Paulines choice: de verzetsvrouw die verraad pleegde

André Ausems belandde al vroeg in het verzet en werd uiteindelijk zelfs geheim agent voor de Nederlandse regering in ballingschap. Zijn echtgenote verschafte in hun Zaandijkse woning meerdere joden een veilig onderkomen. Maar Pauline Ausems-Redeke verraadde ook twee joodse onderduikers die zich verborgen bij haar buren. Waarom?

Bureau Inlichtingen

In september 1942 verlaat Andreas Wilhelmus Maria Ausems (25-12-1904/31-5-1955) zijn woning in de Jacob Honigstraat 18 in Zaandijk. Duitse bedrijfsleiders hebben hem ontmaskerd als saboteur bij Fokker, zijn werkgever. Ausems moet daarom in allerijl zijn vrouw Pauline (29-8-1904/na 1976) en zijn kinderen achterlaten. Hij duikt onder, gaat door met andere illegale activiteiten en vertrekt in het najaar voor de Raad van Verzet naar Groot-Brittannië. In maart 1944 is hij terug in zijn vaderland, nu als geheim agent van het Nederlandse Bureau Inlichtingen. Het lukt hem om boodschappen over te brengen van de regering in ballingschap en een radionetwerk op te bouwen. Als dank voor zijn vermetele, levensgevaarlijke inzet binnen de illegaliteit ontvangt André Ausems in 1954 uit handen van prins Bernhard de Bronzen Leeuw, een onderscheiding voor militairen die zich in de strijd tegen de vijand onderscheidden door bijzonder moedig gedrag.

In maart 1944 is André Ausems terug in zijn vaderland, nu als geheim agent van het Nederlandse Bureau Inlichtingen.

Prins Bernhard reikt de Bronzen Leeuw uit aan André Ausems.

Joodse onderduikers

Voordat Ausems in het najaar van 1942 op de vlucht slaat, bieden Pauline en hij onderdak aan enkele joodse onderduikers, twee jongens en een meisje. Opvallend is dat André Ausems uiterst ambivalent staat tegenover het ‘Oude Volk’. ‘Er zijn natuurlijk ook goede, doch er zijn er die verbazend indringerig zijn, mopperen over de kinderen en het eten en de huiselijke regels naar hun wens willen hebben en er niet over denken dat zij zich volgens de huiselijke regelen van dat gezin hebben te gedragen’, schrijft de Zaankanter tijdens de zomer van 1944 in een notitie voor de Nederlandse inlichtingendienst. Zijn echtgenote moet volgens hem de drie joodse kinderen in hun woning ‘de gehele dag nalopen en [ze] kreeg geen medewerking. Zij zijn onvoorzichtig door het schrijven van brieven aan elkaar, waarin zij uitvoerige gegevens vertellen over de familie waar zij ondergebracht zijn.’ Ausems beschouwt slechts een minderheid van de joden als ‘goed en sympathiek’. Verzetsstrijders zouden bang zijn om joden te helpen en dat is volgens hem ‘de schuld der joden zelf en niet het gevolg van de Duitse of NSB-propaganda’.

Andreas Wilhelmus Maria Ausems.

SD-beambten

Ondanks die antisemitisch gekleurde tweeslachtigheid geeft het katholieke echtpaar Ausems dus hulp aan joden. Na het overhaaste vertrek van haar man brengt Pauline Ausems-Redeke rond oktober 1943 opnieuw een opgejaagde joodse onder in haar huis. Het betreft de uit Duitsland gevluchte Ilse Adler (2-5-1916). Dat gaat maar kort goed. Op 10 november komt Pauline met een koffer vol kleren en andere spullen voor Ilse terug uit Amsterdam. Tijdens een naoorlogs verhoor zegt ze: ‘Bij mijn binnentreden werd ik verrast door twee mij onbekende mannen, die zeiden SD-beambten te zijn en opdracht te hebben een bij [mij] wonende Jodin te arresteren en mede te nemen naar Amsterdam. Ilse Adler was inmiddels reeds door hun gearresteerd en voorlopig verhoord. Toen mij het verwijt gemaakt werd dat ik een Jodin in mijn huis had opgenomen en mij werd medegedeeld dat ik de gevolgen daarvan wel zou ondervinden, heb ik mij verdedigd door te zeggen dat het mij onbekend was dat de bewuste vrouw Jodin was en dat ik haar slechts in huis had genomen als hulp in de huishouding, daar ik ten gevolge van vroegere kinderverlamming nog enigszins gebrekkig was.’

‘Bij mijn binnentreden werd ik verrast door twee mij onbekende mannen, die zeiden SD-beambten te zijn.’

Ilse Adler (midden) met haar ouders, jaren ’30 (Joods Monument).

Salo Muller

Dat de Politieke Opsporingsdienst eind 1945 Pauline Ausems verhoort, heeft te maken met hetgeen er na het even onverwachte als ongewenste nazistische bezoek gebeurt. Volgens Ausems dringen de twee leden van de Sicherheitsdienst er ‘herhaald en langdurig’ op aan meer ‘dergelijke hulpen in de huishouding’ te noemen. Doet ze dat niet, dan moet ze als arrestante mee naar Amsterdam. Ausems wikt en weegt. Eerst wil ze haar kwelgeesten doorverwijzen naar de Jacob Honigstraat 22, twee deuren verderop. Daar verbergen Jacob en Guurtje van Eijkern een joods jongetje, Salo Muller uit Amsterdam. (Hij zal later naam maken als de fysiotherapeut van Ajax.) Dan bedenkt ze zich: [Ik] ‘overwoog dat daar een zieke in huis was en dat er door den heer Van Eijkern illegaal werk werd verricht, waarna ik besloot het adres van de familie Mes te noemen.’

Salo Muller (ntr.nl).

Gretha Mouwes

Jan en Alida Elisabeth Mes wonen eveneens in de Jacob Honigstraat, op nummer 29. Willy en Jo Kleiman – de laatste krijgt na de oorlog bekendheid als helper van Anne Frank en haar familie – zorgen dat Gretha Mouwes-Roozendaal (27-11-1914) onderdak krijgt bij dit echtpaar. Daar verblijft nog iemand met een joodse achtergrond: de eveneens uit Amsterdam afkomstige baby Bertil (‘Bertje’) Mooleman (28-3-1943). Pauline Ausems bekent dus desgevraagd de familie Mes te hebben verraden, ‘er daarbij niet aan denkende dat zich daar, behalve een volwassen Jodin, ook nog een klein, Joods kind bevond’.

Gretha Mouwes-Roozendaal in 1995 (screenshot USC Shoah Foundation).

Westerbork

Ze is ‘de mening toegedaan dat de Joden slechts voor de verdere duur van de oorlog in Westerbork opgesloten zouden worden’.

Gevraagd naar het waarom van haar verraad antwoordt ze in 1945: ‘Omtrent de redenen welke mij er toe brachten het bewuste adres op te geven kan ik slechts verklaren dat ik dit niet heb gedaan om mijzelf voor arrestatie en wegvoering te behoeden, maar om de werkzaamheden van mijn man en de gehele illegale radiodienst, waarin mijn man een leidende positie innam, niet in gevaar te brengen.’ Ze is tevens ‘de mening toegedaan dat de Joden slechts voor de verdere duur van de oorlog in Westerbork opgesloten zouden worden’. Die laatste afweging is bijzonder: inmiddels weet de gehele illegaliteit dat de Westerborkse gevangenen na enige tijd worden afgevoerd naar het buitenland. Verder gaan er talloze verhalen rond over hun lot in het Oosten van Europa, en daar zit niets hoopvols tussen.

Pauline Ausems-Redeke (De Typhoon, 20-1-1961).

Bergen-Belsen

Hoe dan ook, de Sicherheitsdienst krijgt op relatief eenvoudige wijze drie joodse onderduikers in handen gespeeld. Ilse Adler heeft naar omstandigheden geluk. Ze wordt op 10 november 1943 eerst naar Amsterdam gebracht en vervolgens doorgevoerd naar kamp Westerbork. Van daaruit volgt in februari 1944 deportatie naar Bergen-Belsen, waar ze bijna een jaar als verpleegster werkt. Op 21 januari 1945 reist ze dankzij een uitwisselingsproject via Zwitserland naar Algerije. Ze komt daar terecht bij een opvanglocatie waar ook andere uitgewisselde Nederlands joden verblijven. Op een overzicht uit januari 1945 staat bij haar naam ‘Ecuador’ vermeld als land van herkomst, zonder verdere duiding. Wellicht komt ze daardoor in aanmerking voor de uitwisseling. Op enig moment na de bevrijding emigreert Ilse Adler naar Israël.

Registratie van Ilse Adler (‘kraamverpleegster’) en haar bezittingen (‘nihil’) op het Amsterdamse politiebureau (Stadsarchief Amsterdam).

Eddy Moesbergen

Voor Gretha Mouwes ziet het er somberder uit. Jan Mes vertelt in oktober 1945 dat de twee SD’ers die zich eerder bij Pauline Ausems meldden aansluitend bij zijn woning aankloppen. ‘Een was genaamd Moesbergen, met de mededeling dat het hun bekend was dat ik in mijn woning enige Joden had verborgen. Dit was inderdaad zo.’ Eduard Gijsbertus (alias Eddy) Moesbergen (1902-1980) is lid van de Colonne Henneicke, een fanatiek gezelschap jodenjagers. Met zijn collega’s weet hij acht- à negenduizend ondergedoken joden op te sporen. Iedere ‘vondst’ levert hen een paar rijksdaalders op. Zijn chef, de in Zaandam geboren Abraham Kaper, zal na de oorlog over Moesbergen verklaren: ‘Hij was na [Peter] Schaap en diens koppelgenoten de man die de meeste joden aanbracht. Moesbergen heeft zeer veel premies ontvangen voor het arresteren van joden.’ Eddy Moesbergen leidt ook de inval bij ’t Hooge Nest, de schuilplaats in Huizen die anno nu bekendheid geniet door het gelijknamige boek van Roxane van Iperen. In totaal pakt Moesbergen vele tientallen onderduikers op. In november 1948 wordt hij ter dood veroordeeld. De dat jaar aangetreden koningin Juliana verleent hem echter gratie, zoals ze dat zoveel leden van de Colonne Henneicke gunt. In 1961 komt Moesbergen op vrije voeten.

Eddy Moesbergen na zijn arrestatie in 1945 (Nationaal Archief).

Erewoord

Tijdens de inval in hun woning doet het echtpaar Mes alle mogelijke moeite om de schade te beperken. Jan Mes: ‘Na veel praten gelukte het aan mijn vrouw en mij om te verhinderen dat het kind werd meegenomen. Beide SS-agenten vertrokken, keerden echter even later weer terug en namen ook mij en mijn vrouw mede. Wij beiden zijn toen eerst een halve dag en later nog eens een halve dag in de Euterpestraat verhoord. Ik werd in vrijheid gesteld, omdat ik op erewoord had beloofd, binnen zes weken een zevental Joden aan te geven bij de SD, totdat ca. vier maanden later het kind Bertje Mooleman ook werd weggehaald.’

Jacob Honigstraat, Zaandijk (Historische Vereniging Koog-Zaandijk).

Strafbarak

Vanuit de strafbarak ging Gretha Mouwes, onder bewaking, naar de Antragstelle.

Wonder boven wonder overleeft Gretha Mouwes haar gevangenschap. ‘Ik werd door hem [Moesbergen] overgebracht naar zijn kantoor gevestigd aan het A.[dama] van Scheltemaplein te Amsterdam’, vertelt ze eind 1945 tegen de Politieke Opsporingsdienst. ‘Na plm. zeven dagen werd ik van Amsterdam vervoerd naar Westerbork.’ De journalist Joop Bromet vertelt in het Nieuw Israëlietisch Weekblad over een naoorlogse ontmoeting met Gretha. ‘Toen zij 17 november 1943 in Westerbork kwam, werd zij meteen doorgestuurd naar de strafbarak. Zij had zich “brutaal” gedragen tegenover de SD en bovendien had zij contacten met de illegaliteit. Vanuit de strafbarak ging zij, onder bewaking, naar de Antragstelle. Dat was de Joodsche Raad, die daar zat om mensen met een “papiertje” van transport vrij te stellen. Ze had niets, maar dacht, ik kan beter hiernaartoe gaan dan naar het kledingatelier, waar zij gevangenispakjes moest maken. Toen ze op een tafel zat, tikte een oud-leerlinge van haar (ze gaf les in mode) haar op de schouder. “Mevrouw Mouwes, u hier”, zei ze. “Ik zal proberen iets voor u te doen. Beloven kan ik niets.”‘

Weinreb

Volgens Bromet wordt enige tijd later Mouwes’ naam omgeroepen en moet ze zich melden bij Walther Heinemann, een lid van de Joodsche Raad. ‘Die vertelde haar dat er een Weinreb-lijst bestond en dat hij zou proberen haar daarop te plaatsen. Ze moest hem daarvoor ƒ 100,- betalen. Ze ging hiermee akkoord en schreef haar vader (die gemengd gehuwd was) dat zij ƒ 100,- nodig had. Er ging weer enige tijd overheen, toen zij op een dag uit de strafbarak gehaald werd. Ze was erg verbaasd en hoorde dat zij op de Weinreb-lijst stond. Meneer Heinemann, die haar de eerste keer bezocht had, deelde haar dit mee. Geld wilde hij niet accepteren. Hij wuifde de honderd gulden met een achteloos gebaar weg.’

In een door het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie opgesteld rapport wordt gesteld dat de gebruikte lijst (vernoemd naar de joodse collaborateur Friedrich Weinreb, die schermde met schimmige contacten om joden vrij te krijgen, maar hen in werkelijkheid soms verraadde of hun kostbaarheden afhandig maakte) is gehanteerd als excuus om Gretha Mouwes uit de strafbarak te krijgen. Bromet: ‘Vrijwel direct nadat zij de strafbarak verlaten had, werd de hele barak op transport gesteld. Van dit transport is niemand teruggekomen.’

Joodse Raadkaart van Gretha Mouwes-Roozendaal (Archief Bad Arolsen).

Auschwitz

Ondanks haar plek op de Weinreb-lijst wordt Gretha op 3 maart 1944 naar Auschwitz gedeporteerd. Ze nam in januari ’45, toen de Russen in aantocht waren bij Auschwitz, aan de Dodenmarsen deel, dwars door Duitsland heen bij min twintig graden. Uiteindelijk kwam ze onder meer bij Ravensbrück terecht. ‘Tijdens mijn verblijf in de genoemde kampen heb ik diverse ziekten gehad, waaronder hongeroedeem. Bij de bevrijding woog ik nog slechts 68 pond. Mijn lichamelijke toestand was toen zeer miserabel, o.a. traden al verlammingen op van diverse lichaamsdeelen’, vertelt ze in 1945. Desondanks overleeft ze de gruwelen.

Bertil Mooleman

Bertil Mooleman maakt de bevrijding mee in een ander kamp, Theresienstadt. Ook zijn moeder, Rebekka Mooleman-Klok, mag de vrijheid beleven. Het duurt overigens tot de nazomer van 1945 voor ze haar zoon in de armen kan sluiten en meenemen naar haar woning in de Amsterdamse Rustenburgerstraat 229 II. Zij vertelt: ‘Op 22 juni 1943 werd ik, daar ik van Joodsche bloede was, gearresteerd. Een week tevoren had ik mijn zoontje Bertil Mooleman laten onderduiken. Ik wist toen niet waar mijn kind terecht kwam. Op 25 augustus 1945 ben ik uit Duitschland, via Zweden teruggekomen. In Zweden had ik reeds gehoord, middels berichten van kennissen uit Nederland, dat mijn kind uit Duitschland was teruggekeerd en ondergebracht was bij de familie Mes te Zaandijk. Bij mijn terugkomst ben ik naar genoemde familie gegaan en heb aldaar het kind in goede gezondheid aangetroffen. Naar ik nader heb vernomen is mijn zoontje op 24 juli 1945 uit Duitschland teruggekomen, waarop het de volgende dag door de familie Mes tot zich werd genomen.’

Op de achterkant van de Joodse Raadkaart van zijn moeder werden aantekeningen gemaakt over Bertil Mooleman. Daaruit valt op te maken dat hij op 15-1-1944 in Westerbork arriveerde en via Bergen-Belsen in Theresienstadt terechtkwam. Op 15-5-1945 was hij terug in Nederland (Archief Bad Arolsen).

Laatste transport

Bertil Mooleman maakt in Westerbork deel uit van de zogenoemde Gruppe Unbekannte Kinder.

Bertil wordt op 15 januari 1944, kort na bij de familie Mes te zijn weggenomen, afgeleverd in Westerbork, waar hij een plek krijgt in het kampweeshuis. Hij maakt daar deel uit van de zogenoemde Gruppe Unbekannte Kinder, joodse kinderen die van hun onderduikadres zijn gehaald en van wie de identiteit onbekend is. Ze blijven tot 13 september 1944 in Drenthe. Dan vertrekt het allerlaatste transport uit Westerbork. Aan boord van de trein naar Bergen-Belsen bevinden zich 279 gevangenen, onder wie 51 Unbekannte Kinder. Op 17 november 1944 worden deze kinderen doorgevoerd naar Theresienstadt, waar Russische militairen hen in mei 1945 bevrijden. Op één na overleven alle uit Westerbork gevoerde baby’s, peuters en kleuters de oorlog. Onder wie ook Bertil.

Kinderzaal in Westerborkbarak 35, waar de ‘Gruppe Unbekannte Kinder’ werd gehuisvest (NIOD).

Zomerhuisje

Bertil Mooleman en Gretha Mouwes-Roozendaal hebben ongelooflijk veel geluk dat ze de oorlog overleven. Hun geluk pakt ook voordelig uit voor Pauline Ausems. Als verdachte van verraad wordt zij na de bevrijding onderworpen aan een onderzoek. Haar strafdossier bevat onder meer een brief van Jan Mes d.d. 17 juli 1945. Hij weet dan al wie ‘zijn’ onderduikers heeft verraden. ‘Na een gesprek van c.a. een uur heeft mevr. A.[usems] in het zomerhuisje De Piet te Breukelen omstreeks 5 uur in de middag mij verklaard het verraad gepleegd te hebben, niet wetende dat dit verraad zulke droevige gevolgen zou hebben. Ze was toen bereid om zoo vlug mogelijk naar mij toe te komen om hulp te verleenen aan mevr. Mauwes [sic] en Bertje als schadeloosstelling voor het verschrikkelijk lijden in Auschwitz en beloofde alles te zullen doen om zooveel mogelijk goed te maken.’

Geofferd

Het loopt anders. Jan Mes: ‘Wie schetst echter mijn verwondering toen haar man, welke niet aanwezig was tijdens haar bekentenis aan mij in De Piet, na een gesprek met zijn vrouw onder 4 oogen mij wist te vertellen dat dit verraad bewust was gepleegd om zijn huis vrij te houden van de SD. Hij zou nl. gezocht worden door de SD. Er zouden menschen met geheime opdrachten bij hem thuis komen enz. Hij vertelde mij tevens dat deze gang van zaken geheel verantwoord was, daar het n.l. niets bijzonders was dat menschen voor hun vaderland geofferd worden in oorlogstijd. Mijn gezin, met drie kinderen, mevr. Mauwes en Bertje zijn dus geofferd voor het vaderland. Als zoodanig mocht ik het dus geen verraad noemen, maar wel een eer. Na deze verklaring van den heer A. Ausems voelde ik mij toen genoodzaakt het geval aan de POD door te geven, daar deze verklaring volgens mijn inzicht schaamteloos was.’

Remmert Aten

Jan Mes is woest. Hij verlangt vervolging van Pauline Ausems. Maar dan gebeurt er iets merkwaardigs. Een van de twee POD-rechercheurs die het proces-verbaal over Ausems’ verraad hebben opgesteld, de Zaandammer Remmert Aten, dringt er bij Mes op aan om de zaak te laten rusten. Als resultaat van dat gesprek stuurt Jan Mes op 4 september 1945 een brief naar de politie in Zaandam. Die is gericht aan rechercheur Johan Jongepier, net als Aten een voormalig ondergronds werker: ‘Over de woorden van den Heer Aten heb ik nog eens goed nagedacht’, schrijft Mes. ‘Steeds kwamen de woorden van den Heer Aten op de voorgrond: “Als ik iets moest doen, dan zou ik dit niet doen, het gaat tenslotte om de illegaliteit en niet om die Mevr. Ausems, alles komt daardoor weer in opspraak, er wordt al genoeg gekletst, ik zou er dus in geen geval werk van maken.”’

‘Er wordt al genoeg gekletst, ik zou er dus in geen geval werk van maken.’

Remmert Aten (M. Alberdingk Thijm-Aten).

‘Afgedaan’

Jan Mes vervolgt: ‘Heeren, U begrijpt de overwinning die ik op mijzelf moet behalen om de woorden van den Heer Aten de mijne te maken. Ik ben echter zoover gekomen en wil dus ter wille van de illegaliteit mijn standpunt wijzigen  en zie van vervolging van deze Mevr. Ausems af. Ook zie ik in dat de wereld niet beter kan worden als wij illegalen elkaar gaan aanvallen. Ik [heb] Mevr. Ausems gesproken en haar mijn standpunt verteld. Zij ook ziet nu zeker in dat ze totaal verkeerd gehandeld heeft. Mijne Heeren, U kunt dus het rapport vernietigen en de zaak als afgedaan beschouwen.’

Vervolging

Jan Mes laat de zaak verder rusten. Afgaand op de processen-verbaal wordt Gretha Mouwes-Roozendaal niet gevraagd naar haar mening. Desondanks lijkt Pauline Ausems een bestraffing te krijgen. Op 26 oktober 1946 concludeert Gerhardus Willem von Meyenfeldt, de officier-fiscaal bij het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam voor het district Zaanstreek, dat ‘verdachte in 1943 Joodse mensen verraden heeft’. Zijn voorstel aan de procureur-fiscaal, die een besluit moet nemen: ‘Ik moge U adviseeren verdachte Ausems-Redeke voorwaardelijk buiten vervolging te stellen met een boete van ƒ 1000,- en ontneming van alle rechten voor 10 jaar.’ Zover komt het niet. De procureur-fiscaal bij het Bijzonder Gerechtshof komt op 8 november 1946 tot een onvoorwaardelijke buitenvervolgingstelling. In Ausems’ strafdossier is geen motivering te vinden voor dit oordeel. Maar dat haar slachtoffers de oorlog overleefden, speelt ongetwijfeld mee bij het besluit om haar niet te straffen.

Stolperstein voor het huis van Ilse Adler in de Wolfhager Straße 2 in Kassel (Wikimedia).

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en dit wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.





4 gedachten over “Paulines choice: de verzetsvrouw die verraad pleegde”

  1. Mooi artikel. Dank hiervoor. Gretha Mouwes is mijn moeder. Aanvulling: mijn moeder is niet overgeplaatst naar Ravensbrück. Ze heeft in januari ’45, toen de Russen in aantocht waren bij Auschwitz, aan de Dodenmarsen deelgenomen, dwars door Duitsland heen bij min twintig graden en kwam ondermeer bij Ravensbrück terecht.

    Beantwoorden

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.