Berichten

De mysterieuze verdwijning van de Zaanse synagoge-inventaris

Na de bevrijding bleek er van de Zaandamse synagoge-inventaris verrassend veel bewaard gebleven. In de daarop volgende decennia verdwenen vrijwel alle bezittingen alsnog, vaak op raadselachtige wijze. Wat gebeurde er met de inboedel?

Op deze site heb ik al eens geschreven over de zoekgeraakte Zaanse synagoge-inventaris. Maar met de jaren komt er meer informatie naar boven. Tegelijkertijd worden de raadsels alleen maar groter. Tijd voor een chronologische update.

Het vooroorlogse synagoge-interieur, met achteraan de ‘Heilige Arke’

In zijn boekje De Joodse Gemeente in Zaandam (1988) schreef Joep Auwerda over de synagoge: “In Zaandam was vrijwel niets meer. Alle spullen die bij de eredienst werden gebruikt, waren in de Tweede Wereldoorlog gestolen. Een eigen archief zegt de gemeente niet te hebben.” Maar klopt het wel dat er na de oorlog alleen een lege huls over was, in de vorm van een van alles ontdane sjoel?

Vanaf 1942 werd het godshuis op de Gedempte Gracht inderdaad ontheiligd en leeggeplunderd. De gebruikers en bestuurders van het gebouw waren in januari van dat jaar naar het joodse getto in Amsterdam verbannen, de bezetter had vrij spel. De voorzitter van de Nederlands-Israëlitische Gemeente, Jacob Drukker, leverde zoals hem was bevolen op de dag van zijn gedwongen vertrek de sleutels van het godshuis in bij de plaatselijke politie. “Enkele kleine voorwerpen werden door mij nog in veiligheid gebracht”, vertelde hij na de oorlog. Om welke voorwerpen het ging en waar ze belandden, zei hij helaas niet. Ze zijn anno nu spoorloos.

Zilveren voorwerpen

Er werd meer veiliggesteld. De hoofdopzichter van de afdeling Gemeentewerken in Zaandam, Dirk Voet, verstopte naar eigen zeggen in 1942 een aantal zilveren synagogevoorwerpen onder de vloer van het godshuis. Na de bevrijding waren ze verdwenen. Niemand weet wat er met de buit is gebeurd.

Dat laatste gold ook voor veel andere objecten. De Zaandamse politiechef Tonny Jansen liet in de zomer van 1943 hetgeen er resteerde van de synagoge-inboedel weghalen. Een deel ging naar het hoofdbureau aan de Vinkenstraat (een betrokken collega somde op: “Een grote antieke kast, lamp, ijzeren kist en andere voorwerpen, waaronder schilderijtjes en een leeuwenkop.”). Een ander deel van de geroofde spullen nam Jansen mee naar zijn woning in de Zaandamse Stationsstraat 82. “De geldkist van de Joodse synagoge onder meer”, verklaarde hij op 22 mei 1945. Zijn hebzucht bleef niet beperkt tot deze geldkist. Politieman en oud-verzetsstrijder Jan Jongh na een huisbezoek in mei 1945: “De eerste indruk die ik kreeg, was dat Jansen de hele Joodse synagoge bij elkaar gestolen had.”
Op één voorwerp na -zie hieronder- verdwenen de meegenomen goederen vervolgens weer uit het zicht. Of de in het politiebureau verzamelde spullen daar na de bevrijding bleven, is onbekend. De overheid kreeg de beschikking over de bij Tonny Jansen in mei aangetroffen artikelen. Daarna loopt het spoor dood. Bij de rechtmatige eigenaars kwam het roofgoed in ieder geval niet meer terug, zoals blijkt uit een in 1958 door het toenmalige synagogebestuur opgesteld overzicht van vermiste artikelen ter waarde van bijna 7.000 gulden.

‘Heilige Arke’

Van slechts één synagogevoorwerp is een deel van het vervolgtraject bekend: de zogeheten ‘Heilige Arke’. In deze grote, eikenhouten kast werden onder meer de Torarollen bewaard. Jacob Drukker, in een naoorlogs getuigenverhoor: “Nadat ik op de dag der bevrijding weder te Zaandam terug was gekomen -ik ben namelijk steeds in de buurt ondergedoken geweest-, vernam ik van de veilinghouder en opkoper Van der Woude, wonende aan de Westzijde alhier, dat bovenbedoelde eikenhouten kast door hem was opgeborgen in zijn opslagplaats en dat hij deze kast tijdens de bezetting van de toenmalige Inspecteur van Politie T. Jansen in ontvangst had genomen. Ik heb naderhand de kast in de opslagplaats van Van der Woude gezien en daarbij geconstateerd dat deze inderdaad uit de synagoge te Zaandam afkomstig was.” Klaas van der Woude bevestigde Drukkers verhaal. “De eikenhouten kast heb ik weder ter beschikking gesteld van de Nederlands Israëlitische Gemeente.” Twee jaar na de bevrijding was de synagoge nog altijd een bouwval, beschikte de NIG niet over geld om het gebouw op te knappen en wachtte de kast in Van der Woudes opslag aan de Westzijde 242 op de rechtmatige eigenaars. Of de Heilige Arke ooit terugkeerde naar de sjoel is een raadsel.

Torarollen

In de jaren na de oorlog kwam ook een ander deel van de synagogeboedel boven water. Of toch niet?

In Dagblad Zaanstreek van 26 augustus 1996 schreef verslaggeefster Denise van Kempen dat na de oorlog ‘slechts zes Torarollen gespaard bleven’. Die zin staat ook in het vier jaar eerder verschenen standaardwerk over de Nederlands-joodse geschiedenis, Pinkas. Onduidelijk blijft alleen wat de oorspronkelijke bron is. En de Torarollen zijn tot op heden zoek.
Nog zo’n raadsel: Joep Auwerda citeert in De Joodse Gemeente in Zaandam de toenmalige conservator van het Joods Historisch Museum, Joël Cahen. Die vertelde: “Er moet ergens een kist met een [synagoge-]archief zijn. Dat heb ik gehoord van een lid van van de joodse gemeente Zaandam, van Arie Pais, zoon van de voormalige voorzitter.” Maar waar die kist zou zijn gebleven, wist Cahen helaas niet te vertellen. En ook het NIG-bestuur van destijds had geen idee. Of zou Cahen doelen op de notulenboeken? Daarover straks meer.

Een deel van het synagoge-interieur in 1969 (D. Peeters)

Dam 2

Drie decennia later ging er weer iets verloren. Het in het centrum van Zaandam gelegen gebouw Dam 2 was sinds 1858 respectievelijk in gebruik bij de plaatselijke Vrijmetselaars en als café Suisse. Tijdens de oorlog had de afdeling Gemeentewerken van Zaandam het pand in beheer. Er was onder meer een bank- en girokantoor gevestigd. In 1993/’94 werd Dam 2 verbouwd. In november 1993 hoorde Zaandammer Anton Faas van een kennis dat bij het slopen van een vloer een aan het oog onttrokken, door twee muren omgeven ruimte was ontdekt. Nadat de slopers daarin waren afgedaald, ontdekten ze een aantal kluisjes. Toen ze die openmaakten, vonden ze ‘een tamelijk grote hoeveelheid  waardevolle spullen’, aldus Faas. “Het ging om onder andere bladgoud en waardepapieren.” Zijn kennis ‘voegde daaraan toe dat het ging om joods bezit dat vanwege de oorlog hier opgeborgen was’. De gevonden goederen zouden door de slopers zijn meegenomen.
Anton Faas wendde zich tot de gemeente Zaanstad. Een ambtenaar beaamde ‘dat er inderdaad een kluizencomplex aanwezig was en dat het openen en slopen daarvan onder toezicht had plaatsgevonden’. De met bovenstaand verhaal geconfronteerde projectontwikkelaar ‘bevestigde dat er iets was gevonden, namelijk een kistje zonder inhoud. (…) Er was ook een getuigschrift of diploma van een joodse school of instelling van voor de oorlog gevonden.’

Bladgoud

De zoektocht van Anton Faas leidde in december 1994 tot een artikeltje in Dagblad Zaanstreek. “Volgens directeur L. Bosch van de Amsterdamse exploitatiemaatschappij De Purmer, sinds twee jaar eigenaar van het pand, bevatte een van de kluizen stukken en een administratie van een joodse vereniging die hij zich niet met name kon herinneren”, aldus de verslaggever. Volgens Bosch had hij de kluisinhoud overgedragen aan het Gemeentearchief Zaanstad. Dat ontkende echter de documenten te hebben ontvangen. En daarmee verdwenen ook deze stukken uit het zicht.
De al eerder genoemde Dirk Voet had als opzichter van Gemeentewerken tevergeefs geprobeerd om het zilverwerk van de synagoge veilig te stellen. Dam 2 was zijn dagelijkse werkplek. Zou hij daar de ‘joodse’ documenten in één of meer kluisjes hebben verborgen? En betrof dat papierwerk -en bladgoud?- van de sjoel? Of kwam het uit een joods huishouden?

Plattegrond van Dam 2 (1922). Binnen het langwerpige, met dikke zwarte rand omgeven blok in het souterrain bevond zich een kluis

Notulenboeken

Zelfs in de 21-ste eeuw ging er nog iets verloren van het toch al schamele synagogerestant dat na de bevrijding opdook. In 2015 kwamen uit een opbergplaats van de Nederlands-Israëlitische Gemeente twee vooroorlogse notulenboeken tevoorschijn. Ze bevatten de verslagen van de bestuurs- en kerkenraadsvergaderingen van de Zaandamse synagoge en besloegen respectievelijk de periodes 24 januari 1892 tot met 2 mei 1911 en 9 mei 1911 tot en met 16 juli 1931. Dat was alles wat er resteerde van het synagogearchief. Ook het notulenboek dat liep van 1931 tot en met 1942 -met waardevolle aantekeningen over de vele joodse vluchtelingen in de Zaanstreek en over de oorlogsgebeurtenissen- was door de nazi’s vernietigd.
Het lag in de bedoeling om beide bewaard gebleven notulenboeken een veilige plek te bezorgen in het Gemeentearchief Zaanstad. Maar ergens onderweg ging er iets mis. Het boek dat liep tot 1931 verdween op mysterieuze wijze. Al wat er nu nog van zichtbaar is, zijn enkele even eerder gefotografeerde pagina’s. Hieronder één van die bladzijden. Te lezen is hoe de notulerende secretaris Izak de Haan -de vader van de beroemde auteurs Carry van Bruggen en Jacob Israël de Haan- niet voor het eerst zijn beklag doet over het vele werk en de magere verdiensten die hem als gazzan zijn toebedeeld. Het is uniek materiaal. En het is dus weg.

Het lijkt er op dat vrijwel al het ternauwernood geredde synagogemateriaal alsnog door de geschiedenis is verzwolgen, als schepen in de Bermudadriehoek. Hopelijk komt er nog iets van boven water, om te beginnen het verdwenen notulenboek. Wie meer weet, kan zich melden: info@schaapschrijft.nl.

PS. Het is me bekend dat op Curaçao een oude sleutel van de synagoge ligt, waarschijnlijk die van de voordeur. Ik heb goede hoop dat in ieder geval die terugkomt naar Zaandam.

 

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Joods roofgoed: Bandoeng, Amsterdam, Wormer, Krommenie

Joods roofgoed dat bestemd was voor vernietiging bij de Wormer papierfabriek Van Gelder bleef behouden dankzij een arbeider uit Krommenie. Maar wie zijn de mensen op die bewaard gebleven foto’s uit de Tweede Wereldoorlog?

Nadat in 1942 in Amsterdam de eerste grootschalige razzia’s tegen joden hadden plaatsgevonden, zagen de inwoners van Wormer dag na dag volgeladen vrachtwagens het dorp binnenrijden. De door gewapende SS’ers bewaakte auto’s bevatten honderden tonnen aan boeken en documenten. Het was roofgoed, afkomstig van weggevoerde joden. De enorme collectie literatuur, Thorarollen, antieke geschriften en fotoalbums werd bij Van Gelder Zonen tot pulp gemalen. Een voormalig sous-chef van de papierfabriek getuigde later: “Als die zakken werden leeggegooid, vaak waren het PTT-zakken, dan stond me het huilen nader dan het lachen. Tussen oude gebedenboeken en rollen perkament zag je opeens een corset, een schoen en een sok, een half gebit, een gebroken zuigfles met speen, de resten melk er nog in. Dat waren geen kleren die uit de kast kwamen, dat waren kleren die de mensen een paar uur tevoren hadden uitgetrokken. Je kon zien dat die joodse mensen zo uit hun bed waren gehaald. Dat zo’n oud mens niet eens de tijd had gekregen zijn gebit in te doen of zo’n vrouw om haar corset aan te doen.” De nazi’s deden – ook – in Wormer hun uiterste best om elke tastbare herinnering aan het jodendom te wissen. Maar ondanks de strenge bewaking ter plekke slaagden sommige Van Gelder-medewerkers er een enkele keer in om iets van de aangevoerde lading achterover te drukken.

Nadat ik in 2016 via het jaarboek van het Historisch Genootschap Wormer de aandacht vestigde op deze vrijwel onbekende massavernietiging van joodse bezittingen nam Elly Rozemeijer uit Krommenie contact op. Haar vader, Barend (‘Bab’) Daenen, werkte tijdens de oorlog bij Van Gelder. Op enig moment tussen 1942 en 1945 slaagde hij er in om een fotoalbum dat bestemd was om te worden vermalen veilig te stellen. Hij nam het album mee naar huis. Bij gebrek aan informatie over de oorspronkelijke eigenaar(s), ongetwijfeld van Amsterdams-joodse komaf, had het sindsdien een plek in de Krommenieër boekenkast bij de familie Daenen en daarna bij dochter Elly.

Bandoeng

Het album bevatte slechts negen foto’s. Te zien zijn een man met een baby (vader en kind?), diezelfde man op een motor, vier afbeeldingen van kleine kinderen, de Amsterdamse Westerkerk en een verder onbekend straattafereel, vermoedelijk eveneens in de hoofdstad. De laatste foto is atypisch: op de afdruk is een vrouw zichtbaar die poseert voor een traditioneel Indonesisch batakhuis. Op de achterkant van deze foto is met blauwe inkt een tekst geschreven: “Bandoeng Aug. ’38 Ik zit toch liever in mijn torenkamertje in de J.W. Brouwersstraat 21. Tabee Eussie.” De blijkbaar al voor de oorlog naar Nederlands-Indië vertrokken ‘Eussie’ – een typisch joodse koosnaam – had blijkbaar heimwee naar Amsterdam.

Een zoektocht door oude Amsterdamse woningkaarten leidde naar een lijst met vele tientallen vooroorlogse inwonenden van de Amsterdamse Jan Willem Brouwersstraat 21. De lengte van het namenoverzicht is niet verwonderlijk; op dat adres bevond zich namelijk Pension Hirsch. Naast de ‘gewone’ gasten daar herbergde Hirsch in de jaren ’30 Duitse vluchtelingen als de befaamde uitgevers Fritz Landshoff (Querido) en Walter Landauer (Allert de Lange) en de beroemde auteur Klaus Mann. Afgaand op een brief uit 1935 aan zijn moeder beviel het Mann prima bij Hirsch. Omdat het pension volgeboekt was, had hij helaas elders een kamer moeten zoeken. “Ik zit hier te bibberen van de kou, want waar ik nu verblijf zijn slechte kolen geleverd en de verwarming doet het niet. Helaas was er in het charmante Pension Hirsch opeens geen geschikte kamer meer voor mij, zodat ik moest verhuizen naar een klein hotel in de buurt”, klaagde hij.

In 1941 moesten zowel de veelal joodse pensionbewoners als de joodse eigenaar plaatsmaken voor een nieuwkomer. NSB-kopstuk en president van De Nederlandsche Bank Meinoud Rost van Tonningen nam zijn intrek in het grote, door hem geconfisqueerde pand. Toen waren zowel Klaus Mann als ‘Eussie’ overigens al jaren in het buitenland. De eerste vluchtte in 1938 verder naar de Verenigde Staten, de tweede vertrok datzelfde jaar naar Nederlands-Indië.

Rappaport

Op de woningkaart in het Stadsarchief Amsterdam is maar één bewoner van de Jan Willem Brouwersstraat 21 te vinden die naar Nederlands-Indië afreisde. Op 21 juni 1938 werd Siegfried Eduard Rappaport uitgeschreven als Amsterdammer. Kort daarna dook deze op 6 september 1914 in Semarang geboren opticien op in Bandoeng, het huidige Jakarta. Vanuit deze stad zou hij de foto met heimwee-opschrift naar Amsterdam sturen.

Verder onderzoek leert dat de joodse Rappaport door zijn vertrek uit Nederland ontsnapte aan de Holocaust, maar na de bezetting van Nederlands-Indië wel in Japanse gevangenschap belandde. Op dat moment werkte hij als sergeant bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger. Na enig speurwerk lukte het om een dochter van Siegfried Rappaport te vinden. Ze was na de oorlog met haar ouders naar de Verenigde Staten vertrokken en bevestigde dat het handschrift van ‘Eussie’ op de foto dat van haar vader was. “It made my heart warm”, schreef ze in reactie op de plotseling opgedoken vondst, 72 jaar na de bevrijding. Haar vader had het verblijf in verschillende Jappenkampen ternauwernood overleefd (‘close to death due to dysentery and credited his survival to a fellow prisoner’). Hij zou uiteindelijk in 2003 in Houston overlijden, 89 jaar oud.

Gabriella Rappaport meende verder haar tante Dorothy te herkennen op de foto met het batakhuis, maar wist helaas niet wie er afgebeeld zijn op de andere foto’s. Waren het vrienden van Siegfried Rappaport, of misschien zelfs familie? En hadden ze als joodse Amsterdammers de bevrijding meegemaakt of waren niet alleen hun bezittingen, maar ook zijzelf vernietigd?

Aanknopingspunten om de zoektocht naar de geportretteerden af te ronden waren er nauwelijks. Het nummerbord op de auto achter de motorrijder kon worden herleid tot de voormalige eigenaar, maar die leek niet in relatie te hebben gestaan tot de poserende man. Het identificeren van de afgebeelde personen was alleen nog mogelijk via inmiddels hoogbejaarden die hen herkenden. Inmiddels vonden de foto’s hun weg gevonden naar diverse (sociale) media. Wellicht konden op die manier de foto’s terugkeren bij de nabestaanden.

 

Enfin, om een lang verhaal naar een mooi einde te schrijven: na een oproep op Facebook meldde zich Yvonne van Wijk. Zij herkende opeeens haar oom Eli Gezang, met in de armen zijn zoon Hans. Die overleefde samen met zijn broer Rob en zijn ouders de jaren ’40- ’45 door onder te duiken en van adres naar adres te trekken. Daarna was het contact snel gelegd. Op 30 maart 2018 kwamen beide broers naar Krommenie. Daar ontvingen ze uit handen van Elly Rozemeijer de foto’s die hen toebehoorden, ruim driekwart eeuw na de oorlog. De cirkel was rond. 

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag