Berichten

Henk Swart uit Oostzaan: geëxecuteerde verzetsstrijder en/of rover?

Tot voor kort dacht ik dat Pieter van den Heuvel de enige Oostzaner was die tijdens de Tweede Wereldoorlog werd geëxecuteerd. Zijn dorpsgenoot Henk Swart onderging echter hetzelfde lot, zij het om heel andere redenen.

Een van de beste Nederlandse boeken over de Tweede Wereldoorlog is mijns inziens De Eerebegraafplaats te Bloemendaal. Verspreid over de 1132 bladzijden van dit in een te kleine oplage uitgegeven standaardwerk zijn verhalen te lezen over de bijna vierhonderd mannen en ene vrouw (Hannie Schaft) die na de bevrijding een laatste rustplaats kregen in het duingebied tussen Overveen en de Noordzee. Vrijwel alle slachtoffers kijken je aan vanaf de pagina’s, dankzij de bijgeleverde portretfoto’s. Slechts een heel enkele keer ontbreekt er een gezicht. Zoals dat van Hendrik Cornelis Swart. ‘Geen foto beschikbaar’ staat er bij zijn verhaal. Er is wel meer niet beschikbaar over deze gefusilleerde Oostzaner. Wat hij precies deed in de oorlog bijvoorbeeld.

Henk Swart kwam op 4 juni 1917 ter wereld in Nieuwendam, een dorp dat vier jaar later onderdeel werd van Amsterdam-Noord. Als peuter verhuisde hij met zijn ouders naar het nabije Landsmeer, als tienjarige kwam hij terecht op Zuideinde A292b in Oostzaan. Binnen die driehoek bleef hij de navolgende jaren rondtrekken. Hij trouwde op 3 juli 1941 in Landsmeer met de drie jaar jongere Geertje Pauli. Een jaar later verhuisde het jonge stel naar Amsterdam, om per 30 augustus 1943 weer te worden ingeschreven op het Oostzaanse Zuideinde A292b. Precies twee maanden eerder werd hun eerste en enige kind geboren, een meisje. Henk Swart verdiende zijn brood als expeditiechef, tuinman, vrachtwagenchauffeur en magazijnbediende, maar hij had ook een Amsterdamse marktkaart. Waarin hij handelde, is mij niet bekend.

Er bestaat overigen wel degelijk een foto van Henk Swart. Die is te vinden op zijn marktkaart en ligt in het Stadsarchief Amsterdam. Hij was nog maar negentien toen de camera hem vastlegde, de periode dat hij in militaire dienst moest. Zijn beste jaren lagen nog voor hem. Ware het niet dat de bezetter alle toekomstplannen doorkruiste.

Hendrik Cornelis Swart, 1936 (Stadsarchief Amsterdam)

In 1944 sloot Henk zich aan bij de plaatselijke Ordedienst. “Later werd beweerd dat hij lid was geworden om zichzelf voordelen te verschaffen, zoals extra voedsel”, schrijven de auteurs van De Eerebegraafplaats te Bloemendaal. “Zonder daartoe opdracht van het verzet te hebben gekregen, pleegde hij, samen met twee anderen, in de nacht van 3 op 4 januari een overval op veehouder Schaft aan het Zuideinde (bij de Kolksloot) in Oostzaan.”

Bovenstaande informatie lijkt afkomstig van een schoondochter van Swarts buurman. Zij was, naar het schijnt, goed op de hoogte van de gebeurtenissen die aan de arrestatie ten grondslag lagen: “Henk Swart is in Oostzaan gearresteerd door [marechaussee Roelof van] Maasdam als gevolg van een overval bij Teun Schaft, veehouder bij de Kolkslootbrug. Daar werd hij herkend door de zoon, Jaap Schaft. Ze waren gemaskerd, maar hij werd door zijn stem herkend. Ze hadden voedsel meegenomen, onder andere vlees, en een bruine leren jas. De jas hing bij hem thuis bij de achterdeur. Hij was wel bij de ondergrondse, maar ging op eigen houtje een overval plegen.”

Getuigenis

De Oorlogsgravenstichting bezat eveneens een getuigenis over de rol die Henk Swart in het laatste oorlogsjaar zou hebben gespeeld. Die werd in 1955 op schrift gesteld door de burgemeester van Oostzaan. Hij had zich op zijn beurt weer laten voorlichten door het voormalige Knokploeglid Cor Flens. “Media 1944 meldde Swart zich bij de O.D., waarvan hij lid werd. Hij was toen reeds in het bezit van een pistool, welk vuurwapen hij op eigen gelegenheid heeft weten te bemachtigen”, schreef de burgemeester. “Spoedig daarna heeft Swart aan Flens te kennen gegeven lid te willen worden van de K.P. omdat daar naar zijn zeggen beter voor eten werd gezorgd dan bij de O.D.” Omdat, volgens Flens, ‘de bedoelingen van Sw. allerminst onbaatzuchtig waren’ werd hij niet tot de Knokploeg toegelaten. “Geheel op eigen houtje pleegde Sw. overvallen en berovingen. (…) Dit optreden werd Swart zijn ongeluk, want na een diefstal van vlees en vet bij een bekende zwart-slachter werd hij gegrepen en door de politie overgeleverd aan de Duitsers.”

Nationaal Archief

Het was een kwestie van uren na de nachtelijke overval voor de door zoon Schaft herkende buurtgenoot werd opgepakt. In opdracht van de Ordnungspolizei verdween Henk Swart korte tijd achter de tralies van het Zaandamse politiebureau. De Sicherheitspolizei haalde hem nog dezelfde dag, 4 januari, op en bracht hem naar het huis van bewaring in Amsterdam.

Veldwachter Roel van Maasdam in 1938 in het gemeentehuis van Oostzaan. Op de deur van de burgemeesterskamer staat: ‘Betreed deze kamer nimmer met vrees’ (Oudheidskamer Oostzaan)

Op vrijdag 5 januari 1945 voerde een knokploeg een aanslag uit op de spoorlijn tussen Amsterdam en Amersfoort. Ter hoogte van de Muiderstraatweg, vlakbij de plek waar het spoor de verkeersweg van Diemen naar ‘t Gooi kruiste, plaatsten de verzetsstrijders springstoffen. Die actie leidde, zoals gebruikelijk bij dergelijke ‘terreurdaden’, tot een vergelding. In de ochtend van 6 januari reed er een auto van de gevangenis aan het Kleine Gartmanplantsoen richting Diemen. In het voertuig bevonden zich vijf geboeide mannen en hun bewakers. Op de Berlagebrug keerde de auto onverwacht. De arrestanten werden teruggebracht naar hun cellen.

Het was uitstel van executie. Diezelfde middag rond 15.00 uur reed de wagen opnieuw naar Diemen, met dezelfde gevangenen. De chauffeur stopte bij de plaats van de aanslag. Commandant Johann Friedrich Stöver leidde de operatie. Hij gaf ook het bevel om de slachtoffers te fusilleren. Een van de acht meegereisde bewakers, Bernardus Swagers, verklaarde tijdens zijn naoorlogse proces dat hij in eerste instantie weigerde om te schieten. Volgens hem reageerde Stöver daarop met de woorden: “Als je niet meedoet, kan je naast de vijf slachtoffers gaan staan.”

Executie

Een bewoner van een tegenovergelegen huis, Tim van Dijk, en zijn op bezoek zijnde zwager Herman Klooster waren getuige van de moord. Ze legden na de oorlog een verklaring af over de werkwijze van de Grüne Polizei. “Ik, getuige Van Dijk, zag dat vijf personen in burger gekleed, op één gelid langs de kant van de weg stonden. Ik ben toen naar de bovenverdieping van bedoeld perceel [Muiderstraatweg 62] gegaan en hoorde dat er intussen werd geschoten. Ik keek uit het raam naar buiten en zag toen dat die vijf in burger geklede personen door elkaar op de grond lagen. Daarna zag ik dat enigen van de Duitsers met in hun bezit zijnde machinepistolen naar de op de grond liggende mensen schoten.”

Na de fusillade vertrokken de daders. De lichamen van de slachtoffers bleven een uur lang onbewaakt liggen. Toen arriveerde er een auto met daarin twee mannen, begrafenisondernemer Johannes Bleekemolen en zijn assistent Pierre van Lee. Zij gooiden de lijken achterin en reden er op 7 januari mee naar het duingebied bij Overveen. Daar werden de doden in een kuil begraven, samen met vijf in Amsterdam gefusilleerde mannen.

Op 1 juni 1945 werden de tien stoffelijke overschotten teruggevonden. In de navolgende dagen identificeerden familileden de slachtoffers, onder wie de weduwe Swart. Negen van de tien mannen kregen in het najaar van 1945 een herbegrafenis op de Eerebegraafplaats in Bloemendaal.

Na de bevrijding markeerde decennialang een houten kruis met de tekst ‘Aan hen die vielen’ de locatie naast de Muiderstraatweg waar de executie plaatsvond. In 2014 kwam daar een gedenksteen bij met de namen van de slachtoffers. Bij de onthulling van het monument sprak de burgemeester van Diemen over de verzetsdaden die ze zouden hebben gepleegd. Ook nu nog vermelden meerdere websites dat de slachtoffers werden opgepakt vanwege ‘illegale activiteiten’. “De een had verborgen Canadezen geholpen, een ander had persoonsbewijzen vervalst”, staat bijvoorbeeld op Oneindig Noord-Holland.

Dat verdient wel enige nuancering. Cornelis van den Brink en Luitje Bakker waren inderdaad actief als verzetsstrijder. De eerste verleende onder meer hulp aan ondergedoken Canadezen, terwijl Bakker zich inzette voor Het Parool, persoonsbewijzen vervalste en onderduikers hielp. Maar van Petrus Marie Pijpers is bekend dat hij lid was van de NSB en als chauffeur werkte bij het Nationalsozialistische Kraftfahrkorps. Ook Marinus Smit was tot 1943, toen hij deserteerde, NSKK-chauffeur. Bovendien pleegde hij voor eigen gewin overvallen op burgers. Om die redenen werden beiden in 1948 weggehaald van de Eerebegraafplaats en elders herbegraven. Ieder jaar herdenkt Diemen bij een aan hen gewijd monument dus twee nationaalsocialisten.

Fragment van een door de Oorlogsgravenstichting gemaakt dossier over Marinus Smit (Nationaal Archief)

De rol van Henk Swart roept vragen op. In 1948 hertrouwde zijn weduwe. Geertje Pauli had drie jaar eerder Oostzaan verlaten en zweeg tot haar overlijden in 1994 over haar gefusilleerde man. Mede daardoor kwamen haar dochter en kleinkinderen weinig te weten over diens rol in oorlogstijd. Waarmee hield hij zich bezig tussen 1940 en 1945? Hoe actief was hij binnen de illegaliteit? En deed hij verzetswerk uit algemeen of eigenbelang? Wie het weet mag het zeggen, liefst via info@schaapschrijft.nl.

Grafsteen van Henk Swart op de Eerebegraafplaats in Bloemendaal

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag