Brasser, Walraven van Hall, Geertje Pel. Daaraan kan Marcus Bakker worden toegevoegd. Hij genoot bekendheid als Tweede Kamerlid, maar was vanaf eind 1943 ook actief binnen de Zaanse illegaliteit.

  • Irene Vorrinkplein

Foto: Anjo Kan, Wikipedia

Naast de ingang van het zogenoemde Maison d’Essence hangt een bronzen plaat met de namen van de joodse directie- en personeelsleden van geur- en smaakstoffenfabriek Polak & Schwarz die de bevrijding niet haalden. Het zijn er 22. De onthulling van het monument bij dit zwaarst getroffen Zaanse bedrijf, waar verhoudingsgewijs veel joden werkten, vond plaats op 4 mei 2003.

  • Vincent van Goghweg 42

Foto: Anjo Kan, Wikipedia

Op de eerste verdieping van het Zaanlands Lyceum hangt een grote plaquette met de namen van 27 oud-leerlingen en -docenten, ‘allen omgekomen tengevolge van de oorlogshandelingen in de jaren 1940-1945’. Het is een gemêleerd gezelschap: verzetsstrijders, joden, dwangarbeiders en andere slachtoffers.

 

 

 

  • Westzanerdijk 310-312

Foto: Anjo Kan, Wikipedia

Het monument op de joodse begraafplaats aan de voet van de Westzanerdijk herdenkt de Zaanse joden die stierven tijdens de Tweede Wereldoorlog. De begraafplaats was de enige Zaans-joodse plek die de nazi’s tijdens de bezetting ongemoeid lieten.

 

 

 

 

 

 

  • Westzijde 39

Foto: Pim Sturm, Wikipedia

Op 21 juni 1944 schakelden Hannie Schaft en Jan Bonekamp vlakbij dit adres de Zaandamse NSB-politiechef Willem Ragut uit. Schafts schot was niet onmiddellijk dodelijk, waardoor de van zijn fiets gevallen Ragut kon vuren op de naar hem toegekomen Bonekamp. Ragut stierf ter plekke, de zwaargewonde Bonekamp enkele uren later in Duitse gevangenschap. Na de oorlog werd voor beide omgekomen verzetsstrijders een monument opgericht voor het gebouw van de toenmalige Kamer van Koophandel.

  • Westzijde 42-44

Foto: eigen collectie

Op de plek waar tot 1964 het huis stond dat Walraven en Tilly van Hall met hun drie kinderen tussen 1940 en 1945 bewoonden, verrees in 2020 een klassiek ogend appartementencomplex. Het is vernoemd naar het beroep van de voormalige verzetsleider: ‘De Bankier’. Op de noordelijke zijgevel prijkt een in baksteen vormgegeven citaat. Het is afkomstig van Marie Boissevain, een ver familielid dat als medewerkster bij de Binnenlandse Strijdkrachten met Van Hall samenwerkte: “Als Wally binnenkwam, was iedereen in vijf minuten gelukkig.”

  • Westzijde 75

Screenshot De Orkaan

De Zaandamse dominee Jan Eikema preekte in de Bullekerk en liet daarbij nauwelijks omfloerst weten hoeveel moeite hij had met de bezetter. Dat, plus zijn hulp bij het zenden van illegale boodschappen naar Londen, was aanleiding om hem in februari 2021 te eren met een plaquette. Die heeft een plek gekregen in de Westzijderkerk, zoals de Bullekerk officieel heet.

 

  • Westzijde 80

Foto: Anjo Kan, Wikipedia

Aan een binnenmuur van de Doopsgezinde Vermaning hangt een gedenkplaat voor Geertruida (‘Geertje’) Pel-Groot. Zij verborg in haar woning in de Prins Hendrikstraat een joodse baby, Marion Swaab, maar werd verraden en op 20 februari 1945 in Ravensbrück vergast. De ijlings elders ondergebrachte Marion overleefde de oorlog wel, omdat een van Pels dochters haar op tijd in veiligheid bracht.

 

  • Wilhelminabrug

Foto: Wikipedia

Beeldhouwster/oud-verzetsstrijdster Truus Menger maakte in de Zaanstreek niet alleen een herinnering aan haar vriendin Hannie Schaft -in Oostzaan-, maar ook een beeldengroep die de Februaristaking van 1941 symboliseert. Het monument werd in 2001 onthuld, staat naast het Zaantheater op de rand van de Wilhelminabrug en heet ‘Staakt, staakt, staakt!’.

Zaandijk

  • Tuinstraat 27

Foto: Anjo Kan, Wikipedia

Zowel in als buiten de voormalige lagere school De Gortershoek hangt een gedenkplaat voor oud-lerares Tieke Jansma. Zij verzorgde in haar Amsterdamse woning jarenlang twaalf joodse onderduikers. Jansma raakte echter in de Hongerwinter besmet met tyfus en stierf op 12 januari 1945, slechts 31 jaar oud.

Zaanstad

Foto: De Zuidkanter

Een gebroken lint van struikelstenen toont, verspreid over Zaanstad, waar tot hun wegvoering joodse Zaankanters woonden. De Stolpersteine liggen voor de voormalige huizen van deze Holocaustslachtoffers, in totaal ruim 180 mannen, vrouwen en kinderen. In de Europese landen die tijdens de oorlog bezet waren door de nazi’s zijn inmiddels duizenden van deze messing plaatjes in het plaveisel geplaatst. Het idee komt van de Duitse kunstenaar Gunter Demnig.

Overig Nederland

Aerdenhout

  •  Bentveldsweg 102

Foto: Marlies ter Borg

Marlies ter Borg beschikt sinds de zomer van 2020 over een bronzen beeld ter ere van Walraven en Gijs van Hall. Deze verzetsbroers woonden gedurende hun jeugd in haar huis met de naam Zonnehof. Het door Frans van der Ven gemaakte beeld is getiteld “Gijs en Wally bedankt!” Links is Gijs te zien, één hand beschermend om de zuil met tientallen miljoenen verworven guldens voor het verzet en de onderduikers, de andere reikend naar zijn broer Wally. Die op zijn beurt een kind omhoog houdt, dat symbool staat voor de 150.000 mensen die het Nationaal Steunfonds -de door de Van Halls in 1943 gestichte illegale bank- hielp.

  • Meester H. Enschedeweg

Foto: Marlies ter Borg

Dit silhouet is een afgeleide van het beeld dat te vinden is op het adres Bentveldsweg 102. Het bevindt zich sinds 2020 te bij basisschool SAB. Die werd in 1924 gesticht door bankier Aat van Hall, de vader van de latere verzetsstrijders Walraven en Gijs van Hall.

Amsterdam

  • Amstelpark

Foto: Wikipedia

De 26-jarige Zaandamse magazijnbediende Jan Brand belandde op 12 maart 1945 in de gevangenis, als verdachte van een inbraak. De Sicherheitsdienst bracht hem naar de gevangenis aan de Weteringschans en plaatste hem op een lijst met Todeskandidaten. Op 31 maart werd Brand met vier anderen gefusilleerd bij de Amsteldijk, als represaille voor een schietincident bij Stompetoren, tien dagen eerder. Op fusilladeplaats Rozenoord herinneren 140 stoelen aan naar schatting evenveel doodgeschoten mannen.

  • Beursplein 5

Een paar jaar na de bevrijding bekostigden zijn oud-collega’s in het gebouw van de Effectenbeurs, zijn voormalige werkplek, een eerste herinnering aan Walraven van Hall. De tekst op de plaquette luidt: ”Gedreven door zyn groote zin voor naastenliefde gaf onze vriend Wally van Hall zijn zorgen aan het welzijn van hen, die in nood waren en bracht daarvoor het offer van zyn leven. 10 febr. 1906 12 febr. 1945.”

  • Eerste Weteringplantsoen

Foto J.M. Luijt, Wikipedia

 

Op 9 maart 1945 viel de Sicherheitsdienst een gebouw aan de Stadhouderskade binnen waar de Groep 2000 haar hoofdkwartier had. Een dag later keerden enkele leden van deze verzetsgroep er terug, waarna er een vuurgevecht ontstond. Daarbij liet SS-Hauptscharführer Ernst Wehner het leven. Als represaille executeerden de Duitsers op het Eerste Weteringplantsoen dertig gevangenen, onder wie Zaandammer Jacobus Goris. Ter plekke verrees nadien het monument ‘De gevallen hoornblazer’.

  • Frederiksplein

Foto: Wikipedia

Met een liggende bronzen boom eert de Spaanse kunstenaar Fernando Sánchez Castillo de ‘gevallen reus’ Walraven van Hall. Op de achtergrond ontspruit een nieuwe twijg, teken van hoop. Het monument staat naast De Nederlandsche Bank. Dat instituut werd door de broers Van Hall beroofd van schatkistpromessen ter waarde van tientallen miljoenen guldens. De immense buit kwam ten goede aan het verzet, onderduikers en tienduizenden stakende spoorwegbeambten.

  • Kruislaan 126

Op begraafplaats De Nieuwe Ooster staat een zuil met op de sokkel de namen van achttien geëxecuteerde mannen. Onder hen de Oostzaner Pieter van den Heuvel. Hij werd op 19 november 1942 samen met 32 anderen doodgeschoten in Soesterberg (zie aldaar). In een boekje over In de teksten over de ’33 van Soesterberg’ is alleen te vinden dat de toen 26-jarige Van den Heuvel één van de twee gefusilleerden was ‘die afzonderlijk verzetsactiviteiten hadden bedreven en niet tot enige verzetsgroep hadden behoord’. Over hem is verder weinig bekend.

  • Stationsplein 1

Foto: Wagner De Cunto, Wikipedia

Op een roodkoperen plaquette in het Amsterdamse Centraal Station staat tussen de namen van 48 andere omgekomen medewerkers van de Nederlandse Spoorwegen uit de regio ook Wormerveerder Klaas Landsman. Toen hij op 3 juli 1943 aan het werk was bij de spoorlijn bij het station van zijn woonplaats raakte de Wormerveerder gewond als gevolg van een geallieerde luchtaanval. Hij overleed vijf dagen later, 40 jaar oud.

 

  • Valeriusplein 15

In het Amsterdams Lyceum hangt een plaquette met de namen van 96 docenten en (oud-)leerlingen die tijdens de Tweede Wereldoorlog om het leven kwamen. Onder hen ook de latere Zaandammer Walraven (‘Wally’) van Hall. Zijn naam en portret zijn daar tevens zichtbaar in een fotolijst waarop de meeste slachtoffers te zien zijn.

 

 

  • Hoek Van Walbeeckstraat/Antillenstraat

Tegenover de woning waar ze in de Tweede Wereldoorlog  wordt op 10 oktober 2021 een standbeeld onthuld van Jacoba van Tongeren woonde, de leidster van Verzetsgroep 2000. Op een begeleidende plaquette zijn de namen te lezen van de tweehonderd medewerkers van deze hulporganisatie voor onderduikers. Daarop staan ook de Zaandamse echtparen Cor Inja en Ellen Inja-Weijl en Anton Stam en Amy Stam-Duif vermeld. 

  • Zuideinde 443

Foto: Joods Monument Zaanstreek

Op de zijgevel van een woning aan het Zuideinde 443, hoek Jacob Honigstraat, hangt sinds 2005 een plaquette. Die herinnert aan de 75 buitenlandse vluchtelingen van joodse komaf die tussen 1933 en 1939 in Oostzaan belandden. Op dit woonadres vonden dertig van hen een tijdelijk onderdak. Veel van de genoemden werden alsnog achterhaald nadat de troepen van Hitler Nederland bezetten. Het Zuideinde en directe omgeving veranderden als gevolg van een gemeentelijke herindeling in 1966 van Oostzaans in Amsterdams grondgebied.

Castricum

  • Pad van de Mensenrechten

Foto: Rob Berkemeier, Wikipedia

Dit oorlogsmonument herinnert aan de twintig gevangenen die zijn doodgeschoten op de Provincialeweg tussen Limmen en Uitgeest, als vergelding voor aanslagen op twee Duitsers. Onder de slachtoffers was Machiel van Marle, een Zaandams KP- en BS-lid. Hij werd op 13 maart 1945 in zijn woonplaats aangehouden met documenten over ‘foute’ Zaankanters op zak. Op 6 april werd hij gefusilleerd, twee dagen voor zijn dertigste verjaardag.

Den Haag

  • Ockenburgstraat 27

Foto: Wikipedia

Op begraafplaats Westduin is een collectief monument opgericht voor de leden van de Stijkelgroep, een van Nederlands eerste verzetsorganisaties. 43 hardstenen kruizen markeren de graven waar -voor zover teruggevonden- de stoffelijke resten liggen van de omgebrachte Stijkelgroepleden. Onder hen acht Zaankanters: Jan Groot, Hendrik en Louise Ero, Jan van Hinte, Jan Neuteboom, Pieter Smit, Dick de Vries en Evert Honig.

Diemen

  • Muiderstraatweg, tegenover 61

Oostzaner Hendrik Cornelis Swart (1917) werd op 6 januari 1945 met vier andere mannen in Diemen gefusilleerd. Het was een wraakneming voor een door de illegaliteit uitgevoerde bomaaanslag op de spoorlijn Amsterdam-Hilversum. Opvallend is dat ook Petrus M. Pijpers en Marinus Smit op het monument vermeld staan. Zij waren geen verzetsdeelnemers. Pijpers was lid van de NSB en werkte voor het Nationalsozialistisches Kraftfahrerkorps. Ook Smit was NSKK-chauffeur. Hij pleegde bovendien ten eigen bate overvallen op burgers. Ook OD-lid Henk Swart zou begin januari 1945 een overval hebben gepleegd, op een Oostzaanse veehouder, waarna hem arrestatie en executie wachtte.   

Haarlem

  • Jan Gijzenkade

Foto: Anton van Daal

Aan de Haarlemse Jan Gijzenkade staat sinds 1950 een in Franse kalksteen uitgehouwen beeldengroep. Theo van Reijn heeft een knielende man en vrouw gecreëerd die samen een krans neerleggen. Op het voetstuk staat de bijbeltekst: “En nu blijft geloof hoop en liefde deze drie doch de meeste van deze is de liefde.” Het beeld herinnert aan het drama dat zich 25 meter verderop afspeelde, op 12 februari 1945. Als represaille voor een schietpartij met dodelijke afloop door een roofbende werden die dag acht Todeskandidaten uit hun cellen aan de Weteringschans gehaald en op de Jan Gijzenkade gefusilleerd. Onder wie Walraven van Hall, die twee dagen eerder zijn 39-ste verjaardag beleefde. Zijn laatste woorden waren voor zijn echtgenote: “Ik denk aan je, Tilly.”

Hierden

  • Zuiderzeestraatweg 199

Foto: Carel van der Linde

Aan de zijkant van het Hierdense kasteel De Essenburgh hangt een plaquette waarop de bewoners worden genoemd die daar gedurende en kort na de Tweede Wereldoorlog hun dagen sleten. Het was een bont gezelschap. Tussen ‘Duitse Wehrmacht’ en ‘Herman Göring Divisie’ staat daar de tekst ‘Bejaarden uit de Zaanstreek’. Wie die senioren waren en waarom ze tijdens de oorlog in dit Gelderse Veluwedorp verbleven, is vooralsnog een raadsel.

Markelo

  • Bergweg 44

Foto: Wikipedia

Tussen de namen op dit in 1946 onthulde oorlogsmonument staat ook Geert Schoonman. De Zaandammer kwam in 1943 bij de Knokploeg-Enschede terecht, die tientallen gewapende acties uitvoerde. In oktober 1944 werd hij gearresteerd en kort daarna doodgeschoten. Schoonman ligt overigens begraven in Zaandam.

 

Obdam

  • Burgemeester Dekkerstraat 3

Een ingemetselde plaquette van wit natuursteen vormt de blijvende herinnering aan Johan Dirk Antoon Hellema (1896-1945). Deze Zaandamse papierwarenfabrikant vervoerde onder meer wapens in een schip met een dubbele bodem. Op 10 februari 1945 werd hij met enkele verzetskameraden gearresteerd en opgesloten in het gemeentehuis van Obdam. Een ontsnappingspoging daaruit werd Hellema fataal; een schot in het hoofd bezegelde zijn dood.

Overveen

  • Stoopplein 7

Foto: Frans van der Ven

Sinds 2020 liggen er in de tuin van het Kennemer Lyceum twee zogenoemde ‘granieten dijkjes’ met daarop afgebeeld de geschiedenis van het Nationaal Steunfonds. In het verhaal zijn onder anderen de Zaandamse vrienden Walraven van Hall en Jaap Buijs te zien. Van Hall was een leerling van deze middelbare school. Marlies ter Borg uit Aerdenhout (zie aldaar) maakte dit monument mogelijk.

Sliedrecht

  • Thorbeckelaan 10

Foto: Wikipedia

Zaandammer Jan Sint (1914) werkte als soldaat bij het Rode Kruis. Op 11 mei 1940 liep de Actinia, het schip waarmee hij en zijn collega’s gewonden zouden vervoeren, bij Werkendam op een magnetische mijn die even eerder was afgeworpen door een Duitse vliegtuig. De namen van de dodelijke slachtoffers van dde explosie, onder wie Sint, vullen sinds 1941 een gedenksteen van het Rode Kruis op de begraafplaats in Sliedrecht.

 

 

  Soesterberg

  • Verlengde Paltzerweg 3

Het ‘Monument voor Gefusilleerde Verzetsmensen’ bij het Nationaal Defensiemuseum bevat de namen van 33 mannen die op 19 november 1942 zijn doodgeschoten. Onder hen Pieter van den Heuvel. Uit het boek De drieëndertig van Soesterberg: “Hij woonde te Oostzaan en was actief in het plegen van verzetsdaden, doch behoorde niet tot een plaatselijke verzetsorganisatie. Zijn arrestatie, waarvan de datum ons onbekend gebleven is, heeft niet in zijn woonplaats plaatsgevonden.” Veel meer is er niet over Van den Heuvel bekend.

Urk

  • Monumentenlaan

Foto: B. de Vries, Wikipedia

Dat Harm Hendrik Gerssen (1912) vermeld staat op het in 1946 geplaatste Monument voor de Gevallen Urkers komt doordat deze in 1932 naar Koog aan de Zaan verhuisde visverkoper geboren en getogen was in Urk. In de Zaanstreek werd hij actief binnen de ‘wilde’ verzetsgroep Koog-Bloemwijk. Vanaf de zomer van 1943 was die verantwoordelijk voor meerdere sabotages en aanslagen op ‘foute’ personen. De Sicherheitspolizei wist de groep te infiltreren. Dat leidde tot meerdere arrestaties. Gerssen en zes andere groepsleden werden op 23 februari 1944 gefusilleerd in de duinen bij Overveen.

Utrecht

  • Maliebaanstation 16

Foto: Spoorwegmuseum

Op 5 februari 1948 werd in het Wormerveerse treinstation een bronzen gedenkplaatje onthuld voor de plaatselijke spoorwegmedewerker Klaas Landsman, die vijf jaar eerder tijdens het werk omkwam bij een luchtaanval. Zijn naam is ook te vinden op NS-monumenten in Amsterdam en Utrecht (zie aldaar). Het monumentje verhuisde op enig moment naar het Spoorwegmuseum, waar het sindsdien in de opslag ligt.

  • Moreelsepark 1

Foto: Wikipedia

Het ‘Monument voor Gevallen Spoorwegpersoneel’ bevat 477 namen, onder wie Wormerveerder Klaas Landsman (zie hiervoor). Het bestaat uit een vier meter hoge, in Franse kalksteen uitgehakte beeldengroep met twee mannen, twee vrouwen en een kind. Aan de voorzijde staat een gedicht van Hendrik de Vries: “Aan hen die nimmer bukten/’t geheim en hecht verbond/van wrekers der verdrukten/voor wie geen recht bestond./Der weerloos weggerukten/gekwelden en gesarden/waar zoveel wachtensmoeden/in rouw en vrees verstarden./Wat slagen ook mislukten/wat makkers wreed verbloedden./Zij streden en volhardden.”

Velsen

  • Wenckebachstraat

Foto: Noord-Hollands Archief

Het plantsoen voor het oorlogsmonument van de voormalige Hoogovens is sinds 4 mei 2021 vernoemd naar de Krommenieër verzetsleider Jan ‘Witte Ko’ Brasser. Deze aanvoerder van het gewapend verzet in Noord-Hollands Noorderkwartier werkte, voor hij noodgedwongen onderdook, bij de Hoogovens in IJmuiden. Na de bevrijding was hij daar vanwege zijn communistische ideeën niet meer welkom. Tata Steel, de ‘erfgenaam’ van Hoogovens, besloot in 2021 tot eerherstel door het creëren van het Jan Brasserplantsoen.

Vught

  • Lunettenlaan 600

Foto: Daan Noske, Wikipedia

Het in 1947 onthulde monument op de voormalige fusilladeplaats van kamp Vught bevat 329 namen van mannen die hier zijn doodgeschoten. Onder hen drie Zaandamse verzetsstrijders: Albert Huisman, Cornelis van Vugt en Josephus Swolfs. Zij waren het slachtoffer van hun plaatsgenoot Franci de Munck-Siffels, die de Sicherheitsdienst in november 1943 tientallen namen en adressen verschafte van (al dan niet vermeende) communistische illegalen.

Zutphen

  • Marspoortstraat 1/hoek IJsselkade

Walraven van Hall was tot 1940 bankdirecteur in Zutphen, zijn woonplaats van destijds. Op zijn toenmalige werkplek bij Oyens en Van Eeghen wordt in 2021 een plaquette aangebracht die aan hem herinnert. 


Waardeer dit artikel

De content op deze website is in en uit principe gratis, maar het maken ervan kost wel geld. Vond je het de moeite waard? Laat het blijken met een kleine bijdrage en help bij het mogelijk maken van onafhankelijke artikelen.

Bedrag



Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Hier en daar een monumentaal missertje

De argeloze passant zal het niet snel opvallen, maar wanneer u al dan niet toevallig langs een Zaans oorlogsmonument loopt, kijk dan eens nauwkeurig naar de begeleidende tekst. Die zou zomaar een missertje kunnen bevatten.

De plaquette in Oostzaan vermeldt bijvoorbeeld dat Hannie Schaft op haar 23-ste werd gefusilleerd. In werkelijkheid werd ze een jaar ouder.

Een van de Wormerveerse plakkaten bevat ook zo’n leeftijdsfout. De aan de Zaanweg doodgeschoten verzetsman Cornelis Dijksterhuis werd niet geboren op 1 september 1918, zoals daar voor de eeuwigheid staat gebeiteld, maar liefst drie jaar later.

Het oorlogsmonument in het gemeentehuis van Zaanstad toont een foto uit de Eerste in plaats van de Tweede Wereldoorlog.

Met twee Stolpersteine tegenover hun voormalige woning aan de Westzijde 262 wordt het joodse echtpaar Polak herdacht. Maar waar ze volgens die stenen met een tussenpoos van tien dagen de gaskamer van Auschwitz in werden gedreven, gebeurde dat toch echt op dezelfde rampdag in 1942.

Naast de tel- staan er hier en daar ook nog wat taalvergissinkjes (‘Eisenhouwer’, ‘prins Bernard’) op de herdenkingstekens. Kan gebeuren. Het zou desondanks aardig zijn als de monumenten foutloos waren.

De grootste fout is wellicht te vinden op het monument in de Zaandammerstraat in Wormer. Want zeg nu zelf; horen Jacob Kerkhoven en Theodorus van Kleef daar, als medeverantwoordelijken voor de arrestatie van de illegale Stijkelgroep, een eerbetoon te krijgen?

Foto: Anjo Kan, Wikipedia

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Podcast over het naoorlogse communisme

Voor ‘Andere Tijden’ mochten voormalig CPN-wethouder Wim Nieuwenhuijse en ik van gedachten wisselen over het naoorlogse Zaanse communisme. Van verzetshelden naar staatsvijanden. Het resultaat van de uitwisseling is nu te beluisteren via een podcast.

 

De vervolging van de Zaanse joden

Voor een beoogd boek over de jodenvervolging in Nederland (en in het bijzonder de gevolgen in de Zaanstreek) schreef ik onderstaande inleiding. Aangezien het er niet naar uitziet dat de beoogde publicatie nog van de grond komt, plaats ik het hier. Een longread over een donkere periode.

De jodenvervolging lijkt op het eerste gezicht grotendeels aan de Zaanstreek voorbij te zijn gegaan. De Davidster, die eind april 1942 werd ingevoerd, kende in deze Noord-Hollandse regio nauwelijks dragers. De bijna 320 ‘voljoodse’ Zaanse inwoners werden in het najaar van 1942 niet zoals hun lotgenoten in Amsterdam bij nacht en ontij van hun bed gelicht. En toch vonden ruim 180 van hen een gruwelijke dood.

Die schijnbare tegenstelling is deels terug te voeren op de ‘evacuatie’ die de negen Zaangemeenten in een vroeg stadium van de Tweede Wereldoorlog ondergingen. Zaandam, verreweg de grootste van dit negental, was door de Duitsers geselecteerd als proefstad voor de uitzetting van joodse inwoners naar getto’s. Vanuit die verzamelplekken zou het makkelijker zijn hen naar de vernietigingskampen te deporteren. Het net werd dichtgetrokken, maar wel in meerdere etappes. In de eerste, ijskoude maand van 1942 ging de proef van start. Amsterdam en Westerbork, de nieuwe verblijfplaatsen van de verdrevenen, bleken de voorportalen van Auschwitz en Sobibor. Maar dat kon niemand weten toen de jacht begon.

Waarom?

Het antwoord op de vraag naar het waarom van de joodse Zaandammers als proefkonijnen moet waarschijnlijk worden gezocht in een op de voorgeschiedenis terug te voeren combinatie van gebeurtenissen en de locatie van deze stad van, destijds, ongeveer 40.000 inwoners groot. Vanaf het begin onderkende de bezetter het autonome, zo niet dwarse gedrag van nogal wat Zaankanters. Zo kreeg Zaandam op 17 juni 1940 te maken met een relatief grote militaire bezettingsmacht, vijfhonderd man sterk. ‘De Zaanstreek is één der moeilijkste streken van ons vaderland’, klaagde de Nationaal-Socialistische Beweging op 1 april 1941 in haar blad De Zwarte Soldaat. ‘Eens was de bevolking hier felrood en toen zat er tenminste nog leven in, maar dat leven is verstard en de houding van de Zaankanter is zoals van zovelen in ons volk een burgerlijke, slappe en laffe houding geworden.’ De inwoners, zo hadden zowel de bezetter als haar handlangers al snel door, hielden vrij massaal vast aan de vooroorlogse ideeën en partijen – veelal socialistisch en communistisch – en lieten zich weinig gelegen liggen aan de Nieuwe Orde. Dat had minder te maken met een ‘slappe en laffe houding’ dan met een breed gedeelde afkeer van het nazisme.

Al in het late voorjaar van 1940 kwam het lokale verzet voorzichtig op gang. Het was te vinden in de progressieve hoek, maar ook bij hier werkzame (para-)militairen. De in Zaandam gevestigde wapen- en munitiefabriek Artillerie Inrichtingen, de grootste werkgever in de regio, speelde een belangrijke rol bij het vormgeven van de weerstand. Vanaf de zomer van 1940 werden er bijvoorbeeld pistolen, springstoffen en munitie van de Artillerie Inrichtingen naar de ontluikende ondergrondse beweging gesmokkeld, in een tijd dat er nog lang geen sprake was van wapendroppings door geallieerde vliegeniers. Daarnaast ontstonden er al snel linkse verzetscellen in het door duizenden socialistische en communistische partijleden bewoonde Zaandam.

Obstructie

Op het bestuurlijk vlak was er eveneens sprake van obstructie. Vanwege het nazistisch karakter van de Winterhulp sloeg de werving voor dit armoedefonds nauwelijks aan onder de Zaanse bevolking. ‘De opbrengst in deze gemeente van de vorige collecte was niet bevredigend’, schreef de Zaandamse burgemeester Joris in ‘t Veld begin maart 1941. ‘Onze gemeente nam op de lijst van de gemiddelde opbrengst per inwoner de op één na laatste plaats in.’ De plaatselijke ambtenaren hadden dan ook hun best gedaan om de animo voor de Winterhulp zo klein mogelijk te houden. Op 28 januari 1942 schreven twee gemeenteambtenaren ‘namens verreweg het grootste gedeelte van het gemeentepersoneel’ een protestbrief aan het departement van Binnenlandse Zaken. Cornelis van Ravenswaay, de NSB-burgemeester die de verbannen In ‘t Veld inmiddels was opgevolgd, had de ambtenaren verplicht te collecteren voor de Winterhulp. ‘Voor een groot deel van het personeel betekent deze ambtshalve opdracht een langs middellijke weg dwingen tot handelingen, waartoe het uit vrije overtuiging niet wenst over te gaan.’ Bij de middenstand en in het grote conglomeraat aan Zaanse fabrieken waren soortgelijke geluiden te horen.

Cornelis van Ravenswaay (5-3-1941)

Uiteraard had In ‘t Veld zich met zijn sabotage van de Winterhulp bij de Duitsers niet geliefd gemaakt. Ook was ‘Den Haag’ een eerder door hem publiekelijk geuite sympathiebetuiging aan het koningshuis nog niet vergeten. Toch had deze sociaal-democraat wellicht nog wat langer in functie kunnen blijven als er in 1941 geen Februaristaking was uitgebroken.

Op de ochtend van 25 februari kreeg de Zaandamse CPN’er Wim Mans het die dag in Amsterdam verspreide pamflet in handen met de later beroemd geworden kreet ‘Staakt!!! Staakt!!! Staakt!!!’. Hij gaf het aan partijgenoot Gerard Maas, die het onmiddellijk overtikte. Nog dezelfde dag werd het op een Zaandamse zolderkamer vermenigvuldigd en begon het uitdelen bij de fabriekspoorten. De oproep sloeg aan. Tienduizenden Zaankanters legden twee dagen lang het werk neer en gaven daarmee gehoor aan de aansporing van de Communistische Partij van Nederland om in opstand te komen tegen met name de jodenvervolging.

De machthebbers beschouwden Amsterdam, Hilversum en Zaandam als de belangrijkste actiehaarden van het land. Inderdaad waren dit plaatsen waar het protest tegen de antisemitische overheidsmaatregelen tot volle wasdom kwam. In de ogen van de höhere SS- und Polizeiführer Hanns Albin Rauter reageerde het Zaandamse gemeentebestuur veel te slap op de werkonderbreking. Geagiteerd liet Rauter weten dat op 27 februari de staking overal op zijn eind liep, ‘behalve in het marxistische Zaandam’. Hoewel de rust nog diezelfde dag terugkeerde – enkele uitzonderingen daargelaten –, werd de gemeente zwaar gestraft, om te beginnen met een avondklok en een boete van 500.000 gulden. Alleen Amsterdam en Hilversum kregen te maken met vergelijkbare sancties. Burgemeester In ‘t Veld moest zijn ambtsketen inleveren en de stad verlaten. Zijn plaats werd ingenomen door de antisemitische NSB’er Cornelis van Ravenswaay.

Voor zover bekend zijn er geen documenten bewaard gebleven die aantonen waarom uitgerekend Zaandam als eerste Nederlandse gemeente ‘Judenrein’ moest zijn, maar in voorgaande alinea’s zijn wel de nodige aanwijzingen te vinden voor deze keuze. De combinatie van een antisemitische burgemeester, de massale Zaanse respons op de Februaristaking, het makkelijk per trein te bereiken hoofdstedelijke Judenviertel en de opkomende illegaliteit in de Zaanstreek speelden ongetwijfeld een rol bij de beslissing. Daarop wijst ook de selectie van de eerstvolgende gemeenten waar de joden weg moesten, Hilversum en Utrecht. Die plaatsen hadden eveneens een fanatieke, Duitsgezinde burgemeester en ook daar had de bevolking op grote schaal deelgenomen aan de Februaristaking.

‘Koopt niet bij Joden’

Aan de ontjoodsing van Zaandam ging een sluipend proces vooraf dat ook elders in Nederland zichtbaar was. Al op 2 juli 1940 deden de Zaanse gemeenten per advertentie en aanplakbiljetten een oproep: niet-arische vreemdelingen moesten zich op het politiebureau melden. Op 18 juli 1940 werd op verschillende joodse winkels in Zaandam een pamflet met de tekst ‘Nederlanders, koopt niet bij Joden’ op de ruit geplakt. Het was een aanmoediging van de plaatselijke NSB, die zich gesteund wist door de nazistische autoriteiten. Begin oktober van dat jaar moest alle overheidspersoneel een niet-joodverklaring ondertekenen. Wie dat vanwege zijn of haar familiegeschiedenis niet kon, had de zeer uitgebreide joodverklaring in te vullen. Dat bleek in feite een ontslagaanbieding te zijn, en op langere termijn een doodvonnis. Eind van die maand moesten joodse bedrijfseigenaren vergelijkbare verklaringen invullen.

En zo ging het verder, van dreigende waarschuwing naar beperkende verordening. Alle Zaanse inwoners ‘van geheel of gedeeltelijk joodschen bloede’ moesten zich laten registreren. Men diende daartoe een naar waarheid ingevuld formulier bij de gemeente in te leveren. Op weigering stond een gevangenisstraf van vijf jaar. Van slechts één Zaandammer is bekend dat hij zich – bijna per toeval – niet als zijnde joods liet vastleggen. Het betrof de meubelhandelaar Ies Löwenstein. Toen hij zich bij de gemeente meldde, zei een hem bekende ambtenaar grappend: ‘Jij bent toch geen jood, Ies?’ Waarop Löwenstein antwoordde: ‘Natuurlijk niet.’ Hij ontsnapte aan registratie, en daarmee aan het vernietigingskamp.

Het overgrote deel van de joden in de negen Zaangemeenten woonden in Zaandam. Het was een mengeling van families die er soms al generaties leefden en van buitenlandse joden die in de jaren dertig uit Duits-nazistisch gebied waren gevlucht. In totaal maakten zij minder dan 1% uit van de Zaandamse bevolking.

Uit een landelijk overzicht van de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters blijkt dat Zaandam op 1 oktober 1941 224 ‘voljoodse’ inwoners telde, evenveel vrouwen als mannen. Volgens de nazi-regels waren voljoden burgers met minimaal drie joodse grootouders. Mensen die één of twee joodse grootouders hadden, maar zelf de joodse godsdienst aanhingen dan wel gehuwd waren met een voljood, golden eveneens als volledig joods. Als halfjood werden 44 personen beschouwd, en als kwartjood 34. De laatste groep werd niet systematisch vervolgd. Van de 224 Zaandamse voljoden had ruim 40% (92 personen) de niet-Nederlandse nationaliteit – merendeels vluchtelingen uit Duitsland –, van de 44 halfjoden waren er vijf buitenlands.

‘Evacuatie’

De overheidspesterijen kregen steeds meer impact. Eind april 1941 moesten de Zaandamse joden hun radio inleveren. Vanaf 1 september 1941 was het joodse (en soms ook halfjoodse) leerlingen verboden naar ‘arische’ scholen te gaan. Op 25 november 1941 verloren Duitse joden in Nederland hun nationaliteit. Hun vermogen verviel aan het Groot-Duitse Rijk. Daarnaast werden alle niet-Nederlandse joden op 5 december van dat jaar opgeroepen tot ‘vrijwillige emigratie’. Aan Duitse joden was al eind september een eerste oproep gedaan. Vanaf nu leken de geruchten waar te zijn dat de niet-Nederlandse joden zeker weg moesten. ‘Naar Westerbork? Naar Amsterdam? Naar Duitsland? Naar Polen?’, vroegen de vanuit Duitsland naar Zaandam gevluchte Hennie Petersen-Stock en haar dochters zich af.

Het onschuldig klinkende woord ‘evacuatie’ sloot aan bij de opduikende berichten dat de kustgebieden wellicht zouden worden ‘geëvacueerd’ vanwege het risico op een Britse invasie. De term ‘Evakuierung’ kreeg overigens in deze periode na toestemming van Hitler dezelfde betekenis als ‘Endlösung’, ofwel uitroeiing. Voor ouderen, kinderen van gemengd gehuwden en joden die belangrijk waren voor de oorlogsvoering zouden uitzonderingen kunnen gelden.

Dat er een gedwongen vertrek uit Zaandam aankwam, werd op woensdagavond 14 januari 1942 bekendgemaakt via een schrijven van de Joodsche Raad. Het droeg de aanhef ‘Aanwijzingen voor de evacuatie uit Zaandam’. Op zaterdag 17 januari diende men klaar te staan om naar Amsterdam te vertrekken, met als bagage slechts datgene wat men kon dragen. De politie moest toestemming geven en kreeg bij vertrek de huissleutels. Men hoorde zich voor 15.00 uur op de Amsterdamse Nieuwe Keizersgracht bij de Joodsche Raad te melden (bij het ‘Bureau Evacuatie Zaandam’). De Raad zou helpen bij de voorlopige onderbrenging in de hoofdstad. De getroffenen mochten onder geen beding terugkeren naar Zaandam, ook niet voor werk of een bezoek aan vrienden.

Ellen Weijl en haar niet-joodse man Cor Inja behoorden tot de ongelukkigen die het vertrekbevel op deze avond van twee gemotoriseerde politiemannen ontvingen, ‘krachtens een besluit van de burgemeester’. Inja – zijn vrouw en hij zouden zich kort nadien aansluiten bij de illegaliteit – schreef na de oorlog dat ze het motorgeluid voor hun woning nooit meer konden vergeten. Aanhangers van de communistische partij verspreidden een in haast getikt papiertje onder gelijkgezinden, zoals ze dat ook al deden tijdens de Februaristaking. ‘Opnieuw hebbende fascistische horden hun bloedige terreur ingezet. Opnieuw zijn het de ongelukkige joden die het slachtoffer moeten zijn’, ving het pamflet aan. ‘Ze worden a.s. zaterdag weggesleept. WAARHEEN??? Zij weten het niet!!! ZIJ WETEN ALLEEN DAT ZIJ ERGENS EEN GRUWZAME DOOD GAAN STERVEN!!!’ De korte tekst besloot met een oproep tot ongehoorzaamheid. ‘Smeedt allen het wapen van verzet.’ Ondanks de overvloed aan kapitalen en uitroeptekens, symbolen van onmacht, bleef het rustig in de stad.

In de Zaandamse juwelierswinkel van Arnold Vet, de secretaris van het synagogebestuur, kon men in de ochtend van 15 januari aan vier leden van de Joodsche Raad opgeven wie wegens ziekte of invaliditeit niet in staat was om te reizen. Een doktersattest moest als bewijs gelden. Eventueel uitstel betekende uiteraard geen afstel.

Westerbork

Een dag later ontboden de machthebbers alle geregistreerde joodse gezinshoofden naar de synagoge aan de Gedempte Gracht 40, in het hart van de stad. Daar diende men de persoonlijke gegevens van de gezinsleden te overleggen. Die middag werd plotseling een uitzondering bekendgemaakt. De niet-Nederlandse joden gingen bij nader inzien niet naar Amsterdam, maar naar het Vreemdelingenkamp Westerbork. Toen zal hen ook zijn gezegd, wat alleen uit politierapportages blijkt, dat zij pas maandag 19 januari aan de beurt waren. Een brief van deze datum van de SS’er Karl Wörlein, de leider van de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung, aan de commandant van het toen nog Nederlands geleide kamp Westerbork sprak van ‘verkeerstechnische redenen’. Het winterweer gooide waarschijnlijk roet in het eten. Hauptsturmführer Wörlein verwees in zijn schrijven naar een eerder telefoongesprek en vroeg kampcommandant Jacques Schol een lijst te maken van de Zaandamse joden die in het vreemdelingenkamp aan zouden komen. Uit het late antwoord, 23 januari, bleek dat het om niet-Nederlanders ging.

Zaterdagmorgen maakten minstens acht Zaanse politiemensen een ronde langs de adressen van de Nederlandse joden. Hun taak bestond er uit om na controle van de handbagage de gezinsleden op straat te zetten, de inventarislijsten in te nemen en het huis te verzegelen. De meeste Zaandamse joden vertrokken op de zeventiende, een minderheid kreeg uitstel.

Saul Smit ging die dag wel. Hij kon 45 jaar na de oorlog van kwaadheid nog niet uit zijn woorden komen: ‘En de politieagenten die me de ene dag – want ik was toen toch ook al een bekende Zaandammer; iedereen kwam bij me als ‘ie een huis nodig had – nog meneer Smit noemden, die zetten me de volgende dag uit m’n woning. Dat heeft me altijd ontzettend…’ Saul scheidde van zijn niet-joodse vrouw, zodat zij met de kinderen terug kon naar Zaandam. Ook enkele andere gemengd gehuwde joden gingen over tot deze wanhoopsdaad.

De winter van 1941/’42 was de strengste in meer dan een eeuw. De wind blies uit de oosthoek, de hemel was diepblauw. Een minstens twintig centimeter dikke ijsplak bedekte de sloten. Het werd een weekend vol schaatstochten. De Koogse vereniging Voorwaarts verheugde zich deze zaterdag op de opening van een natuurijsbaan, pal naast de brug over de Zaan.

Een paar kilometer zuidelijker maakten honderden mensen zich op voor de treinreis naar Amsterdam. In het politiebureau werden de laatste instructies gegeven. Johan Jongepier kreeg als taak de zijstraten van de Westzijde te ontdoen van de mensen op zijn lijst. Acht joodse huishoudens telde die, in totaal ruim twintig personen. De rechercheur had medelijden met ze, maar hij deed ook alleen wat hem was opgedragen.

Jongepier gaf het echtpaar Drukker uitstel van vertrek. Abraham, de synagogebestuurder, overtuigde hem er van dat zijn vrouw te ziek was voor transport. ‘Drukker verklaarde dat hij reeds een doktersattest had doen toekomen aan de Joodsche Raad te Amsterdam, die dit geval met de Duitse instanties zou bespreken’, tikte Jongepier in zijn rapport.

‘Übergenommen Judenhausrat’

Hoe de ontruiming van Zaandam verliep is goed af te lezen aan het gedwongen vertrek van huisarts Bernard Eisendrath en zijn gezin. De Eisendraths, zesde op Jongepiers loopbriefje, zaten gespannen klaar. Ze wachtten op de agent die hen verwijderde uit het huis waarmee ze zo vergroeid waren. Ze hadden hun onderkomen onttakeld. Alleen wat grotere meubels, die met geen mogelijkheid elders waren te bergen, stonden her en der verspreid over de verdiepingen. Bedden, een tafel, dat soort goederen. De nazigezinde ophalers zouden een paar weken later de waarde van deze ‘übergenommen Judenhausrat’ schatten op 140 gulden, een schijntje van wat er drie dagen eerder nog aan kostbaarheden stond.

Zodra Johan Jongepier binnenkwam, begon hij met afvinken. Het aantal gezinsleden, zes, klopte. De zevende aanwezige, een oude dame van Duitse komaf, hoefde de stad nog niet te verlaten. Hij vergeleek de klaarstaande bagage met de door Bernard Eisendrath gemaakte inventarislijst. Was de hoofdkraan van de waterleiding afgesloten? De gas- en elektriciteitsmeter ook? Alles leek in orde, iedereen kon naar buiten. Beleefd vroeg hij om de huissleutels. Hij moest ze innemen en voorzien van een kaartje met naam en adres.

Emma Juchenheim, de oude dame, had geluk, voor zover dat woord onder deze omstandigheden nog van betekenis was. Op het laatste moment werd besloten dat zij en vijf andere ouderen niet met de overige buitenlandse lotgenoten naar Westerbork hoefden. De kwetsbare zeventig- en tachtigplussers mochten de volgende dag naar Amsterdam verhuizen. Tot het zover was, werd Emma Juchenheim ondergebracht bij een ander Zaans huishouden.

Het afscheid van zowel haar moeder als haar gewaardeerde buurt werd Selma Eisendrath te veel. In Jongepiers woorden: ‘Mevrouw Eisendrath was dermate overstuur dat zij vlak voor het verlaten van haar woning in elkander zakte en enige tijd het bewustzijn verloor.’ Behulpzame handen tilden haar van de vloer en droegen haar naar buiten. Terwijl agent Jongepier Bootenmakersstraat 108 verzegelde, kreeg Bernard toestemming om bij betrokken kennissen zijn vrouw te verzorgen. Daar kwam Selma ‘enigszins op verhaal’.

Politiekorps Zaandam (1941)

‘Dramatische dag’

De emoties bleven niet beperkt tot de Bootenmakersstraat. ‘Dramatische dag. Overal staan mensen aan de voordeur te huilen. 23 gr. vorst’, signaleerde de Zaandamse Alida Veen. Mirjam Levie, een medewerkster van de Joodsche Raad: ‘Bij het vertrek vond een ware ovatie plaats. Het medeleven van de bevolking was geweldig. De mensen moesten nl. hun meubels laten staan en zouden in Amsterdam bij andere joden worden ingekwartierd. Men sleepte de waardevolle spullen van de joden uit hun huizen en beloofde ze voor hun te bewaren.’ Of iedere ‘bewariër’ met de beste bedoelingen begon te slepen, bleef onvermeld. Een derde ooggetuige: ‘Hartroerende tonelen hebben zich hier afgespeeld. Ook christenen die met joden getrouwd zijn, lieten hun vrouw en kinderen niet alleen gaan in de ballingschap, maar deelden dit lot. Met een moed en een berusting (eigenschappen door eeuwenlange vervolging gekweekt) zijn zij vertrokken. Hun huizen en eigendommen zijn door de politie verzegeld. Hun ellende wordt nog zwaarder door de strenge vorst. Het bestaan is soms ondragelijk, geloven in God, in zijn ondoorgrondelijk besluit, vertrouwen, ondanks alles wat gebeurt, ik wil het zo graag, maar soms, zoals nu, gaat het onze kracht te boven. Dat Gij ons helpe, vooral hen, die vervolgd worden.’

Johan Jongepier hield het zakelijker. Hij had zijn ronde afgelegd conform de voorschriften, kon hij de hoofdcommissaris melden. ‘Op zaterdag, 17 januari 1942, heb ik, ondergetekende, na daartoe bekomen opdracht, het vertrek gecontroleerd van onderstaande personen, hunne huizen gesloten en verzegeld, sleutels en inventarislijsten ingenomen, welke hierbij worden overhandigd.’ Waarna de namen volgen van de Drilsma’s, Brilleslijpers, Drukkers en nog wat verschoppelingen. Onder wie ‘dr. B. Eisendrath met zijn echtgenote en vier kinderen’.

Alle ingeschakelde agenten typten een rapport voor de politiecommissaris. De meeste rapportages bevatten, ter geruststelling, de zinsnede: ‘Er deden zich geen onregelmatigheden voor.’ Uit de aantekeningen op de briefjes en rapporten blijkt dat er vooral moeilijkheden waren met de gemengd gehuwde vrouwen en de zieken. Het half-‘arische’ echtpaar De Ridder-Samson zei simpelweg dat de maatregel niet voor hen opging en bleef thuis. De familie Mars-de Jong stond niet op de lijst en wilde niet vertrekken. Personen die ziek waren, bleven eveneens. Terwijl sommige gemengd gehuwde vrouwen met hun gezin al weg waren, kwam er bericht van de SS-bevelhebber Willy Lages. Hij gaf de gemengd gehuwden uitstel van vertrek. Agent Hendrik van der Kraan – hij zou korte tijd later een van de beruchtste jodenjagers van Nederland worden – noteerde ‘nader order’ op zijn briefje en zette streepjes bij de betreffende huishoudens. De huissleutels werden aan hen teruggegeven, voorlopig.

Op maandagmorgen 19 januari 1942 vond er in Zaandam een tweede ophaalronde plaats, waarbij de joodse buitenlanders het mikpunt waren. Het aantal te vertrekken personen bedroeg dit keer 67. De politieagenten dienden de mensen op hun namenlijstje te melden dat ze zich hadden te begeven naar het gymnastieklokaal van een plaatselijke school. Van daar moest men per trein naar kamp Westerbork. Daar aangekomen kregen de meeste van oorsprong Duitse, joodse volwassenen van de kampregistratie de namen Israel of Sara toebedeeld. Die stigmatiserende toevoeging gold al sinds 1939 in het Duitse rijk.

Opnieuw heerste er angst. De onwetendheid over wat er zou komen, voedde die angst. Het was niet de angst van alledag die ook al voor de oorlog loerde in sommige joodse huishoudens, die voor de slechte manieren en luidruchtigheid waarop men kon worden aangesproken omdat men nu eenmaal joods was. Het was zelfs niet de angst die Johanne Rosenbaum haar tafel deed dekken met een schoon kleed alvorens voor de allerlaatste keer haar huis te verlaten, opdat die rotmoffen niet zouden denken dat joden de dagelijkse etiquette negeerden. Deze angst ging veel dieper dan het oude, onderhuidse antisemitisme.

Voor de Zaandammers die in Amsterdam belandden was waarschijnlijk voldoende woonruimte voorhanden. In een door de Joodsche Raad-bestuurders Cohen en Asscher ondertekend standaardbriefje van 23 januari 1942 staat: ‘Zeer geachte Mevrouw, U waart zoo vriendelijk om ten behoeve van degenen, die plotseling uit Zaandam moesten evacueeren, Uw huis open te stellen. Door bijzondere omstandigheden behoefden wij van Uw vriendelijk aanbod geen gebruik te maken.’

J. Brandon, de secretaris van de Joodsche Raad, schreef op 21 april 1942 in een interne nota over de bezittingen van de uit Zaandam vertrokken joden: ‘Het meubilair uit de huizen van geëvacueerden is thans weggehaald. De huizen zijn wederom ter beschikking gesteld van den huiseigenaar onder voorwaarde, dat de sleutels niet aan Joden mogen worden gegeven. Een winkel, waarin nog wat artikelen waren achtergebleven is geheel uitverkocht.’

Andere gemeenten

Toen de gedwongen verhuizing van Zaandamse joden slechts kleine problemen en weinig bezwaren bleken te geven, paste men de formule verfijnd toe op de andere Noord-Hollandse gemeenten (Haarlem uitgezonderd), Zeeland en Delfzijl. Er kwam wel protest van de gemeente Amsterdam, dat de mensen moest inkwartieren. En er werd tegen geageerd door Lodewijk Visser, de inmiddels ontslagen joodse president van de Hoge Raad. Visser legde de Zaandamse verdrijving verontwaardigd voor aan secretaris-generaal Karel Frederiks. ‘De niet te verdedigen maatregelen veroorzaken niet alleen onnoemelijke ellende over de Nederlandse burgers die daardoor worden getroffen, zij raken ook aan de algemene volksbelangen’, liet hij weten. Frederiks verzocht de hoogste Duitse politiefunctionaris, Hanns Albin Rauter, van het vervolg af te zien. Ook de voorzitter van de Joodsche Raad, David Cohen, sprak er zijn Duitse contacten op aan. Maar Cohen waarschuwde ook Visser: ‘Stop hiermee, het concentratiekamp dreigt.’ En Rauter antwoordde Frederiks eind februari dat ‘joden geen Nederlanders zijn’. Nederlandse autoriteiten hadden zich hier dus niet mee te bemoeien. Frederiks reageerde daarop met de woorden: ‘Ik zal mij voor het gegeven bevel moeten buigen.’ Toen was Lodewijk Visser echter al aan een hartaanval overleden, op 17 februari 1942. Loe de Jong suggereerde in zijn standaardwerk over de Tweede Wereldoorlog dat dit mede een gevolg was van de vernederende reacties op zijn verzet tegen de jodenuitzetting van Zaandam.

Een aantal Zaanse joden dook vrijwel onmiddellijk onder bij familie of bekenden in de Zaanstreek. In de navolgende maanden zouden ook elders in het land tientallen Zaankanters een schuilplaats vinden. Omgekeerd hielpen niet-joodse Zaankanters binnen hun eigen woonplaats meer dan vijfhonderd joden uit heel Nederland aan onderdak. In de meeste gevallen kregen de nazi’s en hun helpers daar geen lucht van, maar bijna een derde van de onderduikers belandde toch nog in het kamp, meestal als gevolg van verraad.

Beppie Nunes Nabarro-Ephraïm, onderduikster in Zaandam.

De isolatie van de joodse bevolkingsgroep werd ondanks de geboden hulp steeds groter. Op 15 juli 1942 reed de eerste Nederlandse trein via Westerbork naar Auschwitz. Drie dagen later werd Rückla Jakoby uit de Hoveniersstraat daar als eerste Zaandamse slachtoffer om het leven gebracht. Na hun gedwongen vertrek was er soms nog enig contact tussen de uitgezette Zaandammers en hun achtergebleven stadgenoten. Bewaard gebleven afscheidsbrieven leggen daarvan getuigenis af. Zo is daar de brief van de toen 19-jarige Julie Vet aan haar Zaandamse vriendin Annie de Beurs. Die was geschreven op 24 mei 1943, de maandag dat Julie een oproep kreeg voor Duitsland. ‘Beste Annie, ik heb een heel tijdje weer niets van me laten horen, maar ‘t is nu wel heel noodzakelijk want ik heb zojuist vanmorgen een oproep voor Duitsland gekregen’, schreef Julie. Een dag later moest ze zich melden, met duizenden anderen.

Duitsland

Historicus Jacques Presser legde vast hoe de Joodsche Raad op vrijdag 21 mei het bevel had gekregen zevenduizend personen van het tot dan toe vrijgestelde Joodsche-Raadpersoneel – onder wie Julie Vet – voor vertrek naar Duitsland op te roepen. De gedwongen selectie van deze duizenden door de eigen joodse leiding veroorzaakte een onvoorstelbare verwarring en paniek. Julie schreef tamelijk rustig over de ontvangen oproep. ‘Ik moet me morgen melden en hoogstwaarschijnlijk zullen mijn ouders als ze er vandaag geen krijgen, er de volgende week wel een krijgen. Je zult waarschijnlijk wel begrijpen dat ik vandaag een beetje krabbel, want het gaat je allemaal niet in je koude kleren zitten. Maar toch ben ik nu ik er voor sta wel een beetje flink, mijn moeder is zenuwachtiger dan ik.’ Julie Vet hield zich groot: ‘Ik hoop niet, dat jij of je ouders ooit voor de arbeidsinzet naar D.[uitsland] hoeven, want een pretje lijkt het me niet bepaald. Nu Annie, doe de groeten van mij aan al mijn kennissen en vooral ook voor je ouders. Ik wens je het allerbeste en we zullen maar hopen dat we elkaar spoedig weer in vrede zullen ontmoeten.’ Nog geen twee weken later werd Julie Rika Vet vergast in vernietigingskamp Sobibor. Haar ouders ondergingen dat lot drie maanden later eveneens, in Auschwitz.

Van de voljoden die in januari 1942 gesommeerd werden Zaandam te verlaten, verloren 137 personen direct of indirect door de Holocaust het leven (62%). De hulp die relatief veel Zaankanters gaven aan joodse onderduikers bood hen geen soelaas. Sara Weiss-Metzger (81) overleed een week na de verdrijving uit Zaandam in Amsterdam. Roosje Drilsma stierf daar op 3 februari 1942. Bernard Eisendrath nam in oktober 1942 in Amsterdam gif in. De 134 andere personen werden gevangen genomen, gedeporteerd, vergast, bezweken aan honger, ziektes of marteling of moesten in onbeschrijfelijke omstandigheden werken tot ze dood waren. Slechts 84 joodse burgers van Zaandam overleefden de Sjoa.

De Duitse bezetting betekende het einde van de vooroorlogse Zaans-joodse gemeente. Met de mensen verdwenen tevens hun eigendommen, meestal als roofbuit. Ook hun godshuis werd geconfisqueerd en vervolgens ontheiligd. Luttele maanden voor de nazistische inval, op 21 januari 1940, was het 75-jarig bestaan gevierd van de Zaandamse synagoge. Opperrabbijn Philip Frank sprak toen tussen de regels door over de brandende synagogen in het Duitsland van de Kristallnacht. Burgemeester In ‘t Veld zei in zijn gelukwens dat hij zich tijdens de viering weliswaar een vreemde in het kerkgebouw had gevoeld, maar niet ‘in een volksvreemde kring’. ‘Wij kunnen het eens zijn, al verschillen wij naar het uiterlijk.’ Hij hoopte dat de gewetens- en geloofsvrijheid ‘zou behouden worden tot in alle eeuwigheid’. Die hoop werd drieënhalve maand later dus de bodem in geslagen.

In de zomer van 1942 probeerde NSB-wethouder Jacob IJdenberg in zijn andere hoedanigheid, als makelaar, de synagoge te verkopen aan de gemeente Zaandam. ‘Ik heb dit gedaan, daar ik het als een normale makelaarszaak beschouwde en er geen kwaad in zag’, verklaarde hij na de oorlog. De winst zou in handen komen van de Duitse roofbank Liro. De directeur van de Zaandamse dienst Gemeentewerken, Wouter Zuurmond, zag echter niets in het verkoopplan: ‘Op aandringen van IJdenberg zou [burgemeester Hendrik] Vitters hiertoe zijn overgegaan, doch in samenwerking met anderen heb ik dit weten te voorkomen.’ IJdenberg slaagde er wel in om een flink aantal andere Zaanse panden die tot 1942 in joodse handen waren te verkopen of te verhuren. Hij ontving daarvoor commissie.

Paardenstal

De synagoge werd na de jodenverdrijving gebruikt als paardenstal, geplunderd en vernield. Tot het laatst toe zou het gebedshuis misbruikt worden door Duitse soldaten, zoals blijkt uit dagboekaantekeningen de dato 15 april 1945 van Zaandammer Andries Bouman: ‘Vinkenstraatschool, Garage Jan Does en Synagoge zitten weer vol soldaten.’ De hoofdopzichter van de afdeling Gemeentewerken had naar eigen zeggen zilveren voorwerpen onder de synagogevloer verborgen. Na de oorlog waren die verdwenen. Zes Torarollen zouden gespaard zijn gebleven, maar onbekend is waar ze zijn.

Bestuurslid Jacob Drukker vertelde in 1965 wat er na de oorlog resteerde van de synagoge: ‘Er stonden nog vier muren, maar verder was alles kapot, totaal vernield. Er zat geen hout meer in of aan. Niet alleen de Duitsers hadden dat gedaan, ook de Zaandammers, allemaal van die goeie Zaandammers… Maar toch hebben wij alles weer opgebouwd, gerestaureerd. We hadden al die ruimte niet meer nodig, iedereen was vermoord, maar we moesten wel geld hebben. En daarom werd een deel van de synagoge verbouwd tot garage en kwam er in een ander deel een agentschap van Het Parool. Later werd dat een woning.’

Duitse opleggers voor de synagoge, het witte gebouw links.

In de jaren zeventig van de vorige eeuw ging de synagoge wegens gebrek aan geld en gebruikers over in andere handen. Een daarop volgende ingrijpende ‘verbouwing’ leidde er toe dat anno nu alleen de uit 1865 daterende bovenkap van het gebedshuis resteert. Wrang genoeg is het enige Zaans-joodse bouwwerk dat tijdens de Tweede Wereldoorlog ongemoeid bleef de begraafplaats. Tegen dode joden hadden de nazi’s immers geen bezwaren.

 

Voor dit artikel is geput uit de website www.joodsmonumentzaanstreek.nl en mijn volgende boeken:
De Februaristaking in de Zaanstreek
Eisendrath, een verzonken familie (1845-1945)
Vrijgevochten. Zaans verzet in nationaal perspectief (1940-1945)

 

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Nieuw: ‘Strijd. Het Zaanse verzet (1940-1945)’

 De Tweede Wereldoorlog was smerig en ongewis. De Zaankanters die zich keerden tegen de bezetter en zijn handlangers pionierden en probeerden, onwennig als ze waren met de spelregels van de nieuwe, nazistische orde. Dat leidde tot grootse daden, maar ook tot onzekerheden, fouten en soms bovenmenselijke spanningen.
Aan de hand van enkele tientallen Zaanse verzetsstrijders toont mijn nieuwe boek Strijd. Het Zaanse verzet (1940-1945) zowel de veelzijdigheid van het ondergrondse werk als de zoektocht van de stoutmoedigen die tijdens de bezetting hun nek uitstaken.
Alle geportretteerden in deze publicatie namen hun verantwoordelijkheid toen het er op aankwam, soms met fatale gevolgen. Mededogen, altruïsme, (wan-)hoop, wraakgevoelens, opportunisme, levensovertuiging; er was een veelheid aan motieven om het gevecht aan te gaan. Maar wat en hoe ze dat ook deden, de uitvoerders keken niet weg. Ze kozen, daar waar de meerderheid van de bevolking zich -overigens om begrijpelijke redenen- afzijdig hield. Of die keuzes de juiste waren, viel vaak pas achteraf vast te stellen.
Strijd is een poging om de breedte te schetsen van het verzet in de regio, van de gewapende durfal tot de verzorger van onderduikers, van de ondergrondse regelneef tot de koerierster. Beoogd is om via hun wederwaardigheden zowel de diversiteit als de onvermijdelijke rommeligheid van de illegaliteit te tonen.
Strijd (140 pagina’s) kan worden gelezen als een ode aan de Zaankanters die immense risico’s opzochten in een tijd dat je ter vergroting van de overlevingskansen beter kon wegduiken. Door hun bijzondere daden voor het voetlicht te brengen, worden hopelijk ook de vele honderden andere Zaanse verzetsmensen geëerd die tot nu toe in de geschiedschrijving onzichtbaar zijn.

Strijd. Het Zaanse verzet (1940-1945) is voor €17,50 verkrijgbaar via elke Nederlandse boekwinkel en Bol.com.

Unieke foto’s van de Februaristaking

In de zomer van 2016 nam de tachtigjarige Gerard Wijdenes contact op. Of ik geïnteresseerd was in een fotoalbum van zijn ouders, wat boeken over de jaren ’40-’45 in de Zaanstreek en een pak oude oorlogskranten. Dat was ik natuurlijk. Ik bladerde het fotoboek door en stuitte op vier foto’s die blijkens het bijschrift op 25 februari 1941 waren gemaakt in Zaandam. ‘Wauw,’ zei ik. Want hoewel de Februaristaking een unieke gebeurtenis was tijdens de Tweede Wereldoorlog (want de enige keer in heel Europa dat de bevolking opstond tegen de jodenvervolging), dook er pas een jaar eerder voor de eerste keer een foto op waarvan onomstotelijk vaststond dat het de Februaristaking betrof. En plotseling had ik er vier tegelijk in mijn handen.

De in 2015 geopenbaarde opname was gemaakt door een journalist van het socialistische dagblad Het Volk. Decennialang had het kiekje onopgemerkt in het provinciaal archief in Leeuwarden gelegen. Op de foto is te zien was hoe burgers zich verzamelen rond een – niet zichtbare – spreker op het Amsterdamse Raamplein.

Het album met de Zaanse foto’s had jarenlang op de zolder gelegen van Gerard Wijdenes’ zusje Marion. ‘Toen ze bezig was met een grote schoonmaak wilde ze het album op de schroothoop gooien’, vertelt Gerard.’ “Doe maar niet”, zei ik. “Ik kijk wel of ik er een bestemming voor vind.” Die vond hij dus. In het najaar arriveerde opeens per post een doos met daarin het fotoalbum. Het bevatte beelden van de bombardementen in Rotterdam die tijdens de oorlog wijd werden verspreid, kiekjes van de koninklijke familie, vergeelde krantenknipsels en bonnenboekjes. Prachtig materiaal, maar niet uniek. Maar halverwege het boek wachtte me de grote verrassing.

Dirk Wijdenes en zijn vrouw Elisabeth woonden sinds oktober 1935 in hartje Zaandam, aan wat toen de Hoogendijk 10 was. Ze hadden uitzicht op het standbeeld van Czaar Peter. Nu is het een pleintje met veel horeca, destijds waren er een postkantoor, bioscoop, kleine middenstanders en een café gevestigd. Het woonhuis is nog steeds een opvallend pand, genaamd ‘Het Wapen van Friesland’. Tegenwoordig is ook hier horeca gevestigd, maar in die jaren zat er de firma Keg, een comestibleswinkel. Er werden koffie, thee, wijn, zeep en kaarsen verkocht. Dirk was er de bedrijfsleider en woonde dus in een groot appartement boven de zaak. Op een van foto’s in het album is hij te zien in een keurig pak mét plusfour, gepoetste schoenen en een strikje. Hij staat trots tussen zijn personeelsleden op de dag dat er Zweeds wittebrood wordt uitgedeeld. Blijkens het bijschrift is de foto genomen op 8 maart 1945.

Op dinsdag 25 februari 1941, ergens laat op de middag, pakte Dirk of Elisabeth een fototoestel en richtte de lens naar buiten. Rond het beeld van Czaar Peter was sprake een kleine volksoploop. Het waren stakers, die – gretig naar nieuws – richting het centrum waren getrokken. De onrust was overgeslagen uit Amsterdam. En om uit te leggen hoe dat zo kwam, moeten we een paar weken terug in de tijd.

Op zondag 9 februari viel de Weerafdeling van de NSB het Amsterdamse café en variététheater Alcazar binnen, omdat de eigenaars hadden geweigerd het bordje ‘Joden niet gewenst’ op te hangen. Later die dag vernielden door Duitsers gesteunde NSB’ers de ruiten van woningen die toebehoorden aan joden in de buurt van het Waterlooplein. De spanningen liepen op, en het kwam – niet voor de eerste keer – tot gevechten tussen joodse bewoners die hun eigendommen wilden verdedigen en NSB’ers die door de straten schuimden. Daarbij werd – het verhaal is bekend – de WA-man Hendrik Koot doodgeslagen. Het vormde de opmaat tot de eerste grote razzia in Amsterdam, waarbij 427 willekeurige joodse mannen van straat werden geplukt als represaille. De foto’s van de arrestanten op het Jonas Daniël Meijer plein zijn wereldberoemd geworden. Vrijwel alle gevangenen zouden worden vermoord in Mauthausen.

Rood bolwerk

Ook in de Zaanstreek was het onrustig in die dagen. Bij het partijkantoor van de NSB waren eerder al de ruiten ingegooid en ook bij NSB-gezinde families gingen er regelmatig keien door de voorruit. Zaandam en omgeving was van oudsher een rood bolwerk, en de contacten tussen de leden van de Communistische Partij in Amsterdam en Zaandam waren dan ook hecht. Men hield elkaar nauwkeurig op de hoogte. Toen de joodse arrestanten in een colonne van tien gesloten vrachtwagens vanuit Amsterdam naar een tijdelijk kamp in Schoorl werden vervoerd, passeerden ze via de Provincialeweg ook de Zaanstreek. Dat was niet onopgemerkt gebleven, verklaarden getuigen na de oorlog.

Op 21 februari verscheen in het Zaanse advertentieblad De 7000 het bericht dat alle inwoners van joodse afkomst zich – tegen betaling – moesten laten registreren. Dat vergrootte onder de Zaankanters de toch al aanwezige verontwaardiging over de handelswijze van de bezetter. Het kwam tot een eerste openlijke confrontatie toen de WA op een stampvolle zondagavond binnenviel bij het Koogse café De Waakzaamheid, waar bezoekers en masse op de dansvloer stonden. De boel werd kort en klein geslagen, aanwezigen mishandeld. De aanleiding is altijd onduidelijk gebleven: vonden de WA’ers dat de burgerij moest rouwen over de dood van hun kameraad Koot?

Op diezelfde zondag besloten kopstukken van de CPN in Amsterdam om daar een staking te organiseren uit protest tegen de razzia. ‘Protesteert tegen de afschuwelijke Jodenvervolgingen!!!!!’ was te lezen op een pamflet. De staking die begon op dinsdag 25 februari leidde er in Amsterdam toe dat tienduizenden het werk neerlegden en het openbaar vervoer stil kwam te liggen. De staking sloeg, aangewakkerd door de CPN, ook over naar omliggende gemeenten. In de Zaanstreek legden die eerste dag ruim drieduizend arbeiders het werk neer bij onder meer Duyvis, de Zaanlandsche Scheepsbouw Maatschappij en zetmeel- en voedingsmiddelenconcern Honig. Veel stakers trokken – zonder vlaggen of demonstratie, werkonderbrekingen waren streng verboden – naar het centrum van Zaandam, en dat is wat het echtpaar Wijdenes vanuit het raam op de eerste verdieping vastlegde. Dat ze foto’s maakten is op zich niet zo raar. In die eerste oorlogsjaren waren er nog volop fotorolletjes te koop en fotograferen was op dat moment nog niet verboden.


Op de foto die op de albumpagina rechtsboven is geplakt, is te zien hoe de bevolking zich verzamelde voor een winkelpui schuin tegenover Keg. ‘Opplakken van bepalingen. Werden door de mensen afgerukt’, luidt het bijschrift bij de foto. De ‘bepalingen’ waarop werd gedoeld, waren waarschijnlijk mededelingen van de Duitse autoriteiten waarin ze zich verantwoordden voor de razzia’s in Amsterdam, en waarin de joodse bevolking alle schuld in de schoenen werd geschoven. De foto’s moeten om een uur of vier in de middag zijn gemaakt, dat zie je aan de lange schaduwen op deze heldere winterdag. Het is een tijdstip waarop normaal de arbeiders in de fabrieken zouden zijn. De beelden komen overeen met politierapporten van die dag. Na een tip van een bezorgde burger waren agenten ter plaatse poolshoogte gaan nemen. Ze meldden dat ze enkele tientallen mensen aantroffen bij het honderd meter van Keg gelegen hotel-restaurant ‘Het Wapen van Zaandam’ (tegenwoordig is er een wokrestaurant gevestigd).

Die samenscholing bij Het Wapen van Zaandam is op de drie andere foto’s uit het album in de verte aan de rechterhand te zien. Nadere bestudering van de eerste van die foto’s wijst uit dat er aan het einde van de straat een open Duitse legertruck met achterin soldaten staat.


De drie foto’s zijn kort na elkaar genomen; klik, rolletje transporten, klik, transporteren, klik. Dat weten we omdat links op de stoep een Duitse soldaat is te zien die er op de tweede foto ook staat als de truck in de richting van de Dam rijdt en halverwege de straat is. En er is nog een aanwijzing dat er weinig tijd zat tussen de foto’s: op alle drie de beelden staat een man in een donkere korte winterjas en met een hoed op. Op de eerste hangt hij tegen een muur te roken, op de tweede staat hij daar nog steeds en op de derde foto steekt hij, sigaret in de hand, de straat over, als de vrachtauto is gepasseerd. Op het derde beeld, rijdt de truck onderlangs de winkel van Keg. De helmen van de soldaten zijn duidelijk te zien. Het bijschrijft luidt: ‘Mensen vluchten.’ Dat klopte, want de straat was inmiddels vrijwel leeg. De fotograaf deed een stap naar binnen toen de vrachtwagen naderde. Niet verwonderlijk, want fotograferen van militaire objecten was, hoewel op dat moment nog niet verboden, wel riskant.

Die 25ste februari bleek achteraf de aanloop naar de grote stakingsdag. Op woensdag de 26ste werd er gestaakt in Amsterdam, Utrecht, Hilversum, Weesp en andere omliggende plaatsen. Ook de hele Zaanstreek ging plat. NSB’ers werden belaagd. Eentje werd zelfs in de Vaart gegooid en mocht er pas weer uit nadat hij het Wilhelmus had gezongen. Stakers sloegen andere NSB’ers in elkaar, een huis werd leeggeroofd, andere bekogeld. Een NSB-bruidspaar dat toevallig die dag in het huwelijk trad, vlakbij de Dam in het toenmalige stadhuis, werd bekogeld met stenen. De Zaandamse politie moest er aan te pas komen om de menigte op afstand te houden. De Duitse autoriteiten kwamen later die dag echt in actie. Op de Dam werd met scherp geschoten, slagersknecht Jan Keijzer verloor hierbij na een gericht schot het leven.

Boete

Uiteindelijk, en dat is weinigen bekend, duurde de Februaristaking het langst in de Zaanstreek, langer dan in Amsterdam. De laatste werkweigeraars gingen pas op 1 maart weer aan de slag. De Duitse autoriteiten legden Zaandam een boete op van een half miljoen gulden. Die moest worden opgebracht door de rijkste inwoners. Burgemeester Joris In ‘t Veld werd met pensioen gestuurd en vervangen door de fel-antisemitische Cornelis van Ravenswaay, die uiterst actief opereerde bij de jodenvervolging. Bioscopen gingen dicht, er kwam een strenger uitgaansverbod dan elders en veel stakers kregen een korting op hun salaris.

Dirk Wijdenes was volgens zijn zoon Gerard tijdens de oorlogsjaren die volgden actief in het verzet. Hij bewaarde wapens en had onderduikers op zolder. Niet lang na de bevrijding kreeg Dirk een hersenbloeding en raakte hij verlamd. Het gezin moest het huis boven de winkel verlaten. Dirk overleed in 1970, zijn vrouw Elisabeth in 2008.

Het fotoalbum lag daarna al die tijd in een doos op een zolder.

(Dit is een bewerking van een met Harm Ede Botje geschreven artikel dat in februari 2017 in Vrij Nederland stond.)

De dood van een slagersknecht

Het neerslaan van de Februaristaking kostte in de Zaanstreek één persoon het leven. Op 26 februari 1941 werd slagersknecht Jan Keijzer dodelijk getroffen door een Duitse kogel.

Jan Keijzer (Middelie, 26-7-1920) groeide op in zijn geboortedorp, maar ging kort voor de bezetting van Nederland in de leer bij de Zaandamse slager Jan Honingh. Die had zijn winkel en woning aan de Hoogendijk 50. Kort tevoren was een eerdere knecht vertrokken en Honingh kon wel een nieuwe hulp gebruiken. Keijzer nam zijn intrek bij het echtpaar Honingh en hun kinderen, vastbesloten om het slagersvak onder de knie te krijgen.


Hoogendijk 50 (het witte pand) na de oorlog

Op 26 februari 1941 was Jan niet aan het werk. Net als vrijwel alle andere Zaanse ondernemingen hield slagerij Honingh die woensdag de deuren gesloten. Een etmaal eerder had de tegen jodendeportaties en Duits machtsmisbruik gerichte Februaristaking de Zaanstreek bereikt. Waar op dinsdag de werkonderbreking nog beperkt bleef tot enkele duizenden arbeiders, leek het de 26ste wel alsof iedereen zich bij de revolte aansloot. Dicht opeengepakt liepen de mensen door de Westzijde en over de Dam. Sommigen vergeleken het tafereel later met de viering van Derde Pinksterdag, het jaarlijkse Zaanse feest dat herinnerde aan het verdrijven van de Spaanse bezetter, vier eeuwen eerder. Gezinnen wandelden ‘s middags in hun zondagse kleding langs de gesloten etalages in het stadshart. De sfeer was vrolijk en strijdbaar, alsof de Duitse bezetting zijn laatste uren inging.

In de namiddag ging Jan Keijzer naar een collega-slagerij, die van Kluft. Het was slechts enkele tientallen meters lopen van Hoogendijk 50 naar de om de hoek gelegen Nicolaasstraat 7. Pieter Honingh: “M’n vader had nog tegen hem gezegd dat hij maar beter niet de straat op kon gaan, omdat het er zo’n rommeltje was. ‘Ga maar uitbenen’, had hij hem gezegd. Maar ja, Jan ging toch kijken. (…) Op een gegeven moment waarschuwde mijn moeder dat er koffie was, maar Jan kwam niet. Hij was zonder wat te zeggen toch de deur uitgegaan. (…) Hij kende de mensen van Kluft, dus daar ging hij heen.”

http://images.memorix.nl/zaa/thumb/250x250/b00e7fee-62be-420d-b4b0-2ebee3c825cb.jpg Slagerij Kluft na de oorlog

Te beleven viel er inderdaad genoeg. Vanuit slagerij Kluft had je een goed zicht op de Dam, het drukste stukje Zaandam. Er werd daar geestdriftig gepraat en gespeculeerd. Even verderop joegen mensen NSB’ers op. De angstige nationaalsocialisten zochten een veilig heenkomen. In het verlengde van de Nicolaasstraat sneuvelden ramen bij ‘deutschfreundlichen’. De Zaandamse politie deed weinig om de opwinding in goede banen te leiden. De meeste agenten konden zich wel vinden in de vrijheidsgedachten achter de staking. Het wachten was op ingrijpen door de Duitsers.

Ordnungspolizei

Vader en zoon Kluft en Jan Keijzer stonden samen met een andere slagersknecht, Jan Hein, voor de winkel vlakbij de hoek Nicolaasstraat/Hoogendijk. Cornelis Kluft sr. had uit voorzorg de luiken van de slagerij gesloten. Het was inmiddels even na vier uur ‘s middags. “Plotseling zag ik vanaf de Hoogendijk (…) een groot aantal personen hard de Nicolaasstraat inlopen, waaruit ik begreep dat vanaf de Hoogendijk de mensen verjaagd werden”, vertelde Kluft later die dag. Het groepje deed uit voorzorg een paar stappen naar achteren, van de stoep naar de deuropening van de slagerij. Jan Hein: “Plotseling kwam vanaf de Hoogendijk een groot aantal mensen hard lopende langs ons heen, dat zich in alle richtingen verspreidde. Vermoedende dat er iets bijzonders ging gebeuren, ging ik met mijn patroon en Keijzer in de winkel staan.” Kluft sr.: “Nog maar juist binnen zijnde zag ik, terwijl de deur nog openstond, een auto van de Duitse Ordnungspolizei met grote snelheid op de Hoogendijk in de richting van de Damstraat rijden.”

Vanuit het winkelportiek konden ze de grijs geschilderde militaire vrachtwagen duidelijk zien. In de laadbak bevonden zich een stuk of twintig Duitse leden van de Ordepolitie. Kluft: “Vóór ik bedoelde auto zag, hoorde ik van dichtbij meerdere schoten lossen. (…) Degenen die zich het dichtst bij de cabine bevonden, stonden met het gelaat voorwaarts, terwijl de rest zich zittend of geknield met het gezicht in achterwaartse richting bevond. Allen hadden het geweer in aanslag. Toen deze wagen ongeveer ter hoogte reed van dr. Bax, Hoogendijk no. 16 alhier, zag ik dat een der daarop aanwezige militairen zijn geweer aan de schouder bracht, in onze richting aanlegde en een schot loste. Ik sprong onmiddellijk achter de stenen muur naast mijn winkelraam en mijn knecht en Keijzer sprongen achterwaarts in de winkel en vielen op de grond.”

Czaar Peter

Er werd zowel over de hoofden van demonstranten heen als gericht gevuurd. Na de oorlog vertelde een andere getuige: “Ik liep bij het Czaar Peter-standbeeld in Zaandam toen er een vrachtwagen met een ploeg moffen erop al schietend de Dam op kwam rijden. Ik hoor nog het geratel van de kogels op dat ijzeren bord boven de Hema. Als ik langs het standbeeld fiets, dan kijk ik altijd nog even naar de gerepareerde kogelinslagen.” De munitie sloeg gaten in gevels en belandde in woningen. Het bleef echter niet bij materiële schade.

Jan Hein: “Plotseling hoorde ik een schot, waarna ik mij achterover de winkel liet vallen. Ik hoorde iets langs mijn hoofd fluiten en meende, toen ik op de grond lag, dat ik gewond was. Het suisde steeds in mijn linkeroor. Keijzer, die links naast mij in de winkel had gestaan, viel gelijk met mij. Toen ik opstond, zag ik dat hij aan zijn kin bloedde. Van schrik heb ik mij hierover niet bekommerd, doch ik ben eerst in de woonkamer achter de winkel gegaan.”

Cornelis Kluft reageerde wel alert en verleende eerste hulp: “In verband met de hevigheid van de bloeding trachtte ik de wond dicht te drukken, waarna ik zag dat het bloed ook uit zijn mond kwam. Ik zei enige malen tegen hem dat hij dat bloed moest uitspuwen. Keijzer knikte slechts met zijn hoofd en heeft verder geen teken van leven meer gegeven.” De twintigjarige Jan stierf, liggend in een almaar groeiende bloedplas, binnen enkele minuten. Enkele door Jan Hein te hulp geroepen verpleegsters van het St. Janziekenhuis konden niets meer betekenen.

 Jan Keijzer rond 1940

De kogel had Keijzers gezicht geraakt en zijn lichaam aan de achterkant verlaten. In de woorden van de Zaandamse arts/lijkschouwer Willem Levend: “Er bestaat een inschotopening rechts aan de kin en een uitschotopening aan de rugzijde ter hoogte van de zesde halswervel. Dood ten gevolge van het bekomen letsel.”

Het fatale stukje metaal had ook de betimmering van een achterliggende koelkast doorboord, een gat geslagen in de betegeling aan de binnenkant van de koeling en een lat gespleten, om te eindigen in een stuk kalfsvlees. Jan Honingh peuterde de zwaar beschadigde geweerkogel nog dezelfde avond uit de kalfsbil en gaf het bewijsmateriaal mee aan een politieman. Later kreeg hij het door een agent achterovergedrukte voorwerp terug. Het zou nog 75 jaar door het gezin worden bewaard, om vervolgens te worden overhandigd aan een lid van de familie Keijzer.

De Zaandamse politie nam contact op met de burgemeester van Middelie, die op zijn beurt Keijzers’ ouders inlichtte. Om zeven uur ‘s avonds identificeerden zijn haastig naar Zaandam gereisde moeder en een zwager het slachtoffer. Zijn lichaam mocht van Zaandam naar Middelie worden vervoerd en daar begraven, mits daar geen openlijk rouwbeklag aan werd gekoppeld. De Officier van Justitie gaf op 27 februari schriftelijk toestemming voor een begrafenis, waarna burgemeester Drost regelde dat Jan Keijzer naar zijn voormalige woonplaats werd vervoerd. Op 1 maart werd hij, gedragen door de buren en slechts begeleid door naaste familie, op de begraafplaats van Middelie ter aarde besteld. Andere aanwezigen waren niet welkom. Jan droeg het witte slagersjasje dat hij de dag van zijn dood ook aanhad.

In een Zaanse krant verschenen twee rouwadvertenties, van zowel ‘de Buren en de Zaandamsche Slagersvereeniging’ als van de familie Honingh. Opvallend is dat in beide berichten werd gesproken over ‘een noodlottig ongeval’, als betrof het een dodelijke aanrijding. Het omfloerste taalgebruik sloot aan bij hetgeen de familie in Middelie van overheidswege te horen kreeg.

Voor zijn moeder kwam de dood van Jan Keijzer zo hard aan dat ze in oktober 1941 zelf ook overleed, slechts 60 jaar oud. Haar echtgenoot, Jacob, stierf een jaar later vereenzaamd. Het was 25 december 1942, een dag voor de verjaardag van zijn zoon Dirk. Kerstmis zou in de familie Keijzer nooit meer een feestdag zijn.

(Met dank aan de heer D. Keijzer)

Op 25 februari 2017 verscheen mijn boekje De Februaristaking in de Zaanstreek. Daarin is voor het eerst gedetailleerd beschreven hoe de Februaristaking in deze regio uitpakte. De publicatie bevat ook vier unieke, in 2016 gevonden stakingsfoto’s uit Zaandam. Tot dan toe waren er slechts twee, in Amsterdam gemaakte foto’s waarvan onomstotelijk vaststaat dat ze de Februaristaking weergeven.
De Februaristaking in de Zaanstreek (64 pagina’s, €12,50) is verkrijgbaar via elke boekhandel en bij Uitgeverij Noord-Holland.

 

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Meer ‘Zaanse’ Stolpersteine dan gedacht

De Zaanstreek telt slechts twee Stolpersteine, messing gedenktekens waarop de tijdens de Tweede Wereldoorlog al dan niet omgekomen joden uit deze regio staan vermeld. Ze liggen in de stoep voor Westzijde 262, waar tot begin 1942 het echtpaar Marcus en Geertruida Polak woonde. Op 17 september van datzelfde jaar werden ze in Auschwitz vergast.

Deze twee struikelstenen zijn de enige Zaanse, een schamel aantal. In heel Europa heeft de Duitse kunstenaar Gunter Demnig, de bedenker van de Stolpersteine, inmiddels 57.000 van deze plaatjes (laten) neerleggen. Daarvan bevinden zich er minstens vierduizend in Nederland. Dat maakt het minieme aantal van één paar Zaanse plaatjes helemaal armoedig. Wat het nog pijnlijker maakt is dat op de steen voor oud-leraar Polak de sterfdatum verkeerd vermeld staat.

Het is niet zo dat er de afgelopen jaren niet is geprobeerd om meer Zaanse struikelstenen geplaatst te krijgen. Diverse particulieren -veelal familieleden van omgebrachte joden- waagden een poging, maar liepen vast op bureaucratische of andere hobbels. Een werkgroep (waarin ik ook zitting had) onderzocht in 2014/’15 uitvoerig of het mogelijk was alle vermoorde en tot zelfmoord gedreven Zaanse joden een Stolperstein te ‘geven’. Gunter Demnig kon echter niet garanderen dat het zou lukken om de ruim 170 benodigde stenen te produceren en te leveren. En de werkgroep wilde geen keuze maken wie er wel en wie niet zo’n monumentje zou worden toebedeeld.

Duitsland

In de Zaanstreek zijn dus slechts twee struikelstenen te vinden. Opvallend -en nauwelijks bekend- is echter dat buiten deze regio het drievoudige aan Stolpersteine bestaat met de namen van joden die hier woonden. Ze bevinden zich allemaal in Duitsland, het land dat ze veelal in de jaren dertig verlieten. Allen hoopten tevergeefs op een veilig onderkomen in de Zaanstreek.

Hieronder staan afbeeldingen van alle acht ‘Zaanse’ Stolpersteine. Tussen haakjes de plaats waar ze liggen en verder de namen van de slachtoffers en wat details over hun woonplaats. Wellicht dat er over een paar jaar vele foto’s aan toegevoegd kunnen worden. Gemaakt in het buitenland of toch ook -dat zou een prachtig eerbetoon zijn- in de Zaanstreek.

Marcus Marcus Marcus Polak 
Truus
(Zaandam)
Marcus (‘Max’) Louis Polak (Veendam, 16-7-1884/Auschwitz, 17-9-1942) en Geertruida (‘Truus’) Regina Polak-van Rhijn (Hoogeveen, 14-6-1897/Auschwitz, 17-9-1942) woonden sinds 1934 aan de Zaandamse Westzijde. Hij gaf tot aan zijn afgedwongen ontslag les op het Gemeentelijk (‘Zaanlands’) Lyceum. In mei 2009 plaatsten drie achternichten van Truus Polak samen met Gunter Demnig de beide struikelstenen voor het huis aan de Westzijde.

emma Emma Juchenheim. (Fotocollectie B. Zwart) Emma Juchenheim
(Vlotho)
De weduwe Emma Juchenheim-Steinberg (Vlotho an der Weser, 27-1-1855/Sobibor, 16-4-1943) vluchtte op 22 oktober 1935 uit haar Duitse geboorte- en woonplaats naar haar dochter en schoonzoon in Zaandam. Daar, bij Bernard en Selma Eisendrath, vond ze tot de dag dat de nazi’s Nederland binnenvielen een zekere mate van rust. Nog geen drie jaar later werd ze in Sobibor vergast.

Hans Hans Juchenheim Hans Juchenheim
(Vlotho)
Hans Juchenheim (Vlotho, 29-10-1928/Dachau, 2-6-1945) was een kleinzoon van Emma. Zijn ouders mochten Duitsland niet verlaten, Hans en zijn zus Lore in maart 1939 na veel soebatten wel. Via een omweg kreeg Hans onderdak bij zijn oom, tante en oma in de Botenmakersstraat 108. Toen hun ouders eind 1941 in het kader van de ‘werkverschaffing’ naar Polen gestuurd zouden worden, keerden Hans en Lore terug naar Duitsland. Hans maakte als enige van zijn familie de bevrijding mee, maar stierf als gevolg van vlektyfus op 2 juni 1945 alsnog in een nevenkamp van Dachau.

Albert Albert Levy (collectie Joods Monument) Albert Levy
(Langerwehe)
Albert Levy (Langerwehe, 5-11-1905/Dachau, 24-1-1945) woonde tot februari 1936 in Duitsland. Hij sloeg toen op de vlucht en belandde eind van dat jaar in Zaandam. Daar trad hij twee jaar later in het huwelijk met de eveneens joodse Jenny Weiss, eveneens een vluchtelinge. Jenny werd op 8 oktober 1944 vergast in Auschwitz, Albert stierf kort voor de bevrijding in Dachau.

Josef
(Langerwehe)
Josef Levy (Langerwehe, 14-12-1901 /Auschwitz, 30-9-1942) ontvluchtte net als zijn broer Albert Duitsland en kwam in 1937 naar Zaandam. De broers zetten op de Burcht een modezaak op en ze maakten damesceintuurs. Op 3 februari 1942 werd Josef als nummer 1 van een groep van 63 Zaandamse joden ingeschreven in Westerbork. Ruim zeven maanden later stierf hij in Auschwitz.

edith Edith Seligmann-Silberbach-Oostzaan Edith Seligmann
(Bad Salzuflen)
Edith Seligmann-Silberbach  (Schatmar, 21-3-1906/Auschwitz, 30-9-1942) kwam weliswaar in Duitsland ter wereld, maar werd al begin 1928 -dus ruim voor Hitlers machtsovername) ingeschreven in Nederland. Op 13 februari 1939 trouwde ze in haar nieuwe woonplaats Oostzaan met Heinz Seligmann. Drieënhalf jaar later vonden ze samen de dood in Auschwitz.

Hertha Hertha2 Hertha Speier, ongeveer 1920
(Fritzlar)
Hertha Poppert-Speier (Fritzlar, 11-11-1913/Frankrijk, 16-12-1991) is in dit rijtje de enige die de Shoa zou overleven. Ze was met haar man Erich Karl in 1932 uit Duitsland geëmigreerd en bouwde samen met hem in de Zaandamse Botenmakersstraat een goed lopende dameshoedenfabriek op. Erich stierf op 14 mei 1943 in de gaskamer van Sobibor, Hertha overleefde meerdere kampen.