Berichten

De dubbelrol van Dries Riphagen

Een van de grootste Nederlandse oorlogsmisdadigers was, tot zijn levensverhaal werd verfilmd, tevens een van de onbekendste. De Amsterdammer Bernardus Andreas (‘Dries’) Riphagen (7-9-1909) ontwikkelde zich tot een door antisemitisme en geldhonger gedreven souteneur, die de dood van minstens tweehonderd mensen op zijn geweten had. Een van zijn slachtoffers was de Zaandammer Jan van Lienen.
Het verhaal van een moord die de film niet haalde.

riphagen-film

De jonge Dries Riphagen is al in de jaren dertig lid van de Nationaal Socialistische Nederlandse Arbeiderspartij (NSNAP), een buitengewoon antisemistische partij die Nederland wil omvormen tot een Duitse provincie. Hij combineert zijn nazi-ideaal met zijn werk als pooier, gokker en zwarthandelaar. Zijn rol in de onderwereld groeit in de vooroorlogse jaren in rap tempo en is op een gegeven moment zo groot dat Riphagen bekendheid krijgt als ‘Al Capone’. De bezetting van Nederland komt voor hem als geroepen. Door als Vertrauensmann van de Sicherheitsdienst te gaan werken, weet hij zijn inkomen verder te vergroten. Hij drukt geld, sieraden en andere kostbaarheden achterover bij invallen in joodse huizen. De oorspronkelijke eigenaars worden vervolgens door hem en zijn kameraden overgedragen aan de nazi’s. Met tal van onderwereldfiguren exploiteert hij verder clandestiene gokhuizen en houdt hij er een zwarte handel in deviezen, diamanten en goud op na.

Het gaat Riphagen voor de wind. Het judenrein maken van Nederland en zijn criminele aktiviteiten leveren hem een dik belegde boterham op. Door zijn contacten met hooggeplaatste nazi’s houdt hij zichzelf, bevriende zwarthandelaren en andere misdadigers uit de wind. Dat blijkt bijvoorbeeld begin 1944. Het Devisenschutzkommando (DSK) maakt jacht op zwarthandelaren, maar vist regelmatig achter het net. Wanneer er in januari 1944 een anonieme brief op het DSK-kantoor arriveert waarin de dagelijkse routine in het clandestiene Amsterdamse gokparadijs Rijswijk wordt beschreven, aangevuld met een namenlijst van de dertig belangrijkste zwarthandelaren in dat café, schakelt de DSK Riphagen in. Hij krijgt opdracht vast te stellen wat het beste tijdstip is voor een razzia. Opnieuw bewijst Al Capone een dubbele agenda te hanteren. Hij prikt als ideale datum voor de inval maandag 14 februari en haalt even voor de razzia plaatsvindt vier criminele maatjes weg uit café Rijswijk: Gerrit Verbeek, diens medewerker Folkert van den Berg, ‘Manke Toon’ Kuijper en Harry Rond. Verbeek heeft dubbel geluk. De Zaandammer Jan van Lienen, zijn grootste concurrent als bookmaker, wordt wel gearresteerd. Verbeek en Van Lienen kennen elkaar al vele jaren, zijn zelfs bevriend geweest. Maar toen Van Lienen eind jaren dertig in navolging van Verbeek bookmaker werd bij de Belgische paardenraces kwam het eind van de kameraadschap snel in zicht.

riphagen

Bookmaker
Na zijn aanhouding wordt Van Lienen naar het DSK-kantoor aan de Keizersgracht gebracht. De aan Riphagen schatplichtige Toon Kuijper en Harry Rond worden vervolgens bij hem in de cel geplaatst. Ze zijn zogenaamd eveneens gearresteerd, maar in werkelijkheid is het hun taak uit te vissen of er bij Van Lienen nog iets te halen valt. De bookmaker vertrouwt de twee en na hun vraag of ze iets voor hem kunnen doen, geeft Van Lienen het duo een briefje met instructies voor zijn vrouw Elisabeth. Maar zodra Kuijper en Rond uit hun cel ‘mogen’, spelen ze de boodschap door aan Riphagen.

‘Al Capone’ onderneemt meteen actie. Hij reist naar Zaandam, naar de bovenwoning van het echtpaar Van Lienen aan de Westzijde 77a (al dan niet toevallig ook het huis waar de nazigezinde politiecommissaris Willem Ragut woont, tot aan het moment dat hij -op 21 juni 1944- op enkele tientallen meters van zijn huis door de verzetsstrijders Hannie Schaft en Jan Bonekamp wordt doodgeschoten). Na de oorlog zal Bets van Lienen in een proces-verbaal verklaren dat haar man de veertiende februari om 11.30 uur ‘voor zaken’ de woning heeft verlaten, maar daar niet terugkeert. Dezelfde dag belt Dries Riphagen bij haar aan. Het is inmiddels 20.00 uur. Hij presenteert zich als een vriend van Jan van Lienen. Bets: “Hij zeide: ‘Ik ben André en kan ik u even spreken, want uw man is gearresteerd.’ Hij gaf mij een briefje waarop met potlood geschreven stond: ‘Bets, ik ben gearresteerd. Doe alles de deur uit. Revolver ligt in dressoir bij het lichtje, doe radiotoestellen de deur uit; alles de deur uit. Laat Koos [een compagnon, E.S.] helpen.'”

Bets pakt het in de brief genoemde wapen uit het kastje en overhandigt het aan Riphagen. “Hij zeide: ‘Die gooi ik aanstonds in de Zaan.’ Ik vertrouwde deze André volkomen in verband met het briefje. ‘En nu de radiotoestellen’, zeide hij. Wij braken de grond bij mij open en haalden daar de twee radiotoestellen uit.” Dat is het teken voor twee Duitsers in uniform om de woning binnen te stappen. “Zij dreigden ons met een revolver, en André fouilleerde Koos.” De inval is daarmee nog niet ten einde. Het huis wordt doorzocht, de brandkast geleegd en Bets van Lienen moet ook nog de plek aanwijzen waar haar echtgenoot zijn spaargeld heeft verborgen. “Het was in de straat naast ons huis verstopt. Zover ik mij herinner was dit een bedrag van ongeveer vijfduizend gulden.”

Gross-Rosen
Bets en Koos worden vervolgens afgevoerd naar het DSK-bureau in de hoofdstad. Zij wordt elf weken opgesloten in achtereenvolgens de gevangenis aan de Amstelveenseweg en het strafkamp in Vught, hij wordt drie maanden vastgezet in de Amersfoortse gevangenis. “Ik heb geen nadelige gevolgen van die gevangenschap ondervonden. Maar wel zijn van mij zeven gouden tientjes, een vijftig-dollarbiljet en een radiotoestel in beslag genomen, en wel door Riphagen”, vertelt Koos na de bevrijding. Voor Bets en Jan van Lienen is het leed groter. Bets merkt na haar vrijlating dat haar huis is geplunderd en vervolgens gevorderd door een NSB’er. Erger nog is dat haar man niet terugkomt uit gevangenschap. Jan van Lienen wordt in september 1944 gedeporteerd naar Duitsland en belandt via verschillende concentratiekampen in het Poolse Gross-Rosen. Daar bezwijkt hij aan longontsteking en uitputting.

Pas eind jaren tachtig maakt de Nederlandse Justitie serieus jacht op Riphagen. Die is echter al in 1946 met hulp van het Bureau Nationale Veiligheid uitgeweken naar achtereenvolgens Spanje en Argentinië, waar hij nauwe banden weet aan te knopen met dictator Juan Perón. Vanuit Argentinië reist Riphagen vrolijk de wereld rond. In 1973 overlijdt hij in Zwitserland, in een kliniek te Montreux, ongestraft en onontdekt. De zoektocht van Justitie is minimaal vijftien jaar te laat begonnen.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Het empathisch onvermogen van Wim Thomassen

Wim Thomassen, de latere burgemeester van Zaandam, had een verleden als verzetsman. Het betekende niet dat ieder joods oorlogsslachtoffer kon rekenen op zijn empathie. “Uw auto heeft voor mij grotere waarde dan voor u.”

In 1854 begon de jonge Jitschak Salomon Polak in de Steenwijker Oosterstraat een groothandel in kruiden, zuidvruchten en bakkersbenodigdheden. Het werd een succes: in de loop der decennia groeide onder leiding van Salomon en vervolgens zijn zoon en kleinzoon de specerijengroothandel uit tot een marktspeler van belang.

Ondanks de oorlog werd er in 1942 in Steenwijk een nieuwe fabriek en een kantoor geopend. Het was alsof de joodse eigenaars de bezetter daarmee wilden tarten, voor zover hun achtergrond de nazi’s daartoe al niet genoeg aanleiding gaf. Aan de economische voorspoed kwam een abrupt einde: net als alle andere ‘joodse’ bedrijven in Nederland kreeg N.V. Handelsmaatschappij J.S. Polak een nazistische bewindvoerder toegewezen. Frederik Leo (‘Frits’) Polak (Steenwijk, 11-6-1913), de kleinzoon van de oprichter, raakte op slag de zeggenschap over zijn bedrijf kwijt. Nog erger: hij en zijn gezinsleden moesten vrezen voor zijn leven.

Verwalter

De firma J.S. Polak had te lijden onder een reeks Verwalters, nazistische bewindvoerders. De vijfde en laatste in de rij was Gertrud Margarete Wolniewicz-Horbat (Rossleben, 23-7-1905). Ze werd in januari 1944 ingeschreven als inwoonster van Steenwijk, maar leefde in de voorgaande jaren in Zaandam. Haar echtgenoot Wilhelm (Braunschweig, 3-7-1900) had daar voor en in het begin van de bezettingstijd gewerkt als bedrijfsleider, onder meer bij Albert Heijn en in een houtzagerij. De oorlog bood hem een ongekende kans om hogerop te komen. Hij werd SS-Führer en mocht in zijn woonplaats Ortskommandant worden, zeg maar de Duitse militaire bevelhebber voor Zaandam en omgeving. Van een bescheiden woning aan de Oostzijde 60 kon het echtpaar Wolniewicz in 1941 verhuizen naar de sjieke Kommandantur aan de Westzijde 14.

Wolniewicz

Nationaalsocialisten bij het ontspanningscentrum van Albert Heijn aan het Zaandamse Klamperspad. Onder leiding van Wilhelm Wolniewicz (zie het pijltje) kwamen de Duitse militairen daar af en toe met hen goedgezinde Zaankanters bijeen voor een ‘eenpansmaaltijd’. 

Gertrud Wolniewicz plunderde als Verwalter de firma J.S. Polak. Ze betrok de villa die bij de onderneming hoorde en hevelde onder meer duizenden guldens van de bedrijfsrekening over naar haar eigen bankrekening. Toen na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, de situatie in Winterswijk penibel werd, vluchtte het echtpaar Wolniewicz in allerijl naar Duitsland. Frits Polak, in een brief uit september 1945: “Toen men begin september vertrok kon men geen meubilair meenemen. Als onderpand voor die achtergebleven meubelen vroeg de beheerster f 20.000,- van de bank op. Dit geld was niet hier in Steenwijk en telefonisch werd toen opdracht gegeven aan het Hoofdkantoor te Amsterdam om dit bedrag aan een vriend van W.[olniewicz] (Paul Anspach, Unterscharführer te Bloemendaal) uit te betalen. Maanden later kwam Wolniewicz hier zelf en liet al de meubelen uit de villa halen. De f 20.000,- kregen wij echter niet terug.”

Auto

Het bleef niet bij geldroof alleen. Al in de zomer van 1944 had Wilhelm Wolniewicz een auto van de firma J.S. Polak gestolen, een prijzige Pontiac 1938 Sedan. Hij bracht de wagen naar Zaandam. Daar belandde de auto uiteindelijk in de garage van E. Sip Kzn, in de Zuiderkerkstraat. Waarschijnlijk verkocht Wolniewicz het voertuig vlak voor zijn vlucht naar Duitsland aan de garagehouder.

In mei 1945 werd de Pontiac doorverkocht aan een Assendelver. Toen kort na de bevrijding Canadese troepen de Zaanstreek binnentrokken, vorderde het Militair Gezag de auto. Militair Commandant van de Zaanstreek en Waterland werd per 8 mei 1945 de sociaaldemocratische oud-verzetsman Wim Thomassen. Drie jaar later zou hij zich nog langer aan de regio verbinden; hij werd in 1948 burgemeester van Zaandam.

Wim Thomassen in 1957 (Noord-Hollands Archief)

In het najaar van 1945 ontdekte Frits Polak dat het Militair Gezag zijn auto in bruikleen had gegeven aan de Nederlandse Volksbeweging, een hulpverleningsorganisatie. Polak had de voorgaande maanden niet alleen gerouwd om zijn door de nazi’s vermoorde familieleden, maar ook de handen vol aan de wederopbouw van zijn geplunderde bedrijf. Bij dat laatste kon hij de Pontiac goed gebruiken. In september 1945 stuurde hij een beleefde brief naar het Militair Gezag met het verzoek om zijn auto te mogen terughalen.

‘Betekenis’

Het duurde tot 19 november voordat Frits Polak een antwoord kreeg van Wim Thomassen. Dat werd een koude douche. “Wij waren in Zaandam door vroegtijdige en snelle liquidatie, waarbij wij zoveel mogelijk auto’s in de burgermaatschappij deden terugkeren, in staat velen te helpen en hadden ook U kunnen helpen, indien U zich tijdig bij ons had vervoegd”, schreef Thomassen met weinig gevoel voor het doorstane leed. “Nu komt U evenwel op een tijdstip waarbij een van de instanties die een auto toegewezen kregen zeer zou zijn gedupeerd en in alle bescheidenheid meen ik dat de Nederlandse Volksbeweging op dit moment werk verricht, dan van meer betekenis is dan het werk van Uw bedrijf.”

De militair commandant bood Polak nog een sprankje hoop, om dat meteen daarna de grond in te boren. Thomassen: “Indien aangetoond zou kunnen worden dat de auto voor U grotere waarde heeft dan voor mij, kunt U zich op lid 2 en 4 van art. 27 beroepen. Men acht het bij het Beheersinstituut onaannemelijk, dat dit resultaten zal opleveren.”

Thomassen

Wim Thomassen

Het weinig perspectief biedende antwoord ten spijt wendde Frits Polak zich op 8 november 1945 tot het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Dat was belast met het opsporen en beheren van zowel vijandelijke als tijdens de oorlog verdwenen Nederlandse bezittingen, veelal van joodse Nederlanders. Polak in zijn brief aan het NBI: “Wij spraken in Amsterdam de heer Thomassen. Hij is niet bereid ons de auto te verkoopen, wel zei hij, dat het hem speet, dat hij niet geweten had vóór 1 aug. dat het een gestolen Joodsche auto was. Bij navraag hier bleek ons nu echter, dat de heer Th.[omassen] in zijn functie als MG-man wel degelijk op de hoogte was, want het politierapport was hem bekend. Hier klopt dus iets niet.”

Het NBI stelde Polak in het gelijk. Wim Thomassen had niet alleen de feiten naar zijn hand gezet, hij had tevens de Pontiac moeten retourneren. Op 13 november liet de organisatie Thomassen streng weten: “Het lijkt mij wel van belang, dat U den Heer Polak een rechtzetting laat hooren.” In het dossier van Wilhelm Wolniewicz zijn echter geen stukken te vinden waaruit blijkt dat Wim Thomassen zich iets heeft aangetrokken van dit oordeel. Of de auto van de firma Polak ooit nog in Winterswijk is teruggekeerd blijft de vraag.

Pensioengelden

Het echtpaar Wolniewicz keerde eveneens niet terug. Ze bleven, met hun geroofde bezittingen, in Duitsland wonen en werden niet aan Nederland uitgeleverd voor een rechtsgang. In 1964 deed Wilhelm Wolniewicz vanuit Hamburg zelfs nog een beroep op pensioengelden die hij tegoed zou hebben uit zijn jaren in Zaandam. Voor zover bekend heeft hij die echter niet gekregen.

De inmiddels ruim anderhalve eeuw oude firma Polak bestaat nog steeds, tegenwoordig onder de naam J.S. Polak Specerijenmaalderij b.v. De vestigingsplaats is als vanouds Steenwijk.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Extreem oorlogsgeweld in de Burgemeestersbuurt

Het zijn slechts twee straten in zuidelijk Zaandam, maar de Tweede Wereldoorlog drukte er een stevig stempel op. In de Burgemeester van de Stadtstraat en de Burgemeester Ter Laanstraat wisselden leven en dood, bezetting en verzet elkaar vrijwel dagelijks af.

De meeste huizen in dit deel van de Burgemeestersbuurt werden eind jaren ’30 opgeleverd. Het waren -en zijn- in een rustige omgeving gelegen, degelijke woningen met een tuintje. Zeker destijds golden ze als prima onderkomens voor gezinnen uit de middenklasse. Het is dan ook geen toeval dat een deel van de Zaandamse ambtenaren er tijdens de oorlog een plek kreeg aangeboden. NSB-burgemeester Cornelis van Ravenswaay, die in 1942 aantrad, maakte er werk van om het Zaandamse ambtenarenkorps in hoog tempo te nazificeren en zijn nieuw aangetreden partijgenoten een passend onderdak te bezorgen. De gloednieuwe Burgemeestersbuurt was daartoe prima geschikt. Maar met de rust was het voortaan wel gedaan.

Collaborateurs

Op de naoorlogse lijsten van de Politieke Opsporingsdienst staan acht in bovengenoemde straten wonende personen als collaboratieverdachte vermeld, vooral ambtenaren. De POD-lijsten maken echter geen aanspraak op volledigheid. Bovendien verhuisden er voor de bevrijding aanbrak nationaalsocialisten uit deze wijk naar andere adressen en haalden twee daar wonende ‘landverraders’ mei 1945 niet levend. Gesteld kan dan ook worden dat de Van de Stadtstraat en de Ter Laanstraat nog wel wat meer deutschfreundliche personen herbergden dan het POD-overzicht vrijgeeft.

Het laatste blokje van de Burgemeester van de Stadtstraat was waarschijnlijk zelfs exclusief gereserveerd voor leden van de Zaandamse (water)politie. Op nummer 123 woonde de beruchte chef van de waterpolitie, Willem Nicolaas Ehlhardt. In de woorden van BS-commandant Johann van Marle ging het hier om ‘een NSB’er‘ en iemand die ‘zich verschrikkelijk uitsloofde om alles te doen wat de Duitsers maar wilden.’ Onder leiding van Ehlhardt plunderde de waterpolitie naar hartelust mensen die in de winter van 1944-’45 op hongertocht waren geweest in noordelijk Noord-Holland.

Naast Ehlhardt, op nummer 125, huisde Jan de Man, een onderluitenant van de waterpolitie. Op nummer 131 woonde volgens het telefoonboek van 1943 een niet bij naam genoemde rivierbrigadier van de politie te water en op 133 agent K. Mast. Voor zover bekend was op deze laatste politieman niets aan te merken. Achter de deuren van de tussenliggende nummers 127 en 129 hebben hoogstwaarschijnlijk ook politiebeambten gewoond. Onduidelijk is wat tussen 1940 en 1945 hun politieke achtergrond was. Dat geldt niet voor de bewoners van de Van de Stadtstraat 23, 48 en 80. Zij werden door de Politieke Opsporingsdienst eveneens als ‘fout’ beoordeeld en in mei 1945 voorafgaand aan hun berechting opgesloten in de Zaandamse districtsgevangenis.

Politiekorps Zaandam, deels. Rond 1941 (collectie R.R. Pel)
De Zaandamse politie, 1941
(collectie R.R. Pel)

In de parallel lopende Burgemeester Ter Laanstraat woonden minimaal twee collaborateurs. Achter de voordeur van nummer 120 bevond zich een door burgemeester Van Ravenswaay aangestelde medewerker van de Zaandamse gaarkeuken. Hij verdween kort na de bevrijding in de POD-arrestantenwagen. En op nummer 27 woonde Franciscus Diedericus Willemse. Deze door de illegaliteit gehate politieman zakte op 5 februari 1945 dodelijk gewond in elkaar op de hoek van de Zuiddijk en de A.F. de Savornin Lohmanstraat, getroffen door vijf of zes kogels die enkele verzetsstrijders op hem hadden afgevuurd.

Willemse was niet de enige bewoner uit deze straat op wie in februari een vuurwapen werd gericht. De 25-ste overleed Joost Zeeman. Deze 18-jarige onderduiker, wonend in de Ter Laanstraat 110, werd door Landwachters neergeschoten toen hij een Ausweis-controle probeerde te ontlopen. Enkele dagen later stierf ook de eerder genoemde Willem Ehlhardt in een kogelregen. Het toeval wilde dat dat gebeurde in de Ter Laanstraat, ter hoogte van nummer 85. Een ooggetuige, de jeugdige Jaap Plugge, was getuige van het vervolg: “Mijn kameraadje Wim zat huilend op straat naast zijn stervende vader. Een vreselijk schouwspel. Nu nog voel ik hoe beroerd ik was bij dit aangezicht. lk ben snel naar huis gegaan en pas later hoorde ik dat Ehlhardt die avond in het ziekenhuis was overleden.”

Binnen vier weken tijd werden dus drie mannen uit de Burgemeesterbuurt vermoord, twee door het gewapend verzet en een door gewapende nationaalsocialisten.

Bob Pel

Het was niet allemaal kommer en kwel in de Burgemeesterbuurt. In de Ter Laanstraat 88 woonde een van de weinige leden van de waterpolitie die aan de ‘goede’ kant stonden. En op nummer 97 bevond zich het gezin Pel. Vader Robert Rudolf was wachtmeester bij de Zaandamse politie en een van de actiefste verzetsstrijders van de Zaanstreek. De verdeeldheid bij de politie in de Van de Stadtstraat en de Ter Laanstraat tekende de schizofrene situatie van het plaatselijke korps in bezettingstijd. De Burgemeestersbuurt als geheel kon daarnaast model staan voor de uitersten die de jaren 1940-1945 beheersten.

R.R. Pel rond 1941 (collectie R.R. Pel)
Robert Rudolf Pel, 1941
(collectie R.R. Pel)

Jan de Man

Had Willem Ehlhardt de oorlog overleefd, dan was hem ongetwijfeld de gevangenis ten deel gevallen. Dat overkwam wel zijn buurman en opvolger als commandant bij de waterpolitie, Jan de Man. Die werd op 8 mei 1945 opgesloten in de districtsgevangenis aan de Stationsstraat. Hij zou er tot 25 augustus van dat jaar blijven, op beschuldiging van diefstal en NSB-lidmaatschap. De Man, in zijn verweer: “De enigste oorzaak van de op mij uitgebrachte beschuldiging is dat ik op het bureau der waterpolitie met 4 man samen zat die niet safe waren. Ik werd toen voor de schurkenstreken van dit viertal beschouwd als bliksemafleider, door mij te betichten van het lidmaatschap der NSB. Een collega van mij heeft de NSB-instanties onderzocht en is tot de conclusie gekomen, dat de beschuldiging absoluut ongegrond was.”

De politieman was in 1944 ook al opgepakt en toen naar kamp Amersfoort vervoerd. Hij werd er toen door de Duitsers van verdacht wapens te hebben gestolen en in zijn huis te hebben verborgen. De Man ontsnapte na acht maanden en dook tot aan de bevrijding onder bij buurvrouw Gerritje Oldenburg in de Van de Stadtstraat 106. Dat hij na de bevrijding opnieuw werd opgepakt, moet hij hebben ervaren als een uiterst wrange speling van het lot. Zijn geluk was dat hij ontlastende verklaringen kon overleggen over hulp aan onderduikers. Eén van hen, de Amsterdammer L.H. Cohen: “Hierbij verklaar ik dat de heer Starreveld en De Man mij als Israeliet te allen tijde hebben geholpen, en het mij bekend is dat ook andere Israelieten en onderduikers door hen geholpen zijn. Dat zij alles hebben gedaan om de NSB tegen te werken en te zorgen dat niet alles in Duitse handen viel. Ik ben er dan ook van overtuigd dat zij niet ten eigen bate hebben gewerkt en verzoek u de volle medewerking om deze kwestie zoo spoedig mogelijk uit de weg te helpen.” De getuigenissen pakten goed uit. Eind augustus 1945 keerde Jan de Man voor de tweede keer terug uit gevangenschap.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Douwe Soepboer: vergeten verzetsgrootheid

In de verslaglegging over de Zaanstreek in de Tweede Wereldoorlog komt de naam Douwe Soepboer regelmatig voor, maar alleen in relatie tot het opblazen van het Zaandamse Arbeidsbureau. Soepboers verzetsrol beperken tot die ene spektakeldaad doet hem echter ernstig tekort.

De succesvolle actie, in de nacht van 20 op 21 mei 1943, om het Zaandamse Arbeidsbureau te vernietigen – en daarmee de administratie die de Duitsers nodig hadden voor de Arbeitseinsatz -, is al vaker beschreven. Soepboer (1903) was onmisbaar bij deze sabotage. Minder bekend is dat dit bewakingshoofd van de Zaandamse Artillerie-Inrichtingen al vanaf mei 1940 illegale werkzaamheden ontplooide en een uiterst belangrijke schakel was binnen het Zaanse verzet.

Kort na de aanslag op het Arbeidsbureau kreeg de Sicherheitsdienst belangstelling voor Soepboer. Die dook daarop onder. Hij vond onder meer een schuilplaats bij de ouders van de latere premier Barend Biesheuvel, even buiten Zaandam.

In juli 1944 ging het echter alsnog mis. Toen Douwe Soepboer de 13de met medestrijder Wim Stolp ’s avonds Hoofddorp verliet om het distributiekantoor van Doesburg te beroven, reden ze een controlefuik van de Grüne Polizei binnen. Stolp gaf gas en passeerde zonder schade de controlepost, maar vloog even later wel uit de bocht en tegen een boom. Douwe Soepboer brak daarbij zijn been op drie plaatsen, had een ribfractuur en liep een hersenschudding op. Hij werd gevangen genomen door de Sicherheitsdienst. De Zaandammer had het geluk dat de directeur van de Artillerie-Inrichtingen, Frans Q. den Hollander, zijn werknemer uit Duitse handen wist te praten. Op 17 augustus 1944 was Soepboer weer op vrije voeten. De bij het auto-ongeluk opgelopen schade zou hij echter nooit meer te boven komen; hij bleef invalide. Wim Stolp werd in september 1944 geëxecuteerd in kamp Vught.

 Douwe Soepboer in de jaren ’40

Douwe Soepboer, geboren in Leeuwarden en gestorven in Hoorn, schreef zijn oorlogsmemoires. Uit het hoofd, want zoals hijzelf meldde: “Ik heb er tijdens de bezetting geen dagboek op na gehouden.” Zijn goede geheugen maakte dat de genoteerde herinneringen desondanks een goed beeld geven van zijn verzetsrol.

Soepboers relaas is nooit eerder geopenbaard. Omdat het veel toevoegt aan de kennis over de Zaanse illegaliteit volgt het hieronder. Waar nodig heb ik taal- en naamfouten verbeterd en her en der wat geduid. Het zijn de enige aanpassingen. Wie meer weet van Douwe Soepboer, tussen 1940 en 1945 wonend in de Zaandamse Havenstraat 136, is welkom via info@schaapschrijft.nl

Herinneringen

“Ik denk dat het omstreeks 4 uur in de ochtend van 10 mei 1940 was, toen ik wakker werd door het rinkelen van de telefoon. Aan de andere zijde van de lijn meldde zich de controleur van de bewakingsdienst, die mij attent maakte op het geronk van vliegtuigen en daaraan als zijn mening toevoegde: ‘Ik denk dat we oorlog hebben, opzichter, want er is een luchtgevecht boven Schiphol.’

Ik was, na ongeveer 15 jaar bij gemeente- en rijkspolitie werkzaam te zijn geweest, toen als politie-opzichter en chef van de bewakingsdienst werkzaam bij het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen ‘De Hembrug’ te Zaandam en voelde mijn grote verantwoordelijkheid indien het vermoeden van Rijken juist bleek te zijn. Op het fabrieksterrein aangekomen wist ik al dat het inderdaad oorlog was, want onderweg had ik tegen de toen zo heldere hemel op elkaar schietende vliegtuigen waargenomen.

Via de radio hoorden we daarna al spoedig dat de Duitsers op verraderlijke wijze ons land waren binnengedrongen en daarbij op diverse plaatsen parachutisten neerlieten. Daar dezen speciaal strategische punten trachtten te bezetten, leek het mij wenselijk mij in verbinding te stellen met de Hoofdopzichter D[irk] Dral van de laboreerwerkplaatsen (springstofafdelingen). Deze was onderluitenant geweest in voormalig Ned. Indië en was voor het nemen van drastische maatregelen. Zowel allen die tot mijn bewakingspersoneel behoorden als een aantal door ons betrouwbaar geachte personen werden met vuurwapenen uitgerust. Voorts werden enige mitrailleurs in stelling gebracht en alle bosschages, welke door parachutisten als dekking konden worden gebruikt, gekapt en met de grond gelijkgemaakt. Achteraf zijn al deze maatregelen onnodig gebleken, daar geen parachutist zich heeft laten zien en eerst na de capitulatie een Duitse bezetting van de A.I. plaatsvond.

Geruchten

Gedurende de 4 oorlogsdagen gonsde het op de fabriek van geruchten, welke dikwijls op hun betrouwbaarheid moesten worden onderzocht. In overleg met de militaire instanties moesten alle personen waarvan bekend was dat zij lid waren van de NSB en konden behoren tot de 5de colonne worden aangehouden en overgebracht naar de Ripperda-kazerne te Haarlem. Hoe groot dit aantal was weet ik niet meer, maar vaststaat dat iedere inlichting over een bepaald persoon terdege moest worden nagegaan, daar niet zelden bleek dat zonder gegronde redenen beschuldigingen werden geuit.

Grote verslagenheid heerste er onder allen nadat bekend was gemaakt dat het Nederlandse leger had gecapituleerd. Meerderen met mij waren van mening dat de Duitsers ons, die verantwoordelijk waren voor de arrestatie van de NSB’ers, ter verantwoording zouden roepen en represailles tegen ons zouden nemen. In elk geval heb ik alle schriftelijke bescheiden en dossiers die ik onder me had in een oven van de ketelcentrale verbrand, waarbij ik ontdekte dat de heer Boon van de afdeling personeelszaken, die een chef van mij was en voor elke aanhouding van een NSB’er zijn fiat had gegeven, eveneens zijn aantekeningen stond te verbranden. Maar ook dit bleek later overbodig te zijn geweest.

Nadat enige dagen later de fabriek door de Duitsers was bezet bleek, tegen onze verwachting in, dat er zou worden doorgewerkt aan de vervaardiging van vuurwapenen en munitie. Dat e.e.a. tegen onze bondgenoten zou worden gebruikt leek ons vanzelfsprekend en ik meen dat velen van ons zich van toen af hebben voorgenomen de productie van alles wat met wapens en munitie te maken had zoveel mogelijk te saboteren. Maar daarbij diende men zeer voorzichtig te zijn. Immers, alle vijandig gezinde personen die door ons waren aangehouden, kwamen weer op de fabriek terug – al of niet met het gehate NSB-insigne getooid – en het spreekt vanzelf dat zij door ons als verraders werden gewantrouwd. Ten overvloede kwam daarbij nog dat er ongetwijfeld ook nog personen rondliepen die door ons niet als NSB’ers of vijandig gezinden geïdentificeerd waren, doch wel daartoe behoorden en dit maakte de kans op verraad aanzienlijk groter.

Als spoedig kwam de heer Dral mij opzoeken en deed me het voorstel om samen met de hulpopzichter Fleurbaaij het verzet aan de A.I. te organiseren en daaraan zo mogelijk leiding te geven. Daar ik mij met Dral in goed gezelschap wist (hij was een uitstekend militair en op het stuk van wapens en munitie zeer deskundig) en hij op zijn beurt voor de betrouwbaarheid van Fleurbaaij instond, ben ik op zijn voorstel ingegaan en heb daar nimmer spijt van gehad.

Op last van de bezetters moesten alle wapens en vuurwapens worden ingeleverd en deze kwamen op een centraal punt terecht, n.l. de Artillerie-Inrichtingen (hierna te noemen de A.I.). Een deel van de ingeleverde handvuurwapens werd opgeslagen in gebouw 100, hetwelk gelegen is naast de kazerne die voor het uitbreken van de oorlog huisvesting verleende aan onze militaire politie, doch nu door de bezetters in gebruik was genomen. Wij waren van mening dat het in de toekomst noodzakelijk kon zijn dat wij over een voorraad wapenen beschikten om t.z.t. behulpzaam te zijn bij het verwijderen van de bezetters. In verband daarmede besloten we om een aantal wapens uit eerdergenoemd gebouw 100 te halen en op diverse plaatsen buiten het fabrieksterrein op te slaan.

Zowel Dral als ik moesten voor de uitoefening van onze normale taak ook buiten de werktijden veel op de fabrieksterreinen zijn en voor de op het fabrieksterrein patrouillerende Duitse militairen was het niet vreemd ons op het terrein aan te treffen op tijden dat er in de diverse afdelingen van de fabriek niet gewerkt werd.

Gebouw 100

Op zekere dag – ik kan me herinneren dat het zondag was – hebben we ons toegang verschaft tot gebouw 100. Op zich was dit niet zo moeilijk, daar ik als chef van de bewakingsdienst in het bezit was van ‘moedersleutels’, teneinde in bijzondere omstandigheden mij toegang tot een bepaald gebouw te kunnen verschaffen. Het gevaar schuilde hierin dat deze opslagplaats slechts een tiental meters verwijderd was van de kazerne waarin de Grüne Polizei was ondergebracht. Eenmaal binnen ontdekten we dat alle wapens in dichtgespijkerde kisten waren verpakt en we hadden veel moeite met deze kisten zonder al te veel lawaai te openen. We hebben bij die gelegenheid plusminus 70 pistolen buitgemaakt en deze in twee emmers in veiligheid gebracht. Daar de Duitsers wel wisten dat wij geregeld voedsel voor onze konijnen op het fabrieksterrein verzamelden, bedekten we onze buit met gras en bladeren en toen we een patrouille ‘Grünen‘ ontmoetten, groette deze ons vriendelijk.

Later hebben we nog enige malen kans gezien om onze wapenvoorraad uit te breiden. Een van de plaatsen waar wij een voorraad wapens onderbrachten was de woning van de opzichter Borringa [Boringa, sic], die evenals Dral en ik woonachtig was in een dienstwoning (de Delftse rij) grenzende aan het fabrieksterrein aan de Havenstraat. Harrie, de zoon van Borringa, had hiertoe een gelegenheid gemaakt onder de vloer van hun woning en belastte zich met het onderhoud van de wapens. De Zaanse onderwijzer [Chris] Coté zorgde voor een opslagplaats in de school waaraan hij verbonden was.

Zoals bekend hebben deze wapens nimmer gediend voor het doel dat wij ons voor ogen hadden gesteld, n.l. het verdrijven van de bezetters. Echter heb ik dikwijls aan de vraag om één of meer pistolen kunnen voldoen ten behoeve van het verzet.

Loe de Jong

Alvorens verder te schrijven, wil ik er even de aandacht op vestigen dat ik tijdens de bezetting er geen dagboek op na heb gehouden i.v.m. het daaraan verbonden gevaar voor mijzelf en anderen. Toen ik na de bevrijding dan ook het verzoek ontving van de allen bekende Dr. L. de Jong om hem mijn dagboek ter inzage te doen toekomen, heb ik hem geantwoord dat ik geen dagboek had bijgehouden, doch slechts mijn herinneringen op papier had gesteld, die ik bereid was hem toe te zenden. Hierop heb ik geen antwoord ontvangen en blijkbaar bestond hiervoor geen belangstelling. Het is dus niet uitgesloten dat hetgeen ik nu verder vertel niet geheel in de juiste volgorde is.

Door een ingenieur van de A.I. ben ik al spoedig in contact gebracht met de heer [Titus W.] de Tourton Bruins, inspecteur der Registratie en Domeinen te Amsterdam. Meestal op dinsdagmiddag kwam ik bij hem op zijn bureau in de zgn. Droogbak te Amsterdam. Daar trof ik meestal een achttal oud-officieren aan en de toenmalige hoofd-stationschef de heer Jongsma. Zij vormden een verzetsgroep (of waren de leiders daarvan) en noemden zich ‘L.O.F.’, d.w.z. Legioen Oud Frontsoldaten. Uit de gevoerde gesprekken heb ik begrepen dat men over een geheime zendinstallatie beschikte en voortdurend contact had met Engeland.

Mijn taak was dat ik zoveel mogelijk gegevens doorgaf betreffende wapens- en munitietransporten vanaf de A.I. Indien een dergelijk transport per trein plaatsvond, zorgde ik dat de heer Jongsma kennis kreeg, die dan weer de uiteindelijke bestemming kon doorgeven. Hoelang mijn contact met deze groep heeft geduurd weet ik niet, maar naar ik meen niet zo lang.

Op zekere dag vernam ik dat de Tourton Bruins was gearresteerd door de S.D. en vanzelfsprekend heb ik mij in de Droogbak niet meer vertoond. Maar inmiddels zat ik niet zonder contacten. Blijkbaar doordat ik gedurende de oorlogsdagen met mijn terreinpolitie nogal wat arrestaties heb verricht, schijn ik veel vertrouwen te hebben gekregen van het fabriekspersoneel. Verzetslieden die kennis hebben aan iemand van de fabriek informeren dan bij deze of hij niet aan munitie of wapens kan komen en achterna blijkt dan dat ze mijn naam hebben genoemd als een mogelijkheid.

Een van de eersten die voor dat doel bij mij komt is een politieman uit Koog aan de Zaan. Het is Joop Keijzer en nadat over en weer vertrouwen tussen ons is ontstaan, kom ik erachter dat hij deel uitmaakt van de Stijkelgroep, die later is opgerold door de S.D. en waarvan – naar ik meen – acht personen hun vaderlandsliefde met de dood hebben moeten bekopen. Toen ik van de eerste arrestaties hoorde heb ik mij onmiddellijk naar de woning van Keijzer begeven om hem te waarschuwen. Hij bleek reeds op de hoogte te zijn van het gevaar dat hem bedreigde en ik sprak er mijn verwondering over uit dat hij nog niet was ondergedoken. Toen hij daarop zei niet te weten waar hij naartoe moest, heb ik hem naar de boerderij van de fam. Moerkerk gebracht in de Grote IJpolder, welk adres ik voor mijzelf had bestemd voor het geval ik zelf onder moest duiken. Hier bleek hij welkom te zijn. Later is hij met schotwonden toch gearresteerd en moest in het Wilhelminaziekenhuis te Amsterdam worden opgenomen. Leden van een verzetsgroep hebben hem echter weten te bevrijden en door hun onverschrokken optreden heeft hij het overleefd.

De aan de A.I. verbonden geweermaker Bertus [Lambertus] Martin bezocht mij op zekere dag en vertelde dat hij in opdracht kwam van zekere kapitein [J.W.D.] Meihuizen in Alkmaar, die graag eens met mij wilde praten. In een gesprek met deze, gearrangeerd door Martin, hoorde ik voor het eerst van het bestaan van de Landelijke Ordedienst (O.D.). Meihuizen stond rechtstreeks onder de commandant van Gewest II, de Overste [Johan G.] Wastenecker, en vroeg om mijn medewerking. Nadat ik deze had toegezegd kwam het verzoek om de levering van een aantal handvuurwapenen, i.c. pistolen en handgranaten.

Vele malen heeft Martin, die in Bergen woonde, waar zijn vader een smederij had, per motorrijwiel een vrachtje van deze wapenen na werktijd van mijn huis naar Bergen vervoerd, waar de steeds groeiende voorraad in een tuinhuisje werd opgeslagen. Alvorens ik e.e.a. aan Martin kon leveren, haalde ik de avond van tevoren deze spullen bij duisternis van de fabriek, waar Dral het voor mij had klaargelegd. Via mijn tuin, die dus aan het fabrieksterrein grensde, bracht ik ze dan in mijn woning, waar ze dan bleven totdat Martin ze ophaalde. Dat mijn vrouw daarbij veel angstige ogenblikken beleefde spreekt voor zichzelf. Vooral op die avond dat Martin het vrachtje niet, zoals afgesproken, kwam afhalen. Die avond had ik een afspraak met brigadier Van der Bunt van de Gemeentepolitie te Amsterdam. Deze had onder zijn collega’s ook enige die weer in contact stonden met verzetsstrijders en hem leverde ik enige malen pistoolpatronen, omdat de politiemannen zelf elk patroon moesten verantwoorden. Ik kon dus die avond niet thuisblijven en toen Martin niet kwam opdagen heb ik de voor hem bestemde handgranaten onder de matras van ons bed gelegd. Nadat ik in Amsterdam mijn patronen had afgeleverd – en daar het inmiddels middernacht was geworden -, verwachtte ik niet anders of mijn vrouw zou wel slapen. Maar dat was niet het geval en op mijn vraag waarom ze niet naar bed was gegaan, antwoordde ze: ‘Denk je dat ik op die gevaarlijke dingen ga slapen?’ (Ik had haar er n.l. niets van verteld.)

Arrestatie

Op zekere morgen verscheen Martin niet op zijn werk en een vriend van hem wist me te vertellen dat hij door de Duitsers gearresteerd was. Daar ik wilde weten om welke reden en of ik ook gevaar liep, heb ik die vriend i.o.m. zijn chef naar Bergen terug laten gaan, om te trachten meer aan de weet te komen. De volgende dag hoorde ik van hem (gevoegd met andere inlichtingen) ongeveer het volgende verhaal.

In de smederij van Martin kwamen enige Duitsers om daar hun vrachtwagen te repareren. Een van die Duitsers ontdeed zich daarbij van zijn koppelriem met pistool en hing die op in de smederij. In een onbewaakt ogenblik nam een broer van Bertus Martin die riem met pistool weg en bracht dit naar een tuinhuisje, waar ook van mij afkomstige handgranaten lagen opgeslagen. Toen de broer van Bertus in de smederij terugkwam was de vermissing al ontdekt en alarm geslagen. Bertus zijn broer werd verdachte en mede doordat er sneeuw lag en voetstappen in de sneeuw naar het tuinhuisje leidden viel er niets te ontkennen. In totaal werden 4 personen door de S.D. gearresteerd, t.w. Bertus Martin en zijn broer, een vriend van hen (een zekere Briefjes) en de voormalig sergeant-majoor De Kloe, die het contact onderhield tussen kapitein Meihuizen en mij.

Na dit alles aan de weet te zijn gekomen, vreesde ook ik te worden gearresteerd. Er was immers grote kans dat de moffen alles op alles zouden zetten om de herkomst van de handgranaten te ontdekken. Dat ze gruwelijke methoden gebruikten om iemand tot spreken te brengen was algemeen bekend. Als voorzorgsmaatregel sliep ik niet thuis. ’s Morgens belde ik dan Dral op en hoorde dan van hem dat alles veilig leek. Op de fabriek had ik een vertrouwde bewaker bij de portier ingedeeld en bij de komst van politie of recherche zou ik terstond worden gewaarschuwd. Dit was de eerste maal dat ik me genoodzaakt zag om onder te duiken, maar het zou niet de laatste maal zijn.

‘Wanted’-foto’s van Dirk Dral en Douwe Soepboer in het Nederlandsch Algemeen Politieblad (8-8-1943)

Na verloop kwam het proces, waarbij de broer van Bertus en diens vriend Briefjes ter dood werden veroordeeld en Bertus en De Kloe elk tot 15 jaar tuchthuisstraf. Laatstgenoemden zijn na de bevrijding thuisgekomen en ik hoorde toen van hen tegenover de S.D. steeds te hebben volgehouden dat de handgranaten afkomstig waren van een partij die na de capitulatie van het Nederlandse leger door soldaten daar waren achtergelaten. Dat ik Bertus Martin en De Kloe voor hun flinke houding in deze altijd dankbaar zal blijven spreekt vanzelf.

Knokploeg

Op verzoek van mijn commandant, Meihuizen, heb ik mij in verbinding gesteld met Paul Kramer, hoofd van een R.K. school te Wormer. Deze was plaatselijk commandant van de O.D. en bracht mij weer in contact met de illegale werkers Koen Rozendaal en Wim Stolp. Hun eerste verzoek gold de levering van enige pistolen met munitie, aan welk verzoek ik kon voldoen.

Met Koen heb ik veel contact gehad. Hij was commandant van de L.K.P. (Landelijke Knokploegen) te Broek in Waterland en vroeg mij meermalen advies in verband met een te ondernemen verzetsstunt. Hij was zeer moedig en een trouwe kameraad.

Ook werd ik in contact gebracht met kapitein [A.A.] Bontekoe, woonachtig in de Jocherstraat te Amsterdam. Deze behoorde tot de staf van de O.D. te Amsterdam en ook hier kwam weer de vraag aan de orde om levering van vuurwapens. Nadat ik mij in staat en bereid had getoond om aan dit verzoek te voldoen noemde hij me namen van vier personen die voor het vervoer vanaf de Hembrug naar Amsterdam zorg zouden dragen en dus een geregeld contact met mij zouden onderhouden. Deze personen waren [W.F.] Gonkel, [Frans A.F.F. van] Lokven (Marine-onderofficieren) die, als zij van plan waren mij te bezoeken zich aankondigden als ‘Van Gend en Loos’. Voorts Michels, eveneens een onderofficier van de Marine, die echter al spoedig door de S.D. is gearresteerd en ter dood gebracht. De vierde man was de heer Echthuizen uit de Floris Versterstraat te Amsterdam.

Vooral Gonkel en [Van] Lokven hebben mij veel bezocht om na het in ontvangst nemen van (meestal) handgranaten deze naar Amsterdam te vervoeren. Op zekere dag bezochten ze mij echter met een geheel ander doel en vertelden mij het volgende: Een zekere [Tj.] v.d. Ploeg, zij noemden hem luitenant v.d. Ploeg, die deel uitmaakte van de O.D.-staf te Amsterdam, was benaderd door de adjunct-onderofficier [O.O] Filipse uit Assen. Deze Filipse was een alleszins betrouwbaar verzetsstrijder en was in gezelschap van een persoon, zich noemende Johnny [de] Droog of Den Droog. Deze verklaarde tegenover v.d. Ploeg dat hij in Drenthe leider was van een grote verzetsorganisatie en o.a. de beschikking had over een zeer groot geldbedrag. Hij was nu met Filipse naar Amsterdam gekomen teneinde daar met de staf tot een bundeling te geraken en – indien dit lukte – het hiervoren bedoelde geld aan de hoofdstedelijke staf af te dragen.

Filipse, zoals later bleek ter goeder trouwe, bevestigde een en ander en [De] Droog beriep zich op een aan de A.I. werkzame opzichter Van Veen, bij wie naar hem kon worden geïnformeerd. Luitenant v.d. Ploeg was echter zeer voorzichtig en zei thans nog niet te kunnen besluiten. Afgesproken werd dat de heren op een afgesproken tijdstip elkaar weer zouden ontmoeten in een café aan de Hoogte Kadijk te Amsterdam.

Voordat v.d. Ploeg zich naar het afgesproken adres begaf zette hij diverse medewerkers – waaronder Gonkel en [Van] Lokven – uit, op verschillende punten rondom het café. Deze constateerden dat [De] Droog en Filipse op enige afstand uit een auto stapten en zich verder te voet naar de plaats van de afspraak begaven. Deze auto droeg als kenteken: G-56*** (de laatste drie cijfers kan ik mij niet meer herinneren). Inmiddels had v.d. Ploeg de beide heren beloofd dat hij in gezelschap van enige leden van de staf hen opnieuw zou ontmoeten, de volgende ochtend bij de Westelijke uitgang van het Centraal Station. Gonkel en [Van] Lokven hadden intussen bij een relatie van de politie geïnformeerd naar de herkomst van de auto en hoorden dat bedoeld kenteken was afgegeven aan het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen.

Hierbij zij opgemerkt dat alle auto’s met het provinciaal kenteken G (Noord-Holland) en in de cijferserie zesenvijftigduizend in gebruik waren bij het Rijk en de administratie daarvan berustte bij het hoofd van de garage van de A.I., de heer Stallinga. Toen dan ook Gonkel en [Van] Lokven mij verzochten een onderzoek in te stellen, heb ik mij naar Stallinga begeven die, na in de administratie te zijn gedoken, mij vertelde dat dit nummer was afgegeven aan de gevolmachtigde voor de reorganisatie van de Rijkspolitie aan de Raamweg te Den Haag. Derhalve het instituut dat van onze betrouwbare politie een foute politie moest maken.

Gewapend met de nodige argwaan heb ik daarna de door [De] Droog genoemde opzichter Van Veen opgezocht in de fabriek. Deze was aanvankelijk zeer terughoudend, maar ik slaagde erin hem wat meer spraakzaam te maken. Hij vertelde door [De] Droog enige tijd geleden te zijn benaderd, waarbij deze zich uitgaf voor een verzetsman die af en toe een schuiladres nodig had. Van Veen geloofde zijn verhaal en sindsdien kwam [De] Droog bij hem enige dagen en/of nachten doorbrengen. Droog sliep dan samen met een zoon van v. Veen op één kamer en deze zoon was zeer onder de indruk van [De] Droog, zowel door diens sterke verhalen als door de manier waarop hij goochelde met een zwaar kaliber pistool. Van Veen toonde mij daarop een foto van [De] Droog, die deze hem als bewijs van vriendschap had gegeven. Voorts toonde hij mij een metalen penning waarop het woord ‘groepsleider’ voorkwam en vertelde dat hij voor Droog een aantal van deze penningen had vervaardigd. Voor [De] Droog zelf had hij een soortgelijke penning vervaardigd, doch met het opschrift ‘Hoofdleider’.

 Johnny de Droog

Uit vorenstaande trok ik de conclusie dat [De] Droog in elk geval moest worden gewantrouwd. Immers, het rijden in meergenoemde auto was verdacht, maar ook dat hij zich legitimeerde met een penning die hij zelf had laten vervaardigen. Nadat ik mijn bevindingen aan Gonkel en [Van] Lokven had medegedeeld besloten we dat zij v.d. Ploeg op de hoogte zouden brengen en hem zouden adviseren niet op het afgesproken tijdstip bij het station te zijn.

Gewapend met de foto van [De] Droog heb ik mij naar het hoofdbureau van politie te Amsterdam begeven, waar ik mij in verbinding heb gesteld met de mij bekende (goede) rechercheurs Faber en Osinga. Deze waren bereid om op het tijdstip dat de omschreven ontmoeting tussen [De] Droog en v.d. Ploeg met zijn vrienden zou plaatsvinden met mij bij het station aanwezig te zijn. Met behulp van de foto konden we dan [De] Droog herkennen, terwijl Faber en Osinga mogelijk personen in zijn gezelschap konden identificeren.

Koffiehuis

Toen wij op het afgesproken tijdstip bij het station kwamen, viel daar aanvankelijk niets bijzonders waar te nemen. Echter, veronderstelden we, dat in het koffiehuis tegenover het station wel eens enige personen aanwezig konden zijn die het op de arrestatie van v.d. Ploeg gemunt hadden. Toen wij als gewone wandelaars langs de ruiten van het koffiehuis liepen, ontdekte ik dat [De] Droog binnen zat in gezelschap van een aantal andere personen. ([De] Droog was gemakkelijk te herkennen aan zijn fors postuur en zijn volkomen kale schedel.)

Toen ik tegen Faber en Osinga van mijn herkenning vertelde, antwoordden zij: ‘De hele Euterpestraat zit binnen, met inspecteur [Antonie] Berends aan het hoofd.’ Volgens hen was laatstgenoemde een landverrader, die algemeen bekend stond als uiterst gevaarlijk. Naar ik mij meen te herinneren was deze Berends afkomstig uit Arnhem of Nijmegen. Voor ons stond het nu wel vast dat hier een stel bijeenzat met het oogmerk om v.d. Ploeg te arresteren en met hem de gehele staf uit Amsterdam op te rollen.

Wij begaven ons daarop naar de Schreierstoren, waar Gonkel en [Van] Lokven op ons wachtten. Na hen onze bevindingen te hebben medegedeeld, belden zij daarop het koffiehuis op en vroegen de heer Filipse aan de telefoon te roepen, teneinde deze te kunnen waarschuwen voor het feit dat hij zich in verkeerd gezelschap bevond. Na enige tijd kwam echter [De] Droog aan de telefoon die vertelde dat Filipse onwel was geworden en daarom niet was meegegaan. [De] Droog drong er vervolgens op aan dat in elk geval v.d. Ploeg naar hem toe zou komen, omdat hij ([De] Droog) in ieder geval aan v.d. Ploeg het geld af wou dragen. Daarna heeft Gonkel v.d. Ploeg onze bevindingen medegedeeld en is hij terstond ondergedoken.

Op mijn verzoek heeft politieagent [Jan] Thomassen uit Zaandam zich de volgende dag naar Assen begeven (de woonplaats van Filipse), teneinde de staf van de O.D. aldaar te waarschuwen. In Assen bleek men echter al te weten dat Filipse door de S.D. gearresteerd was, terwijl in Assen zelf ook reeds enige arrestaties hadden plaatsgevonden. In enige illegale bladen is kort daarna ernstig tegen Johnny [de] Droog gewaarschuwd.

Van Hall

Inmiddels bereikten mij herhaaldelijk verzoeken om de levering van vuurwapens en/of munitie. Kapitein Bontekoe leverde ik acht pistolen, die volgens hem bestemd waren voor een zekere Ir.(?) [B.] ten Bosch, die commandant zou zijn van een landelijke knokploeg (L.K.P.). Op verzoek van opzichter [Joris] Lamens van de A.I. nam ik contact op met de heer [George L.] Jambroes, die ik op zijn verzoek 2 pistolen leverde. Deze is het gelukt om naar Engeland te komen, doch is helaas het slachtoffer geworden van het ‘Englandspiel’.

Hoe ik in contact ben gekomen met Walraven van Hall weet ik niet meer. Feit is dat deze mij vroeg om trotyl met lont en slaghoedjes. Nadat ik hem had gezegd hiervoor te kunnen zorgen, heb ik hem een aantal malen een hoeveelheid van deze voor sabotage bestemde goederen ter hand gesteld.

Op zekere dag vertelde de heer Van Hall mij dat een en ander bestemd was voor een ingenieur van de N.S. Deze zou diezelfde avond met de trein te Zaandam arriveren, doch had geen tijd om zich naar de woning van Van Hall te begeven, doch moest met de eerste gelegenheid weer terug. Nadat Van Hall mij het signalement van de betrokkene had omschreven (hij had een Indisch uiterlijk), heb ik deze heer op die avond bij het station Zaandam zijn bestelling ter hand gesteld. Uit feiten achteraf vermoed ik dat het de heer [de] Vos tot Nederveen Cappel is geweest. Nadien heb ik nog enige malen een voorraadje aan Van Hall geleverd.”

 Douwe Soepboer (april 1974)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Waar is Lambeeks Hitlerfilm?

Zijn politieke keuze kan worden beschouwd als een domme vergissing. Het niet nee durven zeggen toen er werd aangedrongen op een NSB-lidmaatschap had vervolgens ingrijpende consequenties voor de Zaandamse fotohandelaar Willem Jan Lambeek en zijn gezin.

Eigenlijk was Lambeek het constante aandringen van zijn kennis H. van Rijn, die even verderop een slagerij had, een beetje zat. En toen een andere middenstands-NSB’er, Jan Hooft, hem ook al stimuleerde om lid te worden van Musserts club had hij  zich toch maar aangemeld. Hij nam voor de volledigheid een abonnement op het NSB-blad Volk en Vaderland, las het nationaal-socialistische blad De Daad en gaf aan de Winterhulp, de nazistische armoedebestrijding.

Maar om nou te zeggen dat hij een aanhanger was van Hitler, nee. Volgens zijn vrouw leek hij zich zelfs een beetje te schamen voor het lidmaatschap dat hij begin 1941 was aangegaan. Hij hing de partijvlag nooit uit en NSB-propagandamateriaal kreeg geen plek op de ramen van ‘Foto-, Kino- en Projecthandel Lambeek’ aan de Gedempte Gracht 52. Op geen enkele wijze liep hij te koop met zijn partijkeuze. Bovendien was hij ook nog lid van de Nederlandsche Unie, de politieke organisatie die bepaald niet op goede voet stond met de NSB. Desondanks daalde Lambeeks omzet gestaag. De rode Zaankanters kozen liever een andere zaak voor hun pasfoto’s en vakantiekiekjes.

Het duurde evengoed nog tot 6 oktober 1943 alvorens Willem Jan Lambeek NSB-kringleider Zuidervliet per gepeperde brief liet weten dat hij het op een aantal vlakken niet eens was met de club. Bovendien had hij steeds onmin met zijn echtgenote over de partij. Hij zegde daarom zijn lidmaatschap per direct op.

Hoezeer hij genoeg had van het nazistisch gedachtegoed blijkt uit een datzelfde jaar gemaakt filmpje. Het was volgens Lambeek ‘voor eigen gebruik en ter vertoning op mijn 12,5-jarig huwelijksfeest’. Het betrof volgens hem ‘een film waarin Hitler door Chamberlain werd vermoord’. Anthonie Lak, een rechercheur van de Politieke Opsporingsdienst zou het stukje huisvlijt begin 1946 bekijken -Lambeek zat toen nog in de gevangenis- en beschreef de inhoud iets uitgebreider. Het was volgens Lak ‘een film waarop [sic] een scene voorkwam, voorstellende een komisch beeld waarin een man voorkwam, voorstellende Hitler, die door een anderen man, voorstellende Chamberlain [de vooroorlogse Britse premier], met een parapluie werd neergeslagen. Eerstbedoelde knielde (dus Hitler) en kreeg daarna enige klappen op zijn hoofd’. De rechercheur voegde aan het proces-verbaal toe ‘dat hij in bezettingstijd meerdere malen Engelse films van Lambeek heeft gezien en gehuurd, zulks terwijl verhuren hiervan destijds nadrukkelijk was verboden en strafbaar gesteld’.

Lambeek was op meer vlakken subversief bezig. Hij hielp mensen aan schuilplaatsen en nam zelf maandenlang een onderduiker in huis ‘die gevaar liep bij razzia’s’. “De R.K. onderduikersvereeniging met Kapelaan Groot en Kruidenberg aan ’t hoofd heeft hij geholpen aan middelen voor gezellige avonden’, verklaarde een hem goedgezinde dominee na de oorlog. Ook maakte hij stiekem 72 illegale foto’s, onder meer van anti-nazistische propaganda. En hij stelde foto’s van het koningshuis beschikbaar aan het plaatselijk verzet. Met de verkoopopbrengst werden onderduikers geholpen.

Al zijn inzet voor het vaderland ten spijt werd Willem Jan Lambeek op 8 mei 1945 gearresteerd en meer dan een jaar lang opgesloten in kamp Schoorl. Zijn fotozaak kwam in handen van het communistische dagblad De Waarheid, hoewel zijn vrouw en kinderen niets te verwijten viel. Er is een brief van de Commissie van Bijstand en Advies de dato 29 maart 1947 aan het Nederlands Beheer Instituut bewaard gebleven waarin op niet mis te verstane wijze wrevel wordt uitgesproken over deze ‘huurder’. “Het beheer over bovenaangehaald bedrijf werd op 14 September 1945 aan onze commissie opgedragen”, schreef de CBA-voorzitter. Om sarcastisch te vervolgen: “Bij het aanvaarden van dit beheer kwamen wij tot de ontdekking dat het betreffende perceel door het toenmalig Militair ‘Gezag’ in gebruik was afgestaan aan het instituut ‘de Waarheid’ te Zaandam. Een behoorlijke regeling ten aanzien van dit in gebruik afstaan was niet getroffen en het mocht ons ook niet gelukken ‘de Waarheid’ aan het verstand te brengen dat het in de Zaanstreek niet gebruikelijk is een perceel in gebruik te nemen, te metamorfoseeren en daarin een bedrijf uit te oefenen enz., zonder hier tegenover iets te stellen dat meestentijds wordt aangeduid met den naam huurbetaling. De echtgenoote van den gedetineerde Lambeek met haar kinderen had, zij het dan met geen groote bewondering voor de uitoefening van dit soort ‘gezag’ van de Zaandam bewakende militairen, haar woning verlaten en voorzag in het onderhoud van haar gezin door het opsoupeeren van spaargeld. Opgemerkt dient te worden dat de echtgenoote van Lambeek volkomen capabel is om de zaken te regelen en dus onder ons beheer als bedrijfsleidster het gehele bedrijf met succes had kunnen voortzetten.’

De misstap van Willem Jan Lambeek trof dus via een omweg ook zijn gezin. Pas in 1947 werd hij veroordeeld: hij kreeg een boete van 3.500 gulden en had te maken met onder toezichtstelling door de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten. Door het bijna twee jaar durende voorarrest en het gedurende langere tijd moeten afstaan van zijn winkel aan De Waarheid pakte de straf buitenproportioneel zwaar uit.

Het duurde nog geruime tijd voor De Waarheid ‘na langdurige en moeilijke onderhandelingen’ huur ging betalen. En nog langer voor mevrouw Lambeek de foto- en filmwerkzaamheden kon hervatten. In de decennia daarna bloeide de zaak weer op. Op Gedempte Gracht 52 zit nu nog altijd een fotozaak. Die kan worden beschouwd als de opvolger van de firma Lambeek.

Resteert de vraag wat er is gebeurd met dat spottende ‘Hitler-filmpje’ (dat zeer bijzonder is; mij is in ieder niet iets vergelijkbaars, gemaakt in bezet gebied, bekend). En wat met dat album vol illegale foto’s (ik ken er één à twee van)? Zouden ze nog in de familie zijn? En zo ja, is het dan mogelijk dat het Gemeentearchief Zaanstad wat kopieën krijgt of koopt? Dat zou van enorme waarde zijn voor de geschiedschrijving van de Zaanstreek.

Lambeek
Advertentie van Lambeek in het Zaans Volksblad (20 juni 1941)

  

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





De Zaanstreek in de Tweede Wereldoorlog (6): Remmert Aten

Deel 6 in een serie longreads over Zaanse verzetsstrijders die tussen 1940 en 1945 van landelijk of zelfs internationaal belang waren. Na de bevrijding raakten ze in de vergetelheid. Door hen hier te portretteren hoop ik ze weer een beetje zichtbaar te maken. Alle verhalen zijn, aangevuld met voetnoten en namenindex, ook te lezen in mijn boek Vrijgevochten. Zaans verzet in nationaal perspectief (1940-1945). 
In deel 6 van deze korte serie een portret van Remmert Aten.

Remmert Aten is de tweede zoon in een Zaandams gezin met zeven kinderen. Zijn vader koopt in 1891 de voor zijn woning gelegen balkenzagerij De Bark en weet die samen met een broer tot een bloeiende houthandel te maken. Remmert en zijn oudste broer Willem komen ook terecht in het familiebedrijf en zetten de zaak voort tot ver na de Tweede Wereldoorlog. Begin jaren zeventig van de twintigste eeuw wordt de stoomzagerij gesloopt ten faveure van woningbouw.

Frans Halsstraat

In 1922 trouwt Remmert Aten met Margaretha Hoekstra. Zeven jaar later wordt dochter Marion geboren, hun enige kind. Na een tijdlang te hebben gewoond aan de Dubbele Buurt in Koog aan de Zaan betrekt het gezin een groot hoekhuis in de Zaandamse Frans Halsstraat 31. Acteren is de grote passie van het echtpaar. Ze gaan er totaal in op en vormen veertig jaar lang de spil van de plaatselijke toneelvereniging Vondel. Daarnaast is Remmert mede-oprichter van hockeyclub De Kraaien, speelt hij bij de Zaandamsche Voetbal Vereeniging en tennisvereniging KZTV en waterpoloot hij geruime tijd in het eerste zevental van zwemvereniging Neptunus. Zijn daarbij opgebouwde conditie komt goed van pas wanneer hij als eind-veertiger tijdens de oorlog lange fietstochten moet maken om joodse onderduikers te voorzien van geld en goederen. Dat doet hij als bestuurslid van de landelijke Vakgroep J, een aftakking van het Nationaal Steunfonds. Het is slechts een van zijn vele ondergrondse bezigheden. Hij is lid van de Ordedienst en de Gewestelijke Sabotage Afdeling en huisvest samen met zijn vrouw meerdere joden. Vanaf mei 1945 spant hij zich met de Politieke Opsporingsdienst in om ‘foute’ streekgenoten te arresteren. Na de bevrijding laat hij tegen de buitenwacht weinig los over zijn verzetswerk. Alleen over zijn zwemtocht naar de Hembrug, die hij met stadgenoot Jaap Boll ontdoet van bijna anderhalve ton springstof, mag hij desgevraagd graag vertellen. Voor zijn verzetswerk ontvangt hij twee onderscheidingen.

Remmert Aten overlijdt op 89-jarige leeftijd in het Zaandamse ziekenhuis De Heel, vijf jaar na zijn echtgenote.

Collectie Marion Alberdingk Thijm-Aten. Marion, Hank (?) en Remmert Aten

Remmert en Margreet Aten met dochter Marion

1.

Wanneer Remmert Aten in het vroege najaar van 1944 zijn haar laat knippen, wijst kapper Romeijn hem op een in zijn zaak hangende foto. “Die heeft er ook de langste tijd gestaan”, zegt hij. Hij doelt op de Hembrug, de grootste draaibare spoorbrug van Europa. Een cruciale verbinding tussen Zaandam en Amsterdam bovendien, en daarmee tussen Noord-Holland en de rest van Nederland. Het gerucht dat de stalen brug zal worden opgeblazen heeft in Zaandam al eerder de ronde gedaan en verschillende keren hebben omwonenden in paniek de Havenbuurt verlaten, hun bezittingen per handkar of fiets met zich meezeulend. Het is tot dan toe altijd vals alarm geweest. Romeijn weet zijn klant te vertellen dat een recente poging van de illegaliteit om springstoffen uit de middenpijler te verwijderen is mislukt. De kapper blijkt goed geïnformeerd.

Na hun geslaagde landing in Normandië, op 6 juni 1944, trekken de geallieerde troepen in hoog tempo door Noord-Frankrijk. De 25ste augustus valt Parijs in handen van de tweede Franse pantserdivisie, op 3 en 4 september bevrijden de Britse strijdkrachten achtereenvolgens Brussel en Antwerpen. De Duitsers vluchten massaal naar het oosten en het lijkt een kwestie van dagen voor Engelse, Amerikaanse en Poolse troepen de Nederlandse grens bereiken. Het Duitse leger heeft bevel gekregen om de Hembrug te vernietigen zodra de geallieerden hun opmars vervolgen. Het Noordzeekanaal vormt daarmee een moeilijk te nemen hindernis en Noord-Holland zal vrijwel geïsoleerd raken. Bovendien krijgen de Duitsers zodoende meer tijd om zich via de Afsluitdijk terug te trekken naar de kop van Nederland.

Hembrug

Douwe Soepboer, hoofd van de naast de Hembrug gelegen Artillerie Inrichtingen, tipt begin september de Ordedienst dat enkele Duitse bewakers willen praten over het onklaar maken van de aangebrachte springstoflading, in ruil voor naoorlogse strafvermindering. Er wordt een ontmoeting geregeld in een van de nabij gelegen brugwachterwoningen. Op het afgesproken tijdstip melden zich daar drie zwaarbewapende Duitsers. Het lukt OD-commandant Nic van der Giessen en rechercheur Jan Thomassen om hen er van te overtuigen de 260 meter lange overspanning van het Noordzeekanaal te sparen. Ze worden bereid gevonden de lading en de naar de springstoffen lopende leiding onklaar te maken. De Zaanse illegaliteit zal na gedane zaken zorgen dat er een roeiboot klaarligt waarmee de militairen hun werkgebied kunnen verlaten en hen vervolgens laten onderduiken.

De overeenkomst houdt maar kort stand. Het Duitse Sprengkommando wordt elders ingezet en met hun plaatsvervangers valt geen afspraak te maken. Op 9 september vergadert de Gewestelijke Sabotage Afdeling (GSA) -een dan net opgericht samenwerkingsverband van OD, RVV en KP- over de vraag hoe de Hembrug te behouden. RVV-man Cees Standhardt krijgt de taak toebedeeld om de explosieven te laten verwijderen. De urgentie groeit met de dag. In het telegram dat geheim agent Dré Ausems drie dagen na deze bijeenkomst naar Londen stuurt klinkt dan ook vertwijfeling door: “Wij trachten Hembrug gesloten te houden. Hopen dit bericht niet te laat.” Het Amerikaanse Eerste leger is er inmiddels in geslaagd de Belgisch-Nederlandse grens over te steken. Om de opmars te stuiten blazen de Duitsers aan de rand van Maastricht drie bruggen op. In de navolgende dagen zullen er in het zuiden van Nederland nog vele volgen. De Raad van Verzet krijgt vanuit Londen de opdracht allerlei vitale objecten in met name Noord- en Zuid-Holland te beschermen. Het varieert van de haveninstallaties in Rotterdam en Amsterdam tot enkele vliegvelden en tal van oever- en spoorverbindingen.

Medio september weet Standhardt de RVV’ers Jan van Heijningen en Klaas Klinkenberg te strikken voor een riskante reddingsactie. De 21ste, even voor middernacht, laten de twee zich in het Noordzeekanaal zakken. Ze hebben zich ingevet; het water is koud. Langzaam zwemmen ze naar de middenpijler, er voor wakend dat de tientallen wachtposten op en rond de Hembrug hen zien. De omstandigheden zijn lang niet optimaal. Het is windstil. Elk geluid lijkt te worden versterkt. Bovendien is het water fosforescerend, waardoor goed zichtbaar blijft wat er zich in het kanaal afspeelt. Maar het ergste is dat de toegang tot de brug wordt versperd door talloze kabels die van de Noordzeekanaalbodem naar de pijleropening lopen. Ze hangen als een onwrikbaar, aaneengesloten gordijn voor de ingang van de koker. De mannen zijn ruim twee uur bezig met het verleggen van de dikke kabels en keren dan uitgeput terug naar de vaste wal. Het is ze niet gelukt de weg vrij te maken die naar de springstof leidt. Enkele bewakers langs de kant moeten de twee wegdragen, zo verstijfd en onderkoeld zijn ze. Een van hen belandt zelfs kort daarna als resultaat van zijn inspanningen in het ziekenhuis.

Remmert Aten en S. Keizer (C. Buijs-Smith)

Duikactie

Nog dezelfde week meldt Remmert Aten zich bij Standhardt. Hij heeft een verrassing bij zich, situatietekeningen van de Hembrug. Zijn buurman, ingenieur G. van Buschbach, werkt bij de Nederlandse Spoorwegen en heeft ze opgevraagd bij zijn collega J. Kleine Staarman. Van Buschbach heeft hem ingelicht over het plan om de brug te ontdoen van de explosieven. “De heer Aten moest de tekeningen van de Hembrug hebben om te trachten daarachter te komen, doch deze lagen op kantoor”, vertelt de Amsterdamse hoofdbouwkundige. ’s Avonds, na werktijd, gaat Kleine Staarman terug naar zijn kantoor en ontvreemdt de plattegronden. Via Van Buschbach belanden ze bij Aten. Het moet toch mogelijk zijn om de brugpijler binnen te komen, wikken en wegen Standhardt en hij aan de hand van de tekeningen. Op papier waaieren de vuistdikke kabels een paar meter onder de waterspiegel uit en leggen ze de toegang bloot. Door de eerdere mislukking om de pijler leeg te halen, moet Aten zijn verbale capaciteiten tot het uiterste aanspreken om het GSA-commando te overtuigen van de ontruimingshaalbaarheid. Het lukt. De districtsleiding geeft toestemming voor een nieuwe duikactie.

Aten voelt er weinig voor om de springlading in zijn eentje te verwijderen. Hij vraagt zijn vriend August Sabel om raad. Sabel is actief in het Zaanse verzet en bestuurslid bij de Zaandamse zwem- en polovereniging Neptunus. Hij adviseert om een kennis in te schakelen, een 23-jarige kantoorbediende. Aten: “Sabel kende Jaap Boll, de doelman van het waterpolozevental van Neptunus. Toen ik meende dat het wel te doen was de springstoffen weg te halen, vroeg Sabel aan Jaap Boll of hij met mij mee wilde gaan.” Boll: “Ik was destijds doelverdediger en aanvoerder van het eerste zevental van Neptunus. Aten was daar ook lid en we kenden elkaar van gezicht, verder niet.” De volgende dagen trainen de twee in het zwembad en bestuderen ze de tekeningen van de Hembrug. De oeververbinding zelf en de wachtposten daarop worden bespied en er vindt regelmatig overleg plaats met de weifelende GSA-leiding. Boll beschrijft hun houding: “‘Veel te riskant, het stikt er van de Duitsers, er lopen 28 man rond’. Aten zei alleen maar: ‘Hoe meer hoe beter, want dan verwachten ze niet dat er toch iemand durft te komen’.”

Zoeklicht

Kort na de mislukte poging van hun voorgangers begeven Boll en Aten zich naar het Noordzeekanaal. Boll: “Hij was, hoewel hij toen al 48 was, een echte bikkel, had meerdere malen de Elfstedentocht gereden en was ook een heel goed zwemmer.” Aten heeft bovendien tot kort daarvoor bij ZVV gevoetbald en trekt nog regelmatig zijn baantjes in het zwembad. Boll: “Dan deed je met elkaar tikkie-de-man. Dat was ook lang en hard zwemmen en dan ging je soms ook een paar meter onder water.” Het duo wordt gesecondeerd door twee bewakers die de Duitse activiteiten op de Hembrug in de gaten moeten houden. Maar het komt niet tot een duikpoging. Commandant Gerrit Koeman acht de risico’s te groot. “De avond begon al zeer ongunstig, daar de moffen in de omgeving van ons uitgangspunt bezig waren verschillende objecten op te blazen. Om 8 uur ’s avonds werd de toestemming door het district ingetrokken, daar de onderneming te gevaarlijk was”, aldus een oorlogsverslag. Aten wil desondanks het water in. Volgens hem zijn de Duitsers zo geconcentreerd bezig met hun werkzaamheden dat ze geen oog zullen hebben voor beide zwemmers. Het leidt tot een confrontatie met Koeman, die zelfs dreigt om Aten neer te schieten als die zijn expeditie doorzet. “Men is toen zeer ontstemd huiswaarts gekeerd”, meldt de anonieme maker van het oorlogsverslag.

De tijd dringt meer dan ooit. Geallieerde troepen hebben eerder die week Arnhem en Nijmegen bereikt en het lijkt een kwestie van dagen voor ze naar Amsterdam optrekken. De kans is groot dat de Duitsers beginnen aan hun terugtocht naar het Noorden en daarbij alle achter hen liggende aanvoerwegen zullen saboteren, waaronder de Hembrug. Onder die dreiging gaat de GSA-leiding op 26 september akkoord met een tweede poging. Nog dezelfde dag stappen, vlak voor de avondklok ingaat, Aten en Boll binnen bij pontwachter Hein Prinsen. Zijn woning aan de Hemkade 40 is een perfecte uitvalsbasis voor de tweehonderd meter verder gelegen Hembrug. De weersomstandigheden zijn gunstig. De wind dempt de omgevingsgeluiden en het is bewolkt, maar niet aardedonker. Tegen 22.30 uur maken de zwemmers zich klaar. Ze trekken zwembroeken en zwarte truien aan en smeren hun gezichten, handen en benen in met een donkere kleurstof en een laag vaseline. Even voor middernacht bewegen Boll en Aten, gewapend met twee zaklantaarns en een haak om kabels uit elkaar te trekken, zich door het kanaal naar de middenpijler, daarbij een groen, fosforescerend spoor achter zich trekkend. Boll ziet het en fluistert Aten toe dat ze zo diep mogelijk moeten zwemmen. Met een westenwind in de rug glijden ze langzaam door het water. Verscholen onder een steiger, gewapend met stenguns, volgen Siem van Nugteren en Cees Standhardt de verrichtingen op de voet. De schrik slaat hen om het hart als er na een paar minuten op de brug een zoeklicht aangaat dat het wateroppervlak aftast. Het duurt maar even, dan wordt het weer donker.

Het laatste stuk zwemmen de twee Neptunus-leden zoveel mogelijk onder water. Bij de hoofdpijler gearriveerd halen ze diep adem en laten ze zich zakken, tastend langs de kabels. Op twee meter diepte voelen ze dat de weerstand verdwijnt. De opening is gevonden. Aten duikt als eerste naar binnen en weet via een ijzeren trap in de holle steunpilaar omhoog te klimmen, tot hij weer boven de waterlijn is. Dan klopt hij zacht op de wand, het teken voor Jaap Boll om dezelfde weg te volgen. Bij het zwakke licht van één zaklantaarn -de tweede is onderweg gesneuveld- ontdekken de zwemmers in de pijler ruim vierhonderd opgestapelde pakjes. Ze zijn gevuld met anderhalve ton van het uiterst explosieve Donarit. Aten geeft ze stuk voor stuk door aan de onder hem staande Boll, die de springstoffen door de opening naar buiten duwt. Boll: “Dat ging vlot. Totdat ik merkte dat de uitgang verstopt raakte. Die dozen bleven drijven. Een angstig moment, want de hele uitgang zat dicht.”

In een poging de dozen naar de bodem van het Noordzeekanaal te dwingen, scheurt Boll er eentje open. Het helpt niet. Hij haalt de staven Donarit eruit, maar ook die willen niet zinken. “Toen kwam ik op het idee om de dozen met mijn voeten onder water te houden en dat bleek te helpen. Ze zogen het water in zich op en zakten. Ik voel nog die belletjes langs mijn kuiten. Wat een opluchting!” Even staakt het werk. Een motorboot koerst rakelings langs de pijler. De mannen vragen zich af of ze te veel lawaai hebben gemaakt en betrapt zijn. Het is loos alarm. Het schip vaart door.

Vierhonderd pakketten

Het kost vijf uur hard werken om de vierhonderd pakketten weg te halen en in het water te laten glijden. Na het weghalen van de explosieven doen ze een poging om met een aantal lege dozen een muurtje op te bouwen. Bij een controle moet het lijken alsof de hele voorraad nog aanwezig is. De decorbouw mislukt. De dozen zijn nat geworden en zakken in elkaar. Boven de hoofden van het duo is er een wisseling van de wacht. Ze horen een van de soldaten vanaf de brug in het Noordzeekanaal urineren. Het gevaar van ontdekking blijft. Voorzichtig laten de vermoeide zwemmers zich in het Noordzeekanaal zakken. Het begint al te dagen. Daardoor is de kans dat ze gezien worden groter dan op de heenweg. “We moesten langzaam zwemmen”, zegt Aten. “Niet te krachtige slagen maken.” Zich gelijkmatig voortbewegend zoeken ze hun startpunt op.

Van Nugteren en Standhardt hebben de hoop op terugkeer van de zwemmers al bijna opgegeven, als bij het aanbreken van de dag de twee zwemmers alsnog onopgemerkt op de kant klimmen. Boll: “Ik denk dat de mensen in de brugwachterwoning meer in angst zaten dan wij.” Gevieren lopen ze terug. “Na afloop werden wij liefderijk opgenomen in het huisje van de pontwachterfamilie Prinsen”, zegt Jaap Boll. Daar wacht de zwemmers een warm bad. In het huis van het echtpaar Prinsen ontdekt Aten dat hij zijn pikhaak in de pijler heeft laten liggen. Hij vraagt zich angstig af of hij er ooit zijn naam op heeft genoteerd. Het opkomende daglicht verhindert dat hij nog een keer naar de brug kan zwemmen om de haak op te halen. Er zit niets anders op dan er het beste van te hopen.

In de vroege morgen kunnen de mannen, moe maar tevreden, terugkeren naar hun huizen. Lang genieten van het succes is er overigens niet bij. Nog dezelfde dag bemerkt een Duitse wachtpost drijvend pakpapier in het Noordzeekanaal. Hij slaat alarm. Een kort onderzoek maakt duidelijk dat alle springstof is verdwenen, al blijft het de Duitsers een raadsel hoe dat is bewerkstelligd. Als represaille worden vier soldaten gefusilleerd. Hen wordt ten laste gelegd niet goed te hebben opgelet. Er komt extra bewaking op de brug en de middenpijler krijgt een nieuwe voorraad springstoffen.

Het zit Aten dwars dat de Hembrug opnieuw is ondermijnd. Hij is van mening dat het mogelijk moet zijn om het contactblok, nodig om de Donarit tot ontploffing te brengen, ongezien weg te halen. In de nacht van 18 oktober laat de houthandelaar zich opnieuw in het Noordzeekanaal zakken om vooronderzoek te doen. Standhardt fungeert daarbij als rugdekking. Om de bewakers boven hem te misleiden heeft Aten een opgezette meeuw op zijn hoofd bevestigd. Een aan de vogel bevestigd slangetje dat naar zijn mond loopt maakt dat hij onder water zwemmend kan blijven ademen. Ongezien belandt hij voor de tweede keer bij de immense brug. Daar constateert hij dat de middenpijler in de voorgaande dagen is afgezet met zware houten schotten. Er is geen doorkomen aan. Teleurgesteld keert hij terug. Van een poging om het contactblok te verwijderen, komt het daarna niet meer.

Remmert Aten kort na de oorlog (B. Boot)

Lies Schouten

Dat de Duitsers de Hembrug uiteindelijk toch niet opblazen heeft te maken met het vastlopen van het geallieerde front bij Arnhem. Vraag blijft overigens of ze er anders wel in zouden zijn geslaagd om de spoorbrug te vernietigen. Na de eerdere, mislukte sabotagepogingen zoekt de Zaandamse onderwijzer Jan van der Hoef op verzoek van de illegaliteit contact met Lies Schouten. Zij woont bij haar ouders aan de Hemkade. De familie Schouten kent een Duitse wachtpost, Hans Anferrer, die -wetende dat de oorlog ten einde loopt- bereid is om het verzet een handje te helpen. Schouten: “Ik bracht mijn vader wel eens brood naar de pont en op een keer zei ik tegen die Hans: ‘Je kunt ook een boterham krijgen, als je me helpt’. Ik wou de brug op om iets aan die springleidingen te doen. Dat hadden mensen van de illegaliteit me gevraagd. Ze zeiden: ‘Als je met een injectiespuit water in die leidingen spuit, dan ontstaat er kortsluiting op het moment dat ze leidingen onder stroom zetten’.” Aldus geschiedt. Anferrer helpt haar de spoorbrug op. Daar laat ze zich langs de middenpijler zakken en opent het luik waarachter de springstoffen en kabels liggen. Ze duwt een injectiespuit in een flesje water dat ze om haar nek heeft hangen en injecteert het opgezogen vocht vervolgens in de leidingen. Schouten, twintig jaar later: “Ik heb dat toen gedaan, maar eigenlijk heb ik er nooit echt voldoening van gehad. Ik had graag resultaat gezien, zo van: nou willen ze de brug in de lucht laten vliegen en nu kan dat niet door het water dat ik er in gespoten heb.”

2.

Weinig verzetsacties zijn na de oorlog zo gedetailleerd vastgelegd als de zwemtocht naar de Hembrug. Een beetje overdreven, in de ogen van Remmert Aten. Een jaar voor zijn dood zegt hij tegen dagblad De Typhoon: “Ik heb het vooral beschouwd als een sportief gebeuren, omdat het naar mijn mening minder risico met zich meebracht dan ander werk dat ik deed.” Over dat andere werk laat Aten tegen buitenstaanders slechts mondjesmaat iets los. Aten is zo’n Zaankanter die na de oorlog nauwelijks de behoefte voelt om zijn verzetsdaden aan de wereld te openbaren. Weerstand bieden aan de Duitsers was in zijn ogen de normaalste zaak van de wereld. Fotograaf Peter Marcuse, die dertien jaar na de bevrijding zijn donkere kamer vestigt op de zolder van Atens woning aan de Frans Halsstraat, ondervindt dat meerdere malen aan den lijve. In een hoek van zijn doka vindt hij een Duits geweer uit de Tweede Wereldoorlog. “Op mijn vraag hoe hij er aan kwam, wilde Aten slechts kwijt dat hij het indertijd had ‘afgepakt’. Rem Aten was niet erg mededeelzaam over zijn rol in het georganiseerd verzet en hield evenmin van uiterlijk vertoon, behalve misschien die keer op Koninginnedag in het eerste oorlogsjaar. De vlag werd uitgestoken en de hond kreeg een oranje strik om. Dit tot grote ergernis van een voorbij fietsende NSB’er die er een Duitse militair bijhaalde. De Duitsers eisten dat de vlag werd ingehaald en de NSB’er, die dat niet voldoende vond, werd toegesnauwd: ‘Maul halten, ich hab’s gesagt’.”

Naar Engeland

Eind jaren dertig brengen de houthandelaar en zijn vrouw Greet al geen bezoeken meer aan Duitsland, uit weerzin tegen de politieke ontwikkelingen daar. De nationaal-socialistische overrompeling van Nederland komt dan ook hard aan. Het echtpaar heeft vanaf het begin een diepe afkeer van de bezetter. De haat gaat zo diep dat Remmert na de invasie zelfs wil uitwijken naar Engeland. In de meidagen van 1940 fietst hij naar IJmuiden, in de hoop op een boot die hem over het Kanaal kan brengen. Hij is te laat. De weinige boten die tijdens de hectische oorlogsdagen kunnen wegkomen zijn veelal afgeladen met vluchtelingen en na de capitulatie is het vrijwel onmogelijk om nog per schip uit te wijken. Aten keert teleurgesteld terug naar Zaandam, maar broedt vrijwel meteen op een nieuw plan. In de zomer en herfst van 1940 timmert hij met zijn zwager Henk Hoekstra een vaartuig, dat hen beiden naar de overkant moet brengen. Hoekstra’s echtgenote Tiny: “Direct na de capitulatie begonnen Henk en zijn zwager Rem Aten, die in Zaandam een houtzagerij had, met het aldaar bouwen van een boot. Waarmee zij naar Engeland wilden. Toen de boot klaar was lukte het niet, ondanks verwoede pogingen, deze naar de kust te krijgen.” Ook die poging faalt dus.

In hun vertrouwde omgeving steken de Atens hun antipathie tegen de nazi’s niet onder stoelen of banken, een eigenschap die ze delen met George Jambroes. Waarschijnlijk ontstaat er contact tussen deze wiskundeleraar en Remmert via de buurman van laatstgenoemde, ingenieur Van Buschbach. Die is namelijk, net als Jambroes, lid van het Legioen van Oud-Frontsoldaten. Eind 1940 doet Jambroes pogingen om namens het LOF een regionale militaire verzetsorganisatie op te bouwen. Aten toont zich op zijn verzoek bereid als ‘blokcommandant’ te opereren, op voorwaarde dat hij ‘zich uit deze leidende functie terug wilde trekken zodra voor hem een betere plaatsvervanger was gevonden’. Jambroes verlaat begin 1941 overhaast de Zaanstreek, het LOF wordt grotendeels opgerold. Van Jambroes’ opbouwplannen komt niets terecht.

Februaristaking

De vlucht van de Zaandamse docent is een direct gevolg van zijn oproep om tijdens de Februaristaking het Gemeentelijk Lyceum plat te leggen. Remmert en zijn broers Bart en Willem vinden het niet meer dan vanzelfsprekend dat ook de arbeiders van hun stoomzagerij De Bark het werk onderbreken. Zeventien stakers telt de politie bij de NV Aten. Er volgen overigens geen sancties tegen de directie. De productie van gezaagde balken komt ook na de staking niet meer goed op gang. Veel hout heeft als bestemming de Wehrmacht en daaraan wensen de Atens niet mee te werken. Bij De Bark wordt dan ook alleen gewerkt indien er zekerheid bestaat over een onbesmette eindbestemming.

Het massale protest op 25 en 26 februari 1941 heeft gevolgen voor een passie van Greet en Remmert Aten. Zij zijn sinds de jaren twintig de motor van Vondel, de oudste toneelvereniging van de Zaanstreek. Hij is er al bijna twintig jaar voorzitter, zij even lang secretaris. Remmert vertaalt voor Vondel talloze toneelteksten uit het Engels, Frans en Duits en speelt uiteraard mee in de stukken, veelal blijspelen. Vondel verzorgt regelmatig voorstellingen in Ons Huis op de Gedempte Gracht en de belangstelling ervoor is altijd groot. Het goed acterende echtpaar Aten vervult vaak de hoofdrollen. Begin 1941 oefenen de twee op hun teksten voor ‘Chris Bean’, een in Groot-Brittannië gesitueerd stuk. De Februaristaking gooit roet in het eten. Een dag na het verlopen ervan komt vanuit Amsterdam het bevel dat alle ramen en deuren in Zaandam voor een onbepaald aantal dagen gesloten moeten zijn vanaf 20.30 uur. “Wordt dit bevel overtreden dan wordt wapengeweld gebruikt. (…) Het sub. 4 bepaalde werd te 6.00 uur n/m door de Cap. aan de radiodistributiecentrale van Op den Velde alhier medegedeeld, met verzoek het publiek door middel van zijn centrale in te lichten.”

Het is een van de sancties die Zaandam treffen. In het jaarverslag van Vondel reageert Greet Aten: “Eindelijk, op 3 maart 1941, zou ‘Chris Bean’ dan gaan en het zou ook zeker gelukt zijn als er geen staking was geweest, waardoor de Duitsers ons straften met 10 dagen uitgaansverbod. Op 12 maart ging ’t stuk dus pas en misschien hebben we het nog aan de moffen te danken dat de zaal zo propvol was. Iedereen wilde na 10 dagen thuis zitten weer eens uit.”

Markies de Montferrat

Een jaar later speelt Vondel ‘Blauwbaards achtste vrouw’. Remmert treedt aan als markies de Montferrat, Greet als diens vrouw Monna. Het Departement van Kunsten keurt de voorstelling goed, op voorwaarde dat de in het stuk voorkomende Amerikaan wordt getransformeerd in een Braziliaan. “Gelukkig kwam de brief met deze opdracht wat later dan onze voorstelling, zodat we ons aan de opmerkingen van deze mofsgezinde heren dan ook niet gestoord hebben”, noteert Greet vrijelijk in het jaarverslag 1941-’42. Begin maart vindt de laatste voorstelling plaats.

‘De Zaanse Mary Dresselhuys’ wordt Greet Aten wel genoemd. Maar waar deze grande dame van het nationale toneel zich -met tegenzin- aansluit bij de Nederlandse Kultuurkamer (“Op bevel van de Rijkscommissaris meld ik mij.”) verlaat Greet het podium, en met haar de rest van Vondel. Verwonderlijk is dat niet, met prominente verzetsmensen als de Atens, Van de Stadt en Huig in de gelederen. Greet in het jaarverslag: “De volgende maand trad de Kultuurkamer in werking en moesten we ons, wilden we blijven doorspelen, daarvoor opgeven. Met algemene stemmen werd besloten dit niet te doen. Als reden gaven we op: te weinig leden en speelkrachten. We gingen dus nu een gedwongen rustperiode in en wachtten op betere tijden.”

Het stopzetten van de toneelvereniging uit protest tegen de pro-Duitse Kultuurkamer hoort bij het kleine verzet, net zoals de weigering van de Atens om in de zomer van 1942 hun fietsen in te leveren ten behoeve van de bezetter en het in de piano verstoppen van de eveneens af te geven radio. Het grotere verzet begint wat het echtpaar betreft met het onderbrengen van joden. Begin 1942 verhuist als eerste het Amsterdamse jongetje Karel Daniel Waagenaar naar hun gezin. Karels moeder is sinds haar studietijd bevriend met Greet Heijbroek, de vrouw van Remmerts broer Bart. Ze vraagt of Heijbroek een van haar drie kinderen wil verbergen. Maar die vreest dat haar eigen zoons hun mond voorbij zullen praten over de heimelijke kostganger en verwijst door naar haar zwager en schoonzuster. Hoewel Remmert en Greet eveneens een kind hebben, de dan 12 jaar oude Marion, aarzelen ze niet. Ze reizen onmiddellijk naar de familie Waagenaar om afspraken te maken over de opvang van de 2-jarige Karel. Karel vertrekt, na aanvankelijke weerstand, met ‘oom’ en ‘tante’ naar Zaandam.

Bernard Chaim

De eerste twee weken logeert ook zijn oudere broertje Bernard Chaim in de Frans Halsstraat, om de overgang voor Karel niet te groot te maken. Daarna gaan Bernard en zijn broer Joseph Barent met een lid van een verzetsgroep mee naar Driebergen, waar ze worden ondergebracht in het kindertehuis van de zusters Suus Dermout en Mien Deenik. Als reden voor Karels verblijf in Zaandam voert het echtpaar Aten desgevraagd aan dat diens moeder lijdt aan open tbc en om die reden in een kuuroord verblijft. Het jongetje krijgt een gezien de omstandigheden zo normaal mogelijke opvoeding. Hij gaat na enige tijd zelfs naar school, een montessoriklasje in Koog aan de Zaan.

Het echtpaar Aten werkt tegendraads en houdt zich niet aan de ongeschreven regel om joodse onderduikers zo goed mogelijk af te schermen van de buitenwereld. In plaats van de peuter te verbergen voor nieuwsgierige blikken en vijandige acties tonen ze hem openlijk. “Hierin stak natuurlijk een risico”, schrijft Remmert Aten. “Door z’n nogal blauwe ogen en donkerblond krullend haar viel hij niet op als joods type. Bij navraag hadden wij hem door kunnen laten gaan voor een neefje uit België of zo. Er is nooit navraag gedaan en in zoverre hebben wij dus geluk gehad. Deze methode, dus van volkomen gewoon doen, er geen aandacht op laten vallen, maar ook niet half verstoppen of op de achtergrond houden, bleek dus in bepaalde omstandigheden met wat geluk mogelijk.”

Het is een werkwijze die goed bevalt. Zo goed dat ook andere onderduikers in de woning van de houthandelaar worden ‘ingebed’ in het buurtleven. Uit voorzorg bouwt het echtpaar wel een schuilplaats op zolder, een noodvoorziening waarvan de onderduikers overigens geen gebruik hoeven te maken. “In het algemeen zullen de mensen, die beslist opgemerkt moeten hebben dat er bij ons gasten waren, niet direct gedacht hebben dat deze joods waren, maar de mogelijkheid dat ze ’t waren moet ze toch voor ogen gestaan hebben. En door het ‘gewoon’ doen van ons hebben ze er onder elkaar weinig over gekletst, als ’t ware aanvoelend dat kletsen in dit geval gevaarlijk kon worden. Of zelfs NSB’ers bij ons in de buurt, of met de Duitsers sympathiserenden, ook niet maar liever gezwegen hebben dan als verrader op te treden is voor mij ook nog een vraag. (…) Juist het feit dat het haast nergens zo gedaan werd maakte dat men haast nooit veronderstelde dat joodse mensen op deze manier openlijk durfden te leven. En deze veronderstelling maakte dus dat dit in enkele speciale gevallen juist lukken kon.”

Eva Fränkel

Een van de joodse gasten is Eva Fränkel, een 24-jarige kunstenares uit Duitsland. Van 1936 tot 1938 studeert ze aan een Berlijnse kunstacademie, maar het politieke klimaat noopt haar tot een vlucht naar het buitenland. Binnen twee jaar ziet ze haar vervolgers terug in Nederland, waar ze over woonruimte beschikt in de Wieringermeer. Daar studeert en werkt ze in het joodse werkdorp, een opvangplaats voor enkele honderden jonge, voornamelijk Duitse vluchtelingen. Ze beschouwen Nederland als een tussenstap op weg naar het beloofde land, Erets Jisraël. Maar op 20 maart 1941 gaan de Duitsers over tot de gedeeltelijke ontruiming van het werkdorp. Niet veel later volgt de algehele onttakeling. Ruim tweehonderd inwoners, onder wie Fränkel, worden met bussen afgevoerd naar Amsterdam. Hun ervaringen in Duitsland indachtig veronderstellen de ontzette Palestina-pioniers dat het concentratiekamp de eerstvolgende stop zal zijn. Tot hun opluchting worden ze echter vrijgelaten bij de diamantfabriek van Abraham Asscher, de voorzitter van de Joodsche Raad. Hij dient te zorgen voor hun huisvesting. Fränkel krijgt een plek bij een joodse familie.

Erg lang kan ze daar niet blijven. Op woensdag 11 juni meldt de Joodsche Raad aan de jongeren van het werkdorp dat de Duitsers hen die avond thuis komen ophalen. Ze moeten op bevel van de SD terug naar Wieringen. Niet iedereen vertrouwt de ogenschijnlijk goede tijding. Die argwaan blijkt terecht. Het huis-aan-huis ophalen blijkt onderdeel van een represaille voor enkele aanslagen tegen nazistische instellingen, eerder dat voorjaar. Als reactie daarop dienen driehonderd in Amsterdam verblijvende joodse mannen naar het vernietigingskamp Mauthausen te worden getransporteerd. Eva Fränkel is een van de weinigen die wantrouwend staan tegenover de tijding van de Joodsche Raad, ook al behoort zij niet tot de eerste doelgroep van SD-leider Willy Lages. Vlak voor de razzia’s beginnen verlaat ze haar tijdelijke adres en gaat ze op zoek naar een schuilplaats.

Via via komt Fränkel na verloop van tijd in contact met het echtpaar Aten. Ze kan er in 1942 aan het werk als dienstmeisje. Deze baan en een vals persoonsbewijs legitimeren haar verblijf aan de Frans Halsstraat en voorkomen moeilijke vragen. Via Amsterdamse kunstenaarsconnecties belandt Eva zelfs in een verzetsorganisatie. Verder kopieert ze aan de lopende band schilderijen van Van Gogh. Naar verluidt vinden ze via via gretig aftrek bij leden van de Wehrmacht. Op een gegeven moment wordt haar verblijf bij de Atens echter te riskant. Remmert regelt daarop onderdak bij Willem en Lena Hart. Dit diepgelovige echtpaar woont om de hoek, in de Saenredamstraat. Eva krijgt er de kans om op hun baby te passen en ontvangt in ruil een salaris. Vervalste documenten bieden haar de mogelijkheid om rond te reizen.

Roza Julia Tof

Een andere onderduiker die langere tijd bij de familie Aten verblijft is de 39-jarige onderwijzeres Roza Julia Tof. Ze is de oudste dochter uit een Veendams gezin. Haar zus Judik is een bekende mezzosopraan, die in februari 1940 haar debuut maakt bij het Concertgebouworkest. Dat zal meteen haar laatste grote optreden zijn. Een beroepsverbod treft haar. Roza duikt als enig gezinslid onder. Haar ouders menen op grond van hun leeftijd geen gevaar te lopen. Begin april 1943 moeten echter ook zij zich melden voor deportatie. Binnen een maand zijn ze allebei gestorven, zij in kamp Vught, hij in Sobibor. Het ontbreekt Roza uiteraard aan kennis over hun lot. Evenmin verneemt ze dat Judik en haar man in juni 1943 worden vermoord, ook in Sobibor. Roza gaat in Zaandam schuil achter de naam ‘Ans’ en helpt Greet Aten in de huishouding. Ook zij heeft een vervalst persoonsbewijs, wat haar een zekere mate van vrijheid geeft.

Dat geldt tevens voor Hans Holtz, die net als Eva Fränkel uit Duitsland is vertrokken. De al wat oudere joodse man is zogenaamd uit zijn Rotterdamse huis gebombardeerd en als resultaat daarvan in Zaandam beland, dat wel meer daklozen uit de Maasstad opvangt. Holtz gaat tijdelijk als ‘Van Houten’ door het leven. Opvallend aan hem is, naast een humeurig voorkomen, zijn wekelijkse kerkvisite. De ene zondag bezoekt hij een gereformeerd gebedshuis, de volgende een hervormd. Hij heeft alle tijd om de diensten in Zaandam te vergelijken, want hij bivakkeert er tot aan de bevrijding. Karel Waagenaar, Eva Fränkel en Roza Tof vertoeven eveneens langdurig bij de Atens. Hun grote hoekwoning doet echter ook dienst als doorgangshuis. Dochter Marion herinnert zich bijvoorbeeld dat het echtpaar Van Leeuwen er een tijdje onderdak krijgt.

Rooftocht

Om aan nieuwe Ausweisen te komen voor haar gasten deinst Greet Aten er niet voor terug om op rooftocht te gaan. Ze struint de jassen af die bezoekers van de roei- en tennisvereniging in de kleedkamer achterlaten en ontdoet ze van bruikbare persoonsdocumenten. Ook schroomt ze niet om haar eigen identiteitskaart bij de politie als verloren op te geven. Haar diefstal van persoonsbewijzen is overigens van korte duur. De risico’s zijn te groot.

Het verblijf van de joodse gasten verloopt geruime tijd zonder problemen, ondanks dat er alleen al in de Frans Halsstraat twee NSB-gezinnen wonen en ook de omliggende straten niet vrij zijn van nationaal-socialistische aanhangers. “Ik geloof wel te moeten erkennen dat ‘good luck’ een grote rol hierin gespeeld heeft”, zal Aten later zeggen.

Die voorspoed ontberen de twee broertjes van Karel Daniel Waagenaar. Ze zijn twee jaar lang gastvrij opgevangen in het Driebergense kindertehuis De Viersprong, maar als gevolg van verraad volgt daar op 6 januari 1944 een overval. Onder toezicht van twee Duitse officieren en een tolk worden de joodse en de niet-joodse kinderen van elkaar gescheiden. De Waagenaars en vijftien andere kinderen worden in een paardentram gezet en afgevoerd naar het station van Driebergen. Marion Hijmans van den Bergh-Aten over de broertjes Waagenaar: “Ik was toevallig bij hun ouders op bezoek, die in Wageningen ondergedoken zaten bij een oudere vrouw, toen er een telefoontje kwam dat ze waren opgepakt.” De ouders reizen met Marion mee naar Zaandam. Het duurt niet lang of er komt daar bericht dat Bernard en Joseph Waagenaar op 12 januari van de Hollandsche Schouwburg naar Westerbork worden gebracht. Hun vader en moeder gaan die dag met Remmert naar het Centraal Station, in de hoop de jongens uit de rij te kunnen halen. Ze komen te laat. Eerder dan gepland was zijn de treinen de hoofdstad uitgereden. In de wagons zitten 120 slachtoffers, vooral onderduikers uit Arnhem en Amsterdam. Ook Bernard en Joseph Waagenaar behoren tot de weggevoerden. De jongens blijven slechts twee weken in kamp Westerbork. “Bij vliegende storm en gutsende regen is een transport van duizend man naar Auschwitz vertrokken. Weer in beestenwagens”, registreert de in Westerbork vastgezette journalist Philip Mechanicus de ellendige situatie. “Het hoofdaandeel heeft de S-barak geleverd: vijfhonderdnegentig man. De rest, de jonge mannen van de Alijah, oude mannen van het ziekenhuis en eenendertig kleine, naamloze kinderen, die in het Weeshuis lagen.” De barre reis naar Polen duurt drie dagen. Op 28 januari 1944 worden Bernard (7) en Joseph (9) Waagenaar onmiddellijk na aankomst in Auschwitz naar de gaskamer gebracht.

Westerbork

Ook Eva Fränkel valt in Duitse handen. Ondanks haar valse documenten wordt ze gearresteerd wanneer ze met de trein onderweg is naar Amsterdam. Ze slaagt er bovendien niet in om enkele meegedragen documenten te vernietigen die wijzen op een relatie met de familie Hart. Haar gastgezin voelt zich dan ook gedwongen om onder te duiken. Fränkel belandt op 19 mei 1944 via een Amsterdamse cel en het Scheveningse Oranjehotel in barak 67 van concentratiekamp Westerbork. Bijna vier maanden later wordt ze als ‘strafgeval’ gedeporteerd naar het concentratiekamp Theresienstadt. Het is het laatste transport vanuit Westerbork naar dit kamp en er gaan niet minder dan 2087 gevangenen mee. “In goederenwagons, waarin als enige luchtverversing enkele openingen; als toilet een paar emmers”, schrijft historicus Jacques Presser. Hij citeert verder een niet bij naam genoemd iemand: “Het verwonderlijke was, dat in deze en gene wagon een goede stemming heerste. Verschillenden speelden kaart op een geïmproviseerde tafel, maakten grappen en zongen liedjes.” Eva Fränkel overleeft de ontberingen van Theresienstadt. Op 15 juni 1945 is ze terug in Amsterdam. Gastvrij als ze zijn stellen Willem en Lena Hart wederom hun huis open voor de jonge vrouw. Ze blijft bij het echtpaar tot 1 maart 1946, wanneer ze emigreert naar de Israëlische staat in wording. Daar weet ze zich te ontplooien tot een bekend kunstschilder.

Na het oppakken van zijn broertjes wordt Karel Waagenaar in Wageningen herenigd met zijn ouders, die hem aan hun zijde willen houden. Het geallieerde front komt echter in het najaar van 1944 steeds dichterbij en de situatie in Wageningen wordt te gevaarlijk. De Duitsers evacueren de stad. Ook het gezin Waagenaar moet weg. Ze komen in Bennekom terecht. Daar hebben de chemisch ingenieur Pieter Schoorl en zijn echtgenote Annaatje een dagtaak aan het verzorgen van joodse onderduikers. Tientallen vluchtelingen vinden voor kortere of langere tijd een plek in hun woning of zijn werkplaats, een nabij gelegen laboratorium. De rust is er van korte duur. Tijdens de slag om Arnhem is het lab doelwit tijdens een bombardement. Alle vaste en tijdelijke bewoners overleven de aanval, maar hun onderkomen is niet langer bruikbaar. Bennekom wordt geëvacueerd en de familie Waagenaar keert terug naar Noord-Holland.

Hans Holtz en Roza Tof maken het einde van de oorlog wel in Zaandam mee. Hoe het de eerstgenoemde daarna vergaat is niet bekend. Tof, die binnen enkele maanden is beroofd van zowel haar ouders als haar zuster en zwager, vestigt zich definitief in Zaandam. Ze geeft er les op een basisschool en werkt als kosteres bij de plaatselijke synagoge.

Scan10018b

Remmert Aten, datum onbekend

3.

Franci de Munck-Siffels is getrouwd met een communistische man die tijdens de Spaanse burgeroorlog heeft gevochten tegen de fascistische troepen van generaal Franco. Hij krijgt financiële steun van het CPN-solidariteitsfonds en onderhoudt contacten met gelijkgestemden. Een ruzie met haar man over al dan niet vermeende ontrouw is voor Franci de Munck reden om op hoge poten naar de Amsterdamse Sicherheitsdienst te stappen. Uit wraak geeft ze daar de namen door van een aantal Zaankanters die volgens haar communistische sympathieën hebben. Het is koren op de molen van de nazi’s. In de nacht van 22 op 23 november 1943 rijdt de SD met de nieuw verworven informatiebron door Zaandam en laat haar de adressen aanwijzen waar linkse activisten zouden wonen. Een arrestatiegolf is het gevolg. Diverse verzetsmensen verdwijnen in de cel. De gewaarschuwde verzetsman Sjef Swolfs ontspringt in eerste instantie de dans, maar anderhalve week later volgt er alsnog een inval bij zijn woning aan de Zuiddijk 168. De SD vindt er enkele blokjes van de springstof trotyl. Het echtpaar Swolfs wordt daarop afgevoerd. In het kolenhok van hun woning ligt echter nog zo’n dertig kilo trotyl, alsmede een voorraad handgranaten en munitie. De goederen zijn afkomstig van de Artillerie Inrichtingen, Swolfs’ werkgever. Melkventer Barend Vethaak slaagt er in de goederen weg te halen voordat de politie er beslag op kan leggen. Hij vult enkele melkbussen met de explosieven, laadt die op zijn wagen en verbergt ze in zijn eigen huis. Via via belandt de voorraad in de machinekamer van balkenzagerij De Bark. De goederen worden later gebruikt bij aanslagen.

Wapenvoorraden

Remmert Aten verbergt wel vaker wapenvoorraden in zijn bedrijf. Naarmate de oorlog voortschrijdt komen er meer wapens het land in. Waar in de beginfase de afhankelijkheid van de Artillerie Inrichtingen groot is, kan het verzet met name de tweede helft van de oorlog in toenemende mate gebruikmaken van gedropte goederen. Een van de plaatsen waar de geallieerden hun materiaal parachuteren is een afwerpterrein bij het dorp Spanbroek. In de loop der maanden zal er beetje bij beetje 65 ton gedropt worden; wapentuig, maar ook voedsel en civiele materialen. Een klein deel daarvan gaat per auto en bakfiets naar de Zaanstreek. De stenguns en granaten krijgen een plekje bij De Bark. Ze worden tevoorschijn gehaald zodra er een overval of aanslag mee gepleegd moet worden en dienen als instructiemateriaal in de Katholieke Volksbond, een Zaandams verenigingsgebouw waar diverse verzetsgroepen samenkomen. Ook Aten oefent er op de omgang met ‘brandbom, handgranaat en revolver’, zoals in een BS-rapport te lezen valt.

Remmert Aten is breed inzetbaar. Of het nu gaat om het verbergen van verboden goederen, het huisvesten van vluchtelingen, het ontruimen van de ondermijnde Hembrug of het leggen van illegale contacten; men kan een beroep om hem doen. Hij is ook niet te beroerd om er gewapend op uit te trekken en Duitse soldaten te ontdoen van hun rijwiel, schokgranaten aan te brengen boven de Provincialeweg (met de bedoeling langsrijdende Duitse wagens te beschadigen) of te helpen bij een overval.

Liese-Aktion

Geruchtmakend is bijvoorbeeld het leeghalen van het Zaandamse gemeentehuis. Dat is nodig omdat zelfs gedurende de laatste stuiptrekkingen van hun oorlog de Duitsers proberen om Nederlanders te ronselen voor de arbeidsinzet. Pal voor kerstmis 1944 kondigen ze een arbeidsdienstplicht af voor alle mannen van 16 tot 40 jaar. De Zaanse illegaliteit neemt het voortouw om deze Liese-Aktion te saboteren, kort daarna gevolgd door verzetsgroepen elders in het land. Provinciaal verzetsleider Kees Kraay krijgt van zijn stadgenoot Walraven van Hall de opdracht om de bevolkingsregisters in de Zaanstreek te kraken. Dat lukt in bijna alle gevallen. Op 25 en 26 december slaagt de GSA er in de opgeslagen persoonsgegevens van negen Zaangemeenten weg te halen. In Zaandam, de grootste plaats in de regio, is ook Remmert Aten van de partij. Voorafgaand aan de overval op het Zaandamse stadhuis komen hij en tientallen andere deelnemers aan de Oostzijde bij elkaar in de Volksbond. Het zijn katholieken, protestanten, communisten en sociaal-democraten, voor even verenigd in een gezamenlijk streven. GSA-commandant Gerrit Koeman deelt er orders uit, waarna het gezelschap in kleine groepjes uiteen gaat. Naast café Lammes worden gewapende wachtposten uitgezet. Hetzelfde gebeurt op andere hoeken van het plein rond het gemeentehuis. Urenlang houdt er ook een ploegje de omgeving in de gaten vanaf het openbare urinoir bij de Prins Hendrikkade. Als ze er eindelijk, ietwat misselijk, weg mogen verspreidt hun kleding een penetrante lucht. De dagen erna gaan de mannen door het leven als de ‘pisbakploeg’, maar het doel heiligt in dit geval de middelen.

Wat er die avond vanaf 22.45 uur in het stadhuis gebeurt is gedetailleerd vastgelegd in een politierapport. “Omtrent genoemd tijdstip werd er aan de deur van genoemd gemeentehuis gerammeld, waarop een burgerbewaker, belast met de bewaking van het gemeentehuis, zich naar de deur begaf. Deze vroeg naar het wachtwoord, waarop door de persoon die aan de deur gerammeld had het wachtwoord werd genoemd. Nadat de bewaker de deur had geopend traden ongeveer 30 à 40 gewapende personen, waarvan verschillende gekleed in uniformen der Nederlandse politie, het gemeentehuis binnen. De niet in uniform geklede overvallers hadden een masker voor het gezicht. De met de bewaking van genoemd gemeentehuis belaste personen, zijnde een wachtmeester van politie en een burgerbewaker, werden door enige overvallers met wapens in bedwang gehouden en daarna met touwen op stoelen vastgebonden. (…) Het bevolkingsregister is vermoedelijk per auto weggevoerd, dit is echter door niemand gezien. De in het gemeentehuis aanwezige alarminrichting bleek onmiddellijk na het betreden van het gemeentehuis door de overvallers onklaar te zijn gemaakt, waardoor het bureau van politie alhier niet kon worden gewaarschuwd.”

Het archief wordt inderdaad per auto weggevoerd, in twee vrachtwagens om precies te zijn. Daarmee wordt het de Duitsers lastig gemaakt om potentiële dwangarbeiders op te sporen. De documenten krijgen tot aan de bevrijding een plek in een onopvallende hoek van een boerderij. De overvallers moeten na de geslaagde actie nog wel in allerijl terug naar het gemeentehuis. Het is plotseling gaan sneeuwen en de goed zichtbare bandensporen van de gebruikte auto’s dienen te worden gewist. Pas daarna, in de vroege ochtend van 26 december, kunnen Remmert Aten en zijn medestrijders met een tevreden gevoel het bed opzoeken.

4.

Zaanse verzetsmensen spelen een cruciale rol bij het opzetten van het Nationaal Steunfonds, een organisatie die tijdens de oorlog bijna ƒ84 miljoen bijeenbrengt ten bate van verzetsorganisaties, onderduikers en spoorwegstakers. Het NSF komt voort uit de Zeemanspot. De overgrote meerderheid van de Nederlandse koopvaardijvloot is na de Nederlandse capitulatie uitgeweken naar Groot-Brittannië. In eerste instantie heeft dat geen gevolgen voor de uitbetaling van de zeemanssalarissen aan de in Nederland achtergebleven familieleden. Maar in het najaar van 1941 eist de bezetter dat deze uitkeringen drastisch moeten worden gereduceerd. De voormalige koopvaardij-officier Walraven van Hall kan dat niet verkroppen. Samen met zijn plaatsgenoot Jaap Buijs begint hij in de Zaanstreek geld in te zamelen voor de getroffen gezinnen. Ze zijn niet de enigen die zo te werk gaan. In verschillende gemeenten wordt er hulp gemobiliseerd. Eind 1941, begin 1942 ontstaat er contact tussen en vervolgens bundeling van de diverse lokale comités. De geboorte van de Zeemanspot is een feit, de uitbetalingen krijgen een landelijk karakter.

Gijs en Walraven van Hall

Van Hall en zijn collega’s slagen er in om zoveel te lenen dat de Zeemanspot permanent gevuld blijft en er zelfs werkkapitaal resteert. Maar al snel is duidelijk dat niet alleen de gezinnen van zeevaarders hulp nodig hebben. Het aantal ondergrondse organisaties groeit. Kandidaten voor de Arbeitseinsatz verbergen zich, ook al betekent dat verlies van werk en dus salaris. Ambtenaren die weigeren mee te werken aan de Duitse wensen krijgen ontslag, met inkomstenderving tot gevolg. Ze zijn bijna allemaal afhankelijk van externe financiering. Begin 1943 besluiten de broers Gijs en Walraven van Hall om naast de Zeemanspot een Landrottenfonds op te bouwen. Er gaan grote bedragen in om. Waar het minimumbedrag aan leningen bij de Zeemanspot ƒ1000,- was, loopt dat bij het Landrottenfonds op tot ƒ25.000,-. Dat het lukt om zulke sommen bij elkaar te krijgen is vooral te danken aan de achtergrond van de familie Van Hall; zowel Gijs en Walraven als hun vader hebben respectabele posities in de financiële wereld. Dankzij de illegale leningen die ze kunnen afsluiten bij particulieren en banken weet het Nationaal Steunfonds -zoals het Landrottenfonds na een tijdje wordt genoemd- al snel honderdduizenden guldens bij elkaar te brengen.

Bij het NSF kloppen ook verzetsgroepen aan die joden verzorgen. Het leidt in het najaar van 1943 tot een nieuwe organisatie, de NSF-Vakgroep J. Om de risico’s te beperken krijgt deze NSF-tak een eigen bestuur. Mocht de Vakgroep J worden opgerold, zo is de gedachte bij Van Hall, dan loopt de rest van het NSF minder kans te worden meegesleurd. Walraven van Hall neemt contact op met een betrouwbare relatie uit de bankwereld, Herman Götzen. Gezamenlijk gaan ze op zoek naar geschikte bestuurskandidaten. De eerste gegadigde is een voormalig medewerker van de Joodsche Raad in Amsterdam, A. Krouwer. “In juni 1943 kreeg ik bezoek van Wally van Hall, die vergezeld was van Götzen”, vertelt hij. “Zij zochten iemand die met de joden bekend was, die alles wist van het begin af van de jodenvervolging, enz. Men had namelijk besloten naast de verschillende mensen die men ondersteunde ook de ondergedoken joden te gaan steunen, die overal van afgesloten waren. Men was toen bij Götzen gekomen of hij dat wilde doen, maar Götzen was niet zo bekend met de joden. Götzen kende echter mij (ik ben directeur van de Handelmij. Europa-Azië), ik ben zelf jood en lid geweest van de Joodsche Raad; ik kende dus het wel en wee van de joden. Met de heer Götzen sloot ik vroeger assurantiezaken. Er was daarna een bijeenkomst met Götzen, Van Hall, Roorda, de Vries, mej. Steenbrugge, Westra en ikzelf.”

Herman Götzen

Vakgroep J

De genoemde betrokkenen hebben verschillende herinneringen aan die eerste bijeenkomst. De OD-koerierster H. Steenbrugge bijvoorbeeld zegt dat Remmert Aten er ook bij is. Een verzetskennis benadert haar eind 1943. “Hij kwam met het verzoek of ik in Amsterdam mij met de Vakgroep J wilde belasten. Toen ik na overleg met degene voor wie ik werkte daarop bevestigend had geantwoord werd ik in contact gebracht met de heer Götzen, die mij meedeelde dat de ondersteuning van de joden van de rest moest worden afgescheiden. Behalve mij zou hij nog iemand uit het Gooi en uit de Zaanstreek vragen. Zo kwamen wij korte tijd daarna samen: Götzen, Roorda (Gooi), Aten (Zaanstreek) en ik.”

De Hilversummer L. Roorda kan zich alleen een eerste ontmoeting met Götzen en Aten voor de geest halen. “Uit deze vergadering is de Vakgroep J geboren.” Maar er is ook een document bewaard gebleven waarin hij Van Hall noemt als mede-aanwezige: “Een vergadering had plaats in het gebouw Industrie, waar we kennismaakten met de heer Van Hall (toen Van Tuyl, Koopman) en de heer Aten (De Lange). Wij besloten de steun aan joden gescheiden te houden van de ondersteuning van zeelieden en gewone onderduikers. Deze afzonderlijke financiering was nodig omdat de verzorgers van de joden zoveel kwetsbaarder was. ‘De nieuwe Joodsche Raad’, later Vakgroep J geheten, ontstond toen.”

Remmert Aten wordt via Jaap Buijs aan Walraven van Hall voorgesteld. Buijs en Aten kennen elkaar uit de houthandel. Hun beider bedrijven grenzen in het Zaandamse Westzijderveld aan elkaar. Ze wonen bovendien allebei in de Schildersbuurt en zijn in de jaren twintig enige tijd buren geweest, op de Westzijde. Atens introductie bij de vaderlandse verzetsleider vindt plaats in februari of maart 1944. Aten: “Ik kende Wally niet -wist wel van zijn positie in Zaandam-, had over hem gehoord in verband met zijn poging om door middel van de Nederlandsche Unie stelling te nemen tegen de bezetters. Van zijn activiteit als ondergronds werker was mij niets bekend en ik was dus wel nieuwsgierig wat mijn bezoek op zou leveren, daar Jaap B. mij alleen gezegd had, dat het goed zou kunnen zijn als ik eens zou willen komen praten. Er werd niet lang getheoretiseerd, maar ik kreeg onmiddellijk een plan voorgelegd om mede te werken aan het economisch steunen van alle ondergedoken joodse Nederlandse staatsburgers. Of nee, het betrof alle joden, want ook de Duitse emigranten vielen er onder.”

De basis van de nieuwe organisatie is dan al gelegd. “Er zou zoveel geld zijn als wij nodig hadden. Ieder lid ging in zijn rayon er op uit om contacten te zoeken met ondergrondse organisaties die onderduikers en/of joden steunden. Wij kregen contact met vertegenwoordigers van het NSF die in de belangrijkste centra werkten en deze brachten ons in aanraking met geschikte personen om als verbinding tussen de nieuwe vakgroep en de bestaande groepen te fungeren. Alle adressen van joodse onderduikers bleven geheim. Noch de ondergedokenen noch de gastheren hadden een rustig ogenblik als zij hun adres bekend wisten bij een organisatie die misschien alles te boek gesteld had en ieder moment opgerold kon worden.”

Remmert Aten heeft vertrouwen in de onderneming, ook al vertellen Buijs en Van Hall hem niet meer dan het hoogst noodzakelijke. “De naam NSF werd niet genoemd. Alleen een tipje van de sluier werd opgelicht, net genoeg om mij de overtuiging te geven dat als ik deze kans om mede te werken aangreep, ik in de gelegenheid zou zijn veel te doen voor de achtervolgde joden.” Vier andere gegadigden tonen zich eveneens bereid. De Vakgroep J kan van start. In het prille begin gebeurt dat onder voorzitterschap van Herman Götzen. Die valt echter al snel in handen van de Duitsers, waarna A. Krouwer zijn taak overneemt. Van Hall had beter iemand anders kunnen kiezen, meent medebestuurder Steenbrugge. “Hij kwam met de heer Krouwer, die bij de Joodsche Raad werkzaam is geweest. Dit is m.i. geen gelukkige greep gebleken. Zelf had ik nooit iemand van de Joodsche Raad genomen. Achteraf bleek het ook iemand te zijn met wie moeilijk viel samen te werken. Hij speelde graag de belangrijkste persoon.”

Wisselende locaties

Het bestuur komt wekelijks bij elkaar op wisselende locaties in Amsterdam. Twee maal per maand haalt Krouwer het voor de onderduikers benodigde geld op bij een NSF-kassier aan de Herengracht 368. In het begin gaat het om enkele tienduizenden guldens, maar dat bedrag loopt al snel op tot meer dan vier ton per maand. Tijdens de bestuursoverleggen verdelen de aanwezigen het geld. Krouwer: “Ieders taak was om cellen te vormen om zich heen, die weer in contact stonden met mensen die uiteindelijk met de onderduikers in contact stonden.” Remmert Aten is verantwoordelijk voor de verdeling van het geld over Noord- en Zuid-Holland, met uitzondering van Amsterdam en het Gooi: “Ik heb contact gehad in Den Haag (300 mensen), Rotterdam, Gouda, Leiden en Haarlem”, zegt hij zelf.

Aanvankelijk reist de houthandelaar nog wel eens met een stapel bankbiljetten naar Amsterdam, ook al hoort die stad officieel niet tot zijn district. Aten werkt daar samen met een vertegenwoordiger van de Vrije Groepen Amsterdam (VGA), Bob van Amerongen. “Hij schonk ons het geld, zodat we onze persoonsbewijzen en bonkaarten niet meer hoefden te verkopen, maar ze gratis aan de onderduikers konden geven. Wij kregen gewoon van het NSF duizend gulden of zo per maand, althans zoveel als we strikt nodig hadden”, aldus Jan Hemelrijk, een van de VGA-initiatiefnemers. “Remmert ontmoette maandelijks Bob van Amerongen ergens en droeg dan het geld in een sok. Maar op een kwade dag werd Remmert overgeplaatst, althans er kwam een ander voor hem in de plaats. Toen die de eerste maal Bob ontmoette zei hij dat hij het geld wel wilde geven, maar dan diende hij over de namen en adressen te beschikken van de onderduikers voor wie het geld bedoeld was. Er kon natuurlijk geen sprake van zijn dat wij daar op in zouden gaan. De LO heeft dat in sommige gevallen wel gedaan, en dat heeft ettelijke keren geleid tot arrestaties van onderduikers.” Na enig onderhandelen ontvangt de VGA alsnog de benodigde financiën, zonder de personalia van haar onderduikers te hoeven melden.

Pseudoniem

Uit bewaard gebleven NSF-documenten blijkt hoe de cellenstructuur er in de praktijk uitziet. Als voorbeeld kan de situatie in Haarlem dienen, de gemeente waar Aten verhoudingsgewijs het meeste geld heenbrengt. Alles bij elkaar levert hij tussen april 1944 en februari 1945 ƒ146.760,- af bij Hendrika Joosten (alias ‘Hans Liefland’). Maandelijks reist hij per trein naar haar woning aan de Zanenlaan 135 en laat daar een pak geld achter. Joosten verdeelt dat vervolgens in haar regio. Zo opereert op de Schouwtjeslaan 37rd. in Haarlem het echtpaar Vermeer als haar ‘onderaannemers’. Zij dragen de laatste oorlogsmaanden de verantwoordelijkheid voor 156 joden, die verspreid over Haarlem en omgeving verborgen zijn. Op hun beurt distribueren ook zij NSF-geld over hun eigen netwerk. En zo kan het gebeuren dat Zaandammer Piet Bosboom elke maand ruim ƒ2.000,- uit Zaandam ontvangt, maar dan wel via het echtpaar Vermeer. Zij weten misschien nog wel wie er schuilgaat achter ‘Hans Liefland’, maar hebben waarschijnlijk geen kennis van Aten, terwijl die op zijn beurt onwetend is van Bosbooms hulpverlening. Door ook nog te werken met schuilnamen wordt de beveiliging geoptimaliseerd. Zo staat Jan Vermeer bekend als ‘Das’ en ‘Klein’, heeft Aten ‘De Lange’ als pseudoniem en is Bosbooms alias ‘Piet Bakker’. Mocht er een tussenpersoon in handen vallen van de Sicherheitsdienst dan kan hij of zij slechts enkele (schuil-)namen uit de zeer directe omgeving verraden en blijven de gevolgen min of meer beperkt.

Het heen en weer reizen met flinke sommen blijft overigens riskant. Er is vaak toegangscontrole bij de stations en in de treinen. Daarbij worden tassen en soms ook kleding onderzocht. Wie zonder goede verklaring wordt betrapt met tienduizenden guldens op zak verdwijnt in de gevangenis. Slaagt de SD er in om een verband te ontdekken tussen de gevonden bankbiljetten en het verzet, dan is de kans groot dat hun arrestant de status ‘Todeskandidat’ krijgt. Dat geldt eveneens indien een van de contactpersonen wordt opgepakt en uit de school klapt. In dat verband moet ook Atens naoorlogse opmerking worden gelezen dat de zwemtocht naar de Hembrug vooral ‘een sportief gebeuren’ was, met minder risico dan zijn andere verzetswerk. “Mijn vrouw en ik hadden een joods kind en een joodse vrouw in huis en ik moest vaak het land in om geld te brengen naar andere ondergedoken joden. (…) In principe kon iedere keer als ik thuiskwam of als ik op een adres met een onderduiker kwam de SD op me zitten wachten. U zou eens moeten weten hoeveel mensen op die manier zijn gepakt en daarna niet meer zijn teruggekomen.”

Marion Aten

Aten hoeft niet alles zelf te doen. Hij heeft via het NSF de beschikking over koeriersters en krijgt hulp van zijn echtgenote. Ook zijn tienerdochter Marion speelt een rol in het wegbrengen van geld. De kans dat zij, als schoolgaand meisje, wordt gecontroleerd en aangehouden is relatief klein en zo kan ze bijvoorbeeld met duizenden guldens naar Rotterdam reizen, om het daar te overhandigen aan een tussenpersoon.

Afhankelijk van hun persoonlijke situatie krijgen de onderduikers gemiddeld ƒ60,- tot ƒ100,- per maand uitgekeerd. Daarmee zijn overigens lang niet altijd alle kosten afgedekt. Uit een NSF-verslag: “Er kwamen ons gevallen ter ore van joodse onderduikers die ƒ300,-, ƒ500,-, ja zelfs ƒ1000,- per maand betaalden voor hun onderdak en onderhoud. Voor zoverre zij zelf over voldoende gelden beschikten konden wij ons hier natuurlijk niet in mengen. Er kon echter geen sprake van zijn dat het NSF dergelijke bedragen voor zijn rekening zou nemen.”

Jaap Boll en Remmert Aten (1945)

Remmert Aten en Jaap Boll poseren na de oorlog in de middenpijler van de Hembrug

Waar sprake is van uitbuiting probeert de Vakgroep J de geëxploiteerde slachtoffers onder te brengen op een ander adres. Aan chantage wordt op geen enkele manier meegewerkt. Hoeveel joodse onderduikers er geholpen zijn staat niet vast. In het NSF-kaartsysteem zijn 4237 namen terug te vinden, maar daarbij gaat het vaak om meerdere gezinsleden. In totaal heeft de Vakgroep J naar schatting 8000-9000 joden voorzien van geld en, tijdens de spoorstaking, van etensbonnen en kleding. Begin 1943 leven er vermoedelijk zo’n 25.000 joodse onderduikers in Nederland. Daarvan worden er duizenden opgepakt en gedeporteerd, maar aangenomen kan worden dat minstens eenderde van de onderduikers met NSF-middelen is geholpen.

Bankbiljetten

Die hulp blijft overigens niet beperkt tot het verstrekken van financiën. Het kan gebeuren dat de onderduikers zelf nog beschikken over geld. Gaat het om kleine coupures, dan is het meestal mogelijk om er goederen voor te laten kopen of de ‘huur’ van te betalen. De biljetten van ƒ500,- en ƒ1000,- daarentegen zijn in maart 1943 ongeldig verklaard. De bezetter hoopt door deze maatregel zwarthandelaren, de illegaliteit en onderduikers te dwarsbomen. Dankzij hun bankrelaties lukt het de gebroeders Van Hall om de bankbiljetten ook na de ongeldigverklaring in te wisselen. Steenbrugge: “Wanneer ik bij een joodse onderduiker een dergelijk biljet kreeg aangeboden, moest ik eerst zijn vroegere officiële adres en juiste naam weten. Dan werd via de belastinginspecteur nagegaan of de man zoveel geld bezeten kon hebben, want wij wilden natuurlijk niet de zwarte handel bevoordelen. Als dat in orde bleek te zijn werd de ƒ1000,- ingewisseld. Echter nooit meer dan één biljet. Kon men met ƒ250,- per maand toe, dan werd afgesproken dat ik over vier maanden terugkwam.”

Op de agenda van de wekelijkse NSF-bestuursvergaderingen staat ook standaard de verdeling van bonkaarten geagendeerd. De gestolen of nagemaakte kaarten worden geleverd door de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers. Voor valse identiteitsbewijzen zorgt de Persoonsbewijzencentrale. Telkens weer dienen er nieuwe horden te worden genomen, variërend van het onderbrengen van pasgeboren baby’s tot het onopvallend begraven van overleden onderduikers. En uiteraard ontstaan er regelmatig aanvaringen tussen gastgezinnen en gasten. Het maanden- of zelfs jarenlang verscholen blijven in kleine kamertjes, vaak zonder zicht op daglicht, eist zijn tol. In zijn publicatie Ondergang geeft Jacques Presser een voorbeeld van de benauwenis die het onderduiken met zich meebrengt: “Een onderduikster zette elke dag een kruisje in een hokje; op 17 oktober 1942 schreef zij in haar dagboek: ‘Dit is 38 dagen; ik hoop dat er geen 38 meer bijkomen’. Het werden er 933, dag in, dag uit in hetzelfde kamertje, op het oosten, in de kou, onverwarmd.” Ook in deze en andere stressvolle situaties is de hoop gericht op Remmert Aten en zijn collega-bestuurders.

5.

De Vakgroep J staat al snel stevig op de rails. Na een paar maanden loopt de geldverstrekking volgens Aten zelfs ‘als een soort routine’, met als voornaamste taken voor het bestuur ‘vergaderen en op bepaalde tijden de vertegenwoordigers bezoeken’. De situatie verandert echter zodra de regering in ballingschap op 17 september 1944 een landelijke spoorwegstaking uitroept. Het merendeel van de 30.000 spoormedewerkers geeft er gehoor aan en daarmee komt de treinenloop na enkele dagen stil te liggen. Het Nederlandse kabinet verwacht dat Nederland binnen afzienbare tijd bevrijd zal zijn, nu de geallieerden de Belgische grens zijn overgestoken en oprukken naar het Noorden. Maar de luchtlandingsoperatie Market Garden loopt vast bij Arnhem. Voor Aten en de andere leden van Vakgroep J zijn de gevolgen funest. Het openbaar vervoer is hun levenslijn met de geldverdelers en daarmee met hun doelgroep, de joodse bevolking.

Spoorwegstaking

Door de spoorwegstaking verslechtert bovendien de voedselsituatie in het westen van Nederland. De stilgelegde aanvoer van eerste levensbehoeften kan in eerste instantie deels worden gecompenseerd via transporten over water. Maar wanneer in december de winter toeslaat en de vaarten en kanalen bevriezen is ook die mogelijkheid afgesloten. Veel burgers zijn in staat om hongertochten te maken naar het platteland. De joodse onderduikers hebben uiteraard niet de kans om de straat op te gaan en daar naar eten te zoeken. Zij raken nog meer dan voorheen afhankelijk van de goedgeefsheid die hun omgeving tentoonspreidt.

Noodgedwongen trekt Remmert Aten vanaf september op een gammele fiets door Noord- en Zuid-Holland, het gevaar op de koop toenemend dat tijdens wegcontroles zijn meegenomen geldvoorraad wordt ontdekt. Hij krijgt overigens wel assistentie, in de persoon van zijn koeriersters Otti Lim en Fieka Tazelaar. Aten voorziet elke maand negen tussenpersonen van financiën, variërend van enkele honderden tot meer dan tienduizend gulden per keer. Hij gaat daar mee door tot december. “De laatste maand was het ondoenlijk”, zegt hij. Het sneeuwt, het vriest en er waait een ijzige wind. Hoe sportief de inmiddels 49-jarige Aten ook is, onder deze omstandigheden telkens weer honderden kilometers fietsen op een oud rijwiel is zelfs hem te bar. Hij gaat nog één keer langs zijn contactpersonen in de grote Zuid-Hollandse gemeenten en laat daar bedragen achter waarmee de onderduikers het enkele maanden moeten kunnen volhouden. Al dat geld in huis betekent nog niet dat de familie Aten er ook zelf gebruik van maakt. Dochter Marion: “We hadden wel honger. De onderduikers beschikten niet over voedselbonnen. Het weinige eten, bestemd voor een gezin van drie personen, moest verdeeld worden over veel meer mensen. Ik ging wel eens met mijn vader op de fiets met houten banden naar de Purmer, om voedsel te halen.”

Gewestelijke Sabotage Afdeling

Omdat hij niet meer naar Zuid-Holland hoeft, kan Aten meer tijd besteden aan de Gewestelijke Sabotage Afdeling. Daarnaast concentreert hij zich op het transporteren van NSF-geld naar adressen in Haarlem en de Zaanstreek. Het zijn er zeven. De daar wonende contactpersonen verbergen bijna allemaal zelf joden en brengen ook nog geld naar onderduikers op andere adressen. Zo heeft het in Zaandijk wonende echtpaar Keijzer via Piet Bosboom een tijd lang één of meer illegale bewoners in huis. Dat houdt echter op wanneer politieman Joop Keijzer wordt gearresteerd -overigens niet vanwege zijn hulp aan joden- en in een concentratiekamp verdwijnt. Voor zijn echtgenote is dat geen reden om het ondergrondse werk stop te zetten. Onder de schuilnamen ‘mevrouw Kool’ en ‘Tante Lena’ voorziet ze zeventien onderduikers van goederen en geld. Remmert Aten brengt tussen januari en mei 1945 de benodigde financiën, die oplopen tot meer dan ƒ2000,- per maand, naar haar huis aan de Oud Heinstraat 18. Ze woont in een waar verzetsstraatje. Alleen al op de Oud Heinstraat 16 en 23 hebben zich minstens negen joden verscholen. Het merendeel krijgt steun van de Vakgroep J.

Op 12 januari 1945 wordt Jaap Buijs gearresteerd, op 27 januari Walraven van Hall. De laatste zal het einde van de oorlog niet meemaken. Aten: “De laatste keer dat ik met hem samen was, was in zijn huis, samen met de heren Buijs, Sabel en Pel, op een zondagochtend. Dan werden de plaatselijke gebeurtenissen uitgewisseld, want van wat er aan de Zaan gebeurde werd hij geheel en al op de hoogte gehouden. Nog vaak moet ik aan die laatste bijeenkomst denken; hoe hij daar de ziel was van dat kleine gezelschap dat het verzet in de Zaanstreek leidde.”

Jaap Buijs (C. Smith-Buijs)

Henk Hoekstra

Na Van Halls arrestatie bespreken de overgebleven Zaanse leiders met diens broer de kansen van een bevrijdingspoging. Gijs van Hall: “Achteraf beschouwd… misschien hadden we hem kunnen loskrijgen wanneer we als illegaliteit contact met Seyss-Inquart hadden opgenomen. Die contacten waren toen al mogelijk. Maar een politieman uit Zaandam, met wie we contacten hadden, zei ons -en dat was toen, achteraf beschouwd, terecht-: ‘Ze weten niet wie hij is’. Toen dachten we: als dat zo is, kunnen we hem beter als onbekende laten zitten dan speciaal de aandacht op hem vestigen. Later wisten ze dus wel wie hij was.” Aten: “Niets hebben wij vermogen te doen. Wij waren allen bereid, maar de leiding heeft geen teken gegeven. De kans op redding moet anders gelegen hebben. Dat deze gefaald heeft en niets het noodlot heeft kunnen afwenden is ontzettend.”

Voor de familie Aten komt het leed nog dichterbij. Tijdens de bouw van de boot die Remmert en hem naar Engeland moest brengen is Greets broer Henk Hoekstra in contact gekomen met een medewerker van Vrij Nederland. Op verzoek van deze illegale organisatie begint hij in 1942 met het vervaardigen van zend- en ontvangapparatuur. Via via komt de technicus in aanraking met de enkele kilometers verderop wonende Jan Thijssen. Diens Radiodienst heeft behoefte aan een binnenlands zendnetwerk. Hoekstra toont zich bereid om de benodigde toestellen te bouwen en bovendien commandant te worden van een zendkring in het Gooi (hij woont zelf in Blaricum). Zijn eigen woning aan de Woensbergweg 2 doet vanaf 1943 ook dienst als zend- en ontvangstcentrum. Van daaruit wordt contact onderhouden met diverse districten van de Ordedienst en met het OD-hoofdkwartier in Amsterdam. Technicus Hoekstra is er dag en nacht mee bezig, met steun van zijn echtgenote Tiny. Zij assisteert bij het (de)coderen van berichten, werft medewerkers en opereert als koerierster.

In vijf maanden tijd wisselt ‘Leidend Station I’, zoals het commandocentrum in de woning van de Hoekstra’s is gedoopt, ook nog eens ruim zeshonderd berichten met het Bureau Inlichtingen. Dat heeft een zendpost in het inmiddels bevrijde Eindhoven. Maar op 10 februari 1945 valt de Sicherheitspolizei binnen in de villa. Op het moment dat een agent Hoekstra de handboeien om wil doen, trekt die zijn pistool. Het wapen blijft echter in zijn kleding haken. Hoekstra wordt onmiddellijk doodgeschoten. Tiny vliegt daarop de Sipo-medewerkers aan, maar wordt overmeesterd en afgevoerd. Ze verdwijnt in de gevangenis en blijft vastzitten tot 1 april. Twee in het huis aanwezige marconisten slagen er in om zich tijdens de overval te verbergen. Hoekstra’s 8-jarige dochter haalt ze na het vertrek van de Duitsers met behulp van een buurman uit hun schuilplaats, waarna ze zich uit de voeten maken. De Sipo geeft begrafenisondernemer Johannes Bleekemolen opdracht om het lichaam van Henk Hoekstra te verwijderen uit diens woning. Het is inmiddels 12 februari, de dag dat Walraven van Hall met zeven anderen in Haarlem wordt gefusilleerd. Omdat Bleekemolen ook hen moet ophalen heeft hij een lucratieve dag. Hij begraaft de negen stoffelijke overschotten gezamenlijk in de Kennemerduinen en zendt de rekening voor zijn werkzaamheden, ƒ195,- per persoon, naar het gemeentebestuur.

Politieke Opsporingsdienst

De bezetter schakelt dus in korte tijd drie naasten uit van het echtpaar Aten, twee ondergronds werkende collega’s annex vrienden en een familielid. Het is een zware slag. Voor de Vakgroep J heeft het oppakken van Van Hall en Buijs overigens geen onoverkomelijke consequenties. De NSF-structuur is in nog geen twee jaar tijd zo solide opgebouwd dat zelfs zonder haar leiders (onder wie ook de in een eerder stadium gearresteerde en vervolgens doodgeschoten Iman van den Bosch) de zaken kunnen voortgaan. Vakgroep J continueert de werkzaamheden, intensiveert die zelfs tijdens de hongerwinter. In totaal verdeelt het bestuur tussen 1943 en 1945 ƒ4.690.518,-. Na de oorlog blijkt Remmert Aten daarvan ƒ448.661,- voor zijn rekening te hebben genomen. Het geld is tot de laatste cent verdeeld onder de honderden joodse onderduikers in Noord- en Zuid-Holland die van hem afhankelijk waren. Vertaald naar hedendaagse cijfers komt dat neer op ongeveer €2,3 miljoen.

De bevrijding betekent overigens niet het einde van Atens oorlogsbemoeienissen. Tijdens het laatste oorlogsjaar hebben de Binnenlandse Strijdkrachten een regionale Politieke Opsporingsdienst (POD) opgericht, waarvan ook Aten deel gaat uitmaken. De POD verzamelt gegevens over wat wordt genoemd ‘anti-Nederlandse elementen in de Zaanstreek’. Deze informatie bewijst zijn nut in mei 1945. Binnen enkele dagen na de capitulatie arresteren Aten en zijn collega’s ongeveer 1200 mensen die worden beschouwd als landverraders. Ze krijgen in afwachting van hun proces een plek in de als gevangenis fungerende school 9 en 10 aan de Zaandamse Stationsstraat. De POD- en Vakgroep J-activiteiten duren voort tot ver in de zomer. Pas dan kan Remmert Aten terug naar de vooroorlogse routine van alledag.

Remmert en Margreet Aten

Remmert en Margreet Aten na de oorlog bij hun woning

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Robert Rudolf Pel; verzetsgrootheid

Robert Rudolf Pel (Zaandam, 21-11-1914/Huis ter Heide, 1-3-2008) behoort tot de minder bekende Zaanse verzetsstrijders. Er is geen straat naar hem vernoemd en er zijn nauwelijks artikelen aan hem gewijd. Dat is onterecht. Rechercheur ‘Bob’ Pel behoorde namelijk tot de grootsten binnen de regionale illegaliteit.

De in Zaandam geboren en getogen Robert Pel volgt na de mulo de Kweekschool, maar slaagt er niet in om een onderwijzersdiploma te halen. Hij gaat vervolgens in dienst en wordt beroepsmilitair. Wanneer Nederland in mei 1940 capituleert, werkt hij bij de Militaire Politie. Al op de dag van de Duitse inval wordt Pel bij Lobith gevangengenomen. Pas in augustus van dat eerste oorlogsjaar mag hij vanuit Duitsland terugkeren naar zijn woonplaats. Daar solliciteert hij met succes bij de lokale politie.

Plaatsvervangend commissaris A.J. van Doorn haalt hem begin 1941 over om zich aan te sluiten bij het ontluikende verzet. Kort daarna, in mei, krijgt Van Doorn ‘onbeperkt ziekteverlof’ (hij overlijdt het jaar daarna). Het verlof hoort bij de ingrepen van de nieuwe NSB-burgemeester Van Ravenswaaij, die het ambtenarenkorps wil omvormen tot een Hitlergetrouwe organisatie.

R.R. Pel bij politie Zaandam, 1941 (collectie R.R. Pel)

Bob Pel in 1941

Wanneer diens opvolger, de eveneens nazigezinde burgemeester Vitters, het in mei 1943 nodig acht om alle politiebeambten een eed van trouw op het nieuwe bewind te laten afleggen is Pel de enige van de (onder-)wachtmeesters die weigert. Hij is tevens de eerste Zaandamse politieman -in totaal werken er ongeveer zestig- die dat doet. Na hem durft slechts een enkele collega op dat beladen moment nee te zeggen. Wonder boven wonder komt Pel er zonder schade vanaf en kan hij in functie blijven. Het is de tweede keer dat Pel aan arrestatie ontsnapt. Begin 1943 heeft hij geweigerd om Sophia Schagen-Christiaansen aan te houden. Zijn ‘foute’ superieur, waarnemend commissaris Meindert Talma: “Ik heb eens aan Pel opdracht gegeven om een dame uit de Schildersbuurt te arresteren en voor [te] geleiden bij de SD. [Sicherheitsdienst]. Pel is naar haar toegegaan, maar kon haar niet arresteren, omdat ze jonge kinderen had. Hij rapporteerde me dit, waarop ik tegen hem zei: ‘Je weigert een opdracht, dan moet ik je ontwapenen.’ Zover kwam het echter niet. Juist op dat moment kwam [inspecteur Tonny] Jansen binnen, die Pel in de verdediging nam.” Bob Pel ontsnapt aan ontslag en waarschijnlijk erger.

Hij is dan al tot over zijn oren betrokken bij de vele illegale acties in en rond zijn woonplaats. In zijn naoorlogse dossier is zijn verzets-CV samengebald in één lange zin: “Heeft vanaf 1941 tot aan de bevrijding honderden valse persoonsbewijzen uitgereikt aan leden van diverse verzetsgroepen, Joden, Engelse en Amerikaanse piloten, alsmede andere door Duitse politie-instanties gezochte Nederlanders; hij maakte daarbij volledig gebruik van materiaal en gegevens welke hem in zijn toenmalige functie van rechercheur van politie te Zaandam ten dienste stonden, in feite juist om vervalsingen op dit gebied te achterhalen.” De opsomming geeft weer hoe belangrijk Pel was, maar doet hem desondanks tekort. Robert Pel deed namelijk veel meer. Een onvolledige opsomming maakt dat duidelijk.

Willem Ragut

In februari 1943 krijgt Bob Pel opdracht om de ondergedoken joodse familie Vles te arresteren. Alvorens (een dan uiteraard overbodige) huiszoeking te doen waarschuwt hij hen en zorgt er voor dat ze op hun nieuwe onderduikadres worden voorzien van documenten en geld. Aan het eind van de oorlog krijgen ze zelfs onderdak in zijn woning aan de Tuinstraat. Ook boven de Zaanstreek gesprongen vliegeniers worden door hem naar onderduikadressen vervoerd. Arrestanten die van Zaandam naar de Sicherheitsdienst moeten worden gebracht raken soms spoorloos ‘zoek’. Pel benut daarbij onder meer de Duitse bureaucratie om hun namen uit de dossiers te krijgen.

Tonny Jansen, die na de liquidatie van zijn chef Willem Ragut (ook hiervan weet Pel tevoren) hoofdcommissaris wordt in Zaandam, kruist vaker Pels pad. De Zaanse verzetsleider Jaap Buijs, rechercheur Pel en de nationale ‘bankier van het verzet’ Walraven van Hall besluiten begin 1943 om de nieuwe Zaandamse commissaris, over wie ze belastende informatie hebben, onder druk te zetten. Buijs: “Pel had zich al enige malen bij mij beklaagd dat Jansen diverse zaken niet uitvoerde of deze op een verkeerde manier aanpakte. Op zekere dag vertelde Pel mij dat het hem bekend was geworden dat Jansen een radiotoestel had gestolen. Ik heb toen gezegd: ‘Nu kunnen wij hem naar onze kant dwingen, of hem anders afhandelen’ [lees: liquideren]. Als hij niet wilde meewerken, zou er met hem afgerekend moeten worden. Als het ware was dit eigenlijk chantage. We zagen hierin een middel om Jansen min of meer te dwingen zijn volledige medewerking aan de illegaliteit te verlenen. Pel kwam, nadat hij hierover met Jansen gesproken had, bij mij met de boodschap dat het een uitkomst voor Jansen was geweest, hij had het zelfs met grote ijver aanvaard.”

Jansen moet voortaan berichten die van belang zijn voor de verzetsorganisaties doorgeven aan Pel en Buijs, onder meer via een, mede dankzij Pel tot stand gekomen, clandestiene telefoonlijn. De commissaris hapt toe. Buijs: “Wij kunnen constateren dat door hem minstens tachtig mensen uit handen van de Gestapo zijn gehouden. Bovendien is zijn werk voor ons van enorme betekenis geweest, omdat wij hierdoor altijd met alles op de hoogte waren.” De waarschuwingsdienst functioneert tot aan de bevrijding naar behoren: tal van ondergedoken joden en gezochte verzetsstrijders weten erdoor te ontkomen aan de nazi’s en hun handlangers.

Op zaterdag 15 januari 1944 nemen Pel (schuilnaam ‘Bakker’) en zijn collega Folkert Brandsma de trein naar Breda. Van daar lopen ze naar het huis van de gebroeders Van Nunen, die enkele uit Engeland overgevlogen geheim agenten huisvesten. Ze zijn met zendapparatuur, vuurwapens, munitie en 120.000 gulden gedropt in de omgeving van Princenhage. Pel en Brandsma slagen er in om de goederen met de trein over te brengen naar Zaandam, vanwaar ze worden verspreid onder diverse illegale organisaties.

Drie dagen na dit gewaagde transport belandt Pel alsnog achter de tralies. Wanneer de Zaandamse verzetsstrijder Martin Arends wordt opgepakt treft de SD Pels naam aan in Arends’ notitieboekje. Het is voldoende om hem te arresteren en te beschuldigen van financiële steun aan het verzet. Door hardnekkig alles te ontkennen wordt Pel na enige tijd weer vrijgelaten. Zonder te aarzelen pakt hij zijn ondergrondse werkzaamheden weer op.

Zaandams politierapport over de arrestatie van Pel en zijn collega Jan van der Schaaf.

Grünen

Een treffend staaltje van zijn lef betreft het per politieauto wegbrengen van 20 of 30.000 bonkaarten (de genoemde aantallen variëren) voor onderduikers, van Wormerveer naar een Amsterdams advocatenkantoor. Bij de Hembrug gaat het bijna mis. Twee Grünen vragen hem of ze kunnen meerijden. Pel laat hen instappen en excuseert zich dat ze moeten plaatsnemen op enkele pakken papier (waarin de bonkaarten zitten). Aangekomen bij het afleveradres verlaat Pel kalm zijn auto, verzoekt de Duitsers om uit te stappen en laat hen vervolgens de bonnen naar het kantoor tillen.

Wanneer het verzet een inbreker neerschiet dekt Bob Pel de dader door de schuld op zich te nemen. Hij maakt valse processen-verbaal op, bijvoorbeeld over vermiste boten. Die kunnen vervolgens worden ingezet voor wapentransporten. Hij verleent medewerking aan de voorbereiding van overvallen op politiebureaus, distributiekantoren en gemeentehuizen, alsmede aan liquidaties van verraders.

Met kerstmis 1944 verschijnen er aanplakbiljetten in de Zaanse straten, met oproepen voor de Duitse arbeidsinzet. Al de volgende dag hangt de omgeving vol met tegenpamfletten, het resultaat van Zaans topoverleg waarbij Walraven van Hall de centrale man is en waarbij verder Jaap Buijs, Robert Pel en August Sabel aanwezig zijn. Eerste kerstdag besluit het viertal om een tekst op te stellen met als strekking dat medewerking aan deze Liese-Aktion ongewenst is. De makers van het illegale Zaanse blad De Typhoon drukken nog dezelfde dag een groot aantal aanplakbiljetten met de oproep. In de nacht van 25 december worden ze her en der over de Duitse posters geplakt, met als resultaat dat slechts een klein percentage van de Zaanse arbeiders meewerkt aan de dienstplicht. Geen van de werkgevers vraagt Ausweise aan. Het ontwerp van het Zaanse aanplakbiljet dient in de navolgende weken als voorbeeld elders in Nederland.

Pel heeft gedurende de bezettingstijd een cartotheek opgebouwd met namen en activiteiten van NSB’ers, collaborateurs en andere ‘foute’ Nederlanders. Het vormt na de bevrijding een basis voor zijn werk als districts-arrestatie-officier van Gewest 11 van de Binnenlandse Strijdkrachten. Jammer genoeg heeft Robert Pel, voor zover bekend, slechts weinig oorlogsherinneringen op papier gezet. In oktober 1945 vertrekt hij naar Nederlands-Indië, waar hij drie jaar politiewerk verricht. Daarna keert hij terug als inspecteur-korpschef in Wormerveer en Krommenie. In 1955 wordt hij politiecommissaris in Kampen. In 1964 duikt zijn naam nog even op in de landelijke pers, wanneer hij als commissaris een ondergeschikte op het matje roept nadat die ten onrechte het boek Ik Jan Cremer in beslag neemt. Daarna wordt het steeds stiller rond de oud-verzetsman.

Pels oorlogservaringen maken nieuwsgierig. Wie weet er meer over deze bijzondere persoon en zijn ondergrondse activiteiten? Informatie is welkom via info@schaapschrijft.nl.

R.R. Pel, vermomd, 1943 of 1944 (collectie R.R. Pel)

Robert Rudolf Pel vermomd (1943 of 1944)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Zaandamse Februaristaking toont naïviteit

Dat de Zaanstreek een grote rol speelde in de Februaristaking van 1941 is alom bekend. In en om Zaandam legden minstens 15.000 mensen twee dagen lang het werk neer als protest tegen de in gang gezette jodenvervolging. En terwijl elders de staking al was gebroken ging die in de Zaanstreek door. Hanns Albin Rauter, de Generalkommissar für das Sicherheitswesen, meldde op 27 februari niet voor niets geërgerd dat het oproer overal op zijn einde liep, ‘behalve in het marxistische Zaandam’. Hij kon het weten; op die dag kwam hij hoogstpersoonlijk naar Zaandam om de weerstand de kop in te drukken. Zelfs nog in 1946 verklaarde Rauter dat Zaandam ‘politischer schwer’ was geweest en dat ‘de Zaanstreek in zeer sterke mate opviel door communistische acties’.  

Vrijwel iedereen kent het CPN-pamflet met de woorden ‘Staakt!!! Staakt!!! Staakt!!!’, waarvan ook een Zaanse versie bestaat. Veel minder bekend is de oproep die Zaandams middenstandspersoneel verspreidde dat met de beste wil van de wereld niet kon worden verdacht van communistische sympathieën. Keurig legden ze uit ‘als protest tegen de maatregelen genomen in strijd met de Nederlandsche Grondwet in staking te gaan en solidair te verbinden’.

Hun initiatief was ongelooflijk dapper. En ongelooflijk naïef. De oproep toont aan dat de Zaandammers -en de rest van Nederland- nog geen idee hadden van de nazistische wreedheid en de bereidheid om weerstand hardhandig te breken. Het winkelpersoneel eiste ‘ontwapening van de N.S.B.’ en ‘vrijlating van de ontvoerde Nederlanders’. Met dat laatste doelden ze op 427 uit Amsterdam gedeporteerde joodse mannen . Die zouden het concentratiekamp op één na geen van allen overleven, maar dat werd pas veel later duidelijk. En van ontwapende NSB’ers kwam het ook al niet.

De oproep is ondertekend door een aantal personen van wie het interessant zou zijn om na te gaan hoe het ze de verdere oorlog is vergaan. Zijn ze in de illegaliteit beland (ik ken ze geen van allen, maar dat hoeft niets te zeggen)? Of hebben ze zich, als zovelen, neergelegd bij de Duitse hegemonie? De genoemde bedijven zijn wel bekend. Opvallend is dat er grote ondernemingen als Hema en V&D (van Duitse komaf!) tussen staan. En dat er relatief veel winkels zijn met joodse banden en/of eigenaars (Zaanl. Schoenhandel, Snoek, Drilsma, Kroonenberg, Presburg). Dit ene pamflet verdient, kortom, een nadere studie.   

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





De start van het Verzetsplantsoen

Op 4 mei 2008 was het om 20.00 uur als vanouds druk bij het Verzetsplantsoen aan de Zaandamse Savornin Lohmanstraat. Onder een blauwe hemel verzamelden zich een paar honderd mensen voor ‘Dikke Bertha’, zoals het door Theo van Reijn ontworpen standbeeld dat daar staat in de volksmond heet. Weinigen zullen zich hebben gerealiseerd dat het precies zestig jaar geleden was dat het monument werd onthuld. Ter herinnering daaraan citeer ik het een en ander uit de brochure De Zaandamse Gemeenschap in de jaren 1945 1946 1947. Houd daarbij in gedachte dat veel van de daarin genoemden oud-verzetsstrijders zijn. Van hen is er niet een meer in leven, helaas.

“Op 6 October 1945 werd een commissie gevormd om in Zaandam te komen tot oprichting van een monument ter nagedachtenis van de Zaandamse gevallen illegale strijders. In deze commissie namen zitting de heren D.H. van Onselder, J. Westerbroek, C. Buijs, A.H. Groot, W. Hartsuijker, B. Hulsing, M. v.d. Schaaf, W. Wolbers en C. Kraaij. In de week van 4 tot en met 9 Februari 1946 werd ter verkrijging van het benodigde geld voor dit monument een huis aan huis collecte gehouden. Tevens werd een circulaire huis aan huis bezorgd. Hierin werd de bevolking verzocht bij aanbieding van de intekenlijst zo ruim mogelijk de collecte te gedenken. Het op deze circulaire voorkomende comité van aanbeveling was als volgt samengesteld: Mr J. in ’t Veld, A. Admiraal, Jb. Buijs, E.P. Clijnk, F.C.A. Gebhard, C. Geugjes, mevr. J.M.J. Glazenburg-Decker, W. Hart, J.H. v.d. Stadt, mr P.H. Wuyster, E. Heere, M.J. Hille, G.C. Huig, dr E.A. Immink, dr A. Kummer, G. Maas, Pastoor J.H.M.S. v.d Mark, ds A. Noorman, A.W. Sabel, T.A. van Zoest.

Theo van Reijn

Op de lijsten werd ingezameld: fl. 11.878.04; aan giften, niet op de lijsten verantwoord, ontvangen fl. 900,- en de stortingen op de giro-rekening bedroegen fl. 1984.50. Tevens werd van Comité Veringstraat ontvangen fl. 1000,-. In totaal dus een bedrag van fl. 15.762.54. Dit beantwoordde niet ten volle aan de verwachtingen van de commissie, hoewel hierbij niet uit het oog mag worden verloren dat voor een inzameling als deze geen grote reclamecampagne kon en mocht worden op touw gezet. Tevens werd de inzameling na de geldsanering gehouden. De gemiddelde opbrengst per woning bedroeg ongeveer fl. 1.50. De giften varieerden van fl. 0.10 tot fl. 400,-. Aan den beeldhouwer Theo van Reijn werd de opdracht verleend tot het ontwerpen van een groot monument, dat zal worden geplaatst op de voormalige begraafplaats aan de Sav. Lohmanstraat. De totaalprijs voor dit monument bedraagt fl. 16000,-. Aan de voorontwerpen werden reeds onkosten gemaakt, zodat de monumentencommissie wegen diende te zoeken om het in kas zijnde bedrag aan te vullen tot fl. 16000,-. Zij is hiermede doende en hoopt een gunstig resultaat te bereiken. Volgens mededeling van den heer Van Reijn zal het centrale monument nu definitief op 5 Mei 1948 kunnen worden onthuld [dat werd dus 4 mei, E.S.]. Het beeldhouwwerk stelt een jeugdige zittende vrouwenfiguur voor, in brons gegoten, voorstellende: ‘Bezinning’. De figuur is gedacht uit haar overpeinzing ontwakend over het leed dat aan vele inwoners van Zaandam is berokkend. De hand die aanvankelijk het hoofd ondersteunde, is thans in vererende houding opgeheven. Met een blijde glimlach, het hoofd gericht naar de bloemen, herdenkt zij allen, die vielen en houdt zij ons voor: ‘Laat hen niet vergeefs gestorven zijn’.”

Verzetsplantsoen

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Het laatste restje ethiek van Anton van der Waals

Anton van der Waals, misschien wel de grootste verrader die Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog telde, was genadeloos. Op één keer na. Een in Zaandam ondergedoken joods meisje haalde daardoor heelhuids de bevrijding.  

De Zaandamse wiskundeleraar en verzetsman George Louis Jambroes vlucht in het najaar van 1941 naar Engeland, waar hij in maart 1942 aankomt. De Nederlandse regering in ballingschap besluit hem in te zetten als geheim agent. Jambroes moet leiding gaan geven aan de opbouw van een ondergronds leger in zijn vaderland. Maar wanneer hij in de nacht van 26 op 27  juni per parachute wordt gedropt in de buurt van Steenwijk wacht hem daar een onaangename verrassing. De Sicherheitsdienst blijkt als gevolg van het zogenaamde Englandspiel op de hoogte van zijn komst en arresteert hem onmiddellijk na zijn landing. Het is het begin van een kat- en muisspel, waarvan onder andere een onschuldig joods meisje bijna het slachtoffer wordt.

Henny Eskens-Krabbé

Na diens gevangenneming onderzoekt de Sicherheitsdienst Jambroes’ kleding. Ze vinden een briefje met daarop drie adressen waar de agent zich kan melden na zijn terugkeer in Nederland. De Zaandamse apotheek van Henny Eskens-Krabbé staat er ook tussen. SD-voorman Joseph Schreieder redeneert dat de (illegale) Ordedienst wellicht via een van de genoemde adressen contact zal zoeken met de gedropte agent en besluit om Anton van der Waals, de man die Jambroes kort daarvoor zo verraderlijk verwelkomde op Nederlands grondgebied, naar Zaandam te sturen. Schreieder wil dat deze voor de Duitsers werkende verrader uitvindt of de illegale Ordedienst bemoeienis heeft met een van de vrouwen die in Jambroes’ ‘operational order’ genoemd worden als OD-contactpersonen.

Bekende persoonlijkheid

Onbewust helpt de gevangenzittende leraar zijn cipiers een handje. Hij mist zijn echtgenote enorm en vraagt Schreieder of haar een brief kan worden bezorgd. De Kriminaldirektor gaat gretig in op het verzoek. “Na de arrestatie bemerkte ik dat deze Jambroes een zeer bekende persoonlijkheid was te Zaandam. (…) Hierdoor ontstond het gevaar dat juist door deze bekendheid het uit zou lekken dat hij gevangen was. Ik heb Jambroes toen een tweetal brieven laten schrijven, beide gericht aan adressen te Zaandam. Van één weet ik nog dat hij gebracht moest worden bij een apotheker. De andere kan ik mij niet meer herinneren. Door mijn V-Mann Van der Waals heb ik deze brieven laten bezorgen, met de boodschap dat Jambroes goed was aangekomen, doch zelf niet kon komen”, schrijft Schreieder later in zijn memoires. Het geeft hem een unieke kans om zonder veel risico’s informatie te verzamelen. “Toen nu Jambroes mij vroeg of hij via die apotheek aan zijn vrouw mocht schrijven, stemde ik daarin dadelijk toe, omdat ik daardoor de mogelijkheid had om te controleren of er nog van andere zijde geprobeerd werd contact met hem te krijgen.”

George Jambroes in 1942

Van der Waals reist met de brieven op zak naar Zaandam. Vanaf het station wandelt hij in een kwartiertje naar de woning van Guusje Jambroes, Apolloplantsoen 11. Ze is niet thuis. De Vertrauensmann steekt daarop de straat over en belt aan bij Schubertstraat 2, vijftig meter verderop. Henny Eskens-Krabbé doet de deur open. “Ik kom van een oude vriend die al anderhalf jaar weg is”, zegt Van der Waals. Het is een codetekst. De apothekeres realiseert zich onmiddellijk over wie hij het heeft. De slanke man tegenover haar maakt een nette indruk. Ze nodigt hem uit om binnen te komen, een invitatie waaraan hij graag gehoor geeft. Er blijkt nog iemand in huis te zijn, een jonge vrouw, maar Henny Eskens stelt de bezoeker op zijn gemak. De vrouw in de huiskamer is George Jambroes’ zuster Elizabeth, die toevallig op visite is. Van der Waals maakt zich bekend als ingenieur De Wilde en overhandigt het door Jambroes geschreven briefje dat ‘brenger dezes’ betrouwbaar is. Hij legt uit dat Jambroes en hij zijn gedropt met een boodschap van de regering in ballingschap. De ‘ingenieur’ vertelt over zijn opdracht – het opbouwen van een landelijk opererende, ondergrondse organisatie – en een op handen zijnde invasie, de komst van nog meer geheim agenten en zijn zoektocht naar opvangadressen voor deze parachutisten.

Henny Krabbé in 1923

Onderduikster

Het valt Van der Waals op dat een van de twee kleine meisjes in huis Henny Eskens-Krabbé aanspreekt met ‘tante’. Dat is zeker een joods kindje, vraagt hij. Haar pleegmoeder antwoordt bevestigend. “Ze had de kleine onderduikster zelfs voor haar beste vrienden verborgen gehouden, maar tegenover deze prettige ‘agent’ uit Engeland was ze plotseling openhartiger dan anders. ‘Ik beschik over goede verbindingen’, improviseerde Van der Waals. ‘Meld het mij gerust als er nog meer joden in uw kennissenkring zijn, dan kan ik hen ook helpen. Nee, nee, dat kost niets. Deze mensen zijn al zo zielig, wij doen dat graag’”, verwoordt Jelte Rep de ontmoeting in zijn boek Englandspiel.

Van der Waals in de rechtbank, 1948 (Wikipedia)

Het bewuste joodse meisje is de 8-jarige Hanna Jacobson. Eerder die maand is ze ondergebracht bij de Zaandamse apothekeres, die haar en haar ouders kort daarvoor heeft ontmoet op een verjaardagsfeestje in Amsterdam. Daar was het gezin ingekwartierd bij Maarten Krabbé (de vader van de latere acteur Jeroen Krabbé), nadat het eerder hun woonplaats Blaricum had moeten verlaten. Hanna’s moeder duikt elders onder, haar vader meldt zich vrijwillig voor Westerbork. Voor Hanna’s komst naar de Zaandamse Schubertstraat geeft Eskens-Krabbé als verklaring tegenover nieuwsgierige buitenstaanders dat het meisje uit het twee jaar eerder gebombardeerde Rotterdam komt. Haar vader is zogenaamd zeeman, haar moeder ziek en hulpbehoevend. Dit alibi geeft Hanna de mogelijkheid om relatief rustig de oorlog uit te zitten. Ze krijgt thuis les van Chris Coté, een in het Zaanse verzet actieve onderwijzer uit de buurt, en kan zelfs gewoon op straat spelen. 

Café Americain

Ter afsluiting van het bezoek stelt Anton van der Waals zijn gastvrouw voor om aan Jambroes’ echtgenote te vragen een koffer met warme kleding klaar te zetten in een kluis op het Amsterdamse Centraal Station. Daartoe is ze uiteraard bereid. Ze geeft hem het adres van Guusje, die met haar moeder en zoon Erik in hotel De Wageningse Berg logeert, en vraagt wat bedenktijd voor zijn verzoek om parachutisten onder te brengen. De twee spreken af elkaar korte tijd later te ontmoeten in het Amsterdamse Café Americain. Joseph Schreieder is tevreden over het werk van zijn ondergeschikte. Hij geeft Van der Waals opdracht om naar Wageningen te gaan en contact te leggen met Guusje Jambroes.

Van der Waals en zijn bruid op hun trouwdag, 18-6-1944. Van der Waals trouwde onder de naam Hendrik Jan van Veen. Hij had zich daartoe het geboortebewijs en twee ontslagbewijzen uit concentratiekampen toegeëigend van deze overleden man (NIOD)

Die ontmoeting verloopt al net zo soepel als met Henny Krabbé. Ingenieur De Wilde weet ook haar vertrouwen te winnen. Hij herhaalt zijn fantasie over de gezamenlijke dropping en de komende geallieerde invasie. Guusje ontvangt ƒ500,- en de door haar man geschreven brief. Helaas kan hij haar om veiligheidsredenen niet vertellen wanneer George en hij in Nederland zijn geland en waar haar echtgenoot zich momenteel bevindt, excuseert De Wilde zich. Hij stelt voor dat Guusje een brief schrijft aan haar man en geeft haar daartoe een adres. Na ook bij haar te hebben geluncht vertrekt de man met de dubbele agenda, Guusje Jambroes blij achterlatend met het eerste levensteken van haar man in driekwart jaar tijd. In Zaandam informeert Henny Krabbé verzetsman Chris Coté over haar ontmoeting met de aardige ingenieur De Wilde en vraagt hem of hij geen joodse onderduikers kent die het onveilige Nederland willen verlaten. Coté is argwanend en adviseert haar om niet verder in zee te gaan met de hem onbekende man. Hij besluit mee te gaan naar de afspraak in Americain en van een afstandje de genereuze Londense agent te bestuderen terwijl die in gesprek is met Henny.

Provocateur

Op het chique caféterras legt Krabbé aan De Wilde uit te hebben nagedacht over de mogelijkheid om haar huis open te stellen voor parachutisten, maar er van af te zien. De ingenieur vindt het jammer, maar reageert begripvol. Hij zegt dat George Jambroes het ook zal begrijpen. Verstopt achter een krant beziet Coté het tafereel. De zelfbenoemde ingenieur en de apothekeres nemen voor de tweede en laatste keer afscheid. Henny stapt op de tram naar het Centraal Station, waarop even later ook Coté plaatsneemt. Zij heeft nog steeds het volste vertrouwen in de charmante De Wilde, maar Coté’s argwaan is alleen maar gegroeid. Die wordt nog eens gevoed door de ontdekking dat de met kleren gevulde koffer die Guusje Jambroes volgens afspraak achterlaat op het Amsterdamse treinstation niet wordt opgehaald.

Pas twee jaar later krijgen Guusje en Henny zekerheid. In Paraat, het illegale blad van oud-Zaandammer Jan Rot, zien ze tot hun afgrijzen dat De Wilde annex Van der Waals een ‘levensgevaarlijke provocateur’ is. De bijgevoegde foto van de verrader neemt de laatste twijfels weg. Opluchting is er ook, met name bij Krabbé. Ondanks Van der Waals’ kennis over het joodse onderduikstertje in de apothekerswoning hebben de Duitsers nooit getracht om het meisje weg te halen. Blijkbaar heeft de V-Mann al die tijd zijn mond gehouden.

Van der Waals en andere collaborateurs in de ondergrondse pers.

De vader van Hanna Jacobson overleeft het concentratiekamp niet. Haar moeder wordt verraden op haar onderduikadres en belandt uiteindelijk in Auschwitz, maar wordt daar aan het eind van de oorlog bevrijd. Ze wordt herenigd met haar dochter. De oorlogservaringen hebben echter een dusdanige impact op moeder en kind, dat Hanna na een jaar terugkeert naar Henny Eskens-Krabbé. Daar brengt ze haar verdere jeugdjaren door.

Anton van der Waals  wordt na de oorlog voor de rechter gebracht en vanwege zijn grootschalige verraderswerk – hij is wel de grootste Nederlandse verrader tijdens de Tweede Wereldoorlog genoemd – ter dood veroordeeld. Volgens de rechtbank is hij betrokken bij de arrestatie van minstens 83 verzetsmensen, van wie er minimaal 34 de oorlog niet overleven. Hij sterft op 26 januari 1950 voor het vuurpeloton.

Foto’s van Van der Waals in gevangenschap (NIOD)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag