Berichten

Kristallnacht in Vlotho, vlucht naar Zaandam. ‘Ze gedroegen zich als wilden’

In mijn boek Eisendrath, een verzonken familie komen ook de lotgevallen van de Duits-joodse familie Juchenheim aan bod. Na de Kristallnacht vluchtte een aantal gezinsleden naar Nederland. Hier het hoofdstuk over die angstige periode in 1938.

Nog geen jaar na de uitreis van Emma, zijn moeder, wordt voor Paul Juchenheim de situatie onhoudbaar. Hoewel getrouwd met de evangelisch ingestelde Frieda – een keuze die het merendeel van zijn familie moeilijk kan accepteren; Israëlieten huwen geen christenen, daarover zijn ze het wèl eens met de nazi’s –, blijft het joodse stigma hem aankleven. Dat zijn dorpsgenoten hem zien als een moeilijk man, iemand met gedragsstoornissen, maakt de situatie niet overzichtelijker. ‘Zappel-Paul’ honen ze al jaren. De smiespelaars verwijzen daarmee naar de hyperactieve, klunzige hoofdrolspeler uit het oude kinderboek Struwwelpeter. Pauls drukte en onhandigheid zijn legendarisch, al sinds de lagere school. Het joodse internaat in het verre Wolfenbüttel noch een joods particulier lesinstituut op het Duitse Waddeneiland Norderney hebben daaraan iets kunnen veranderen. Een aansluitende studie die hem moest voorbereiden op een toekomst als koopman was mede daardoor een recept voor mislukking. Gelukkig kon en kan hij zijn talenten kwijt in de culturele wereld, al enkele decennia trouwens. Daar waardeerden ze zelfs tot op zekere hoogte zijn excentriciteit.

Huisdoorzoeking

De bakens zijn echter verzet. Pauls baan in de filmindustrie maakt hem verdacht. De huidige leiders hebben weinig op met onafhankelijke creativiteit, en al helemaal niet als daarbij joden gemoeid zijn. Wanneer Paul in 1936 voor werkzaamheden in Nederland verblijft, doorzoekt de politie zijn huis. Onduidelijk is waarom de keuze valt op de woning aan de Herforder Strasse, al wordt er later wel gefluisterd over een vondst van ‘belastende brieven’. Het maakt ook niet uit. De tijd dat er juridische aanleidingen nodig waren om een huis overhoop te halen, ligt ver terug. Het feit dat hier een jood woont is voldoende.

Paul krijgt lucht van de huiszoeking. Hij redeneert dat een terugkeer naar Vlotho gelijkstaat aan een enkele reis naar de gevangenis of het kamp en besluit in Nederland te blijven tot de lucht is schoongewaaid. Bernard en Selma Eisendrath geven hem in hun Zaandamse woning een kamer en voedsel, voor zolang als nodig is. In tergende spanning en afgesloten van betrouwbare berichtgeving wacht Paul de ontwikkelingen af. Wekenlang.

Selma Eisendrath, Lore Juchenheim, Emma Juchenheim en Bernard Eisendrath in Zaandam. Eind jaren ’30. (E. Mulder)

Gijzeling

De situatie lijkt te escaleren, gebeten als de politie is op het arresteren van de in het buitenland verblijvende rassenvijand. Om hem te dwingen zich aan te geven, nemen Duitse agenten Frieda in gijzeling. Ze verdwijnt in Bielefeld achter de tralies, ver buiten bereik van haar geliefden. Het pressiemiddel werkt niet. Paul blijft in Zaandam. Pas na drie maanden krijgt Frieda haar vrijheid terug. De voortdurende pesterijen met als doel om zoveel mogelijk jehoedem de grens over te drijven, hebben nu ook haar aangetast. Ze stopt de schamele bezittingen die de overheid genadig toestaat in een koffer en verlaat Duitsland. Aangekomen in de Zaandamse Bootenmakersstraat kan ze haar echtgenoot weer omarmen.

Heel lang blijven Paul en Frieda niet bij hun familie. Gesteund door het Comité voor Joodsche Vluchtelingen vinden ze een kamer in Amsterdam. Het is de eerste van een serie – meestal kunnen ze slechts een paar weken of maanden blijven, alvorens weg te moeten –, die uitgebaat worden door huiseigenaars met namen als Lösing en Rosenthal. Op het Merwedeplein, waar beide ballingen het langst hun spullen uitstallen, kunnen ze in hun geboortetaal van gedachten wisselen met het enkele portieken verderop wonende echtpaar Frank en hun twee dochters, net als zij vluchtelingen. Duitsland is nooit uit de buurt, het jodendom evenmin.

Vluchtelingencomité

Eigenlijk willen ze verder trekken, andere grenzen over. Zo ver mogelijk van die hysterische tiran in Berlijn. Weg van de politici die hun bierkelders hebben verruild voor het regeringspluche en daar hun gebral omzetten in wetsartikelen. De nazi’s knagen aan het buitenland, streven naar meer Lebensraum. Wie zegt dat Nederland een veilige haven blijft? De Juchenheim-probeersels zijn vergeefs, maakt een briefje van het vluchtelingencomité aan de Vreemdelingendienst duidelijk: ‘Deze familie kan niet emigreren, omdat de man ziek is.’ Terwijl zijn zwager en diens echtgenote hun ontsnappingskansen beproeven, zoekt ook Bernard contact met het Comité voor Joodsche Vluchtelingen. De enige Juchenheims die nog in Vlotho zijn achtergebleven, Alwin, Paula en hun twee kinderen, verkeren in acuut levensgevaar.

Lore, Alwin, Hans en Paula Juchenheim (Joods Museum Dorsten)

Kristallnacht

Op 9 en 10 november 1938 golft er een nazistische furie door de Duitse straten. De laarzen nemen het land over. Het is tijd dat de joden ‘de razernij van het volk’ voelen, schrijft instigator Joseph Goebbels in zijn dagboek. Twee dagen eerder heeft een Hannover jood zijn revolver gebruikt om een Duitse diplomaat te doden en daarmee ontsteekt hij de lont in het kruitvat. Het moment voor een massale pogrom is daar. Duizenden synagogen, joodse winkels en huizen worden op bevel van Goebbels en Hitler belaagd en vernield in wat moet doorgaan voor een spontane opstand.

In de vroege ochtend van de tweede dag vol aangejaagde razernij lopen vier SS’ers en SA’ers gewapend met bijlen en voorhamers van het raadhuis naar de sjoel van Vlotho. Ze openen de houten voordeur en beginnen met hun gereedschap om zich heen te slaan. Kerkbanken, heilige relikwieën, de kostbare kroonluchter en de kasten; alles van waarde versplintert onder het uitzinnige geweld. Uit het door een bijl geteisterde harmonium komen bij elke slag valse tonen, net zolang tot het instrument definitief zwijgt. ‘Ik zag hoe de uitvoerend ambtenaar Wilhelm Krumme, die sowieso altijd gekte in zijn hoofd had, zichzelf een gebedsmantel had omgehangen en daarmee in de synagoge ronddanste’, verklaart een toevallige passant later. ‘Ze gedroegen zich allemaal als wilden, als dwazen.’ Wanneer het kwartet hun vernielzucht heeft bevredigd, krijgen Alwin Juchenheim en de andere joodse mannen uit het dorp bevel om de houten restanten naar buiten te tillen. Ze moeten de overblijfselen naar een eilandje in de Weser dragen. Even later laait daar een groot vuur op.

‘Wegwezen’

De enige als zodanig herkenbare joodse winkel in het dorp wordt die dag eveneens gemolesteerd. De kostbare kledingvoorraad van de confectiezaak belandt ordeloos op het kerkplein, alle verkoopsters worden door grofgebekte SA’ers naar buiten gecommandeerd: ‘Wegwezen, wat willen jullie hier nog!’ Ook de woning van de Juchenheims ontsnapt niet aan het barbarisme. De eigenaars hebben met hun rijkdom lang genoeg de ogen uitgestoken van hun buren, meent de revolutionaire horde. De middag wordt benut om alle ramen, de deuren, trap en badkamer aan diggelen te slaan, een lot dat overigens nog elf huizen beschoren is.

Een van die vermeende jaloerse buren is Ursula, een meer dan goede vriendin van Lore Juchenheim. Terwijl de verwoestingen voortduren, holt Ursula naar het station. De trein komt eraan. Lore is die ochtend, zoals elke werkdag, naar het joodse meisjesgymnasium in Bad Oeynhausen vertrokken. Onder haar zwarte, golvende kapsel schuilt een helder verstand en leergierig als ze is, heeft ze het al geschopt tot de vierde klas. Er is overigens ook wat doorzettingsvermogen van haar ouders nodig geweest om haar zover te krijgen. De directeur had zijn leerlinge eerder dit jaar van school willen verwijderen. Pas toen Paula hem Alwins toegekende Erekruis voor Frontstrijders toonde, en daarmee diens tijdens de oorlog bewezen vaderlandsliefde en opofferingsgezindheid, ging de directeur overstag. Hoewel ze joods was, mocht Paula’s dochter blijven.

Lore Juchenheim

Kapotgeslagen

’s Middags keert Lore terug van school, om zoals altijd even voor half drie in Vlotho uit de trein te stappen. Ursula neemt Lore gehaast mee naar haar eigen, veilige huis, uit het zicht van het geteisem dat de omgeving afstroopt. Ontdaan vertelt ze daar wat er aan de andere kant van de schutting heeft plaatsgevonden. ‘De staande klok werd omver geworpen. Kristal dat op het buffet stond werd kapotgeslagen, de piano beschadigd. De toetsen stonden allemaal rechtop! Het zilver werd uit de lades gegrist en over de grond gestrooid. De grote hal van het huis lag vol met servies, dat voor een deel stukgeslagen was, en met bestek.’

Paula en haar tienjarige zoon Hans proberen te ontsnappen. Ze vluchten naar de rivier, maar worden onderweg mishandeld door een dolle SA’er. Wel ontkomen ze aan arrestatie. De politie heeft de opdracht om zoveel mogelijk joden op te pakken, maar bij voorkeur alleen welvarende en jonge mannen. Die kunnen worden afgetuigd en vernederd alvorens naar het concentratiekamp te worden getransporteerd, zo luiden de orders. Wat nog over is van de rechtsstaat wordt gesmoord in geweld. Tussen de 26.000 nieuwe arrestanten die Dachau, Buchenwald en Sachsenhausen bevolken, bevindt zich ook Alwin. Hij is in nazistische ogen een logische kandidaat voor arrestatie, als rijke zakenman met maar liefst twee auto’s. Parasitair Freiwild als hij kan wel een lesje gebruiken. En dus duwen ze hem samen met talloze anderen in een gereedstaande trein die het kamp als bestemming heeft.

Hans Juchenheim

Buchenwald

Het is een slopende reis in een te volle wagon, maar een oase vergeleken met wat hen bij aankomst wacht. Ter verwelkoming schoppen en slaan de bewakers van Buchenwald – de eindbestemming – de onder dwang voorbij rennende gedetineerden. De ‘novemberjoden’ vormen een dankbaar mikpunt voor de geüniformeerden, wier voornaamste doel het lijkt om hun slachtoffers geestelijk en lichamelijk te kwellen waar dat mogelijk is. In het kamp sommeren SS’ers Alwin om alles van waarde dat hij meedraagt in een krat te gooien. Hij ziet zijn bezit nooit meer terug. De registratie van de nieuwe lichting ontaardt in een urenlange marteling. Sommigen bekopen het met gebroken botten en bebloede hoofden. In de navolgende dagen en weken gaan eindeloze uren voorbij met verplichte oefeningen en strafexercities op de appèlplaats. Bij daglicht mishandelen sadisten er de ‘joodse varkens’, – de reguliere aanspreekvorm –, ’s nachts gebeurt dat in de volgestouwde, onverwarmde slaapbarakken. Daar bivakkeren duizenden tegen elkaar gevouwen gevangenen op hun britsen, zonder dekens of matrassen. Alwin heeft het gevoel op stenen te liggen. Hij kan niet draaien zonder anderen wakker te maken, ingeklemd als hij is tussen lotgenoten.

Het lijden wordt nog verergerd door het gebrek aan eten en drinken, het vuil, de doordringende kou, niet-aflatende stank en ziekte. Het is de mannen onmogelijk om zich te wassen. Al gauw kampt de meerderheid met diarree en ontstekingen. Sommigen ontwikkelen bevroren vingers en tenen. Zieken krijgen een plek op de vloer van een wrakke schuur met de bijnaam ‘barak des doods’. Het is ‘een bouwval, die stonk naar uitwerpselen, urine en pus’, aldus een gedetineerde verpleeghulp. Alwin is er getuige van hoe medegevangenen in hun radeloosheid tegen de onder hoogspanning gezette omheining lopen of er voor kiezen om zich te laten neerschieten in de verboden zone die het binnenkamp omringt.

Dakloos

Het duurt enige dagen voor althans een deel van de rampspoed doordringt tot Zaandam. Bernard grijpt onmiddellijk zijn vulpen en vraagt zowel het ministerie van Justitie als het Comité voor Joodsche Vluchtelingen al het mogelijke te doen om ‘Paula Juchenheim-Katzenberg, met Lore, 12 jaar, en Hans, 10 jaar, joden’ naar Nederland te halen. ‘Beleefd roep ik uw welwillende medewerking in om hen, eventueel de 2 kinderen, de grens te laten passeren zodra hun het vertrek uit Duitsland is toegestaan.’ Hoe groot de paniek is, blijkt uit een haastig geschreven briefje dat Selma ontvangt. ‘Je moet beslist, dringend en in allerijl Paula en de kinderen helpen. Alwin is weg. Door borgtocht of emigratiepapieren komt hij vrij. Paula en de kinderen zijn dakloos.’ Met een verwijzing naar deze familiaire noodkreet doet Bernard een nieuw beroep op het joodse vluchtelingencomité om zijn ontheemde familieleden toe te laten. In zijn achterhoofd speelt de knagende wetenschap dat de regering de grenzen bij voorkeur potdicht houdt. ‘Zoals ik u reeds berichtte zijn wij bereid hen te ontvangen. Of zij tot de uitverkorenen zullen behoren die hier in Holland mogen komen, is natuurlijk nog niet te bezien’, schrijft hij gedienstig. Er schemert twijfel tussen zijn met krullende letters gevulde zinnen. ‘Wat “borgstelling” of “Auswanderungspapieren” betreft, dat ligt natuurlijk buiten mijn competentie, daar ik niet weet hoe die te stellen of te verkrijgen. Mag ik deze zaak in uw bijzondere aandacht aanbevelen?’ Als weekmaker – of is het een voorzichtige omkooppoging? – stort hij ‘ter eerste bestrijding van eventuele onkosten’ vijfentwintig gulden op de comitérekening, ‘naast de reeds gestorte bedragen’. Nu is het wederom wachten op een gunstige beschikking.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag