Berichten

Zaanse politie tussen collaboratie en verzet

In de volksmond klinkt nog wel eens dat het Nederlandse politiekorps massaal ‘fout’ was tijdens de oorlog. Daarop valt het nodige af te dingen. Maar hoe zat het tussen 1940 en 1945 eigenlijk met de Zaanse dienders?

Vanaf het voorjaar van 1937 joeg de Zaandamse politieman Jan van der Schaaf enthousiast op Spanjestrijders. De Zaanstreek telde tientallen mannen, bijna allemaal uit de communistische hoek, die het gevecht wilden aangaan met de fascistische troepen van generaal Franco. Ruim twintig van hen trokken daartoe naar het Iberisch schiereiland. Van der Schaaf (bijnaam ‘Jantje-Grijpt-Alles’) kende ze stuk voor stuk. Aan hem de taak deze vrijwilligers tegen te houden of, als ze al naar hun beoogde bestemming onderweg waren, op te sporen en terug te halen. Maar waar hij in 1938 nog een koninklijke onderscheiding kreeg vanwege zijn voortreffelijke werk, werd Van der Schaaf na de oorlog voor tien jaar uit het politieambt gezet. De reden: ‘bewezen en verwijtbare handeling’ in bezettingstijd. Hem werd onder meer aangewreven dat hij enkele joden had aangehouden.
Stond deze rechercheur daarmee model voor de Zaanse politie in bezettingstijd?

Jan van der Schaaf, in het midden, met enkele collega’s (Zaanlander, 11-1-1939)

Gedurende de zomermaanden van 1940 leek er voor de Nederlandse politie niet veel te veranderen. Ogenschijnlijk konden de dienders doorgaan met wat ze voor de oorlog ook al deden, zonder al te opzichtige inmenging van bovenaf. Verheugend was bovendien dat de bezetter een langgekoesterde wens in vervulling deed gaan: de korpsen werden uitgebreid. Vanaf medio 1940 kwamen er verspreid over het land zesduizend agenten bij.
Heel lang duurde de schijnbare politionele zelfstandigheid onder leiding van de plaatselijke burgemeesters niet. De Duitsers vonden de versnipperde organisatie -een mengeling van gemeentepolitie, marechaussee, politietroepen, rijks- en gemeenteveldwachters- onoverzichtelijk. De marechaussee raakte daarom haar militaire status kwijt en de politietroepen werden opgeheven. SS-generaal Hanns Albin Rauter kreeg de leiding over het Nederlandse politieapparaat. Joden en disloyale dienders moesten plaatsmaken, NSB’ers namen hun plaatsen in. De politie werd meer en meer een werktuig van de nazi’s.

Dilemma’s

Goedwillende agenten kwamen steeds vaker voor een dilemma te staan. Als ze ontslag namen, was de kans groot dat hun plek werd overgenomen door een deutschfreundliche ‘collega’. Bleven ze, dan maakten ze zo goed als zeker hun handen vuil. De bezetter had de Hermandad nodig voor het vormgeven van zijn rabiate politiek.
Dat kwam vooral goed tot uiting in het ‘Judenrein‘ maken van het bezette gebied. Op 17 januari 1942 bood het Zaandamse politiekorps, als eerste in Nederland, de nazi’s de helpende hand bij het uit huis halen van joodse inwoners. De dienstdoende agenten begeleidden de slachtoffers vervolgens naar de boot of trein die hen naar het Judenviertel van Amsterdam bracht. In de navolgende maanden voerden ook hun collega’s elders in het land deze antisemitische verbanning uit. Slechts een enkeling weigerde mee te werken aan de racistische hand- en spandiensten.

Met name die buiging voor de vijand zou de politie nog lang worden aangewreven. Maar ook hun rol bij het arresteren van (vermeende) verzetsstrijders en het handhaven van de naziwetten in een tijd dat veel mannen voor dwangarbeid naar Duitsland moesten, werd hen aangerekend.

Zaanstreek

Na de bevrijding werd -symbolische getallen- 40 tot 45% van de zittende agenten in Nederland onderworpen aan een onderzoek. NSB’ers, WA’ers en SS’ers wachtte een vertrek op staande voet. Van de onderzochte politiemedewerkers kreeg uiteindelijk bijna 12% ontslag aangezegd, 1954 agenten. Zo’n 7% werd op een andere manier gestraft, maar mocht wel in dienst blijven. Negen politiemensen werden ter dood veroordeeld en gefusilleerd, onder wie de in Zaandam geboren en getogen, maar in Amsterdam en Groningen werkende rechercheur Abraham Kaper (1890-1949). Een andere extreem gevaarlijke Zaandamse jodenjager was Hendrik van der Kraan (1897-1955). Hij werd in 1942 wegens chantage geschorst bij de Zaandamse politie, maar was daarna actief voor het Amsterdamse korps. Na de oorlog kreeg hij eveneens de doodstraf. Die werd echter later omgezet in een levenslange gevangenisstraf.

Sommige collaborerende Zaanse collega’s hoefden zich na 1945 niet te verantwoorden; de illegaliteit had al tijdens de bezetting met hen afgerekend. Het betrof de Zaandamse korpschef Willem Marinus Ragut (op 21-6-1944), zijn plaatsgenoot Franciscus Diedericus Willemse (5-2-1945), de eveneens Zaandamse chef van de waterpolitie Willem Nicolaas Ehhardt (1-3-1945) en de Wormerveerse waarnemend inspecteur Jan Willem Bouwens (7-10-1944). Aanslagen op enkele andere Zaanse politiemannen mislukten. Zij, en met hen nog meer agenten, werden na de oorlog veroordeeld wegens hun ijver ten bate van de nazistische machthebbers.

Het politiekorps van Zaandam, 1941 (R.R. Pel)

Zaandam

Het begin van de Zaanse politie-nazificatie viel zo ongeveer samen met de benoeming van Cornelis van Ravenswaaij als burgemeester van Zaandam, in maart 1941. Hij zorgde eerst voor het vertrek van de weinig coöperatieve korpschef Cornelis Roscher. Toen diens beoogde opvolger, de fanatieke Amsterdamse nazi Douwe Bakker, voor de eer bedankte, kwam Willem Marinus Ragut in beeld.

Kort voor Van Ravenswaaij in maart 1942 naar Utrecht vertrok om daar burgemeester te worden, hield hij een zelfverheerlijkende toespraak. Daarin bracht hij ook het ontslag van Roscher en diens tijdelijke opvolger, de antifascistische hoofdinspecteur Anthonie Jan van Doorn, ter sprake. “Een NSB-inspecteur werd van buiten geëngageerd, en al is de oogst niet groot, dan hebben wij nu toch op de 42 agenten 6 Rechtsfronters, waarvan 3 aangesloten NSB’ers.” Het was -en bleef- dus een minderheid van de Zaandamse politie die zich verbond aan het nationaalsocialistisch gedachtegoed, ondanks alle druk van bovenaf.

Cornelis Roscher rond 1941 (R.R. Pel)

Ook Ragut liet van zich horen, onder meer in een klachtenlitanie over zijn waarnemend voorganger Meindert Talma. Daaruit blijkt dat Ragut de strijd aanbond met meerdere dwarsliggende ondergeschikten. “Wanneer destijds een politie-ambtenaar werd opgedragen een transport van joden, ondergedokenen en krijgsgevangenen te verrichten, dan stapte hij naar opperlt. Talma en zei om de een of andere reden bezwaar tegen zoo’n transport te hebben en werd dan ook prompt een ander voor dat transport aangewezen. (…) Een en ander strookt niet met mijn opvatting van plicht als korpschef-officier.”
Ragut zorgde er in 1943 voor dat drie opposanten hun ontslag kregen; Johan Jongepier, Abraham Moerdijk en Jelle Johan Merkus. Doordat hij medio oktober 1942 de beschikking had gekregen over vijf jonge agenten die even eerder hun opleiding hadden afgerond in het beruchte SS-kamp Schalkhaar sloeg de balans weer wat verder door naar de nazistische kant.

Eed   

Burgemeester Van Ravenswaaijs wat minder gestaalde opvolger, de NSB’er Hendrik Vitters, deed begin mei 1943 een poging om het Zaandamse politiekorps een eed te laten afleggen waarin trouw werd gezworen aan de bezettingsmacht. Die eed begon met de zin: “Ik zweer, dat ik het in het bezette Nederlandse gebied geldende recht getrouw zal toepassen en naleven.” Wie de eedaflegging weigerde, liep het risico op ontslag of zelfs vervolging. Desondanks hielden sommige van de inmiddels 55 agenten hun rug recht, aldus een in 1946 door verzetsleider August W. Sabel gemaakt verslag. Eén voor één moesten ze de eed afleggen, van laag tot hoog. Wachtmeester Robert Rudolf (‘Bob’) Pel weigerde als eerste. Daarna volgden de opperwachtmeesters G. Meijer, Jelle Johan Merkus, Abraham Moerdijk en Johan Jongepier. En tenslotte hielden ook de hoofdwachtmeesters M. Iedema, Willem Frederik Zweers en de eerder genoemde Jan van der Schaaf hun poot stijf. Eén op de zeven Zaandamse politiebeambten nam dus het risico van sancties. Ze hadden geluk. Al snel bleek dat Vitters’ eedaflegging geen wettelijke grondslag had. De dwarse dienders konden opgelucht ademhalen. 
Wat Sabel overigens niet vermeldde is dat de agenten op 7 juni 1943 alsnog een eed moesten afleggen die hun onderdanigheid bezegelde. Die luidde: “Ik verklaar hierbij plechtig, dat ik, zoolang ik mijn ambt waarneem, de verordeningen en andere bepalingen van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebieden van de hem ondergeschikte Duitsche organen naar eer en geweten zal nakomen en mij zal onthouden van elke handeling, gericht tegen het Duitsche Rijk of de Duitsche weermacht.” Ik heb geen totaaloverzicht, maar eerdere weigeraars als Bob Pel, Jan van der Schaaf en Jelle Merkus tekenden dit keer wel.

Walraven van Hall

Een aantal van bovengenoemde mannen begaf zich desondanks toch in de illegaliteit, met Bob Pel op eenzame hoogte. Hij onderhield wekelijks contact met Walraven van Hall, informeerde Jan Brasser over de beste optie om korpschef Ragut te elimineren, smokkelde wapens, bevrijdde gevangenen en saboteerde waar hij maar kon. Dat de Sicherheitsdienst hem en Jan van der Schaaf in januari 1944 een week vasthield op verdenking van hulp aan het illegale blad Vrij Nederland wekt dan ook geen verbazing. Dat de twee weer vrijkwamen, hoewel de dienstdoende SD-beambte Emil Rühl meer meende te weten, mag daarentegen een klein wonder heten.

Bob Pel na zijn arrestatie, januari 1944 (R.R. Pel)

Naarmate de oorlog vorderde en de Duitse nederlaag dichterbij kwam, stapten meer Zaandamse agenten over de streep. De opportunistische Tonny Jansen, de opvolger van Ragut als korpschef, keerde om als een blad aan de boom en nam vanaf 1943 enorme risico’s om het verzet ter wille te zijn. Voor een mede-Rechtsfronter, wachtmeester Jan van der Meij, gold op bescheidener schaal iets vergelijkbaars.

‘Dooie dienders’

Op een door de ondergrondse in 1945 samengestelde lijst met Zaandamse NSB-leden staan zeven politiemedewerkers. Eén van hen was toen echter al geliquideerd (Willem Ragut), een ander verhuisd naar Amsterdam (Hendrik van der Kraan). Op 14 februari van datzelfde jaar stelde een medewerker van het ‘GEBU’ (het Gewestelijk Bureau, een eind 1944 opgerichte Zaanse illegale inlichtingendienst onder leiding van Zaandammer August W. Sabel) een rapport op over de Zaandamse politie. Een paar citaten: “Het politie-corps te Zaandam bestond, zooals ieder politie-corps, uit een groot aantal, wat men in de wandeling noemt, dooie dienders, en slechts enkele flinke kerels. (…) In het politie-corps zelf zat een groot aantal NSB-agenten oorspronkelijk, die door Ragut naar Zaandam werden gezogen, doch resp. allemaal weer naar andere plaatsen afvloeiden.” In februari 1945 waren er volgens de anonieme auteur van het rapport nog vier (bij naam genoemde) agenten die zich hadden ‘uitgesloofd voor de Duitschers’. Het was een kleine minderheid binnen het Zaandamse korps, dat ‘zijn best [deed] bij alle mogelijke gelegenheden de burgerij te waarschuwen, wanneer Duitsche maatregelen te vreezen zijn. Er wordt sinds de laatste paar jaar volledig mee samengewerkt.’

Het algemene beeld bij de Zaandamse politie is dus dat een minderheid al gedurende de eerste oorlogshelft overging tot acties tegen de bezetter. Een nog kleinere, veelal door Willem Ragut gerekruteerde minderheid collaboreerde. En de overgrote meerderheid zette de tering naar de nering. Ze gingen door met hun politiewerk en probeerden zo min mogelijk smetten op te lopen, zonder principieel stelling voor of tegen te nemen. Gedurende de tweede bezettingsfase vond er een geleidelijke verschuiving plaats. Steeds vaker steunden dienders het opkomende verzet in meerdere of mindere mate. Anderen probeerden in alle opzichten hun neutraliteit te bewaren, om problemen te voorkomen.

Willem Ragut

Koog-Zaandijk

Zaandam had verreweg het grootste politiekorps van de regio, maar hoe was het tussen 1940 en 1945 in de omliggende dorpen?
In het kleine korps van Koog-Zaandijk waren verhoudingsgewijs veel ‘goede’ agenten. Toch moesten ook zij voorzichtig zijn. Een opperwachtmeester van de Koogse politie, Arie B., behoorde volgens een ondergronds rapport uit januari 1945 ‘niet bij de politie ingedeeld te zijn’. “Meer dan eens heeft hij pro-Duitse uitlatingen gedaan. (…) Meer dan eens heeft hij door onverantwoordelijk geklets zijn collega’s en ook andere personen in gevaar gebracht.” Waarna onder meer de namen volgen van zijn collega’s Jan Cornelis Breeker, Klaas van Doeland en Herm Nijzink, inderdaad agenten die zich jarenlang weerden tegen de bezetter.

Herm Nijzink, tweede van rechts, in mei 1945 (particuliere collectie)

In Koog aan de Zaan bevond zich een nog veel rottere appel. De NSB’er Jan Bloemsma was hulpagent en fervent speurder naar joodse onderduikers. Het is dan ook begrijpelijk dat de verzetsgroep Koog-Bloemwijk probeerde om Bloemsma van het leven te beroven. Diens plaatsgenoot Jan Cornelis Breeker had niet alleen de zorg op zich genomen voor zo’n honderd onderduikers, maar ook de leiding in handen van deze ‘wilde’ groep. Een collega als Bloemsma kon hij missen als kiespijn. Helaas voor Breeker; diverse pogingen om deze nationaalsocialist te liquideren mislukten.

In Zaandijk was het vooral rijkspolitieagent Joop Keijzer die enorme risico’s nam, in een poging afbreuk te doen aan de bezetter. Als een van de weinige Stijkelgroepleden ontsnapte hij in 1941 aan arrestatie. De navolgende jaren zwierf hij door het land, opgejaagd door de Duitsers. Zijn vrouw nam met zijn medewerking onder meer een aantal joodse onderduikers in huis. Joop Keijzer werd in de zomer van 1943 alsnog gearresteerd, voor de deur van zijn woning. Hij werd daar neergeschoten toen hij aan zijn belagers probeerde te ontkomen. Hij belandde in een Amsterdams ziekenhuis. Zijn collega Jan Breeker nam het initiatief om hem te bevrijden. Ondanks de bewaking in het Westergashuis lukte dat op 19 augustus. Het was een van de vele gewaagde stunts van de groep Koog-Bloemwijk (waarvan ook het ondergedoken marechausseelid Koos (‘Joep’) Heijdra deel uitmaakte).

De naam van de wat kalmer opererende Koogse agent Herm Nijzink is onder meer terug te vinden in een door Jan Dirk Vis geschreven oorlogsverslag. Deze Zaandijker opereerde in de top van het plaatselijk verzet en was dan ook goed geïnformeerd. Volgens Vis was Herm Nijzink ondercommandant van de Ordedienst in Koog aan de Zaan. Zijn collega Klaas van Doeland fungeerde vooral als doorgeefluik voor het verzet. Van Doelands dochter Jopie, die actief was in de illegaliteit: “Wat dat verzetswerk betreft, van mijn vader hoorde ik wel het een en ander. Dat vertelde hij dan expres, omdat hij wist dat wij er wat mee deden. Langs zijn neus weg, zeg maar. En dan kon ik het doorgeven.”

Krommenie

Over de politiekorpsen in Wormerveer en Krommenie is weinig bekend, ook al omdat de dag- en nachtrapporten van die gemeenten verdwenen zijn. Uit een ondergronds verslag d.d. 19 maart 1945 valt op te maken dat de Krommenieër NSB-burgemeester Gerrit Jongsma het niet makkelijk had met de aan hem toegewezen dienders: “Jongsma verklaarde tenminste, Visser is de eenige man van het Politiecorps die ik volledig kan vertrouwen en waar ik een goede steun aan heb.” Waar de fanatieke collaborateur Jongsma in 1948 werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien jaar, kreeg opperwachtmeester Jan Visser 2,5 jaar cel wegens het arresteren van een aantal april-/meistakers. Zijn betrokkenheid bij de aanhouding van verzetsmensen en ondergedoken joden werd Visser niet aangerekend. Daardoor kwam hij er met een milde straf vanaf.

Omdat Gerrit Jongsma blijkbaar weinig steun ondervond van zijn eigen politie trok hij er regelmatig zelf op uit, gewapend met een pistool. Hij arresteerde joodse onderduikers en jaagde op verzetsstrijders. Die op hun beurt deden daarom enkele vergeefse pogingen om Jongsma uit de weg te ruimen.

Wormerveer

Net als in Zaandam bleef in Wormerveer de gemeentepolitie gehandhaafd. Daarnaast herbergde deze gemeente een marechausseekazerne. De medewerkers daar behoorden sinds eind 1940 bij de politie. Een opvallende naam bij de Wormerveerse marechaussee was hoofdwachtmeester Reinier Cornelis van den Bosch. ‘Opper’ van den Bosch verspreidde illegale lectuur, haalde geld op ten bate van onder meer onderduikers (die hij ook verzorgde), verzamelde wapens en munitie voor het verzet en spioneerde. Hij was een van de weinigen in de Wormerveerse marechausseekazerne die zo hun nek uitstaken. Bekend is dat daar minstens drie NSB’ers werkten. Ook de commandant die daar in het najaar van 1944 aantrad, luitenant Van der Meer, had de naam pro-Duits te zijn.

In zijn boekje Na 50 jaar wijdde de Wormerveerse verzetsleider Jaap Boot enkele pagina’s aan zowel de plaatselijke politie als de daarin opgegane marechaussee. Ook hij noemde Reinier van den Bosch, onder wiens bevel ‘verscheidene manschappen altijd voor ons klaar stonden’. Boot rekende onder andere Wout van der Waal tot die betrouwbare manschappen. Met hem haalde Boot bijvoorbeeld een zender voor de ondergrondse van Utrecht naar Wormerveer. De marechausseekazerne kwam ook van pas toen een neergehaalde Amerikaanse vliegenier in 1943 onderdak moest krijgen. “De marechausseekazerne leek me een geschikte schuilplaats voor hem en dat gaf bij de Opper en Wout geen enkel probleem. De eerste nacht sliep ik met [vliegenier] Victor in het bovenhuis van Wout”, aldus Jaap Boot. “Opper van den Bosch en zijn rechterhand Wout van der Waal waren mannen op wie je altijd kon rekenen.”

Reinier Cornelis van den Bosch

In Na 50 jaar bleef ook politiecommissaris F.W. de Groot niet ongenoemd, maar dan in minder positieve zin. Deze voorganger van Bouwens werd er in illegale rapportages onder meer van beschuldigd aan de leiband van de bezetter te lopen en op hun bevel een joodse Wormerveerder en verzetsmensen te hebben laten oppakken. Jaap Boot was eveneens kritisch. “De Groot was een omstreden figuur, niet bepaald fout, maar ook geen vriend van het verzet.” Het betekende dat hij in mei 1945 werd geschorst. Boot: “Toen De Groot na de bevrijding voor de zuiveringscommissie van de politie moest verschijnen, vertelde hij zonder blikken of blozen dat hij zijn pistool tijdens de bezetting van mij had gekregen. Dat was zonder meer een leugen.” Volgens Boot had hij het vuurwapen eigenhandig gestolen uit het politiebureau aan de Wormerveerse Stationsstraat.
F.W. de Groot -die in juni 1944 was ondergedoken, omdat hij vermoedde dat de Duitsers het op hem hadden gemunt- liet het er niet bij zitten en tekende bezwaar aan tegen zijn veroordeling. Met succes: in meerdere kranten was op 28 juli 1949 te lezen dat hij ‘bij ministeriële beschikking volledig gerehabiliteerd’ was. Jaap Boot: “Voor de zuiveringscommissie durfden verscheidene agenten niet tegen De Groot te getuigen. ‘Als hij terugkomt als commissaris hebben wij geen leven meer.'”

Nadat De Groot in 1944 onderdook, werd Jan Willem Bouwens zijn opvolger. Niet voor lang overigens. Op 7 oktober van dat jaar liquideerde de Raad van Verzet deze politiecommissaris, ondanks instructies van de Binnenlandse Strijdkrachten om dat achterwege te laten. Bouwens zou een dag later naar het Oostfront vertrekken en was dus niet langer gevaarlijk voor Wormerveer en omstreken. De represaille was gruwelijk. Vier dagen na de aanslag executeerden de Duitsers aan de Wormerveerse oever van de Zaan vijf mannen die met de eliminatie van Bouwens niets te maken hadden. De RVV betuigde desondanks geen spijt van de actie. Commandant Jan Jongh: “Doordat wij genoodzaakt waren ter beveiliging van de illegaliteit verschillende SS-schurken te elimineren, waaronder commissaris Bouwens te Wormerveer, kwam de schrik erin onder het politiekorps, dat of een halfslachtige houding aangenomen had of volkomen hand- en spandiensten verleende aan de Duitse bezetting.”

Dat die laatste zin enige nuance behoeft, blijkt wel uit de woorden van Jaap Boot. “Tijdens de bezetting kreeg ik van [rechercheur] Rijkeboer ook medewerking van de agenten [P.A.] Lak en de gebroeders [den] Boef.” Na de dood van Bouwens arriveerde er een nieuwe commissaris, Gerrit Reinder Vleeming uit Zandvoort (bijnaam ‘mooie Willem’). Die zocht na zijn benoeming contact met het verzet, in de persoon van Jaap Boot. De codezin waarmee deze Wormerveerse BS-commandant tijdens hun eerste ontmoeting Vleeming zou aanspreken was: “Ik kom uit Brummen.” Boot: “Nauwelijks had ik dat gezegd of hij riep uit: ‘Wat ben ik blij dat u bent gekomen. Ik wil niet dezelfde weg als mijn voorganger.’ Vanaf die tijd tot de bevrijding had ik in wezen de leiding over het politiekorps. Vleeming deed niets zonder vooraf met mij overleg te plegen.” In tegenstelling tot Bouwens werd de nieuwe politie-inspecteur door zijn tegenstanders gespaard.

Jaap Boot in 1965

Westzaan

De hiervoor genoemde Reinier Cornelis van den Bosch werd begin 1941 commandant van de Ordedienst in Westzaan. Hij werkte, tot hun arrestatie in februari 1943 wegens spionage, onder meer ondergronds samen met de plaatselijke burgemeester H.F. Jantzen en diens secretaris R. Schoenmaker. Gegevens over de rol van de Westzaanse veldwachter tussen 1940 en 1945 zijn me niet bekend.

Assendelft

Ook over Assendelft kan ik weinig vertellen. Mij is, naast veldwachter P. Molenmaker (zie de foto hieronder), alleen de naam Wilhelmus Hoveijn bekend. Hij woonde in de Assendelftse Dorpsstraat, maar werkte als rechercheur in Wormerveer. In die hoedanigheid werd hij er in oktober 1944 van beschuldigd de burgemeester een lijst met dertien executiekandidaten te hebben overhandigd. Zij zouden in aanmerking komen voor de wraakactie die de Duitsers in gedachten hadden na de eliminatie van korpschef Jan Willem Bouwens. Hoveijn werd in mei 1945 gearresteerd, maar drie jaar later vrijgesproken. Hij keerde terug naar het Wormerveerse korps, ondanks alle ook toen nog over hem rondzingende verhalen.

Veldwachter P. Molenmaker controleert op de Dorpsstraat in Assendelft of varkensslachter Jan Steijn geen clandestien vlees vervoert (Gemeentearchief Zaanstad)

Oostzaan

Zoals burgemeester Gerrit Jongsma in Krommenie voor agent speelde, zo deed zijn collega Johannes de Bree dat vanaf zijn benoeming in 1942 in Oostzaan. Hij was met name gebrand op zwarthandelaars en clandestiene slachters, maar ging ook op zoek naar joden en illegale lectuur. Meestal trok hij er alleen op uit. Blijkbaar vertrouwde hij de Oostzaanse diender Roel van Maasdam onvoldoende. Die werd in 1945 geschorst en onderwerp van onderzoek, maar mocht per oktober 1946 weer in actieve dienst treden.
Na De Brees zelfmoord, in juli 1943, kreeg Oostzaan enkele gematigder burgemeesters en hield ook de weinige politie in het dorp zich gedeisd. Maar hoe moeilijk het was om desondanks de handen schoon te houden, bleek wel toen Roel van Maasdam op 4 januari 1945 assisteerde bij de arrestatie van zijn dorpsgenoot Henk Swart. Die werd verdacht van illegaal slachten. Dat de Duitsers Swart twee dagen later executeerden, een vergelding voor een aanslag door anderen, had Van Maasdam hoogstwaarschijnlijk niet voorzien. 

Veldwachter Roel van Maasdam in het gemeentehuis van Oostzaan. Op de deur van de burgemeesterskamer staat: ‘Betreed deze kamer nimmer met vrees’ (Oudheidskamer Oostzaan)

Wormer

De politie in Wormer bestond aanvankelijk  uit drie man, de veldwachters Klaas de Boer en P. Koopmans (eind 1942 opgevolgd door J. Blom) en marechausseelid Mulder. In 1943 kwamen daar twee marechausseemedewerkers bij, genaamd Fedde Foppes en J.J. Duursema. Van Klaas de Boer is bekend dat hij geliefd was bij de bevolking. Dat deze Wormer agent weinig ophad met het nazistisch gedachtegoed bleek wel toen hij op 29 november 1944 enkele Duitsers op het verkeerde been zette. Ze hadden even daarvoor verzetsman Jan Kuijper doodgeschoten. Het was een vergissing; ze zochten iemand anders. Gevraagd naar de identiteit van het slachtoffer hield ‘opper’ De Boer zich van de domme: “Die man komt hier niet vandaan.” Daarna lichtte hij een medewerker van de Raad van Verzet in. Of zijn collega’s in Wormer ook zo deutschfeindlig waren, is uit mijn archief niet te herleiden.

1 oktober 1942. Felicitaties voor Klaas de Boer, die dertig jaar bij de politie in Wormer is (Waterlands Archief)

Conclusie

Hoewel bovenstaande inventarisatie uiteraard niet compleet is, kan wel de voorzichtige conclusie worden getrokken dat er geen eenduidig oordeel mogelijk is over de Zaanse politie. De meeste korpsen telden zowel collaborateurs als verzetsstrijders. Er waren opportunisten en principiëlen, aan beide kanten van de streep. Maar de meerderheid binnen de politie probeerde, net als hun collega’s elders in Nederland en net als het overgrote deel van de bevolking, vooral om heelhuids door de oorlog te komen en besmetting -met name door de machthebbers- te voorkomen. Dat was misschien niet heldhaftig, maar in die context wel begrijpelijk.

Jan van der Schaaf

Tot slot nog even terug naar rechercheur Jan ‘Grijpt-Alles’ van der Schaaf. Op 20 januari 1945 vond hij een anonieme brief op zijn deurmat met een stempel van de ‘Verzetsbeweging Zaanstreek’. Die beschuldigde hem, overigens niet voor het eerst, van hand- en spandiensten aan de onderwereld. “Herhaalde malen blijkt dat U met verschillende inbrekers en helers in één schuitje vaart en er niet tegen opziet ten eigen bate met deze lieden tot een accoord te komen.” Er zat maar één ding op, volgens de briefschrijver: Van der Schaaf diende per direct met pensioen te gaan. Anders ‘gaan wij onmiddellijk tot de meest strenge maatregelen over’. 

Toen Jan van der Schaaf de doodsbedreiging leek te negeren, volgde er na een week een tweede brief. “Het schijnt dat U er niet genoeg van doordrongen zijt, dat we het meenen met onze voorwaarden. (…) Thans richten wij ons voor de laatste maal tot U en bevelen U onmiddellijk Uw pensioen aan te vragen en de dienst op staande voet te verlaten. Mocht U aan dit bevel vòòr a.s. Maandagmiddag 6 uur niet gevolg hebben gegeven, dan zijn alle risico’s voor U en Uw gezin. Wij zullen dan geen enkele reden hebben nog eenige clementie te hebben en zullen niet terugdeinzen de strengste maatregelen te treffen. (…) U hebt Uw lot in eigen handen.” Ook schoot de communistische verzetsstrijder Ber Hulsing als aanvullende waarschuwing een kogel door Van der Schaafs voordeur. 

Pensioen

Dir keer koos Jan van der Schaaf eieren voor zijn geld. Twee dagen later stuurde hij een brief naar de burgemeester met het verzoek ‘hem eervol ontslag te verleenen uit den politiedienst daar hij den 55-jarigen leeftijd heeft bereikt en momenteel physiek niet meer in staat is zijn dienst naar behooren te verrichten’. Het verzoek werd schriftelijk ondersteund door korpschef Tonny Jansen. Het verzet had ook hem inmiddels verzocht Van der Schaaf uit het korps te laten vertrekken.

Tonny Jansen voor het Gerechtshof, 1949

Misschien kwamen Jan van der Schaaf en Tonny Jansen nog het dichtst in de buurt van de gemiddelde Zaanse diender in oorlogstijd. Beiden bogen twee kanten op, naar de bezetter en naar het verzet. Daar tussendoor probeerden ze, net als voor de oorlog, hun reguliere politiewerk te doen. Na de bevrijding kregen ze de rekening gepresenteerd voor hun opportunistische houding, in de vorm van een sanctie. Agenten als Bob Pel -die overduidelijk aan de goede kant van de lijn stond- en Hendrik van der Kraan -fout tot op het bot- waren de uitzonderingen.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Extreem oorlogsgeweld in de Burgemeestersbuurt

Het zijn slechts twee straten in zuidelijk Zaandam, maar de Tweede Wereldoorlog drukte er een stevig stempel op. In de Burgemeester van de Stadtstraat en de Burgemeester Ter Laanstraat wisselden leven en dood, bezetting en verzet elkaar vrijwel dagelijks af.

De meeste huizen in dit deel van de Burgemeestersbuurt werden eind jaren ’30 opgeleverd. Het waren -en zijn- in een rustige omgeving gelegen, degelijke woningen met een tuintje. Zeker destijds golden ze als prima onderkomens voor gezinnen uit de middenklasse. Het is dan ook geen toeval dat een deel van de Zaandamse ambtenaren er tijdens de oorlog een plek kreeg aangeboden. NSB-burgemeester Cornelis van Ravenswaay, die in 1942 aantrad, maakte er werk van om het Zaandamse ambtenarenkorps in hoog tempo te nazificeren en zijn nieuw aangetreden partijgenoten een passend onderdak te bezorgen. De gloednieuwe Burgemeestersbuurt was daartoe prima geschikt. Maar met de rust was het voortaan wel gedaan.

Collaborateurs

Op de naoorlogse lijsten van de Politieke Opsporingsdienst staan acht in bovengenoemde straten wonende personen als collaboratieverdachte vermeld, vooral ambtenaren. De POD-lijsten maken echter geen aanspraak op volledigheid. Bovendien verhuisden er voor de bevrijding aanbrak nationaalsocialisten uit deze wijk naar andere adressen en haalden twee daar wonende ‘landverraders’ mei 1945 niet levend. Gesteld kan dan ook worden dat de Van de Stadtstraat en de Ter Laanstraat nog wel wat meer deutschfreundliche personen herbergden dan het POD-overzicht vrijgeeft.

Het laatste blokje van de Burgemeester van de Stadtstraat was waarschijnlijk zelfs exclusief gereserveerd voor leden van de Zaandamse (water)politie. Op nummer 123 woonde de beruchte chef van de waterpolitie, Willem Nicolaas Ehlhardt. In de woorden van BS-commandant Johann van Marle ging het hier om ‘een NSB’er‘ en iemand die ‘zich verschrikkelijk uitsloofde om alles te doen wat de Duitsers maar wilden.’ Onder leiding van Ehlhardt plunderde de waterpolitie naar hartelust mensen die in de winter van 1944-’45 op hongertocht waren geweest in noordelijk Noord-Holland.

Naast Ehlhardt, op nummer 125, huisde Jan de Man, een onderluitenant van de waterpolitie. Op nummer 131 woonde volgens het telefoonboek van 1943 een niet bij naam genoemde rivierbrigadier van de politie te water en op 133 agent K. Mast. Voor zover bekend was op deze laatste politieman niets aan te merken. Achter de deuren van de tussenliggende nummers 127 en 129 hebben hoogstwaarschijnlijk ook politiebeambten gewoond. Onduidelijk is wat tussen 1940 en 1945 hun politieke achtergrond was. Dat geldt niet voor de bewoners van de Van de Stadtstraat 23, 48 en 80. Zij werden door de Politieke Opsporingsdienst eveneens als ‘fout’ beoordeeld en in mei 1945 voorafgaand aan hun berechting opgesloten in de Zaandamse districtsgevangenis.

Politiekorps Zaandam, deels. Rond 1941 (collectie R.R. Pel)
De Zaandamse politie, 1941
(collectie R.R. Pel)

In de parallel lopende Burgemeester Ter Laanstraat woonden minimaal twee collaborateurs. Achter de voordeur van nummer 120 bevond zich een door burgemeester Van Ravenswaay aangestelde medewerker van de Zaandamse gaarkeuken. Hij verdween kort na de bevrijding in de POD-arrestantenwagen. En op nummer 27 woonde Franciscus Diedericus Willemse. Deze door de illegaliteit gehate politieman zakte op 5 februari 1945 dodelijk gewond in elkaar op de hoek van de Zuiddijk en de A.F. de Savornin Lohmanstraat, getroffen door vijf of zes kogels die enkele verzetsstrijders op hem hadden afgevuurd.

Willemse was niet de enige bewoner uit deze straat op wie in februari een vuurwapen werd gericht. De 25-ste overleed Joost Zeeman. Deze 18-jarige onderduiker, wonend in de Ter Laanstraat 110, werd door Landwachters neergeschoten toen hij een Ausweis-controle probeerde te ontlopen. Enkele dagen later stierf ook de eerder genoemde Willem Ehlhardt in een kogelregen. Het toeval wilde dat dat gebeurde in de Ter Laanstraat, ter hoogte van nummer 85. Een ooggetuige, de jeugdige Jaap Plugge, was getuige van het vervolg: “Mijn kameraadje Wim zat huilend op straat naast zijn stervende vader. Een vreselijk schouwspel. Nu nog voel ik hoe beroerd ik was bij dit aangezicht. lk ben snel naar huis gegaan en pas later hoorde ik dat Ehlhardt die avond in het ziekenhuis was overleden.”

Binnen vier weken tijd werden dus drie mannen uit de Burgemeesterbuurt vermoord, twee door het gewapend verzet en een door gewapende nationaalsocialisten.

Bob Pel

Het was niet allemaal kommer en kwel in de Burgemeesterbuurt. In de Ter Laanstraat 88 woonde een van de weinige leden van de waterpolitie die aan de ‘goede’ kant stonden. En op nummer 97 bevond zich het gezin Pel. Vader Robert Rudolf was wachtmeester bij de Zaandamse politie en een van de actiefste verzetsstrijders van de Zaanstreek. De verdeeldheid bij de politie in de Van de Stadtstraat en de Ter Laanstraat tekende de schizofrene situatie van het plaatselijke korps in bezettingstijd. De Burgemeestersbuurt als geheel kon daarnaast model staan voor de uitersten die de jaren 1940-1945 beheersten.

R.R. Pel rond 1941 (collectie R.R. Pel)
Robert Rudolf Pel, 1941
(collectie R.R. Pel)

Jan de Man

Had Willem Ehlhardt de oorlog overleefd, dan was hem ongetwijfeld de gevangenis ten deel gevallen. Dat overkwam wel zijn buurman en opvolger als commandant bij de waterpolitie, Jan de Man. Die werd op 8 mei 1945 opgesloten in de districtsgevangenis aan de Stationsstraat. Hij zou er tot 25 augustus van dat jaar blijven, op beschuldiging van diefstal en NSB-lidmaatschap. De Man, in zijn verweer: “De enigste oorzaak van de op mij uitgebrachte beschuldiging is dat ik op het bureau der waterpolitie met 4 man samen zat die niet safe waren. Ik werd toen voor de schurkenstreken van dit viertal beschouwd als bliksemafleider, door mij te betichten van het lidmaatschap der NSB. Een collega van mij heeft de NSB-instanties onderzocht en is tot de conclusie gekomen, dat de beschuldiging absoluut ongegrond was.”

De politieman was in 1944 ook al opgepakt en toen naar kamp Amersfoort vervoerd. Hij werd er toen door de Duitsers van verdacht wapens te hebben gestolen en in zijn huis te hebben verborgen. De Man ontsnapte na acht maanden en dook tot aan de bevrijding onder bij buurvrouw Gerritje Oldenburg in de Van de Stadtstraat 106. Dat hij na de bevrijding opnieuw werd opgepakt, moet hij hebben ervaren als een uiterst wrange speling van het lot. Zijn geluk was dat hij ontlastende verklaringen kon overleggen over hulp aan onderduikers. Eén van hen, de Amsterdammer L.H. Cohen: “Hierbij verklaar ik dat de heer Starreveld en De Man mij als Israeliet te allen tijde hebben geholpen, en het mij bekend is dat ook andere Israelieten en onderduikers door hen geholpen zijn. Dat zij alles hebben gedaan om de NSB tegen te werken en te zorgen dat niet alles in Duitse handen viel. Ik ben er dan ook van overtuigd dat zij niet ten eigen bate hebben gewerkt en verzoek u de volle medewerking om deze kwestie zoo spoedig mogelijk uit de weg te helpen.” De getuigenissen pakten goed uit. Eind augustus 1945 keerde Jan de Man voor de tweede keer terug uit gevangenschap.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Robert Rudolf Pel; verzetsgrootheid

Robert Rudolf Pel (Zaandam, 21-11-1914/Huis ter Heide, 1-3-2008) behoort tot de minder bekende Zaanse verzetsstrijders. Er is geen straat naar hem vernoemd en er zijn nauwelijks artikelen aan hem gewijd. Dat is onterecht. Rechercheur ‘Bob’ Pel behoorde namelijk tot de grootsten binnen de regionale illegaliteit.

De in Zaandam geboren en getogen Robert Pel volgt na de mulo de Kweekschool, maar slaagt er niet in om een onderwijzersdiploma te halen. Hij gaat vervolgens in dienst en wordt beroepsmilitair. Wanneer Nederland in mei 1940 capituleert, werkt hij bij de Militaire Politie. Al op de dag van de Duitse inval wordt Pel bij Lobith gevangengenomen. Pas in augustus van dat eerste oorlogsjaar mag hij vanuit Duitsland terugkeren naar zijn woonplaats. Daar solliciteert hij met succes bij de lokale politie.

Plaatsvervangend commissaris A.J. van Doorn haalt hem begin 1941 over om zich aan te sluiten bij het ontluikende verzet. Kort daarna, in mei, krijgt Van Doorn ‘onbeperkt ziekteverlof’ (hij overlijdt het jaar daarna). Het verlof hoort bij de ingrepen van de nieuwe NSB-burgemeester Van Ravenswaaij, die het ambtenarenkorps wil omvormen tot een Hitlergetrouwe organisatie.

R.R. Pel bij politie Zaandam, 1941 (collectie R.R. Pel)Bob Pel, 1941

Wanneer diens opvolger, de eveneens nazigezinde burgemeester Vitters, het in mei 1943 nodig acht om alle politiebeambten een eed van trouw op het nieuwe bewind te laten afleggen is Pel de enige van de (onder-)wachtmeesters die weigert. Hij is tevens de eerste Zaandamse politieman -in totaal werken er ongeveer zestig- die dat doet. Na hem durft slechts een enkele collega op dat beladen moment nee te zeggen. Wonder boven wonder komt Pel er zonder schade vanaf en kan hij in functie blijven. Het is de tweede keer dat Pel aan arrestatie ontsnapt. Begin 1943 heeft hij geweigerd om Sophia Schagen-Christiaansen aan te houden. Zijn ‘foute’ superieur, waarnemend commissaris Meindert Talma: “Ik heb eens aan Pel opdracht gegeven om een dame uit de Schildersbuurt te arresteren en voor [te] geleiden bij de SD. [Sicherheitsdienst]. Pel is naar haar toegegaan, maar kon haar niet arresteren, omdat ze jonge kinderen had. Hij rapporteerde me dit, waarop ik tegen hem zei: ‘Je weigert een opdracht, dan moet ik je ontwapenen.’ Zover kwam het echter niet. Juist op dat moment kwam [inspecteur Tonny] Jansen binnen, die Pel in de verdediging nam.” Bob Pel ontsnapt aan ontslag en waarschijnlijk erger.

Hij is dan al tot over zijn oren betrokken bij de vele illegale acties in en rond zijn woonplaats. In zijn naoorlogse dossier is zijn verzets-CV samengebald in één lange zin: “Heeft vanaf 1941 tot aan de bevrijding honderden valse persoonsbewijzen uitgereikt aan leden van diverse verzetsgroepen, Joden, Engelse en Amerikaanse piloten, alsmede andere door Duitse politie-instanties gezochte Nederlanders; hij maakte daarbij volledig gebruik van materiaal en gegevens welke hem in zijn toenmalige functie van rechercheur van politie te Zaandam ten dienste stonden, in feite juist om vervalsingen op dit gebied te achterhalen.” De opsomming geeft weer hoe belangrijk Pel was, maar doet hem desondanks tekort. Robert Pel deed namelijk veel meer. Een onvolledige opsomming maakt dat duidelijk.

Willem Ragut

In februari 1943 krijgt Bob Pel opdracht om de ondergedoken joodse familie Vles te arresteren. Alvorens (een dan uiteraard overbodige) huiszoeking te doen waarschuwt hij hen en zorgt er voor dat ze op hun nieuwe onderduikadres worden voorzien van documenten en geld. Aan het eind van de oorlog krijgen ze zelfs onderdak in zijn woning aan de Tuinstraat. Ook boven de Zaanstreek gesprongen vliegeniers worden door hem naar onderduikadressen vervoerd. Arrestanten die van Zaandam naar de Sicherheitsdienst moeten worden gebracht raken soms spoorloos ‘zoek’. Pel benut daarbij onder meer de Duitse bureaucratie om hun namen uit de dossiers te krijgen.

Tonny Jansen, die na de liquidatie van zijn chef Willem Ragut (ook hiervan weet Pel tevoren) hoofdcommissaris wordt in Zaandam, kruist vaker Pels pad. De Zaanse verzetsleider Jaap Buijs, rechercheur Pel en de nationale ‘bankier van het verzet’ Walraven van Hall besluiten begin 1943 om de nieuwe Zaandamse commissaris, over wie ze belastende informatie hebben, onder druk te zetten. Buijs: “Pel had zich al enige malen bij mij beklaagd dat Jansen diverse zaken niet uitvoerde of deze op een verkeerde manier aanpakte. Op zekere dag vertelde Pel mij dat het hem bekend was geworden dat Jansen een radiotoestel had gestolen. Ik heb toen gezegd: ‘Nu kunnen wij hem naar onze kant dwingen, of hem anders afhandelen’ [lees: liquideren]. Als hij niet wilde meewerken, zou er met hem afgerekend moeten worden. Als het ware was dit eigenlijk chantage. We zagen hierin een middel om Jansen min of meer te dwingen zijn volledige medewerking aan de illegaliteit te verlenen. Pel kwam, nadat hij hierover met Jansen gesproken had, bij mij met de boodschap dat het een uitkomst voor Jansen was geweest, hij had het zelfs met grote ijver aanvaard.”

Jansen moet voortaan berichten die van belang zijn voor de verzetsorganisaties doorgeven aan Pel en Buijs, onder meer via een, mede dankzij Pel tot stand gekomen, clandestiene telefoonlijn. De commissaris hapt toe. Buijs: “Wij kunnen constateren dat door hem minstens tachtig mensen uit handen van de Gestapo zijn gehouden. Bovendien is zijn werk voor ons van enorme betekenis geweest, omdat wij hierdoor altijd met alles op de hoogte waren.” De waarschuwingsdienst functioneert tot aan de bevrijding naar behoren: tal van ondergedoken joden en gezochte verzetsstrijders weten erdoor te ontkomen aan de nazi’s en hun handlangers.

Op zaterdag 15 januari 1944 nemen Pel (schuilnaam ‘Bakker’) en zijn collega Folkert Brandsma de trein naar Breda. Van daar lopen ze naar het huis van de gebroeders Van Nunen, die enkele uit Engeland overgevlogen geheim agenten huisvesten. Ze zijn met zendapparatuur, vuurwapens, munitie en 120.000 gulden gedropt in de omgeving van Princenhage. Pel en Brandsma slagen er in om de goederen met de trein over te brengen naar Zaandam, vanwaar ze worden verspreid onder diverse illegale organisaties.

Drie dagen na dit gewaagde transport belandt Pel alsnog achter de tralies. Wanneer de Zaandamse verzetsstrijder Martin Arends wordt opgepakt treft de SD Pels naam aan in Arends’ notitieboekje. Het is voldoende om hem te arresteren en te beschuldigen van financiële steun aan het verzet. Door hardnekkig alles te ontkennen wordt Pel na enige tijd weer vrijgelaten. Zonder te aarzelen pakt hij zijn ondergrondse werkzaamheden weer op.

Grünen

Een treffend staaltje van zijn lef betreft het per politieauto wegbrengen van 20 of 30.000 bonkaarten (de genoemde aantallen variëren) voor onderduikers, van Wormerveer naar een Amsterdams advocatenkantoor. Bij de Hembrug gaat het bijna mis. Twee Grünen vragen hem of ze kunnen meerijden. Pel laat hen instappen en excuseert zich dat ze moeten plaatsnemen op enkele pakken papier (waarin de bonkaarten zitten). Aangekomen bij het afleveradres verlaat Pel kalm zijn auto, verzoekt de Duitsers om uit te stappen en laat hen vervolgens de bonnen naar het kantoor tillen.

Wanneer het verzet een inbreker neerschiet dekt Bob Pel de dader door de schuld op zich te nemen. Hij maakt valse processen-verbaal op, bijvoorbeeld over vermiste boten. Die kunnen vervolgens worden ingezet voor wapentransporten. Hij verleent medewerking aan de voorbereiding van overvallen op politiebureaus, distributiekantoren en gemeentehuizen, alsmede aan liquidaties van verraders.

Met kerstmis 1944 verschijnen er aanplakbiljetten in de Zaanse straten, met oproepen voor de Duitse arbeidsinzet. Al de volgende dag hangt de omgeving vol met tegenpamfletten, het resultaat van Zaans topoverleg waarbij Walraven van Hall de centrale man is en waarbij verder Jaap Buijs, Robert Pel en August Sabel aanwezig zijn. Eerste kerstdag besluit het viertal om een tekst op te stellen met als strekking dat medewerking aan deze Liese-Aktion ongewenst is. De makers van het illegale Zaanse blad De Typhoon drukken nog dezelfde dag een groot aantal aanplakbiljetten met de oproep. In de nacht van 25 december worden ze her en der over de Duitse posters geplakt, met als resultaat dat slechts een klein percentage van de Zaanse arbeiders meewerkt aan de dienstplicht. Geen van de werkgevers vraagt Ausweise aan. Het ontwerp van het Zaanse aanplakbiljet dient in de navolgende weken als voorbeeld elders in Nederland.

Pel heeft gedurende de bezettingstijd een cartotheek opgebouwd met namen en activiteiten van NSB’ers, collaborateurs en andere ‘foute’ Nederlanders. Het vormt na de bevrijding een basis voor zijn werk als districts-arrestatie-officier van Gewest 11 van de Binnenlandse Strijdkrachten. Jammer genoeg heeft Robert Pel, voor zover bekend, slechts weinig oorlogsherinneringen op papier gezet. In oktober 1945 vertrekt hij naar Nederlands-Indië, waar hij drie jaar politiewerk verricht. Daarna keert hij terug als inspecteur-korpschef in Wormerveer en Krommenie. In 1955 wordt hij politiecommissaris in Kampen. In 1964 duikt zijn naam nog even op in de landelijke pers, wanneer hij als commissaris een ondergeschikte op het matje roept nadat die ten onrechte het boek Ik Jan Cremer in beslag neemt. Daarna wordt het steeds stiller rond de oud-verzetsman.

Pels oorlogservaringen maken nieuwsgierig. Wie weet er meer over deze bijzondere persoon en zijn ondergrondse activiteiten? Informatie is welkom via info@schaapschrijft.nl.

R.R. Pel, vermomd, 1943 of 1944 (collectie R.R. Pel)
Robert Rudolf Pel vermomd (1943 of 1944)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



NSB’er Douwe Bakker bijna Zaandamse korpschef

Het is slechts bij weinigen bekend, maar Willem Ragut was tijdens de oorlog tweede keus bij de aanstelling van een nieuwe politiebaas voor Zaandam. Als het aan burgemeester Cornelis van Ravenswaay had gelegen was niet deze gehate politieman, maar de Amsterdamse inlichtingenchef Douwe Bakker benoemd tot korpsleider in het rode Zaandam. Bakker was een misschien nog wel grotere crimineel en antisemiet dan Ragut, die in 1944 zou worden doodgeschoten door Jan Bonekamp en Hannie Schaft.

De Amsterdammer Douwe Bakker (Nieuwer-Amstel, 8-12-1891) was al in 1933 NSB-lid, reden om hem op 12 mei 1940 te interneren. Na de Duitse overwinning werd hij uiteraard vrijgelaten en mocht hij zijn carrière bij de Amsterdamse politie (hij was op dat moment inspecteur bij de Justitiële Dienst) vervolgen. Collega’s typeerden hem als een stugge en humorloze man en als een naargeestige collega die moeilijk in de omgang was. Toen de Duitsers op 16 mei de hoofdstad binnentrokken stond hij vooraan om ze te begroeten. “Het is overweldigend”, schreef hij enthousiast in zijn dagboek. “De Gestapo is gekomen: er zal recht gedaan worden. (…) Het vonnis over de vervloekte plutocratieën voltrekt zich. Leugen en bedrog, Jodendom en Kapitalisme gaan hun verdiend loon halen. Adolf Hitler het genie zal hen vermorzelen.”  En anderhalve maand later, toen vrijheidslievende Amsterdammers op de verjaardag van prins Bernhard hun voorkeur toonden: “De aanhangers van het Britse roofregime tooien zich demonstratief met witte anjers.”

Douwe

Inval onder leiding van Douwe Bakker in het café van W. Hartlooper op de Nieuwmarkt (NIOD)

Dat dagboek, 3600 dichtbeschreven pagina’s, is ook de bron waaruit ik onderstaande citaten haalde over het mogelijke burgemeesterschap in Zaandam. Ik ontdekte Bakkers verhaal bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD). Daarin komt vrij uitgebreid aan de orde dat hij kandidaat was voor het hoogste ambt bij de Zaandamse politie. Op 4 maart 1941, nog geen week na de ook in Zaandam enthousiast begroete Februaristaking, werd burgemeester Joris in ‘t Veld ‘mit sofortiger wirkung’ ontslagen. Hij had zich in de ogen van de bezetter te meegaand opgesteld. Zijn plaats werd vergeven aan Van Ravenswaay, een begeesterde nazi en NSB’er. Een van diens eerste daden was het wegsturen van de plaatselijke politiecommissaris C. Roscher. Ook die werd namelijk gezien als ‘deutschfeindlig’. 

Op dat moment kwam Douwe Bakker in beeld. Hij noteerde in zijn dagboek: 8-3-1941: “Krijg in den middag bezoek van Kd. [NSB-kameraad] van Ravenswaay, regeeringscommissaris-burgemeester te Zaandam. Hij deelt mede dat de Commissaris van Politie Roscher gisteren uit zijn ambt is ontslagen en dat hij nu naar een nieuwe politiecommissaris uitziet: komt daarom bij mij. Zaandam lokt mij ook niet erg aan, doch wijs ik hem ook niet af. Hij zal zich beraden, daar hem nog een anderen candidaat is genoemd.”

10-3-1941: “[Hoofdinspecteur Leen] Ponne spreekt met Kd. [van] Ravenswaay over de positie van Cm. [commissaris] in Zaandam en houdt hem voor dat wij inspecteurs in Amsterdam voorbestemd zijn om voorloopig hier te blijven. (…) In den middag deelt de Regeeringscommissaris Kd. v. Ravenswaay mij telefonisch mede dat zijn keuze van Commissaris van de Zaandamse politie op mij blijft. Onder voorbehoud neem ik deze functie aan, d.w.z. dat ik het voorbehoud maak van een eventueele zakelijkheid om in Amsterdam een rol bij de reorganisatie te spelen. Ponne zal het er morgen over hebben met de Bauftragte in Amsterdam, Senator [Hans] Böhmker. Wij dienen nu zoo langzamerhand te weten waar we hier in Amsterdam aan toe zijn.”

14-3-1941: “Krijg vanmorgen een brief van Kd. Kp. [kapitein] Kemper uit Zaandam: hij deelt mede dat de salarieering van Cm. aldaar is van f 4500 – f 5500, in 10 jaren te bereiken. Het corps telt 36 tot 42 agenten (…) Roscher blijft in Zaandam wonen in de vaste overtuiging dat over een poosje de Engelschen hier komen en zijn oude positie weer hersteld wordt.”

17-3-1941: “‘s Middags een onderhoud met Oberst.führer Molle over de mogelijkheid van mijne benoeming in Zaandam. Hij raadt aan deze eventueel aan te nemen, ook al zou een eventueele benoeming in Amsterdam volgen. Het bezwaar is echter, dat er verhuisd moet worden. De Regeeringscommissaris Kd. van Ravenswaay komt toevallig ook oploopen. Hij is zeer voortvarend en klaagt er over dat de benoeming zoo lang op zich laat wachten.”

24-3-1941: “‘s Middags om 2.15 uur bij den P.G. [procureur-generaal] J.A. [Johan August] van Thiel ontboden en met hem gesproken over Zaandam. Nog niet veel wijzer geworden.”

25-3-1941: “De teerling is geworpen. Vanmorgen bij den heer Senator ontboden en deelde aan mij mede, dat het in zijn voornemen ligt de leiding van de Krimineele Afdeeling bij de Politie op te dragen aan Kd. [Hans] Krenning [een politiecommissaris], terwijl hij mij de leiding van de politieke afdeeling heeft toebedacht. Dit is een aanbod dat een van mijn wenschdroomen in vervulling doet gaan. Spreek nog met den H.C. [hoofdcommissaris Karel Henri] Broekhoff, die zegt dat nadere aanwijzingen zullen volgen. (…) Heb nu de Regeeringscommissaris in Zaandam geschreven dat ik van een eventueel benoeming in Zaandam afzie.”

27-3-1941: “‘s Morgens met Vis een onderhoud over de vacature Zaandam: ook hij blijft liever in Amsterdam.”

Het heeft dus maar weinig gescheeld of Douwe Bakker was hoofdcommissaris geworden in Zaandam. De oprichting van het Amsterdamse Bureau Inlichtingendienst -een reactie op de Februaristaking- kwam voor hem net op tijd. Vanaf dat moment kon hij zich helemaal uitleven in de jacht op andersdenkenden en zich ontwikkelen tot de gevaarlijkste opponent van de illegaliteit in en rond de hoofdstad. In het begin beperkten Bakker en zijn drie collega’s zich vanuit hun kantoor aan de Nieuwe Doelenstraat 13 tot het opsporen van makers en verspreiders van illegale blaadjes. Maar al binnen enkele dagen raakten de fanatieke rechercheurs overstelpt met werk. Bakker vroeg en kreeg meer werknemers: ruim twintig in totaal. Zij arresteerden vele honderden (vermeende) tegenstanders van het regime en leverden en passant ook nog wat joden over aan de Duitsers. Douwe Bakker, nadat hij had deelgenomen aan een razzia op Jehova’s Getuigen: “Tuig dat dringend noodig dient te worden uitgeroeid.” Zijn opsporingseenheid deinsde er niet voor terug om gevangenen zwaar te mishandelen. Verheugd constateerde Bakker dat een arrestant die hij aan de Sipo had overgeleverd ter dood was veroordeeld. In de herfst van 1941 waarschuwde het illegale Parool zijn lezers dan ook voor deze ‘gangsterbende’: “Honderden goede Nederlanders hebben zij reeds in de handen van de Duitschers gespeeld.”

Omdat Bakker zijn mannen niet in de hand kon houden, eindigde zijn carrière bij de inlichtingendienst vroegtijdig en belandde hij bij het Bureau Joodse Zaken. Ondanks zijn reputatie als genadeloze collaborateur ontsnapte hij na de oorlog aan de kogel. Na aanvankelijk te zijn veroordeeld tot slechts zeven jaar cel kwamen er nieuwe misdaden aan het licht. De advocaat-fiscaal eiste daarop alsnog de doodstraf tegen Bakker. De rechtbank wilde niet verder gaan dan aan het eerdere vonnis nog eens acht jaar gevangenisstraf toe te voegen. Het is altijd riskant om te speculeren hoe de geschiedenis er had uitgezien als er op beslissende momenten anders was gehandeld. Maar in dit geval kan worden gesteld dat de verzetsstrijders Hannie Schaft en de door Ragut dodelijk getroffen Jan Bonekamp wellicht de bevrijding hadden meegemaakt als niet Willem Ragut, maar Douwe Bakker was benoemd tot korpschef in Zaandam. Tegelijkertijd: Bakker was dermate toegewijd aan het nazisme dat hij ongetwijfeld andere en wellicht zelfs meer slachtoffers had gemaakt dan zijn collega.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag