Berichten

De moord op Walraven van Hall

Op 12 februari 1945 stierf Walraven van Hall in Haarlem voor een vuurpeloton. Hieronder een fragment uit het slothoofdstuk van mijn biografie over deze Zaandammer, Nederlands belangrijkste verzetsleider tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De Sicherheitsdienst heeft Walraven op 27 januari naar het Huis van Bewaring aan de Weteringschans gebracht. Tevergeefs proberen ze om hem aan het praten te krijgen. Zijn broer Gijs: ‘Aanvankelijk was er nog hoop. De SD wist nog niet dat zij met Van Hall de lang gezochte “Van Tuyl” gevangen had.’ Bij zijn arrestatie heeft Walraven weliswaar een (vervalst) identiteitsbewijs op zak, maar dat staat op zijn eigen naam en leidt dus niet naar een van zijn alter ego’s. Die onwetendheid duurt in ieder geval tot 6 februari. Op een organogram over de Nederlandse illegaliteit dat de SD die dag aanlegt, wordt Van Hall nog altijd aangeduid onder zijn schuilnaam. Het overzicht is opgesteld door Teus van Vliet. ‘Hij heeft de oorlog overleefd, mede omdat hij voor de Duitsers een schema heeft gemaakt waarin de gehele illegaliteit beschreven werd, inclusief de namen van de verschillende organisaties met erbij de schuilnamen van de leiders voor zoverre die hem bekend waren en dat waren de meesten’, aldus Gijs van Hall. Vrij snel daarna ontdekken de Duitsers alsnog dat ze diens broer in handen hebben. Gijs: ‘Een andere gevangene verried zijn identiteit. Daarmee was zijn lot bezegeld.’
Remmert Aten: ‘Niets hebben wij vermogen te doen. Wij waren allen bereid, maar de leiding heeft geen teken gegeven. De kans op redding moet anders gelegen hebben. Dat deze gefaald heeft en niets het noodlot heeft kunnen afwenden is ontzettend.’ Gijs: ‘Achteraf beschouwd… misschien hadden we hem kunnen loskrijgen wanneer we als illegaliteit contact met Seyss-Inquart hadden opgenomen. Die contacten waren toen al mogelijk. Maar een politieman uit Zaandam, met wie we contacten hadden, zei ons – en dat was toen, achteraf beschouwd, terecht –: “Ze weten niet wie hij is.” Toen dachten we: als dat zo is, kunnen we hem beter als onbekende laten zitten dan speciaal de aandacht op hem vestigen. Later wisten ze dus wel wie hij was.’

De Persoonsbewijzencentrale maakte in 1944 een vervalste identiteitskaart voor
Walraven van Hall. Daarop is zowel zijn beroep als zijn geboortedatum aangepast.

Na een week belandt Walraven in de cel naast zijn vriend Jaap Buijs. Het lot? Buijs in zijn dagboek: ‘2 februari. Opeens ging mijn celdeur open en tot mijn grote ontsteltenis kwam Wally tussen twee Duitse wachtmeesters mijn cel binnen. Of dit opzet of een vergissing was, weet ik niet. Daarna hoorde ik de cel naast mij opengaan en werd hij daar in opgesloten. Even daarna begon hij te tikken, maar daar ik nooit enig contact met een andere gevangene had gehad, verstond ik dat niet. Hij kwam toen met zijn mond voor de spleet van z’n raam, riep mij en vertelde dat hij 27 januari was gearresteerd. Hij had eerst in een lichte cel aan de overkant doorgebracht en was nu overgebracht.
“Hoe komt het in Godsnaam dat jij in zo’n smerige cel zit?”
Ik zei hem dat ik niets had bekend en dat dat waarschijnlijk de straf was. Hij legde me toen uit hoe het tikken in z’n werk ging en we hebben toen tot ‘s avonds laat, zeer tot ongenoegen van onze medegevangenen, met elkaar tikkend gesproken. Ik was toen zo moe, door de inspanning, dat ik voor het eerst vast heb geslapen.’

De omstandigheden in de gevangenis zijn beroerd. De cellen zijn verduisterd. Voor verwarming, water en zeep wordt niet gezorgd. Voedsel is nauwelijks voorhanden, en post of bezoek ontvangen is er al helemaal niet bij. Buijs noteert: ‘Mijn behandeling werd hoe langer hoe slechter. Weinig eten, verrotte aardappels, geen vet en geen verwarming. Twee zeer dunne dekens en een strozak zo goed als zonder stro op de stenen vloer. Bovendien geen licht.’ Af en toe klinkt er iets door uit een andere cel, zoals de stem van dominee Henk de Jong, een van de gearresteerden op 27 januari. Bij het vallen van de avond zingt hij: “Ik wil u, o God, mijn dank betalen. U prijzen in mijn avondlied.”
Buijs: ‘3 februari. Ik werd uit mijn cel gehaald en zag toen Wally buiten zijn cel staan. We werden tegenover elkaar gezet. We gaven er geen blijk van elkaar te kennen. Men wist dus blijkbaar niet dat hij bij mij in de cel was geweest.’ Van Hall kan alleen communiceren met zijn ondervragers en met Buijs. ‘Door klopseinen op de muur hadden wij contact met elkander en daardoor, omdat onze zaak niet zo somber leek, voor zover dit ging, goede en prettige gesprekken met elkander. Hij was zich gaan inbeelden dat zijn vrouw en kinderen ook wel gearresteerd zouden zijn en ik wist hem dit gelukkig uit zijn hoofd te “kloppen”. Later werd zijn zaak echter voortdurend ernstiger. Op 8 februari wist het tuig dat ze Van Tuyl in handen hadden en toen werd zijn zaak hopeloos. Wat hebben we veel met elkaar gesproken in die dagen en wat een strijd heeft deze beste kerel gestreden om van zijn gezin afscheid te nemen’, aldus Buijs in het vriendenboek Walraven van Hall. 10 februari 1906-12 februari 1945. Koerier Weeda, alias Brinkie: ‘Toen we uit Zaandam moesten vluchten en ons intrek ergens in Amsterdam namen, zaten we weer iedere avond bij elkaar en werd er altijd eerst even over de Westzijde 42 gebabbeld. Dikwijls zei hij dan: “Brinkie, dat is mijn enige angst, dat ik mijn gezin achter moet laten als er eens iets gebeurt.” Inderdaad was dit z’n enige angst, want voor het overige vreesde hij niets en niemand.’

Tilly en de kinderen zijn onmiddellijk na Walravens arrestatie ondergedoken. De twee oudsten, Attie en Aad, worden ondergebracht op verschillende adressen in Zaandam. Tilly trekt met de 4-jarige Mary-Ann in bij de Amsterdamse familie Goedkoop. Het huis aan de Westzijde wordt door vrienden ontdaan van waardevolle spullen. Via de achtertuin worden ze op een dekschuit geladen, over de Zaan afgevoerd en elders opgeslagen. Als na enige tijd duidelijk is dat de Duitsers de gezinsleden met rust laten keren zij en hun bezittingen terug naar de Westzijde.

In januari 1945 arresteren de Duitsers verschillende kopstukken van het Nederlandse verzet, onder wie Walraven van Hall. De Sicherheitsdienst slaagt er op 6 februari in om een overzicht van de illegaliteit te maken. Daarop is zichtbaar dat de SD weet de NSF-leider in handen te hebben (‘Van Tuijll: festgenommen’).

De al op 12 januari naar de Weteringschans overgebrachte Trouw-medewerker Jan Smallenbroek vangt vanuit zijn cel nog één keer een glimp op van Walraven. ‘Door een luik kregen we zwarte koffie. Toen dat luik openging, zag ik iemand zitten die ik heel goed kende, Van Hall.’ Een mogelijkheid om met hem in contact te komen is er niet. Arie van Namen slaagt daar wel in, vertelt hij vier jaar na de oorlog. ‘Op zaterdag 27 januari werd mij door klopsignalen bekend dat Hugo naast mij in een cel zat op de Weteringschans te Amsterdam. Ik schrok daar erg van, omdat ik bang was dat bij een eventueel verhoor van Hugo mijn leugens bekend zouden worden bij de SD. (…) Op 27 januari 1945 bemerkte ik gelijktijdig dat de mij bekende Walraven van Hall aan de andere zijde van mijn cel zat ingesloten. Deze gaf als zijn mening te kennen dat zijn arrestatie het gevolg moest zijn geweest van een aantekening in een zakboekje van Hugo dat door de SD op deze was gevonden. Ik heb dit op verzoek van Van Hall door klopseinen aan Hugo gevraagd, die hierop geen positief antwoord heeft gegeven.’
Jaap Buijs, die korte tijd later in dezelfde cel belandt als Van Namen, doet iets soortgelijks. Van Hall ‘heeft mij toen verteld dat hij dacht dat verdachte iets had gezegd, maar dat hij, Van Hall, het niet begreep. Van Hall heeft het woord verraad gebruikt. Op 8 februari 1945 heeft hij mij medegedeeld dat Hugo of Goedkoop de zaak verraden had, want dat de Duitsers alles, letterlijk alles, wisten.’
In zijn aantekeningen beschrijft de Zaanse houthandelaar uitgebreid de laatste dagen die hij, gescheiden door een stenen muur, doorbrengt met zijn vriend.
‘7 en 8 februari. Bitter koud. Eten ellendig en veel te weinig. Echter vele goede gesprekken met Wally, die echter vooral de 8ste zeer somber was en veel steun nodig had, daar ze alles van hem wisten, ook dat hij Van Tuyl was. Beiden probeerden wij te gissen wie dit allemaal gezegd kon hebben. Wat is het ellendig als je dan een makker alleen maar kunt troosten door dat koude tikken. Je zou hem zo graag eens de hand willen drukken en hem laten voelen hoe je meeleeft. (Later bleek dat Hugo een tekening van de illegaliteit had gemaakt, 6 februari door hem ingeleverd, en alles had verraden. De rotvent!).
‘9 februari. Opnieuw verhoord. Ze bleken nu ook van mij alles te weten. Alleen het NSF-verband wisten ze niet. Toch was ik nu overtuigd dat ik er ook niet door zou komen. Dit met Wally besproken, die mij toen vertelde dat daar toch wel kans op was. Er scheen iets tussen te zijn, waardoor dit niet zou gebeuren. ‘t Was gek, maar er zat een zekere troost in dat Wally nu niet alleen die ellende doormaakte, maar je zelf ook onder dezelfde druk leefde. (‘t Zat als volgt: [verrader Johan van] Lom had gezegd ons wel te willen verraden, mits wij niet gefusilleerd werden. Viebahn en Rühl wilden die belofte houden. Lages niet, toen bleek wie we waren.)’
’10 februari. Wally jarig. Diep ontroerend was deze dag, daar zijn zaak er steeds slechter voor kwam te staan en hij thans beslist overtuigd was er niet door te komen. ‘s Middags weer verhoord. Rühl zei dat hij nu verlangde dat ik los zou komen en zou zeggen hoe het NSF werkte. Hugo had alles gezegd en ontkennen gaf niet. Als bewijs zei hij dat Van Hall hoofd van het NSF was en ik zijn plaatsvervanger. Ook thans alles weer ontkend. (In Scheveningen heb ik aan Hugo gevraagd of dit waar was. Hij ontkende dit heftig. Later bleek het echter volkomen waar te zijn.)’
’11 februari. Opnieuw verhoord. Heb bekend dat ik voorzitter van de Kern en van Natura was, doch heftig ontkend dat ik iets van het NSF afwist. Dit teneinde niet gedwongen te zijn iets van Wally te moeten zeggen. Heb geen enkele naam genoemd. Rühl noemde mij echter keurig alle deelnemers aan de Kernvergadering op, die hij op een lijstje had (Hugo!!).’

Het oorlogsmonument bij de Jan Gijzenbrug (Anton van Daal)

Aan de Haarlemse Jan Gijzenkade staat sinds 1950 een in Franse kalksteen uit-gehouwen beeldengroep. De maker, Theodoor van Reijn, heeft een knielende man en vrouw gecreëerd die samen een krans neerleggen. Op het voetstuk staat de bijbeltekst ‘En nu blijft geloof hoop en liefde deze drie doch de meeste van deze is de liefde.’ Het beeld herinnert aan het drama dat zich 25 meter verder, aan de andere zijde van de weg, heeft afgespeeld. Dat drama begint voor Van Hall op 10 februari 1945, zijn 39ste verjaardag. Die zaterdag pleegt een groepje voormalige RVV-leden, dat zich de voorgaande weken heeft ontwikkeld tot een roofbende, een gewapende overval op een rijwielhandelaar. Ze rijden met hun buit door Haarlem-Noord. Daar willen leden van de Feldgendarmerie hun auto als onderdeel van een routinecontrole doorzoeken. Om te kunnen wegkomen schiet een van de inzittenden met een machinegeweer op de Duitsers. Een onderofficier valt dodelijk gewond neer, een soldaat en een burger raken gewond. Dezelfde avond licht de Haarlemse politie de Amsterdamse SD in over de gebeurtenis.
De Sicherheitspolizei, die sinds juli 1944 in de plaats treedt van de opgeheven rechtbanken, neemt zoals gebruikelijk represailles. Dat verloopt via meerdere schijven. In opdracht van Aussenstelle-leider Willy Lages belt zijn ondergeschikte Friedrich Viermann met SiPo-bevelhebber Karl Schöngarth. Die geeft opdracht om acht gevangenen te executeren. Viermann, in 1949: ‘Ik heb toen aan Dr. Schöngarth acht namen van zg. Todeskandidaten opgezonden, die stonden bovenaan de lijst van terdoodveroordeelden.’
Uit de aantekeningen van Jaap Buijs: ’12 februari. Een der ellendigste dagen van mijn leven. Wally werd twee keer achter elkaar uit zijn cel gehaald. De tweede keer zei hij dat hij hoed en jas had moeten inleveren en dat dit het einde betekende. Hij verzocht mij verder te luisteren en gaf bepaalde wensen op voor toezicht op zijn kinderen, enzovoort. Ik zei hem dat ik, wanneer ik er doorkwam, zoveel mogelijk de kleine zorgen voor zijn gezin zou trachten dagelijks weg te nemen en verder zou doen wat ik kon. Hij zei dat hij dat mij niet eens wilde vragen. Omdat hij mij kende sprak dat voor hem vanzelf. Half vier werd hij weer gehaald en toen hij terugkwam, zei hij dat hij ‘s avonds met anderen gefusilleerd zou worden. Hij vroeg mij aan Til mee te delen dat zijn laatste gedachten bij haar en de kinderen zouden zijn. Daarna zei hij dat hij een vreselijke strijd had om van zijn liefste te scheiden, en nam toen afscheid. Totaal kapot was ik. Wat is de vrijheid duur gekocht. Toen ik het barse bevel hoorde om uit zijn cel te komen, wist ik me geen raad meer.’ Wat Buijs niet opschrijft is dat hij vraagt – onbekend is aan wie – of hij Walravens plaats voor het executiepeloton mag innemen. Het wordt geweigerd.

Samen met zeven andere gevangenen uit het cellencomplex aan de Weteringschans wordt Van Hall op 12 februari 1945 per overvalauto naar de Jan Gijzenkade in Haarlem-Noord vervoerd. De Duitsers drijven intussen een groep burgers naar de executieplaats, een lege plek voor een betonnen tankmuur. Onder hen bevindt zich ook de bekende Haarlemse verzetsstrijder Hannie Schaft. De 10-jarige Jan Heerze is er die maandag eveneens bij. Hij beschrijft de gebeurtenissen in het kinderboek Februari ’45. Een verhaal uit de hongerwinter. ‘Duitsers waren zenuwachtig. Onderofficieren liepen snauwend heen en weer, soldaten hielden voortdurend hun machinepistolen op de mensen gericht. “Ze willen ons vermoorden!”, schreeuwde opeens een vrouwenstem uit de menigte. Er ontstond beweging in de rijen. Verwarde uitroepen. Een Feldwebel brulde: “Stilte! Stilte!” Een man die een stap naar voren deed, kreeg een stoot met een geweerkolf tegen zijn borst. Hij tuimelde achterover. Op hetzelfde moment naderden over de Rijksstraatweg met grote snelheid drie overvalauto’s. Het rumoer verstomde. Uit de eerste wagens sprongen SS’ers. Een paar gingen vlak voor de toeschouwers staan, anderen stelden zich op in een lange rij, het geweer aan de voet. Toen ging de klep van de achterste wagen open. Het werd doodstil op de Jan Gijzenbrug. Een man viel half de auto uit, en nog een, en nog een.’
Ingeborg de Wit, in 1945 17 jaar oud, schrijft later een brief aan de weduwe van dominee Henk de Jong, een van de acht slachtoffers. ‘Op de dag van de fusillade waren mijn broer en ik op weg om sprokkelhout te vergaren voor mijn moeder. De vorige dag waren wij getuige van het neerschieten van een Duitse officier op een fiets, die over de brug reed. We vlogen vlug terug naar huis van angst om onze moeder hiervan te vertellen. Op diezelfde plaats, een beetje verder van de brug, is uw man vermoord, de volgende dag op dezelfde tijd. Wij werden ruw door Duitse soldaten langs de kade geforceerd tezamen met andere mensen op een zekere plaats te staan. Toen arriveerde de Duitse overvalwagen met SS’ers en soldaten en acht schamel geklede personen.’
Ook de 9 jaar oude Rob Hahn moet die maandag toekijken. In 2002 vertelt hij: ‘Ze werden eruit geknuppeld met de kolven van geweren. Anders dan iedereen denkt zijn ze niet op de plaats van het monument neergeschoten, maar aan de overkant. Ze stonden zo dat het schootsveld van de Duitsers over het water van de Jan Gijzenvaart lag.’ De toeschouwers worden gedwongen te kijken. Het is vijf uur ‘s middags. De leider van het executiepeloton, Hans Stöver, geeft zijn Wachzug het bevel om te schieten. Ingeborg de Wit: ‘Ik herinner mij nog de explosie van de geweren van de Duitse soldaten. Wij waren verslagen, bang en vol haat. We werden geforceerd langs de slachtoffers te lopen, maar ik wilde niet kijken.’
Kort voor de fatale schoten klinkt er een schreeuw. Walraven houdt zich aan de belofte die hij in zijn cel deed. Omstanders horen hem roepen: ‘Ik denk aan je, Tilly.’ Luttele seconden later valt hij dodelijk getroffen neer.

Als Rob Hahn later op de dag teruggaat naar de plek van de executie ziet hij de acht lichamen in de loopgraven naast de Rijksstraatweg liggen. ‘Hoe lang ze daar gelegen hebben, weet ik niet meer.’ De Amsterdamse begrafenisondernemer en trouw SS’er en NSB’er Johannes Bleekemolen en garagehouder Pierre van Lee halen de slachtoffers in de vroege avond op en vervoeren ze per vrachtwagen naar het Kennemerduingebied. Daar verwijdert Bleekemolen hun schoenen en ringen. De schoenen neemt hij mee naar huis. Ze dienen als brandstof voor zijn kachel. De ringen overhandigt hij aan de Sicherheitspolizei. De lichamen worden begraven in het duinzand nabij de Zeeweg. Vijf dagen later stuurt Bleekemolen de begrafenisrekening, ƒ195,- per persoon, naar de gemeente Haarlem. 

De plaats van de executie, mei 1945 (Noord-Hollands Archief)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Wally is terug

De officiële onthulling moet nog plaatsvinden, maar wie door de Zaandamse Westzijde loopt, kan sinds deze week ter hoogte van nummer 42-44 deze in steen vastgelegde tekst lezen. ‘Als Wally binnenkwam was iedereen in vijf minuten gelukkig’, staat er. Het citaat is een eerbetoon aan de man die tussen 1940 en 1945 op dit adres woonde, Walraven van Hall. Het kostte wat tijd en een beetje moeite, maar mede dankzij de welwillende eigenaar van de nieuwbouw, de betrokken architect en de gemeente Zaanstad mag het resultaat er zijn. Dank! Nederlands belangrijkste verzetsstrijder (1906-1945) is terug op de plek waar hij thuis was.

De laatste exemplaren van de Van Hall-biografie

De film Bankier van het verzet trok 400.000 bezoekers naar de bioscoop, is genomineerd voor twaalf Gouden Kalveren en gaat als Nederlandse inzending naar de Oscar-longlist. Een succes dus, al met al. De biografie Walraven van Hall, premier van het verzet (1906-1945), die gebruikt werd voor de filmproductie, doet het ook goed . Er zijn inmiddels duizenden exemplaren van verkocht. Sterker, van de hardcover-versie zijn nog maar enkele tientallen over.  Met andere woorden: het is bijna op en keer in deze vorm niet meer terug.

Ter geruststelling: zodra de luxe versie uitverkocht is, verschijnt er een editie met een zachte kaft. Iets minder chic dus. Daarom, mocht je de betere publicatie willen bekomen, dan is het een kwestie van tempo maken. In de woorden van Jessica Durlacher: “Lees dat boek van Erik Schaap.” Het is voor €19,95 te verkrijgen via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com. Zolang de bescheiden voorraad (nog 75 stuks beschikbaar) strekt… 

Een monument voor Van Hall?

 


In de eerste jaren na de bevrijding was Walraven van Hall een begrip in Nederland. Het valt onder meer af te lezen aan de hoeveelheid geboortekaartjes in het familiearchief waarop blijde ouders kenbaar maken hun pasgeboren zoon als eerbetoon Walraven of Wally te hebben genoemd. (Een jaar of wat geleden ontving ik een mail van een moeder die vertelde dat haar zoon een reïncarnatie was van Walraven van Hall. Dat bewijs heb ik dan weer niet teruggevonden in bovengenoemd familiearchief.)

In de decennia na de Tweede Wereldoorlog zakte Van Hall en hetgeen hij had betekend weg in het collectieve geheugen. Met de speelfilm over zijn leven is er een nieuw monument gebouwd voor deze verzetsgrootheid, de belangrijkste illegale strijder die Nederland ooit had. En daarmee lijkt het met zijn naamsbekendheid de komende jaren wel goed te zitten.

In de gemeente waar hij de laatste vijf jaar van zijn leven woonde is helaas weinig monumentaals terug te vinden dat herinnert aan Walraven van Hall. Zijn woning, Westzijde 42, werd in de jaren zestig afgebroken en hetzelfde lot onderging de bank waar hij mede de scepter zwaaide. Waar Amsterdam twee blijvende herinneringen heeft gecreëerd voor Van Hall – een plaquette in het beursgebouw en een monumentale bronzen boom naast De Nederlandsche Bank – heeft Zaanstad hem, na een moeizame discussie, alleen vermeld op een namenbalk in de raadszaal. De Zaanstreek telt twee monumenten voor Hannie Schaft. Ze woonde hier niet, maar het is haar gegund. Voor de wèl in Zaandam wonende Van Hall moet er echter toch wel meer inzitten dan alleen die magere vernoeming in een vergaderruimte waar slechts een select publiek komt. Wellicht dat die film daartoe een aanzet kan vormen? En wie is er bereid om het initiatief te nemen? 

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)

Tranen bij De Nederlandsche Bank


Wally van Hall (de kleinzoon van), DNB-directeur Nout Wellink en ondergetekende tijdens de boekpresentatie (10-2-2006) Foto J. v/d Wal 

Voor ik mij zette aan een levensverhaal over Walraven van Hall publiceerde ik wel eens boekjes, maar qua volume legden die weinig gewicht in de schaal. Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) daarentegen was het serieuzere werk.  Mijn uitgever vond dan ook dat de biografie een stevige ontvangst moest krijgen en ze regelde dat het eerste exemplaar zou worden gepresenteerd in het hoofdkwartier van De Nederlandsche Bank.

Het werd een bijzondere bijeenkomst, de tiende februari van 2006. Tot mijn verbazing verschenen er een stuk of honderd genodigden in de zwaarbeveiligde bunker aan het Frederiksplein. Nout Wellink was de eerste DNB-directeur die in zijn speech de bedenkelijke rol erkende die zowel zijn bank als de meeste andere in Nederland speelden tijdens de oorlog. Ik schoot vol toen ik exemplaren van de aan hen opgedragen verse waar mocht overhandigen aan mijn twee petekinderen, toen nog basisscholieren. En een gelijknamige kleinzoon van Walraven van Hall barstte tijdens zijn verhaal in tranen uit. Overmand door emoties kon hij zijn speech niet afmaken. Het gaf niet. Integendeel, het was misschien wel het mooiste moment van de bijeenkomst.

Na de plechtigheden wilden veel bezoekers een opdracht voorin het boek. Ik was er totaal niet op voorbereid, had niet eens een pen op zak. De eersten die me aanschoten waren familieleden. ‘Veel leesplezier’ schreef ik bij gebrek aan betere volzinnen voorin, me even niet realiserend dat Walraven aan het eind van mijn boek wordt doodgeschoten (alsnog mijn excuses voor de tekst).

Pas veel later hoorde ik dat tijdens de doop van het boek een van de aanwezigen Nout Wellink had benaderd met een verzoek om mee te werken aan een monument voor de bankier van het verzet. Wellink zegde het toe en mede dankzij hem kon korte tijd later het kunstwerk ter ere van Van Hall worden onthuld. Vlak naast De Nederlandsche Bank, de misschien wel meest symbolische plek.

Sinds die biografiepresentatie in Amsterdam zijn er nog een stuk of tien boeken van me in roulatie gegaan. Maar zo intens als op die februaridag in 2006, exact een eeuw na de geboorte van Walraven van Hall, is het nooit meer geworden.

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)

Het kistje van Cees

 

Jaap Buijs met echtgenote en kinderen.

Tot de onbaatzuchtigen die de Nederlandse illegaliteit telde, mag zeker Cees Buijs worden gerekend. Zijn vader, Jaap Buijs, was vier oorlogsjaren lang de rechterhand en vertrouwensman van Walraven van Hall en zoon Cees assisteerde hen op tal van terreinen. In een twee jaar na Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) geschreven boek liet ik deze Zaandammer een paar keer aan het woord, onder meer over de Hongerwinter. “Nog hoor ik het gejank der honden en katten, die op 5 december voor onze deur stonden. Want wat was het geval? In de gang stonden 2 kisten vol paling, bestemd als sinterklaascadeautje voor de [stakende] spoorweglieden”, vertelde Cees Buijs kort na de bevrijding. “Het hele huis rook er naar en wij liepen de gehele dag te watertanden. Wat hadden we er zelf graag eentje op onze boterham gehad.” De erecode van het ondergrondse Nationaal Steunfonds, waarin Cees’ vader een landelijke hoofdrol vervulde, stond het niet toe. Buijs senior: “Men heeft bij het NSF altijd op het punt gestaan dan men niet werkte om zichzelf te verrijken.”

Voor de Van Hall-biografie had ik Cees Buijs dolgraag willen spreken. Ik was te laat; hij leefde niet meer. Zijn familie wist echter dat Cees altijd een metalen kistje bewaard had met nogal wat documenten over de oorlog. Er was sprake van onder meer sprake van vervalste papieren, stempels, Ausweisen en andere identiteitsdocumenten. Cees’ dochter, die inmiddels in Nieuw Zeeland woonde, was bereid op zoek te gaan naar dat wat ik inmiddels beschouwde als een heuse schatkist. Het bestond nog, bleek enige tijd later. Maar daar was ook alles mee gezegd. “Mijn broer kon vertellen dat mijn vader, niet zolang voordat hij stierf, de totale inhoud van dit kistje heeft verbrand”, mailde Cees’ dochter. “Hij heeft langere tijd geleden aan Alzheimer, sprak veel over de oorlog en raakte op die momenten buitengewoon emotioneel. Hij heeft zeer waarschijnlijk gedacht dat al deze papieren te gevoelig waren om te bewaren. Er is hiermee, in de letterlijke zin van het woord, een brok historie in vlammen opgegaan.”

Gelukkig vond ik bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie enkele interviews met Cees Buijs waarin hij vertelde over zijn oorlogsbelevenissen. Maar nog altijd zingt zo nu en dan door mijn achterhoofd de vraag wat het kistje van Cees aan geheimen bevatte.

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)

De sportiviteit van Cees Overgaauw

 

De familie Van Hall (1940). Linksonder Walraven.

Medio 2005 vorderde ik aardig met mijn boek over Walraven van Hall. Contact met zijn nakomelingen had ik echter nog niet gehad. En dat was wel nodig, want het vertrouwelijke familiearchief van de Van Halls -32 strekkende meters, opgeslagen bij het Stadsarchief Amsterdam– was niet toegankelijk zonder hun toestemming. Bovendien had ik de nodige vragen aan Walravens drie kinderen.
Toen ik voor het eerst contact kreeg met Aad, de zoon van Walraven, reageerde die erg vriendelijk. Natuurlijk was ik welkom om langs te komen. En uiteraard mocht ik vragen stellen. Er was alleen één maar. Documentairemaker Cees Overgaauw was bezig met een filmisch portret van Walraven en zijn kinderen hadden hem exclusieve toegang beloofd tot het familiearchief. Cees wilde namelijk óók een biografie schrijven over hun vader.

Dat ik een inzinking kreeg is overdreven, maar het idee dat ik na zo’n acht maanden zoeken en schrijven een incompleet verhaal moest inleveren, deed me de moed wel een beetje in de schoenen zakken. Enfin, ik sprak met Aad van Hall af dat ik mijn manuscript-in-wording zou toesturen, opdat hij en zijn zussen er hun blik over konden laten gaan. Aldus geschiedde.
Binnen een paar weken belde Aad me. “Mijn zussen en ik hebben het er over gehad”, zei hij: “En we vinden dat jij dat boek maar moet schrijven.” Ik kreeg alsnog exclusief toegang tot het familiearchief. “Maar”, stamelde ik: “Wat zal Cees Overgaauw daar van vinden?” Aad had daar ook al over nagedacht: “Ik ga wel met hem praten. Hij heeft het toch al erg druk, dus dat komt wel goed.”

Dat kwam het ook. Cees Overgaauw was aanwezig bij de boekpresentatie en feliciteerde me als een van de eersten met het resultaat. Sportiever had ik het niet kunnen treffen. 

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)

Liber amicorum voor Van Hall

Het boek dat ik schreef over Walraven van Hall is –verbazingwekkend genoeg, gezien de historische rol van deze man- tot op heden het enige in zijn soort. En toch ook weer niet. Kort na de bevrijding verscheen er voor zijn familie en vrienden een liber amicorum, een 98 pagina’s tellend boekje dat in kleine kring werd verspreid. Het werd gedrukt door zijn Zaandamse verzetscollega Gerrit Huig  en bevat verhalen van de mensen die Van Hall nabij stonden. Laat ik voor deze gelegenheid diezelfde drukker Huig aan het woord, over zijn ervaringen met Van Hall zoals verwoord in dat vriendenboekje.

Koningin Juliana op bezoek bij drukkerij Huig“In Mei 1943 behoorden mijn Vrouw en ik tot de daders van den aanslag op de Gew. Arbeidsbeurs in Zaandam. Door een samenloop van omstandigheden geraakten wij door een der mededaders in gevaar. Op aanraden van den heer Soepboer, chef van de politie Hembrug, een mede-dader, heb ik mij in verbinding gesteld met Walraven. Het was een zeer delicate zaak en ik achtte hem uitermate geschikt om alles in het reine te brengen, wat hij met medewerking van den heer Buys ook prompt gedaan heeft. Vanaf dien dag kwam ik steeds meer met hem in contact. O.a. krantenpapier leveren, drukken van div. drukwerken, enz. Ook heeft hij mij rechtstreeks voorgesteld aan Gerrit van der Veen en zijn nicht Suzan van Hall.
Nu verplaatste mijn werkkring zich meer naar Amsterdam, hoewel ik in voortdurend contact bleef met Walraven en den heer Buys. Altijd had hij een open oor voor mijn moeilijkheden en plannen. Opvallend was zijn zorg voor mijn welzijn. Iederen keer, wanneer ik bij hem geweest was, maande hij mij tot voorzichtigheid en voor dolle, niet goed doordachte en niet verantwoorde plannen voelde hij niets. Ik had ook den indruk, dat hij gewelddaden met grooten tegenzin goedkeurde.
Hij was geen man, die verzet pleegde om het verzet. Opvallend was zijn onbuigzame geest ten opzichte van den bezetter en zijn trawanten. Een onbuigzame geest in dien zin, dat hij zich op den juisten tijd wist te buigen, wanneer het ging om menschenlevens te sparen, maar zich dan weer te fierder oprichtte.
In October 1943 ben ik gevangen genomen. Sindsdien niet meer met hem in contact geweest. Wel heeft hij mijn vrouw bezocht en b.v. met Nieuwjaarsdag 1945 bezocht en bemoedigd! Dat hebben wij beiden zeer geapprecieerd en toen mijn vrouw bij mijn thuiskomst dit vertelde, was mijn antwoord ongeveer: Aan Wally zijn medeleven heb ik in de gevangenis nooit getwijfeld, dat was geen punt van overweging.
Dit zijn ongeveer mijn ervaringen met Walraven van Hall. Een naam, die mij dikwijls door mijn gedachten gaat en voor mij een bijzondere beteekenis heeft gekregen.”

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)

Het graf van het echtpaar Huig op Terschelling.

De aanleiding voor de Van Hall-biografie

 


De misschien wel meest gestelde vraag over mijn literaire bezigheden is hoe ik er toe ben gekomen om steeds maar weer over de Tweede Wereldoorlog te schrijven. Het kortste antwoordt luidt: “Door toeval.” Maar dat verdient misschien wat uitleg.

In 2004 gaven mijn ouders me een boek cadeau met de titel Een kleine geschiedenis van Amsterdam. Ze hadden het dubbel, en wie weet kon de inhoud rekenen op mijn belangstelling. Dat deed het. Wat opviel was dat om de zoveel pagina’s de familie Van Hall opdook in dit werk van Geert Mak. Ze bleken een flinke rol te hebben gespeeld in de hoofdstedelijke historie, met name in de negentiende en twintigste eeuw.

In het laatste hoofdstuk verscheen opeens ene Walraven van Hall ten tonele. Dat bleek een Zaandamse bankier annex verzetsman te zijn, en Mak plaatste hem op een voetstuk. Een citaat: “Binnen twee jaar groeiden de gebroeders Van Hall uit tot centrale figuren binnen de Nederlandse illegaliteit, en over Wallie werd zelfs gesproken als de ‘minister-president van bezet Nederland’.”

Tot dan had ik alleen weet van de Walraven van Hallstraat, een weinig tot de verbeelding sprekend hoekje van Zaandam. Geert Mak maakte me echter nieuwsgierig naar meer informatie over de ‘olieman’, een van Van Halls bijnamen tijdens de bezetting. Vreemd genoeg bleek er geen boek over zijn leven te bestaan. Loe de Jong schetste in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog weliswaar een uitgebreid beeld van Walraven van Hall, die hij beschouwde als de belangrijkste ondergronds werker die Nederland had tussen 1940 en 1945, maar het levensverhaal van deze man vond ik niet. In mijn naïviteit dacht ik toen: “Dan schrijf ik het zelf wel.”

In het navolgende jaar stak ik al mijn vrije tijd in het onderzoek naar en schrijven over Van Hall. Ik nam een aantal maanden vrij van mijn werk. Mijn voornemen was om op 10 februari 2006, de honderdste geboortedag van ‘Wallie’, zijn levensverhaal te kunnen presenteren. Dat lukte, al dreigde het op het laatste moment nog te mislukken. Maar daarover morgen meer.

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)

 

Walraven van Hall: bankier van het verzet

Loe de Jong noemde hem de centrale figuur van de illegaliteit. De in Amsterdam werkzame Walraven van Hall werd tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog door velen gezien als de minister-president van bezet Nederland. Desondanks zakte deze ‘bankier van het verzet’ sindsdien langzaam weg in de vergetelheid.

Er zijn de nodige raakvlakken tussen de Franse ambtenaar Jean Moulin en de effectenhandelaar Walraven van Hall, mannen die in eigen land uitgroeiden tot het middelpunt van de strijd tegen de nazi’s. Allebei dwarsboomden ze hun tegenstanders waar mogelijk, overigens zonder daarbij gebruik te maken van wapens. Ze slaagden er in het verdeelde verzet te laten samenwerken. En als gevolg van verraad in eigen gelederen stierven beiden een gewelddadige dood.

Verschillen zijn er ook. Moulin kreeg zijn laatste rustplaats in het aan de allergrootsten voorbehouden Parijse Panthéon. Hij werd in Frankrijk opgewaardeerd tot bijkans mythologische held, die in vrijwel elke plaats een straat of school naar zich vernoemd kreeg en wiens leven keer op keer is verfilmd en geboekstaafd. Van Hall daarentegen, bijgezet op de Eerebegraafplaats in Bloemendaal, bleef – het eerbetoon van De Jong en andere historici ten spijt – aanvankelijk onbekend bij het grote publiek.

Zaandam

Na een korte carrière als zeeman kwam de in Amsterdam geboren ‘Wally’ van Hall in de financiële wereld terecht. In maart 1940 verhuisde hij naar Zaandam. Namens de plaatselijke bankfirma Weduwe J. te Veltrup & Zoon reisde hij dagelijks naar het hoofdstedelijke Beursplein om er effecten te verhandelen. Aan zijn onbekommerde gezinsleven kwam een eind na de Duitse bezetting van Nederland. Walraven werd in zijn woonplaats voorzitter van de Nederlandse Unie. Deze volksbeweging wilde het vooroorlogse verzuilde denken doorbreken en de ‘nationale eenheid’ bevorderen. Veel mensen sloten zich er bij aan, uit weerzin tegen het nationaalsocialisme.

In december 1941 verboden de Duitsers de wispelturige Nederlandse Unie, op dat moment de grootste politieke partij ooit. Tal van Unie-leden gingen vervolgens ondergronds. Zo ook Van Hall. Hij was al gestart met een geldinzameling voor slachtoffers van de Februaristaking en raakte nu ook betrokken bij de Zeemanspot, een hulporganisatie voor gezinnen van uitgeweken koopvaardij- en marinepersoneel. Samen met zijn broer Gijs – de latere burgemeester van Amsterdam – lukte het Walraven om via kennissen in de bank- en beurswereldvloer honderdduizenden guldens aan giften en leningen bij elkaar te krijgen. “Ik denk er niet over om mijn makkers, met wie ik samen gevaren heb, nu in de steek te laten”, vertrouwde hij een vriend toe.

Plundering van schatkist

In de loop van 1942 werd duidelijk dat steeds meer nazislachtoffers hulp nodig hadden. De beide Van Halls stichtten daartoe het landelijk opererende Landrottenfonds. Dat sloot grote leningen af bij banken en vermogende Nederlanders. Het geld ging naar gezinnen van gevangenen, nabestaanden van geëxecuteerden, ontslagen ambtenaren, familie van arbeidsinzet-onderduikers en acht- à negenduizend ondergedoken joden.

Uit de Zeemanspot en het Landrottenfonds ontstond het Nationaal Steunfonds (NSF). Deze ondergrondse bank, waarvan Walraven de onbetwiste leider was, financierde gedurende de oorlog naar schatting 150.000 personen in nood. Daarnaast gingen er vele miljoenen naar illegale organisaties als de Persoonsbewijzencentrale, spionagegroepen, het gewapend verzet en bladen als Vrij Nederland, Trouw en Het Parool. Toen de Nederlandse regering in ballingschap in september 1944 opriep tot een spoorwegstaking nam het NSF de salarisbetaling op zich van de 33.000 stakende spoormedewerkers, een maandelijkse last van 5-6 miljoen gulden. Tot mei 1945 deelde het NSF meer dan 85 miljoen gulden uit binnen de illegaliteit.

Ruim tweederde van dit bedrag was afkomstig van De Nederlandsche Bank. Het idee om de nationale kas te plunderen kwam van Gijs van Hall. Hij herinnerde zich de Zweedse luciferproducent Ivar Kreuger. Die wist in de jaren dertig met valse schatkistpromessen miljoenen te ontfutselen aan een Italiaanse bank. De Van Halls kregen kassier-generaal C.W. Ritter zo ver om valse papieren om te ruilen voor echte. Het was een gevaarlijke klus, want De Nederlandsche Bank werd geleid door NSB-kopstuk Meinoud Rost van Tonningen. Vijftien keer vond er in het bankgebouw aan de Oude Turfmarkt een ingewikkelde wisseltruc plaats, waarna de echte waardepapieren bij acht sympathiserende bankdirecties werden omgezet in contant geld. Het was de grootste bankfraude ooit in Nederland. Terecht concludeerde Loe de Jong dat het de Nederlandse illegaliteit wellicht aan van alles ontbrak, maar dankzij het Nationaal Steunfonds in ieder geval niet aan geld.

Waar Gijs van Hall zich vooral concentreerde op het NSF leek zijn broer alom aanwezig. In het laatste oorlogsjaar was Walraven betrokken bij de oprichting van de Stichting 1940-1945, bij de door het NSF gefinancierde en gehuisveste Binnenlandse Strijdkrachten en was hij de initiatiefnemer van een succesvolle landelijke campagne om de Duitse Arbeitseinsatz te frustreren. Hij hield zich verder onder meer bezig met hulp aan geallieerde piloten, het onderbrengen van joden, de levering van explosieven aan het verzet en de bemiddeling tijdens ideologische conflicten binnen de verzuilde landelijke illegaliteit.

Walravens gezondheid ging tijdens de hongerwinter van 1944-’45 snel achteruit. Geert Mak beschreef in zijn boek Een kleine geschiedenis van Amsterdam de vermoedelijk laatste keer dat zijn gezin hem zag. “Hij kwam zelden meer thuis in die maanden, dat was te gevaarlijk geworden. Hij had een barre tocht achter de rug, op een fiets met houten banden van Amsterdam naar Zaandam, en hij was bekaf. Zijn vrouw probeerde hem op te warmen, wat te eten te geven. Ten slotte klom ze resoluut op een stoel. Achter uit de keukenkast haalde ze de laatste twee suikerklontjes, zorgvuldig bewaard voor het meest extreme noodgeval. En die mocht hij toen hebben.”

Duur gekochte vrijheid

Op 27 januari 1945 werd Van Hall gearresteerd tijdens een topoverleg op de Leidsegracht, het gevolg van verraad in eigen kring. In de gevangenis aan de Weteringschans belandde hij in een cel naast zijn eerder gearresteerde verzetsvriend Jaap Buijs. Die beschreef in een bewaard gebleven dagboekje Van Halls laatste uren. “12 februari. Een der ellendigste dagen van mijn leven. Wally werd twee keer achter elkaar uit zijn cel gehaald. De tweede keer zei hij dat hij hoed en jas had moeten inleveren en dat dit het einde betekende. (…) Half vier werd hij weer gehaald en toen hij terugkwam, zei hij dat hij ’s avonds met anderen gefusilleerd zou worden. Hij vroeg mij aan Til [zijn echtgenote] mee te delen dat zijn laatste gedachten bij haar en de kinderen zouden zijn. Daarna zei hij dat hij een vreselijke strijd had om van zijn liefste te scheiden, en nam toen afscheid. Totaal kapot was ik. Wat is de vrijheid duur gekocht. Toen ik het barse bevel hoorde om uit zijn cel te komen, wist ik me geen raad meer.”

Op 12 februari 1945 stierf de twee dagen eerder 39 jaar geworden Van Hall in Haarlem voor een vuurpeloton, als represaille voor een aanslag op een Duitse officier. Na de bevrijding werd zijn lichaam aangetroffen in de Kennemerduinen.

Vanwege zijn enorme inzet, charisma en kennis van zaken betitelde de eerste naoorlogse premier, Wim Schermerhorn, Van Hall als de ‘volstrekt centrale en leidende figuur van het verzet’. Het heeft desondanks 65 jaar moeten duren voor Walraven van Hall werd geëerd met een monument, geplaatst naast en deels gefinancierd door diezelfde Nederlandsche Bank waaruit de broers Van Hall het kapitaal voor hun verzetswerk roofden. Dat de ‘olieman’ (een van zijn vele bijnamen) een voetnoot in de historie dreigde te worden heeft als belangrijke oorzaak dat zijn naasten de publiciteit meden. Wally’s familie zweeg. Zijn beste vriend, Jaap Buijs, was te getraumatiseerd om over de oorlog te spreken. Van Halls hoofdkoerier, L.C. Weeda, vertrok na de bevrijding al snel naar Nederlands-Indië. Kassier Ritter en andere bankiers wilden niet te koop lopen met hun ‘frauduleuze’ oorlogswerkzaamheden. En Gijs van Hall heeft in zijn memoires nog wel een poging gedaan om zijn broer lof toe te zwaaien, maar van dat boek bleef vooral het beeld hangen van een burgemeester die zijn taak niet tot een bevredigend einde wist te brengen.

De speelfilm Bankier van het verzet (met onder anderen Barry Atsma, Jacob Derwig en Pierre Bokma) geeft mogelijk het laatste zetje dat nodig is om Van Hall dezelfde naamsbekendheid te geven als bijvoorbeeld Hannie Schaft, Erik Hazelhoff Roelfzema en Gerrit Jan van der Veen. Hij verdient het.

(Mijn biografie Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) is verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel en bij Bol.com.)