Berichten

Nazihandlanger/publicist M. Duyvis uit Zaandam

Aan het christelijke Nederlandsche volk zag het daglicht in januari 1941. Het boek ‘werd in beslag genomen en, nadat men gepoogd had mij voor gek te verklaren, weer vrijgegeven door de daartoe bevoegde instanties in Nederland’. Dit warrige politieke schotschrift vloeide voort uit het brein van oud-Zaankanter M. Duyvis. Wie was deze fanatieke antisemiet en Hitler-aanbidder?

De (bijna?) gekverklaarde auteur -het vergt hier te veel ruimte om het hoe en waarom te duiden- plaatste voorin Aan het christelijke Nederlandsche volk een foto van zichzelf. Te zien is een oudere heer achter een degelijke typmachine. Hij kijkt met een ietwat gekwelde blik langs de lens. Zijn 268 pagina’s tellende, tweedelige boek eindigt met een foto van de Führer, ‘onze Groote Broer’. De tussenliggende tekst is een mix van jodenhaat, nazisupport en opschepperij over de groten der aarde die Duyvis zou hebben ontmoet dan wel geholpen. Het is het verhaal van een nationaalsocialistische pocher op leeftijd. Zijn in het voorjaar van 1941 vrijgegeven schrijfsel belandde na de bevrijding op de mestvaalt van de geschiedenis, ondanks dat de auteur het vier jaar eerder nog een enorm succes noemde. Ook de schrijver zelf verdween uit het zicht. Wie was deze publicist?

M. Duyvis

Een paar bijna willekeurige citaten uit Aan het christelijke Nederlandsche volk maken veel duidelijk. Laat ik beginnen met de lange openingszin van het boek: “Nu meer en meer het besef begint door te dringen, dat niets en niemand de wording van het nieuwe Europa, opgebouwd in nationaal-socialistischen en fascistischen geest, zal vermogen te weerstaan en velen in hun gesprekken uit laten komen overtuigd te zijn, dat de oude orde welke Engeland met zijn verschillende handlangers trachtte te handhaven, binnen afzienbaren tijd tot het verleden zal behooren, zonder evenwel het juiste begrip te hebben, hoe deze ontwikkeling historisch gegroeid is, lijkt het mij nuttig aan de hand van de feiten, na te gaan, hoe het zaaien van corruptie door Frankrijk en Engeland als oogst heeft doen ontstaan de vernietiging van deze landen.” Een eind verderop kan Duyvis niet nalaten te beweren dat zo ongeveer al zijn eerdere voorspellingen zijn uitgekomen, maar dat geldt dus niet voor deze langdradige start van zijn boek.

Een andere quote: “Het moet U toch duidelijk zijn, volksgenooten, in welken toestand de plutocraten, vrijmetselaars, joden enz., van Engeland, Amerika en Frankrijk hun bondgenoot Italië met het verdrag van Versailles hebben achtergelaten.” Voortbordurend op deze complottheorie wijst Duyvis vervolgens keer op keer de joden en vrijmetselaars aan als aanstichters van vrijwel al het kwaad in de wereld. De kop van één van zijn hoofdstukken vat zijn gedachtegoed samen: “Hoe de democratische vrijmetselaars en joden-gezelschappen hun rottigheden verbergen door gebruik te maken van de christelijke vlag.”

Tegenover deze boosdoeners staat zijns inziens Adolf Hitler, de geduldige vredestichter. “Dat Hitler de juiste man is op de juiste plaats, zal vriend en vijand moeten toegeven. Wat hij voor het Duitsche volk gedaan heeft en wat hij nu bezig is te doen voor de geheele wereld (en hij zal slagen, dat verzeker ik U) is enorm. (…) Deze heilige met zijn idealen wordt aangebeden door 90 millioen Duitschers en ik voorspel U, dat in zeer korten tijd, alle Germaansche volken van Europa hem zullen opeischen als hun heilige, dezen eenvoudigen man.” Het is ideologische wartaal, kwaadaardige onzin. En dat dus 268 pagina’s lang.

Citaat uit Aan het christelijke Nederlandsche volk

Uit zijn tekst valt op te maken dat Duyvis rond 1900 een rijwielfabriek had, eerst in Rotterdam en daarna in Schiedam. Deze vader van twee dochters (geboren in 1902 en 1905) woonde aanvankelijk op de Heemraadssingel, maar in 1940 op de Rochussenstraat 105a, beide in Rotterdam. In 1906 verloor hij zijn linkerbeen. Toen hij viel reed er een tram overheen. Wellicht betekende dit ongeluk het begin van het einde van zijn fietsbedrijf, want dat werd in 1908 failliet verklaard. Duyvis vertrok daarop naar Turijn. Daar werkte hij enkele jaren in de Fiat-fabriek. In 1915 reisde hij naar Nederlands-Indië, waar hij een aantal maanden verbleef. In 1919 keerde hij terug naar Nederland, na opnieuw enkele jaren Italië.

Arnhemsche Courant (25-4-1906)

Een kleine rekensom op basis van zijn mededeling een jaar jonger te zijn dan Hendrik Colijn leidt tot de conclusie dat M. Duyvis in 1870 ter wereld kwam. Maar daarna meldt deze boerenzoon tot vijf keer toe 66 te zijn, waaruit voortvloeit dat hij rond 1874 geboren is. Hij kreeg de voornaam van zijn vaders vader, maar noemt die alleen terloops. (“Tinus, ik ben in Nederland”, citeert hij zijn broer). Dat drie jaar jongere broertje kreeg overigens de voornaam van zijn moeders vader, Freek. Uit Duyvis’ verhaal valt verder af te leiden dat hij vanaf zijn tiende naar de (particuliere) christelijke school aan het Zaandijkse Darmenpad (de tegenwoordige Smidslaan) ging. Daar kreeg de latere NSB’er -slechts- twee jaar les van de enige leraar ter plekke, de heer Breebaart (‘want van de andere scholen was ik weggejaagd geworden, wegens mijn karakter.’). Toen hij veertien was, woonde de schrijver naar eigen zeggen in Zaandam.
Tot zover de aanwijzingen die naar de verdere personalia van M. Duyvis moesten leiden.

Citaat uit Aan het christelijke Nederlandsche volk

Het zijn genoeg bouwstenen om Duyvis’ levensloop te achterhalen. Hij bleek in werkelijkheid Duijvis -met een ij- te heten en een zoon te zijn van de in Zaandam geboren veehouder Pieter Duijvis (21-7-1842) en van Catharina Petronella Duijvis-Schweeke. Zij kwam op 16 oktober 1836 ter wereld in Monnickendam, de plaats waar ook onze auteur geboren werd. Dat gebeurde op 4 mei 1875. De boreling ging als Martinus de boeken in. Zijn broertje ‘Freek’ heette voluit Frederik Willem en was inderdaad drie jaar jonger.

Dat Martinus Duijvis in Monnickendam het licht zag, had alles te maken met zijn moeder. Een jaar voor Martinus’ geboorte verhuisde zijn vader van Zaandam naar het vissersdorp, waar hij op 29 maart 1874 met Catharina in het huwelijk trad. Nog geen drie jaar later keerde Pieter met zijn vrouw en oudste zoon terug naar de Zaanstreek. Niet naar Zaandam overigens, maar naar Assendelft. Dat was ook het dorp waar Freek werd geboren. De familie ging wonen bij Pieters broer Gerrit Duijvis, eveneens een veehouder.

Vijf jaar later, in 1882, verruilde het gezin Duijvis -op Martinus’ zevende verjaardag- Assendelft voor de Vaartdijk 420 in Westzaan. Weer vier jaar daarna ging het nog een paar kilometer oostelijker, naar het Jan de Wittepad 347 in Koog aan de Zaan. En van daar verhuisde het gezin naar de Oranjestraat G363, vlakbij het Zaandamse treinstation. Pieter Duijvis was inmiddels afgezakt van boer tot arbeider.

Armoede

De armoede tekende het gezin. Het was in deze periode dat Martinus Duijvis de arbeidersvoorman Ferdinand Domela Nieuwenhuis hoorde, en in de ban raakte van diens retoriek. Citaat: “Ik woonde te Zaandam en ging met mijn vader naar een vergadering op de Oostzijde, waar hij spreken zou. Ik was pas veertien jaar, maar heb nooit vergeten wat hij zei, en Domela is een van mijn leiders geweest in heel mijn verder leven en mijn zwerftochten over de wereld. Hij was de paal waartegen mijn persoonlijke jonge levensboom kon opgroeien.” Hoe lang zijn passie voor het anarchisme overeind bleef, schreef Duijvis niet in zijn boek, maar in 1940 was hij van extreem-links naar extreem-rechts geschoven en hing hij de nazistische beginselen aan.

Handelaar in velocipèdes

In de tussentijd was hij ook uit de Zaanstreek vertrokken. Het lijkt er op dat het gezin Duijvis in de jaren ’90 uiteenviel. Moeder Catharina vertrok in 1894 naar Oostzaan en vader Pieter keerde in 1898 terug naar Westzaan. Maar al twee maanden voor zijn moeder Zaandam verliet, deed ook Martinus dat. Per 5 mei 1894, daags na zijn negentiende verjaardag, werd hij bijgeschreven in Amsterdam. Zijn vormingsjaren waren Zaans gekleurd, nu ging hij het als ‘handelaar in velocipèdes’ proberen in Amsterdam. Dat verliep blijkbaar niet meteen naar wens, want acht maanden later ging hij zijn moeder achterna naar Oostzaan. In het voorjaar van 1896 was hij terug in de hoofdstad. Daar probeerde hij ditmaal zijn brood te verdienen als kellner. Ook dat duurde niet lang; op 27 januari 1897 vertrok hij samen met zijn moeder en broer naar Rotterdam. Martinus huwde er Wilhelmina Aletta de Recht, met wie hij aan het begin van de twintigste eeuw twee dochters kreeg. En hij keerde terug naar zijn eerdere professie, rijwielfabrikant en -verkoper.

“Failliet 22-5-1908”, meldt Duijvis’ kaart van de burgerlijke stand. Het betekende het begin van zijn inmiddels eenbenige tocht naar het buitenland, een reis die via Brussel naar Italië en Nederlands-Indië liep. Waarmee hij in het interbellum zijn brood verdiende, is me niet duidelijk. Maar begin 1941 was de inmiddels gepensioneerde ex-fietsenmaker terug. Zijn aanvankelijk uit de handel gehaalde en inmiddels heruitgegeven en aangevulde Aan het christelijke Nederlandsche volk deed toen de ronde langs het deutschfreundliche deel van de natie.

In zijn boek haalde Tinus Duijvis een paar keer aan dat hem op korte termijn waarschijnlijk een ‘soberen houten villaatje’ wachtte. Daarin kreeg hij wel gelijk. Hij overleed op 8 september 1942 in Apeldoorn. Een naoorlogse veroordeling wegens collaboratie bleef hem daardoor bespaard. Vergetelheid werd zijn deel.

De slotwoorden van Aan het christelijke Nederlandsche volk

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag