Berichten

Twee jong gestorven Zaanse brigadisten. ‘Ik had wel trek om naar Spanje te gaan’

Sommige Zaankanters zagen al vroeg de gevaren van het overal in Europa oprukkende fascisme en verbonden daar consequenties aan. Bijvoorbeeld door na 1936 naar het Iberisch schiereiland te reizen en daar met de Republikeinen te vechten tegen de manschappen van generaal Franco. Albert Brand en Gerrit Timmerman mengden zich, net als enkele tientallen andere Zaanse vrijwilligers, in de Spaanse Burgeroorlog.

Albert ‘Appie’ Brand (Amsterdam, 1916) behoorde tot de jongste lichting die naar het zuiden trok om de wapens op te nemen tegen Franco’s troepen. Hij was daar met zijn twintig jaar zelfs de benjamin onder de Zaanse strijders. Hoewel minderjarig kreeg hij voor zijn vertrek waarschijnlijk de zegen van zijn vader. Cornelis Brand was namelijk een overtuigd CPN-lid. Appie kwam uit een gebroken gezin; zijn ouders scheidden toen hij nog maar een kleuter was. Bovendien was Cornelis wellicht niet zijn biologische vader. Bij zijn geboorte ontving Appie namelijk de achternaam van zijn moeder, de in die jaren tussen Amsterdam en Zaandam pendelende en toen nog alleenstaande Alida de Boer. Pas nadat Cornelis en Alida hun korte huwelijk waren aangevangen – Albert begon inmiddels al zijn eerste woordjes te brabbelen –, kreeg hun zoon de achternaam van zijn vader.

Na de ouderlijke scheiding verbleef Appie zo nu en dan bij zijn vader in Zaandam, maar meestal bij zijn moeder. In 1921 hertrouwde Cornelis met zijn stadgenote Helena Leonarda Wever. Het pasgehuwde stel verhuisde naar Wormer en zou pas jaren later terugkeren naar Zaandam. Samen kregen ze nog een handvol kinderen. Appie nam er op afstand kennis van; in die periode verzorgde zijn moeder hem.

Peperhoek

Ten tijde van zijn vertrek naar Spanje woonde Appie wel bij zijn vader, op het adres Franschestraat 34. Alles wijst er op dat hij een telg was uit een klassiek arbeidersgezin. Zijn moeder had voor haar huwelijk gewerkt als dienstbode, zijn vader was stoker op een stoomtrawler. Appie zelf stond ingeschreven als pakhuisjongen. En de Franschestraat maakte deel uit van de Peperhoek, het versleten, armoedige Zaandamse stadscentrum waar meerdere latere Spanjestrijders leefden.

Appie bevond zich in het hart van de grote Zaanse brigadistengolf die tijdens de zomer van 1937 naar het zuiden rolde. Kort voor hem waren onder anderen zijn buurtgenoten Willem Brondgeest en Jan Hulst richting Spanje gereisd. Zeer waarschijnlijk kende Appie hen. Gretig zal hij de verhalen over hun plotselinge vertrek tot zich hebben genomen. Hij voegde zich echter niet bij dit duo, maar lijkt met een andere buurtgenoot de uitdaging te zijn aangegaan: Gerrit Timmerman (Zaandam, 1913). Die woonde in de Kalverstraat, op minder dan een steenworp afstand van Appies huisadres.

Gerrit Timmerman rond 1937 (Nationaal Archief)

Chauffeur-monteur Gerrit Timmerman was bijna vier jaar ouder dan Appie en net als hij afkomstig uit een arbeidersnest. Gerrit woonde in 1937 eveneens bij zijn ouders in huis. Er was ook een opvallend verschil: waar zijn familie geregistreerd stond als rooms-katholiek, had het gezin Brand het geloof afgezworen.

Werkloos

In het voorjaar van 1937 ontbrak het Gerrit Timmerman al geruime tijd aan een baan. Dat was niet uitzonderlijk; door de economische crisis zat meer dan een kwart van de beroepsbevolking werkloos thuis. Met zijn vrienden besprak Gerrit de uitzichtloosheid van het bestaan en de mogelijkheden om daar aan te ontsnappen. “Ik en verschillende jongens hadden onderling dikwijls over Spanje gesproken”, verklaarde hij achteraf tijdens een politieverhoor, overigens zonder namen te verklappen. “Ik had mij tegen hen dikwijls uitgelaten dat ik wel trek had om naar Spanje te gaan.” Niet om er te gaan vechten, voegde hij daar haastig aan toe, ‘doch om werk te krijgen’. Het was een verklaring die veel oud-Spanjegangers aflegden. Soms was het de waarheid, vaak een uitvlucht om aan overheidssancties te ontsnappen. Welke van de twee opties voor Gerrit gold is niet duidelijk, al zei zijn latere echtgenote dat hij geen idee had wat de Burgeroorlog met zich meebracht: “Hij was helemaal geen vechtersbaas.”

Binnen de door zijn onvoorziene verdwijning verraste familie zong het verhaal dat hij communist was. Dat was begrijpelijk; veel van Gerrits vrienden en kennissen bevonden zich in de marxistische hoek. In 1938 probeerde Gerrit echter de hem ondervragende Zaandamse rechercheur Jan van der Schaaf te laten geloven dat hij ‘niet bij de Communistische partij of wat ook’ was aangesloten. “Ik ben R.K.”

Geronseld

Er zaten inconsistenties en dubieuze wendingen in Gerrits verhalen. Toen hij zich eind oktober 1937 tot het Nederlands consulaat in Barcelona wendde, vertelde hij daar ‘te Haarlem geronseld [te zijn] om naar Spanje te komen’. De boosdoener was ‘Van So[o]lingen, die hem ook de middelen verstrekte voor de reis’. Drie maanden later spiegelde Gerrit de politieman Van der Schaaf een heel ander scenario voor. Er bleef hem weinig keus; eerder had een Haarlemse ex-brigadist al verklaard Nederland te hebben verlaten ‘in gezelschap van een Zaandammer, Timmerman, en enige andere hem onbekende Nederlanders, die als herkenningsteken ditmaal het Volksdagblad in de hand hielden’. Deze Jeen Duursma had met geen woord gerept over de betrokkenheid van Cornelis van Soolingen. Gerrit herschreef bij nader inzien een deel van zijn eerdere verklaring: “Met een zekere van Sollingen [sic] uit Haarlem heb ik nog nimmer kennisgemaakt.”

Tegen Van der Schaaf zei hij verder op een junidag in 1937 in de Oostzijde te zijn ‘aangesproken door een mij onbekende man die een Brabants dialect had’. Die zou hebben gevraagd of hij ‘trek had om naar Spanje te gaan’. Gerrit ging daar naar eigen zeggen enthousiast op in. Hij kreeg te horen dat hij de 26ste juni op de brug voor het Amsterdamse Centraal Station moest gaan staan, ‘dan kwam er wel iemand op mij toe die mij verder zou helpen’. In de vroege avond werd hij daar inderdaad benaderd, met de woorden: “Jij bent zeker de jongen die naar Spanje wil.” De vraagsteller was Jeen Duursma. Hij kocht voor Gerrit een treinkaartje naar Parijs, ‘alwaar wij de volgende dag, 27 juni 1937 te omstreeks 7 uur, aankwamen.’

Pyreneeën

Vanaf hier lopen de verklaringen van Timmerman en Duursma redelijk parallel, al dacht de laatste wel abusievelijk dat ze anderhalve week eerder naar het buitenland waren gereisd. De verzorging door de Franse communistische partij, de groepsreis per bus van Parijs naar achtereenvolgens Lyon en Perpignan en de tocht over de Pyreneeën kregen bij beiden een plek in hun verhaal. Waar Duursma echter vertelde al vanuit Nederland met ‘enige andere hem onbekende Nederlanders’ te zijn afgereisd, hield Gerrit het op Parijs als de plaats van waar hij met ‘nog een 5-tal Hollanders in een auto’ verder zuidwaarts was gegaan. Vermoedelijk uit loyaliteit zweeg hij na terugkeer uit Spanje tegen de autoriteiten over medereiziger Albert Brand.

Een Republikeins overzicht van 30 juni 1937 laat zien dat beide Zaandammers Spanje tegelijkertijd bereikten. Op een lijst van 51 ‘legale vrijwilligers’ die deze dag aankwamen in het Catalaanse Setcases, staat ook Appies naam. Samen met hem arriveerden er nog twee ‘Holandese’ in het gehucht, dat een paar kilometer van de Frans-Spaanse grens ligt: de Haarlemmer Piet Dirks en Cornelis Botterman uit Amsterdam. Laatstgenoemde werkte eerder bij de Zaandamse Artillerie-Inrichtingen. Wellicht wisten hij en Albert Brand al voor hun Spanjereis van elkaars bestaan.

Gerrit Timmerman arriveerde diezelfde 30-ste juni met onder anderen Jeen Duursma bij een oostelijker gelegen Pyreneeëndorp, Espolla. Een etmaal later bevonden de twee Zaanse nieuwkomers zich in Albacete, honderden kilometers zuidelijker. Ze waren er per trein heengebracht. “Hier was alles militair en de inkwartiering geschiedde dan ook door militairen”, vertelde Gerrit Timmerman in 1938. Appie kreeg in dit defensiebolwerk weliswaar eveneens een militaire inkwartiering, maar op een andere plek dan hij verwachtte en hoopte. Om onbekende redenen belandde hij er in de gevangenis. Wellicht waren zijn reispapieren niet in orde. Die omissie stond garant voor een preventieve opsluiting tot er helderheid bestond over de motieven van de fellow traveler.

Training

Het verblijf achter de tralies duurde maar kort. De Republikeinen hadden iedereen nodig om de oprukkende nationalistische manschappen af te stoppen. Op 3 juli stond Appie enkele tientallen kilometers verder op de stoffige grond van Madrigueras. Hij kwam daar een vier dagen eerder in Catalonië gearriveerde plaatsgenoot tegen, Mijndert van der Horst. Met honderden andere aspirant-soldaten ondergingen ze de training die hen tot frontstrijders moest maken. De basale oefeningen – vooral schieten en marcheren – namen enkele weken in beslag. Appie werd vervolgens toegevoegd aan de tweede compagnie, een onderdeel van de dertiende, merendeels Duitstalige brigade. Het lijkt er op dat hij zich nog altijd zeer betrokken voelde bij de vrijheidsstrijd. Toen er onder de soldaten werd gecollecteerd voor de Internationale Rode Hulp doneerden de meesten bedragen van een halve tot vier peseta’s. Appie schonk er vijf, het volledige voorschot dat hij even daarvoor had ontvangen.

Vermelding van Albert Brand en Gerrit Timmerman op een Republikeins overzicht van in Albacete gearriveerde vrijwilligers, 1-7-1937 (Sovdoc.rusarchives.ru)

Gerrit op zijn beurt kreeg daags na aankomst in Albacete te horen dat hij was ingedeeld was bij de ambulancedienst. Hij kwam terecht bij een ziekenhuis in Murcia, kort achter het front. “Om reden van mijn beroep chauffeur-monteur was, werd ik belast met het vervoeren van gewonde militairen, die ik moest halen (per auto) van het station Passarcebilje bij Albacete en [ik] moest voornoemde militairen brengen naar het hospitaal Radio Murcia.”

Tyfus

Anderhalve maand lang reed Gerrit Timmerman op ongeregelde tijden de honderd kilometer naar Albacete en weer terug, met kermende en bewusteloze soldaten in de achterbak van zijn voertuig. Toen ging het mis; hij belandde zelf als patiënt in Radio Murcia. Niet door een kogel of granaatscherf, maar omdat hij besmet raakte met tyfus. Het duurde een paar weken voor hij opknapte. “Toen ik bijna beter was, kreeg ik van de militaire autoriteiten bericht dat ik naar Albacate moest om daar gekeurd te worden. Tevens werd mij medegedeeld dat ik zeer waarschijnlijk naar het front gezonden zou worden.” Naar eigen zeggen zag Gerrit daar geen heil in. Op 25 oktober 1937 nam hij contact op met het consulaat in Barcelona, in een poging om het dreigende bevel te ontlopen. Hij had succes. De consul in Valencia verschafte hem een paspoort dat drie weken geldig was. Vanuit Barcelona kon hij met een Frans schip naar Genua en vervolgens probleemloos met de trein door naar Nederland. Op 2 november was hij weer in zijn vaderland.

Albert Brand kon of wilde niet de route terug naar Zaandam volgen die Gerrit Timmerman had afgelegd. Hij ging zodra de legerleiding het wenselijk achtte, en dat was al heel snel, naar de voorste gevechtslinies. In juli 1937 waren de Republikeinen bij Brunete – 25 kilometer ten westen van Madrid – begonnen met hun eerste tegenoffensief. Hun inzet was tweeledig. Gepoogd werd om de belangrijkste wegen te blokkeren die de vijandelijke troepen gebruikten op hun doortocht naar de hoofdstad. Ook moest deze aanval de belaagde noordelijke provincies Asturië en Santander lucht geven. De poging ontaardde in een debacle. Tegenover een minimale terreinwinst stonden 20.000 gesneuvelde en gewonde manschappen aan Republikeinse kant. Het was de Spaanse versie van de hel. “Het was er erg warm, het stonk verschrikkelijk van de lijken die er lagen”, herinnerde een Nederlandse brigadist zich tientallen jaren later nog.

Zaans accent

Ook Albert Brand kwam niet heelhuids uit de strijd. Medestrijder Krijn Breur wijdde in het voorjaar van 1938 voor het socialistische blad De Proletarische Vrouw een uitgebreid artikel aan hem. Hij omschreef de Zaandammer als ‘een lange jongen, mager en blond. De wat slome trek van zijn gezicht leek de uitdrukking van het Zaanse accent van zijn spraak’. Breur legde gedetailleerd vast hoe Appie zich hield tijdens de slag om Brunete, toen hun eenheid probeerde om het dorp Villanueva op de vijand te heroveren. Kort voor de aanval begon, bevond Appie zich in een droge rivierbedding, pogend ‘om de angst voor wat komen ging te verbergen’. Amper uit deze dekking gesprongen werd hij, als eerste van zijn eenheid, geraakt door een kogel. “’t Was de moeite niet waard, een ‘Streifschuss‘ langs zijn rechterarm”, bagatelliseerde zijn Amsterdamse kameraad. “Maar de heftige klap en de bloeding die volgde, braken zijn kracht. Hij viel schreiend op de grond en riep om de sanitario’s en om zijn moeder. Met mijn volgende sprong lag ik vlak bij hem en zag dat er niets was gebeurd. ‘G.v.d., hou je snuit. Als ze komen zijn we d’r vast aan. Schreeuw niet zo!’, beet ik hem toe. Hij zweeg, maar bleef liggen, snikte met zijn gezicht in het zand.”

Het Republikeinse offensief werd aanvankelijk afgeslagen. De soldaten trokken zich terug, met achterlating van enkele gewonden. Albert Brand lag urenlang roerloos op de droge grond. “Ik denk dat zijn wond pijn ging doen, of dat de hitte het hem benauwd maakte”, schreef de inmiddels eveneens neergeschoten en op hulp wachtende Breur. “In ieder geval hoorde ik opeens steunen en even later riep hij weer: ‘Sanitario, Sanitario! Moeder, o, help mij!’ Dadelijk takte de mitrailleur der fascisten. Ik zag het zand rond Ap opspringen, links! – rechts! – vóór hem, toen trok hij samen met een schreeuw van pijn en was stil.”

Benicassim

Pas na het intreden van de duisternis konden de gewonden in veiligheid worden gebracht. Appie kwam er relatief goed vanaf. De kogels in zijn arm en schouder hadden geen vitale delen geraakt. Per ambulance en trein werden hij en Krijn Breur naar een ziekenhuisje in Benicassim, aan de Spaanse oostkust, vervoerd. Begin augustus mocht Appie het hospitaal alweer verlaten, de vierde van die maand werd hij ingedeeld bij de elfde brigade onder leiding van zijn landgenoot Piet Laros. Hij vertrok opnieuw naar de voorste linies, ditmaal bij Madrigueras. Het verbaasde de soldaten die hem hadden meegemaakt in de loopgraven bij Villanueva. Krijn Breur: “Als we onder elkaar over hem spraken, zeiden we: ‘Die? Die gaat niet meer weg!’ Als je zijn bleke gezicht zag, leek het er ook niet erg op.”

De compagnie van ‘Hollander Piet’, zoals Laros’ bijnaam luidde, herbergde ruim tachtig Nederlanders en verder wat Vlamingen, Oostenrijkers en Spanjaarden. In de hagiografie Nederlanders onder commando van Hollander Piet in Spanje wordt vermeld dat deze compagnie vocht bij Quinto en ‘in de barre koude van de sneeuwstormen op de hoogvlakte’ van Teruel, zo’n tweehonderd kilometer oostelijk van Madrid. Krijn Breur, in zijn bloemrijke krantenverslag over de gevechten bij die laatste plaats: “Toen de vijand in de eerste januaridagen in sneeuw en regen zijn beste troepen stuurde om Teruel te heroveren, stond Ap weer tussen de anderen en deed zijn anti-fascistenplicht. De stad was van ons en bleef van ons. Achtmaal op een dag vielen de fascisten aan, achtmaal deinsden ze af.”

Doorbraak

Het was de strengste winter in decennia. De temperatuur zakte soms tot vijftien graden onder nul. Steeds meer Republikeinse manschappen deserteerden. Met de dag werd de situatie aan republikeinse kant chaotischer. Mede daardoor slaagde een overmacht aan nationalistische militairen, gesteund door luchttroepen, er medio februari 1938 in om een doorbraak te forceren en Teruel in handen te krijgen. Breur: “De sneeuw lag dik op het veld, in de grimmige koude vroren onze gewonden dood. De zwarte avions kruisten ook ’s nachts boven de linies en als de mitrailleurs schoten om te verhinderen dat het koelwater bevroor, suisden de bommen neer naar de plaats waar de vliegers het mondingsvuur hadden opgemerkt. Ap deed zijn plicht, hield stand voor het ideaal dat hem naar Spanje gedreven had, dat hem de krachten schonk om zijn angst te overwinnen.”

Onduidelijk is wanneer exact tijdens die moordende winter Appie voor de tweede keer werd getroffen door vijandig vuur. Maar ditmaal was het fataal. Breur: “Hij stierf in het hospitaal, in hetzelfde rustige plaatsje aan zee waar hij de moed tot strijden had geleerd van andere kameraden. Een granaatwond aan zijn buik kostte hem het leven. (…) Hij is op de schouders van andere gewonde kameraden naar het kleine kerkhof aan de kust gedragen.” Het dorpje waar Albert Brand de laatste adem uitblies was Benicassim, waar hij enkele maanden eerder ook al in het ziekenhuis lag.

Begraafplaats

Op de lokale begraafplaats bevindt zich tegenwoordig een monument met 26 namen van Spanjestrijders die ter plekke stierven. Er staat één Nederlander op, Albert Brand. Zijn naam is, net zoals dat tijdens de Spaanse Burgeroorlog regelmatig gebeurde, verkeerd geschreven: “Braut, Albert.”

Het oorlogsmonument in Benicassim (R. Dijkstra)

Gerrit Timmermans buitenlandse avontuur duurde slechts vier maanden, maar de nasleep zou hem de rest van zijn korte leven achtervolgen. Om te beginnen werd hem vrijwel onmiddellijk het staatsburgerschap ontnomen. Toen hij in maart 1938 trouwde met Trijntje Beekman raakte ook zij prompt het Nederlanderschap kwijt. Ook hun twee kinderen – eveneens Gerrit en Trijntje geheten en geboren in respectievelijk 1940 en ’41 – werden op slag stateloos. Die situatie zou voortduren tot na de Tweede Wereldoorlog.

Sachsenhausen

Zijn oorlogsverleden maakte dat Gerrit op 12 juli 1941, zoals wel meer Spanjestrijders overkwam, werd gearresteerd. Het was de laatste keer dat zijn echtgenote, zwanger van Trijntje, hem zag. Via de kampen in Schoorl en Amersfoort belandde Gerrit in juni 1943 in het Duitse Konzentrationslager Sachsenhausen. “Mijn moeder heeft nog een foto van mij, verstopt in een pak havermout, naar hem gestuurd”, wist zijn dochter. Haar vader overleefde de ontberingen in Sachsenhausen niet. Op 15 mei 1944 stierf hij er in de ziekenbarak aan tuberculose.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Kristallnacht in Vlotho, vlucht naar Zaandam. ‘Ze gedroegen zich als wilden’

In mijn boek Eisendrath, een verzonken familie komen ook de lotgevallen van de Duits-joodse familie Juchenheim aan bod. Na de Kristallnacht vluchtte een aantal gezinsleden naar Nederland. Hier het hoofdstuk over die angstige periode in 1938.

Nog geen jaar na de uitreis van Emma, zijn moeder, wordt voor Paul Juchenheim de situatie onhoudbaar. Hoewel getrouwd met de evangelisch ingestelde Frieda – een keuze die het merendeel van zijn familie moeilijk kan accepteren; Israëlieten huwen geen christenen, daarover zijn ze het wèl eens met de nazi’s –, blijft het joodse stigma hem aankleven. Dat zijn dorpsgenoten hem zien als een moeilijk man, iemand met gedragsstoornissen, maakt de situatie niet overzichtelijker. ‘Zappel-Paul’ honen ze al jaren. De smiespelaars verwijzen daarmee naar de hyperactieve, klunzige hoofdrolspeler uit het oude kinderboek Struwwelpeter. Pauls drukte en onhandigheid zijn legendarisch, al sinds de lagere school. Het joodse internaat in het verre Wolfenbüttel noch een joods particulier lesinstituut op het Duitse Waddeneiland Norderney hebben daaraan iets kunnen veranderen. Een aansluitende studie die hem moest voorbereiden op een toekomst als koopman was mede daardoor een recept voor mislukking. Gelukkig kon en kan hij zijn talenten kwijt in de culturele wereld, al enkele decennia trouwens. Daar waardeerden ze zelfs tot op zekere hoogte zijn excentriciteit.

Huisdoorzoeking

De bakens zijn echter verzet. Pauls baan in de filmindustrie maakt hem verdacht. De huidige leiders hebben weinig op met onafhankelijke creativiteit, en al helemaal niet als daarbij joden gemoeid zijn. Wanneer Paul in 1936 voor werkzaamheden in Nederland verblijft, doorzoekt de politie zijn huis. Onduidelijk is waarom de keuze valt op de woning aan de Herforder Strasse, al wordt er later wel gefluisterd over een vondst van ‘belastende brieven’. Het maakt ook niet uit. De tijd dat er juridische aanleidingen nodig waren om een huis overhoop te halen, ligt ver terug. Het feit dat hier een jood woont is voldoende.

Paul krijgt lucht van de huiszoeking. Hij redeneert dat een terugkeer naar Vlotho gelijkstaat aan een enkele reis naar de gevangenis of het kamp en besluit in Nederland te blijven tot de lucht is schoongewaaid. Bernard en Selma Eisendrath geven hem in hun Zaandamse woning een kamer en voedsel, voor zolang als nodig is. In tergende spanning en afgesloten van betrouwbare berichtgeving wacht Paul de ontwikkelingen af. Wekenlang.

Selma Eisendrath, Lore Juchenheim, Emma Juchenheim en Bernard Eisendrath in Zaandam. Eind jaren ’30. (E. Mulder)

Gijzeling

De situatie lijkt te escaleren, gebeten als de politie is op het arresteren van de in het buitenland verblijvende rassenvijand. Om hem te dwingen zich aan te geven, nemen Duitse agenten Frieda in gijzeling. Ze verdwijnt in Bielefeld achter de tralies, ver buiten bereik van haar geliefden. Het pressiemiddel werkt niet. Paul blijft in Zaandam. Pas na drie maanden krijgt Frieda haar vrijheid terug. De voortdurende pesterijen met als doel om zoveel mogelijk jehoedem de grens over te drijven, hebben nu ook haar aangetast. Ze stopt de schamele bezittingen die de overheid genadig toestaat in een koffer en verlaat Duitsland. Aangekomen in de Zaandamse Bootenmakersstraat kan ze haar echtgenoot weer omarmen.

Heel lang blijven Paul en Frieda niet bij hun familie. Gesteund door het Comité voor Joodsche Vluchtelingen vinden ze een kamer in Amsterdam. Het is de eerste van een serie – meestal kunnen ze slechts een paar weken of maanden blijven, alvorens weg te moeten –, die uitgebaat worden door huiseigenaars met namen als Lösing en Rosenthal. Op het Merwedeplein, waar beide ballingen het langst hun spullen uitstallen, kunnen ze in hun geboortetaal van gedachten wisselen met het enkele portieken verderop wonende echtpaar Frank en hun twee dochters, net als zij vluchtelingen. Duitsland is nooit uit de buurt, het jodendom evenmin.

Vluchtelingencomité

Eigenlijk willen ze verder trekken, andere grenzen over. Zo ver mogelijk van die hysterische tiran in Berlijn. Weg van de politici die hun bierkelders hebben verruild voor het regeringspluche en daar hun gebral omzetten in wetsartikelen. De nazi’s knagen aan het buitenland, streven naar meer Lebensraum. Wie zegt dat Nederland een veilige haven blijft? De Juchenheim-probeersels zijn vergeefs, maakt een briefje van het vluchtelingencomité aan de Vreemdelingendienst duidelijk: ‘Deze familie kan niet emigreren, omdat de man ziek is.’ Terwijl zijn zwager en diens echtgenote hun ontsnappingskansen beproeven, zoekt ook Bernard contact met het Comité voor Joodsche Vluchtelingen. De enige Juchenheims die nog in Vlotho zijn achtergebleven, Alwin, Paula en hun twee kinderen, verkeren in acuut levensgevaar.

Lore, Alwin, Hans en Paula Juchenheim (Joods Museum Dorsten)

Kristallnacht

Op 9 en 10 november 1938 golft er een nazistische furie door de Duitse straten. De laarzen nemen het land over. Het is tijd dat de joden ‘de razernij van het volk’ voelen, schrijft instigator Joseph Goebbels in zijn dagboek. Twee dagen eerder heeft een Hannover jood zijn revolver gebruikt om een Duitse diplomaat te doden en daarmee ontsteekt hij de lont in het kruitvat. Het moment voor een massale pogrom is daar. Duizenden synagogen, joodse winkels en huizen worden op bevel van Goebbels en Hitler belaagd en vernield in wat moet doorgaan voor een spontane opstand.

In de vroege ochtend van de tweede dag vol aangejaagde razernij lopen vier SS’ers en SA’ers gewapend met bijlen en voorhamers van het raadhuis naar de sjoel van Vlotho. Ze openen de houten voordeur en beginnen met hun gereedschap om zich heen te slaan. Kerkbanken, heilige relikwieën, de kostbare kroonluchter en de kasten; alles van waarde versplintert onder het uitzinnige geweld. Uit het door een bijl geteisterde harmonium komen bij elke slag valse tonen, net zolang tot het instrument definitief zwijgt. ‘Ik zag hoe de uitvoerend ambtenaar Wilhelm Krumme, die sowieso altijd gekte in zijn hoofd had, zichzelf een gebedsmantel had omgehangen en daarmee in de synagoge ronddanste’, verklaart een toevallige passant later. ‘Ze gedroegen zich allemaal als wilden, als dwazen.’ Wanneer het kwartet hun vernielzucht heeft bevredigd, krijgen Alwin Juchenheim en de andere joodse mannen uit het dorp bevel om de houten restanten naar buiten te tillen. Ze moeten de overblijfselen naar een eilandje in de Weser dragen. Even later laait daar een groot vuur op.

‘Wegwezen’

De enige als zodanig herkenbare joodse winkel in het dorp wordt die dag eveneens gemolesteerd. De kostbare kledingvoorraad van de confectiezaak belandt ordeloos op het kerkplein, alle verkoopsters worden door grofgebekte SA’ers naar buiten gecommandeerd: ‘Wegwezen, wat willen jullie hier nog!’ Ook de woning van de Juchenheims ontsnapt niet aan het barbarisme. De eigenaars hebben met hun rijkdom lang genoeg de ogen uitgestoken van hun buren, meent de revolutionaire horde. De middag wordt benut om alle ramen, de deuren, trap en badkamer aan diggelen te slaan, een lot dat overigens nog elf huizen beschoren is.

Een van die vermeende jaloerse buren is Ursula, een meer dan goede vriendin van Lore Juchenheim. Terwijl de verwoestingen voortduren, holt Ursula naar het station. De trein komt eraan. Lore is die ochtend, zoals elke werkdag, naar het joodse meisjesgymnasium in Bad Oeynhausen vertrokken. Onder haar zwarte, golvende kapsel schuilt een helder verstand en leergierig als ze is, heeft ze het al geschopt tot de vierde klas. Er is overigens ook wat doorzettingsvermogen van haar ouders nodig geweest om haar zover te krijgen. De directeur had zijn leerlinge eerder dit jaar van school willen verwijderen. Pas toen Paula hem Alwins toegekende Erekruis voor Frontstrijders toonde, en daarmee diens tijdens de oorlog bewezen vaderlandsliefde en opofferingsgezindheid, ging de directeur overstag. Hoewel ze joods was, mocht Paula’s dochter blijven.

Lore Juchenheim

Kapotgeslagen

’s Middags keert Lore terug van school, om zoals altijd even voor half drie in Vlotho uit de trein te stappen. Ursula neemt Lore gehaast mee naar haar eigen, veilige huis, uit het zicht van het geteisem dat de omgeving afstroopt. Ontdaan vertelt ze daar wat er aan de andere kant van de schutting heeft plaatsgevonden. ‘De staande klok werd omver geworpen. Kristal dat op het buffet stond werd kapotgeslagen, de piano beschadigd. De toetsen stonden allemaal rechtop! Het zilver werd uit de lades gegrist en over de grond gestrooid. De grote hal van het huis lag vol met servies, dat voor een deel stukgeslagen was, en met bestek.’

Paula en haar tienjarige zoon Hans proberen te ontsnappen. Ze vluchten naar de rivier, maar worden onderweg mishandeld door een dolle SA’er. Wel ontkomen ze aan arrestatie. De politie heeft de opdracht om zoveel mogelijk joden op te pakken, maar bij voorkeur alleen welvarende en jonge mannen. Die kunnen worden afgetuigd en vernederd alvorens naar het concentratiekamp te worden getransporteerd, zo luiden de orders. Wat nog over is van de rechtsstaat wordt gesmoord in geweld. Tussen de 26.000 nieuwe arrestanten die Dachau, Buchenwald en Sachsenhausen bevolken, bevindt zich ook Alwin. Hij is in nazistische ogen een logische kandidaat voor arrestatie, als rijke zakenman met maar liefst twee auto’s. Parasitair Freiwild als hij kan wel een lesje gebruiken. En dus duwen ze hem samen met talloze anderen in een gereedstaande trein die het kamp als bestemming heeft.

Hans Juchenheim

Buchenwald

Het is een slopende reis in een te volle wagon, maar een oase vergeleken met wat hen bij aankomst wacht. Ter verwelkoming schoppen en slaan de bewakers van Buchenwald – de eindbestemming – de onder dwang voorbij rennende gedetineerden. De ‘novemberjoden’ vormen een dankbaar mikpunt voor de geüniformeerden, wier voornaamste doel het lijkt om hun slachtoffers geestelijk en lichamelijk te kwellen waar dat mogelijk is. In het kamp sommeren SS’ers Alwin om alles van waarde dat hij meedraagt in een krat te gooien. Hij ziet zijn bezit nooit meer terug. De registratie van de nieuwe lichting ontaardt in een urenlange marteling. Sommigen bekopen het met gebroken botten en bebloede hoofden. In de navolgende dagen en weken gaan eindeloze uren voorbij met verplichte oefeningen en strafexercities op de appèlplaats. Bij daglicht mishandelen sadisten er de ‘joodse varkens’, – de reguliere aanspreekvorm –, ’s nachts gebeurt dat in de volgestouwde, onverwarmde slaapbarakken. Daar bivakkeren duizenden tegen elkaar gevouwen gevangenen op hun britsen, zonder dekens of matrassen. Alwin heeft het gevoel op stenen te liggen. Hij kan niet draaien zonder anderen wakker te maken, ingeklemd als hij is tussen lotgenoten.

Het lijden wordt nog verergerd door het gebrek aan eten en drinken, het vuil, de doordringende kou, niet-aflatende stank en ziekte. Het is de mannen onmogelijk om zich te wassen. Al gauw kampt de meerderheid met diarree en ontstekingen. Sommigen ontwikkelen bevroren vingers en tenen. Zieken krijgen een plek op de vloer van een wrakke schuur met de bijnaam ‘barak des doods’. Het is ‘een bouwval, die stonk naar uitwerpselen, urine en pus’, aldus een gedetineerde verpleeghulp. Alwin is er getuige van hoe medegevangenen in hun radeloosheid tegen de onder hoogspanning gezette omheining lopen of er voor kiezen om zich te laten neerschieten in de verboden zone die het binnenkamp omringt.

Dakloos

Het duurt enige dagen voor althans een deel van de rampspoed doordringt tot Zaandam. Bernard grijpt onmiddellijk zijn vulpen en vraagt zowel het ministerie van Justitie als het Comité voor Joodsche Vluchtelingen al het mogelijke te doen om ‘Paula Juchenheim-Katzenberg, met Lore, 12 jaar, en Hans, 10 jaar, joden’ naar Nederland te halen. ‘Beleefd roep ik uw welwillende medewerking in om hen, eventueel de 2 kinderen, de grens te laten passeren zodra hun het vertrek uit Duitsland is toegestaan.’ Hoe groot de paniek is, blijkt uit een haastig geschreven briefje dat Selma ontvangt. ‘Je moet beslist, dringend en in allerijl Paula en de kinderen helpen. Alwin is weg. Door borgtocht of emigratiepapieren komt hij vrij. Paula en de kinderen zijn dakloos.’ Met een verwijzing naar deze familiaire noodkreet doet Bernard een nieuw beroep op het joodse vluchtelingencomité om zijn ontheemde familieleden toe te laten. In zijn achterhoofd speelt de knagende wetenschap dat de regering de grenzen bij voorkeur potdicht houdt. ‘Zoals ik u reeds berichtte zijn wij bereid hen te ontvangen. Of zij tot de uitverkorenen zullen behoren die hier in Holland mogen komen, is natuurlijk nog niet te bezien’, schrijft hij gedienstig. Er schemert twijfel tussen zijn met krullende letters gevulde zinnen. ‘Wat “borgstelling” of “Auswanderungspapieren” betreft, dat ligt natuurlijk buiten mijn competentie, daar ik niet weet hoe die te stellen of te verkrijgen. Mag ik deze zaak in uw bijzondere aandacht aanbevelen?’ Als weekmaker – of is het een voorzichtige omkooppoging? – stort hij ‘ter eerste bestrijding van eventuele onkosten’ vijfentwintig gulden op de comitérekening, ‘naast de reeds gestorte bedragen’. Nu is het wederom wachten op een gunstige beschikking.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Opmars en neergang van de ‘stinkende’ Zaandamse (nationaal-)socialist Jan Duijs

Een veelbelovender politicus dan Jan Duijs heeft de Zaanstreek zelden gehad, in de dubbele betekenis van het woord. De charismatische SDAP’er schetste zijn massale arbeidersachterban keer op keer in gezwollen bewoordingen een hemel op aarde. Hij klom op tot de machtigste man van Zaandam en tot Kamerlid in Den Haag. Maar zijn val was diep: hij stierf als wraakzuchtige nationaalsocialistische vrederechter. 

Zaandammer Jacobus Johannes ’t Hoen (1931) had ooit het plan om te promoveren op politicus Jan Duijs. Verder dan dat voornemen kwam het helaas niet. ’t Hoens onvoltooide dissertatie ligt sinds eind jaren negentig bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam. Het bestaat uit honderden vellen papier van zijn werkgever, het Zaanlands Lyceum. Op de achterzijde kun je de repetitiestof voor en zelfs de namen van de leerlingen van deze geschiedenisdocent vinden. Op de voorkant staan geschreven en getypte aantekeningen over de machtigste socialist die de Zaanstreek ooit had. ’t Hoens inspanningen hadden moeten resulteren in een promotie aan de Universiteit van Amsterdam. Kort voor het zover kwam stierf hij, in 1988. Wellicht dat iemand het werk over de invloedrijkste Zaandammer aan het begin van de twintigste eeuw ooit afrondt. Al was het maar om de politieke draai die deze sociaal-democraat maakte nader te duiden. Hieronder een biografische schets van Jan Eliza Wilhelm Duijs. En dan met name van zijn laatste, fascistische jaren. De Unvollendete van Jaap ’t Hoen vormt daarbij de basis.

Jacobus Johannnes ’t Hoen in 1983 (De Zaanlander)

“Jan Duijs is voor de ontwikkeling van de Zaandamse sociaal-democratie van nauwelijks te overschatten belang geweest”, concludeert Rob Hartmans in het boek De Rode Zaan. En inderdaad, de in 1877 geboren Duijs werd in Zaandam niet alleen een onovertroffen SDAP-propagandist (1906), raadslid (1907) en de eerste sociaal-democratische wethouder van een grote gemeente (1912), maar hij schopte het ook tot Kamerlid (1909) en Statenlid (1910). Hij kreeg het voor elkaar dat de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij in 1913 de absolute meerderheid kreeg in de Zaandamse gemeenteraad en dat Klaas ter Laan daar de eerste sociaal-democratische burgemeester van Nederland werd. Tussen 1915 en 1919 had de SDAP zelfs alle collegezetels in handen, een nooit herhaald unicum. De verdiensten van Duijs voor de ontluikende Zaanse sociaal-democratie kunnen niet genoeg op waarde worden geschat.

Jan Duijs spreekt rond 1914 op het Boschjespad in Koog aan de Zaan (Gemeentearchief Zaanstad)

Om zover te komen schuwde de hardwerkende politicus weinig middelen. Hij was een geestig en slagvaardig debater, tegen wie niemand op kon. Dat hij zichzelf daarbij nogal eens verloor in tegenstrijdigheden en opmerkingen onder de gordel deed zijn populariteit geen kwaad. Zijn populistische redevoeringen gingen er bij zijn soms honderden toehoorders in als Gods woord in een ouderling.

Zijn politieke tegenstanders waren minder enthousiast, en zelfs een enkele partijgenoot moest niets hebben van zijn bijtende interrupties en ‘stinkende insinuaties’ (Maurits Mendels). SDAP-pionier Willem Vliegen prees Duijs’ ‘geweldige feitenmateriaal’ en zijn ‘kostelijke slagvaardigheid, die natuurlijke geestigheid, die vooral in debat hem tot zo’n gevreesde tegenstander maken’. Maar, voegde Vliegen daar aan toe, ‘voor een wegwijzer bij de oplossing van politieke problemen wordt hij zeker niet aangezien.’

Het Zaandamse College van B&W met uiterst rechts Jan Duijs, 20-9-1914 (Gemeentearchief Zaanstad)

Talrijk zijn de anekdotes die over Jan Duijs rondgingen. Het raadslid dat in het dagelijks leven vroeg op moest om zijn werk als notaris te kunnen doen en daarom voorstelde om de uitlopende vergadering af te breken, ontving van Duijs een snijdende repliek: “Ik wist dat notarissen de mensen soms uitkleedden, maar niet dat ze ze ook naar bed brachten.”
Duijs las eens de notulen van eerdere raadsvergaderingen voor, om een opponent op diens tegenstrijdige verhalen te wijzen. Punt was alleen dat hij diens vermeende uitspraken ter plekke verzon. Een andere politieke opponent kreeg van Duijs te horen: “Zo, die meneer Mooij zal dus Zaandam redden. Nu ken ik hem wel. Wij zitten samen in de Provinciale Staten. Daar heb ik hem tweemaal gehoord. Een keer moest hij hoesten en de andere keer liet hij een potloodje vallen.” Het zijn enkele voorbeelden uit vele die Duijs’ straatvechtersmentaliteit tonen.

Royement

Tekening van Albert Hahn in De Notenkraker (28-12-1912): ‘Liberaal: “’t is uw schuld dat hij daar zit!” Klerikaal: “Nee, ’t is uw schuld dat hij daar zit.” Duijs: “Hij zit er.”‘

Hoewel Jan Duijs het 11 jaar als wethouder en 28 jaar als Kamerlid volhield, zag zijn partij hem eerder als stemmentrekker en uiterst populair propagandist dan als strategisch zwaargewicht. Toch kreeg hij soms iets voor elkaar binnen de sterk verzuilde Tweede Kamer. Zo zorgde hij er in 1913 met een amendement voor dat 70.000 bejaarden voor het eerst een kleine staatsuitkering ontvingen. Hij zou ook zijn zin krijgen met een aantal punten die hij in 1933 opschreef in zijn brochure Ter Oriëntering. Daarin betoogde hij dat de SDAP niet alleen de arbeidersbelangen moest dienen, zich moest uitspreken voor het koningshuis en de democratie en tegen het communisme, en diende te onderzoeken of eenzijdige ontwapening wel zo’n goed idee was. Die punten nam de partij vier jaar later allemaal over, maar toen was Duijs al geen lid meer. Hem werd verweten dat hij zijn kritiek eerst binnenskamers had moeten bespreken. Ook een vraaggesprek over zijn brochure met de anti-socialistenkrant De Telegraaf werd hem niet in dank afgenomen. De onderlinge verstandhouding raakte uiteindelijk dermate vertroebeld dat de SDAP het Kamerlid in 1935 royeerde als lid.

Tekening van Albert Hahn in De Notenkraker (22-2-1913): ‘De strijd om den ouden arbeider: Duijs verdedigt den ouden arbeider tegen de krijschende klerikale bende.’

Een jaar later schreef hij een met antisemitisme doorspekte brochure waarin hij opkwam voor de rechten van NSB’ers. Het pamflet kreeg een ereplaats bij de NSB-propagandawinkel in de Kalverstraat. Die steun ten spijt sloot Duijs zich niet aan bij de partij van Anton Mussert. Nog niet. Eigenzinnig als hij was richtte hij met Marius Dirk Dijt (een voormalig redacteur van het conservatieve tijdschrift De Waag) en oud-NSB’er Gerrit van Duyl de tegen het fascisme leunende Nederlandsche Volkspartij op. De beweging van de drie D’s werd geen succes en in oktober 1939 fuseerde de NVP met het nationaalsocialistische Verdinaso. Op dat moment had Duijs al de overstap gemaakt naar de Nationaal-Socialistische Beweging. In ’t Hoens proefschrift-in-wording kunnen we lezen hoe het afliep met de ooit zo populaire volksvertegenwoordiger.

NSB-aanbevelingsbrief, 8 september (in NSB-taal ‘Herfstmaand’) 1941 (IISG, Collectie J.J. ’t Hoen)

Al sinds zijn breuk met de SDAP toonde de NSB waardering voor het -toen nog- Kamerlid. Zijn in 1936 verschenen brochure Democraten op fascistenjacht werd instemmend besproken in de NSB-krant Volk en Vaderland: “Hopelijk wordt deze studie van mr. Duijs afzonderlijk verkrijgbaar gesteld. Zij bevat zooveel overtuigend materiaal en geeft een zoo scherpen kijk op het wezen van het marxisme, dat kennisneming voor elken volksgenoot aan te bevelen is.” Anton Mussert zocht Duijs in 1937 zelfs op in diens nieuwe woonplaats Lochem.

Germaansche ras

Jan Duijs was toen, na bijna drie decennia, Kamerlid af. Hij werd in zijn woonplaats hoofdredacteur van de Lochemse Courant. In die hoedanigheid schreef hij in januari 1941: “Ons volk is van Germaanschen bloede. De toekomst van het Germaansche ras is ook de toekomst van ons volk. De problemen die 1941 nog moge brengen, zullen, laat ieder zich daarvan goed doordringen, ook voor ons land niet anders dan in lotsverbondenheid met den grooten Germaanschen stam kunnen worden opgelost.”
In een eerdere briefwisseling met een andere oud-Zaandammer, de eveneens tot het nazisme bekeerde voormalige VARA-programmeleider Gerrit Jan Zwertbroek, stak Duijs zijn enthousiasme voor de NSB niet onder stoelen of banken: “Heb je Rost van Tonningen voor de radio gehoord? Daar is toch door een Socialist als jij of ik geen speld tusschen te krijgen? (…) Voorloopig kunnen de oude SDAP-leidertjes nog probeeren te saboteeren. Spoedig zullen ze bemerken dat de arbeiders in het Nationaal-Socialisme vertrouwen krijgen, evenals de jeugd. En je zult eens wat zien als straks het groote werk kan beginnen.”

Gemier

In Zwertbroeks pleidooi om de Nederlandse fascistische organisaties vrijwillig te laten fuseren zag Duijs niets. “Dan kan de duvel ook wel met Onzen Lieven Heer gaan”, antwoordde hij op 22 september 1940. “Men is Nationaal-Socialist of men is het niet. Al dat gemier in nieuwe beweginkjes zonder de NSB heb ik steeds met groote gelatenheid aangezien. In wereldrevolutionaire tijden als deze is al dat gecompromisel uit den boze.”

Het was een houding die de NSB wel aanstond. In augustus 1941 droeg de secretaris-generaal van het departement van Justitie Duijs voor als ‘rechter tevens vrederechter in de Arrondissementsrechtbank te Arnhem’. Duijs was niet alleen politicus, maar ook meester in de rechten en volgens de NSB dus geknipt voor deze functie. Als vrederechter zou hij onder meer de voormalige socialistische kameraden moeten bestraffen die in opstand kwamen tegen de Nieuwe Orde. In de aanbevelingsbrief werd vermeld dat Duijs ‘een trouw lid van de Beweging [is], die den nieuwen tijd begrijpt en gaarne al zijn krachten inspant om de komst van het Nationaal-Socialisme in ons land te bevorderen’.

Hersentumor

Nieuwsblad van Friesland, 17-9-1941

Probleem was dat juist rond die tijd ‘al zijn krachten’ Duijs in de steek lieten. Begin september 1941 openbaarde zich bij hem een ernstige aandoening. Zijn vrouw en hij reisden voor een behandeling naar Amsterdam, waar ze hun intrek namen in het American Hotel bij het Leidseplein. Duijs bleek een hersentumor te hebben. Een operatie bood geen soelaas. Kort daarna, op 16 september 1941, stierf hij. Drie dagen later werd hij, gadegeslagen door een kleine groep vrienden, bijgezet in het graf waar ook zijn kind lag, op de Algemene begraafplaats in Den Haag. Duijs’ echtgenote hing nadien ter herinnering aan de overledene een ingelijste spreuk boven haar bureau: “Beter een leven vol strijd dan een leven zonder idealen.”

Het nazistische college van B&W in Zaandam koos voor een ander eerbetoon. De Herman Heijermansstraat, vernoemd naar een joodse schrijver, veranderde in september 1942 in Jan Duijsstraat. Die aanpassing hield stand tot de bevrijding van Nederland. Nadien zou niemand het nog in zijn of haar hoofd halen om de ver afgezakte (nationaal-)socialistische politicus op een voetstuk te plaatsen, hoe klein ook.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Botsende belangen. De Zaandamse Rijksduitsers

Een jaar na de Duitse inval in Nederland woonden er in Zaandam ruim tweehonderd Rijksduitsers. Het was een explosief amalgaam, met zowel tientallen veelal joodse vluchtelingen als een kleinere, maar machtige groep nazi’s.

Op 22 april 1941 stuurde de NSB-burgemeester van Zaandam de provinciecommissaris desgevraagd een overzicht ‘van de in deze gemeente wonende Rijksduitsers’. Cornelis van Ravenswaay had laten uitzoeken dat er 210 uit het Duitse gebied afkomstige mannen, vrouwen en kinderen binnen ‘zijn’ stadsgrenzen woonden. Vergeleken met veel andere gemeenten was dat weinig. Volgens Loe de Jong telde heel Nederland in 1940 52.000 Rijksduitsers.

Dat relatief kleine aantal Zaans-Duitse inwoners was geen homogeen gezelschap. En het op bevel van Van Ravenswaay opgestelde overzicht was ook niet compleet. Zo ontbreken er bijvoorbeeld namen van Rijksduitsers die wel zijn terug te vinden op het Joods Monument Zaanstreek. De nationaalsocialistische administratie was niet altijd zo pünktlich als vaak wordt gedacht. Maar op basis van de 210 geregistreerde personen kan wel worden vastgesteld dat de Rijksduitsers het -om verschillende redenen- niet altijd even makkelijk hadden in Zaandam.

Beethovenstraat

De 210 Rijksduitsers waren verdeeld over honderd huishoudens. Daarvan woonden er maar liefst dertien, bijna allemaal joods, in de slechts zeventien huizen tellende Beethovenstraat. Deze begin jaren dertig opgeleverde doorsteek tussen de Burcht en het Apolloplantsoen was daarmee dé Duits-joodse straat van de Zaanstreek. (Dat dit stukje Zaandam was vernoemd naar een Duitser is een pijnlijk toeval.)

Opvallend is dat de gelijknamige Amsterdamse straat een soortgelijke aanblik bood. In 1941 was 37% van de bewoners in de hoofdstedelijke Beethovenstraat joods en eveneens vaak van Duitse komaf. Door de komst van al die vluchtelingen ontstond de bijnaam ‘Brede Jodenstraat’. Tram 24 naar de Amsterdamse Beethovenstraat werd in de volksmond de ‘Berlijn-Express’ genoemd.

De Zaandamse Beethovenstraat in 2007 (Gemeentearchief Zaanstad)

Mei 1940

Het ongemak begon al in mei 1940. Na de Duitse inval liet de Nederlandse overheid zoveel mogelijk vijandig geachte buitenlanders preventief opsluiten. Daarbij kon het gebeuren dat mensen die waren ontkomen aan het Hitler-regime in één cel belandden met doorgewinterde collaborateurs. Dat spanningsveld bleef vier dagen in stand. Na de capitulatie van de Nederlandse krijgsmacht werd iedereen weer vrijgelaten en konden de ‘deutschfreundlichen’ beginnen aan een jarenlange zegetocht.

Seyss-Inquart

Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart -ook een Rijksduitser- sloeg aanvankelijk een verzoenende toon aan. “Wij willen dit land en zijn bevolking noch imperialistisch overheersen noch onze politieke overtuigingen opdringen”, sprak hij bij zijn inauguratiespeech op 29 mei 1940. Maar vijf weken later gold er al een verbod voor joden om bij de Luchtbeschermingsdienst te werken. Het was de eerste antisemitische maatregel in een lange en steeds wredere reeks. En aan die maatregelen werkten ook Rijksduitsers mee.

Wolniewicz

Wilhelm en Margarate Wolniewicz waren twee van die collaborateurs. Ze woonden al ver voor de oorlog in Zaandam. De bezetting bood Wilhelm de mogelijkheid om op te klimmen van eenvoudige bedrijfsleider bij onder meer Albert Heijn tot SS-Führer. Hij mocht zelfs Ortskommandant worden, militair bevelhebber over de regio. In die hoedanigheid gaf hij onder meer leiding aan nazistische bijeenkomsten. Als het zijn vrouw en hem uitkwam, werd er bovendien wat joods bezit ten eigen bate geroofd.

Onder leiding van Wilhelm Wolniewicz (zie het pijltje) kwamen Duitse militairen soms voor een ‘eenpansmaaltijd’naar het ontspanningscentrum van Albert Heijn aan het Klamperspad in Zaandam. 

Negen maanden nadat Van Ravenswaay zijn overzicht naar de provinciecommissaris had gestuurd, was het aantal Rijksduitsers in de stad van de ene op de andere dag een stuk kleiner. Op 19 januari 1942 werden de buitenlandse joden verbannen van Zaandam -de eerste Nederlandse gemeente die ‘Judenrein‘ werd gemaakt- naar kamp Westerbork. Er resteerde de drie navolgende jaren, naast een almaar toenemend aantal onderduikers, slechts één joods gezin in Zaandam. De vier leden tellende familie Strauss -eveneens Rijksduitsers- bleef waar ze was, dankzij papieren zonder ‘J’ en doordat het lukte om belastende persoonsdocumenten uit de gemeentelijke administratie te verwijderen. Onder hun eigen naam en op hun eigen adres haalden ze heelhuids de bevrijding. Het was bij mijn weten een unicum in Nederland.

Jos Kamps

Zaandam telde tientallen Duitstalige nationaalsocialisten. Jos Kamps was één van hen. Hij handelde in joods roofgoed. Na de oorlog werd deze collaborateur Nederland uitgezet. Van de zestien Rijksduitsers in de Zaandamse Beethovenstraat werden er vijftien op transport gesteld naar een concentratiekamp. Dertien van hen zouden de Holocaust niet overleven. Jos Kamps, wonend op nummer 17, was wrang genoeg de ene bewoner die niet weg hoefde.

Rapportje over Jos Kamps van een ‘speurder’ van de Binnenlandse Strijdkrachten.

Veel Rijksduitsers voelden zich gevangen tussen hamer en aambeeld. Ze wilden zich op geen enkele wijze verbinden aan het heersende bewind, maar werden onder druk gezet om een keuze te maken. Zo werd van hen verwacht dat ze deelnamen aan nationalistische bijeenkomsten in het zogenoemde ‘Duitsche huis’. Weigering werd al snel beschouwd als verzet, zoals blijkt uit onderstaand BS-rapport. Sommigen kregen zelfs een oproep voor de Wehrmacht. Weigering werd beschouwd als desertie. En daarop stond de doodstraf.

Rapport van de Binnenlandse Strijdkrachten d.d. 17-3-1945 over een Zaanse Rijksduitser, waarin wordt geschetst welke druk er op hem en zijn landgenoten werd uitgeoefend.

Schipperen

Een deel van de Rijksduitsers moest dus schipperen tussen collaboratie en weerstand. Zelfs na de bevrijding konden de ‘goede’ Duitsers zich niet veilig wanen. Velen beschouwden alle Rijksduitsers als (potentiële) vijanden. Om in Nederland te blijven, was een ‘ontvijandingsverklaring’ nodig. Ook de vrouwen en kinderen die via het paspoort van hun man of vader Rijksduitser waren geworden, moesten zo’n papiertje hebben. Vrij willekeurig werden er mensen over de oostgrens gezet en bezittingen in beslag genomen. Zelfs de vader van Margot en Anne Frank, een kampoverlevende, was bang het land uitgezet te worden. Er leefde namelijk een vermoeden dat zijn bedrijf handel had gedreven met de nazi’s. Als dat kon worden bewezen, maakte hij geen kans op een ontvijandingsverklaring.

Eind 1945 waren er van de 52.000 Rijksduitsers in Nederland nog maar 25.000 over. Pas in 1951 kwam er een eind aan de selectie en de daarmee gepaard gaande onteigeningen (die Nederland ongeveer een miljard gulden opleverden).

Van alle zogeheten Rijksduiters zijn in de 21-ste eeuw nog maar enkele nakomelingen terug te vinden in de Zaanstreek. Onder hen bevindt zich niemand van joodse komaf.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





29 juni 1940: de dag dat de republikeinse Zaanstreek monarchistisch werd

De ‘rooie’ Zaanstreek is tijdens de jaren dertig in meerderheid republikeins en anti-Duits ingesteld. Maar op 29 juni 1940 stromen de straten opeens vol met mensen die een eerbetoon brengen aan prins Bernhard. Anjerdag, de eerste massademonstratie tegen de bezetter, is een feit.

De Zaanstreek doet tijdens de Tweede Wereldoorlog mee aan elk grootschalig protest tegen het heersende bewind. De bekendste zijn de Februaristaking (1941), de April-/meistaking (1943) en de Spoorwegstaking (1944-’45). Maar de eerste keer dat brede lagen van de bevolking zich tegen de nazistische machthebbers keren is Anjerdag, 29 juni 1940.

Dat de Zaankanters zich die dag zo massaal achter het koningshuis scharen, is geen vanzelfsprekendheid. De plaatselijke politiek wordt al decennia beheerst door socialisten en communisten, die tijdens het interbellum respectievelijk schoorvoetend en geen toenadering hebben gezocht tot het Oranjehuis. Dat sentiment krijgt in de meidagen van 1940 extra voeding, omdat koningin Wilhelmina en haar familieleden dan naar Engeland vluchten. Velen beschouwen dat als een laffe actie. Maar op zaterdag 29 juni 1940 slaat de stemming om. De aanleiding: de verjaardag van een (nota bene Duitse) prins.

‘Walgelijk’

Prins Bernhard is het eerste lid van het koningshuis dat na de bezetting van Nederland zijn verjaardag kan vieren. Door op 29 juni een anjer in het knoopsgat te steken -iets dat Bernhard ook met grote regelmaat doet-, etaleren veel Nederlanders hun weerzin tegen de nazi’s. Dat gebeurt verspreid over heel Nederland, en er doen tienduizenden mensen aan mee. NSB-leider Anton Mussert komt dan ook adem tekort om deze rebellie te veroordelen. “Terwijl uit Engeland, de verblijfplaats van deze man [Bernhard], de Engelse bommenwerpers opstijgen om dood en verderf te zaaien in ons volk, tooit het geestelijk rapaille zich met witte anjers ter ere van Prins Bernhard om zo hun Vaderlandsliefde te tonen”, schrijft hij in partijblad Volk en Vaderland. “Het is ontzettend, het is walgelijk.”

29 juni. Mensen leggen bloemen bij paleis Noordeinde in Den Haag, bij het standbeeld van Willem de Zwijger (Haags Gemeentearchief)

Tientallen gemeentebesturen geven openlijk of oogluikend steun aan de sympathiebetuigingen. Maar in Zaandam wordt geaarzeld. Burgemeester Joris in ’t Veld heeft anderhalve week eerder een bericht ontvangen van de provinciecommissaris. Die schreef dat het College van secretarissen-generaal het wenselijk vond ‘dat met het oog op de rouw waarin ons land op het ogenblik verkeert voorlopig geen Nederlandse vlaggen worden getoond’. De commissaris voegde daar aan toe dat hij persoonlijk geen bezwaar had ’tegen het dragen van een oranjestrik of -sjerp van cocardes en dergelijke in de nationale kleuren’.

Anthonie Jan van Doorn

Die zaterdagmiddag dragen overal in de Zaanstreek mensen witte anjers of oranje strikjes op hun kleding. Zelfs politie-inspecteur Anthonie Jan van Doorn heeft zo’n strik op zijn uniform gespeld. Hij moet niets hebben van de nieuwe machthebbers, en is bereid om daar consequenties aan te verbinden.

Rond half vijf komen er meerdere verontrustende meldingen binnen op het Zaandamse politiebureau: een aantal NSB’ers ontdoet de Zaankanters die ze tegenkomen hardhandig van hun Orangistische steunbetuigingen. Van Doorn stuurt onmiddellijk een surveillancegroep op pad. Zelf rijdt hij met de dienstauto noordwaarts de Westzijde af, omdat de fietsende nationaalsocialisten die kant op zouden zijn gegaan. Hij treft de vijftien bloemen stelende zwarthemden aan in Zaandijk. Daarop neemt Van Doorn contact op met Johannes van Wordragen. Die is bereid om in te grijpen. Het leidt ertoe dat deze plaatselijke NSB-leider zijn inmiddels tot Wormerveer gevorderde partijgenoten het bevel geeft om onmiddellijk terug te fietsen naar het Kringhuis in Zaandam. De rust keert terug. Voor even.

Hoofdinspecteur Anthonie Jan van Doorn, 1941

Engelsche propaganda’

Hoofdagent Johannes Blakenburg bevindt zich rond zeven uur ’s avonds in het bureau aan de Vinkenstraat. Daar verzamelen zich voor- en tegenstanders van het nieuwe bewind; zo’n tien tot vijftien geüniformeerde NSB’ers en drie burgers. Uit de laatste groep klinken klachten; bij een hunner is ‘een oranjestrikje, dat hij in het knoopsgat van zijn jas droeg, afgerukt’. De dader, Johan Vis, staat erbij en geeft zijn diefstal grif toe. “Bij meerdere personen hebben wij reeds oranje of een bloem van hun jas gerukt”, verklaart hij trots tegen Blakenburg. “Dit is ons door onzen leider, het hoofd van de Weerafdeling, opgedragen en geschiedt thans over het geheele land, daar het dragen van oranje of van een bloem op dezen dag Engelsche propaganda is. Er is geen Nederlandsche regeering meer en wij houden ons dus niet meer aan de Nederlandsche wetten.” Vis verwijst naar hoofdinspecteur Van Doorn, ‘die er alles van weet’ sinds zijn ontmoeting met Van Wordragen. Het is voor Blakenburg aanleiding om de hoofdinspecteur te bellen.

Johannes Blakenburg, 1928

Rond half acht stapt Van Doorn het politiebureau binnen. Er ontstaat een woordenwisseling. Van Doorn tegen Van Wordragen: “Ik zou wel eens willen zien dat iemand de moed had mijn oranjestrikje weg te nemen.” Dat laat Vis zich geen twee keer zeggen. Blakenburg: “Hij zeide tegen I.v.P. v. Doorn, dat hij hem op de straat het oranjestrikje niet van zijn jas had willen wegnemen, om het prestige van de politie niet te schaden (althans woorden van gelijke strekking) en nam toen met een vlugge onverwachte beweging het oranjestrikje weg dat I.v.P. v. Doorn op zijn jas droeg.” De inspecteur reageert ontdaan: “Dat is toch het toppunt, ik arresteer je.” Hij loopt de gang in om Vis in de cel te zetten. “Deze riep luidkeels: ‘Jongens, ze arresteeren mij.’ Toen ik voor de deur van de agentenwacht stond, zag ik agent Jelsma daar staan met de hand aan den revolvertasch, terwijl een agent iets verderop stond, ik meen dat het Mus was, met getrokken revolver.”

Gespannen

Er dreigt een schietpartij in het hoofdbureau van politie. Van Doorn: “De atmosfeer was zeer gespannen. Ik voelde, dat de NSB’ers op mijn bevel om het bureau te verlaten, op z’n zachtst uitgedrukt, zeer hardhandig uit het bureau zouden worden gewerkt en dat ik de agenten niet in de hand zou kunnen houden.” Hij besluit daarom te de-escaleren. “Laat maar”, zegt hij tegen zijn collega’s, en hij vraagt Vis om mee te lopen naar zijn werkkamer. Daar leest de politieman hem de les en eist hij zijn oranjespeldje terug. Dat gebeurt. Ook krijgt Van Doorn excuses. Die herhaalt Vis, op aandrang van Van Doorn, tegen agent Blakenburg. De kou lijkt uit de lucht.

Het hoofdbureau van politie in de Vinkenstraat

Pyrrusoverwinning

Volgens Johannes van Wordragen, inmiddels ook in het bureau gearriveerd, heeft de Amsterdamse NSB-districtsleider hem verteld dat de hoofdstedelijke politie de opdracht heeft om op te treden tegen de dragers van oranje en witte protestsymbolen. Het is voor Van Doorn aanleiding om Joris in ’t Veld te bellen. “De Burgemeester zeide mij, dat hij er alles voor voelde om het in Zaandam rustig te houden en gaf mij toen in overweging om zelf de zaak ter hand te nemen.” Van Doorn gaat akkoord, onder één voorwaarde: alle geüniformeerde NSB’ers moeten van straat. Dat vertelt hij ook tegen Van Wordragen en Vis. “Beiden beloofden mij dat dit zou gebeuren.”

Het is een pyrrusoverwinning. Het zittend regime slaat hard terug. Generaal Henri Winkelman, die de Anjerdag openlijk steunde, wordt gevangen gezet. Er komt een verbod op de vermelding van leden van het koningshuis in de kranten en op de radio. De padvinderij, die de monarchistische demonstranten op 29 juni heeft geholpen, wordt opgeheven. Er mag voortaan alleen naar Nederlandse en Duitse zenders worden geluisterd. En op 1 augustus 1940 maakt de bezetter bekend dat deelnemers aan pro-Oranjedemonstraties zware straffen te wachten staan. Het werkt. Vijf weken later wordt koningin Wilhelmina zestig jaar. Op straat is het stil.

Het lijkt er op dat Anjerdag de nekslag is voor de toch al met zijn gezondheid kwakkelende Anthonie Jan van Doorn. Onmiddellijk na afronding van zijn rapport over de gebeurtenissen van die dag meldt hij zich ziek. Hij keert niet meer op het bureau terug en overlijdt op 3 mei 1943 aan een slopende aandoening.
Een andere hoofdrolspeler uit dit artikel, Johannes Antonius van Wordragen, wordt in 1944 aangereden en overleeft dat niet.
Zijn partijgenoot Johan Arie Vis zegt uit onvrede over Van Wordragen in december 1940 zijn NSB-lidmaatschap op. Hij accepteert een baan bij de Wehrmacht, pleegt in 1943 in Zaandam een overval om joods roofgoed te bemachtigen en belandt na de bevrijding in de gevangenis.
Hoe het de laatste hoofdpersoon van dit verhaal verder verging, de sinds 1925 bij de Zaandamse politie werkende brigadier Johannes Blakenburg, is me onbekend.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





De onbekende verzetsgroep Kempenaar

In mei 2021 ontving het Gemeentearchief een flinke stapel documenten en foto’s van de Zaandamse firma P. & K. Bets. Tussen de papieren van deze binnenvaartschippers zaten veel verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog. Directeur Klaas Bets bleek deel te hebben uitgemaakt van de verzetsgroep Kempenaar, een nauwelijks bekende ondergrondse organisatie.

De vrachtvaarders van de Zaanse familie Bets opereerden met twee bedrijven. In Zaandijk zat Bets & Zonen, in Zaandam P. & K. Bets. De Zaandijkse tak kon in de oorlog blijven varen met een paar motordekschuiten die, bij gebrek aan andere brandstoffen, waren uitgerust met kolenvergassers. Bekend is het verhaal van een reis die beide schepen tijdens de Hongerwinter naar Friesland maakten. Na een IJsselmeertocht vol hindernissen kwam de bemanning terug met een lading aardappelen en een Friese onderduiker. Die was in de machinekamer van de ‘Zaanlander 2’ achter een dubbele wand verstopt.

Reijer Bets (1866), de directeur van Bets & Zonen, woonde aan de Lagedijk 12. Deze streng gelovige aanhanger van de Nederlands-Hervormde kerk zou er voor hebben gezorgd dat zijn joodse buurtgenote Judith van Thijn (1865) vanaf 1943 onderdak kreeg in ‘Ons Verpleeghuis’, dat in Koog aan de Zaan stond. Door daar onder te duiken, overleefde ze de oorlog. De firma Bets & Zonen keerde zich dus op meerdere manieren tegen de bezetter. Opvallend is echter dat de verzetsdocumentatie die het Gemeentearchief Zaanstad in 2021 ontving niet de Zaandijkse scheepvaarders betrof, maar hun familieleden uit Zaandam.

Houten Bets

Ook het Zaandamse familiebedrijf P. & K. Bets was ondergronds actief, maar dat lijkt alleen in kleine kring bekend te zijn. Deze binnenvaartschippers vervoerden voornamelijk hout, vandaar dat de onderneming in de volksmond bekendstond als ‘Houten Bets’. Klaas Bets (Zaandam, 22-6-1897) en zijn echtgenote Theodora Wilhelmina Gräfe (Zaandam, 21-12-1899) woonden op de Prins Hendrikkade 6a. Recht tegenover hun deur lag hun bezit in de Voorzaan, binnenvaartschepen met namen als ‘De Trouw’ en ‘Het Vertrouwen’.

Klaas Bets, 1941 (Gemeentearchief Zaanstad)

Het opvallendste document in het bedrijfsarchief dat naar de oorlog verwijst, betreft een door motten aangevreten ‘Oorkonde ter herinnering aan den verzetstijd van groep “Kempenaar”.’ De in november 1945 opgestelde papieren waardering betreft het tijdvak 6 september 1944 tot 8 augustus 1945. De periode dus tussen Dolle Dinsdag en de atoombom op Nagasaki, die het einde van de Tweede Wereldoorlog bezegelde. Op 5 september 1944 ontstonden de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten, de bundeling van de belangrijkste gewapende organisaties. Ook de groep Kempenaar -een vernoeming naar een type binnenvaartschip- was vanaf die dag een (bescheiden) BS-onderdeel. De oorkonde geeft echter geen aanwijzingen waaruit Klaas Bets’ ‘hulpverleening aan het Land, gedurende en na de bezetting door den vijand’ binnen de groep Kempenaar bestond.

In de collectie-Bets zitten meer stukken die naar de jaren ’40-’45 verwijzen. Maar wat deed toch die groep Kempenaar waarvan Klaas Bets deel uitmaakte?

Klaas en Reijer Bets, hout overladend bij de loswal van de Prins Hendrikkade (Gemeentearchief Zaanstad)

Vaartuigendienst

Op 19 juni 1945 liet een verslaggever van De Nieuwe Dag weten: “Een bijzondere verzetsgroep van de B.S. heeft gedurende de bezetting zooveel mogelijk het werk voortgezet van het ‘Vaartuigendepot Amsterdam’ van de Ned. Marine. Zoo vond de sectie ‘Inland Water Transport’ van het Can.[adese] leger in den ‘Vaartuigendienst’, zooals de voortzetting van het ‘Vaartuigendepot’ werd genoemd, aanstonds na de bevrijding een orgaan, bekwaam en bereid om alle Duitsch geverfde scheepsruimte terug te brengen naar de oorspronkelijke eigenaars.”

De Duitsers hadden tussen 1940 en 1945 duizenden schepen gevorderd, om ze te kunnen gebruiken bij hun strijd tegen de geallieerden. Begin mei 1945 waren er van de 21.000 vooroorlogse binnenvaartschepen nog maar zo’n 10.000 in handen van de rechthebbenden. Er werd echter dag en nacht doorgewerkt om de diefstallen terug te draaien. De Nieuwe Dag op 19 juni: “Reeds 10.665 schepen heeft deze Verzetsgroep Kempenaar in Amsterdam opgespoord en 400 daarvan konden onmiddellijk aan de eigenaren worden teruggegeven.”

De groep Kempenaar probeerde dus, zodra de Duitse capitulatie was bezegeld, geroofde schepen te inventariseren en terug te bezorgen bij de rechtmatige eigenaars. Daags na de bevrijding ontving de tot BS-sergeant benoemde Klaas Bets al een schriftelijke oproep om ‘zich met spoed te begeven naar het Zeemanshuis, Kadijksplein 17-18 te Amsterdam, en zich onder de bevelen van den Commandant dier groep [Kempenaar] te stellen’. Het Zeemanshuis, tot het door de Duitsers werd ingepikt een goedkoop hotel voor zeelieden, was voor even het hoofdkwartier van de botenspeurders.

De mobilisatie-oproep voor de verzetsgroep Kempenaar viel in de bus bij met name mannen uit Amsterdam en Badhoevedorp. En bij nog één andere Zaandammer: sergeant Jacobus Geilings (Fijnaart en Heiningen, 9-11-1906). Die woonde in de Burgemeester ter Laanstraat 118, een paar honderd meter van de firma Bets.

Tot zover het werk van de groep Kempenaar na de bevrijding. Maar wat deden de leden tijdens de bezetting? En wat was de rol van Klaas Bets? De stukken bij het Gemeentearchief Zaanstad bevatten geen harde feiten, hoogstens wat aanwijzingen. Zoals die brief uit mei 1943. De bezetter had zojuist verordonneerd dat de Nederlandse oud-militairen zich moesten melden voor de Arbeitseinsatz. Onder hen bevonden zich ook de nodige mannen die inmiddels werkzaam waren in de scheepvaart. Kuindert M. Poll riep daarop zijn betrouwbaar geachte collega’s op om gul te doneren voor de familieleden van de getroffen ex-militairen. De opstandigheid spatte van het papier. Of Poll betrokken was bij de latere groep Kempenaar blijft in het ongewisse, maar de toon was gezet.

Het voormalige illegale blad Vrij Nederland lichtte op 23 juni 1945 een tipje van de sluier op aangaande de groep Kempenaar. “Een van de meest rasechte ondergrondsche organisaties was de groep ‘Kempenaar’, waarin een deel van het verzet van de binnenschippers zich afspeelde”, schreef de dienstdoende redacteur. “De oorsprong van die groep lag in den Vaartuigendienst van het Nederlandsche leger, en in September 1944 werden deze mannen opnieuw met hun schepen ingeschakeld, nu in het strijdend gedeelte van de BS. Er werd goed werk verricht, onder meer voor clandestiene voedselvoorziening in den afgelopen hongerwinter.”

Daar bleef het niet bij. VN: “In April kreeg deze groep opdracht alle te Amsterdam aanwezige schepen, die Duitsch of Duitsch-gevorderd waren, te registreeren en te controleren, teneinde deze na de bevrijding zo snel mogelijk ten gebruike van de bevolking te brengen. Over den heele haven van Amsterdam werden zoodoende circa 1000 schepen gevonden. Na een week of 4 kon er reeds weer een 200-tal in de vaart worden gebracht.” En medio juni 1945 waren er dus al ruim 10.000 eerder geconfisqueerde schepen opgespoord, zoals De Nieuwe Dag enkele dagen eerder berichtte.

Het werk van Klaas Bets, Jacobus Geilings en hun tientallen kameraden was wellicht niet zo spectactulair als dat van hun schietende en rovende collega’s die een andere tak van het ‘strijdend gedeelte’ vormden, maar voor het vlot op gang krijgen van de Nederlandse economie waren ze onontbeerlijk.

Wie meer wil weten over de firma P. & K. Bets -voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog- kan terecht bij het Gemeentearchief Zaanstad.

Nationaal Archief

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





De synagoge als tastbare herinnering

Met het oog op het in oude luister herstellen van dat wat er resteert van de Zaandamse synagoge schreef ik onderstaand artikel. Een verkorte en aangepaste versie is, in de vorm van een met foto’s aangevulde brochure, gratis verkrijgbaar bij de voormalige sjoel (Gedempte Gracht 40 in Zaandam).

De wandelaar die ter hoogte van Gedempte Gracht 38-40 opzij kijkt, moet goed opletten om de restanten te ontdekken van wat eens een synagoge was. Schijnbaar rustend op de onderliggende winkels toont zich daar een sierlijke, met boogvensters getooide witte gevel. In het pleisterwerk aan de voorkant is een Hebreeuwse tekst zichtbaar. In Nederlandse vertaling: ‘Een heiligdom, door Uw handen gegrondvest’ (Ex. 15:17). Achter de ramen op de eerste verdieping bevindt zich de zogenoemde voormalige vrouwengalerij van het gebedshuis. Dit provinciale monument is een van de weinige tastbare Zaanse herinneringen aan de bloeiende, vooroorlogse Joodse gemeenschap.

Het vooroorlogse interieur van de synagoge.

Voorgeschiedenis

Wanneer de eerste Joden zich in de Zaanstreek vestigden is onbekend. Een van de oudste vermeldingen betreft een klacht uit 1774 van lokale burgers ‘over de venterijen van Smousen’ (een scheldwoord voor Joden). Vanaf 1784 kwamen er Joodse namen voor in de Zaanse belastingregisters. Samuel en Wolf Leevie bijvoorbeeld, die op het Seijlpat woonden, in het kleine Zaandamse centrum. Daarna ging het snel. In 1808 stonden er alleen al in het dorp West-Zaandam 94 Joodse gelovigen geregistreerd, veelal koopmannen en hun gezinnen. In 1829 waren het er 118, in 1849 173. Ruim een eeuw lang zou ongeveer 1 % van de Zaandamse bevolking Joods zijn.

De aanwas in de negentiende eeuw had mede te maken met de komst van een synagoge. In 1800 werd een door Simon Frank en Levi Eliasar Levi gehuurd huis aan de Rozengracht als zodanig ingewijd. Enkele jaren later was er zelfs geld voor een godsdienstleraar/onderwijzer Hebreeuws. Hoewel zich ook in de andere Zaanse dorpen Joden vestigden – vaak slagers uit de familie Van Thijn –, bleef Zaandam het religieus centrum.

De behoefte aan een eigen gebouw groeide. Ondanks dat de meeste Joodse Zaankanters weinig vermogend waren, wisten ze voldoende geld bijeen te brengen voor een nieuwe ‘sjoel’. In 1816 legden afgevaardigden van de Hoogduits-Israëlitische Gemeente Zaandam bij de notaris vast dat ze op het Kuiperspad (de latere Gedempte Gracht) een huis hadden gekocht met de bedoeling dit ‘tot een kerk in te rigten’. Het bouwvallige pand hield het nog geen halve eeuw vol in zijn nieuwe functie. ‘De synagoge te Zaandam verkeert in hoogst zorgelijken toestand, en wel zóódanig, dat een herbouw dringend noodig is’, bedelde een voor dit doel ingestelde commissie in 1863 onder de bevolking. Na jaren collecteren, loten verkopen en verzoeken om donaties lukte het om de benodigde negenduizend gulden bijeen te krijgen. Onder meer diverse overheden, de koninklijke familie en de joodse gemeente in Amsterdam droegen een steentje bij. In februari 1865 werd het nieuwe, door stadsarchitect L.J. Immink ontworpen godshuis ingewijd. Imminks smaak – zijn voorkeur ging uit naar witgepleisterde gebouwen, liefst in Italiaanse stijl – kwam goed naar voren. Het gebouw bevatte classicistische vormen uit verschillende perioden en werd een van de weinige synagogen die in de negentiende eeuw buiten Amsterdam van de grond kwamen.

De synagoge, links, rond 1900.

Izak de Haan

Tussen 1865 en 1942 namen diverse voorzangers en godsdienstleraren de dagelijkse zorg voor de synagoge en haar gebruikers op zich. Van hen was Izak de Haan de langst dienende en bekendste. Vanaf 1885 werkte hij 28 jaar in Zaandam als (in zijn eigen woorden) ‘onderwijzer, voorzanger, ritueel beestensnijder, substituut huwelijksinzegenaar, secretaris van den kerkeraad, ziekenbezoeker, waker bij stervenden, bazuinblazer, kerkelijk besnijder, predikant en in allerlei zaken de vraagbaak van een ieder die een gratis advies verlangde’. Hij voegde daar aan toe, over zichzelf sprekend in de derde persoon: ‘Gelukkig dat de synagogen geen kerktorens hebben, anders ware hij zeker ook nog klokkenist geweest.’ Twee van zijn kinderen verwierven landelijke bekendheid als auteur: Carry van Bruggen en Jacob Israël de Haan. In hun werk beschreven ze meermalen hun jeugd in Zaandam.

Dat de ‘gazzan’ het druk had, blijkt onder meer uit het feit dat in de loop der jaren duizenden Amsterdamse Joden hun huwelijk lieten inzegenen in Zaandam. In de hoofdstad was dat namelijk veel duurder. Enkele weken voor de plechtigheid schreven de verloofden zich in op het adres van de voorzanger en na de trouwdag volgde de uitschrijving.

Izak de Haan.

Tweede Wereldoorlog

Hoewel over het algemeen arm, floreerde de kleine Joodse gemeenschap. Het religieus-sociale leven speelde zich grotendeels af in en rond de synagoge. Op 21 januari 1940 werd het 75-jarig bestaan van het gebedshuis gevierd. Er klonken felicitaties, maar ook bezorgde geluiden. In Duitsland was zeven jaar eerder Adolf Hitler aan de macht gekomen. Zijn antisemitische tirades en dreigende oorlogstaal riepen angst op. Refererend aan de Duitse Kristallnacht zei opperrabbijn Philip Frank tegen de genodigden dat zijn gedachten uitgingen ‘naar de vele G[ods]huizen die helaas een prooi der vlammen zijn geworden.’

Hitler liet het inderdaad niet bij woorden alleen. Tienduizenden bedreigde en van hun bezittingen beroofde Duitse en Oostenrijkse Joden ontvluchtten in de jaren dertig hun vaderland. Van hen belandden er tientallen in de Zaanstreek. Een van hen werd zelfs lid van het synagogebestuur. Mede door de aanwezigheid van de vele politieke vluchtelingen telde de regio eind 1941 het recordaantal van 324 – in nazitermen – ‘voljoodse’ inwoners.

Op dat moment was Nederland al anderhalf jaar bezet gebied. De anti-Joodse maatregelen werden steeds ingrijpender. Veel Zaanse Joden kregen te maken met pesterijen en werden in toenemende mate uitgesloten. Aan de Februaristaking, gericht tegen het nazistische antisemitisme, deden in 1941 tienduizenden Zaankanters mee. De massale werkonderbreking bracht echter geen verbeteringen teweeg. Ambtenaren moesten discriminerende Ariërverklaringen invullen, Joden raakten in veel gevallen hun werk, bedrijven en banktegoeden kwijt. Er kwam een registratieplicht en een reisverbod voor Joden. Ze mochten niet meer naar de schouwburg, het zwembad, de bioscoop, parken en tal van horecagelegenheden. Voorlopig slotstuk was de Duitse beslissing dat alle Zaandamse Joden moeten verhuizen naar Amsterdam (de Nederlanders) of kamp Westerbork (de inmiddels stateloos verklaarde buitenlandse Joden). Dat gebeurde in januari 1942. 284 Zaandammers kregen het bevel om binnen drie dagen de stad te moeten verlaten. Onder hen waren 33 niet-joodse partners en de dertig kinderen van deze gemengd-gehuwde echtparen. Op 16 januari, de dag voor vertrek, werden de Joodse gezinshoofden naar de synagoge geroepen om hun familieleden te laten registreren. Ze moesten al hun bezittingen achterlaten, uitgezonderd dat wat ze konden dragen.

Het Zaandamse synagogebestuur aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

Judenrein

Zaandam was de eerste Nederlandse gemeente die ‘Judenrein’ werd gemaakt. In de volgende maanden werden ook de andere Zaanse plaatsen ontdaan van hun Joodse inwoners. Ze belandden via Amsterdam in Westerbork en vervolgens de Duitse concentratie- en vernietigingskampen. Het lukte een minderheid om een schuilplaats te vinden en heelhuids door de oorlog te komen. Abraham Drukker, de ‘sjammes’ (dienaar) van de synagoge, stuurde kort voor hij met zijn vrouw werd gedeporteerd een afscheidsbriefje naar vrienden. ‘Dat wij menschen op leeftijd Zaandam wel weer te zien zullen krijgen, is een vraag die G[od] alleen weet.’ Twee weken later vond het echtpaar de dood in de gaskamer van Sobibor. Zoals hen verging het tweederde van de Joden in Nederland, ruim honderdduizend mensen.

De Zaandamse synagoge kreeg in 1942 een nieuwe bestemming. Op 13 augustus 1942 informeerde NSB-burgemeester Hendrik Vitters tijdens een collegevergadering of de leegstaande synagoge kon worden verbouwd tot distributiekantoor. Het college besloot dat hij met wethouder en partijgenoot Jacob IJdenberg ter plekke de mogelijkheden zou bekijken. Blijkbaar pakte dat positief uit, want in de B&W-stukken van 1 oktober is te lezen dat voor 17.000 gulden ‘van de Niederländische Grundstücksverwaltung o.m. aangekocht [werd] perceel Gedempte Gracht 40, eigenaresse de Ned. Israëlitische Gemeente te Zaandam’. De Grundstücksverwaltung was een organisatie die van de nazistische autoriteiten het ‘beheer’ over het Joodse vastgoed had gekregen, alsmede de opdracht over te gaan tot onteigening en verkoop. Het verhandelen werd gedelegeerd aan ‘lasthebbers’, meestal makelaars. Het toeval wilde dat Jacob IJdenberg niet alleen wethouder, maar ook makelaar was. Hem werd het recht gegund om de synagoge (en een aantal ‘Joodse’ woningen) van de hand te doen. Op het laatste moment strandde de verkoop van Gedempte Gracht 40 toch nog. Na de bevrijding verklaarde de directeur van de Dienst Gemeentewerken: ‘In samenwerking met anderen heb ik dit weten te voorkomen.’ Hoe de overname werd verhinderd is onbekend, maar de synagoge bleef vooralsnog ongebruikt.

Eind 1943 was het interieur overigens al verdwenen. De opzichter van de Dienst Gemeentewerken had nog getracht het zilverwerk dat bij de erediensten was gebruikt onder de synagogevloer te verbergen. Het bleek na de bevrijding onvindbaar. Onder leiding van politiechef Willem Ragut was het pand de voorgaande zomer leeggehaald. Het was, wist een agent, ‘naar het politiebureau te Zaandam gebracht, o.a. een grote, antieke kast, lamp, ijzeren kist en andere voorwerpen, waaronder schilderijtjes en een leeuwenkop. De kast bleef voorlopig bij Ragut op de kamer, nadat [rechercheur Tonny] Jansen met vlijt de versierselen (Davidsster) met een borstel eraf geslagen had. De lamp en de schilderijtjes werden in het kamertje van de typiste gehangen, op het politiebureau, de leeuwenkop bij Jansen en de kist, welke later bij de burgemeester kwam als wapenkist.’

Daarbij bleef het niet. In 1958 verzocht de Zaans-Joodse gemeente het Nederlands-Israëlietisch Kerkgenootschap om ‘de navolgende claim van onze Gemeente bij de Duitse autoriteiten in te dienen’. Waarna een lange opsomming volgde van tijdens de oorlog gestolen koperen en zilveren voorwerpen, gebedenboeken, kleden en meubels. Alleen al de gestolen Toramantels (‘waarbij enige antieke’) die om religieuze geschriften werden gewikkeld, waren in mei 1940 getaxeerd op duizend gulden. De totale Zaanse claim bedroeg bijna zesduizend gulden.

Het godshuis veranderde in een paardenstal. In de Hongerwinter verloor de synagoge zijn laatste restje waarde. Zaankanters braken het hout uit de ontwijde, eerder al door NSB’ers met hakenkruizen bekladde ‘witte jodenkerk’. Ook sneuvelden zo goed als alle ramen. Tot de schaarse voorwerpen die heelhuids door de oorlog kwamen, behoorden zes Torarollen en enkele notulenboeken. Bijna alle andere bezittingen zouden nooit meer terugkeren.

Achtergelaten Duitse aanhangers voor de synagoge, mei 1945.

Na de oorlog

Van de joodse Zaankanters overleefden er 184 de oorlog niet. Hun namen zijn nog zichtbaar op struikelstenen, messing gedenkplaatjes die driekwart eeuw na de bevrijding voor hun toenmalige woningen zijn gelegd. Zij die in 1945 terugkeerden van hun onderduikadres of het concentratiekamp troffen onder meer een verwoeste synagoge aan.

Op zondagochtend 2 juni 1946 kwamen de resterende leden van de Nederlands-Israëlitische Gemeente (NIG) Zaandam voor het eerst sinds de bevrijding bij elkaar. Niet in de synagoge – op dat moment nog steeds een bouwval –, maar in de woning van interim-voorzitter Jacob Drukker, enkele deuren verder. Slechts 22 vertegenwoordigers uit elf Zaanse huishoudens die de oorlogsjaren waren doorgekomen gaven acte de présence. Dat was precies tien procent van de achterban die vier jaar eerder regelmatig de synagoge bezocht.

Na een woord van herinnering aan de ‘door de schuld van de bezetter ontvallen leden’ kozen de aanwezigen een voorlopig bestuur en stelden ze een summiere begroting vast: ‘Inkomsten f 208,-, uitgaven f 250,-.’ Het nieuwe bestuur moest zonder financiële reserves en met een sterk geslonken aanhang proberen om een doorstart te maken. De sjoel was een ruïne, de inventaris vrijwel geheel verdwenen. Zelfs de geschiedenis bleek grotendeels gewist. Toen een Amsterdamse instelling in 1946 informeerde naar de synagogedocumentatie moest secretaris Jos Pais meedelen ‘dat het niet mogelijk is u de gewenste inlichtingen te geven daar ons gehele archief door de Duitsers is vernietigd’.

Totaal vernield

Twee jaar later waren de initiatiefnemers niet veel verder. ‘De overgebleven Joodse Zaankanters (laten wij dat vooral niet vergeten: Zaankanters!) hebben weer plannen tot herstel van het kerkelijk leven’, schreef dagblad De Typhoon op 28 januari 1948. ‘De synagoge aan de Gedempte Gracht in Zaandam wordt hersteld. Van buiten gezien lijkt deze kerk nog in vrij goede conditie. Wie binnenkomt ziet vier kale muren. Meer niet.’ Jacob Drukker: ‘Er stonden nog vier muren, maar verder was alles kapot, totaal vernield. Er zat geen hout meer in of aan. Niet alleen de Duitsers hadden dat gedaan, ook de Zaandammers, allemaal van die goeie Zaandammers… Maar toch hebben wij alles weer opgebouwd, gerestaureerd. We hadden al die ruimte niet meer nodig, iedereen was vermoord, maar we moesten wel geld hebben. En daarom werd een deel van de synagoge verbouwd tot garage en kwam er in een ander deel een agentschap van Het Parool. Later werd dat een woning.’ Alleen het middenstuk van het gebouw bleef beschikbaar voor diensten.

De synagoge in 1961.

Waar het Nederlands-Israëlietische Kerkgenootschap kort voor de bezetting van Nederland nog 220 leden had, waren daar twintig jaar later nog maar 28 van over. Het ledengebrek maakte dat er slechts sporadisch religieuze diensten plaatsvonden. Gebrek aan geld deed de rest. In 1974 verkocht de NIG de synagoge noodgedwongen voor een vriendenprijs van 175.000 gulden. De nieuwe eigenaar liet het pand ingrijpend verbouwen. Alleen het middenstuk bleef intact, zij het dat de verhoging (de bima) verdween. Daar stond eerder de Heilige Ark, een kast waarin de Torarollen werden bewaard. Het gebouw werd verhuurd aan een kunstcentrum. Dat kreeg de toepasselijke naam De Zienagoog.

In het daarop volgende decennium wilde de eigenaar het gebouw laten slopen en vervangen door woon- en winkelruimte. Dit kon door plaatsing op de provinciale monumentenlijst op het nippertje worden verhinderd. Na het vertrek van De Zienagoog veranderde de plek die eens bestemd was voor godsdienst, onderwijs en bezinning in respectievelijk een brasserie en winkels.

Heden en toekomst

Op de begane grond en de galerij zijn nu beelden te zien van de synagoge in vroeger dagen en van enkele voorwerpen die daar destijds een belangrijke rol hadden. Daarmee is een deel van de bestaansgeschiedenis zichtbaar gemaakt en blijft het verhaal van de Zaans-Joodse inwoners behouden. Het is tevens een eerbetoon aan de vooroorlogse Joodse gemeenschap. Opdat we niet vergeten en voort kunnen bouwen op de basis die zij hebben gelegd.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





De mysterieuze verdwijning van de Zaanse synagoge-inventaris

Na de bevrijding bleek er van de Zaandamse synagoge-inventaris verrassend veel bewaard gebleven. In de daarop volgende decennia verdwenen vrijwel alle bezittingen alsnog, vaak op raadselachtige wijze. Wat gebeurde er met de inboedel?

Op deze site heb ik al eens geschreven over de zoekgeraakte Zaanse synagoge-inventaris. Maar met de jaren komt er meer informatie naar boven. Tegelijkertijd worden de raadsels alleen maar groter. Tijd voor een chronologische update.

Het vooroorlogse synagoge-interieur, met achteraan de ‘Heilige Arke’

In zijn boekje De Joodse Gemeente in Zaandam (1988) schreef Joep Auwerda over de synagoge: “In Zaandam was vrijwel niets meer. Alle spullen die bij de eredienst werden gebruikt, waren in de Tweede Wereldoorlog gestolen. Een eigen archief zegt de gemeente niet te hebben.” Maar klopt het wel dat er na de oorlog alleen een lege huls over was, in de vorm van een van alles ontdane sjoel?

Vanaf 1942 werd het godshuis op de Gedempte Gracht inderdaad ontheiligd en leeggeplunderd. De gebruikers en bestuurders van het gebouw waren in januari van dat jaar naar het joodse getto in Amsterdam verbannen, de bezetter had vrij spel. De voorzitter van de Nederlands-Israëlitische Gemeente, Jacob Drukker, leverde zoals hem was bevolen op de dag van zijn gedwongen vertrek de sleutels van het godshuis in bij de plaatselijke politie. “Enkele kleine voorwerpen werden door mij nog in veiligheid gebracht”, vertelde hij na de oorlog. Om welke voorwerpen het ging en waar ze belandden, zei hij helaas niet. Ze zijn anno nu spoorloos.

Zilveren voorwerpen

Er werd meer veiliggesteld. De hoofdopzichter van de afdeling Gemeentewerken in Zaandam, Dirk Voet, verstopte naar eigen zeggen in 1942 een aantal zilveren synagogevoorwerpen onder de vloer van het godshuis. Na de bevrijding waren ze verdwenen. Niemand weet wat er met de buit is gebeurd.

Dat laatste gold ook voor veel andere objecten. De Zaandamse politiechef Tonny Jansen liet in de zomer van 1943 hetgeen er resteerde van de synagoge-inboedel weghalen. Een deel ging naar het hoofdbureau aan de Vinkenstraat (een betrokken collega somde op: “Een grote antieke kast, lamp, ijzeren kist en andere voorwerpen, waaronder schilderijtjes en een leeuwenkop.”). Een ander deel van de geroofde spullen nam Jansen mee naar zijn woning in de Zaandamse Stationsstraat 82. “De geldkist van de Joodse synagoge onder meer”, verklaarde hij op 22 mei 1945. Zijn hebzucht bleef niet beperkt tot deze geldkist. Politieman en oud-verzetsstrijder Jan Jongh na een huisbezoek in mei 1945: “De eerste indruk die ik kreeg, was dat Jansen de hele Joodse synagoge bij elkaar gestolen had.”
Op één voorwerp na -zie hieronder- verdwenen de meegenomen goederen vervolgens weer uit het zicht. Of de in het politiebureau verzamelde spullen daar na de bevrijding bleven, is onbekend. De overheid kreeg de beschikking over de bij Tonny Jansen in mei aangetroffen artikelen. Daarna loopt het spoor dood. Bij de rechtmatige eigenaars kwam het roofgoed in ieder geval niet meer terug, zoals blijkt uit een in 1958 door het toenmalige synagogebestuur opgesteld overzicht van vermiste artikelen ter waarde van bijna 7.000 gulden.

‘Heilige Arke’

Van slechts één synagogevoorwerp is een deel van het vervolgtraject bekend: de zogeheten ‘Heilige Arke’. In deze grote, eikenhouten kast werden onder meer de Torarollen bewaard. Jacob Drukker, in een naoorlogs getuigenverhoor: “Nadat ik op de dag der bevrijding weder te Zaandam terug was gekomen -ik ben namelijk steeds in de buurt ondergedoken geweest-, vernam ik van de veilinghouder en opkoper Van der Woude, wonende aan de Westzijde alhier, dat bovenbedoelde eikenhouten kast door hem was opgeborgen in zijn opslagplaats en dat hij deze kast tijdens de bezetting van de toenmalige Inspecteur van Politie T. Jansen in ontvangst had genomen. Ik heb naderhand de kast in de opslagplaats van Van der Woude gezien en daarbij geconstateerd dat deze inderdaad uit de synagoge te Zaandam afkomstig was.” Klaas van der Woude bevestigde Drukkers verhaal. “De eikenhouten kast heb ik weder ter beschikking gesteld van de Nederlands Israëlitische Gemeente.” Twee jaar na de bevrijding was de synagoge nog altijd een bouwval, beschikte de NIG niet over geld om het gebouw op te knappen en wachtte de kast in Van der Woudes opslag aan de Westzijde 242 op de rechtmatige eigenaars. Of de Heilige Arke ooit terugkeerde naar de sjoel is een raadsel.

Torarollen

In de jaren na de oorlog kwam ook een ander deel van de synagogeboedel boven water. Of toch niet?

In Dagblad Zaanstreek van 26 augustus 1996 schreef verslaggeefster Denise van Kempen dat na de oorlog ‘slechts zes Torarollen gespaard bleven’. Die zin staat ook in het vier jaar eerder verschenen standaardwerk over de Nederlands-joodse geschiedenis, Pinkas. Onduidelijk blijft alleen wat de oorspronkelijke bron is. En de Torarollen zijn tot op heden zoek.
Nog zo’n raadsel: Joep Auwerda citeert in De Joodse Gemeente in Zaandam de toenmalige conservator van het Joods Historisch Museum, Joël Cahen. Die vertelde: “Er moet ergens een kist met een [synagoge-]archief zijn. Dat heb ik gehoord van een lid van van de joodse gemeente Zaandam, van Arie Pais, zoon van de voormalige voorzitter.” Maar waar die kist zou zijn gebleven, wist Cahen helaas niet te vertellen. En ook het NIG-bestuur van destijds had geen idee. Of zou Cahen doelen op de notulenboeken? Daarover straks meer.

Een deel van het synagoge-interieur in 1969 (D. Peeters)

Dam 2

Drie decennia later ging er weer iets verloren. Het in het centrum van Zaandam gelegen gebouw Dam 2 was sinds 1858 respectievelijk in gebruik bij de plaatselijke Vrijmetselaars en als café Suisse. Tijdens de oorlog had de afdeling Gemeentewerken van Zaandam het pand in beheer. Er was onder meer een bank- en girokantoor gevestigd. In 1993/’94 werd Dam 2 verbouwd. In november 1993 hoorde Zaandammer Anton Faas van een kennis dat bij het slopen van een vloer een aan het oog onttrokken, door twee muren omgeven ruimte was ontdekt. Nadat de slopers daarin waren afgedaald, ontdekten ze een aantal kluisjes. Toen ze die openmaakten, vonden ze ‘een tamelijk grote hoeveelheid  waardevolle spullen’, aldus Faas. “Het ging om onder andere bladgoud en waardepapieren.” Zijn kennis ‘voegde daaraan toe dat het ging om joods bezit dat vanwege de oorlog hier opgeborgen was’. De gevonden goederen zouden door de slopers zijn meegenomen.
Anton Faas wendde zich tot de gemeente Zaanstad. Een ambtenaar beaamde ‘dat er inderdaad een kluizencomplex aanwezig was en dat het openen en slopen daarvan onder toezicht had plaatsgevonden’. De met bovenstaand verhaal geconfronteerde projectontwikkelaar ‘bevestigde dat er iets was gevonden, namelijk een kistje zonder inhoud. (…) Er was ook een getuigschrift of diploma van een joodse school of instelling van voor de oorlog gevonden.’

Bladgoud

De zoektocht van Anton Faas leidde in december 1994 tot een artikeltje in Dagblad Zaanstreek. “Volgens directeur L. Bosch van de Amsterdamse exploitatiemaatschappij De Purmer, sinds twee jaar eigenaar van het pand, bevatte een van de kluizen stukken en een administratie van een joodse vereniging die hij zich niet met name kon herinneren”, aldus de verslaggever. Volgens Bosch had hij de kluisinhoud overgedragen aan het Gemeentearchief Zaanstad. Dat ontkende echter de documenten te hebben ontvangen. En daarmee verdwenen ook deze stukken uit het zicht.
De al eerder genoemde Dirk Voet had als opzichter van Gemeentewerken tevergeefs geprobeerd om het zilverwerk van de synagoge veilig te stellen. Dam 2 was zijn dagelijkse werkplek. Zou hij daar de ‘joodse’ documenten in één of meer kluisjes hebben verborgen? En betrof dat papierwerk -en bladgoud?- van de sjoel? Of kwam het uit een joods huishouden?

Plattegrond van Dam 2 (1922). Binnen het langwerpige, met dikke zwarte rand omgeven blok in het souterrain bevond zich een kluis

Notulenboeken

Zelfs in de 21-ste eeuw ging er nog iets verloren van het toch al schamele synagogerestant dat na de bevrijding opdook. In 2015 kwamen uit een opbergplaats van de Nederlands-Israëlitische Gemeente twee vooroorlogse notulenboeken tevoorschijn. Ze bevatten de verslagen van de bestuurs- en kerkenraadsvergaderingen van de Zaandamse synagoge en besloegen respectievelijk de periodes 24 januari 1892 tot met 2 mei 1911 en 9 mei 1911 tot en met 16 juli 1931. Dat was alles wat er resteerde van het synagogearchief. Ook het notulenboek dat liep van 1931 tot en met 1942 -met waardevolle aantekeningen over de vele joodse vluchtelingen in de Zaanstreek en over de oorlogsgebeurtenissen- was door de nazi’s vernietigd.
Het lag in de bedoeling om beide bewaard gebleven notulenboeken een veilige plek te bezorgen in het Gemeentearchief Zaanstad. Maar ergens onderweg ging er iets mis. Het boek dat liep tot 1931 verdween op mysterieuze wijze. Al wat er nu nog van zichtbaar is, zijn enkele even eerder gefotografeerde pagina’s. Hieronder één van die bladzijden. Te lezen is hoe de notulerende secretaris Izak de Haan -de vader van de beroemde auteurs Carry van Bruggen en Jacob Israël de Haan- niet voor het eerst zijn beklag doet over het vele werk en de magere verdiensten die hem als gazzan zijn toebedeeld. Het is uniek materiaal. En het is dus weg.

Het lijkt er op dat vrijwel al het ternauwernood geredde synagogemateriaal alsnog door de geschiedenis is verzwolgen, als schepen in de Bermudadriehoek. Hopelijk komt er nog iets van boven water, om te beginnen het verdwenen notulenboek. Wie meer weet, kan zich melden: info@schaapschrijft.nl.

PS. Het is me bekend dat op Curaçao een oude sleutel van de synagoge ligt, waarschijnlijk die van de voordeur. Ik heb goede hoop dat in ieder geval die terugkomt naar Zaandam.

 

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Ad van Liempt en Rolf Baas: ‘Hier is het gebeurd’

In zijn nieuwe boek, Hier is het gebeurd, staat Ad van Liempt samen met fotograaf Rolf Baas stil bij vijftig historische plekken uit de Tweede Wereldoorlog. Een van die vijftig locaties is de Dam in Zaandam, waar zich op 25 februari 1941 -deze maand tachtig jaar geleden- honderden mensen verzamelden om te protesteren tegen de jodenvervolging. Op Van Liempts verzoek leverde ik onderstaande foto voor zijn nieuwe publicatie. Wie het boek wil kopen of er meer over wil weten, kan terecht bij de uitgever. De betreffende foto van de Februaristaking staat hieronder. Het is één van de slechts zes op 25 en 26 februari 1941 gemaakte stakingsfoto’s die wereldwijd bekend zijn. Daarvan komen er vier uit Zaandam.

Tegenvoeters: de Zaandamse ziekenhuizen in oorlogstijd

Tot 1941 kozen Zaanse patiënten al naar gelang hun levensovertuiging voor het neutrale Gemeente Ziekenhuis of het katholieke ziekenhuis St. Jan. Daarna kon, in ieder geval tot het einde van de oorlog, ook een andere afweging meespelen. Werd het een consult onder NSB-leiding of toch liever bij de onafhankelijker opererende religieuze instelling?

Ruim voor de Tweede Wereldoorlog namen de katholieke leiders al afstand van de Nationaal-Socialistische Beweging. Roomse NSB’ers verloren hun recht op de sacramenten, zo besliste de moederkerk in 1936. De dreiging met excommunicatie voor wie zich aansloot bij de partij van Anton Mussert werd aan het begin van de bezetting nog eens nadrukkelijk bekrachtigd. Het verklaart voor een groot deel waarom het St. Jan, gelegen aan het eind van de Bloemgracht in Zaandam, zich tijdens de bezetting tegen de nazistische machthebbers keerde en een toevluchtsoord werd voor ‘andersdenkenden’.

Over de illegale hulpverlening door St. Jan-medewerkers bestaan meerdere verhalen. Onder andere zenuwarts Theo Hart de Ruyter getuigde dat daar door de Duitsers gezochte personen een plek vonden. ‘Ik wist dat onderduikers en joodse patiënten door zuster Theresia in het St. Jan verborgen werden. Mevrouw mr. dr. Lekkerkerker, maatschappelijk werkster bij het medisch opvoedkundig bureau, bracht joodse kinderen onder, evenals zr. Heymans van de Meyersstichting, die ook polikliniek hield in de Frans Halsstraat.’ Onderduikersnamen noemde hij niet en aantallen ontbraken helaas eveneens.

De zuigelingenkamer van het St. Jan, jaren ’30 (Gemeentearchief Zaanstad)

Zuster Therési de Lucht liet eveneens een getuigenis na over de oorlogsjaren in het katholieke hospitaal. Met anekdotes schetste zij de afkeer van het nazistisch gedachtegoed. Toen de bezetter een gedeelte van het ziekenhuis wilde vorderen, ging zij hen voor naar het lijkenhuisje in de tuin. Dat kon volgens haar wel fungeren als telefooncentrale. Daarbij passeerden ze enkele overleden patiënten. ‘Op de vraag waar beide mensen aan gestorven waren, deelde zuster Therési lakoniek mee dat de een aan TBC en de ander aan typhus was overleden.’ Angstig als ze waren voor besmettelijke ziekten verlieten de Duitsers gehaast het St. Jan, om er niet meer terug te keren. Het was maar één van de vele tegenacties die Therési De Lucht ondernam, meestal in samenspraak met geneesheer-directeur Eduard Immink. Ze zorgden er onder meer voor dat opgejaagde joden en al dan niet gewonde of zieke verzetsstrijders een relatief veilige plek kregen in een apart zaaltje.

Gemeente Ziekenhuis

In het Gemeente Ziekenhuis aan de Frans Halsstraat heerste vanaf 1941 een andere stemming. Naarmate de bezetting langer duurde, kwam daar meer personeel dat loyaal was aan het nieuwe bewind. Hier belandden de door het verzet neergeschoten collaborateurs en was de directie er trots op een met tuberculose kampende zwager van Anton Mussert te mogen verzorgen. Dat het zo ver kwam had – anders dan bij het St. Jan – te maken met de zeggenschap van het stadsbestuur over het ziekenhuispersoneel.

Blakend van het zelfvertrouwen somde Cornelis van Ravenswaay begin 1942 op wat hij in zijn eerste jaar als Zaandamse NSB-burgemeester voor elkaar had gebokst. Dankzij hem werkten er zo’n honderd partijgenoten bij de gemeentelijke instellingen, de tegenwerking van Zaanse ‘anti’s’ ten spijt. ‘Menig hard woord is daarbij natuurlijk gevallen, doch nu wordt zelfs geen dienstmeisje ontslagen of aangesteld zonder mijn goedkeuring’, pochte hij tegenover een groep gelijkgezinden.

Hij nam ruim de tijd om de situatie bij het Gemeente Ziekenhuis te belichten, ‘waar de stemming hemeltergend was’. Met name Willem Levend kreeg er van langs. Deze dwarse geneesheer-directeur, volgens de burgemeester ’te glad om gevangen te worden’, weerde waar mogelijk nationaalsocialistische medewerkers uit het Gemeente Ziekenhuis. Levends weerstand tegen de door het stadhuis gewenste nazificatie kostte hem in februari 1942 zijn baan. Het ontslag wegens ‘tegenwerking’ was een van de laatste handelingen die de fanatieke Van Ravenswaay voor zijn rekening nam, alvorens te worden gepromoveerd tot burgemeester van Utrecht.

‘Sabotage’

Op de dag dat Van Ravenswaay vertrok, werd bekend dat Levends opvolger een NSB’er zou zijn. Prompt kwam een deel van de werknemers in opstand. In de woorden van waarnemend burgemeester G. Nieuwenhuijs: ‘Aangezien van het verplegend personeel, totaal ongeveer 55 personen, gedurende de laatste weken bij mij 15 ontslagaanvragen binnengekomen zijn en dit de dienst van het ziekenhuis zou desorganiseren, verklaar ik genoemde verzoeken voor ontslag niet in behandeling te kunnen nemen. Eerst wanneer nieuw personeel is aangenomen, zullen de ontslagaanvragen, naar volgorde van ontvangst, toegestaan kunnen worden.’ Ondanks deze dreigende taal telde het ziekenhuis uiteindelijk, in de woorden van de nieuwe directeur, ‘zeventien weggelopen verpleegsters’. Hij had er maar één kwalificatie voor: ‘Sabotage.’

Tine Kramer was een van die weerbarstige werkneemsters. Tussen 1939 en 1942 volgde ze in het Gemeente Ziekenhuis een opleiding tot verpleegster. In haar eerste leerjaar verzorgde ze onder anderen twee Duits-joodse vluchtelingen. ‘Die vertelden over de Kristallnacht. Ik geloof dat mijn drive om wat te gaan doen daar vandaan komt.’ Na de bezetting had de felle leerling naar eigen zeggen ‘een te grote bek’. Haar openlijke anti-Duitse houding maakte dat ze na de introductie van de nazistische directeur eieren voor haar geld koos. ‘Vanuit het stadhuis werd gewaarschuwd dat ik weg moest gaan. En toen zijn Herman [Waage, haar eveneens in het Gemeente Ziekenhuis werkzame vriend] en ik op een nacht gevlucht uit het ziekenhuis en naar Amsterdam gegaan.’ In de navolgende jaren zouden ze vanuit de hoofdstad tientallen joodse kinderen in veiligheid brengen.

Frits Houdijk

Met de nieuwe ziekenhuisdirecteur haalden de machthebbers een ideologische grootheid in huis. De uit Oegstgeest overkomende Frits Houdijk was weliswaar slechts 28 jaar oud, maar al sinds 1933 NSB-lid. Hij leidde vanaf de oprichting in november 1940 het Nationaal-Socialistisch Studentenfront. Deze landelijk opererende, aan de NSB verbonden vereniging wilde de nazistische beginselen verspreiden op universiteiten en hogescholen. Het lidmaatschap was verplicht voor studerende partijleden. De voorloper van het NSSF, de Nederlandsche Nationaal-Socialistische Studentenfederatie, stond bekend om het uitlokken van geweld en het vernielen van eigendommen van joden en antifascisten. Ook daar had Houdijk zijn sporen verdiend. Sommigen haatten de studentenleider blijkbaar zodanig dat ze in juni 1941 brand stichtten in zijn woning. De daardoor ontstane schade bedroeg bijna twaalfduizend gulden.

Er zijn van Frits Houdijk bewegende beelden bewaard gebleven. Tijdens een NSB-landdag op 1 januari 1941 is te zien hoe hij de geüniformeerde leden van het NSFF inspecteert en, in het bijzijn van de na hem sprekende Anton Mussert, een rede houdt.

Frits Houdijk (in het wit) in het Gemeente Ziekenhuis, 5-12-1942. Naast hem Willem Beekhuis (Commissie Historie Zaanse Ziekenhuizen)

Houdijk nam in Zaandam zijn intrek op het adres Stationsstraat 82. Tot enkele maanden eerder had daar de, inmiddels naar Amsterdam verbannen, joodse arts Karel de Leeuw gewoond. De medewerkers van het Gemeente Ziekenhuis konden met hardliner Houdijk hun borst natmaken. Het verklaart waarom bijna een derde van de verpleegsters ontslag nam. Maar toen de jonge directeur in mei 1942 het personeel toesprak, klonk hij verrassend gematigd. Een opvallende zin uit zijn openingsrede: ‘Het is in het geheel niet noodzakelijk om aan de aan uw hoede toevertrouwde zieken te vertellen dat er toch weer een Irene Beatrix Wilhelmina of zojuist weer een Anton Adolf Benito geboren is.’

‘Weinig last’

Gedurende de twee jaar dat de geneesheer-directeur aan het Gemeente Ziekenhuis verbonden bleef, handhaafde hij die neutraliteit consequent. Hoewel hij tijdens zijn vrije uren soms in NSB-uniform rondliep en colporteerde met het partijblad Volk en Vaderland, verbood Houdijk – zijn naam werd al snel verbasterd tot de NSB-begroeting ‘Houzee’ – binnen de ziekenhuismuren alle openlijke vormen van politiek. Het was onder zijn leiding niet toegestaan om binnen de ziekenhuismuren de Hitlergroet te brengen. Hij wist een ziekenhuisbroeder uit de gevangenis te krijgen die een Wehrmachtsoldaat had beledigd en hij verborg zelfs een door de Duitsers gezochte collega. Daardoor bleef Houdijks straf na de oorlog beperkt tot dertien maanden voorarrest en ontzetting uit het kiesrecht. Eerste verpleegster Immetje Bakker: ‘In z’n optreden was hij niet kwaad en we hadden weinig last van hem. Hij maakte geen propaganda voor de NSB, maar wel stelde hij NSB-zusters aan en nam verschillende NSB-patiënten op.’

In april 1944 koos Frits Houdijk een andere werkplek. Zijn opvolger, eveneens een NSB’er, nam op 5 september 1944 – Dolle Dinsdag – de benen. Die maand verlieten ook zeventien deutschfreundliche verpleegsters overhaast de stad, bang als ze waren het slachtoffer te worden van de geallieerde opmars. Vice-directeur Willem Beekhuis moest medio april 1945 het werk neerleggen. Uit een rapport van de illegaliteit de dato 2 mei 1945: ‘Deze laatste heeft meer bedorven dan goedgemaakt, vandaar dat de [opportunistische NSB-]burgemeester Vitters als enige oplossing nog zag de benoeming van Dr. Levend. Drie jaar na zijn gedwongen vertrek keerde Willem Levend terug als leidinggevende. Vanaf dat moment was zowel het St. Jan als het Gemeente Ziekenhuis weer in handen van een ‘goede vaderlander’.

Het Gemeente Ziekenhuis in de jaren ’30 (Gemeentearchief Zaanstad)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag