Berichten

Zaanse politie tussen collaboratie en verzet

In de volksmond klinkt nog wel eens dat het Nederlandse politiekorps massaal ‘fout’ was tijdens de oorlog. Daarop valt het nodige af te dingen. Maar hoe zat het tussen 1940 en 1945 eigenlijk met de Zaanse dienders?

Vanaf het voorjaar van 1937 joeg de Zaandamse politieman Jan van der Schaaf enthousiast op Spanjestrijders. De Zaanstreek telde tientallen mannen, bijna allemaal uit de communistische hoek, die het gevecht wilden aangaan met de fascistische troepen van generaal Franco. Ruim twintig van hen trokken daartoe naar het Iberisch schiereiland. Van der Schaaf (bijnaam ‘Jantje-Grijpt-Alles’) kende ze stuk voor stuk. Aan hem de taak deze vrijwilligers tegen te houden of, als ze al naar hun beoogde bestemming onderweg waren, op te sporen en terug te halen. Maar waar hij in 1938 nog een koninklijke onderscheiding kreeg vanwege zijn voortreffelijke werk, werd Van der Schaaf na de oorlog voor tien jaar uit het politieambt gezet. De reden: ‘bewezen en verwijtbare handeling’ in bezettingstijd. Hem werd onder meer aangewreven dat hij enkele joden had aangehouden.
Stond deze rechercheur daarmee model voor de Zaanse politie in bezettingstijd?

Jan van der Schaaf, in het midden, met enkele collega’s (Zaanlander, 11-1-1939)

Gedurende de zomermaanden van 1940 leek er voor de Nederlandse politie niet veel te veranderen. Ogenschijnlijk konden de dienders doorgaan met wat ze voor de oorlog ook al deden, zonder al te opzichtige inmenging van bovenaf. Verheugend was bovendien dat de bezetter een langgekoesterde wens in vervulling deed gaan: de korpsen werden uitgebreid. Vanaf medio 1940 kwamen er verspreid over het land zesduizend agenten bij.
Heel lang duurde de schijnbare politionele zelfstandigheid onder leiding van de plaatselijke burgemeesters niet. De Duitsers vonden de versnipperde organisatie -een mengeling van gemeentepolitie, marechaussee, politietroepen, rijks- en gemeenteveldwachters- onoverzichtelijk. De marechaussee raakte daarom haar militaire status kwijt en de politietroepen werden opgeheven. SS-generaal Hanns Albin Rauter kreeg de leiding over het Nederlandse politieapparaat. Joden en disloyale dienders moesten plaatsmaken, NSB’ers namen hun plaatsen in. De politie werd meer en meer een werktuig van de nazi’s.

Dilemma’s

Goedwillende agenten kwamen steeds vaker voor een dilemma te staan. Als ze ontslag namen, was de kans groot dat hun plek werd overgenomen door een deutschfreundliche ‘collega’. Bleven ze, dan maakten ze zo goed als zeker hun handen vuil. De bezetter had de Hermandad nodig voor het vormgeven van zijn rabiate politiek.
Dat kwam vooral goed tot uiting in het ‘Judenrein‘ maken van het bezette gebied. Op 17 januari 1942 bood het Zaandamse politiekorps, als eerste in Nederland, de nazi’s de helpende hand bij het uit huis halen van joodse inwoners. De dienstdoende agenten begeleidden de slachtoffers vervolgens naar de boot of trein die hen naar het Judenviertel van Amsterdam bracht. In de navolgende maanden voerden ook hun collega’s elders in het land deze antisemitische verbanning uit. Slechts een enkeling weigerde mee te werken aan de racistische hand- en spandiensten.

Met name die buiging voor de vijand zou de politie nog lang worden aangewreven. Maar ook hun rol bij het arresteren van (vermeende) verzetsstrijders en het handhaven van de naziwetten in een tijd dat veel mannen voor dwangarbeid naar Duitsland moesten, werd hen aangerekend.

Zaanstreek

Na de bevrijding werd -symbolische getallen- 40 tot 45% van de zittende agenten in Nederland onderworpen aan een onderzoek. NSB’ers, WA’ers en SS’ers wachtte een vertrek op staande voet. Van de onderzochte politiemedewerkers kreeg uiteindelijk bijna 12% ontslag aangezegd, 1954 agenten. Zo’n 7% werd op een andere manier gestraft, maar mocht wel in dienst blijven. Negen politiemensen werden ter dood veroordeeld en gefusilleerd, onder wie de in Zaandam geboren en getogen, maar in Amsterdam en Groningen werkende rechercheur Abraham Kaper (1890-1949). Een andere extreem gevaarlijke Zaandamse jodenjager was Hendrik van der Kraan (1897-1955). Hij werd in 1942 wegens chantage geschorst bij de Zaandamse politie, maar was daarna actief voor het Amsterdamse korps. Na de oorlog kreeg hij eveneens de doodstraf. Die werd echter later omgezet in een levenslange gevangenisstraf.

Sommige collaborerende Zaanse collega’s hoefden zich na 1945 niet te verantwoorden; de illegaliteit had al tijdens de bezetting met hen afgerekend. Het betrof de Zaandamse korpschef Willem Marinus Ragut (op 21-6-1944), zijn plaatsgenoot Franciscus Diedericus Willemse (5-2-1945), de eveneens Zaandamse chef van de waterpolitie Willem Nicolaas Ehhardt (1-3-1945) en de Wormerveerse waarnemend inspecteur Jan Willem Bouwens (7-10-1944). Aanslagen op enkele andere Zaanse politiemannen mislukten. Zij, en met hen nog meer agenten, werden na de oorlog veroordeeld wegens hun ijver ten bate van de nazistische machthebbers.

Het politiekorps van Zaandam, 1941 (R.R. Pel)

Zaandam

Het begin van de Zaanse politie-nazificatie viel zo ongeveer samen met de benoeming van Cornelis van Ravenswaaij als burgemeester van Zaandam, in maart 1941. Hij zorgde eerst voor het vertrek van de weinig coöperatieve korpschef Cornelis Roscher. Toen diens beoogde opvolger, de fanatieke Amsterdamse nazi Douwe Bakker, voor de eer bedankte, kwam Willem Marinus Ragut in beeld.

Kort voor Van Ravenswaaij in maart 1942 naar Utrecht vertrok om daar burgemeester te worden, hield hij een zelfverheerlijkende toespraak. Daarin bracht hij ook het ontslag van Roscher en diens tijdelijke opvolger, de antifascistische hoofdinspecteur Anthonie Jan van Doorn, ter sprake. “Een NSB-inspecteur werd van buiten geëngageerd, en al is de oogst niet groot, dan hebben wij nu toch op de 42 agenten 6 Rechtsfronters, waarvan 3 aangesloten NSB’ers.” Het was -en bleef- dus een minderheid van de Zaandamse politie die zich verbond aan het nationaalsocialistisch gedachtegoed, ondanks alle druk van bovenaf.

Cornelis Roscher rond 1941 (R.R. Pel)

Ook Ragut liet van zich horen, onder meer in een klachtenlitanie over zijn waarnemend voorganger Meindert Talma. Daaruit blijkt dat Ragut de strijd aanbond met meerdere dwarsliggende ondergeschikten. “Wanneer destijds een politie-ambtenaar werd opgedragen een transport van joden, ondergedokenen en krijgsgevangenen te verrichten, dan stapte hij naar opperlt. Talma en zei om de een of andere reden bezwaar tegen zoo’n transport te hebben en werd dan ook prompt een ander voor dat transport aangewezen. (…) Een en ander strookt niet met mijn opvatting van plicht als korpschef-officier.”
Ragut zorgde er in 1943 voor dat drie opposanten hun ontslag kregen; Johan Jongepier, Abraham Moerdijk en Jelle Johan Merkus. Doordat hij medio oktober 1942 de beschikking had gekregen over vijf jonge agenten die even eerder hun opleiding hadden afgerond in het beruchte SS-kamp Schalkhaar sloeg de balans weer wat verder door naar de nazistische kant.

Eed   

Burgemeester Van Ravenswaaijs wat minder gestaalde opvolger, de NSB’er Hendrik Vitters, deed begin mei 1943 een poging om het Zaandamse politiekorps een eed te laten afleggen waarin trouw werd gezworen aan de bezettingsmacht. Die eed begon met de zin: “Ik zweer, dat ik het in het bezette Nederlandse gebied geldende recht getrouw zal toepassen en naleven.” Wie de eedaflegging weigerde, liep het risico op ontslag of zelfs vervolging. Desondanks hielden sommige van de inmiddels 55 agenten hun rug recht, aldus een in 1946 door verzetsleider August W. Sabel gemaakt verslag. Eén voor één moesten ze de eed afleggen, van laag tot hoog. Wachtmeester Robert Rudolf (‘Bob’) Pel weigerde als eerste. Daarna volgden de opperwachtmeesters G. Meijer, Jelle Johan Merkus, Abraham Moerdijk en Johan Jongepier. En tenslotte hielden ook de hoofdwachtmeesters M. Iedema, Willem Frederik Zweers en de eerder genoemde Jan van der Schaaf hun poot stijf. Eén op de zeven Zaandamse politiebeambten nam dus het risico van sancties. Ze hadden geluk. Al snel bleek dat Vitters’ eedaflegging geen wettelijke grondslag had. De dwarse dienders konden opgelucht ademhalen. 
Wat Sabel overigens niet vermeldde is dat de agenten op 7 juni 1943 alsnog een eed moesten afleggen die hun onderdanigheid bezegelde. Die luidde: “Ik verklaar hierbij plechtig, dat ik, zoolang ik mijn ambt waarneem, de verordeningen en andere bepalingen van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebieden van de hem ondergeschikte Duitsche organen naar eer en geweten zal nakomen en mij zal onthouden van elke handeling, gericht tegen het Duitsche Rijk of de Duitsche weermacht.” Ik heb geen totaaloverzicht, maar eerdere weigeraars als Bob Pel, Jan van der Schaaf en Jelle Merkus tekenden dit keer wel.

Walraven van Hall

Een aantal van bovengenoemde mannen begaf zich desondanks toch in de illegaliteit, met Bob Pel op eenzame hoogte. Hij onderhield wekelijks contact met Walraven van Hall, informeerde Jan Brasser over de beste optie om korpschef Ragut te elimineren, smokkelde wapens, bevrijdde gevangenen en saboteerde waar hij maar kon. Dat de Sicherheitsdienst hem en Jan van der Schaaf in januari 1944 een week vasthield op verdenking van hulp aan het illegale blad Vrij Nederland wekt dan ook geen verbazing. Dat de twee weer vrijkwamen, hoewel de dienstdoende SD-beambte Emil Rühl meer meende te weten, mag daarentegen een klein wonder heten.

Bob Pel na zijn arrestatie, januari 1944 (R.R. Pel)

Naarmate de oorlog vorderde en de Duitse nederlaag dichterbij kwam, stapten meer Zaandamse agenten over de streep. De opportunistische Tonny Jansen, de opvolger van Ragut als korpschef, keerde om als een blad aan de boom en nam vanaf 1943 enorme risico’s om het verzet ter wille te zijn. Voor een mede-Rechtsfronter, wachtmeester Jan van der Meij, gold op bescheidener schaal iets vergelijkbaars.

‘Dooie dienders’

Op een door de ondergrondse in 1945 samengestelde lijst met Zaandamse NSB-leden staan zeven politiemedewerkers. Eén van hen was toen echter al geliquideerd (Willem Ragut), een ander verhuisd naar Amsterdam (Hendrik van der Kraan). Op 14 februari van datzelfde jaar stelde een medewerker van het ‘GEBU’ (het Gewestelijk Bureau, een eind 1944 opgerichte Zaanse illegale inlichtingendienst onder leiding van Zaandammer August W. Sabel) een rapport op over de Zaandamse politie. Een paar citaten: “Het politie-corps te Zaandam bestond, zooals ieder politie-corps, uit een groot aantal, wat men in de wandeling noemt, dooie dienders, en slechts enkele flinke kerels. (…) In het politie-corps zelf zat een groot aantal NSB-agenten oorspronkelijk, die door Ragut naar Zaandam werden gezogen, doch resp. allemaal weer naar andere plaatsen afvloeiden.” In februari 1945 waren er volgens de anonieme auteur van het rapport nog vier (bij naam genoemde) agenten die zich hadden ‘uitgesloofd voor de Duitschers’. Het was een kleine minderheid binnen het Zaandamse korps, dat ‘zijn best [deed] bij alle mogelijke gelegenheden de burgerij te waarschuwen, wanneer Duitsche maatregelen te vreezen zijn. Er wordt sinds de laatste paar jaar volledig mee samengewerkt.’

Het algemene beeld bij de Zaandamse politie is dus dat een minderheid al gedurende de eerste oorlogshelft overging tot acties tegen de bezetter. Een nog kleinere, veelal door Willem Ragut gerekruteerde minderheid collaboreerde. En de overgrote meerderheid zette de tering naar de nering. Ze gingen door met hun politiewerk en probeerden zo min mogelijk smetten op te lopen, zonder principieel stelling voor of tegen te nemen. Gedurende de tweede bezettingsfase vond er een geleidelijke verschuiving plaats. Steeds vaker steunden dienders het opkomende verzet in meerdere of mindere mate. Anderen probeerden in alle opzichten hun neutraliteit te bewaren, om problemen te voorkomen.

Willem Ragut

Koog-Zaandijk

Zaandam had verreweg het grootste politiekorps van de regio, maar hoe was het tussen 1940 en 1945 in de omliggende dorpen?
In het kleine korps van Koog-Zaandijk waren verhoudingsgewijs veel ‘goede’ agenten. Toch moesten ook zij voorzichtig zijn. Een opperwachtmeester van de Koogse politie, Arie B., behoorde volgens een ondergronds rapport uit januari 1945 ‘niet bij de politie ingedeeld te zijn’. “Meer dan eens heeft hij pro-Duitse uitlatingen gedaan. (…) Meer dan eens heeft hij door onverantwoordelijk geklets zijn collega’s en ook andere personen in gevaar gebracht.” Waarna onder meer de namen volgen van zijn collega’s Jan Cornelis Breeker, Klaas van Doeland en Herm Nijzink, inderdaad agenten die zich jarenlang weerden tegen de bezetter.

Herm Nijzink, tweede van rechts, in mei 1945 (particuliere collectie)

In Koog aan de Zaan bevond zich een nog veel rottere appel. De NSB’er Jan Bloemsma was hulpagent en fervent speurder naar joodse onderduikers. Het is dan ook begrijpelijk dat de verzetsgroep Koog-Bloemwijk probeerde om Bloemsma van het leven te beroven. Diens plaatsgenoot Jan Cornelis Breeker had niet alleen de zorg op zich genomen voor zo’n honderd onderduikers, maar ook de leiding in handen van deze ‘wilde’ groep. Een collega als Bloemsma kon hij missen als kiespijn. Helaas voor Breeker; diverse pogingen om deze nationaalsocialist te liquideren mislukten.

In Zaandijk was het vooral rijkspolitieagent Joop Keijzer die enorme risico’s nam, in een poging afbreuk te doen aan de bezetter. Als een van de weinige Stijkelgroepleden ontsnapte hij in 1941 aan arrestatie. De navolgende jaren zwierf hij door het land, opgejaagd door de Duitsers. Zijn vrouw nam met zijn medewerking onder meer een aantal joodse onderduikers in huis. Joop Keijzer werd in de zomer van 1943 alsnog gearresteerd, voor de deur van zijn woning. Hij werd daar neergeschoten toen hij aan zijn belagers probeerde te ontkomen. Hij belandde in een Amsterdams ziekenhuis. Zijn collega Jan Breeker nam het initiatief om hem te bevrijden. Ondanks de bewaking in het Westergashuis lukte dat op 19 augustus. Het was een van de vele gewaagde stunts van de groep Koog-Bloemwijk (waarvan ook het ondergedoken marechausseelid Koos (‘Joep’) Heijdra deel uitmaakte).

De naam van de wat kalmer opererende Koogse agent Herm Nijzink is onder meer terug te vinden in een door Jan Dirk Vis geschreven oorlogsverslag. Deze Zaandijker opereerde in de top van het plaatselijk verzet en was dan ook goed geïnformeerd. Volgens Vis was Herm Nijzink ondercommandant van de Ordedienst in Koog aan de Zaan. Zijn collega Klaas van Doeland fungeerde vooral als doorgeefluik voor het verzet. Van Doelands dochter Jopie, die actief was in de illegaliteit: “Wat dat verzetswerk betreft, van mijn vader hoorde ik wel het een en ander. Dat vertelde hij dan expres, omdat hij wist dat wij er wat mee deden. Langs zijn neus weg, zeg maar. En dan kon ik het doorgeven.”

Krommenie

Over de politiekorpsen in Wormerveer en Krommenie is weinig bekend, ook al omdat de dag- en nachtrapporten van die gemeenten verdwenen zijn. Uit een ondergronds verslag d.d. 19 maart 1945 valt op te maken dat de Krommenieër NSB-burgemeester Gerrit Jongsma het niet makkelijk had met de aan hem toegewezen dienders: “Jongsma verklaarde tenminste, Visser is de eenige man van het Politiecorps die ik volledig kan vertrouwen en waar ik een goede steun aan heb.” Waar de fanatieke collaborateur Jongsma in 1948 werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien jaar, kreeg opperwachtmeester Jan Visser 2,5 jaar cel wegens het arresteren van een aantal april-/meistakers. Zijn betrokkenheid bij de aanhouding van verzetsmensen en ondergedoken joden werd Visser niet aangerekend. Daardoor kwam hij er met een milde straf vanaf.

Omdat Gerrit Jongsma blijkbaar weinig steun ondervond van zijn eigen politie trok hij er regelmatig zelf op uit, gewapend met een pistool. Hij arresteerde joodse onderduikers en jaagde op verzetsstrijders. Die op hun beurt deden daarom enkele vergeefse pogingen om Jongsma uit de weg te ruimen.

Wormerveer

Net als in Zaandam bleef in Wormerveer de gemeentepolitie gehandhaafd. Daarnaast herbergde deze gemeente een marechausseekazerne. De medewerkers daar behoorden sinds eind 1940 bij de politie. Een opvallende naam bij de Wormerveerse marechaussee was hoofdwachtmeester Reinier Cornelis van den Bosch. ‘Opper’ van den Bosch verspreidde illegale lectuur, haalde geld op ten bate van onder meer onderduikers (die hij ook verzorgde), verzamelde wapens en munitie voor het verzet en spioneerde. Hij was een van de weinigen in de Wormerveerse marechausseekazerne die zo hun nek uitstaken. Bekend is dat daar minstens drie NSB’ers werkten. Ook de commandant die daar in het najaar van 1944 aantrad, luitenant Van der Meer, had de naam pro-Duits te zijn.

In zijn boekje Na 50 jaar wijdde de Wormerveerse verzetsleider Jaap Boot enkele pagina’s aan zowel de plaatselijke politie als de daarin opgegane marechaussee. Ook hij noemde Reinier van den Bosch, onder wiens bevel ‘verscheidene manschappen altijd voor ons klaar stonden’. Boot rekende onder andere Wout van der Waal tot die betrouwbare manschappen. Met hem haalde Boot bijvoorbeeld een zender voor de ondergrondse van Utrecht naar Wormerveer. De marechausseekazerne kwam ook van pas toen een neergehaalde Amerikaanse vliegenier in 1943 onderdak moest krijgen. “De marechausseekazerne leek me een geschikte schuilplaats voor hem en dat gaf bij de Opper en Wout geen enkel probleem. De eerste nacht sliep ik met [vliegenier] Victor in het bovenhuis van Wout”, aldus Jaap Boot. “Opper van den Bosch en zijn rechterhand Wout van der Waal waren mannen op wie je altijd kon rekenen.”

Reinier Cornelis van den Bosch

In Na 50 jaar bleef ook politiecommissaris F.W. de Groot niet ongenoemd, maar dan in minder positieve zin. Deze voorganger van Bouwens werd er in illegale rapportages onder meer van beschuldigd aan de leiband van de bezetter te lopen en op hun bevel een joodse Wormerveerder en verzetsmensen te hebben laten oppakken. Jaap Boot was eveneens kritisch. “De Groot was een omstreden figuur, niet bepaald fout, maar ook geen vriend van het verzet.” Het betekende dat hij in mei 1945 werd geschorst. Boot: “Toen De Groot na de bevrijding voor de zuiveringscommissie van de politie moest verschijnen, vertelde hij zonder blikken of blozen dat hij zijn pistool tijdens de bezetting van mij had gekregen. Dat was zonder meer een leugen.” Volgens Boot had hij het vuurwapen eigenhandig gestolen uit het politiebureau aan de Wormerveerse Stationsstraat.
F.W. de Groot -die in juni 1944 was ondergedoken, omdat hij vermoedde dat de Duitsers het op hem hadden gemunt- liet het er niet bij zitten en tekende bezwaar aan tegen zijn veroordeling. Met succes: in meerdere kranten was op 28 juli 1949 te lezen dat hij ‘bij ministeriële beschikking volledig gerehabiliteerd’ was. Jaap Boot: “Voor de zuiveringscommissie durfden verscheidene agenten niet tegen De Groot te getuigen. ‘Als hij terugkomt als commissaris hebben wij geen leven meer.'”

Nadat De Groot in 1944 onderdook, werd Jan Willem Bouwens zijn opvolger. Niet voor lang overigens. Op 7 oktober van dat jaar liquideerde de Raad van Verzet deze politiecommissaris, ondanks instructies van de Binnenlandse Strijdkrachten om dat achterwege te laten. Bouwens zou een dag later naar het Oostfront vertrekken en was dus niet langer gevaarlijk voor Wormerveer en omstreken. De represaille was gruwelijk. Vier dagen na de aanslag executeerden de Duitsers aan de Wormerveerse oever van de Zaan vijf mannen die met de eliminatie van Bouwens niets te maken hadden. De RVV betuigde desondanks geen spijt van de actie. Commandant Jan Jongh: “Doordat wij genoodzaakt waren ter beveiliging van de illegaliteit verschillende SS-schurken te elimineren, waaronder commissaris Bouwens te Wormerveer, kwam de schrik erin onder het politiekorps, dat of een halfslachtige houding aangenomen had of volkomen hand- en spandiensten verleende aan de Duitse bezetting.”

Dat die laatste zin enige nuance behoeft, blijkt wel uit de woorden van Jaap Boot. “Tijdens de bezetting kreeg ik van [rechercheur] Rijkeboer ook medewerking van de agenten [P.A.] Lak en de gebroeders [den] Boef.” Na de dood van Bouwens arriveerde er een nieuwe commissaris, Gerrit Reinder Vleeming uit Zandvoort (bijnaam ‘mooie Willem’). Die zocht na zijn benoeming contact met het verzet, in de persoon van Jaap Boot. De codezin waarmee deze Wormerveerse BS-commandant tijdens hun eerste ontmoeting Vleeming zou aanspreken was: “Ik kom uit Brummen.” Boot: “Nauwelijks had ik dat gezegd of hij riep uit: ‘Wat ben ik blij dat u bent gekomen. Ik wil niet dezelfde weg als mijn voorganger.’ Vanaf die tijd tot de bevrijding had ik in wezen de leiding over het politiekorps. Vleeming deed niets zonder vooraf met mij overleg te plegen.” In tegenstelling tot Bouwens werd de nieuwe politie-inspecteur door zijn tegenstanders gespaard.

Jaap Boot in 1965

Westzaan

De hiervoor genoemde Reinier Cornelis van den Bosch werd begin 1941 commandant van de Ordedienst in Westzaan. Hij werkte, tot hun arrestatie in februari 1943 wegens spionage, onder meer ondergronds samen met de plaatselijke burgemeester H.F. Jantzen en diens secretaris R. Schoenmaker. Gegevens over de rol van de Westzaanse veldwachter tussen 1940 en 1945 zijn me niet bekend.

Assendelft

Ook over Assendelft kan ik weinig vertellen. Mij is, naast veldwachter P. Molenmaker (zie de foto hieronder), alleen de naam Wilhelmus Hoveijn bekend. Hij woonde in de Assendelftse Dorpsstraat, maar werkte als rechercheur in Wormerveer. In die hoedanigheid werd hij er in oktober 1944 van beschuldigd de burgemeester een lijst met dertien executiekandidaten te hebben overhandigd. Zij zouden in aanmerking komen voor de wraakactie die de Duitsers in gedachten hadden na de eliminatie van korpschef Jan Willem Bouwens. Hoveijn werd in mei 1945 gearresteerd, maar drie jaar later vrijgesproken. Hij keerde terug naar het Wormerveerse korps, ondanks alle ook toen nog over hem rondzingende verhalen.

Veldwachter P. Molenmaker controleert op de Dorpsstraat in Assendelft of varkensslachter Jan Steijn geen clandestien vlees vervoert (Gemeentearchief Zaanstad)

Oostzaan

Zoals burgemeester Gerrit Jongsma in Krommenie voor agent speelde, zo deed zijn collega Johannes de Bree dat vanaf zijn benoeming in 1942 in Oostzaan. Hij was met name gebrand op zwarthandelaars en clandestiene slachters, maar ging ook op zoek naar joden en illegale lectuur. Meestal trok hij er alleen op uit. Blijkbaar vertrouwde hij de Oostzaanse diender Roel van Maasdam onvoldoende. Die werd in 1945 geschorst en onderwerp van onderzoek, maar mocht per oktober 1946 weer in actieve dienst treden.
Na De Brees zelfmoord, in juli 1943, kreeg Oostzaan enkele gematigder burgemeesters en hield ook de weinige politie in het dorp zich gedeisd. Maar hoe moeilijk het was om desondanks de handen schoon te houden, bleek wel toen Roel van Maasdam op 4 januari 1945 assisteerde bij de arrestatie van zijn dorpsgenoot Henk Swart. Die werd verdacht van illegaal slachten. Dat de Duitsers Swart twee dagen later executeerden, een vergelding voor een aanslag door anderen, had Van Maasdam hoogstwaarschijnlijk niet voorzien. 

Veldwachter Roel van Maasdam in het gemeentehuis van Oostzaan. Op de deur van de burgemeesterskamer staat: ‘Betreed deze kamer nimmer met vrees’ (Oudheidskamer Oostzaan)

Wormer

De politie in Wormer bestond aanvankelijk  uit drie man, de veldwachters Klaas de Boer en P. Koopmans (eind 1942 opgevolgd door J. Blom) en marechausseelid Mulder. In 1943 kwamen daar twee marechausseemedewerkers bij, genaamd Fedde Foppes en J.J. Duursema. Van Klaas de Boer is bekend dat hij geliefd was bij de bevolking. Dat deze Wormer agent weinig ophad met het nazistisch gedachtegoed bleek wel toen hij op 29 november 1944 enkele Duitsers op het verkeerde been zette. Ze hadden even daarvoor verzetsman Jan Kuijper doodgeschoten. Het was een vergissing; ze zochten iemand anders. Gevraagd naar de identiteit van het slachtoffer hield ‘opper’ De Boer zich van de domme: “Die man komt hier niet vandaan.” Daarna lichtte hij een medewerker van de Raad van Verzet in. Of zijn collega’s in Wormer ook zo deutschfeindlig waren, is uit mijn archief niet te herleiden.

1 oktober 1942. Felicitaties voor Klaas de Boer, die dertig jaar bij de politie in Wormer is (Waterlands Archief)

Conclusie

Hoewel bovenstaande inventarisatie uiteraard niet compleet is, kan wel de voorzichtige conclusie worden getrokken dat er geen eenduidig oordeel mogelijk is over de Zaanse politie. De meeste korpsen telden zowel collaborateurs als verzetsstrijders. Er waren opportunisten en principiëlen, aan beide kanten van de streep. Maar de meerderheid binnen de politie probeerde, net als hun collega’s elders in Nederland en net als het overgrote deel van de bevolking, vooral om heelhuids door de oorlog te komen en besmetting -met name door de machthebbers- te voorkomen. Dat was misschien niet heldhaftig, maar in die context wel begrijpelijk.

Jan van der Schaaf

Tot slot nog even terug naar rechercheur Jan ‘Grijpt-Alles’ van der Schaaf. Op 20 januari 1945 vond hij een anonieme brief op zijn deurmat met een stempel van de ‘Verzetsbeweging Zaanstreek’. Die beschuldigde hem, overigens niet voor het eerst, van hand- en spandiensten aan de onderwereld. “Herhaalde malen blijkt dat U met verschillende inbrekers en helers in één schuitje vaart en er niet tegen opziet ten eigen bate met deze lieden tot een accoord te komen.” Er zat maar één ding op, volgens de briefschrijver: Van der Schaaf diende per direct met pensioen te gaan. Anders ‘gaan wij onmiddellijk tot de meest strenge maatregelen over’. 

Toen Jan van der Schaaf de doodsbedreiging leek te negeren, volgde er na een week een tweede brief. “Het schijnt dat U er niet genoeg van doordrongen zijt, dat we het meenen met onze voorwaarden. (…) Thans richten wij ons voor de laatste maal tot U en bevelen U onmiddellijk Uw pensioen aan te vragen en de dienst op staande voet te verlaten. Mocht U aan dit bevel vòòr a.s. Maandagmiddag 6 uur niet gevolg hebben gegeven, dan zijn alle risico’s voor U en Uw gezin. Wij zullen dan geen enkele reden hebben nog eenige clementie te hebben en zullen niet terugdeinzen de strengste maatregelen te treffen. (…) U hebt Uw lot in eigen handen.” Ook schoot de communistische verzetsstrijder Ber Hulsing als aanvullende waarschuwing een kogel door Van der Schaafs voordeur. 

Pensioen

Dir keer koos Jan van der Schaaf eieren voor zijn geld. Twee dagen later stuurde hij een brief naar de burgemeester met het verzoek ‘hem eervol ontslag te verleenen uit den politiedienst daar hij den 55-jarigen leeftijd heeft bereikt en momenteel physiek niet meer in staat is zijn dienst naar behooren te verrichten’. Het verzoek werd schriftelijk ondersteund door korpschef Tonny Jansen. Het verzet had ook hem inmiddels verzocht Van der Schaaf uit het korps te laten vertrekken.

Tonny Jansen voor het Gerechtshof, 1949

Misschien kwamen Jan van der Schaaf en Tonny Jansen nog het dichtst in de buurt van de gemiddelde Zaanse diender in oorlogstijd. Beiden bogen twee kanten op, naar de bezetter en naar het verzet. Daar tussendoor probeerden ze, net als voor de oorlog, hun reguliere politiewerk te doen. Na de bevrijding kregen ze de rekening gepresenteerd voor hun opportunistische houding, in de vorm van een sanctie. Agenten als Bob Pel -die overduidelijk aan de goede kant van de lijn stond- en Hendrik van der Kraan -fout tot op het bot- waren de uitzonderingen.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De Zaanstreek als overtreffende trap

Sinds 2006 publiceer ik boeken en artikelen over de jaren 1940-1945. Dat levert steevast twee vragen op. Moet dat nou, nóg een oorlogsverhaal? En waarom gaat het steeds over de Zaanstreek?

Over de Tweede Wereldoorlog verschenen alleen al in Nederland duizenden boeken. De zwartste periode van de twintigste eeuw blijft schrijvers inspireren. Keer op keer duiken er gegevens op die leiden tot nieuwe bevindingen. Geen wonder: zelden was er een periode in de geschiedenis die én zo massaal het ultieme goed en kwaad toonde én zo uitputtend gedocumenteerd werd. Wie wil trachten de beweegredenen van de mens te doorgronden, kan zijn hart ophalen in de steeds toegankelijker oorlogsarchieven. Bovendien lijkt de belangstelling voor de bezettingsjaren nog altijd niet tanende. Films als Bankier van het verzet en De slag om de Schelde trokken honderdduizenden naar de bioscoop. En een boek als ‘t Hooge Nest is niet uit de bestsellerlijsten te slaan. De regelmatig terugkerende vraag of het nou echt moet, nog meer oorlogsboeken, beantwoord ik dan ook met een volmondig ja.

Het eerste boek over de Zaanstreek tijdens de Tweede Wereldoorlog (1946)

Dan die tweede vraag. Bij veel -niet alle- van mijn publicaties over de jaren 1940-1945 speelt de Zaanstreek een rol. Ik ben overigens niet de enige die deze regio als decor kiest. Er zijn inmiddels enkele tientallen boeken uitgebracht over de Zaanstreek in oorlogstijd. En het eind is nog niet in zicht. Ik weet dat er op dit moment minstens vijf oorlogsboeken in de maak zijn waarin de voormalige gemeenten rond de Zaan figureren. Weinig gebieden in Nederland zullen kunnen bogen op zo’n immense stapel bezettingsliteratuur. Bovendien duikt de Zaanstreek regelmatig op in oorlogsboeken over elders te vinden personen en gebieden. Het is mede een indicatie van de rol die deze regio destijds had.

Het uitzonderlijke

De redenen voor die schijnbare overvloed zijn volgens mij grotendeels gelegen in het uitzonderlijke. Laat ik die uniciteit illustreren aan de hand van een opsomming.

-SS-leider Hanns Albin Rauter verklaarde na de oorlog ‘dat de gehele Zaanstreek in zeer sterke mate opviel door communistische acties’.
-Nergens in Nederland deden verhoudingsgewijs zoveel mensen mee aan de Februaristaking als in de Zaanstreek.
-Die staking hield bovendien nergens zo lang aan als rond de Zaan.
-Van de slechts zes foto’s die wereldwijd bekend zijn met beelden van deze massale werkonderbreking zijn er vier in Zaandam gemaakt.

Februaristaking op de Dam (25-2-1941)

-De Zaandamse Artillerie-Inrichtingen waren de eerste oorlogsjaren de belangrijkste wapens- en springstoffenleverancier aan het Nederlandse verzet.
-De spin in het web van de Nederlandse illegaliteit, Walraven van Hall, woonde in Zaandam.
-Zaandam was de eerste Nederlandse gemeente die, in 1942, ‘Judenrein‘ werd gemaakt.
-De familie Strauss was bij mijn weten de enige joodse familie in Nederland die tussen 1940 en 1945 onder de eigen naam op het eigen huisadres kon blijven wonen.

De familie Strauss (1942)

-De allereerste gevangenen die uit Durchgangslager Westerbork ontsnapten, waren de drie leden van het Zaandamse gezin Pollak.
-Tijdens de Spoorwegstaking van 1944 legden de medewerkers van NS-station Zaandam als eersten in Nederland het werk neer.

Stof te over

Voeg daar aan toe het bovengemiddelde anti-nazistische verzet in de Zaanstreek, de vele Zaanse kopstukken in de landelijke illegaliteit, het relatief hoge aantal joodse onderduikers in de Zaanstreek, de bijzondere samenwerking binnen het Zaanse verzet die regelmatig de verzuiling ontsteeg, en de deelname van de Zaanse bevolking aan alle drie de grote werkonderbrekingen tijdens de oorlog (Februaristaking, April-meistaking, Spoorwegstaking) en de conclusie is getrokken: stof te over voor artikelen en boeken over de oorlog in de Zaanstreek.

In januari 2022 komt er overigens -ijs en weder dienende- een nieuw boek van me uit. Het speelt grotendeels tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Zaanstreek vormt het decor. En ook hier geldt de overtreffende trap, in de persoon van hoofdrolspeelster Franci Siffels. In heel Nederland is namelijk geen andere vrouw te vinden die in de korte tijd die haar gegeven was zoveel mensen verraadde, met veelal dodelijke gevolgen.

U bent gewaarschuwd.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Belangrijkste verzetsman

Eerste jodendeportaties.

Eerste ontsnapping uit Westerbork.

Familie Strauss

De Artillerie-Inrichtingen als hofleverancier van het gewapend verzet

In zijn magnum opus Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog besteedde Loe de Jong tientallen pagina’s aan de Artillerie-Inrichtingen in Zaandam. Zijn aandacht bleef echter beperkt tot de rol die directeur Frans Q. den Hollander speelde ten tijde van de Duitse bezetting. Aan het vele en veelzijdige verzet van andere werknemers bij deze hofleverancier van gewapende strijdgroepen kwam hij niet toe. Daarom hieronder een (ongetwijfeld onvolledig) overzicht.

De weerstand bij het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen -‘A.I.’ of ‘De Hembrug’ in de volksmond- begon al tijdens de Duitse invasie. In de middag van 14 mei 1940 ontving directeur Frans den Hollander het ‘zeer vertrouwelijk bericht’ dat de vaderlandse defensietop had besloten om te capituleren. De baas van Nederlands grootste wapen- en munitiefabriek aarzelde niet. Hij stuurde zijn adjunct-directeur naar het Zaandamse fabrieksterrein om ‘alles gereed te maken voor vernietiging’. Er was alleen nog toestemming voor nodig van Nederlands hoogste militair, generaal Henri Winkelman. Die weigerde echter om akkoord te gaan met het opblazen van de vele tientallen panden op het complex. Terwijl aan de overkant van het Noordzeekanaal de bemanning van een Britse torpedojager op 14 mei de Amsterdamse Petroleumhaven verwoestte, bleef aan de Zaandamse oever alles overeind staan. De Artillerie-Inrichtingen vielen daardoor onbeschadigd in Duitse handen.

Ontslag

Den Hollander probeerde vervolgens de Duitse machinerie op een andere manier te saboteren: “Wij, die het bedrijf onmiddellijk hadden stilgelegd, verzetten ons tegen elke druk van de bezetter in die eerste dagen na de capitulatie om het bedrijf weer in gang te brengen.” De directeur keerde zich dus van meet af aan tegen zijn nieuwe broodheren. Hij wilde bewerkstelligen dat de A.I. niet voor het bezettingsleger hoefde te produceren. Toen dat door orders van hogerhand niet lukte, hield hij op 21 juni een toespraak voor zijn duizenden personeelsleden. Daarin kondigde hij zijn ontslag aan en moedigde hij zijn werknemers aan om dezelfde stap te zetten. Tot zijn teleurstelling gaven er slechts twee gehoor aan zijn oproep: een administratief medewerker en een joodse ingenieur. De personeelsraad en diverse hoge ambtenaren deden bovendien een klemmend beroep op Den Hollander om zijn functie niet op te geven. “Na dagen en nachten van zware strijd”, zoals hij zelf zei, ging hij in op hun verzoeken: hij bleef aan als directeur-voorzitter.

De Artillerie-Inrichtingen in het interbellum (NIMH, Wikipedia)

De Artillerie-Inrichtingen begonnen noodgedwongen wapens voor de Duitsers te produceren: mitrailleurs en ander geschut, luisterapparatuur en munitie. Maar tezelfdertijd maakte Den Hollander een aanvang met het ontslaan van zoveel mogelijk werknemers. Anderen werden in het kader van de Arbeitseinsatz naar Duitsland gestuurd. Van de 6430 werknemers aan het begin van de bezetting waren er drie jaar later nog maar 1700 over, verdeeld over een (relatief kleine) militaire en een civiele tak. Het bedrijf schakelde namelijk deels over op de productie van landbouwwerktuigen en gereedschap. Veel installaties op het Zaandamse Hembrugterrein waarmee wapens en munitie konden worden geproduceerd, werden gedemonteerd. En Den Hollander drong er via zijn contacten met de illegale Ordedienst meermalen, zij het tevergeefs, in Groot-Brittannië op aan om de fabriek te bombarderen.

Nationaal Steunfonds

In het laatste oorlogsjaar -hij was toen al ontslagen als A.I.-directeur- hielp Den Hollander ook het Nationaal Steunfonds, de ‘bank van het verzet’. Dat deed hij in zijn rol als voorzitter van het Fonds voor Stilgelegde Bedrijven. Samen met Gijs van Hall bedacht hij een constructie die het coöperatieve bankdirecties mogelijk maakte om zogenaamde wachtgelden beschikbaar te stellen voor stilgelegde ondernemingen. De cheques ter waarde van tientallen miljoenen guldens kwamen op naam van de A.I.-directeur, de opbrengsten belandden in werkelijkheid via het Nationaal Steunfonds bij het verzet en tienduizenden onderduikers. Zijn band met de gebroeders Van Hall was hecht. Op 26 januari 1945, daags voor Walraven van Hall werd gearresteerd, dronk Den Hollander nog een kopje koffie met hem op zijn onderduikadres aan de Amsterdamse Herengracht. Den Hollander: “Hij zag er toen zeer slecht uit en was volkomen overwerkt. Hij zei mij toen nog: ‘Gijs en jij zijn de enigen die weten waar ik zit. Ze vinden me nooit.'”

Franciscus Quirien den Hollander (1893-1982)

 Douwe Soepboer

Den Hollander was niet de enige A.I’er die contact onderhield met Walraven van Hall. Ook Douwe Soepboer (1903) werkte samen met deze Zaandamse bankier. Soepboer was hoofd van de bewaking op het Hembrugterrein. Hij woonde pal naast de fabriek, in de Havenstraat. Van Hall was er van op de hoogte dat Soepboer deel uitmaakte van het groepje dat in de nacht van 20 op 21 mei 1943 het Arbeidsbureau in Zaandam met tachtig kilo lichtsas vernietigde. De plaatselijke bevolkingsadministratie ging in vlammen op. Na die aanslag was het een stuk lastiger om Zaandammers op te roepen voor de arbeidsinzet in Duitsland.

Soepboer had een direct lijntje met de aanvoerder van de Nederlandse illegaliteit. “Hoe ik in contact gekomen ben met Walraven van Hall weet ik niet meer”, vertelde hij na de oorlog. “Feit is dat deze mij vroeg om trotyl met lont en slaghoedjes. Nadat ik had gezegd hiervoor te kunnen zorgen, heb ik hem een aantal malen een hoeveelheid van deze voor sabotage bestemde goederen ter hand gesteld.” Het bleef niet bij leveranties aan Van Hall alleen. Soepboer en een aantal van zijn collega’s voorzagen het ontluikende gewapend verzet in Nederland van pistolen, handgranaten en explosieven in een tijd dat er nog geen sprake was van wapendroppings door de geallieerden. De Artillerie-Inrichtingen functioneerden als dé nationale wapenleverancier, bij gebrek aan alternatieven.

Smokkelwaar

Soepboers oorlogsherinneringen heb ik al eens op deze site gepubliceerd. Daaruit blijkt dat hij nauw samenwerkte met een aantal A.I-collega’s; hoofdopzichter Dirk Dral (Havenstraat 141), opzichter R. Boringa en diens zoon Harry (Havenstraat 120), hulpopzichter Fleurbaaij, de opzichters Van Veen en Joris Lamens, een niet bij naam genoemde A.I.-ingenieur en geweermaker Lambertus Martin (P.L. Takstraat 19). Soepboers opsomming is niet compleet. Hij noemde bijvoorbeeld niet Hendrik Lock, die hem (met een collega) de lichtsas bezorgde waarmee hij het Arbeidsbureau opblies. Ook onvermeld bleven de in het communistisch verzet actieve Zaandammer Josephus Swolfs en diens plaatsgenoot Cornelis van Vugt, een helper van onderduikers.

‘Wanted’-foto’s van Dirk Dral en Douwe Soepboer in het Nederlandsch Algemeen Politieblad (8-8-1943)

De eerste smokkelde, net als Soepboer, Dral en sommige andere munitiewerkers, wapens en springstoffen het A.I.-terrein af. Ze werden gebruikt bij sabotageacties waaraan Sjef Swolfs zelf ook meedeed. Door verraad van een partijgenote belandde hij in 1944 voor het vuurpeloton. Datzelfde lot trof zijn collega Cor van Vugt, die actief was voor de Persoonsbewijzensectie van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers. Hij verspreidde gestolen en vervalste bon- en distributiekaarten. Ook boden zijn vrouw en hij in hun woning aan de Zaandamse Acaciastraat onderdak aan twee joodse onderduikers. In Van Vugts geval lag er eveneens verrraad aan de basis van zijn arrestatie en executie, in september 1944.

Gerrit de Ruijter

Een ander personeelslid van de Artillerie-Inrichtingen dat zich tegen de Duitsers keerde, was Gerrit de Ruijter. Hij kon zijn belevenissen wel navertellen en deed dat in 1996 in het Contactblad ’40-’45. “In juni 1940 kwam ik terug [uit zijn mobilisatieperiode] bij de A.I. Onder leiding van Piet van der Weide met zijn vrouw Wil, Henk Dekker en ik, werd een verzetsgroepje geformeerd.” Van Piet Nicolaas van der Weide is verder bekend dat hij in zijn woning in de Zaandamse Plataanlaan aan drie joodse onderduikers gastvrijheid bood. Hij was de enige niet. Antoon Johannes Fredericus Schoonman, die chauffeur was op het Hembrugterrein, verborg in zijn woning aan de Havenstraat 119 één of twee joodse gezinnen. A.I.-arbeider Sjoerd van der Werf huisvestte op de Zuiddijk enige tijd het joodse meisje Nanny Peereboom. Zijn eveneens Zaandamse collega Andries Selier verborg zelfs minstens zeventien joden in zijn woning.

Net als Douwe Soepboer noemde Gerrit de Ruijter Boringa als mede-dwarsligger. “Bij de A.I. moesten Harry Boringa, Henk Dekker en ik Nederlands zeven centimeter luchtdoelgeschut gereed maken voor verzending naar Duitsland. We hebben toen wat koperen kettingen georganiseerd, koper vreet namelijk zo lekker in, weet je.” Ook werd er ijzervijzel in een nieuw kanon gegoten, waardoor het vastliep.

Het bleef niet bij sabotage alleen. De Ruijter gaf voorbeelden van de diefstal van handvuurwapens uit een douaneloods. “Soepboer, dat was de terreinchef, zocht de pistolen en de revolvers uit die hij hebben wilde. Wij zochten dan op de afvalhoop naar een platgeslagen model dat er op leek. Kwestie van label verwisselen en aan zo’n mof laten zien. ‘Prima, prima’, zei hij en wij hadden weer beet.” De buit ging in een kistje op de wagen van collega Arie Blauw, die de opbrengst wegbracht.

Ontploffende granaten

Dat Douwe Soepboer -naast Frans den Hollander- de spil was van het verzet bij de wapen- en munitiefabriek werd ook bevestigd door Hendrik Lock, een hoofdopzichter bij de laboreerwerkplaatsen van de Vuurwerkerij. “Vele honderden scherpe handgranaten No.1, alsmede blokken geperst trotyl van 205 gram gingen via het achterhek door zijn [Soepboers] huis naar de [ondergrondse] groepen”, legde Lock na de bevrijding verantwoording af. Ook beschreef hij hoe ontstekingsmechanismen te nauw werden uitgeboord, met voortijdig ontploffende granaten als resultaat. Kruit werd zodanig bewaard dat het uitdroogde en daardoor zijn waarde verloor. Een brandje foutief geblust, met extra schade als gevolg. Ook werden er treinen met materieel naar verkeerde bestemmingen gestuurd.

Kees Valk, destijds een leerling van de A.I.-bedrijfsschool, vertelde decennia na de oorlog hoe ook hij zijn steentje bijdroeg: “Tijdens de oorlog, in 1944, fouilleerden de Duitsers de werknemers en leerlingen zo grondig. Zelfs tussen je boterhammen werd er gekeken. Er werden onderdelen gestolen. Moesten er bijvoorbeeld 150 pistolen worden gemaakt, dan maakte je er 151. Die ene moest naar de ondergrondse. Maar als dat niet lukte, dan waren er maar 149. En dan begon het. Alles werd dan ondersteboven gekeerd, door de SS en de Grüne Feldpolizei. Ze wisten dat die wapens en die onderdelen vertrokken naar de ondergrondse.”

Ook Ben Vijge smokkelde pistolen en patronen van het fabrieksterrein af. Ze waren bestemd voor zijn broer Piet, die in Putten een verzetsgroepje leidde. Dat ging mis, een gevolg van verraad. Ben en Piet werden oppgepakt. De eerste wist zich uit de netelige situatie te praten, maar Piet en een aantal van zijn kameraden kregen de kogel.

Collaborateurs

Op het immense fabrieksterrein werkten ook collaborateurs. Al in de zomer van 1941 ontving Meinoud Rost van Tonningen, de nazistische secretaris-generaal van het ministerie van Financiën, een stevig rapport over de politieke opinies van A.I.-werknemers van de afdeling magazijnen, plus ‘enkele uitlatingen door Ir. den Hollander’. “Thans zijn nog een paar personen bezig, gegevens te verzamelen van andere afdelingen. Ik hoop u deze de volgende week te doen toekomen. Ik heb de toezegging dat enkele goedwillende personen, onder strikte geheimhouding, bereid zijn inlichtingen te verstrekken.”

Dat het verzetswerk van de A.I.’ers levensgevaarlijk was, blijkt uit de arrestaties van Lambertus Martin, Douwe Soepboer, Sjef Swolfs en Cor van Vugt, alsmede de infiltratiepogingen op het fabrieksterrein van de even later door Douwe Soepboer ontmaskerde V-Mann Johnny de Droog. Een Zaandamse terreinopzichter van de wapenfabriek, Jan Pieter de Vries, stond bekend als fanatieke NSB’er en jodenjager.

Onderduik

Toen in september 1944 de Spoorwegstaking uitbrak, dook het overgebleven A.I.-personeel massaal onder. Daarmee eindigde ook het laatste beetje productie op het Hembrugterrein. Het lijkt er al met al op dat de bezetter weinig plezier beleefde aan de Artillerie-Inrichtingen, zowel voor als na september 1944. Dat ze in het laatste oorlogsjaar een groot deel van de inventaris op het Hembrugterrein demonteerden en als buit naar Duitsland konden slepen, moet als een bescheiden genoegdoening hebben gevoeld.

PS. Ik houd me aanbevolen voor meer namen van verzetsstrijders op het Hembrugterrein: info@schaapschrijft.nl.

Het ontmantelde Hembrugterrein (mei 1945)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Hommages aan ‘foute’ striptekenaars

De gemeente Almere vernoemde het figuurtje Gijsje Goochem in de gloednieuwe Stripheldenbuurt. Dat was niet zo eh… goochem, maakte de Wormerveerse schrijver Onno Lassooy in januari 2021 bekend. Gijsjes geestelijk vader Jacobus Grosman had namelijk een donkerbruin verleden, als SS-tekenaar aan het Oostfront. De straatnaam in de Stripheldenbuurt was een indirecte, maar geen unieke hommage aan een Nederlandse collaborateur. Bewust of onbewust kregen meer ‘foute’ tekenaars na de Tweede Wereldoorlog eerherstel.

In 2004 konden de eerste Almeerders hun huizen betrekken in de naar stripfiguren en hun tekenaars vernoemde wijk. Van Donald Ducklaan tot Popeyestraat en van Jan Kruisweg tot Goscinnypad; voor iedere stripliefhebber was er wat wils. Zelfs de fan van het nazistisch gedachtegoed kon er zijn/haar hart ophalen. Jacob Grosman vertrok in 1941 naar Berlijn en van daar naar het Oostfront. Hij maakte ter plekke tekeningen voor de SS-Propagandakompanie. Na de oorlog kon Grosman vrolijk door blijven tekenen, onder meer in de Margriet, Eigen Erf en Ons Geïllustreerd Weekblad. Met de kennis van nu zou het Almeerse college van B&W een creatie van deze collaborateur nooit met een straatnaam hebben geëerd, maar op het gemeentehuis ontbrak destijds de benodigde kennis van zaken.

Almere heeft ook een Kuifjestraat. Geestelijk vader Hergé -een pseudoniem van de Belg Georges Prosper Remi Remi (1907-1983)- collaboreerde eveneens met de bezetter, maakte racistische en antisemitische tekeningen en kreeg na de bevrijding tijdelijk een beroepsverbod.

Willy Vandersteen

De grootste stad van Flevoland beschikt verder over straten die zijn vernoemd naar Suske, Wiske, tante Sidonia en Lambik. Hun maker, de ook al Belgische Willy Vandersteen, deinsde tijdens de oorlog -onder de schuilnaam Kaproen- evenmin terug voor het tekenen van antisemitische strips en het anderszins pleasen van de nazi’s.
Hun meegaandheid deerde uiteindelijk zowel Vandersteen als Hergé niet of nauwelijks. Na 1945 werden hun creaties populairder dan ooit en begonnen ze aan een ware zegetocht. Met als kers op de taart dus een eerbetoon op de plattegrond van Almere (hoewel Vandersteen er zelfs op hoge leeftijd niet voor terugschrok om zo nu en dan wat racisme in zijn plaatjes te verwerken).
Maar hoe zit dat met hun Nederlandse collega-striptekenaars? Kwamen zij brandschoon uit de jaren 1940-1945? En hoe verging het ze daarna?

Gelijkgeschakeld

De gelijkgeschakelde -lees: gecensureerde- kranten plaatsten tijdens de bezetting veel ‘beeldromans’. Er ontstond zelfs extra ruimte voor Nederlandse tekenaars, aangezien de import van de voordien populaire Angelsaksische plaatjesreeksen stilviel. De makers dienden uiteraard wel aangesloten te zijn bij de Kultuurkamer. Op het eerste gezicht zou dat een waterscheiding kunnen zijn tussen de ‘goede’ en de ‘foute’ tekenaars. Maar zo simpel lag het niet altijd. Tom Poes-uitvinder Marten Toonder bijvoorbeeld was lid van de Kulturkammer en tekende in de oorlog voor De Telegraaf, maar toonde zich vanaf 1944 ook dienstbaar aan het verzet. Zijn collega Pieter Kuhn (Kapitein Rob) illustreerde in 1943 en 1944 tientallen boeken voor Westland, een nazistische uitgeverij. Ze droegen titels als Stuka’s vallen aan! en De tsaar, de toovenaar en de jodenKuhn zou naderhand vertellen dat het werk bij Westland een dekmantel was voor zijn illegale werkzaamheden als vervalser van persoonsbewijzen en helper van onderduikers.

Bij iemand als Alfred Mazure is veel duidelijker dat hij aan de juiste kant van de streep stond. Zijn creatie Dick Bos, de detective die zijn tegenstanders dankzij jiu-jitsugrepen van zich afwierp, was tijdens de oorlog zo populair dat er een nazistische versie van zijn hoofdpersoon moest komen. Mazure weigerde. Dick Bos kreeg prompt te maken met een verschijningsverbod. Alfred Mazure nam wraak. Hij leidde een Wassenaarse verzetsgroep en tekende in de illegale pers.

Henk Sprenger

Een andere stripgrootheid, Henk Sprenger (Kick Wilstra) uit Oost-Knollendam, publiceerde in de oorlog in het illegale blad Metro. Dat werd gedrukt bij De Algemene Vrije Illegale Drukkerij (DAVID). Ook hij bleef onbesmet. Anton Pieck, later befaamd vanwege zijn suikerzoete prenten, tekende in de jaren ’20 zo nu en dan een tekststrip voor het blad Zonneschijn. In de oorlog gebruikte hij zijn kennis en kunde om officiële documenten te vervalsen. Hij nam ook joodse onderduikers op in zijn huis.
Strippionier Henk Backer maakte een voortijdig einde aan aan zijn razendpopulaire Tripje-reeks in het Rotterdamsch Nieuwsblad. Hij vertikte het om dat werk in dienst te stellen van de Nationale Jeugdstorm, zoals hem was gevraagd. Eerder had hij al moeten stoppen met zijn strip Adolphus, over een tikje sneue, al wat oudere man. Zijn lezers zouden eens mogen denken dat Backer de Führer bespotte… En Neeltje ‘Toby’ Vos gebruikte haar tekenkwaliteiten tijdens de oorlog niet alleen voor de ‘Kabouterboekjes’ van De Bijenkorf, maar ook om identiteitsbewijzen te vervalsen. Ze bezorgde het ondergrondse Parool en werkte als koerierster. Vos werd opgepakt en verhoord door de beruchte SD’er Willy Lages. Ze wist haar onschuld te bepleiten en kwam weer vrij.

Deze vier mannen en ene vrouw kozen dus voor het verzet, en dat gold ongetwijfeld voor meer tekenaars. Maar waren er ook overduidelijk ‘foute’ Nederlandse stripmakers?

Volk en Vaderland

Cor van Deutekom maakte al voor de oorlog politieke cartoons. Zijn ster steeg toen hij tussen 1940 en 1945 mocht publiceren voor de Nederlands Nationaal-Socialistische Uitgeverij. Verder illustreerde hij onder meer een boek van de nazistische propagandist Max Blokzijl. Ook tekende hij voor NSB-blad Volk en Vaderland en het al net zo extreemrechtse Het Nationale Dagblad. Hoe het Van Deutekom (1895-1981) na de oorlog verging is me niet bekend.

Cor van Deutekom als antisemitische sneltekenaar op de Gedempte Gracht in Zaandam, augustus 1943 (collectie NIOD).

Ook Pax Steen tekende tijdens de oorlog rustig door. Meerdere door de Duitsers goedgekeurde bladen publiceerden zijn tekeningen. Zijn beeldverhaal Bubbeltje en Knor fungeerde zelfs als NSB-propagandastrip. In nota bene de oud-verzetskrant Trouw vond ik de enige verwijzing naar naoorlogs tekenwerk van deze collaborateur. Over Olle en de Peren en Olle en het Varken schreef de dienstdoende redacteur: “Twee fleurig getekende verhaaltjes van Pax Steen, uitgegeven door De Muinck en Co te Amsterdam.” De verslaggever vond het eindresultaat ‘grappig’.

Peter Beekman tekende niet alleen voor meerdere NSB-bladen, hij was ook sinds 1940 lid van die partij. Hij maakte voor uitgeverij NeNaSu (Nederlandse Nationaal-Socialistische Uitgeverij) en Het Nationale Dagblad de krantenstrip Hansje, Ansje en de Meeuw. De hoofdpersoon is actief binnen de Jeugdstorm, de Nederlandse Hitlerjugend. Beekman ontliep desondanks na de oorlog zijn straf en klom zelfs op tot tekenstudiochef van drukkerij Van Boekhoven. Daarnaast tekende hij, onder pseudoniem, voor het marineblad Stella Maris.

Kees Koekkoek zette de nazistische meeloper Koenraad van den Arbeidsdienst op papier en haalde ook nog wat inkomsten uit zijn racistische plaatjes voor het NSDAP-periodiek Het Nieuwe Volk. Een daarop gelijkende nazi-titel in Amsterdam, Werkend Volk, werd geïllustreerd door Sytze Henstra. Die was ook verantwoordelijk voor de tekeningen in Duitse propagandaboeken als Moeder, vertel eens wat van Adolf Hitler en zou de maker zijn van Het lied van Levie, een zwaar antisemitisch werk (De Misthoorn, 1941). Desondanks mocht Henstra na de bevrijding zijn stripwerk bij De Telegraaf hervatten, waar hij voordien ook al zijn brood verdiende.

Bovenstaand overzicht van ‘foute’ striptekenaars is bij lange na niet compleet. Al was het maar omdat sommigen van hen tijdens de bezetting onder een schuilnaam werkten. Een aantal van bovengenoemde illustrators kon na de oorlog doorgaan alsof er niets was gebeurd. En enkelen werden dus zelfs vereeuwigd in de Almeerse Stripheldenwijk.
De Gijsje Goochemstraat is overigens niet veel meer dan een doorgaande steeg zonder woningen. Het lijkt me een relatief kleine moeite om de naam even aan te passen.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Joods roofgoed: Bandoeng, Amsterdam, Wormer, Krommenie

Joods roofgoed dat bestemd was voor vernietiging bij de Wormer papierfabriek Van Gelder bleef behouden dankzij een arbeider uit Krommenie. Maar wie zijn de mensen op die bewaard gebleven foto’s uit de Tweede Wereldoorlog?

Nadat in 1942 in Amsterdam de eerste grootschalige razzia’s tegen joden hadden plaatsgevonden, zagen de inwoners van Wormer dag na dag volgeladen vrachtwagens het dorp binnenrijden. De door gewapende SS’ers bewaakte auto’s bevatten honderden tonnen aan boeken en documenten. Het was roofgoed, afkomstig van weggevoerde joden. De enorme collectie literatuur, Thorarollen, antieke geschriften en fotoalbums werd bij Van Gelder Zonen tot pulp gemalen. Een voormalig sous-chef van de papierfabriek getuigde later: “Als die zakken werden leeggegooid, vaak waren het PTT-zakken, dan stond me het huilen nader dan het lachen. Tussen oude gebedenboeken en rollen perkament zag je opeens een corset, een schoen en een sok, een half gebit, een gebroken zuigfles met speen, de resten melk er nog in. Dat waren geen kleren die uit de kast kwamen, dat waren kleren die de mensen een paar uur tevoren hadden uitgetrokken. Je kon zien dat die joodse mensen zo uit hun bed waren gehaald. Dat zo’n oud mens niet eens de tijd had gekregen zijn gebit in te doen of zo’n vrouw om haar corset aan te doen.” De nazi’s deden – ook – in Wormer hun uiterste best om elke tastbare herinnering aan het jodendom te wissen. Maar ondanks de strenge bewaking ter plekke slaagden sommige Van Gelder-medewerkers er een enkele keer in om iets van de aangevoerde lading achterover te drukken.

Nadat ik in 2016 via het jaarboek van het Historisch Genootschap Wormer de aandacht vestigde op deze vrijwel onbekende massavernietiging van joodse bezittingen nam Elly Rozemeijer uit Krommenie contact op. Haar vader, Barend (‘Bab’) Daenen, werkte tijdens de oorlog bij Van Gelder. Op enig moment tussen 1942 en 1945 slaagde hij er in om een fotoalbum dat bestemd was om te worden vermalen veilig te stellen. Hij nam het album mee naar huis. Bij gebrek aan informatie over de oorspronkelijke eigenaar(s), ongetwijfeld van Amsterdams-joodse komaf, had het sindsdien een plek in de Krommenieër boekenkast bij de familie Daenen en daarna bij dochter Elly.

Bandoeng

Het album bevatte slechts negen foto’s. Te zien zijn een man met een baby (vader en kind?), diezelfde man op een motor, vier afbeeldingen van kleine kinderen, de Amsterdamse Westerkerk en een verder onbekend straattafereel, vermoedelijk eveneens in de hoofdstad. De laatste foto is atypisch: op de afdruk is een vrouw zichtbaar die poseert voor een traditioneel Indonesisch batakhuis. Op de achterkant van deze foto is met blauwe inkt een tekst geschreven: “Bandoeng Aug. ’38 Ik zit toch liever in mijn torenkamertje in de J.W. Brouwersstraat 21. Tabee Eussie.” De blijkbaar al voor de oorlog naar Nederlands-Indië vertrokken ‘Eussie’ – een typisch joodse koosnaam – had blijkbaar heimwee naar Amsterdam.

Een zoektocht door oude Amsterdamse woningkaarten leidde naar een lijst met vele tientallen vooroorlogse inwonenden van de Amsterdamse Jan Willem Brouwersstraat 21. De lengte van het namenoverzicht is niet verwonderlijk; op dat adres bevond zich namelijk Pension Hirsch. Naast de ‘gewone’ gasten daar herbergde Hirsch in de jaren ’30 Duitse vluchtelingen als de befaamde uitgevers Fritz Landshoff (Querido) en Walter Landauer (Allert de Lange) en de beroemde auteur Klaus Mann. Afgaand op een brief uit 1935 aan zijn moeder beviel het Mann prima bij Hirsch. Omdat het pension volgeboekt was, had hij helaas elders een kamer moeten zoeken. “Ik zit hier te bibberen van de kou, want waar ik nu verblijf zijn slechte kolen geleverd en de verwarming doet het niet. Helaas was er in het charmante Pension Hirsch opeens geen geschikte kamer meer voor mij, zodat ik moest verhuizen naar een klein hotel in de buurt”, klaagde hij.

In 1941 moesten zowel de veelal joodse pensionbewoners als de joodse eigenaar plaatsmaken voor een nieuwkomer. NSB-kopstuk en president van De Nederlandsche Bank Meinoud Rost van Tonningen nam zijn intrek in het grote, door hem geconfisqueerde pand. Toen waren zowel Klaus Mann als ‘Eussie’ overigens al jaren in het buitenland. De eerste vluchtte in 1938 verder naar de Verenigde Staten, de tweede vertrok datzelfde jaar naar Nederlands-Indië.

Rappaport

Op de woningkaart in het Stadsarchief Amsterdam is maar één bewoner van de Jan Willem Brouwersstraat 21 te vinden die naar Nederlands-Indië afreisde. Op 21 juni 1938 werd Siegfried Eduard Rappaport uitgeschreven als Amsterdammer. Kort daarna dook deze op 6 september 1914 in Semarang geboren opticien op in Bandoeng, het huidige Jakarta. Vanuit deze stad zou hij de foto met heimwee-opschrift naar Amsterdam sturen.

Verder onderzoek leert dat de joodse Rappaport door zijn vertrek uit Nederland ontsnapte aan de Holocaust, maar na de bezetting van Nederlands-Indië wel in Japanse gevangenschap belandde. Op dat moment werkte hij als sergeant bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger. Na enig speurwerk lukte het om een dochter van Siegfried Rappaport te vinden. Ze was na de oorlog met haar ouders naar de Verenigde Staten vertrokken en bevestigde dat het handschrift van ‘Eussie’ op de foto dat van haar vader was. “It made my heart warm”, schreef ze in reactie op de plotseling opgedoken vondst, 72 jaar na de bevrijding. Haar vader had het verblijf in verschillende Jappenkampen ternauwernood overleefd (‘close to death due to dysentery and credited his survival to a fellow prisoner’). Hij zou uiteindelijk in 2003 in Houston overlijden, 89 jaar oud.

Gabriella Rappaport meende verder haar tante Dorothy te herkennen op de foto met het batakhuis, maar wist helaas niet wie er afgebeeld zijn op de andere foto’s. Waren het vrienden van Siegfried Rappaport, of misschien zelfs familie? En hadden ze als joodse Amsterdammers de bevrijding meegemaakt of waren niet alleen hun bezittingen, maar ook zijzelf vernietigd?

Aanknopingspunten om de zoektocht naar de geportretteerden af te ronden waren er nauwelijks. Het nummerbord op de auto achter de motorrijder kon worden herleid tot de voormalige eigenaar, maar die leek niet in relatie te hebben gestaan tot de poserende man. Het identificeren van de afgebeelde personen was alleen nog mogelijk via inmiddels hoogbejaarden die hen herkenden. Inmiddels vonden de foto’s hun weg gevonden naar diverse (sociale) media. Wellicht konden op die manier de foto’s terugkeren bij de nabestaanden.

 

Enfin, om een lang verhaal naar een mooi einde te schrijven: na een oproep op Facebook meldde zich Yvonne van Wijk. Zij herkende opeeens haar oom Eli Gezang, met in de armen zijn zoon Hans. Die overleefde samen met zijn broer Rob en zijn ouders de jaren ’40- ’45 door onder te duiken en van adres naar adres te trekken. Daarna was het contact snel gelegd. Op 30 maart 2018 kwamen beide broers naar Krommenie. Daar ontvingen ze uit handen van Elly Rozemeijer de foto’s die hen toebehoorden, ruim driekwart eeuw na de oorlog. De cirkel was rond. 

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De naoorlogse teloorgang van de Zaanse synagoge

De gemeenteraad van Zaanstad besloot in 2010 unaniem dat het Inverdanproject ‘pas is afgerond als de synagoge in oude luister is hersteld’. Het duurde sindsdien ruim acht jaar voor een projectontwikkelaar het tot winkel verbouwde monument op de Gedempte Gracht kocht en zich bereid verklaarde het te restaureren. Uit teruggevonden documenten  wordt duidelijk hoe de overheid de gedecimeerde Joodse gemeenschap kort na de Tweede Wereldoorlog bejegende, met de teloorgang van het godshuis als resultaat.

Op zondagochtend 2 juni 1946 kwamen de leden van de Nederlands-Israëlitische Gemeente (NIG) Zaandam voor het eerst sinds de bevrijding bij elkaar. Niet in de synagoge aan de Gedempte Gracht – daarvan resteerde alleen een bouwval –, maar in de woning van interim-voorzitter Jacob Drukker, enkele deuren verder. Slechts 22 vertegenwoordigers uit elf Zaanse huishoudens die de oorlogsjaren als onderduiker of kampgevangene waren doorgekomen waren aanwezig, precies tien procent van de geloofsgemeenschap die vier jaar eerder regelmatig de synagoge bezocht.

Na een woord van herinnering aan de ‘door de schuld van de bezetter ontvallen leden’ kozen de aanwezigen een voorlopig bestuur en stelden ze een summiere begroting vast: ‘Inkomsten ƒ 208,-, uitgaven ƒ 250,-.’ Het nieuwe bestuur moest zonder financiële reserves en met een sterk geslonken ledental proberen om een doorstart te maken. De sjoel was een ruïne, de inventaris vrijwel geheel verdwenen. Zelfs de geschiedenis bleek grotendeels gewist. Toen een Amsterdamse instelling in 1946 informeerde naar de documentatie moest secretaris Jos Pais meedelen ‘dat het niet mogelijk is u de gewenste inlichtingen te geven daar ons gehele archief door de Duitsers is vernietigd’.

De synagoge rond 1900.

Twee jaar later waren de initiatiefnemers niet veel verder. ‘De overgebleven Joodse Zaankanters (laten wij dat vooral niet vergeten: Zaankanters!) hebben weer plannen tot herstel van het kerkelijk leven’, schreef dagblad De Typhoon op 28 januari 1948. ‘De synagoge aan de Gedempte Gracht in Zaandam wordt hersteld. Van buiten gezien lijkt deze kerk nog in vrij goede conditie. Wie binnenkomt ziet vier kale muren. Meer niet.’ De dienstdoende redacteur stelde vast dat niet alleen de Duitsers schuldig waren aan de plundering van het religieuze gebouw. ‘Het is wel beschamend het te moeten constateren, dat waarschijnlijk de grootste vernielingen door plaatsgenoten werden bedreven.’

Jacob Drukker deelde die mening. ‘Er stonden nog vier muren, maar verder was alles kapot, totaal vernield. Er zat geen hout meer in of aan. Niet alleen de Duitsers hadden dat gedaan, ook de Zaandammers, allemaal van die goeie Zaandammers…’ Daarmee raakte hij aan een teer punt. De bezetter had het bedehuis weliswaar geconfisqueerd en ingeruimd als garage en paardenstal, maar zowel voor- als nadien was het gebouw leeggeroofd door anderen.

De onttakeling begon kort nadat Zaandam in januari 1942 als eerste Nederlandse gemeente ‘Judenrein’ was gemaakt. Op 13 augustus van dat jaar informeerde NSB-burgemeester Hendrik Vitters tijdens een collegevergadering of de leegstaande synagoge kon worden verbouwd tot distributiekantoor. Het college besloot dat hij met wethouder en partijgenoot Jacob IJdenberg ter plekke de mogelijkheden zou bekijken. Blijkbaar pakte dat positief uit, want in de B&W-stukken van 1 oktober is te lezen dat voor 17.000 gulden ‘van de Niederländische Grundstücksverwaltung o.m. aangekocht [werd] perceel Gedempte Gracht 40, eigenaresse de Ned. Israëlitische Gemeente te Zaandam’. De Grundstücksverwaltung was een organisatie die van de Duitse autoriteiten het ‘beheer’ over het Joodse vastgoed had gekregen, alsmede de opdracht over te gaan tot onteigening en verkoop. Het verhandelen werd gedelegeerd aan ‘lasthebbers’, meestal makelaars. Het toeval wilde dat Jacob IJdenberg niet alleen wethouder, maar ook makelaar was. Hem werd het recht gegund om de synagoge (en een aantal ‘Joodse’ woningen) tegen twee procent provisie van de hand te doen.

Op het laatste moment strandde de verkoop van Gedempte Gracht 40 toch nog. Na de bevrijding verklaarde de directeur van de Dienst Gemeentewerken, Wouter Zuurmond: ‘In samenwerking met anderen heb ik dit weten te voorkomen.’ Hoe de overname werd verhinderd is onbekend, maar de synagoge bleef vooralsnog ongebruikt.

Het vooroorlogse interieur van de synagoge

Eind 1943 was het interieur overigens al verdwenen. Onder leiding van politiechef Willem Ragut was het pand de voorgaande zomer ‘leeggehaald en naar het politiebureau te Zaandam gebracht, o.a. een grote, antieke kast, lamp, ijzeren kist en andere voorwerpen, waaronder schilderijtjes en een leeuwenkop’, wist een agent. ‘De kast bleef voorlopig bij Ragut op de kamer, nadat [rechercheur Tonny] Jansen met vlijt de versierselen (Davidsster) met een borstel eraf geslagen had. De lamp en de schilderijtjes werden in het kamertje van de typiste gehangen, op het politiebureau, de leeuwenkop bij Jansen en de kist, welke later bij de burgemeester kwam als wapenkist.’

Daarbij bleef het niet. In 1958 verzocht de Zaans-Joodse gemeente het Nederlands-Israëlietisch Kerkgenootschap om ‘de navolgende claim van onze Gemeente bij de Duitse autoriteiten in te dienen’. Waarna een lange opsomming volgde van tijdens de oorlog gestolen koperen en zilveren voorwerpen, gebedenboeken, kleden en meubels. Alleen al de gestolen Thoramantels (‘waarbij enige antieke’) die om de Thorarollen werden gewikkeld, waren in mei 1940 getaxeerd op duizend gulden. De totale Zaanse claim bedroeg bijna zesduizend gulden.

In de Hongerwinter verloor de synagoge zijn laatste restje waarde. Zaankanters braken het hout uit de ontwijde, eerder al door NSB’ers met hakenkruizen bekladde ‘witte jodenkerk’. Ook sneuvelden zo goed als alle ramen. Tot de schaarse voorwerpen die heelhuids door de oorlog kwamen behoorden zes Thorarollen en enkele notulenboeken. Bijna alle andere bezittingen zouden nooit meer terugkeren.

Geallieerde voertuigen voor de synagoge, 1945

Toen de overlevende Joden in juni 1946 voor het eerst sinds de bevrijding bij elkaar kwamen, begonnen ze dus weer op nul. Vanaf dat moment beheerste het gebrek aan financiën de ledenvergaderingen. Moeizaam verlopende geldinzamelingen maakten het pas in 1953 mogelijk om de synagoge officieel te heropenen, zij het wel in sterk afgeslankte vorm. Drukker: ‘We hadden al die ruimte niet meer nodig, iedereen was vermoord, maar we moesten wel geld hebben. En daarom werd een deel van de synagoge verbouwd tot garage en kwam er in een ander deel een agentschap van Het Parool. Later werd dat een woning.’ Alleen het middenstuk van het gebouw bleef beschikbaar voor diensten.

De gerestaureerde synagoge was nauwelijks een kwartaal in gebruik toen het bestuur een nieuwe tegenslag moest incasseren, in de vorm van een stevige vordering. De afzender was het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Deze door de Rijksoverheid ingestelde organisatie beheerde de vermogens van niet teruggekeerde Joden en van politieke delinquenten. Ten aanzien van de eersten moest worden voorkomen dat de verkeerde mensen zich hun bezittingen toe-eigenden. De tweede doelgroep mocht niet langer profiteren van hetgeen ze tussen 1940 en 1945 – al dan niet door roof – had vergaard. Inzet van het Rijk was om hen de gigantische economische oorlogsschade te laten vergoeden waarmee Nederland kampte. Daartoe werd een bureaucratische moloch opgetuigd. Ruim tweeduizend NBI-stafleden werkten in een chaotische situatie aan 160.000 dossiers.

Dat leidde onvermijdelijk tot fouten. De Algemene Rekenkamer maakte in een rapport gehakt van de organisatie en Justitieminister L.A. Donker moest in 1953 erkennen dat de NBI-administratie niet op orde was. In dat licht dient ook de rekening te worden bezien die anderhalve week voor de Dodenherdenking van datzelfde jaar bij de NIG in Zaandam op de mat viel. Het Beheersinstituut had even eerder een negen jaar oude, openstaande hypotheekschuld ontdekt. In haar streven om de wederopbouw te financieren eiste ze dat de Joodse gemeente die zou betalen.

Hypotheekschuld

De oorsprong van die factuur lag dus in de bezettingstijd. Naarmate het deporteren van de Joden vorderde, speelde bij de Duitsers steeds vaker de vraag door het hoofd wat ze aan moesten met de leegstaande synagogen. Voorstellen om ze te slopen, teneinde ‘alle herinneringen uit te wissen’, haalden het niet. In 1944 kreeg het door Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart benoemde Commissariaat voor Niet-commerciële Verenigingen en Stichtingen (CNCV) opdracht om de Joodse organisaties formeel te ontbinden en hun gebedsruimtes en andere eigendommen te beheren en te gelde te maken. In augustus van dat jaar, ontdekte het NBI in 1953, had het CNCV ‘uit eigen middelen een op de synagoge der Israëlitische Gemeente te Zaandam rustende hypothecaire schuld afgelost tot een bedrag van ƒ 4.872,91.’ Na aftrek van wat kasgeld dat de bezetter in Zaandam had gestolen bleef een te incasseren bedrag van ruim 4.500 gulden over. Omgerekend naar 2019 komt dat neer op bijna 17.000 euro.

De NIG had, bij gebrek aan archiefmateriaal, geen idee dat er een hypotheek rustte op de al in 1865 gebouwde en destijds afbetaalde synagoge. Bewijzen dat de claim onterecht was kon ze niet. Ze stelde zich daarom deemoedig op en beloofde alles te willen doen ‘om de schuld te delgen’. Er was echter een levensgroot probleem, schreef penningmeester Saul Smit. ‘De gemeente bestaat nog maar uit 6 gezinshoofden en wil daarom géén hypotheek op de joodse kerk nemen, opdat, wanneer nog meer gezinnen uit Zaandam verdwijnen, de overblijvenden voor een te zware last zouden komen te staan.’ Die paar huishoudens hadden hutje bij mutje gelegd, waardoor zij toch nog 3.350 gulden konden overmaken. Wilde de NBI daarmee genoegen nemen, vroeg Smit.

Het Amsterdamse NBI toonde begrip voor de Zaanse noden en bepleitte clementie bij het landelijk bureau. Gewezen werd op ‘de moeilijke financiële omstandigheden ten gevolge van de handelingen van de bezetter’ en de ‘zware offers die de Israëlitische Gemeente zich reeds heeft moeten getroosten om het, gedurende de bezetting zwaar gehavende, kerkgebouw weer in bruikbare staat te brengen’. Het antwoord was kil en onverbiddelijk. Dat de Joodse gelovigen van 1942 tot en met 1945 niets te vertellen hadden over de lasten en baten van hun bezit en de overgrote meerderheid in 1944 al was vermoord speelde geen rol. De landelijke NBI-directie achtte ‘geen termen aanwezig’ om op het voorstel in te gaan. ‘Wij kunnen niet inzien welke redelijke bezwaren er bestaan voor de Gemeente om het kerkgebouw thans wederom hypothecair te belasten.’

De synagoge in 1961, met een autodealer als onderverhuurder

Onbekend is hoe de Joodse gemeente aan de financiële eisen voldeed, maar ze kwam de toegebrachte klappen nooit meer te boven. Waar de NIG kort voor de bezetting van Nederland nog 220 leden had, waren daar twintig jaar later nog maar 28 van over. Het geringe ledental maakte dat er slechts sporadisch religieuze diensten plaatsvonden. Gebrek aan geld deed de rest. In 1974 verkocht de NIG de synagoge noodgedwongen voor de vriendenprijs van 175.000 gulden aan Frieda Pais-Fruchter, de schoondochter van voormalig bestuurslid Jos Pais. Zij liet het pand ingrijpend verbouwen – alleen het middenstuk bleef intact – en verhuurde het aan een kunstcentrum met de toepasselijke naam De Zienagoog.

In het daarop volgende decennium wilde de eigenares het gebouw laten slopen en vervangen door woon- en winkelruimte. Dit kon door plaatsing op de provinciale monumentenlijst op het nippertje worden verhinderd. In haar bezwaarschrift tegen dat besluit liet Pais-Fruchter weten ‘niet in een binding met de joodse gemeenschap te geloven’. Dat was tegen het zere been van de Joodse gemeente. Secretaris Joop Meijer: ‘De enige reden waarom we toen hebben verkocht was een centenkwestie. We konden herstelwerkzaamheden niet betalen. Daarom moesten we wel. We hadden het ook in elkaar kunnen laten storten. Huisvesting van De Zienagoog in het pand vonden we een zinvol doel, maar we hadden het veel liever zelf gehouden. Er zijn nog steeds veel mensen die van dat gebouw houden. (…) Het is een monument voor ons volk.’

De voormalige synagoge kwam vervolgens in handen van uitvaartorganisatie DELA . Die verhuurde de centrale ruimte aan een telefoonwinkel. Op 18 januari 2019 – 77 jaar en één dag nadat de Zaandamse joden gedwongen de stad moesten verlaten – werd wereldkundig gemaakt dat de Zaandamse projectontwikkelaar Wouter Lofström het door stadsarchitect Immink ontworpen gebouw voor ruim drie miljoen euro had gekocht. Hij liet weten de synagoge te willen restaureren. Daarmee was er eindelijk zicht op een waardige bestemming van het enige tastbare joodse erfgoed in het hart van Zaandam.

Helaas, later dat jaar maakte Lofström bekend dat grootschalige renovatie te kostbaar was en het contract met de KPN zou doorlopen. Verder dan wat cosmetische ingrepen aan het gebouw kwam het niet.

De synagoge in 2017

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Anton Stam: de vergeten verzetsstrijder

Tien mannen en vrouwen vormden in oktober 1941 de leiding van wat zou uitgroeien tot het belangrijkste verzetsblad, Vrij Nederland. In de daarop volgende maanden belandden ze bijna allemaal voor het vuurpeloton of in een cel. De overlevenden vertelden na de bevrijding hun oorlogsverhaal. Op die ene onbetrouwbaar geachte Zaandammer na, Anton Stam.
Portret van een kat met negen levens.

Anton Stam, 1938

In de ochtend van 10 mei 1940 ontsnapte Antonie Hendrik Stam (1919) voor de eerste keer aan een vroege dood. De dienstplichtige radiotelegrafist/ boordschutter was gestationeerd op het Rotterdamse vliegveld Waalhaven toen Duitse bommenwerpers in een aanvalsgolf de luchthaven volledig verwoestten. Daarbij sneuvelden 51 Nederlandse militairen. Stam bleef ongedeerd. Na de capitulatie, vier dagen later, probeerde hij om via IJmuiden naar Groot-Brittannië te vluchten. Dat mislukte jammerlijk; zijn pogingen liepen uit op krijgsgevangenschap.

Zodra hij werd vrijgelaten, zocht Stam naar mogelijkheden om op een andere manier overzeese contacten te leggen. Met zijn eveneens uit Zaandam afkomstige vriendin Amy Duif vertrok hij eind 1940 naar Geldrop. Ze wilden daar bij familie een geheime zender installeren. Ook die poging faalde, naar verluidt omdat hun gastheer de risico’s onverantwoord vond.

Vrij Nederland

Eind februari 1941 begon de Sicherheitsdienst met het oprollen van Vrij Nederland. Dat was mogelijk na de vondst van vijf exemplaren van het blad in de jaszak van een medewerker. In de maanden die volgden verdwenen vrijwel alle schrijvers, drukkers en bezorgers, in totaal 65 mensen, in gevangenissen of werkkampen. Hoewel Stam al sinds het najaar van 1940 Vrij Nederland verspreidde en hij ook nummers had nagestencild, ontsprong hij de dans.

Het lukte de paar VN’ers die nog niet waren opgepakt met veel moeite om een maart- en aprilnummer samen te stellen. De voortgaande arrestaties sloegen echter met de week grotere gaten in het medewerkersbestand. Jan Kassies en Arie van Namen zouden op 9 mei de laatste hand leggen aan de editie van die maand, toen de laatste die avond zag hoe de SD Kassies uit diens woning haalde en afvoerde. De opgejaagde en wanhopige Van Namen – de Duitsers gijzelden zijn ouders, hopend dat hij zich dan zou aangeven – stond er vanaf dat moment vrijwel alleen voor.

Redding kwam in de persoon van journalist Edouard de Nève, die zich eerder vooral bezighield met spionage en pilotenhulp. Van Namen: ‘Hij had weer contact met een zekere heer Stam uit Zaandam. Met behulp van de heren De Nève en Stam hebben wij toen het volgende nummer uitgegeven in juni 1941.’ De Nève beschouwde Stam inderdaad als één van ‘mijn grote helpers’. ‘Bij het stencilen had ik veel hulp van een relatie uit Zaandam, A.H. Stam. Die organiseerde het.’ Onder Stams leiding konden in de Amsterdamse, deels ondergronds opererende uitgeverij Bottenburg de juni-, juli- en augustuseditie worden samengesteld. Het voortbestaan van Vrij Nederland was weer even verzekerd.

De driekoppige redactie trachtte via een leugen in de editie van 10 juni de gearresteerde VN-medewerkers los te krijgen: ‘Talrijke mannen en vrouwen zijn in hechtenis genomen die ervan verdacht werden op een of andere manier met ons in relatie te staan. Het feit is echter dat wij hun werk van verre, noch van dichtbij kennen.’ Ze stuurden tien exemplaren naar de Sicherheitsdienst. De actie bleek vergeefs; veel gevangenen hadden al bekentenissen afgelegd.

Vrij Nederland, juni 1941

Henk en Amy waren Zaandam inmiddels ontvlucht. Ze doken in Amsterdam onder op een door Van Namen gehuurde etage aan de Oudeschans 48. ‘Wij woonden in de achterkamers, terwijl u zo nu en dan de voorkamer in gebruik had’, herinnerde Stam Van Namen dertig jaar na de oorlog aan het halfjaar dat ze daar verbleven. ‘Waarschijnlijk hadden wij toen de schuilnamen van Amy en Anton van Bergen o.i.d. Mijn vrouw vertelt mij zojuist dat ze u eens de achterkamer heeft laten zien die toen afgeladen met Vrij Nederland-krantjes lag, terwijl ook nog een zendontvanger opgesteld stond.’

Toen De Nève op 29 september eveneens achter de tralies belandde, ging Stam naar eigen zeggen in zijn eentje voort. [Ik] ‘nam alles over, stelde VN samen van oude en nieuwe copie, niette het geval en zorgde voor de verspreiding.’

Van Randwijk

Henk Kooistra, een nog niet opgepakte VN-bezorger van het eerste uur, vroeg zijn Amsterdamse collega-onderwijzer Henk van Randwijk om het door de arrestaties ontstane gapende gat in de redactie te helpen vullen. Medio oktober 1941 vond er in Van Randwijks woning aan de Stadionkade een eerste, ‘constituerende vergadering’ plaats van de nieuwe VN-leiding. Stam was een van de tien aanwezigen. Tijdens het door het echtpaar Van Randwijk aangeboden etentje overheerste aanvankelijk de argwaan. Veel genodigden kenden elkaar nog niet en de bezetter had net de doodstraf afgekondigd op het verspreiden van antinazistische geschriften. Kooistra ontbrak. Hij was kort tevoren in Sperrgebiet aangehouden en zou, net als ruim honderd andere VN’ers, de bevrijding niet beleven. Ondanks deze tegenslag gingen het tiental ’s avonds hoopvol en eensgezind hun weegs. Ze hadden elkaar gevonden in het streven naar een verzetsblad ‘met inhoud’ waarin de ‘vormende waarde’ (dixit Van Randwijk) van het christendom was te vinden. De samenkomst bleek cruciaal voor de toekomst van Vrij Nederland. Het blad groeide, aldus de Sicherheitsdienst in december 1941, nadien uit tot het ‘weitververbreiteste und gefährlichste Hetzschrift’.

Zwitserland

Talloze angstdromen plaagden hoofdredacteur Henk van Randwijk. ‘De ene nacht word ik opgehangen, de volgende nacht word ik doodgeschoten’, vertelde hij zijn vrouw. Hij meende dat er binnen Vrij Nederland een verrader ronddwaalde. Begin maart 1942 arresteerde de SD Van Randwijk. Bij gebrek aan bewijs kwam hij na enkele weken vrij, maar het kwaad was geschied. Verdachtmakingen besmetten de organisatie. Eén daarvan luidde dat Anton Stam onbetrouwbaar was. Een belangrijke bron voor die zware beschuldiging was Zaandammer Martinus Arends. Die had sinds 1940 met Stam samengewerkt. ‘Dan tikte mijn dochter (Leny Arends) de stencils en werden de VN’s gefabriceerd. Eerst gebeurde dat op een kamer 3 hoog op de Weteringschans 103, waar A. Stam deze kamer gehuurd had. Daar werkten dan A. Stam, zijn verloofde en mijn dochter. Wanneer ze dan klaar waren, werden ze in Zaandam verspreid’, schreef Martinus Arends in 1946. De verkoopopbrengst overhandigde hij aan Stam. En daar ging het volgens hem mis. ‘In september 1941 vertrouwde ik Stam niet meer en vermoedde dat hij het grootste gedeelte ten eigen bate gebruikte.’ Arends verbrak de samenwerking en kreeg na een tijdje bezoek van ‘Oom Henk [van Randwijk] en Wim [Speelman] die met mij over Stam kwamen praten en toen ook maatregelen tegen hem genomen hebben.’

De inner circle van het aan alle kanten bedreigde blad ondernam inderdaad actie, ter voorkoming van erger. Er werd tijdens een ingelast beraad geopperd om Stam te liquideren, maar redactielid en rechtsgeleerde Gezina van der Molen verzette zich met hand en tand tegen die optie. Volgens haar was er geen onomstotelijk bewijs van Stams verraad. Van der Molen: ‘Wij hadden niet meer dan het vermoéden.’ Ze stelde voor om met de verdachte te gaan praten.

Aldus geschiedde, in bodega Keyzer naast het Amsterdamse Concertgebouw. Aan een belendend tafeltje volgden andere verzetsstrijders onopvallend de conversatie, klaar om indien nodig in te grijpen. Van der Molen vertelde Stam dat het vertrouwen in hem was opgezegd. Daarop stelde haar aangeslagen gesprekspartner voor te willen uitwijken naar Engeland. Dat leek Van der Molen een goed idee. Ze pakte een exemplaar van het Nieuwe Testament uit haar tas en overhandigde hem dat. Vervolgens namen de twee afscheid van elkaar.

In een drie weken na de bevrijding gezonden brief aan Vrij Nederland liet de diep geraakte Stam weten dat hij zich begin 1942 (‘aangezien ik toen meer op de achtergrond raakte door mijn geringe kennis van de journalistiek’) had willen bezighouden met het zenden van ondergrondse boodschappen naar Radio Oranje, maar rond die tijd ‘moest ik naar Zwitserland’. De reden van zijn gedwongen vertrek liet hij onbesproken. Enkele maanden later in 1942 hield hij zich tijdens een verhoor in Neuchatel wederom op de vlakte. Hij vertelde zich na de Nederlandse capitulatie ‘in het bijzonder [te hebben] beziggehouden met strijden tegen de bezettingsmacht, door de mensen op te roepen om in actie te komen tegen de Duitsers’. Toen hij vervolgens op bevel van de plaatselijke autoriteiten zijn levensloop opschreef, deed hij de voorgaande anderhalf jaar zelfs af als ‘een oninteressante periode die afgesloten werd met mijn vertrek op 12 april jl. naar Zwitserland’. Ook later zou hij niet publiekelijk terugkomen op zijn Vrij Nederland-werkzaamheden en de hem aangewreven, onterechte beschuldigingen.

Anton Stam, 1940

Antwerpen

Amy vertrok samen met de VN-prominenten Wim Speelman en Henk Hos naar een nieuwe schuilplaats, dit keer bij Antons zus in Zandvoort. Haar verloofde reisde richting de Alpen. Dat Stam daar wist te komen, mag een klein wonder heten. Vanuit het onderduikadres op de Oudeschans werd hij via de zogeheten Van Niftrik-lijn over de Belgische grens geleid. Met een collega-verzetsman reisde hij per tram naar de in het complot betrokken familie Van Dulken. Hun Antwerpse adres bleek echter te zijn verraden. Op 13 april wekte de Sicherheitsdienst de bewoners. Stam: ‘De heer des huizes werd met een overvalwagen afgevoerd en alleen een Duitse politiebeambte bleef achter ter bewaking van mevrouw, dienstmeisje, mijn reisgenoot naar Zwitserland en mij. Duidelijk was dat wij, voordat de overvalwagen terugkwam, iets moesten ondernemen. Met die ene, al wat oudere Duitser leek dat niet zo moeilijk en ik vroeg het dienstmeisje dan ook of ze niet een fles had of iets dergelijks, zodat we hem een tik in zijn nek konden geven. Het meisje verdween om wat te zoeken. Zeer tot ongenoegen van de Duitser ging het meisje een verdieping naar beneden, ondanks het bevel dat ze direct weer naar boven moest komen. Ik liep toen halverwege de trap, hard schreeuwend: “Du sollst zurückkommen”, dan de rest van de trap en de volgende, steeds met meer volume schreeuwend dat ze terug moest komen. De laatste trap heb ik toen maar sprongsgewijze genomen, daarna naar buiten gerend en op een juist voorbijrijdende tram gesprongen.’

Vader en zoon Van Dulken zouden hun gevangenschap niet overleven. Stam wist heelhuids een ander ondergronds adres te bereiken. ‘Uiteindelijk ben ik per trein door een koerierster naar de Zwitserse grens gebracht, daar door een koerier overgenomen en zonder verdere avonturen in Zwitserland afgeleverd.’ Hij belandde er achtereenvolgens in de gevangenis, een straf- en een werkkamp. ‘Later mochten wij de weekends in Lausanne doorbrengen en nog later mochten enigen, waaronder ik, voor ons vertrek naar Engeland voor het in orde maken van paspoorten, visa, e.d. op kosten van het consulaat in Genève wonen. Dat vertrek naar Engeland viel voor mij echter negatief uit, want nadat met veel moeite en geduld uit-, trans- en inreisvisa georganiseerd waren, passagegelden betaald waren, werd uitgerekend op de dag van ons vertrek ook Zuid-Frankrijk bezet, waardoor we onze semi-legale papieren niet meer konden gebruiken.’

Zwitserse notitie dat ‘Antoine Henri Stam’ in december 1942 Zwitserland heeft verlaten (collectie Bundesarchiv Bern)

Onbekend met de nieuwe geopolitieke situatie vertrok Stam met mede-Engelandvaarder Sjaak Brouwers richting Spanje, om begin december 1942 vlak voor de Frans-Spaanse grens te worden opgepakt. Door zich voor te doen als werkloze studenten op zoek naar een baan in Zuid-Amerika ontsnapte het duo aan een mogelijke doodstraf. Stam: ‘Ofschoon mij tijdens een van de vele verhoren gevraagd werd: “Wollen Sie noch weiter lügen?”, werd ons verhaal waarschijnlijk toch geslikt, want tegen Kerstmis werden wij in gezelschap van een Duitse officier in een normale trein naar Parijs gebracht, waar hij ons afleverde bij het bureau van de organisatie Todt.’

Brouwers en Stam wisten zich ook aan deze dwangarbeidersorganisatie te ontworstelen. In Parijs legden ze contacten voor een vluchtroute naar Zwitserland. Zelf gingen ze terug naar Nederland om deze escapeline verder uit te bouwen. Bekend is dat zowel Stam als Brouwers in de navolgende maanden meermalen met onderduikers en illegale documenten naar Zwitserland reisde. ‘Geld kreeg ik altijd via Stam’, aldus Brouwers. Een andere illegaal, Dirk Jan de Jong, verklaarde kort na de oorlog dat hij nauw samenwerkte met Stam, ‘die OD [Ordedienst]-contacten had en aan wie ik een pistool verschafte en voor wie ik illegale berichten meenam naar Zwitserland. Met hem samen vervoerde ik valse papieren en stempels.’ Stam bleef tot medio 1944 leidinggeven aan de ontsnappingslijn.

Groep 2000

Anton en Amy hadden zich in 1941 verloofd en zouden pas na de bevrijding trouwen, ware het niet dat een zwangerschap roet in het eten gooide. Op 12 januari 1944 huwde het stel alsnog in Amsterdam, 2,5 maand later beviel Amy van een dochter. De vernoeming naar haar moeder viel minder op dan de toevoeging, Margriet. De verwijzing naar het eveneens pasgeboren prinsesje was een extra ‘verzetje’ tussen alle andere ondergrondse werkzaamheden. Tot aan de bevrijding zou moeder Stam de kinderwagen gebruiken om niet alleen haar dochter, maar ook wapens en illegale lectuur te vervoeren. Daarnaast transporteerde ze joodse kinderen naar veilige adressen.

Kraambed, met Amy, Anton en moeder Stam (1944)

Antons verzet bestond onder meer uit het plaatsen en bedienen van een geheime zender in een woning op de Herengracht. In het Amsterdamse Oudeliedenhuis aan de Amstel (de tegenwoordige Hermitage) had de Ordedienst eveneens een zender geïnstalleerd. Onder leiding van chef-marconist Leendert Lauwerens zonden vier marconisten, onder wie Stam, vanaf september in ploegendienst honderden gecodeerde berichten het land in. Namens het eveneens illegale Marine Zendstation van Groep 2000 verstuurden ze tevens codetelegrammen naar het inmiddels bevrijde Eindhoven. Daaraan kwam een abrupt einde toen de Grüne Polizei medio december binnenviel. De medewerkers wisten ternauwernood via een achterdeur het pand te ontvluchten.

Drijber

Stam moest de hoofdstad verlaten. Formeel woonde hij nog steeds bij zijn ouders in de Zaandamse Kamphuijsstraat, in de praktijk zwierf hij van de ene schuilplaats naar het andere onderduikadres. Met zijn vriend Andries Buitenhoff ten Cate en Amy week hij op oudejaarsdag uit naar het Friese Lekkum en hervatte daar zijn zendactiviteiten. Hun verblijf in het hoge Noorden verliep niet naar tevredenheid. In een anoniem, intern briefje van de Binnenlandse Strijdkrachten werd geconcludeerd dat ‘deze zender gevallen’ was en hun BS-contactpersonen hen ‘in de steek gelaten’ hadden. ‘Zij zitten nu volkomen zonder geld en levensmiddelen, ook zonder papieren. (…) Zij hebben altijd gewerkt voor het H.K. [hoofdkwartier] in Amsterdam en het ontbrak hen daar aan niets.’ Stam was nog altijd geïrriteerd toen hij in juli 1945 deze conclusies onderschreef: ‘De algemene gang van zaken op G1 [zijn zendstation] was ergerlijk slap en nonchalant. Het duurde 4 weken voor wij bonkaarten hadden en andere PB’s [persoonsbewijzen] hebben wij helemaal nooit gehad. Wat het werken betreft werden wij aan alle kanten tegengewerkt; er was absoluut geen interesse voor.’ Ontevreden reisde hij op 2 februari verder naar een boerderij in een dorp nabij Assen. Zijn vriend, zijn echtgenote en een derde verzetsstrijder betrokken een adres in Leeuwarden.

Het verblijf in Drijber, zijn nieuwe standplaats, beviel Stam beter: ‘De verbinding met Brabant was zeer goed en behoorlijk veel berichten zijn dan ook verzonden en ontvangen.’ De voorspoed duurde slechts een week. Stam: ‘Hieraan kwam een einde doordat op een morgen de boerderij omsingeld was door Duitsers die mij d.m.v. een machinepistoolsalvo uit mijn schuilplaats, tevens zendstation, verdreven en gevangennamen.’ Op 9 februari kwam daardoor definitief een eind aan zijn zendactiviteiten.

De Duitse codespecialist Ernst May zou later verklaren dat Stams zender was uitgepeild. Dat was slechts de halve waarheid. De SD wist van de zender dankzij de arrestatie van de illegale marconist Jacob van den Hul, drie dagen eerder. Ze martelden deze Ordedienst-medewerker zo zwaar dat hij onder meer Stams verblijfplaats verraadde.

‘Heraus kommen’

Met de aanwijzingen van Van den Hul op zak was het een koud kunstje om Stams zender te peilen. In de ochtend van 9 februari sloot een groep van zestien SD’ers de omgeving van het kantoor annex de bedrijfswoning van de Vuil Afvoer Maatschappij – de door Stam genoemde ‘boerderij’ – in Drijber af. Helemaal onopvallend gebeurde dat niet. Gewaarschuwd door een medebewoonster rende Stam naar zijn schuilplaats, een kamer op de bovenverdieping. Hij wist nog net een noodsignaal uit te zenden en de antenne in te trekken, alvorens zich in een kast te verbergen. Sachbearbeiter Karl Klingbeil, na de oorlog: ‘Ik ging toen naar deze kast toe en klopte op de binnenwand van de kast en riep: “Heraus kommen, sonst wird geschossen.” Daarop meldde zich niemand. Vervolgens werd door mij aan een van mijn ondergeschikten bevel gegeven met zijn machinepistool enige waarschuwingsschoten op de wand af te geven, doch hoog, zodat een zich achter de kast bevindend persoon niet zou kunnen worden getroffen, omdat wij aan een dode marconist niets hadden. Na het eerste salvo gaf de marconist nog geen antwoord, waarop een tweede salvo werd afgevuurd, waarvan de kogels vlak langs hem heen gingen, waarna er één in het Duits schreeuwde: “Komm heraus, wir wissen wohl dass du da bist.” Er kwam hierop niemand achter de wand vandaan, zodat wij toen de rechterwand die enigszins hol klonk hebben ingedrukt. Wij zagen toen het zendapparaat staan dat nog op contact stond. Met één van mijn mannen ben ik in die schuilplaats gekropen en zag aldaar een man verdekt op de grond liggen. Op mijn vraag of hij in het bezit was van een wapen zei hij: “Neen.” Ik heb hem bevolen eruit te komen, wat hij toen deed.’

‘Anton, Anton’

Het was Stam, die met touwen werd vastgebonden, onmiddellijk duidelijk dat de Duitsers hem kenden. Een eveneens in het VAM-kantoor aanwezige beambte van de Funkmessstelle verwelkomde zijn gevangene met de woorden: “Guten Morgen Anton, wir werden einander wie Kriegsmänner begrüssen.” Tijdens een verhoor, later die dag in Beilen, kreeg Stam een schets voorgelegd waarop de geheime bergplaats van zijn zender was weergegeven. De tekening was gemaakt op aanwijzing van Jacob van den Hul. Toen Stam bleef volharden niets te weten over de betrokkenheid van andere verzetsstrijders, sprak de ondervragende officier hem belerend toe: ‘Anton, Anton, dat moet je niet doen, wij weten immers alles.’ Dat klopte. Stam: ‘Ik ben het verdere van de dag en de daarop volgende nacht aan een verhoor onderworpen geweest, waarbij mij bleek dat de Duitsers volledig bekend waren met de situatie van de zenders te Amsterdam, Uithuizermeden, Lekkum en Drijber.’

Tijdens latere verhoren wist Stam de Duitsers naar eigen zeggen wijs te maken de door hen begeerde codesleutel niet te kennen. ‘Inlichtingen over de organisatie in Leeuwarden heb ik wel gegeven, maar dusdanig verdraaid of verouderd dat ze waardeloos waren. Er is dan ook nooit iemand gearresteerd.’ Dat klopte, voor zover het zijn eigen bekentenissen betrof. Getuigenissen van andere gevangenen maakten echter dat er meer arrestaties volgden. Vier van hen werden op 8 maart 1945 gefusilleerd, als represaille voor de aanslag op SD-leider Hanns Albin Rauter.

Legitimatie Anton Stam als ex-politieke gevangene, 1945

Stam werd van Beilen overgebracht naar het Huis van Bewaring in Assen. Zijn bewakers daar maakten de fout hem op te sluiten in een ruimte met onderduikers en arbeidsweigeraars, in plaats van tussen de politieke gevangenen. ‘Na verloop van tijd werden ongeveer twintig mensen van de zaal op transport gesteld naar het concentratiekamp Wilhelmshaven. Door mee te schuiven en bij een willekeurige naam “ja” te roepen, lukte het mij me aan te sluiten bij dit transport, met de gedachte onderweg misschien te kunnen ontsnappen.’ Hij slaagde er echter niet in om uit de overvolle veewagen te springen, ‘en bij het eindpunt stonden dan ook twee SD-officieren te wachten die een kreet van opluchting slaakten toen ze me uit een van de wagens konden plukken.’ De vluchteling werd op 16 februari teruggevoerd naar Assen.

Klingbeil

Op 2 maart 1945 bracht Karl Klingbeil zijn arrestant naar een SD-kantoor in Zwolle. Daar volgden nieuwe verhoren. Het geluk was met Stam; waar veel SD’ers hun gevangenen afranselden in een poging om gegevens los te krijgen, moest Klingbeil daar weinig van hebben. Het bleef bij het afvuren van vragen en – in reactie – geven van ontwijkende antwoorden. De status quo werd uiteindelijk doorbroken met een Duits dwangvoorstel. Stam: ‘Hij [Klingbeil] deelde tijdens het laatste verhoor aan mij mede dat ik voor de keus werd gesteld om óf voor de Duitsers te werken óf te worden doodgeschoten. In dat voorstel zag ik een mogelijke kans om te ontsnappen en heb er toen in toegestemd om voor de Duitsers te gaan werken. Tijdens het onderhoud in Zwolle werd afgesproken dat ik de namen van code-officieren en de code per brief naar een Hauptsturmbannführer, wiens naam ik niet meer weet, zou zenden in Zwolle. Daarnaast is de afspraak gemaakt dat ik eens in de veertien dagen in De Groene Weide te Leeuwarden zou komen, waar ik dan een man zou ontmoeten die als een herkenning een doos onder zijn arm had.’

Nog eenmaal zetten de Duitsers hem in een auto. ‘Ik werd op een plek ergens buiten Beilen losgelaten, met de belofte contact te houden via de SD-Leeuwarden. Het weggetje lag ongeveer driehonderd meter van de straatweg en nog droom ik wel eens van dat bevroren terrein waar ik van die twee Duitsers wegliep, elk ogenblik een kogel in mijn rug verwachtend.’ De nazi’s hielden hun wapens dit keer echter op zak. Dankzij de met Klingbeil gemaakte afspraak wist Stam niet voor het eerst zijn leven te redden. Had hij volhard in zijn ontkenningen en uitvluchten, dan was hij ongetwijfeld eveneens gefusilleerd na de aanslag op Rauter, enkele dagen later.

Anton Stam hield zich niet aan de gemaakte afspraken. Hij overnachtte in Beilen en ging toen naar Leeuwarden, waar Amy en hun dochter verbleven. Twee uur voor Anton Stam haar weer in de armen kon sluiten, vernam Amy pas dat hij was opgepakt. Stam: ‘Ze wist dit doordat Dries [Buitenhoff ten Cate] weer naar Hoogeveen was gegaan en daar vernomen had dat ik gearresteerd was. Mijn vrouw had toen twee marconisten en een baby in huis, die gedurende de tijd dat ik weg was geen geld en geen eten hadden gehad. Werkelijk een zeer teleurstellende geschiedenis.’ Samen met Amy – die opnieuw zwanger was en in shock verkeerde door zijn arrestatie –, Buitenhoff ten Cate en drie anderen dook hij de rest van de oorlog onder op het Leeuwarder adres Steinstraat 11. ‘Tot aan de bevrijding zijn wij verder niet actief geweest, behalve het verzorgen van de onderduikers en het door mij ophalen van een pistool bij een boer die het niet langer in huis durfde hebben.’ Een paar weken later konden ze eindelijk hun bevrijders begroeten.

Even daarvoor had Anton Stam nog één ontmoeting met Karl Klingbeil. ‘Kort voor de bevrijding ben ik in Leeuwarden eens gaan kijken naar de stroom van vluchtende Duitsers. Toen ik er langs liep, werd ik door een Duitser aangehouden, die mij vroeg wat ik hier moest te spioneren. Ik antwoordde dat ik de SD’er Klingbeil uit Assen zocht. De Duitser antwoordde mij dat hij Klingbeil zou roepen en hij kwam even later met Klingbeil terug. Klingbeil vroeg mij waarom ze niets meer van me hadden gehoord. Ik vertelde hem dat er niets meer te melden was geweest, waarop hij mij het beste wenste en we uit elkaar gingen.’

Anton Stam was en bleef vrij. Hij zou, alvorens samen met zijn gezinsleden een woning te huren in Zandvoort, nog enkele maanden zijn intrek nemen in het ouderlijk huis te Zaandam. Klingbeil werd kort na de Duitse capitulatie gevangen genomen en voor de rechter gebracht. Hij werd eind 1948 buiten vervolging gesteld, omdat zijn misdrijven niet ernstig zouden zijn, hij het verzet had geholpen en al jaren in bewaring had gezeten.

Oorlogsuitkering

Pas in de jaren tachtig vertelde Anton Stam min of meer openlijk, in een voor de familie bestemd genealogisch boekje, beknopt over zijn oorlogservaringen. Hij had zich tot dan vooral gericht op zijn werk bij de KLM en zijn gezin. Bij gebrek aan getuigenissen kostte het hem zelfs moeite om een oorlogsuitkering te krijgen. Naarmate zijn vrouw en hij ouder werden, spookten de jaren 1940-’45 steeds vaker door hun hoofden. Hun dochter Amy: ‘Op het eind van zijn leven lag hij te malen in bed. Alles kwam terug. En mijn moeder voelde zich achtervolgd en vertrouwde niemand meer. Helemaal toen mijn vader overleden was. Ze verving alle deursloten en ik mocht er ook niet meer in. Ze meende dat haar kleindochter, schoonzoon en ik gevaarlijk waren en haar wilden vermoorden. Heel verdrietig.’ Het echtpaar vertrouwde elkaar wel tot het laatst. Amy: ‘Hun onderlinge band bleef erg sterk. Hij heeft altijd voor haar gezorgd en liet haar nooit in de steek.’

Anton Stam overleed op 9 januari 1998, zijn echtgenote elf maanden later.

Een sterk vermagerde Anton Stam, kort na de bevrijding

Gedicht

Op 12 september 1942 stuurde Anton Stam vanuit Zwitserland een gedicht naar zijn verloofde Amy Duif (die hij op de envelop aanduidde als mevrouw ‘Pigeon’).

Wacht op me, ik kom terug
wacht, wacht toch nog
wacht, wanneer je treurig bent
en als de regen langzaam valt
wacht op me, ik kom terug.

wacht op me, ik kom terug
de dood zal mij niet vinden kunnen
en als ze zeggen: hij heeft geluk gehad
zullen ze dan begrijpen
dat het alleen jouw wachten was dat me redde?
och wacht op me, ik kom terug.

Door BS-officier V. de Bie geschreven getuigschrift, 17-5-1945

Dit artikel kwam mede tot stand dankzij de hulp van Sierk Plantinga en Amy Stam.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Nieuw: ‘Strijd. Het Zaanse verzet (1940-1945)’

 De Tweede Wereldoorlog was smerig en ongewis. De Zaankanters die zich keerden tegen de bezetter en zijn handlangers pionierden en probeerden, onwennig als ze waren met de spelregels van de nieuwe, nazistische orde. Dat leidde tot grootse daden, maar ook tot onzekerheden, fouten en soms bovenmenselijke spanningen.
Aan de hand van enkele tientallen Zaanse verzetsstrijders toont mijn nieuwe boek Strijd. Het Zaanse verzet (1940-1945) zowel de veelzijdigheid van het ondergrondse werk als de zoektocht van de stoutmoedigen die tijdens de bezetting hun nek uitstaken.
Alle geportretteerden in deze publicatie namen hun verantwoordelijkheid toen het er op aankwam, soms met fatale gevolgen. Mededogen, altruïsme, (wan-)hoop, wraakgevoelens, opportunisme, levensovertuiging; er was een veelheid aan motieven om het gevecht aan te gaan. Maar wat en hoe ze dat ook deden, de uitvoerders keken niet weg. Ze kozen, daar waar de meerderheid van de bevolking zich -overigens om begrijpelijke redenen- afzijdig hield. Of die keuzes de juiste waren, viel vaak pas achteraf vast te stellen.
Strijd is een poging om de breedte te schetsen van het verzet in de regio, van de gewapende durfal tot de verzorger van onderduikers, van de ondergrondse regelneef tot de koerierster. Beoogd is om via hun wederwaardigheden zowel de diversiteit als de onvermijdelijke rommeligheid van de illegaliteit te tonen.
Strijd (140 pagina’s) kan worden gelezen als een ode aan de Zaankanters die immense risico’s opzochten in een tijd dat je ter vergroting van de overlevingskansen beter kon wegduiken. Door hun bijzondere daden voor het voetlicht te brengen, worden hopelijk ook de vele honderden andere Zaanse verzetsmensen geëerd die tot nu toe in de geschiedschrijving onzichtbaar zijn.

Strijd. Het Zaanse verzet (1940-1945) is voor €17,50 verkrijgbaar via elke Nederlandse boekwinkel en Bol.com.

Jopie Draaisma-van Doeland (1922-2018)

Op 22 maart 2018 overleed Johanna Stijntje (‘Jopie’) Draaisma-van Doeland (Koog aan de Zaan, 7-9-1922). Een paar jaar eerder interviewde ik haar, over haar illegale activiteiten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bescheiden als mevrouw Draaisma was, had ze daarover eerder vooral gezwegen. Haar overlijdensadvertentie stond in de krant op de dag dat -toeval bestaat- in het voormalige kamp Vught een expositie van start ging over verzetsvrouwen.

Jopie van Doeland moest flink aanpoten tijdens de oorlog. Niet alleen als ‘dienstje’ bij de familie Duyvis, van de gelijknamige machinefabriek, maar ook als hulp op het politiebureau in Koog aan de Zaan. Vader Klaas had daar de dagelijkse leiding en zijn dochter werd onder meer ingeschakeld om het bureau schoon te maken en de gevangenen eten en drinken te brengen. En dan was er ook nog het illegale werk. Zowel haar vader en haar verloofde Jan Draaisma – “Ik kende hem van de Parklaankerk’ – als zijzelf probeerden de nazi’s te dwarsbomen waar dat maar kon. “” Wat dat verzetswerk betreft, van mijn vader hoorde ik wel het een en ander”” , zegt Jopie. “” Dat vertelde hij dan expres, omdat hij wist dat wij er wat mee deden. Langs zijn neus weg, zeg maar. En dan kon ik het doorgeven. Bij Eichholtz, die aan de Zaan woonde, lag bijvoorbeeld in het weekend een schuit met aardappelen. Op maandag moest die naar de Duitsers toe. Dat gaf ik meteen door aan mijn verloofde. En vervolgens is ‘s nachts die schuit weggehaald. Een van de agenten werd door mijn vader niet helemaal vertrouwd. Die had avonddienst. En toen zei mijn vader tegen mij: ‘Ik zal hem bureaudienst geven.’ Opdat hij niet stomtoevallig op de Noorderbrug zou staan als ze daar met die aardappelen onderdoor boomden. En dat gaf ik dan ook weer door. Het is allemaal goed gegaan. Eichholtz keek raar op zijn neus.”

Het is één voorbeeld uit vele. Haar ondermijnende activiteiten startten dan ook al vroeg, met de bezorging van de illegale krant Trouw. “” Zo gauw als die blaadjes uitkwamen ben ik er mee begonnen. Dan kwam er iemand achterom bij ons thuis en kreeg ik een stapel Trouw. Ik had verschillende adresjes om ze heen te brengen, minstens zestien. Zo waren er bijvoorbeeld verschillende mensen in de Badhuisstraat die er eentje ontvingen. Het was de bedoeling dat ik er af en toe een kleinigheid voor kreeg. Aan wie ik dat geld gaf weet ik niet meer.” Ze ging door met rondbrengen tot aan de bevrijding, zonder in de problemen te komen. “Wel kreeg ik op een gegeven moment van degene die mij de krantjes bezorgde de vraag: ‘Wil je dáár ook heengaan? Want die is er nieuw komen wonen.’ En daar ben ik ingestonken. Achteraf is het goed gegaan, maar het had helemaal fout kunnen zijn. Ik kende die mensen helemaal niet. Dat ik dat gewoon aannam…”

 Jopie van Doeland rond 1950.

“Toen het bevolkingsregister van Koog gestolen werd, heb ik daar ook de hand in gehad. Zowel de bode op het gemeentehuis als mijn vader had een sleutel van het gemeentehuis. Ik heb Homburg – die zat ook in het verzet – die sleutel gegeven, maar wel gezegd: ‘Zorg dat-ie weer door de brievenbus wordt gegooid als jullie klaar zijn.’ Dus daar moest ik op vertrouwen. ‘s Avonds of ‘s nachts is het bevolkingsregister weggehaald. De volgende morgen kwam de gemeentesecretaris, mijnheer Beernink, op het gemeentehuis en toen was alles weg. Die was in alle staten.” De gemeentesecretaris begon onmiddellijk een zoektocht. “Eerst is hij natuurlijk naar de bode gegaan. Die wist nergens van en hij liep naar de schouw waar de sleutel altijd lag. En die lag er nog gewoon. En daarna kwam hij naar mijn vader. Die wilde de deur openen en zag opeens die sleutel op de mat liggen. Dus hij pakte de sleutel, deed open en zei vervolgens tegen mijnheer Beernink, die nog steeds in alle staten was: ‘Ik zal eens even kijken.’ En hij liep met die sleutel in zijn hand naar de plek waar die altijd lag. Waarna hij zei: ‘Ik heb hem hier.’ Ik ben tamelijk naïef geweest, het had mijn vader zijn kop kunnen kosten. Maar door die diefstal kon het verzet precies nakijken welke jongens er naar Duitsland hadden gemoeten. Als ze die sleutel niet hadden gehad, waren ze nergens geweest.”

Jopie van Doeland woonde in de oorlog nog bij haar ouders, pal naast het politiebureau in de Breestraat. Dat fungeerde indien noodzakelijk ook als schuilplaats. “Mijn verloofde Jan had bij ons een prachtig onderkomen. Als hij ‘s avonds niet meer naar Haaldersbroek kon, lag hij boven het politiebureau op bed, met een sten onder zijn matras. Mijn vader was de hoogste op het bureau, daarom woonden we daar ook. Bij de Lindenboomschool had je een klein plantsoen met een heggetje. Jan hoorde Duitsers aankomen, dus die stapte over dat hegje. Maar hij wist niet dat daar een greppel met water achter was. Het was midden in de winter. Dus die kwam helemaal verkleumd bij ons. Toen hebben we hem stiekem naar boven gekregen en daar heeft hij zich gewassen. Maar je had helemaal geen warm water, alleen een klein fonteintje op de overloop. Toen zei hij tegen me: ‘Kom alsjeblieft even bij me liggen, zodat ik een beetje doorwarm.’ Dus ik, gewoon met mijn kleren aan, bij hem in bed. Komt opeens mijn moeder met veel lawaai die slaapkamer van Jan binnen! ‘Ben je nou helemaal….’ Ze was natuurlijk doodsbenauwd, die jongelui samen in één bed.”

“Jan heeft eens een foute neergeschoten, in de Oostzijde. Die vent stond daar in een steeg. Dat was echt een hele foute, die moest uit de weg geruimd worden. Toen is Jan teruggekomen bij ons en heeft hij op de divan gelegen. Hij was toen helemaal over de rooie. Agent Bleeker is er toen bij geweest en heeft hem echt even behandeld. Mijn zus en ik hebben hem daarna teruggebracht, zodat hij niet alleen langs de plek moest waar het was gebeurd.”

De mensen die in 1945 haar schoonouders zouden worden, hadden een joods jongetje in huis. “Een jongetje van een jaar of vijf. Die noemden we Hans. Ik heb me vaak afgevraagd hoe het met Hansje afgelopen is. Hij kan er wel een half jaar geweest zijn voordat hij naar een ander adres ging. Ik vond het knap dat mijn schoonmoeder dat deed, die zorg voor dat jongetje. Ze was namelijk altijd ziekelijk.” Jopie kwam regelmatig bij haar schoonouders, onder meer om Jan te zien. “Hij had een tweepersoons kano en hij woonde op Haaldersbroek, dus dan gingen we nog wel eens het veld in, om elkaar een beetje te leren kennen. Want daar had hij er natuurlijk geen last van om opgepakt te worden.”

Ze kreeg met nog een joodse onderduiker te maken, heel even. “Die zat op de Bloemstraat, in een slaapkamer, maar ze moest daar weg. Ik moest haar eerst vertellen dat ze zich klaar moest maken voor vertrek. En daarna bracht ik haar ‘s avonds naar het Zuideinde, bij Gosse Oosterbaan. Van daar zou ze weer verder gebracht worden. Een meisje valt natuurlijk niet zo op als begeleidster. Ik kwam altijd overal aan de deur, met een zendingsbusje of andere spullen. Het viel niet op.”

“Ik was niet bang in de oorlog. Ik denk dat het toch een Godsvertrouwen was; je vertrouwt op het goede en dan komt het wel voor elkaar. Ik was wat dat betreft altijd optimistisch. Ik heb er nooit slecht van geslapen, ben blijkbaar altijd heel makkelijk geweest. Die aard heb ik gelukkig. En na de oorlog hebben mijn man en ik het er nooit meer uitgebreid over gehad. Na die vijf jaar waren we zo langzamerhand wel aan iets anders toe.”

Het empathisch onvermogen van Wim Thomassen

Wim Thomassen, de latere burgemeester van Zaandam, had een verleden als verzetsman. Het betekende niet dat ieder joods oorlogsslachtoffer kon rekenen op zijn empathie. “Uw auto heeft voor mij grotere waarde dan voor u.”

In 1854 begon de jonge Jitschak Salomon Polak in de Steenwijker Oosterstraat een groothandel in kruiden, zuidvruchten en bakkersbenodigdheden. Het werd een succes: in de loop der decennia groeide onder leiding van Salomon en vervolgens zijn zoon en kleinzoon de specerijengroothandel uit tot een marktspeler van belang.

Ondanks de oorlog werd er in 1942 in Steenwijk een nieuwe fabriek en een kantoor geopend. Het was alsof de joodse eigenaars de bezetter daarmee wilden tarten, voor zover hun achtergrond de nazi’s daartoe al niet genoeg aanleiding gaf. Aan de economische voorspoed kwam een abrupt einde: net als alle andere ‘joodse’ bedrijven in Nederland kreeg N.V. Handelsmaatschappij J.S. Polak een nazistische bewindvoerder toegewezen. Frederik Leo (‘Frits’) Polak (Steenwijk, 11-6-1913), de kleinzoon van de oprichter, raakte op slag de zeggenschap over zijn bedrijf kwijt. Nog erger: hij en zijn gezinsleden moesten vrezen voor zijn leven.

Verwalter

De firma J.S. Polak had te lijden onder een reeks Verwalters, nazistische bewindvoerders. De vijfde en laatste in de rij was Gertrud Margarete Wolniewicz-Horbat (Rossleben, 23-7-1905). Ze werd in januari 1944 ingeschreven als inwoonster van Steenwijk, maar leefde in de voorgaande jaren in Zaandam. Haar echtgenoot Wilhelm (Braunschweig, 3-7-1900) had daar voor en in het begin van de bezettingstijd gewerkt als bedrijfsleider, onder meer bij Albert Heijn en in een houtzagerij. De oorlog bood hem een ongekende kans om hogerop te komen. Hij werd SS-Führer en mocht in zijn woonplaats Ortskommandant worden, zeg maar de Duitse militaire bevelhebber voor Zaandam en omgeving. Van een bescheiden woning aan de Oostzijde 60 kon het echtpaar Wolniewicz in 1941 verhuizen naar de sjieke Kommandantur aan de Westzijde 14.

Wolniewicz

Nationaalsocialisten bij het ontspanningscentrum van Albert Heijn aan het Zaandamse Klamperspad. Onder leiding van Wilhelm Wolniewicz (zie het pijltje) kwamen de Duitse militairen daar af en toe met hen goedgezinde Zaankanters bijeen voor een ‘eenpansmaaltijd’. 

Gertrud Wolniewicz plunderde als Verwalter de firma J.S. Polak. Ze betrok de villa die bij de onderneming hoorde en hevelde onder meer duizenden guldens van de bedrijfsrekening over naar haar eigen bankrekening. Toen na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, de situatie in Winterswijk penibel werd, vluchtte het echtpaar Wolniewicz in allerijl naar Duitsland. Frits Polak, in een brief uit september 1945: “Toen men begin september vertrok kon men geen meubilair meenemen. Als onderpand voor die achtergebleven meubelen vroeg de beheerster f 20.000,- van de bank op. Dit geld was niet hier in Steenwijk en telefonisch werd toen opdracht gegeven aan het Hoofdkantoor te Amsterdam om dit bedrag aan een vriend van W.[olniewicz] (Paul Anspach, Unterscharführer te Bloemendaal) uit te betalen. Maanden later kwam Wolniewicz hier zelf en liet al de meubelen uit de villa halen. De f 20.000,- kregen wij echter niet terug.”

Auto

Het bleef niet bij geldroof alleen. Al in de zomer van 1944 had Wilhelm Wolniewicz een auto van de firma J.S. Polak gestolen, een prijzige Pontiac 1938 Sedan. Hij bracht de wagen naar Zaandam. Daar belandde de auto uiteindelijk in de garage van E. Sip Kzn, in de Zuiderkerkstraat. Waarschijnlijk verkocht Wolniewicz het voertuig vlak voor zijn vlucht naar Duitsland aan de garagehouder.

In mei 1945 werd de Pontiac doorverkocht aan een Assendelver. Toen kort na de bevrijding Canadese troepen de Zaanstreek binnentrokken, vorderde het Militair Gezag de auto. Militair Commandant van de Zaanstreek en Waterland werd per 8 mei 1945 de sociaaldemocratische oud-verzetsman Wim Thomassen. Drie jaar later zou hij zich nog langer aan de regio verbinden; hij werd in 1948 burgemeester van Zaandam.

In het najaar van 1945 ontdekte Frits Polak dat het Militair Gezag zijn auto in bruikleen had gegeven aan de Nederlandse Volksbeweging, een hulpverleningsorganisatie. Polak had de voorgaande maanden niet alleen gerouwd om zijn door de nazi’s vermoorde familieleden, maar ook de handen vol aan de wederopbouw van zijn geplunderde bedrijf. Bij dat laatste kon hij de Pontiac goed gebruiken. In september 1945 stuurde hij een beleefde brief naar het Militair Gezag met het verzoek om zijn auto te mogen terughalen.

‘Betekenis’

Het duurde tot 19 november voordat Frits Polak een antwoord kreeg van Wim Thomassen. Dat werd een koude douche. “Wij waren in Zaandam door vroegtijdige en snelle liquidatie, waarbij wij zoveel mogelijk auto’s in de burgermaatschappij deden terugkeren, in staat velen te helpen en hadden ook U kunnen helpen, indien U zich tijdig bij ons had vervoegd”, schreef Thomassen met weinig gevoel voor het doorstane leed. “Nu komt U evenwel op een tijdstip waarbij een van de instanties die een auto toegewezen kregen zeer zou zijn gedupeerd en in alle bescheidenheid meen ik dat de Nederlandse Volksbeweging op dit moment werk verricht, dan van meer betekenis is dan het werk van Uw bedrijf.”

De militair commandant bood Polak nog een sprankje hoop, om dat meteen daarna de grond in te boren. Thomassen: “Indien aangetoond zou kunnen worden dat de auto voor U grotere waarde heeft dan voor mij, kunt U zich op lid 2 en 4 van art. 27 beroepen. Men acht het bij het Beheersinstituut onaannemelijk, dat dit resultaten zal opleveren.”

Thomassen

Wim Thomassen

Het weinig perspectief biedende antwoord ten spijt wendde Frits Polak zich op 8 november 1945 tot het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Dat was belast met het opsporen en beheren van zowel vijandelijke als tijdens de oorlog verdwenen Nederlandse bezittingen, veelal van joodse Nederlanders. Polak in zijn brief aan het NBI: “Wij spraken in Amsterdam de heer Thomassen. Hij is niet bereid ons de auto te verkoopen, wel zei hij, dat het hem speet, dat hij niet geweten had vóór 1 aug. dat het een gestolen Joodsche auto was. Bij navraag hier bleek ons nu echter, dat de heer Th.[omassen] in zijn functie als MG-man wel degelijk op de hoogte was, want het politierapport was hem bekend. Hier klopt dus iets niet.”

Het NBI stelde Polak in het gelijk. Wim Thomassen had niet alleen de feiten naar zijn hand gezet, hij had tevens de Pontiac moeten retourneren. Op 13 november liet de organisatie Thomassen streng weten: “Het lijkt mij wel van belang, dat U den Heer Polak een rechtzetting laat hooren.” In het dossier van Wilhelm Wolniewicz zijn echter geen stukken te vinden waaruit blijkt dat Wim Thomassen zich iets heeft aangetrokken van dit oordeel. Of de auto van de firma Polak ooit nog in Winterswijk is teruggekeerd blijft de vraag.

Pensioengelden

Het echtpaar Wolniewicz keerde eveneens niet terug. Ze bleven, met hun geroofde bezittingen, in Duitsland wonen en werden niet aan Nederland uitgeleverd voor een rechtsgang. In 1964 deed Wilhelm Wolniewicz vanuit Hamburg zelfs nog een beroep op pensioengelden die hij tegoed zou hebben uit zijn jaren in Zaandam. Voor zover bekend heeft hij die echter niet gekregen.

De inmiddels ruim anderhalve eeuw oude firma Polak bestaat nog steeds, tegenwoordig onder de naam J.S. Polak Specerijenmaalderij b.v. De vestigingsplaats is als vanouds Steenwijk.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag