Berichten

Het begin van het Englandspiel

In mijn boek De levens van Johnny de Droog besteed ik aandacht aan het begin van het Englandspiel, dat tientallen Nederlandse geheim agenten het leven kostte. Hieronder het hoofdstuk over de eerste agenten die in de Duitse val liepen. Het boek over verzetsstrijder en V-Mann De Droog is overigens verkrijgbaar via iedere boekhandel.

In de nacht van 6 op 7 november 1941 zond de Dutch Section van de Britse sabotagedienst Special Operations Executive twee geheim agenten naar bezet Nederland. Nadat ze ongezien met hun parachutes op een boerenkoolveld bij Ommen landden, maakten Thijs Taconis en zijn marconist Huub Lauwers zich op om hun gewaagde missie uit te voeren. Taconis had als opdracht om verspreid over Nederland sabotagegroepen te formeren die vanuit Groot-Brittannië zouden worden gevoed met vuurwapens en explosieven. Lauwers moest een inlichtingeneenheid opzetten en zorgen voor het zendcontact met Londen.

Het duo was gedropt met flink wat bagage. De SOE had hen – naast slecht vervalste persoonsbewijzen en identieke kleding, waardoor ze er clownesk uitzagen – voorzien van pistolen, twaalfduizend gulden, noodrantsoenen, gereedschap, een fiets en een kristalzender. Taconis, een atletisch gebouwde, gebruinde eind-twintiger, en de kleinere en iets jongere Lauwers wisten na een moeizame zwerftocht onderdak te vinden bij kennissen in Den Haag. Het was een noodoplossing, bij gebrek aan andere schuiladressen. Taconis kon er maar kort blijven. Te veel mensen uit de hofstad kenden hem. Verraad lag op de loer. Met een hoed over de ogen liep hij schichtig rond, hopend op het beste. Er diende daarom elders in het land veiliger huisvesting te komen. Dat lukte via Jaap van Dijk, een verkoopleider bij Unilever in Arnhem. Hij wist een geschikt onderkomen: het Oosterbeekse pension Glück Auf. Om argwaan te voorkomen gingen de twee agenten daar door voor gewone gasten van het echtpaar Van Lingen, de eigenaars.

Wapens en sabotagemateriaal

Lauwers trachtte in Glück Auf zijn zender aan de praat te krijgen. Maar wat hij ook probeerde: de apparatuur miste het vermogen om de overkant van de Noordzee te halen. Hopend dat het versturen van berichten wel zou lukken wanneer hij zich dichter bij Engeland bevond reisde Lauwers half december terug naar Den Haag. Reservekapitein/dierenarts Christiaan van den Berg – dezelfde die eerder namens de Ordedienst via via wapens en munitie had geleverd aan de Arnhemse verzetsgroep De Slapende Leeuw – bracht hem daar in contact met reserveluitenant Walter Teller. In diens flatwoning aan de Fahrenheitstraat kon Huub Lauwers op 3 januari 1942 eindelijk een bericht naar Londen zenden. Bovendien toonden Van den Berg en Teller zich bereid om samen met hem een inlichtingendienst op te zetten. Ook Thijs Taconis had succes. Hij was er vanuit het Oosterbeekse ‘hoofdkwartier’ in geslaagd om verspreid over Nederland contacten te leggen die als basis konden dienen bij het vormen van sabotagegroepen. De uitholling van het Duitse gezag begon dus eindelijk te draaien conform de meegekregen opdrachten.

In februari berichtte de SOE het duo dat er een eerste zending wapens en sabotagemateriaal op komst was. Nogal prematuur, meende Lauwers. Strijdende verzetseenheden waren vooralsnog een zeldzaamheid en een dropping zou alleen maar tot extra risico’s leiden. ‘Op een tijdstip waarin ten gevolge der Duitse en Japanse successen op alle fronten (Rusland, Afrika, Singapore, Ned. Oost-Indië) meer dan ooit rekening moest worden gehouden met verraad, niet alleen van NSB-zijde, maar ook door diegenen die niet langer vertrouwen hadden in een geallieerde overwinning, werd de luitenant Taconis gedwongen, teneinde deze opdracht te kunnen uitvoeren, in contact te treden met verschillende reeds bestaande en mogelijkerwijze door de Gestapo gepenetreerde verzetsorganisaties’, analyseerde Lauwers een jaar na de bevrijding. Zijn chef Taconis had eveneens bedenkingen, maar vond een weigering van dit vroege cadeau geen optie. Hij oordeelde dat ze in Londen wel zouden weten waarmee ze bezig waren. Lauwers riep daarop Christiaan van den Berg te hulp. Er was een geschikt afwerpterrein nodig en het lukte de agent niet om dat zelf te vinden. Een oud-collega hielp de reservekapitein aan een bruikbare plek, de heide bij het Drentse Hooghalen. Alleen een vrachtwagen om de afgeworpen containers te vervoeren ontbrak. Ook daarop wist Van den Berg raad. Zijn nieuwe medewerker George Ridderhof wilde er zorg voor dragen.

Samenzweerders en saboteurs

Glück Auf was langzaamaan veranderd in een verzamelplaats voor samenzweerders en saboteurs. Onder hen bevond zich ook een Arnhemse fietsenmaker. De SD’er Willem Joseph Hohmann vertelde in augustus 1945, zonder nadere specificatie, dat De Droog ‘het vuile werk voor hen [Taconis en Lauwers] opknapte’. Huub Lauwers zei daarover enkele maanden later dat hij ‘door bemiddeling van Van Dijk in verbinding [stond] met zekere Johnny, die hem bij vervoer wapens behulpzaam zou zijn’.

Waar Johnny de Droog zich op dat moment nog inzette voor koningin en vaderland speelde George Ridderhof al een dubbelrol. De Amsterdamse koopman was het voorgaande jaar als gevolg van zwarthandel in de gevangenis beland. Daar vertelde een aangehouden Februaristaker hem dat er regelmatig een geallieerde duikboot pendelde tussen Engeland en Zeeland. Om een wit voetje te halen verklapte Ridderhof dat spectaculaire verhaal aan de Duitsers. Het werkte, hij mocht het huis van bewaring verlaten. Aan de vrijlating was wel een voorwaarde verbonden: hij moest doordringen in de geschetste organisatie. Dat was een onmogelijke eis. De pendeldienst bleek namelijk niet te bestaan. Wel lukte het Ridderhof om in Zeeland het vertrouwen te winnen van een illegaal opererende marinier. Die verwees hem naar Christiaan van den Berg. Deze Hagenaar was zo ingenomen met zijn nieuwe kennis, een gemoedelijke man die net als hij wel van een glaasje en een praatje hield, dat hij hem uitgebreid informeerde over zijn ondergrondse activiteiten en contacten.

Johnny de Droog

George Ridderhof

Toen een Brits vliegtuig in de nacht van 27 op 28 februari 1942 twee containers met wapens en springstoffen boven Hooghalen dropte, assisteerde de nieuwbakken V-Mann George Ridderhof de nog altijd onwetende Van den Berg met het binnenhalen van de buit. Hermann Joseph Giskes, het hoofd van de contraspionagedienst Abwehr III, leende hem daartoe een vrachtwagen en chauffeur. Een volle container – de tweede bleek onvindbaar – werd in de laadbak getild en verhuisde zo van Drenthe naar de Van Pallandtstraat 65 in Arnhem, waar Ridderhof sinds oktober woonde. Het kapitale herenhuis had een overvloed aan ruimte om de SOE-donatie te verbergen. De andere ondergrondse werkers in het complot vertrouwden de voorraad met graagte toe aan de behulpzame nieuweling binnen hun gelederen. Wat ze er zo vroeg in de oorlog mee moesten doen wisten ze nog niet, maar dat was van later zorg. Ridderhof: ‘Daar Van den Berg gedurende de hierop volgende veertien dagen geen nadere opdracht gaf hoe met de wapens te handelen heeft Giskes een overval in mijn woning laten doen, waarbij de wapens in beslag genomen zijn.’ De spionagechef beval Ridderhof om te vertrekken naar een hotel in het Belgische Namen en daar nadere instructies af te wachten. Hij moest uit het zicht blijven van kapitein Van den Berg. Pas nadat diens netwerk was ontmanteld mocht Giskes’ informant zich weer in Nederland vertonen.

Het huis van Ridderhof bevond zich hemelsbreed nog geen kilometer van De Droogs fietsenstalling, die andere – inmiddels eveneens ontmantelde – wapenbewaarplaats. De beide vertrouwensmannen zullen zich de ironie van de situatie nooit hebben gerealiseerd. Er was meer toeval. Op amper vijfhonderd meter van Ridderhofs woning leefde Jaap van Dijk, aan de Heemstralaan 9. Taconis fietste regelmatig van Glück Auf naar zijn sabotage-instructeur Van Dijk, de man die hem enkele maanden eerder in contact bracht met Johnny de Droog. Zo cirkelde de boven- en onderwereld in Arnhem gedurende de winter van 1941/’42 om elkaar, met als verbindende factor het eveneens op een steenworp afstand gelegen hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst.

Vanuit dit SD-zenuwcentrum en andere nazistische bolwerken werden plannen gesmeed om het net dicht te trekken. George Ridderhof voedde Hermann Giskes met de informatie die de loslippige Christiaan van den Berg hem enthousiast serveerde. Ridderhof vertelde zijn baas onder meer over twee uit Engeland overgekomen geheim agenten die sabotagegroepen opzetten. Toen de Oberstleutnant op 4 maart ook nog via de Funkbeobachtungsstelle – de Duitse peildienst die illegale zendapparatuur opspoorde – vernam dat één van de door Ridderhof genoemde agenten vanuit een flat aan de Haagse Fahrenheitstraat berichten naar Londen zond achtte hij het tijd om in te grijpen.

Overvalwagens

In de vroege avond van 6 maart, een vrijdag vol ijs en sneeuw, waagden zich amper mensen buiten. Het viel dan ook weinigen op dat om de hoek van de Fahrenheitstraat overvalwagens de stilte verbraken. Huub Lauwers had er al helemaal geen aandacht voor. Gekleed in een winterjas en met een plaid over zijn knieën probeerde hij vanuit de koude logeerkamer van de familie Teller contact te maken met Londen. Het zoeken naar de juiste golflengte vergde zijn opperste concentratie. Hij schrok op toen Walter Teller plotseling het kamertje binnenstapte. Er stonden even verderop Duitse auto’s, zei hij. Hoewel Lauwers het op toeval hield zette hij zijn zender uit. Hij keek door een kier in de gordijnen naar beneden, maar zag niets verdachts. Om zekerheid te verkrijgen besloot hij samen met Teller buiten een rondje te maken en de risico’s te schatten. Even later liepen er twee dik ingepakte, ogenschijnlijk in een geanimeerd gesprek verwikkelde mannen door de buurt. Alleen scherpe observanten konden hun spiedende ogen zien, zoekend naar mogelijk onraad. Slechts tien minuten duurde het uitstapje. Toen sprongen er SD’ers met getrokken pistolen uit langsrijdende auto’s. Ze glibberden over de deels bevroren straat en dwongen de verdachten tegen een muur. Vrijwel tezelfdertijd stormden andere SD’ers Fahrenheitstraat 678 binnen. Tellers echtgenote slaagde er nog net in om Lauwers’ zender over het balkon te gooien. Ongelukkigerwijs belandde het apparaat op de waslijnen van de onderburen. Een Duitser kon het kostbare bezit onbeschadigd uit de touwen plukken. Even later werden de zender, in het huis aangetroffen belastende documenten en de twee gevangenen afgevoerd naar het Binnenhof. Daar verheugde de Duitse contraspionagedienst zich al op een confrontatie.

Huub Lauwers

Nog hetzelfde etmaal vernam Taconis dat zijn marconist was opgepakt. De verzetskennis die hem op de hoogte bracht gaf het dringende advies om een andere onderduikplek te zoeken. Huub Lauwers: ‘Waarschijnlijk om dit te kunnen voorkomen had provocateur Johnny de Droog laten weten dat hij gearresteerd was en zich in de politiegevangenis te Nunspeet [Lauwers bedoelde Putten] bevond. Hij verzocht hem zo mogelijk maatregelen voor bevrijding te treffen. Taconis besloot daarom voorlopig naar Van Dijk in Arnhem te gaan, om daar actie [tot] bevrijding te ondernemen en tevens om na inwinnen van voldoende inlichtingen ook mij te bevrijden.’

‘Agent 1’

Terwijl Taconis piekerde hoe hij zowel De Droog als Lauwers kon loskrijgen was de Gestapo fanatiek naar hem op zoek. Lauwers zweeg vooralsnog over zijn collega, die de Duitsers alleen kenden als ‘agent 1’. Ze wisten dankzij De Droog wel dat die zich in de buurt van Arnhem ophield en meenden dat hij ‘van het Indische type’ was. Intensief observatiewerk had hen de voorgaande weken duidelijk gemaakt dat Christiaan van den Berg in contact stond met iemand die aan het signalement leek te voldoen. Daardoor konden ze deze man binnen een paar uur aanhouden. De meegevoerde en vervolgens mishandelde ‘halfbloed’ bleek evenwel niet de gezochte geheim agent te zijn. Arrestant Johan van Hattem gaf weliswaar leiding aan een inlichtingendienst, maar wist niets te vertellen over Lauwers en Taconis.

Thijs Taconis

In 1949 gaf Joseph Schreieder, een met Hermann Giskes samenwerkende Kriminaldirektor van de contraspionagedienst, zijn versie van deze roerige dagen. ‘Ik reed weer terug naar het Binnenhof. Hoe kreeg ik nu de sabotageagent te pakken? Ik telefoneerde na mijn terugkomst dadelijk met Giskes, die even teleurgesteld was als ik. Hij had geen enkele verbinding meer. Door de arrestaties waren zij verbroken.’ De hoop om Taconis alsnog te vinden werd nu gericht op hun jongste vertrouwensman. ‘Jonny Droog [sic] had contact met een agent, die volgens zijn rapport van Indisch type was, tezamen met een tweede agent met behulp van een parachute naar beneden gesprongen was en sabotagegroepen organiseerde. Jonny moest voor die organisatie jonge mensen zoeken. (…) Jonny Droog had zijn laatste ontmoeting met deze agent op 2 maart gehad.’

Poos en Slagter

Op maandagochtend 9 maart – daags nadat De Droog vanuit Putten Thijs Taconis en Jaap van Dijk offerde om zijn eigen leven te redden – kregen twee collaborerende Haagse rechercheurs opdracht om naar Arnhem te reizen. Leo Poos en Marten Slagter hadden inmiddels de nodige ervaring met het neutraliseren van antipoden. Zij waren dan ook de aangewezen personen om Taconis op te pakken. Volgens Antonie Berends stak de door De Droog voorgedragen tussenpersoon Josephus Bouchette hen de helpende hand toe door Heemstralaan 9 aan te wijzen als het adres waar de gezochte persoon moest huizen: ‘Des morgens werd de omgeving door de SD-Arnhem afgezet en op het sein van “de Pastoor” werd de woning binnengedrongen.’

Probleemloos verliep de aanhouding niet. Nadat Poos en Slagter door mevrouw Van Dijk waren binnengelaten, troffen ze in een achterkamer een lange jongeman aan. Ze vroegen of hij Timmer heette. Taconis, die onder deze schuilnaam opereerde, ontkende. Hij stelde voor om zijn persoonsbewijs te tonen, bewoog zijn hand richting zijn binnenzak en trok razendsnel een pistool. Hij richtte en haalde de trekker over. Er klonk alleen een droge klik. Het wapen ketste. De rechercheurs wierpen zich op Taconis en overmeesterden hem. Omstanders konden zien en horen hoe een tierende, geboeide gevangene uit de flat werd gehaald en in een SD-auto verdween. Op het kantoor van Unilever, zijn werkgever, kreeg Jaap van Dijk een soortgelijke behandeling. Beide arrestanten wachtte een transport naar het Binnenhof, Schreieders werkplek. De bal ging nu echt rollen. In de navolgende dagen en weken vielen er meer verzetsmensen uit het netwerk van Taconis en Lauwers in Duitse handen.

Codedocumenten

Glück Auf onderging een grondige doorzoeking. De stroken behang werden van de muren gescheurd, alle tegels losgewrikt, de vloeren opengebroken. Het resultaat was nihil. De codedocumenten die Huub Lauwers tussen het oud papier had geplakt bleven onzichtbaar voor de hongerige speurders. De beide pensionbeheerders moesten evengoed mee naar het SD-kwartier in Arnhem. ‘Ze komen gauw terug’, kregen hun jonge dochters ter geruststelling te horen. Dat bleek een rekbare interpretatie. Pas na een paar weken mocht Wilhelmina van Lingen weer naar haar inmiddels dichtgetimmerde huis. Echtgenoot Jan maakte tot april 1944 een helletocht langs gevangenissen en concentratiekampen.

Christiaan van den Berg bleef vooralsnog ongemoeid. De SD redeneerde dat hij nog van pas kon komen bij het verder ontmantelen van de illegaliteit. Toen medio juni duidelijk was dat er via hem geen nieuwe baten te verwachten waren werd ook hij ingerekend. Zijn verraderlijke vertrouweling George Ridderhof kon daarna vanuit België terugkeren naar zijn thuisland: ‘Ik hoorde toen dat Van den Berg gearresteerd was en dat er geen gevaar meer was om ontdekt te worden.’

Om het Duitse toneelspel te vervolmaken werd De Droog vrijwel tezelfdertijd als Taconis en Lauwers op het Binnenhof afgeleverd. De illusie dat hij nog altijd lijnrecht tegenover de bezetter stond moest gehandhaafd blijven. Voor de vorm onderging ook hij een kort verhoor. Na deze pro-formabehandeling mocht De Droog terug naar zijn cel. Daar viel hem een relatief comfortabele behandeling ten deel. Het was, wist de overloper, een kwestie van dagen, hoogstens weken voor hij weer buiten stond.

Verzinsels

Met name Huub Lauwers, een van Schreieders hoofdprijzen, kwam niet zo makkelijk weg. Aan het verhoor dat de marconist meteen na zijn arrestatie moest ondergaan leek geen eind te komen. Om tijd te winnen en Taconis de kans te geven een ander onderduikadres te vinden diste Lauwers complete verzinsels op en liet hij elke in het Duits gestelde vraag vertalen. Toen hij na drie hallucinante dagen en nachten zonder slaap bij toeval Taconis en Van Dijk onder zware bewaking op de gang voorbij zag lopen, besefte hij dat al zijn inspanningen nutteloos waren geweest.

Zijn metgezel pakte het anders aan. Vastberaden om zijn huid zo duur mogelijk te verkopen zweeg hij vooral. Hij koos zelfs voor de tegenaanval. Nadat zijn ondervrager zichzelf bier had ingeschonken en even niet oplette, deed Taconis een greep naar de fles en sloeg er de hals af. Hij haalde wild uit naar zijn vijand. Het was een kansloos gevecht. Bewakers overmeesterden Taconis en sloegen hem terug in zijn stoel. Vanaf dat moment had hij als bijnaam ‘der Tiger’.

Joseph Schreieder voor het Bijzonder Gerechtshof, 1949

‘CAUGHT’

Dat de Duitsers uiteindelijk toch ten volle profijt kregen van hun gevangenen kwam op het conto van Hermann Giskes. Met veel psychologisch inzicht en de belofte om enkele indirect betrokkenen met rust of zelfs vrij te laten wist hij Lauwers zover te krijgen dat die het zenden met Engeland hervatte. Lauwers dacht de Oberleutnant te kunnen misleiden door zijn berichten te doorspekken met fouten. Hij wist zelfs het woord ‘CAUGHT’ in een boodschap te verwerken, ten teken dat hij gevangen zat. Zijn opzet mislukte. Londen herkende zijn heimelijke boodschappen niet of deed alsof, om de tegenpartij in verwarring te brengen. Dat betekende het begin van een seinwisseling die de geschiedenis zou ingaan als het Englandspiel. In de navolgende twee jaar belandden hierdoor bijna zestig geheim agenten in Duitse gevangenissen. Ze vonden in september 1944 vrijwel allemaal een gruwelijke dood in de steengroeve van Mauthausen. Hermann Giskes had zijn belofte aan Lauwers om diens collega’s in leven te laten niet kunnen waarmaken. Zonder het weten droeg Johnny de Droog een steentje bij aan de start van dit lugubere seinspel tussen twee grootmachten.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Verzetsleider Theo Dobbe, van jager tot prooi

Na jarenlang jacht op hem te hebben gemaakt, kreeg de Sicherheitsdienst Theo Dobbe (1901-1944) op Dolle Dinsdag eindelijk te pakken. De voormalige vertegenwoordiger van de Nederlandsche Linoleumfabriek in Krommenie had verspreid over het land talloze aanslagen gepleegd. Geen wonder dat de Duitsers hem uit de weg wilden ruimen. In mijn boek De levens van Johnny de Droog beschrijf ik de laatste uren van deze rusteloze en veelzijdige verzetsstrijder. Hier het betreffende hoofstuk.

(Collectie F. Vogels)

SS-leider Hanns Albin Rauter beschouwde Theo Dobbe als een van zijn grootste tegenstrevers, en daar had hij alle reden toe. De capitulatie van het Nederlandse leger was amper een feit toen Dobbe zijn zekerheden als hoofdvertegenwoordiger bij een Krommenieër linoleumfabriek inruilde voor een leven als fulltime verzetsman. Samen met onder anderen Gerard Reeskamp en Jan van Straelen roofde hij wapens, munitie en springstoffen uit de Vesting Naarden. Ze waren ook betrokken bij het opblazen van een Amsterdamse villa waarin Duitse officieren werden gehuisvest. Alles wat de vijand schade kon berokkenen pakten ze aan, bijna ongeacht de consequenties. Hun onverschrokkenheid, zo niet roekeloosheid, leidde er toe dat arrestatie een kwestie van tijd was. Maar waar Van Straelen na zijn aanhouding in september 1942 nooit meer vrij zou komen, lukte het Dobbe een klein jaar daarvoor om zich, ingesmeerd met zeep, door een getralied wc-raampje te persen en via een met prikkeldraad afgedekt hek de buitenwereld te bereiken. Hij ontkwam daardoor niet alleen aan de gevangenis, maar ook op het nippertje aan executie.

Theo Dobbe

Met Friesland als zijn nieuwe standplaats trok Dobbe door het land, rustelozer dan ooit. Hij gaf leiding aan de eerste grootschalige roof van bonkaarten. Vlotte prater die hij was eiste hij, gekleed in marechaussee-uniform, brutaalweg de administratie op van het distributiekantoor in Joure. De buit was zo groot dat een deel kon worden verkocht op de zwarte markt. De verdiensten kwamen ten goede aan de illegale pers. De Duitsers reageerden geagiteerd. Aan de tipgever die hen naar Dobbe – wiens foto een prominente plek kreeg in het Nederlandsch Buitengewoon Politieblad – en zijn twee mededaders leidde beloofden ze een voor die tijd buitensporige beloning van tienduizend gulden.

Collaborateurs

Dobbe pleegde niet alleen roofovervallen, maar bevrijdde ook gevangenen. Hij was betrokken bij het vervalsen van documenten, redde neergestorte vliegeniers en hielp onderduikers. Als hooggeplaatst lid van de Landelijke Knokploegen kreeg hij de taak om een Opruimingsdienst te vormen die verraders en andere collaborateurs moest liquideren. Dat was een kolfje naar zijn hand. Zoals hij inmiddels de meest gezochte illegaal van Nederland was, zo stond Johnny de Droog bovenaan zijn eigen dodenlijst. Die was verantwoordelijk voor de arrestatie van vele Ordedienstleden. Onder wie Jan van Straelen, die vanuit zijn Utrechtse cel beklemtoonde dat het signalement van de Judas moest worden verspreid. ‘Waarschuw iedereen tegen hem.’

Tot de gewaarschuwden hoorde in ieder geval Theo Dobbe, zijn verzetscommandant. Die bezocht met een kameraad de Arnhemse Rijnstraat. Tegenover Christina de Droog deden ze zich voor als medewerkers van de Centrale Recherche. Ze kon hen niet helpen; Johnny was niet thuis en ze had geen idee wanneer dat wel het geval zou zijn. Omdat hij handelsreiziger was – ze wist niet beter dan dat hij daarmee zijn brood verdiende – gebeurde het wel vaker dat hij langere tijd elders verbleef. Het duo verrichtte nog wel een huiszoeking, maar ook die leverde niets op. Een herhaald bezoek aan Arnhem bleef al net zo vruchteloos. De fietsenmaker was verhuisd zonder zijn nieuwe adres achter te laten.

Johnny de Droog

Even leek het er op dat de groep-Dobbe zijn zoektocht kon staken. Eens per maand ging er op de Hasseltse Holtrustweg een man van deur tot deur. Hij vroeg overal of hij wat eten kon kopen en verliet na een geslaagde boodschappentocht weer het stadje, de tassen volgeladen met eieren, meel, aardappelen en vlees. In het Overijsselse Hasselt was hij onbekend en zijn ‘Hollandse’ accent verraadde dat hij van elders kwam. Toen een lid van de Meppeler Knokploeg een ondergronds blad met foto’s van collaborateurs onder ogen kreeg wist hij het zeker: de anonieme voedselhaler was in werkelijkheid Johnny de Droog. De gelijkenis met de gezochte verrader was inderdaad treffend. Hij werd daarom van straat geplukt en in een koeienstal vastgebonden. Wapens had hij niet bij zich, maakte een fouillering duidelijk. Zijn persoonsbewijs stond op naam van Lemke. Een eerste verhoor van de verbaasd ogende, alles ontkennende man leverde niets op.

Het werd tijd voor een steviger aanpak. Een Knokploeglid pakte een stevig touw en sloeg de verdachte daarmee enkele malen hard op zijn schouders en rug. Het hielp niet; de kermende gevangene bleef alle beschuldigingen ontkennen. De KP’ers begon te twijfelen. Ze trokken zich voor overleg terug in een hoek van de stal. Na wat heen en weergepraat besloten ze dat een van hen in westelijk Nederland navraag zou doen. De Droog alias Lemke bleef in de tussentijd vastzitten. Toen de KP’er na enkele dagen terugkwam had hij geen spoor van bewijs tegen de gevangene kunnen vinden. Hun vergissing beseffend liet het schuldbewuste verzetsgroepje Lemke los, onder de toezegging dat hij de rest van de oorlog welkom was om gratis voedsel te komen ophalen. Aldus geschiedde.

Laatste klusje

Op 4 september 1944 nam Theo Dobbe afscheid van zijn gezin. ‘Ik moet nog één laatste klusje doen’, legde hij zijn vrouw uit. Zij had hem al eerder gevraagd om te stoppen met zijn ondergrondse avonturen en deed nu weer een poging: ‘Je hebt al genoeg gedaan.’ Haar echtgenoot was resoluut. ‘Morgen ben ik er weer.’ Hij nam nog even snel zijn dertienjarige dochter mee naar Arnhem. Daar kreeg ze een nieuwe regenjas. ‘Kom je echt terug straks, pap?’, vroeg ze bezorgd. ‘Mocht dat niet zo zijn, wil je dan voor je moeder de grootste bloemenmand kopen die er is?’, reageerde hij.

Dobbe was goedgehumeurd en optimistischer dan ooit. ‘Het uur der bevrijding waarop gij zo lang gewacht heeft is zeer nabij’, jubelde het ondergrondse blad De Bevrijding. ‘Er wordt reeds in België gevochten. Met rasse schreden naderen de geallieerden de Nederlandse Z-grens.’ In het geruchtencircuit zong ’s morgens rond dat de grens zelfs al was bereikt. Sterker, de Canadezen zouden Breda ontzet hebben. Premier Gerbrandy bevestigde deze mythe ’s avonds via Radio Oranje. Het was een kwestie van dagen of hoogstens weken tot de totale Duitse ineenstorting, dachten vriend en vijand. Maar voor het feesten kon beginnen wilde Theo Dobbe een belofte aan zijn vermoorde kameraad Jan van Straelen inlossen. Zijn eerdere pogingen om De Droogs spoor te volgen hadden gefaald. Nu moest het er maar eens van komen. De verrader had al te lang geleefd.

Dolle Dinsdag

In de ochtend van wat later bekendheid zou krijgen als Dolle Dinsdag verliet Dobbe de familie waar hij had mogen slapen. Met een aktetas bij de hand fietste hij naar de Amsterdamscheweg, de verbinding tussen Arnhem en Ede. In de tas zaten wat mouwbanden met het woord ‘Oranje’. Hij had ze de voorgaande nacht gemaakt. Ze zouden die herkenningstekens nodig hebben als de bevrijding daar was.

Theo Dobbe had om zeven uur met enkele manschappen afgesproken bij het aan de bosrand gelegen hotel De Leeren Doedel, net buiten de Arnhemse bebouwing. Het was hem bekend dat Johnny de Droog een paar honderd meter verder een tuinhuisje bewoonde. Dat was te bereiken via een bospad achter een boerderij. De anderen stonden al bij De Leeren Doedel te wachten, zag hij tot zijn genoegen. Hij reed hen voorbij, wetend dat ze in zijn kielzog zouden volgen. Het leek Dobbe verstandig om de omgeving te verkennen alvorens het vonnis te voltrekken.

Het was druk met legervoertuigen op de Amsterdamscheweg. Een dag eerder hadden geallieerde troepen Antwerpen bevrijd. Talloze uit Frankrijk en België gevluchte Wehrmachtonderdelen nestelden zich in Noord-Brabant, Limburg en Gelderland. Ze namen posities in om de aanvallers onder de grote rivieren te houden. Overbelaste trucks trokken voorbij. Soldaten met koffers aan het fietsstuur laveerden daar tussendoor. Duitse burgers en Nederlandse nazi’s probeerden het vege lijf te redden. De chaos was compleet.

Dobbe stak de weg over en ging met een van zijn metgezellen vooruit. Aan het begin van de Wekeromscheweg woonde een boswachter. Van hem hoorden ze dat hun doelwit thuis was. Het geluid van schoten bevestigde dat; De Droog was weer eens aan het oefenen in zijn tuin. Het maakte zijn belagers extra voorzichtig. De veiligste werkwijze leek hen om de woning te omsingelen, de hoofdbewoner binnen schootsafstand te lokken en dan toe te slaan.

Arrestatie

De twee verkenners liepen terug naar de Amsterdamscheweg. Dobbe bleef met de fiets aan de hand in de berm staan kijken naar de chaotische terugtocht van de Duitse troepen, terwijl zijn partner de anderen ophaalde. ‘Mijnheer, blijft u staan’, hoorde Dobbe onverwacht roepen. Van Dobbe was niet van plan om gehoor te geven aan dat bevel. Hij gooide zijn fiets op de grond en liep in de richting van het bos, wetend dat zijn vrienden zich daar schuilhielden. Verder dan een paar meter kwam hij niet. Uit de struiken doken twee geüniformeerde Duitsers op. Ze werden vergezeld door een vrouw en Johnny de Droog. Theo Dobbe zette nog een paar passen naar wat hij hoopte de weg van de vrijheid zou zijn. ‘Blijf staan of ik schiet’, klonk het nu dreigender. Hij kon niet anders dan omdraaien en zijn handen in de lucht te steken.

Vanuit het dichte groen langs de weg zag een secondant hoe Dobbe tussen de twee Duitsers werd weggevoerd. De Droog fietste er langzaam achteraan. Het was alweer enkele maanden eerder dat zijn chef hem had gezegd: ‘U moet zien Dobbe te pakken te krijgen, want daar hebben wij belang bij.’ Hij besefte de hoofdprijs te hebben veroverd door, als zo vaak, op het juiste moment op de juiste plek te staan.

Theo Dobbe, kort voor zijn dood (NIMH)

Leeren Doedel

Het hele gezelschap verdween in De Leeren Doedel. Dobbes strijdmakkers wachtten niet af. Ze haalden hulp en posteerden zich verdekt langs de weg. Toen de bewakers en hun arrestant even later het hotel verlieten ontging het hen dat er langs de Amsterdamscheweg gewapende mannen lagen, klaar voor een bevrijdingspoging. De colonnes met Wehrmachtwagens bleven maar passeren, in een eindeloze file. Er was geen schijn van kans dat Dobbes ontzetting onder deze omstandigheden zou slagen. Het laatste restje verzetshoop verdween toen het groepje de gevangene naar binnen leidde bij SD-rechercheur Piet Wamelink, die vlakbij De Leeren Doedel woonde. Diens echtgenote was getuige van Dobbes aanhouding. Daartoe gevraagd vertrok ze naar het SD-kantoor in Arnhem om versterking en een vervoermiddel te halen. Ze had maar weinig tijd nodig. Een handvol beambten ging onmiddellijk mee naar haar woning en trof daar De Droog aan, zijn pistool gericht op zijn aartsvijand.

Nadat Dobbe was overgebracht naar de Dienststelle wilde hij aanvankelijk zijn naam niet noemen. Dat veranderde toen August Ahlbrecht zijn portretfoto liet zien. Dobbe was een oude bekende, wilde hij maar zeggen. ‘Je bent nu vastgelopen’, stelde de Sturmscharführer vast. Dobbe, die tot dan gebruikmaakte van een reeks pseudoniemen, bevestigde zijn identiteit en zei dat De Droog hem had gepakt. Verder liet hij weinig los. Na een half uurtje werd hij afgevoerd naar een cel. Nog diezelfde middag bracht Ahlbrecht hem over naar SS-Lager Avegoor. ‘Ik kreeg van Thomsen een gesloten envelop mee die ik overhandigen moest aan de Obersturmführer van Avegoor. Onderweg vroeg Dobbe aan mij: “Wat moet er met mij gebeuren?”, waarop ik hem ten antwoord gaf: “Ik moet je overgeven aan de Waffen-SS.” Ik kon wel denken wat met Dobbe zou gebeuren, maar het was zwaar voor mij om dit te zeggen.’

Briefje

Mocht Dobbe nog hoop hebben dat de oprukkende geallieerde divisies zijn noodlot konden keren dan haalde Dolle Dinsdag die radeloze droom onderuit. De Duitsers hadden haast en wilden alle ballast kwijt. Hij moest opnieuw in een auto plaatsnemen. Die reed achter een vrachtwagen aan waarin zich tien gewapende SS’ers bevonden. Na enkele minuten stopten ze bij buitenplaats het Hof, even ten zuiden van Dieren. Het gezelschap stapte uit. Dobbe besefte inmiddels wat hem te wachten stond. Hij zei dat hij graag een afscheidsbrief aan zijn vrouw wilde schrijven. Dat mocht. Ten overstaan van twee SD’ers met het pistool in de aanslag zette hij wat zinnen op papier. Het moment dat hij het briefje overhandigde benutte hij om een greep te doen naar een op hem gericht vuurwapen. Er klonk een schot. Theo Dobbe viel neer. Zijn hoofd bloedde. Een tweede schot maakte aan alle onzekerheid een einde. Enkele SS’ers wikkelden een zeil om het lichaam, dat vervolgens in een kuil verdween. Dobbes donkergroene vilten hoed werd op het slordig neergelegde pakket gegooid. Daarna vulden de mannen het graf met zand.

(Collectie J. Vet)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





De laatste uren van Johnny de Droog

Johnny de Droog, een van de grootste verraders die Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog telde, stierf op 19 februari 1945 een gewelddadige en nog altijd met raadsels omgeven dood. Hij werd begraven tussen honderden oorlogsslachtoffers -verzetsstrijders, joden- in kamp Amersfoort. Hier het hoofdstuk over zijn laatste uren, uit mijn boek De levens van Johnny de Droog.

Johnny de Droog had inmiddels zo’n driehonderd tegenstanders achter de tralies gekregen, alleen en in samenwerking. Ruim een kwart van hen stierf in een kamp, voor een vuurpeloton of na martelingen waaraan De Droog meedeed. Twee verdachten schoot hij eigenhandig dood. Onder de slachtoffers bevonden zich afgezien van Toon van Londen geen getrouwen uit De Slapende Leeuw, zijn Arnhemse verzetsgroep. Hoe opportunistisch de voormalige fietsenmaker zich drie jaar lang ook had gedragen, zijn afspraak met Walter Becker dat hen niets mocht overkomen bleef overeind.

Johnny de Droog, 1941

‘Johnny de Droog en mijn persoon waren heel veel in Gorssel en bleven dagen thuis, daar het slecht weer was en Johnny rust wou hebben’, memoreerde Emil Rappard kort na de bevrijding in zijn Utrechtse gevangeniscel. Pagina na pagina zette hij gedetailleerd zijn oorlogsherinneringen op papier, zonder om de zaken heen te draaien. ‘We gingen alleen meest iedere dag naar Lochem om bonnen of levensmiddelen te halen.’ Op 19 januari kwam aan die gezamenlijke ritjes – vijftien kilometer heen en weer over modderige wegen – een voorlopig einde. Rappard kreeg verlof om zijn naar Duitsland geëvacueerde, hoogzwangere echtgenote op te halen. Ze was zes dagen daarna uitgerekend. De baby verscheen uiteindelijk ruim een week na de geplande datum. Voor en na de bevalling bleef de aanstaande vader thuis om bijstand te verlenen. Hij spande zich in om basisbenodigdheden te verzamelen voor zijn vrouw en zoon. Het ging hem weliswaar eenvoudiger af dan de gemiddelde Nederlander om eten en kleding bemachtigen, maar ook voor hem was het verkrijgen van boodschappen niet makkelijk in een tijd met tekorten op elk gebied. Johnny de Droog toonde zijn betrokkenheid door op kraambezoek te komen. Het waren schaarse momenten van ontspanning.

Bommentapijt

Vooral de geallieerde troepen hadden baat bij de dooi die eind januari, begin februari 1945 inzette. Het Duitse Ardennenoffensief was vastgelopen in de sneeuw, maar een tegenaanval zat er aanvankelijk ook niet in. Nu keerden de kansen. Eindelijk konden de Canadese en Amerikaanse divisies zich opmaken voor de finale ronde. Vraag was niet langer of, maar wanneer ze de Rijn zouden oversteken. Al sinds het najaar probeerden bommenwerpers de bruggen bij Deventer te vernietigen. Ze hoopten daarmee de aanvoer van verse Wehrmachttroepen en -materialen naar het front te ontwrichten. Veel succes hadden de vliegeniers van de Mitchells en Bostons niet. Gedwongen door het afweergeschut rond de stad moesten ze hun lading van te grote hoogte laten vallen. Een deel belandde daardoor in het hart van Deventer in plaats van boven de IJssel. Op 6 februari ging het volledig fout. Een bommentapijt verwoestte tientallen huizen. Meer dan zestig mensen kwamen om.

De Droog en Rappard namen even later de schade in ogenschouw. Bij de Rijkmanstraat zagen ze hoe over een lengte van honderd meter de bebouwing was weggevaagd. In wat resteerde van de smalle corridor stonden tientallen bewoners. Hun gesprekken werden overstemd door een agressieve, woest blaffende hond. ‘Niemand durfde hem aan te pakken’, herinnerde Rappard zich zeventig jaar nadien. ‘Maar Johnny deed zijn jasje uit, gooide dat over hem heen en pakte hem op. Hij aaide hem en had er zo vriendschap mee.’ Mensen vertrouwde hij niet, dieren wel.

19 februari

Op maandag 19 februari leek het eindelijk redelijk fietsweer te worden. De regen bleef weg, er stond weinig wind en het was bijna tien graden Celsius. Het werd tijd om weer eens een wat langere tocht te maken. Emil Rappard kon het zich precies herinneren. Rond zeven uur stapte hij uit bed en kleedde zich aan. Hij pakte zijn semi-automatische Walther 7.65, die zoals elke nacht veiligheidshalve naast zijn hoofdkussen lag, en stak het wapen bij zich. Na te hebben ontbeten wachtte hij op De Droog. Die hoefde niet ver te fietsen om zijn maatje op te halen. De afstand van het zomerkoepeltje waar hij verbleef tot Rappards slaapplek bedroeg minder dan een kilometer. De laatste resten schemering hingen tussen de oude bomen die de lange, rechte Stationslaan omrandden. Het was stil op de doorgaande weg.

Bij nummer G227 remde De Droog. Hij was zoals altijd keurig in het pak, zag Rappard. Na een wederzijde begroeting stapten ze op hun fietsen. Het was inmiddels acht uur geweest toen ze het tuinpad afreden en rechtsaf sloegen. Ze waren al onderweg richting het bescheiden centrum van Gorssel toen De Droog zich realiseerde dat hij was vergeten om zijn radio uit te zetten. Ze draaiden om en fietsten terug. Bij het houten huisje aangekomen bleef Emil Rappard buiten wachten. De Droog draaide de deur van het slot en liep de kleine woon- annex slaapkamer binnen. Het onmiskenbare geluid van een vlakbij afgevuurd schot verdreef Rappards laatste slaapresten. Hij gooide zijn rijwiel neer en rende ‘Johnny! Johnny!’ roepend om het koepeltje heen. Aan de achterzijde zag hij De Droog bewegingsloos bij de terrasdeur liggen. ‘Toen ging ik natuurlijk met getrokken revolver, geladen, om het huisje heen. Een paar keer. Voor het geval ik iemand zou tegenkomen. En gelijktijdig door het bos kijken. Ik zag niets.’

Eén kogel

Er was ook niets, vertelde Rappard later. Of althans niemand, afgezien van de jeugdige SD-medewerker en de met bloed bedekte man tussen de tuinstoelen. Begin 1946 hield hij tijdens een verhoor nog vast aan het idee dat De Droog zelfmoord had gepleegd (‘Ook al omreden dat Johnny de Droog de laatste dagen nogal zenuwachtig was.’). Daar kwam hij later op terug. ‘Vermoedelijk heeft hij zichzelf geraakt toen hij het pistool uit de binnenzak haalde.’ Hij ‘droeg zijn pistolen steeds doorgeladen en ongezekerd bij zich’. Die conclusie sloot aan bij de uitleg van zijn collega August Ahlbrecht. Nadat Rappard hem in verwarring zou hebben gebeld met de mededeling dat De Droog zichzelf had doodgeschoten, was Ahlbrecht in opdracht van Artur Thomsen naar Gorssel gereden. In de dienstauto zat ook Hauptscharführer Herbert Kühnert. Het slachtoffer bevond zich nog op de waranda, zagen ze bij aankomst. Ahlbrecht: ‘Hij had een schot in het hoofd, vlak onder de ogen, en was dood. Naast hem lag een pistool.’ Ze veegden het bloed van zijn gezicht. Het gat naast de neus was volgens Ahlbrecht goed zichtbaar. Hij controleerde de bij het lijk liggende FN. Zoals verwacht ontbrak daarin één kogel. Het viel hem ook op dat het vuurwapen erg makkelijk afging. ‘Er was geen enkel spoor te vinden om aan te nemen dat een ander De Droog had neergeschoten. Wij namen aan dat hij zichzelf doodgeschoten had. Voor hij vertrok keek hij altijd zijn pistool na. Dit was een pistool met een licht drukpunt. Vermoedelijk is toen het schot afgegaan en werd hij in het hoofd getroffen. Het was ons bekend dat hij zeer roekeloos met vuurwapens omging.’

Gewend als ze waren aan doden in hun omgeving stonden ze niet lang stil bij het ongeval. Ze tilden het stoffelijk overschot op een karretje achter de auto. Daarna dekten ze het af met een zeil. Thomsen voelde er weinig voor om de verzetsbeweging een feestdag te bezorgen door bekend te maken dat een van hun grootste vijanden het loodje had gelegd. De uitvaart diende daarom heimelijk plaats te vinden. Hij gaf Ahlbrecht en Kühnert opdracht om naar kamp Amersfoort te rijden. Daar wachtte commandant Karl Peter Berg hen die avond op. Hij beloofde om de vertrouwensman, wiens naam hij niet te horen kreeg, te laten cremeren. Het kwam er niet van; wellicht omdat deze Polizeigefängnis niet over een crematorium beschikte en wegbrengen te belastend was. De Droog bracht de nacht door in het lijkenhuisje naast de fusilladeplaats en kreeg daarna een graf tussen de verzetsstrijders, politieke gevangenen en onderduikers die de kampontberingen niet hadden overleefd.

De opgegraven restanten van Johnny de Droog in 1945 in kamp Amersfoort.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





De raadselachtige dood van V-Mann Johnny de Droog

Op 19 februari 1945 stierf Johnny de Droog een eenzame dood. Zijn collega’s vonden de V-Mann met een kogel in zijn hoofd. Was het zelfmoord? Moord? En door wie dan? Tot vandaag de dag houden deze vragen de gemoederen bezig. In mijn biografie over een van de grootste verraders die Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog telde, probeer ik het raadsel te ontwarren. Hieronder een fragment uit het hoofdstuk over De Droogs laatste minuten. Wie overigens meer denkt te weten, is welkom: info@schaapschrijft.nl.

Johnny de Droog had inmiddels zo’n driehonderd tegenstanders achter de tralies gekregen, alleen en in samenwerking. Ruim een kwart van hen stierf in een kamp, voor een vuurpeloton of na martelingen waaraan De Droog meedeed. Twee verdachten schoot hij eigenhandig dood. Onder de slachtoffers bevonden zich afgezien van Toon van Londen geen getrouwen uit De Slapende Leeuw, zijn Arnhemse verzetsgroep. Hoe opportunistisch de voormalige fietsenmaker zich drie jaar lang ook had gedragen, zijn afspraak met Walter Becker dat hen niets mocht overkomen bleef overeind.
‘Johnny de Droog en mijn persoon waren heel veel in Gorssel en bleven dagen thuis, daar het slecht weer was en Johnny rust wou hebben’, memoreerde Emil Rappard kort na de bevrijding in zijn Utrechtse gevangeniscel. Pagina na pagina zette de SD’er gedetailleerd zijn oorlogsherinneringen op papier, zonder om de zaken heen te draaien. ‘We gingen alleen meest iedere dag naar Lochem om bonnen of levensmiddelen te halen.’ Op 19 januari kwam aan die gezamenlijke ritjes – vijftien kilometer heen en weer over modderige wegen – een voorlopig einde. Rappard kreeg verlof om zijn naar Duitsland geëvacueerde, hoogzwangere echtgenote op te halen. Ze was zes dagen daarna uitgerekend. De baby verscheen uiteindelijk ruim een week na de geplande datum. Voor en na de bevalling bleef de aanstaande vader thuis om bijstand te verlenen. Hij spande zich in om basisbenodigdheden te verzamelen voor zijn vrouw en zoon. Het ging hem weliswaar eenvoudiger af dan de gemiddelde Nederlander om eten en kleding bemachtigen, maar ook voor hem was het verkrijgen van boodschappen niet makkelijk in een tijd met tekorten op elk gebied. Johnny de Droog toonde zijn betrokkenheid door op kraambezoek te komen. Het waren schaarse momenten van ontspanning.
Vooral de geallieerde troepen hadden baat bij de dooi die eind januari, begin februari 1945 inzette. Het Duitse Ardennenoffensief was vastgelopen in de sneeuw, maar een tegenaanval zat er aanvankelijk ook niet in. Nu keerden de kansen. Eindelijk konden de Canadese en Amerikaanse divisies zich opmaken voor de finale ronde. Vraag was niet langer of, maar wanneer ze de Rijn zouden oversteken. Al sinds het najaar probeerden bommenwerpers de bruggen bij Deventer te vernietigen. Ze hoopten daarmee de aanvoer van verse Wehrmachttroepen en -materialen naar het front te ontwrichten. Veel succes hadden de vliegeniers van de Mitchells en Bostons niet. Gedwongen door het afweergeschut rond de stad moesten ze hun lading van te grote hoogte laten vallen. Een deel belandde daardoor in het hart van Deventer in plaats van boven de IJssel. Op 6 februari ging het volledig fout. Een bommentapijt verwoestte tientallen huizen. Meer dan zestig mensen kwamen om.
De Droog en Rappard namen even later de schade in ogenschouw. Bij de Rijkmanstraat zagen ze hoe over een lengte van honderd meter de bebouwing was weggevaagd. In wat resteerde van de smalle corridor stonden tientallen bewoners. Hun gesprekken werden overstemd door een agressieve, woest blaffende hond. ‘Niemand durfde hem aan te pakken’, herinnerde Rappard zich zeventig jaar nadien. ‘Maar Johnny deed zijn jasje uit, gooide dat over hem heen en pakte hem op. Hij aaide hem en had er zo vriendschap mee.’ Mensen vertrouwde hij niet, dieren wel.

Johnny de Droog in 1941

Op maandag 19 februari leek het eindelijk redelijk fietsweer te worden. De regen bleef weg, er stond weinig wind en het was bijna tien graden Celsius. Het werd tijd om weer eens een wat langere tocht te maken. Emil Rappard kon het zich precies herinneren. Rond zeven uur stapte hij uit bed en kleedde zich aan. Hij pakte zijn semi-automatische Walther 7.65, die zoals elke nacht veiligheidshalve naast zijn hoofdkussen lag, en stak het wapen bij zich. Na te hebben ontbeten wachtte hij op De Droog. Die hoefde niet ver te fietsen om zijn maatje op te halen. De afstand van het zomerkoepeltje waar hij verbleef tot Rappards slaapplek bedroeg minder dan een kilometer. De laatste resten schemering hingen tussen de oude bomen die de lange, rechte Stationslaan omrandden. Het was stil op de doorgaande weg.
Bij nummer G227 remde De Droog. Hij was zoals altijd keurig in het pak, zag Rappard. Na een wederzijde begroeting stapten ze op hun fietsen. Het was inmiddels acht uur geweest toen ze het tuinpad afreden en rechtsaf sloegen. Ze waren al onderweg richting het bescheiden centrum van Gorssel toen De Droog zich realiseerde dat hij was vergeten om zijn radio uit te zetten. Ze draaiden om en fietsten terug. Bij het houten huisje aangekomen bleef Emil Rappard buiten wachten. De Droog draaide de deur van het slot en liep de kleine woon- annex slaapkamer binnen. Het onmiskenbare geluid van een vlakbij afgevuurd schot verdreef Rappards laatste slaapresten. Hij gooide zijn rijwiel neer en rende ‘Johnny! Johnny!’ roepend om het koepeltje heen. Aan de achterzijde zag hij De Droog bewegingsloos bij de terrasdeur liggen. ‘Toen ging ik natuurlijk met getrokken revolver, geladen, om het huisje heen. Een paar keer. Voor het geval ik iemand zou tegenkomen. En gelijktijdig door het bos kijken. Ik zag niets.’
Er was ook niets, vertelde Rappard later. Of althans niemand, afgezien van de jeugdige SD-medewerker en de met bloed bedekte man tussen de tuinstoelen. Begin 1946 hield hij tijdens een verhoor nog vast aan het idee dat De Droog zelfmoord had gepleegd (‘Ook al omreden dat Johnny de Droog de laatste dagen nogal zenuwachtig was.’). Daar kwam hij later op terug. ‘Vermoedelijk heeft hij zichzelf geraakt toen hij het pistool uit de binnenzak haalde.’ Hij ‘droeg zijn pistolen steeds doorgeladen en ongezekerd bij zich’.
Die conclusie sloot aan bij de uitleg van zijn collega August Ahlbrecht. Nadat Rappard hem in verwarring zou hebben gebeld met de mededeling dat De Droog zichzelf had doodgeschoten, was Ahlbrecht in opdracht van Artur Thomsen naar Gorssel gereden. In de dienstauto zat ook Hauptscharführer Herbert Kühnert. Het slachtoffer bevond zich nog op de waranda, zagen ze bij aankomst. Ahlbrecht: ‘Hij had een schot in het hoofd, vlak onder de ogen, en was dood. Naast hem lag een pistool.’ Ze veegden het bloed van zijn gezicht. Het gat naast de neus was volgens Ahlbrecht goed zichtbaar. Hij controleerde de bij het lijk liggende FN. Zoals verwacht ontbrak daarin één kogel. Het viel hem ook op dat het vuurwapen erg makkelijk afging. ‘Er was geen enkel spoor te vinden om aan te nemen dat een ander De Droog had neergeschoten. Wij namen aan dat hij zichzelf doodgeschoten had. Voor hij vertrok keek hij altijd zijn pistool na. Dit was een pistool met een licht drukpunt. Vermoedelijk is toen het schot afgegaan en werd hij in het hoofd getroffen. Het was ons bekend dat hij zeer roekeloos met vuurwapens omging.’

Gewend als ze waren aan doden in hun omgeving stonden ze niet lang stil bij het ongeval. Ze tilden het stoffelijk overschot op een karretje achter de auto. Daarna dekten ze het af met een zeil. Thomsen voelde er weinig voor om de verzetsbeweging een feestdag te bezorgen door bekend te maken dat een van hun grootste vijanden het loodje had gelegd. De uitvaart diende daarom heimelijk plaats te vinden. Hij gaf Ahlbrecht en Kühnert opdracht om naar kamp Amersfoort te rijden. Daar wachtte commandant Karl Peter Berg hen die avond op. Hij beloofde om de vertrouwensman, wiens naam hij niet te horen kreeg, te laten cremeren. Het kwam er niet van; wellicht omdat deze Polizeigefängnis niet over een crematorium beschikte en wegbrengen te belastend was. De Droog bracht de nacht door in het lijkenhuisje naast de fusilladeplaats en kreeg daarna een graf tussen de verzetsstrijders, politieke gevangenen en onderduikers die de kampontberingen niet hadden overleefd.

Johnny de Droog in zijn grafkist, 1945 (T. Kleinveld)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Twee boekpresentaties ‘De levens van Johnny de Droog’

Op zondag 1 en vrijdag 6 maart vindt de publieke presentatie plaats van mijn nieuwste boek, De levens van Johnny de Droog. Verzetsman en verrader. Wees welkom!

De Arnhemse fietsenmaker Johnny de Droog liet tussen 1942 en 1945 minstens driehonderd verzetsstrijders en joden achter de tralies verdwijnen. Ruim een kwart van zijn slachtoffers zou de bevrijding niet halen. De Droog joeg zijn prooien genadeloos op, martelde en moordde. Hij betoverde zijn slachtoffers met zijn charisma en fantastische verhalen. Elke poging om hem uit te schakelen faalde. Toch stierf deze ’sadist in optima forma’ op gewelddadige wijze, kort voor de Duitse capitulatie. Wie was daarvoor verantwoordelijk? Wat deed de gepassioneerde verzetsstrijder partij kiezen voor de Sicherheitsdienst? Hoe kon De Droog vervolgens straffeloos de illegaliteit binnendringen en talloze kopstukken uitleveren aan de vijand? En waarom kent bijna niemand deze opportunistische oorlogsmisdadiger, een van de effectiefste en gevaarlijkste die Nederland telde?
Archieven die eerder gesloten waren en gesprekken met ooggetuigen leiden naar verrassende antwoorden.

Op zondag 1 maart interviewt Harry van der Ploeg (De Gelderlander) me van 14.00-16.00 uur bij de Arnhemse boekhandel Het Colofon (Bakkerstraat 56) over De levens van Johnny de Droog. Op vrijdag 6 maart onderwerpt Martijn Couwenhoven (uitgeverij Oevers) me van 15.30-17.00 uur in het Zaandamse filmtheater De Fabriek (J. Sijbrandssteeg 12) aan een serie vragen. De entree is in beide gevallen gratis.

Nieuw boek: De levens van Johnny de Droog. Verzetsman en verrader

Johnny de Droog liet tussen 1942 en 1945 minstens driehonderd verzetsstrijders en joden achter de tralies verdwijnen. Ruim een kwart van zijn slachtoffers zou de bevrijding niet halen. De Arnhemse fietsenmaker joeg zijn prooien genadeloos op, martelde en moordde. Hij betoverde zijn slachtoffers met zijn charisma en fantastische verhalen. Elke poging om hem uit te schakelen faalde. Toch stierf deze ’sadist in optima forma’ op gewelddadige wijze, kort voor de Duitse capitulatie.

Wie was daarvoor verantwoordelijk? Wat deed de gepassioneerde verzetsstrijder partij kiezen voor de Sicherheitsdienst? Hoe kon De Droog vervolgens straffeloos de illegaliteit binnendringen en talloze kopstukken uitleveren aan de vijand? En waarom kent bijna niemand deze opportunistische oorlogsmisdadiger, een van de effectiefste en gevaarlijkste die Nederland telde?

Archieven die eerder gesloten waren en gesprekken met ooggetuigen leiden naar verrassende antwoorden. Het boek De levens van Johnny de Droog. Verzetsman en verrader verscheen in maart 2020 bij uitgeverij Oevers (ISBN 9789492068408, €21,95).