Berichten

De synagoge als tastbare herinnering

Met het oog op het in oude luister herstellen van dat wat er resteert van de Zaandamse synagoge schreef ik onderstaand artikel. Een verkorte en aangepaste versie is, in de vorm van een met foto’s aangevulde brochure, gratis verkrijgbaar bij de voormalige sjoel (Gedempte Gracht 40 in Zaandam).

De wandelaar die ter hoogte van Gedempte Gracht 38-40 opzij kijkt, moet goed opletten om de restanten te ontdekken van wat eens een synagoge was. Schijnbaar rustend op de onderliggende winkels toont zich daar een sierlijke, met boogvensters getooide witte gevel. In het pleisterwerk aan de voorkant is een Hebreeuwse tekst zichtbaar. In Nederlandse vertaling: ‘Een heiligdom, door Uw handen gegrondvest’ (Ex. 15:17). Achter de ramen op de eerste verdieping bevindt zich de zogenoemde voormalige vrouwengalerij van het gebedshuis. Dit provinciale monument is een van de weinige tastbare Zaanse herinneringen aan de bloeiende, vooroorlogse Joodse gemeenschap.

Het vooroorlogse interieur van de synagoge.

Voorgeschiedenis

Wanneer de eerste Joden zich in de Zaanstreek vestigden is onbekend. Een van de oudste vermeldingen betreft een klacht uit 1774 van lokale burgers ‘over de venterijen van Smousen’ (een scheldwoord voor Joden). Vanaf 1784 kwamen er Joodse namen voor in de Zaanse belastingregisters. Samuel en Wolf Leevie bijvoorbeeld, die op het Seijlpat woonden, in het kleine Zaandamse centrum. Daarna ging het snel. In 1808 stonden er alleen al in het dorp West-Zaandam 94 Joodse gelovigen geregistreerd, veelal koopmannen en hun gezinnen. In 1829 waren het er 118, in 1849 173. Ruim een eeuw lang zou ongeveer 1 % van de Zaandamse bevolking Joods zijn.

De aanwas in de negentiende eeuw had mede te maken met de komst van een synagoge. In 1800 werd een door Simon Frank en Levi Eliasar Levi gehuurd huis aan de Rozengracht als zodanig ingewijd. Enkele jaren later was er zelfs geld voor een godsdienstleraar/onderwijzer Hebreeuws. Hoewel zich ook in de andere Zaanse dorpen Joden vestigden – vaak slagers uit de familie Van Thijn –, bleef Zaandam het religieus centrum.

De behoefte aan een eigen gebouw groeide. Ondanks dat de meeste Joodse Zaankanters weinig vermogend waren, wisten ze voldoende geld bijeen te brengen voor een nieuwe ‘sjoel’. In 1816 legden afgevaardigden van de Hoogduits-Israëlitische Gemeente Zaandam bij de notaris vast dat ze op het Kuiperspad (de latere Gedempte Gracht) een huis hadden gekocht met de bedoeling dit ‘tot een kerk in te rigten’. Het bouwvallige pand hield het nog geen halve eeuw vol in zijn nieuwe functie. ‘De synagoge te Zaandam verkeert in hoogst zorgelijken toestand, en wel zóódanig, dat een herbouw dringend noodig is’, bedelde een voor dit doel ingestelde commissie in 1863 onder de bevolking. Na jaren collecteren, loten verkopen en verzoeken om donaties lukte het om de benodigde negenduizend gulden bijeen te krijgen. Onder meer diverse overheden, de koninklijke familie en de joodse gemeente in Amsterdam droegen een steentje bij. In februari 1865 werd het nieuwe, door stadsarchitect L.J. Immink ontworpen godshuis ingewijd. Imminks smaak – zijn voorkeur ging uit naar witgepleisterde gebouwen, liefst in Italiaanse stijl – kwam goed naar voren. Het gebouw bevatte classicistische vormen uit verschillende perioden en werd een van de weinige synagogen die in de negentiende eeuw buiten Amsterdam van de grond kwamen.

De synagoge, links, rond 1900.

Izak de Haan

Tussen 1865 en 1942 namen diverse voorzangers en godsdienstleraren de dagelijkse zorg voor de synagoge en haar gebruikers op zich. Van hen was Izak de Haan de langst dienende en bekendste. Vanaf 1885 werkte hij 28 jaar in Zaandam als (in zijn eigen woorden) ‘onderwijzer, voorzanger, ritueel beestensnijder, substituut huwelijksinzegenaar, secretaris van den kerkeraad, ziekenbezoeker, waker bij stervenden, bazuinblazer, kerkelijk besnijder, predikant en in allerlei zaken de vraagbaak van een ieder die een gratis advies verlangde’. Hij voegde daar aan toe, over zichzelf sprekend in de derde persoon: ‘Gelukkig dat de synagogen geen kerktorens hebben, anders ware hij zeker ook nog klokkenist geweest.’ Twee van zijn kinderen verwierven landelijke bekendheid als auteur: Carry van Bruggen en Jacob Israël de Haan. In hun werk beschreven ze meermalen hun jeugd in Zaandam.

Dat de ‘gazzan’ het druk had, blijkt onder meer uit het feit dat in de loop der jaren duizenden Amsterdamse Joden hun huwelijk lieten inzegenen in Zaandam. In de hoofdstad was dat namelijk veel duurder. Enkele weken voor de plechtigheid schreven de verloofden zich in op het adres van de voorzanger en na de trouwdag volgde de uitschrijving.

Izak de Haan.

Tweede Wereldoorlog

Hoewel over het algemeen arm, floreerde de kleine Joodse gemeenschap. Het religieus-sociale leven speelde zich grotendeels af in en rond de synagoge. Op 21 januari 1940 werd het 75-jarig bestaan van het gebedshuis gevierd. Er klonken felicitaties, maar ook bezorgde geluiden. In Duitsland was zeven jaar eerder Adolf Hitler aan de macht gekomen. Zijn antisemitische tirades en dreigende oorlogstaal riepen angst op. Refererend aan de Duitse Kristallnacht zei opperrabbijn Philip Frank tegen de genodigden dat zijn gedachten uitgingen ‘naar de vele G[ods]huizen die helaas een prooi der vlammen zijn geworden.’

Hitler liet het inderdaad niet bij woorden alleen. Tienduizenden bedreigde en van hun bezittingen beroofde Duitse en Oostenrijkse Joden ontvluchtten in de jaren dertig hun vaderland. Van hen belandden er tientallen in de Zaanstreek. Een van hen werd zelfs lid van het synagogebestuur. Mede door de aanwezigheid van de vele politieke vluchtelingen telde de regio eind 1941 het recordaantal van 324 – in nazitermen – ‘voljoodse’ inwoners.

Op dat moment was Nederland al anderhalf jaar bezet gebied. De anti-Joodse maatregelen werden steeds ingrijpender. Veel Zaanse Joden kregen te maken met pesterijen en werden in toenemende mate uitgesloten. Aan de Februaristaking, gericht tegen het nazistische antisemitisme, deden in 1941 tienduizenden Zaankanters mee. De massale werkonderbreking bracht echter geen verbeteringen teweeg. Ambtenaren moesten discriminerende Ariërverklaringen invullen, Joden raakten in veel gevallen hun werk, bedrijven en banktegoeden kwijt. Er kwam een registratieplicht en een reisverbod voor Joden. Ze mochten niet meer naar de schouwburg, het zwembad, de bioscoop, parken en tal van horecagelegenheden. Voorlopig slotstuk was de Duitse beslissing dat alle Zaandamse Joden moeten verhuizen naar Amsterdam (de Nederlanders) of kamp Westerbork (de inmiddels stateloos verklaarde buitenlandse Joden). Dat gebeurde in januari 1942. 284 Zaandammers kregen het bevel om binnen drie dagen de stad te moeten verlaten. Onder hen waren 33 niet-joodse partners en de dertig kinderen van deze gemengd-gehuwde echtparen. Op 16 januari, de dag voor vertrek, werden de Joodse gezinshoofden naar de synagoge geroepen om hun familieleden te laten registreren. Ze moesten al hun bezittingen achterlaten, uitgezonderd dat wat ze konden dragen.

Het Zaandamse synagogebestuur aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

Judenrein

Zaandam was de eerste Nederlandse gemeente die ‘Judenrein’ werd gemaakt. In de volgende maanden werden ook de andere Zaanse plaatsen ontdaan van hun Joodse inwoners. Ze belandden via Amsterdam in Westerbork en vervolgens de Duitse concentratie- en vernietigingskampen. Het lukte een minderheid om een schuilplaats te vinden en heelhuids door de oorlog te komen. Abraham Drukker, de ‘sjammes’ (dienaar) van de synagoge, stuurde kort voor hij met zijn vrouw werd gedeporteerd een afscheidsbriefje naar vrienden. ‘Dat wij menschen op leeftijd Zaandam wel weer te zien zullen krijgen, is een vraag die G[od] alleen weet.’ Twee weken later vond het echtpaar de dood in de gaskamer van Sobibor. Zoals hen verging het tweederde van de Joden in Nederland, ruim honderdduizend mensen.

De Zaandamse synagoge kreeg in 1942 een nieuwe bestemming. Op 13 augustus 1942 informeerde NSB-burgemeester Hendrik Vitters tijdens een collegevergadering of de leegstaande synagoge kon worden verbouwd tot distributiekantoor. Het college besloot dat hij met wethouder en partijgenoot Jacob IJdenberg ter plekke de mogelijkheden zou bekijken. Blijkbaar pakte dat positief uit, want in de B&W-stukken van 1 oktober is te lezen dat voor 17.000 gulden ‘van de Niederländische Grundstücksverwaltung o.m. aangekocht [werd] perceel Gedempte Gracht 40, eigenaresse de Ned. Israëlitische Gemeente te Zaandam’. De Grundstücksverwaltung was een organisatie die van de nazistische autoriteiten het ‘beheer’ over het Joodse vastgoed had gekregen, alsmede de opdracht over te gaan tot onteigening en verkoop. Het verhandelen werd gedelegeerd aan ‘lasthebbers’, meestal makelaars. Het toeval wilde dat Jacob IJdenberg niet alleen wethouder, maar ook makelaar was. Hem werd het recht gegund om de synagoge (en een aantal ‘Joodse’ woningen) van de hand te doen. Op het laatste moment strandde de verkoop van Gedempte Gracht 40 toch nog. Na de bevrijding verklaarde de directeur van de Dienst Gemeentewerken: ‘In samenwerking met anderen heb ik dit weten te voorkomen.’ Hoe de overname werd verhinderd is onbekend, maar de synagoge bleef vooralsnog ongebruikt.

Eind 1943 was het interieur overigens al verdwenen. De opzichter van de Dienst Gemeentewerken had nog getracht het zilverwerk dat bij de erediensten was gebruikt onder de synagogevloer te verbergen. Het bleek na de bevrijding onvindbaar. Onder leiding van politiechef Willem Ragut was het pand de voorgaande zomer leeggehaald. Het was, wist een agent, ‘naar het politiebureau te Zaandam gebracht, o.a. een grote, antieke kast, lamp, ijzeren kist en andere voorwerpen, waaronder schilderijtjes en een leeuwenkop. De kast bleef voorlopig bij Ragut op de kamer, nadat [rechercheur Tonny] Jansen met vlijt de versierselen (Davidsster) met een borstel eraf geslagen had. De lamp en de schilderijtjes werden in het kamertje van de typiste gehangen, op het politiebureau, de leeuwenkop bij Jansen en de kist, welke later bij de burgemeester kwam als wapenkist.’

Daarbij bleef het niet. In 1958 verzocht de Zaans-Joodse gemeente het Nederlands-Israëlietisch Kerkgenootschap om ‘de navolgende claim van onze Gemeente bij de Duitse autoriteiten in te dienen’. Waarna een lange opsomming volgde van tijdens de oorlog gestolen koperen en zilveren voorwerpen, gebedenboeken, kleden en meubels. Alleen al de gestolen Toramantels (‘waarbij enige antieke’) die om religieuze geschriften werden gewikkeld, waren in mei 1940 getaxeerd op duizend gulden. De totale Zaanse claim bedroeg bijna zesduizend gulden.

Het godshuis veranderde in een paardenstal. In de Hongerwinter verloor de synagoge zijn laatste restje waarde. Zaankanters braken het hout uit de ontwijde, eerder al door NSB’ers met hakenkruizen bekladde ‘witte jodenkerk’. Ook sneuvelden zo goed als alle ramen. Tot de schaarse voorwerpen die heelhuids door de oorlog kwamen, behoorden zes Torarollen en enkele notulenboeken. Bijna alle andere bezittingen zouden nooit meer terugkeren.

Achtergelaten Duitse aanhangers voor de synagoge, mei 1945.

Na de oorlog

Van de joodse Zaankanters overleefden er 184 de oorlog niet. Hun namen zijn nog zichtbaar op struikelstenen, messing gedenkplaatjes die driekwart eeuw na de bevrijding voor hun toenmalige woningen zijn gelegd. Zij die in 1945 terugkeerden van hun onderduikadres of het concentratiekamp troffen onder meer een verwoeste synagoge aan.

Op zondagochtend 2 juni 1946 kwamen de resterende leden van de Nederlands-Israëlitische Gemeente (NIG) Zaandam voor het eerst sinds de bevrijding bij elkaar. Niet in de synagoge – op dat moment nog steeds een bouwval –, maar in de woning van interim-voorzitter Jacob Drukker, enkele deuren verder. Slechts 22 vertegenwoordigers uit elf Zaanse huishoudens die de oorlogsjaren waren doorgekomen gaven acte de présence. Dat was precies tien procent van de achterban die vier jaar eerder regelmatig de synagoge bezocht.

Na een woord van herinnering aan de ‘door de schuld van de bezetter ontvallen leden’ kozen de aanwezigen een voorlopig bestuur en stelden ze een summiere begroting vast: ‘Inkomsten f 208,-, uitgaven f 250,-.’ Het nieuwe bestuur moest zonder financiële reserves en met een sterk geslonken aanhang proberen om een doorstart te maken. De sjoel was een ruïne, de inventaris vrijwel geheel verdwenen. Zelfs de geschiedenis bleek grotendeels gewist. Toen een Amsterdamse instelling in 1946 informeerde naar de synagogedocumentatie moest secretaris Jos Pais meedelen ‘dat het niet mogelijk is u de gewenste inlichtingen te geven daar ons gehele archief door de Duitsers is vernietigd’.

Totaal vernield

Twee jaar later waren de initiatiefnemers niet veel verder. ‘De overgebleven Joodse Zaankanters (laten wij dat vooral niet vergeten: Zaankanters!) hebben weer plannen tot herstel van het kerkelijk leven’, schreef dagblad De Typhoon op 28 januari 1948. ‘De synagoge aan de Gedempte Gracht in Zaandam wordt hersteld. Van buiten gezien lijkt deze kerk nog in vrij goede conditie. Wie binnenkomt ziet vier kale muren. Meer niet.’ Jacob Drukker: ‘Er stonden nog vier muren, maar verder was alles kapot, totaal vernield. Er zat geen hout meer in of aan. Niet alleen de Duitsers hadden dat gedaan, ook de Zaandammers, allemaal van die goeie Zaandammers… Maar toch hebben wij alles weer opgebouwd, gerestaureerd. We hadden al die ruimte niet meer nodig, iedereen was vermoord, maar we moesten wel geld hebben. En daarom werd een deel van de synagoge verbouwd tot garage en kwam er in een ander deel een agentschap van Het Parool. Later werd dat een woning.’ Alleen het middenstuk van het gebouw bleef beschikbaar voor diensten.

De synagoge in 1961.

Waar het Nederlands-Israëlietische Kerkgenootschap kort voor de bezetting van Nederland nog 220 leden had, waren daar twintig jaar later nog maar 28 van over. Het ledengebrek maakte dat er slechts sporadisch religieuze diensten plaatsvonden. Gebrek aan geld deed de rest. In 1974 verkocht de NIG de synagoge noodgedwongen voor een vriendenprijs van 175.000 gulden. De nieuwe eigenaar liet het pand ingrijpend verbouwen. Alleen het middenstuk bleef intact, zij het dat de verhoging (de bima) verdween. Daar stond eerder de Heilige Ark, een kast waarin de Torarollen werden bewaard. Het gebouw werd verhuurd aan een kunstcentrum. Dat kreeg de toepasselijke naam De Zienagoog.

In het daarop volgende decennium wilde de eigenaar het gebouw laten slopen en vervangen door woon- en winkelruimte. Dit kon door plaatsing op de provinciale monumentenlijst op het nippertje worden verhinderd. Na het vertrek van De Zienagoog veranderde de plek die eens bestemd was voor godsdienst, onderwijs en bezinning in respectievelijk een brasserie en winkels.

Heden en toekomst

Op de begane grond en de galerij zijn nu beelden te zien van de synagoge in vroeger dagen en van enkele voorwerpen die daar destijds een belangrijke rol hadden. Daarmee is een deel van de bestaansgeschiedenis zichtbaar gemaakt en blijft het verhaal van de Zaans-Joodse inwoners behouden. Het is tevens een eerbetoon aan de vooroorlogse Joodse gemeenschap. Opdat we niet vergeten en voort kunnen bouwen op de basis die zij hebben gelegd.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De mysterieuze verdwijning van de Zaanse synagoge-inventaris

Na de bevrijding bleek er van de Zaandamse synagoge-inventaris verrassend veel bewaard gebleven. In de daarop volgende decennia verdwenen vrijwel alle bezittingen alsnog, vaak op raadselachtige wijze. Wat gebeurde er met de inboedel?

Op deze site heb ik al eens geschreven over de zoekgeraakte Zaanse synagoge-inventaris. Maar met de jaren komt er meer informatie naar boven. Tegelijkertijd worden de raadsels alleen maar groter. Tijd voor een chronologische update.

Het vooroorlogse synagoge-interieur, met achteraan de ‘Heilige Arke’

In zijn boekje De Joodse Gemeente in Zaandam (1988) schreef Joep Auwerda over de synagoge: “In Zaandam was vrijwel niets meer. Alle spullen die bij de eredienst werden gebruikt, waren in de Tweede Wereldoorlog gestolen. Een eigen archief zegt de gemeente niet te hebben.” Maar klopt het wel dat er na de oorlog alleen een lege huls over was, in de vorm van een van alles ontdane sjoel?

Vanaf 1942 werd het godshuis op de Gedempte Gracht inderdaad ontheiligd en leeggeplunderd. De gebruikers en bestuurders van het gebouw waren in januari van dat jaar naar het joodse getto in Amsterdam verbannen, de bezetter had vrij spel. De voorzitter van de Nederlands-Israëlitische Gemeente, Jacob Drukker, leverde zoals hem was bevolen op de dag van zijn gedwongen vertrek de sleutels van het godshuis in bij de plaatselijke politie. “Enkele kleine voorwerpen werden door mij nog in veiligheid gebracht”, vertelde hij na de oorlog. Om welke voorwerpen het ging en waar ze belandden, zei hij helaas niet. Ze zijn anno nu spoorloos.

Zilveren voorwerpen

Er werd meer veiliggesteld. De hoofdopzichter van de afdeling Gemeentewerken in Zaandam, Dirk Voet, verstopte naar eigen zeggen in 1942 een aantal zilveren synagogevoorwerpen onder de vloer van het godshuis. Na de bevrijding waren ze verdwenen. Niemand weet wat er met de buit is gebeurd.

Dat laatste gold ook voor veel andere objecten. De Zaandamse politiechef Tonny Jansen liet in de zomer van 1943 hetgeen er resteerde van de synagoge-inboedel weghalen. Een deel ging naar het hoofdbureau aan de Vinkenstraat (een betrokken collega somde op: “Een grote antieke kast, lamp, ijzeren kist en andere voorwerpen, waaronder schilderijtjes en een leeuwenkop.”). Een ander deel van de geroofde spullen nam Jansen mee naar zijn woning in de Zaandamse Stationsstraat 82. “De geldkist van de Joodse synagoge onder meer”, verklaarde hij op 22 mei 1945. Zijn hebzucht bleef niet beperkt tot deze geldkist. Politieman en oud-verzetsstrijder Jan Jongh na een huisbezoek in mei 1945: “De eerste indruk die ik kreeg, was dat Jansen de hele Joodse synagoge bij elkaar gestolen had.”
Op één voorwerp na -zie hieronder- verdwenen de meegenomen goederen vervolgens weer uit het zicht. Of de in het politiebureau verzamelde spullen daar na de bevrijding bleven, is onbekend. De overheid kreeg de beschikking over de bij Tonny Jansen in mei aangetroffen artikelen. Daarna loopt het spoor dood. Bij de rechtmatige eigenaars kwam het roofgoed in ieder geval niet meer terug, zoals blijkt uit een in 1958 door het toenmalige synagogebestuur opgesteld overzicht van vermiste artikelen ter waarde van bijna 7.000 gulden.

‘Heilige Arke’

Van slechts één synagogevoorwerp is een deel van het vervolgtraject bekend: de zogeheten ‘Heilige Arke’. In deze grote, eikenhouten kast werden onder meer de Torarollen bewaard. Jacob Drukker, in een naoorlogs getuigenverhoor: “Nadat ik op de dag der bevrijding weder te Zaandam terug was gekomen -ik ben namelijk steeds in de buurt ondergedoken geweest-, vernam ik van de veilinghouder en opkoper Van der Woude, wonende aan de Westzijde alhier, dat bovenbedoelde eikenhouten kast door hem was opgeborgen in zijn opslagplaats en dat hij deze kast tijdens de bezetting van de toenmalige Inspecteur van Politie T. Jansen in ontvangst had genomen. Ik heb naderhand de kast in de opslagplaats van Van der Woude gezien en daarbij geconstateerd dat deze inderdaad uit de synagoge te Zaandam afkomstig was.” Klaas van der Woude bevestigde Drukkers verhaal. “De eikenhouten kast heb ik weder ter beschikking gesteld van de Nederlands Israëlitische Gemeente.” Twee jaar na de bevrijding was de synagoge nog altijd een bouwval, beschikte de NIG niet over geld om het gebouw op te knappen en wachtte de kast in Van der Woudes opslag aan de Westzijde 242 op de rechtmatige eigenaars. Of de Heilige Arke ooit terugkeerde naar de sjoel is een raadsel.

Torarollen

In de jaren na de oorlog kwam ook een ander deel van de synagogeboedel boven water. Of toch niet?

In Dagblad Zaanstreek van 26 augustus 1996 schreef verslaggeefster Denise van Kempen dat na de oorlog ‘slechts zes Torarollen gespaard bleven’. Die zin staat ook in het vier jaar eerder verschenen standaardwerk over de Nederlands-joodse geschiedenis, Pinkas. Onduidelijk blijft alleen wat de oorspronkelijke bron is. En de Torarollen zijn tot op heden zoek.
Nog zo’n raadsel: Joep Auwerda citeert in De Joodse Gemeente in Zaandam de toenmalige conservator van het Joods Historisch Museum, Joël Cahen. Die vertelde: “Er moet ergens een kist met een [synagoge-]archief zijn. Dat heb ik gehoord van een lid van van de joodse gemeente Zaandam, van Arie Pais, zoon van de voormalige voorzitter.” Maar waar die kist zou zijn gebleven, wist Cahen helaas niet te vertellen. En ook het NIG-bestuur van destijds had geen idee. Of zou Cahen doelen op de notulenboeken? Daarover straks meer.

Een deel van het synagoge-interieur in 1969 (D. Peeters)

Dam 2

Drie decennia later ging er weer iets verloren. Het in het centrum van Zaandam gelegen gebouw Dam 2 was sinds 1858 respectievelijk in gebruik bij de plaatselijke Vrijmetselaars en als café Suisse. Tijdens de oorlog had de afdeling Gemeentewerken van Zaandam het pand in beheer. Er was onder meer een bank- en girokantoor gevestigd. In 1993/’94 werd Dam 2 verbouwd. In november 1993 hoorde Zaandammer Anton Faas van een kennis dat bij het slopen van een vloer een aan het oog onttrokken, door twee muren omgeven ruimte was ontdekt. Nadat de slopers daarin waren afgedaald, ontdekten ze een aantal kluisjes. Toen ze die openmaakten, vonden ze ‘een tamelijk grote hoeveelheid  waardevolle spullen’, aldus Faas. “Het ging om onder andere bladgoud en waardepapieren.” Zijn kennis ‘voegde daaraan toe dat het ging om joods bezit dat vanwege de oorlog hier opgeborgen was’. De gevonden goederen zouden door de slopers zijn meegenomen.
Anton Faas wendde zich tot de gemeente Zaanstad. Een ambtenaar beaamde ‘dat er inderdaad een kluizencomplex aanwezig was en dat het openen en slopen daarvan onder toezicht had plaatsgevonden’. De met bovenstaand verhaal geconfronteerde projectontwikkelaar ‘bevestigde dat er iets was gevonden, namelijk een kistje zonder inhoud. (…) Er was ook een getuigschrift of diploma van een joodse school of instelling van voor de oorlog gevonden.’

Bladgoud

De zoektocht van Anton Faas leidde in december 1994 tot een artikeltje in Dagblad Zaanstreek. “Volgens directeur L. Bosch van de Amsterdamse exploitatiemaatschappij De Purmer, sinds twee jaar eigenaar van het pand, bevatte een van de kluizen stukken en een administratie van een joodse vereniging die hij zich niet met name kon herinneren”, aldus de verslaggever. Volgens Bosch had hij de kluisinhoud overgedragen aan het Gemeentearchief Zaanstad. Dat ontkende echter de documenten te hebben ontvangen. En daarmee verdwenen ook deze stukken uit het zicht.
De al eerder genoemde Dirk Voet had als opzichter van Gemeentewerken tevergeefs geprobeerd om het zilverwerk van de synagoge veilig te stellen. Dam 2 was zijn dagelijkse werkplek. Zou hij daar de ‘joodse’ documenten in één of meer kluisjes hebben verborgen? En betrof dat papierwerk -en bladgoud?- van de sjoel? Of kwam het uit een joods huishouden?

Plattegrond van Dam 2 (1922). Binnen het langwerpige, met dikke zwarte rand omgeven blok in het souterrain bevond zich een kluis

Notulenboeken

Zelfs in de 21-ste eeuw ging er nog iets verloren van het toch al schamele synagogerestant dat na de bevrijding opdook. In 2015 kwamen uit een opbergplaats van de Nederlands-Israëlitische Gemeente twee vooroorlogse notulenboeken tevoorschijn. Ze bevatten de verslagen van de bestuurs- en kerkenraadsvergaderingen van de Zaandamse synagoge en besloegen respectievelijk de periodes 24 januari 1892 tot met 2 mei 1911 en 9 mei 1911 tot en met 16 juli 1931. Dat was alles wat er resteerde van het synagogearchief. Ook het notulenboek dat liep van 1931 tot en met 1942 -met waardevolle aantekeningen over de vele joodse vluchtelingen in de Zaanstreek en over de oorlogsgebeurtenissen- was door de nazi’s vernietigd.
Het lag in de bedoeling om beide bewaard gebleven notulenboeken een veilige plek te bezorgen in het Gemeentearchief Zaanstad. Maar ergens onderweg ging er iets mis. Het boek dat liep tot 1931 verdween op mysterieuze wijze. Al wat er nu nog van zichtbaar is, zijn enkele even eerder gefotografeerde pagina’s. Hieronder één van die bladzijden. Te lezen is hoe de notulerende secretaris Izak de Haan -de vader van de beroemde auteurs Carry van Bruggen en Jacob Israël de Haan- niet voor het eerst zijn beklag doet over het vele werk en de magere verdiensten die hem als gazzan zijn toebedeeld. Het is uniek materiaal. En het is dus weg.

Het lijkt er op dat vrijwel al het ternauwernood geredde synagogemateriaal alsnog door de geschiedenis is verzwolgen, als schepen in de Bermudadriehoek. Hopelijk komt er nog iets van boven water, om te beginnen het verdwenen notulenboek. Wie meer weet, kan zich melden: info@schaapschrijft.nl.

PS. Het is me bekend dat op Curaçao een oude sleutel van de synagoge ligt, waarschijnlijk die van de voordeur. Ik heb goede hoop dat in ieder geval die terugkomt naar Zaandam.

 

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De naoorlogse teloorgang van de Zaanse synagoge

De gemeenteraad van Zaanstad besloot in 2010 unaniem dat het Inverdanproject ‘pas is afgerond als de synagoge in oude luister is hersteld’. Het duurde sindsdien ruim acht jaar voor een projectontwikkelaar het tot winkel verbouwde monument op de Gedempte Gracht kocht en zich bereid verklaarde het te restaureren. Uit teruggevonden documenten  wordt duidelijk hoe de overheid de gedecimeerde Joodse gemeenschap kort na de Tweede Wereldoorlog bejegende, met de teloorgang van het godshuis als resultaat.

Op zondagochtend 2 juni 1946 kwamen de leden van de Nederlands-Israëlitische Gemeente (NIG) Zaandam voor het eerst sinds de bevrijding bij elkaar. Niet in de synagoge aan de Gedempte Gracht – daarvan resteerde alleen een bouwval –, maar in de woning van interim-voorzitter Jacob Drukker, enkele deuren verder. Slechts 22 vertegenwoordigers uit elf Zaanse huishoudens die de oorlogsjaren als onderduiker of kampgevangene waren doorgekomen waren aanwezig, precies tien procent van de geloofsgemeenschap die vier jaar eerder regelmatig de synagoge bezocht.

Na een woord van herinnering aan de ‘door de schuld van de bezetter ontvallen leden’ kozen de aanwezigen een voorlopig bestuur en stelden ze een summiere begroting vast: ‘Inkomsten ƒ 208,-, uitgaven ƒ 250,-.’ Het nieuwe bestuur moest zonder financiële reserves en met een sterk geslonken ledental proberen om een doorstart te maken. De sjoel was een ruïne, de inventaris vrijwel geheel verdwenen. Zelfs de geschiedenis bleek grotendeels gewist. Toen een Amsterdamse instelling in 1946 informeerde naar de documentatie moest secretaris Jos Pais meedelen ‘dat het niet mogelijk is u de gewenste inlichtingen te geven daar ons gehele archief door de Duitsers is vernietigd’.

De synagoge rond 1900.

Twee jaar later waren de initiatiefnemers niet veel verder. ‘De overgebleven Joodse Zaankanters (laten wij dat vooral niet vergeten: Zaankanters!) hebben weer plannen tot herstel van het kerkelijk leven’, schreef dagblad De Typhoon op 28 januari 1948. ‘De synagoge aan de Gedempte Gracht in Zaandam wordt hersteld. Van buiten gezien lijkt deze kerk nog in vrij goede conditie. Wie binnenkomt ziet vier kale muren. Meer niet.’ De dienstdoende redacteur stelde vast dat niet alleen de Duitsers schuldig waren aan de plundering van het religieuze gebouw. ‘Het is wel beschamend het te moeten constateren, dat waarschijnlijk de grootste vernielingen door plaatsgenoten werden bedreven.’

Jacob Drukker deelde die mening. ‘Er stonden nog vier muren, maar verder was alles kapot, totaal vernield. Er zat geen hout meer in of aan. Niet alleen de Duitsers hadden dat gedaan, ook de Zaandammers, allemaal van die goeie Zaandammers…’ Daarmee raakte hij aan een teer punt. De bezetter had het bedehuis weliswaar geconfisqueerd en ingeruimd als garage en paardenstal, maar zowel voor- als nadien was het gebouw leeggeroofd door anderen.

De onttakeling begon kort nadat Zaandam in januari 1942 als eerste Nederlandse gemeente ‘Judenrein’ was gemaakt. Op 13 augustus van dat jaar informeerde NSB-burgemeester Hendrik Vitters tijdens een collegevergadering of de leegstaande synagoge kon worden verbouwd tot distributiekantoor. Het college besloot dat hij met wethouder en partijgenoot Jacob IJdenberg ter plekke de mogelijkheden zou bekijken. Blijkbaar pakte dat positief uit, want in de B&W-stukken van 1 oktober is te lezen dat voor 17.000 gulden ‘van de Niederländische Grundstücksverwaltung o.m. aangekocht [werd] perceel Gedempte Gracht 40, eigenaresse de Ned. Israëlitische Gemeente te Zaandam’. De Grundstücksverwaltung was een organisatie die van de Duitse autoriteiten het ‘beheer’ over het Joodse vastgoed had gekregen, alsmede de opdracht over te gaan tot onteigening en verkoop. Het verhandelen werd gedelegeerd aan ‘lasthebbers’, meestal makelaars. Het toeval wilde dat Jacob IJdenberg niet alleen wethouder, maar ook makelaar was. Hem werd het recht gegund om de synagoge (en een aantal ‘Joodse’ woningen) tegen twee procent provisie van de hand te doen.

Op het laatste moment strandde de verkoop van Gedempte Gracht 40 toch nog. Na de bevrijding verklaarde de directeur van de Dienst Gemeentewerken, Wouter Zuurmond: ‘In samenwerking met anderen heb ik dit weten te voorkomen.’ Hoe de overname werd verhinderd is onbekend, maar de synagoge bleef vooralsnog ongebruikt.

Het vooroorlogse interieur van de synagoge

Eind 1943 was het interieur overigens al verdwenen. Onder leiding van politiechef Willem Ragut was het pand de voorgaande zomer ‘leeggehaald en naar het politiebureau te Zaandam gebracht, o.a. een grote, antieke kast, lamp, ijzeren kist en andere voorwerpen, waaronder schilderijtjes en een leeuwenkop’, wist een agent. ‘De kast bleef voorlopig bij Ragut op de kamer, nadat [rechercheur Tonny] Jansen met vlijt de versierselen (Davidsster) met een borstel eraf geslagen had. De lamp en de schilderijtjes werden in het kamertje van de typiste gehangen, op het politiebureau, de leeuwenkop bij Jansen en de kist, welke later bij de burgemeester kwam als wapenkist.’

Daarbij bleef het niet. In 1958 verzocht de Zaans-Joodse gemeente het Nederlands-Israëlietisch Kerkgenootschap om ‘de navolgende claim van onze Gemeente bij de Duitse autoriteiten in te dienen’. Waarna een lange opsomming volgde van tijdens de oorlog gestolen koperen en zilveren voorwerpen, gebedenboeken, kleden en meubels. Alleen al de gestolen Thoramantels (‘waarbij enige antieke’) die om de Thorarollen werden gewikkeld, waren in mei 1940 getaxeerd op duizend gulden. De totale Zaanse claim bedroeg bijna zesduizend gulden.

In de Hongerwinter verloor de synagoge zijn laatste restje waarde. Zaankanters braken het hout uit de ontwijde, eerder al door NSB’ers met hakenkruizen bekladde ‘witte jodenkerk’. Ook sneuvelden zo goed als alle ramen. Tot de schaarse voorwerpen die heelhuids door de oorlog kwamen behoorden zes Thorarollen en enkele notulenboeken. Bijna alle andere bezittingen zouden nooit meer terugkeren.

Geallieerde voertuigen voor de synagoge, 1945

Toen de overlevende Joden in juni 1946 voor het eerst sinds de bevrijding bij elkaar kwamen, begonnen ze dus weer op nul. Vanaf dat moment beheerste het gebrek aan financiën de ledenvergaderingen. Moeizaam verlopende geldinzamelingen maakten het pas in 1953 mogelijk om de synagoge officieel te heropenen, zij het wel in sterk afgeslankte vorm. Drukker: ‘We hadden al die ruimte niet meer nodig, iedereen was vermoord, maar we moesten wel geld hebben. En daarom werd een deel van de synagoge verbouwd tot garage en kwam er in een ander deel een agentschap van Het Parool. Later werd dat een woning.’ Alleen het middenstuk van het gebouw bleef beschikbaar voor diensten.

De gerestaureerde synagoge was nauwelijks een kwartaal in gebruik toen het bestuur een nieuwe tegenslag moest incasseren, in de vorm van een stevige vordering. De afzender was het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Deze door de Rijksoverheid ingestelde organisatie beheerde de vermogens van niet teruggekeerde Joden en van politieke delinquenten. Ten aanzien van de eersten moest worden voorkomen dat de verkeerde mensen zich hun bezittingen toe-eigenden. De tweede doelgroep mocht niet langer profiteren van hetgeen ze tussen 1940 en 1945 – al dan niet door roof – had vergaard. Inzet van het Rijk was om hen de gigantische economische oorlogsschade te laten vergoeden waarmee Nederland kampte. Daartoe werd een bureaucratische moloch opgetuigd. Ruim tweeduizend NBI-stafleden werkten in een chaotische situatie aan 160.000 dossiers.

Dat leidde onvermijdelijk tot fouten. De Algemene Rekenkamer maakte in een rapport gehakt van de organisatie en Justitieminister L.A. Donker moest in 1953 erkennen dat de NBI-administratie niet op orde was. In dat licht dient ook de rekening te worden bezien die anderhalve week voor de Dodenherdenking van datzelfde jaar bij de NIG in Zaandam op de mat viel. Het Beheersinstituut had even eerder een negen jaar oude, openstaande hypotheekschuld ontdekt. In haar streven om de wederopbouw te financieren eiste ze dat de Joodse gemeente die zou betalen.

Hypotheekschuld

De oorsprong van die factuur lag dus in de bezettingstijd. Naarmate het deporteren van de Joden vorderde, speelde bij de Duitsers steeds vaker de vraag door het hoofd wat ze aan moesten met de leegstaande synagogen. Voorstellen om ze te slopen, teneinde ‘alle herinneringen uit te wissen’, haalden het niet. In 1944 kreeg het door Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart benoemde Commissariaat voor Niet-commerciële Verenigingen en Stichtingen (CNCV) opdracht om de Joodse organisaties formeel te ontbinden en hun gebedsruimtes en andere eigendommen te beheren en te gelde te maken. In augustus van dat jaar, ontdekte het NBI in 1953, had het CNCV ‘uit eigen middelen een op de synagoge der Israëlitische Gemeente te Zaandam rustende hypothecaire schuld afgelost tot een bedrag van ƒ 4.872,91.’ Na aftrek van wat kasgeld dat de bezetter in Zaandam had gestolen bleef een te incasseren bedrag van ruim 4.500 gulden over. Omgerekend naar 2019 komt dat neer op bijna 17.000 euro.

De NIG had, bij gebrek aan archiefmateriaal, geen idee dat er een hypotheek rustte op de al in 1865 gebouwde en destijds afbetaalde synagoge. Bewijzen dat de claim onterecht was kon ze niet. Ze stelde zich daarom deemoedig op en beloofde alles te willen doen ‘om de schuld te delgen’. Er was echter een levensgroot probleem, schreef penningmeester Saul Smit. ‘De gemeente bestaat nog maar uit 6 gezinshoofden en wil daarom géén hypotheek op de joodse kerk nemen, opdat, wanneer nog meer gezinnen uit Zaandam verdwijnen, de overblijvenden voor een te zware last zouden komen te staan.’ Die paar huishoudens hadden hutje bij mutje gelegd, waardoor zij toch nog 3.350 gulden konden overmaken. Wilde de NBI daarmee genoegen nemen, vroeg Smit.

Het Amsterdamse NBI toonde begrip voor de Zaanse noden en bepleitte clementie bij het landelijk bureau. Gewezen werd op ‘de moeilijke financiële omstandigheden ten gevolge van de handelingen van de bezetter’ en de ‘zware offers die de Israëlitische Gemeente zich reeds heeft moeten getroosten om het, gedurende de bezetting zwaar gehavende, kerkgebouw weer in bruikbare staat te brengen’. Het antwoord was kil en onverbiddelijk. Dat de Joodse gelovigen van 1942 tot en met 1945 niets te vertellen hadden over de lasten en baten van hun bezit en de overgrote meerderheid in 1944 al was vermoord speelde geen rol. De landelijke NBI-directie achtte ‘geen termen aanwezig’ om op het voorstel in te gaan. ‘Wij kunnen niet inzien welke redelijke bezwaren er bestaan voor de Gemeente om het kerkgebouw thans wederom hypothecair te belasten.’

De synagoge in 1961, met een autodealer als onderverhuurder

Onbekend is hoe de Joodse gemeente aan de financiële eisen voldeed, maar ze kwam de toegebrachte klappen nooit meer te boven. Waar de NIG kort voor de bezetting van Nederland nog 220 leden had, waren daar twintig jaar later nog maar 28 van over. Het geringe ledental maakte dat er slechts sporadisch religieuze diensten plaatsvonden. Gebrek aan geld deed de rest. In 1974 verkocht de NIG de synagoge noodgedwongen voor de vriendenprijs van 175.000 gulden aan Frieda Pais-Fruchter, de schoondochter van voormalig bestuurslid Jos Pais. Zij liet het pand ingrijpend verbouwen – alleen het middenstuk bleef intact – en verhuurde het aan een kunstcentrum met de toepasselijke naam De Zienagoog.

In het daarop volgende decennium wilde de eigenares het gebouw laten slopen en vervangen door woon- en winkelruimte. Dit kon door plaatsing op de provinciale monumentenlijst op het nippertje worden verhinderd. In haar bezwaarschrift tegen dat besluit liet Pais-Fruchter weten ‘niet in een binding met de joodse gemeenschap te geloven’. Dat was tegen het zere been van de Joodse gemeente. Secretaris Joop Meijer: ‘De enige reden waarom we toen hebben verkocht was een centenkwestie. We konden herstelwerkzaamheden niet betalen. Daarom moesten we wel. We hadden het ook in elkaar kunnen laten storten. Huisvesting van De Zienagoog in het pand vonden we een zinvol doel, maar we hadden het veel liever zelf gehouden. Er zijn nog steeds veel mensen die van dat gebouw houden. (…) Het is een monument voor ons volk.’

De voormalige synagoge kwam vervolgens in handen van uitvaartorganisatie DELA . Die verhuurde de centrale ruimte aan een telefoonwinkel. Op 18 januari 2019 – 77 jaar en één dag nadat de Zaandamse joden gedwongen de stad moesten verlaten – werd wereldkundig gemaakt dat de Zaandamse projectontwikkelaar Wouter Lofström het door stadsarchitect Immink ontworpen gebouw voor ruim drie miljoen euro had gekocht. Hij liet weten de synagoge te willen restaureren. Daarmee was er eindelijk zicht op een waardige bestemming van het enige tastbare joodse erfgoed in het hart van Zaandam.

Helaas, later dat jaar maakte Lofström bekend dat grootschalige renovatie te kostbaar was en het contract met de KPN zou doorlopen. Verder dan wat cosmetische ingrepen aan het gebouw kwam het niet.

De synagoge in 2017

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Synagoge 1865-1942-2017

In 2017 werd er een nieuwe gevelsteen geplaatst in wat resteerde van de Zaandamse synagoge. Het inspireerde Willem Munters om een toepasselijk gedicht te schrijven.

zaandam

1865
de wind fluistert de gevelsteen
vreemde tekens in

het heiligdom, Eeuwige,
dat uw handen hebben neergezet

huis van samenkomst vanaf het begin
75 jaar lang fluistert de wind met de steen

1942
dan is de wind naar oosterstorm gezwollen
neemt woedend  kolkend aanstoot aan de steen
het huis van samenkomst
wordt leeggezogen door ijskoude haat
kranten zonder kop spreken van zuivering

de oostenwind kent geen eeuwige woorden
hakt in blinde woede in de steen
verbreekt het woord  hakt in leven
huis van samenkomst  huis van tranen
nodeloos ontheiligd en vernield

2017
nu na honderdvijftig jaar
weer huis van samenkomst
huis voor de toekomst
zal het zo zijn

zo zal het zijn