Berichten

Twee jong gestorven Zaanse brigadisten. ‘Ik had wel trek om naar Spanje te gaan’

Sommige Zaankanters zagen al vroeg de gevaren van het overal in Europa oprukkende fascisme en verbonden daar consequenties aan. Bijvoorbeeld door na 1936 naar het Iberisch schiereiland te reizen en daar met de Republikeinen te vechten tegen de manschappen van generaal Franco. Albert Brand en Gerrit Timmerman mengden zich, net als enkele tientallen andere Zaanse vrijwilligers, in de Spaanse Burgeroorlog.

Albert ‘Appie’ Brand (Amsterdam, 1916) behoorde tot de jongste lichting die naar het zuiden trok om de wapens op te nemen tegen Franco’s troepen. Hij was daar met zijn twintig jaar zelfs de benjamin onder de Zaanse strijders. Hoewel minderjarig kreeg hij voor zijn vertrek waarschijnlijk de zegen van zijn vader. Cornelis Brand was namelijk een overtuigd CPN-lid. Appie kwam uit een gebroken gezin; zijn ouders scheidden toen hij nog maar een kleuter was. Bovendien was Cornelis wellicht niet zijn biologische vader. Bij zijn geboorte ontving Appie namelijk de achternaam van zijn moeder, de in die jaren tussen Amsterdam en Zaandam pendelende en toen nog alleenstaande Alida de Boer. Pas nadat Cornelis en Alida hun korte huwelijk waren aangevangen – Albert begon inmiddels al zijn eerste woordjes te brabbelen –, kreeg hun zoon de achternaam van zijn vader.

Na de ouderlijke scheiding verbleef Appie zo nu en dan bij zijn vader in Zaandam, maar meestal bij zijn moeder. In 1921 hertrouwde Cornelis met zijn stadgenote Helena Leonarda Wever. Het pasgehuwde stel verhuisde naar Wormer en zou pas jaren later terugkeren naar Zaandam. Samen kregen ze nog een handvol kinderen. Appie nam er op afstand kennis van; in die periode verzorgde zijn moeder hem.

Peperhoek

Ten tijde van zijn vertrek naar Spanje woonde Appie wel bij zijn vader, op het adres Franschestraat 34. Alles wijst er op dat hij een telg was uit een klassiek arbeidersgezin. Zijn moeder had voor haar huwelijk gewerkt als dienstbode, zijn vader was stoker op een stoomtrawler. Appie zelf stond ingeschreven als pakhuisjongen. En de Franschestraat maakte deel uit van de Peperhoek, het versleten, armoedige Zaandamse stadscentrum waar meerdere latere Spanjestrijders leefden.

Appie bevond zich in het hart van de grote Zaanse brigadistengolf die tijdens de zomer van 1937 naar het zuiden rolde. Kort voor hem waren onder anderen zijn buurtgenoten Willem Brondgeest en Jan Hulst richting Spanje gereisd. Zeer waarschijnlijk kende Appie hen. Gretig zal hij de verhalen over hun plotselinge vertrek tot zich hebben genomen. Hij voegde zich echter niet bij dit duo, maar lijkt met een andere buurtgenoot de uitdaging te zijn aangegaan: Gerrit Timmerman (Zaandam, 1913). Die woonde in de Kalverstraat, op minder dan een steenworp afstand van Appies huisadres.

Gerrit Timmerman rond 1937 (Nationaal Archief)

Chauffeur-monteur Gerrit Timmerman was bijna vier jaar ouder dan Appie en net als hij afkomstig uit een arbeidersnest. Gerrit woonde in 1937 eveneens bij zijn ouders in huis. Er was ook een opvallend verschil: waar zijn familie geregistreerd stond als rooms-katholiek, had het gezin Brand het geloof afgezworen.

Werkloos

In het voorjaar van 1937 ontbrak het Gerrit Timmerman al geruime tijd aan een baan. Dat was niet uitzonderlijk; door de economische crisis zat meer dan een kwart van de beroepsbevolking werkloos thuis. Met zijn vrienden besprak Gerrit de uitzichtloosheid van het bestaan en de mogelijkheden om daar aan te ontsnappen. “Ik en verschillende jongens hadden onderling dikwijls over Spanje gesproken”, verklaarde hij achteraf tijdens een politieverhoor, overigens zonder namen te verklappen. “Ik had mij tegen hen dikwijls uitgelaten dat ik wel trek had om naar Spanje te gaan.” Niet om er te gaan vechten, voegde hij daar haastig aan toe, ‘doch om werk te krijgen’. Het was een verklaring die veel oud-Spanjegangers aflegden. Soms was het de waarheid, vaak een uitvlucht om aan overheidssancties te ontsnappen. Welke van de twee opties voor Gerrit gold is niet duidelijk, al zei zijn latere echtgenote dat hij geen idee had wat de Burgeroorlog met zich meebracht: “Hij was helemaal geen vechtersbaas.”

Binnen de door zijn onvoorziene verdwijning verraste familie zong het verhaal dat hij communist was. Dat was begrijpelijk; veel van Gerrits vrienden en kennissen bevonden zich in de marxistische hoek. In 1938 probeerde Gerrit echter de hem ondervragende Zaandamse rechercheur Jan van der Schaaf te laten geloven dat hij ‘niet bij de Communistische partij of wat ook’ was aangesloten. “Ik ben R.K.”

Geronseld

Er zaten inconsistenties en dubieuze wendingen in Gerrits verhalen. Toen hij zich eind oktober 1937 tot het Nederlands consulaat in Barcelona wendde, vertelde hij daar ‘te Haarlem geronseld [te zijn] om naar Spanje te komen’. De boosdoener was ‘Van So[o]lingen, die hem ook de middelen verstrekte voor de reis’. Drie maanden later spiegelde Gerrit de politieman Van der Schaaf een heel ander scenario voor. Er bleef hem weinig keus; eerder had een Haarlemse ex-brigadist al verklaard Nederland te hebben verlaten ‘in gezelschap van een Zaandammer, Timmerman, en enige andere hem onbekende Nederlanders, die als herkenningsteken ditmaal het Volksdagblad in de hand hielden’. Deze Jeen Duursma had met geen woord gerept over de betrokkenheid van Cornelis van Soolingen. Gerrit herschreef bij nader inzien een deel van zijn eerdere verklaring: “Met een zekere van Sollingen [sic] uit Haarlem heb ik nog nimmer kennisgemaakt.”

Tegen Van der Schaaf zei hij verder op een junidag in 1937 in de Oostzijde te zijn ‘aangesproken door een mij onbekende man die een Brabants dialect had’. Die zou hebben gevraagd of hij ‘trek had om naar Spanje te gaan’. Gerrit ging daar naar eigen zeggen enthousiast op in. Hij kreeg te horen dat hij de 26ste juni op de brug voor het Amsterdamse Centraal Station moest gaan staan, ‘dan kwam er wel iemand op mij toe die mij verder zou helpen’. In de vroege avond werd hij daar inderdaad benaderd, met de woorden: “Jij bent zeker de jongen die naar Spanje wil.” De vraagsteller was Jeen Duursma. Hij kocht voor Gerrit een treinkaartje naar Parijs, ‘alwaar wij de volgende dag, 27 juni 1937 te omstreeks 7 uur, aankwamen.’

Pyreneeën

Vanaf hier lopen de verklaringen van Timmerman en Duursma redelijk parallel, al dacht de laatste wel abusievelijk dat ze anderhalve week eerder naar het buitenland waren gereisd. De verzorging door de Franse communistische partij, de groepsreis per bus van Parijs naar achtereenvolgens Lyon en Perpignan en de tocht over de Pyreneeën kregen bij beiden een plek in hun verhaal. Waar Duursma echter vertelde al vanuit Nederland met ‘enige andere hem onbekende Nederlanders’ te zijn afgereisd, hield Gerrit het op Parijs als de plaats van waar hij met ‘nog een 5-tal Hollanders in een auto’ verder zuidwaarts was gegaan. Vermoedelijk uit loyaliteit zweeg hij na terugkeer uit Spanje tegen de autoriteiten over medereiziger Albert Brand.

Een Republikeins overzicht van 30 juni 1937 laat zien dat beide Zaandammers Spanje tegelijkertijd bereikten. Op een lijst van 51 ‘legale vrijwilligers’ die deze dag aankwamen in het Catalaanse Setcases, staat ook Appies naam. Samen met hem arriveerden er nog twee ‘Holandese’ in het gehucht, dat een paar kilometer van de Frans-Spaanse grens ligt: de Haarlemmer Piet Dirks en Cornelis Botterman uit Amsterdam. Laatstgenoemde werkte eerder bij de Zaandamse Artillerie-Inrichtingen. Wellicht wisten hij en Albert Brand al voor hun Spanjereis van elkaars bestaan.

Gerrit Timmerman arriveerde diezelfde 30-ste juni met onder anderen Jeen Duursma bij een oostelijker gelegen Pyreneeëndorp, Espolla. Een etmaal later bevonden de twee Zaanse nieuwkomers zich in Albacete, honderden kilometers zuidelijker. Ze waren er per trein heengebracht. “Hier was alles militair en de inkwartiering geschiedde dan ook door militairen”, vertelde Gerrit Timmerman in 1938. Appie kreeg in dit defensiebolwerk weliswaar eveneens een militaire inkwartiering, maar op een andere plek dan hij verwachtte en hoopte. Om onbekende redenen belandde hij er in de gevangenis. Wellicht waren zijn reispapieren niet in orde. Die omissie stond garant voor een preventieve opsluiting tot er helderheid bestond over de motieven van de fellow traveler.

Training

Het verblijf achter de tralies duurde maar kort. De Republikeinen hadden iedereen nodig om de oprukkende nationalistische manschappen af te stoppen. Op 3 juli stond Appie enkele tientallen kilometers verder op de stoffige grond van Madrigueras. Hij kwam daar een vier dagen eerder in Catalonië gearriveerde plaatsgenoot tegen, Mijndert van der Horst. Met honderden andere aspirant-soldaten ondergingen ze de training die hen tot frontstrijders moest maken. De basale oefeningen – vooral schieten en marcheren – namen enkele weken in beslag. Appie werd vervolgens toegevoegd aan de tweede compagnie, een onderdeel van de dertiende, merendeels Duitstalige brigade. Het lijkt er op dat hij zich nog altijd zeer betrokken voelde bij de vrijheidsstrijd. Toen er onder de soldaten werd gecollecteerd voor de Internationale Rode Hulp doneerden de meesten bedragen van een halve tot vier peseta’s. Appie schonk er vijf, het volledige voorschot dat hij even daarvoor had ontvangen.

Vermelding van Albert Brand en Gerrit Timmerman op een Republikeins overzicht van in Albacete gearriveerde vrijwilligers, 1-7-1937 (Sovdoc.rusarchives.ru)

Gerrit op zijn beurt kreeg daags na aankomst in Albacete te horen dat hij was ingedeeld was bij de ambulancedienst. Hij kwam terecht bij een ziekenhuis in Murcia, kort achter het front. “Om reden van mijn beroep chauffeur-monteur was, werd ik belast met het vervoeren van gewonde militairen, die ik moest halen (per auto) van het station Passarcebilje bij Albacete en [ik] moest voornoemde militairen brengen naar het hospitaal Radio Murcia.”

Tyfus

Anderhalve maand lang reed Gerrit Timmerman op ongeregelde tijden de honderd kilometer naar Albacete en weer terug, met kermende en bewusteloze soldaten in de achterbak van zijn voertuig. Toen ging het mis; hij belandde zelf als patiënt in Radio Murcia. Niet door een kogel of granaatscherf, maar omdat hij besmet raakte met tyfus. Het duurde een paar weken voor hij opknapte. “Toen ik bijna beter was, kreeg ik van de militaire autoriteiten bericht dat ik naar Albacate moest om daar gekeurd te worden. Tevens werd mij medegedeeld dat ik zeer waarschijnlijk naar het front gezonden zou worden.” Naar eigen zeggen zag Gerrit daar geen heil in. Op 25 oktober 1937 nam hij contact op met het consulaat in Barcelona, in een poging om het dreigende bevel te ontlopen. Hij had succes. De consul in Valencia verschafte hem een paspoort dat drie weken geldig was. Vanuit Barcelona kon hij met een Frans schip naar Genua en vervolgens probleemloos met de trein door naar Nederland. Op 2 november was hij weer in zijn vaderland.

Albert Brand kon of wilde niet de route terug naar Zaandam volgen die Gerrit Timmerman had afgelegd. Hij ging zodra de legerleiding het wenselijk achtte, en dat was al heel snel, naar de voorste gevechtslinies. In juli 1937 waren de Republikeinen bij Brunete – 25 kilometer ten westen van Madrid – begonnen met hun eerste tegenoffensief. Hun inzet was tweeledig. Gepoogd werd om de belangrijkste wegen te blokkeren die de vijandelijke troepen gebruikten op hun doortocht naar de hoofdstad. Ook moest deze aanval de belaagde noordelijke provincies Asturië en Santander lucht geven. De poging ontaardde in een debacle. Tegenover een minimale terreinwinst stonden 20.000 gesneuvelde en gewonde manschappen aan Republikeinse kant. Het was de Spaanse versie van de hel. “Het was er erg warm, het stonk verschrikkelijk van de lijken die er lagen”, herinnerde een Nederlandse brigadist zich tientallen jaren later nog.

Zaans accent

Ook Albert Brand kwam niet heelhuids uit de strijd. Medestrijder Krijn Breur wijdde in het voorjaar van 1938 voor het socialistische blad De Proletarische Vrouw een uitgebreid artikel aan hem. Hij omschreef de Zaandammer als ‘een lange jongen, mager en blond. De wat slome trek van zijn gezicht leek de uitdrukking van het Zaanse accent van zijn spraak’. Breur legde gedetailleerd vast hoe Appie zich hield tijdens de slag om Brunete, toen hun eenheid probeerde om het dorp Villanueva op de vijand te heroveren. Kort voor de aanval begon, bevond Appie zich in een droge rivierbedding, pogend ‘om de angst voor wat komen ging te verbergen’. Amper uit deze dekking gesprongen werd hij, als eerste van zijn eenheid, geraakt door een kogel. “’t Was de moeite niet waard, een ‘Streifschuss‘ langs zijn rechterarm”, bagatelliseerde zijn Amsterdamse kameraad. “Maar de heftige klap en de bloeding die volgde, braken zijn kracht. Hij viel schreiend op de grond en riep om de sanitario’s en om zijn moeder. Met mijn volgende sprong lag ik vlak bij hem en zag dat er niets was gebeurd. ‘G.v.d., hou je snuit. Als ze komen zijn we d’r vast aan. Schreeuw niet zo!’, beet ik hem toe. Hij zweeg, maar bleef liggen, snikte met zijn gezicht in het zand.”

Het Republikeinse offensief werd aanvankelijk afgeslagen. De soldaten trokken zich terug, met achterlating van enkele gewonden. Albert Brand lag urenlang roerloos op de droge grond. “Ik denk dat zijn wond pijn ging doen, of dat de hitte het hem benauwd maakte”, schreef de inmiddels eveneens neergeschoten en op hulp wachtende Breur. “In ieder geval hoorde ik opeens steunen en even later riep hij weer: ‘Sanitario, Sanitario! Moeder, o, help mij!’ Dadelijk takte de mitrailleur der fascisten. Ik zag het zand rond Ap opspringen, links! – rechts! – vóór hem, toen trok hij samen met een schreeuw van pijn en was stil.”

Benicassim

Pas na het intreden van de duisternis konden de gewonden in veiligheid worden gebracht. Appie kwam er relatief goed vanaf. De kogels in zijn arm en schouder hadden geen vitale delen geraakt. Per ambulance en trein werden hij en Krijn Breur naar een ziekenhuisje in Benicassim, aan de Spaanse oostkust, vervoerd. Begin augustus mocht Appie het hospitaal alweer verlaten, de vierde van die maand werd hij ingedeeld bij de elfde brigade onder leiding van zijn landgenoot Piet Laros. Hij vertrok opnieuw naar de voorste linies, ditmaal bij Madrigueras. Het verbaasde de soldaten die hem hadden meegemaakt in de loopgraven bij Villanueva. Krijn Breur: “Als we onder elkaar over hem spraken, zeiden we: ‘Die? Die gaat niet meer weg!’ Als je zijn bleke gezicht zag, leek het er ook niet erg op.”

De compagnie van ‘Hollander Piet’, zoals Laros’ bijnaam luidde, herbergde ruim tachtig Nederlanders en verder wat Vlamingen, Oostenrijkers en Spanjaarden. In de hagiografie Nederlanders onder commando van Hollander Piet in Spanje wordt vermeld dat deze compagnie vocht bij Quinto en ‘in de barre koude van de sneeuwstormen op de hoogvlakte’ van Teruel, zo’n tweehonderd kilometer oostelijk van Madrid. Krijn Breur, in zijn bloemrijke krantenverslag over de gevechten bij die laatste plaats: “Toen de vijand in de eerste januaridagen in sneeuw en regen zijn beste troepen stuurde om Teruel te heroveren, stond Ap weer tussen de anderen en deed zijn anti-fascistenplicht. De stad was van ons en bleef van ons. Achtmaal op een dag vielen de fascisten aan, achtmaal deinsden ze af.”

Doorbraak

Het was de strengste winter in decennia. De temperatuur zakte soms tot vijftien graden onder nul. Steeds meer Republikeinse manschappen deserteerden. Met de dag werd de situatie aan republikeinse kant chaotischer. Mede daardoor slaagde een overmacht aan nationalistische militairen, gesteund door luchttroepen, er medio februari 1938 in om een doorbraak te forceren en Teruel in handen te krijgen. Breur: “De sneeuw lag dik op het veld, in de grimmige koude vroren onze gewonden dood. De zwarte avions kruisten ook ’s nachts boven de linies en als de mitrailleurs schoten om te verhinderen dat het koelwater bevroor, suisden de bommen neer naar de plaats waar de vliegers het mondingsvuur hadden opgemerkt. Ap deed zijn plicht, hield stand voor het ideaal dat hem naar Spanje gedreven had, dat hem de krachten schonk om zijn angst te overwinnen.”

Onduidelijk is wanneer exact tijdens die moordende winter Appie voor de tweede keer werd getroffen door vijandig vuur. Maar ditmaal was het fataal. Breur: “Hij stierf in het hospitaal, in hetzelfde rustige plaatsje aan zee waar hij de moed tot strijden had geleerd van andere kameraden. Een granaatwond aan zijn buik kostte hem het leven. (…) Hij is op de schouders van andere gewonde kameraden naar het kleine kerkhof aan de kust gedragen.” Het dorpje waar Albert Brand de laatste adem uitblies was Benicassim, waar hij enkele maanden eerder ook al in het ziekenhuis lag.

Begraafplaats

Op de lokale begraafplaats bevindt zich tegenwoordig een monument met 26 namen van Spanjestrijders die ter plekke stierven. Er staat één Nederlander op, Albert Brand. Zijn naam is, net zoals dat tijdens de Spaanse Burgeroorlog regelmatig gebeurde, verkeerd geschreven: “Braut, Albert.”

Het oorlogsmonument in Benicassim (R. Dijkstra)

Gerrit Timmermans buitenlandse avontuur duurde slechts vier maanden, maar de nasleep zou hem de rest van zijn korte leven achtervolgen. Om te beginnen werd hem vrijwel onmiddellijk het staatsburgerschap ontnomen. Toen hij in maart 1938 trouwde met Trijntje Beekman raakte ook zij prompt het Nederlanderschap kwijt. Ook hun twee kinderen – eveneens Gerrit en Trijntje geheten en geboren in respectievelijk 1940 en ’41 – werden op slag stateloos. Die situatie zou voortduren tot na de Tweede Wereldoorlog.

Sachsenhausen

Zijn oorlogsverleden maakte dat Gerrit op 12 juli 1941, zoals wel meer Spanjestrijders overkwam, werd gearresteerd. Het was de laatste keer dat zijn echtgenote, zwanger van Trijntje, hem zag. Via de kampen in Schoorl en Amersfoort belandde Gerrit in juni 1943 in het Duitse Konzentrationslager Sachsenhausen. “Mijn moeder heeft nog een foto van mij, verstopt in een pak havermout, naar hem gestuurd”, wist zijn dochter. Haar vader overleefde de ontberingen in Sachsenhausen niet. Op 15 mei 1944 stierf hij er in de ziekenbarak aan tuberculose.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Joop de Munck mocht niet in Spanje vechten

Een van de genoemde Zaanse Spanjestrijders in het gelijknamige, met de Bredenhofprijs bekroonde boek was Joop de Munck. Maar de daarin geuite veronderstelling dat deze jongeling in Spanje werd afgewezen als brigadist omdat hij te jong was, klopt niet. De reden voor zijn gedwongen terugkeer naar Nederland was veel banaler.

Net als zijn twee jaar oudere broer Dingeman trekt Josephus Johannes (‘Joop’) de Munck (Hoensbroek, 10-12-1918) in 1937 naar Spanje om daar te vechten tegen de fascistische troepen van generaal Franco. Dingeman heeft Zaandam in juni van dat jaar verlaten. Een maand later ligt hij al in het ziekenhuis, aan zijn kin gewond door friendly fire. Of Joop daarvan weet heeft als hij besluit om eveneens de Pyreneeën over te steken en zich aan het front te melden, is onbekend. Zich spiegelend aan zijn broer doet hij in de zomer van 1937 een poging om naar het Spaanse front te komen. In het diepste geheim verlaat hij op een oude motor zijn woonplaats en rijdt hij via België en Frankrijk naar Catalonië. Volgens zijn jongste broer André haalt Joop zelfs de Spaanse grens niet: “Hij kwam in de buurt van de Pyreneeën en dacht, dat is me te hoog.”

‘Teleurstelling’

Weggestopt tussen tienduizenden andere notities in een Russisch archief over de Internationale Brigades ligt een aantekening waaruit blijkt dat Joop iets heel anders dacht. Op 7 augustus wordt hij, met twee andere communistische Zaandammers (Nanne Koolwijk en Jan May), geregistreerd in Figueras, net over de Frans-Spaanse grens. “Hoe dan ook, lang is hij niet gebleven”, schrijven de auteurs van De Zaanse Spanjestrijders. “Schrok hij misschien terug? Waarschijnlijker is dat hij als minderjarige werd afgewezen. Zijn teleurstelling zal groot zijn geweest.”

De inschrijving van ‘Joseph de Muyck’ [sic] in Figueras op 7 augustus 1937

Dat van die teleurstelling kan kloppen, maar niet omdat Joop de Munck met zijn achttien jaar als zijnde te jong wordt geweigerd om aan de gevechten deel te nemen. Hij is weliswaar de jongste van de ruim twintig Zaanse vrijwilligers die zich melden bij de Internationale Brigades, maar er zijn wel meer Spanjestrijders van zijn leeftijd of zelfs jonger. De reden dat Joop wordt afgewezen is een heel andere.

Barcelona

Drie dagen na zijn aankomst gaat de gedreven Zaandammer met 23 andere nieuwkomers door naar Barcelona. De legerleiding twijfelt of ze fit genoeg zijn om de strijd aan te kunnen. De meesten van hen zijn boven de veertig en daarmee te oud. Bij eentje ontbreken drie vingers aan een hand. Een paar hebben bronchitis. Er zitten twee alcoholisten tussen, ook al geen aanbeveling. Maar in de Catalaanse hoofdstad valt de beslissing dat ook Joop ongeschikt is om dienst te doen. Met zijn 1.72 meter is hij volgens de keuringsarts lang genoeg om te vechten. Zijn gewicht, 71 kilo, is ook geen probleem. Maar dat hij, net als vier andere would-be-strijders die deze dag een beoordeling ondergaan ‘geschlechtskrank’ is wel. De strijdende groepen hebben geen behoefte aan venerische ziektes. Joop kan vertrekken. Eind augustus 1937 is hij terug bij zijn onderkomen op de Zuiddijk in Zaandam.

‘De Munck. Hollaender, Geschlechtskrank’

Eén troost: op 2 maart 1937, dus zo’n drie maanden voor zijn vertrek naar Spanje, is Joop de Munck goedgekeurd als dienstplichtige. Wellicht had hij toen nog geen SOA, misschien gold een geslachtsziekte in Nederland als minder bezwaarlijk. Hoe dan ook, hij wordt in 1938 ingedeeld bij het 2e Regiment Huzaren. In mei 1940 mag hij zich alsnog gewapenderhand bewijzen tegen de fascisten. Niet de Spaanse, maar de Duitse. Hoe het hem verder vergaat tijdens de oorlog is te lezen in mijn boek De verraadster.

Fragment van de inschrijving van Joop de Munck als dienstplichtige

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag