De raadselachtige dood van V-Mann Johnny de Droog

Op 19 februari 1945 stierf Johnny de Droog een eenzame dood. Zijn collega’s vonden de V-Mann met een kogel in zijn hoofd. Was het zelfmoord? Moord? En door wie dan? Tot vandaag de dag houden deze vragen de gemoederen bezig. In mijn biografie over een van de grootste verraders die Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog telde, probeer ik het raadsel te ontwarren. Hieronder een fragment uit het hoofdstuk over De Droogs laatste minuten. Wie overigens meer denkt te weten, is welkom: info@schaapschrijft.nl.

Johnny de Droog had inmiddels zo’n driehonderd tegenstanders achter de tralies gekregen, alleen en in samenwerking. Ruim een kwart van hen stierf in een kamp, voor een vuurpeloton of na martelingen waaraan De Droog meedeed. Twee verdachten schoot hij eigenhandig dood. Onder de slachtoffers bevonden zich afgezien van Toon van Londen geen getrouwen uit De Slapende Leeuw, zijn Arnhemse verzetsgroep. Hoe opportunistisch de voormalige fietsenmaker zich drie jaar lang ook had gedragen, zijn afspraak met Walter Becker dat hen niets mocht overkomen bleef overeind.
‘Johnny de Droog en mijn persoon waren heel veel in Gorssel en bleven dagen thuis, daar het slecht weer was en Johnny rust wou hebben’, memoreerde Emil Rappard kort na de bevrijding in zijn Utrechtse gevangeniscel. Pagina na pagina zette de SD’er gedetailleerd zijn oorlogsherinneringen op papier, zonder om de zaken heen te draaien. ‘We gingen alleen meest iedere dag naar Lochem om bonnen of levensmiddelen te halen.’ Op 19 januari kwam aan die gezamenlijke ritjes – vijftien kilometer heen en weer over modderige wegen – een voorlopig einde. Rappard kreeg verlof om zijn naar Duitsland geëvacueerde, hoogzwangere echtgenote op te halen. Ze was zes dagen daarna uitgerekend. De baby verscheen uiteindelijk ruim een week na de geplande datum. Voor en na de bevalling bleef de aanstaande vader thuis om bijstand te verlenen. Hij spande zich in om basisbenodigdheden te verzamelen voor zijn vrouw en zoon. Het ging hem weliswaar eenvoudiger af dan de gemiddelde Nederlander om eten en kleding bemachtigen, maar ook voor hem was het verkrijgen van boodschappen niet makkelijk in een tijd met tekorten op elk gebied. Johnny de Droog toonde zijn betrokkenheid door op kraambezoek te komen. Het waren schaarse momenten van ontspanning.
Vooral de geallieerde troepen hadden baat bij de dooi die eind januari, begin februari 1945 inzette. Het Duitse Ardennenoffensief was vastgelopen in de sneeuw, maar een tegenaanval zat er aanvankelijk ook niet in. Nu keerden de kansen. Eindelijk konden de Canadese en Amerikaanse divisies zich opmaken voor de finale ronde. Vraag was niet langer of, maar wanneer ze de Rijn zouden oversteken. Al sinds het najaar probeerden bommenwerpers de bruggen bij Deventer te vernietigen. Ze hoopten daarmee de aanvoer van verse Wehrmachttroepen en -materialen naar het front te ontwrichten. Veel succes hadden de vliegeniers van de Mitchells en Bostons niet. Gedwongen door het afweergeschut rond de stad moesten ze hun lading van te grote hoogte laten vallen. Een deel belandde daardoor in het hart van Deventer in plaats van boven de IJssel. Op 6 februari ging het volledig fout. Een bommentapijt verwoestte tientallen huizen. Meer dan zestig mensen kwamen om.
De Droog en Rappard namen even later de schade in ogenschouw. Bij de Rijkmanstraat zagen ze hoe over een lengte van honderd meter de bebouwing was weggevaagd. In wat resteerde van de smalle corridor stonden tientallen bewoners. Hun gesprekken werden overstemd door een agressieve, woest blaffende hond. ‘Niemand durfde hem aan te pakken’, herinnerde Rappard zich zeventig jaar nadien. ‘Maar Johnny deed zijn jasje uit, gooide dat over hem heen en pakte hem op. Hij aaide hem en had er zo vriendschap mee.’ Mensen vertrouwde hij niet, dieren wel.

Johnny de Droog in 1941

Op maandag 19 februari leek het eindelijk redelijk fietsweer te worden. De regen bleef weg, er stond weinig wind en het was bijna tien graden Celsius. Het werd tijd om weer eens een wat langere tocht te maken. Emil Rappard kon het zich precies herinneren. Rond zeven uur stapte hij uit bed en kleedde zich aan. Hij pakte zijn semi-automatische Walther 7.65, die zoals elke nacht veiligheidshalve naast zijn hoofdkussen lag, en stak het wapen bij zich. Na te hebben ontbeten wachtte hij op De Droog. Die hoefde niet ver te fietsen om zijn maatje op te halen. De afstand van het zomerkoepeltje waar hij verbleef tot Rappards slaapplek bedroeg minder dan een kilometer. De laatste resten schemering hingen tussen de oude bomen die de lange, rechte Stationslaan omrandden. Het was stil op de doorgaande weg.
Bij nummer G227 remde De Droog. Hij was zoals altijd keurig in het pak, zag Rappard. Na een wederzijde begroeting stapten ze op hun fietsen. Het was inmiddels acht uur geweest toen ze het tuinpad afreden en rechtsaf sloegen. Ze waren al onderweg richting het bescheiden centrum van Gorssel toen De Droog zich realiseerde dat hij was vergeten om zijn radio uit te zetten. Ze draaiden om en fietsten terug. Bij het houten huisje aangekomen bleef Emil Rappard buiten wachten. De Droog draaide de deur van het slot en liep de kleine woon- annex slaapkamer binnen. Het onmiskenbare geluid van een vlakbij afgevuurd schot verdreef Rappards laatste slaapresten. Hij gooide zijn rijwiel neer en rende ‘Johnny! Johnny!’ roepend om het koepeltje heen. Aan de achterzijde zag hij De Droog bewegingsloos bij de terrasdeur liggen. ‘Toen ging ik natuurlijk met getrokken revolver, geladen, om het huisje heen. Een paar keer. Voor het geval ik iemand zou tegenkomen. En gelijktijdig door het bos kijken. Ik zag niets.’
Er was ook niets, vertelde Rappard later. Of althans niemand, afgezien van de jeugdige SD-medewerker en de met bloed bedekte man tussen de tuinstoelen. Begin 1946 hield hij tijdens een verhoor nog vast aan het idee dat De Droog zelfmoord had gepleegd (‘Ook al omreden dat Johnny de Droog de laatste dagen nogal zenuwachtig was.’). Daar kwam hij later op terug. ‘Vermoedelijk heeft hij zichzelf geraakt toen hij het pistool uit de binnenzak haalde.’ Hij ‘droeg zijn pistolen steeds doorgeladen en ongezekerd bij zich’.
Die conclusie sloot aan bij de uitleg van zijn collega August Ahlbrecht. Nadat Rappard hem in verwarring zou hebben gebeld met de mededeling dat De Droog zichzelf had doodgeschoten, was Ahlbrecht in opdracht van Artur Thomsen naar Gorssel gereden. In de dienstauto zat ook Hauptscharführer Herbert Kühnert. Het slachtoffer bevond zich nog op de waranda, zagen ze bij aankomst. Ahlbrecht: ‘Hij had een schot in het hoofd, vlak onder de ogen, en was dood. Naast hem lag een pistool.’ Ze veegden het bloed van zijn gezicht. Het gat naast de neus was volgens Ahlbrecht goed zichtbaar. Hij controleerde de bij het lijk liggende FN. Zoals verwacht ontbrak daarin één kogel. Het viel hem ook op dat het vuurwapen erg makkelijk afging. ‘Er was geen enkel spoor te vinden om aan te nemen dat een ander De Droog had neergeschoten. Wij namen aan dat hij zichzelf doodgeschoten had. Voor hij vertrok keek hij altijd zijn pistool na. Dit was een pistool met een licht drukpunt. Vermoedelijk is toen het schot afgegaan en werd hij in het hoofd getroffen. Het was ons bekend dat hij zeer roekeloos met vuurwapens omging.’

Gewend als ze waren aan doden in hun omgeving stonden ze niet lang stil bij het ongeval. Ze tilden het stoffelijk overschot op een karretje achter de auto. Daarna dekten ze het af met een zeil. Thomsen voelde er weinig voor om de verzetsbeweging een feestdag te bezorgen door bekend te maken dat een van hun grootste vijanden het loodje had gelegd. De uitvaart diende daarom heimelijk plaats te vinden. Hij gaf Ahlbrecht en Kühnert opdracht om naar kamp Amersfoort te rijden. Daar wachtte commandant Karl Peter Berg hen die avond op. Hij beloofde om de vertrouwensman, wiens naam hij niet te horen kreeg, te laten cremeren. Het kwam er niet van; wellicht omdat deze Polizeigefängnis niet over een crematorium beschikte en wegbrengen te belastend was. De Droog bracht de nacht door in het lijkenhuisje naast de fusilladeplaats en kreeg daarna een graf tussen de verzetsstrijders, politieke gevangenen en onderduikers die de kampontberingen niet hadden overleefd.

Johnny de Droog in zijn grafkist, 1945 (T. Kleinveld)

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.