Berichten

Botsende belangen. De Zaandamse Rijksduitsers

Een jaar na de Duitse inval in Nederland woonden er in Zaandam ruim tweehonderd Rijksduitsers. Het was een explosief amalgaam, met zowel tientallen veelal joodse vluchtelingen als een kleinere, maar machtige groep nazi’s.

Op 22 april 1941 stuurde de NSB-burgemeester van Zaandam de provinciecommissaris desgevraagd een overzicht ‘van de in deze gemeente wonende Rijksduitsers’. Cornelis van Ravenswaay had laten uitzoeken dat er 210 uit het Duitse gebied afkomstige mannen, vrouwen en kinderen binnen ‘zijn’ stadsgrenzen woonden. Vergeleken met veel andere gemeenten was dat weinig. Volgens Loe de Jong telde heel Nederland in 1940 52.000 Rijksduitsers.

Dat relatief kleine aantal Zaans-Duitse inwoners was geen homogeen gezelschap. En het op bevel van Van Ravenswaay opgestelde overzicht was ook niet compleet. Zo ontbreken er bijvoorbeeld namen van Rijksduitsers die wel zijn terug te vinden op het Joods Monument Zaanstreek. De nationaalsocialistische administratie was niet altijd zo pünktlich als vaak wordt gedacht. Maar op basis van de 210 geregistreerde personen kan wel worden vastgesteld dat de Rijksduitsers het -om verschillende redenen- niet altijd even makkelijk hadden in Zaandam.

Beethovenstraat

De 210 Rijksduitsers waren verdeeld over honderd huishoudens. Daarvan woonden er maar liefst dertien, bijna allemaal joods, in de slechts zeventien huizen tellende Beethovenstraat. Deze begin jaren dertig opgeleverde doorsteek tussen de Burcht en het Apolloplantsoen was daarmee dé Duits-joodse straat van de Zaanstreek. (Dat dit stukje Zaandam was vernoemd naar een Duitser is een pijnlijk toeval.)

Opvallend is dat de gelijknamige Amsterdamse straat een soortgelijke aanblik bood. In 1941 was 37% van de bewoners in de hoofdstedelijke Beethovenstraat joods en eveneens vaak van Duitse komaf. Door de komst van al die vluchtelingen ontstond de bijnaam ‘Brede Jodenstraat’. Tram 24 naar de Amsterdamse Beethovenstraat werd in de volksmond de ‘Berlijn-Express’ genoemd.

De Zaandamse Beethovenstraat in 2007 (Gemeentearchief Zaanstad)

Mei 1940

Het ongemak begon al in mei 1940. Na de Duitse inval liet de Nederlandse overheid zoveel mogelijk vijandig geachte buitenlanders preventief opsluiten. Daarbij kon het gebeuren dat mensen die waren ontkomen aan het Hitler-regime in één cel belandden met doorgewinterde collaborateurs. Dat spanningsveld bleef vier dagen in stand. Na de capitulatie van de Nederlandse krijgsmacht werd iedereen weer vrijgelaten en konden de ‘deutschfreundlichen’ beginnen aan een jarenlange zegetocht.

Seyss-Inquart

Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart -ook een Rijksduitser- sloeg aanvankelijk een verzoenende toon aan. “Wij willen dit land en zijn bevolking noch imperialistisch overheersen noch onze politieke overtuigingen opdringen”, sprak hij bij zijn inauguratiespeech op 29 mei 1940. Maar vijf weken later gold er al een verbod voor joden om bij de Luchtbeschermingsdienst te werken. Het was de eerste antisemitische maatregel in een lange en steeds wredere reeks. En aan die maatregelen werkten ook Rijksduitsers mee.

Wolniewicz

Wilhelm en Margarate Wolniewicz waren twee van die collaborateurs. Ze woonden al ver voor de oorlog in Zaandam. De bezetting bood Wilhelm de mogelijkheid om op te klimmen van eenvoudige bedrijfsleider bij onder meer Albert Heijn tot SS-Führer. Hij mocht zelfs Ortskommandant worden, militair bevelhebber over de regio. In die hoedanigheid gaf hij onder meer leiding aan nazistische bijeenkomsten. Als het zijn vrouw en hem uitkwam, werd er bovendien wat joods bezit ten eigen bate geroofd.

Onder leiding van Wilhelm Wolniewicz (zie het pijltje) kwamen Duitse militairen soms voor een ‘eenpansmaaltijd’naar het ontspanningscentrum van Albert Heijn aan het Klamperspad in Zaandam. 

Negen maanden nadat Van Ravenswaay zijn overzicht naar de provinciecommissaris had gestuurd, was het aantal Rijksduitsers in de stad van de ene op de andere dag een stuk kleiner. Op 19 januari 1942 werden de buitenlandse joden verbannen van Zaandam -de eerste Nederlandse gemeente die ‘Judenrein‘ werd gemaakt- naar kamp Westerbork. Er resteerde de drie navolgende jaren, naast een almaar toenemend aantal onderduikers, slechts één joods gezin in Zaandam. De vier leden tellende familie Strauss -eveneens Rijksduitsers- bleef waar ze was, dankzij papieren zonder ‘J’ en doordat het lukte om belastende persoonsdocumenten uit de gemeentelijke administratie te verwijderen. Onder hun eigen naam en op hun eigen adres haalden ze heelhuids de bevrijding. Het was bij mijn weten een unicum in Nederland.

Jos Kamps

Zaandam telde tientallen Duitstalige nationaalsocialisten. Jos Kamps was één van hen. Hij handelde in joods roofgoed. Na de oorlog werd deze collaborateur Nederland uitgezet. Van de zestien Rijksduitsers in de Zaandamse Beethovenstraat werden er vijftien op transport gesteld naar een concentratiekamp. Dertien van hen zouden de Holocaust niet overleven. Jos Kamps, wonend op nummer 17, was wrang genoeg de ene bewoner die niet weg hoefde.

Rapportje over Jos Kamps van een ‘speurder’ van de Binnenlandse Strijdkrachten.

Veel Rijksduitsers voelden zich gevangen tussen hamer en aambeeld. Ze wilden zich op geen enkele wijze verbinden aan het heersende bewind, maar werden onder druk gezet om een keuze te maken. Zo werd van hen verwacht dat ze deelnamen aan nationalistische bijeenkomsten in het zogenoemde ‘Duitsche huis’. Weigering werd al snel beschouwd als verzet, zoals blijkt uit onderstaand BS-rapport. Sommigen kregen zelfs een oproep voor de Wehrmacht. Weigering werd beschouwd als desertie. En daarop stond de doodstraf.

Rapport van de Binnenlandse Strijdkrachten d.d. 17-3-1945 over een Zaanse Rijksduitser, waarin wordt geschetst welke druk er op hem en zijn landgenoten werd uitgeoefend.

Schipperen

Een deel van de Rijksduitsers moest dus schipperen tussen collaboratie en weerstand. Zelfs na de bevrijding konden de ‘goede’ Duitsers zich niet veilig wanen. Velen beschouwden alle Rijksduitsers als (potentiële) vijanden. Om in Nederland te blijven, was een ‘ontvijandingsverklaring’ nodig. Ook de vrouwen en kinderen die via het paspoort van hun man of vader Rijksduitser waren geworden, moesten zo’n papiertje hebben. Vrij willekeurig werden er mensen over de oostgrens gezet en bezittingen in beslag genomen. Zelfs de vader van Margot en Anne Frank, een kampoverlevende, was bang het land uitgezet te worden. Er leefde namelijk een vermoeden dat zijn bedrijf handel had gedreven met de nazi’s. Als dat kon worden bewezen, maakte hij geen kans op een ontvijandingsverklaring.

Eind 1945 waren er van de 52.000 Rijksduitsers in Nederland nog maar 25.000 over. Pas in 1951 kwam er een eind aan de selectie en de daarmee gepaard gaande onteigeningen (die Nederland ongeveer een miljard gulden opleverden).

Van alle zogeheten Rijksduiters zijn in de 21-ste eeuw nog maar enkele nakomelingen terug te vinden in de Zaanstreek. Onder hen bevindt zich niemand van joodse komaf.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag