De moord op Walraven van Hall

Op 12 februari 1945 stierf Walraven van Hall in Haarlem voor een vuurpeloton. Hieronder een fragment uit het slothoofdstuk van mijn biografie over deze Zaandammer, Nederlands belangrijkste verzetsleider tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De Sicherheitsdienst heeft Walraven op 27 januari naar het Huis van Bewaring aan de Weteringschans gebracht. Tevergeefs proberen ze om hem aan het praten te krijgen. Zijn broer Gijs: ‘Aanvankelijk was er nog hoop. De SD wist nog niet dat zij met Van Hall de lang gezochte “Van Tuyl” gevangen had.’ Bij zijn arrestatie heeft Walraven weliswaar een (vervalst) identiteitsbewijs op zak, maar dat staat op zijn eigen naam en leidt dus niet naar een van zijn alter ego’s. Die onwetendheid duurt in ieder geval tot 6 februari. Op een organogram over de Nederlandse illegaliteit dat de SD die dag aanlegt, wordt Van Hall nog altijd aangeduid onder zijn schuilnaam. Het overzicht is opgesteld door Teus van Vliet. ‘Hij heeft de oorlog overleefd, mede omdat hij voor de Duitsers een schema heeft gemaakt waarin de gehele illegaliteit beschreven werd, inclusief de namen van de verschillende organisaties met erbij de schuilnamen van de leiders voor zoverre die hem bekend waren en dat waren de meesten’, aldus Gijs van Hall. Vrij snel daarna ontdekken de Duitsers alsnog dat ze diens broer in handen hebben. Gijs: ‘Een andere gevangene verried zijn identiteit. Daarmee was zijn lot bezegeld.’
Remmert Aten: ‘Niets hebben wij vermogen te doen. Wij waren allen bereid, maar de leiding heeft geen teken gegeven. De kans op redding moet anders gelegen hebben. Dat deze gefaald heeft en niets het noodlot heeft kunnen afwenden is ontzettend.’ Gijs: ‘Achteraf beschouwd… misschien hadden we hem kunnen loskrijgen wanneer we als illegaliteit contact met Seyss-Inquart hadden opgenomen. Die contacten waren toen al mogelijk. Maar een politieman uit Zaandam, met wie we contacten hadden, zei ons – en dat was toen, achteraf beschouwd, terecht –: “Ze weten niet wie hij is.” Toen dachten we: als dat zo is, kunnen we hem beter als onbekende laten zitten dan speciaal de aandacht op hem vestigen. Later wisten ze dus wel wie hij was.’

De Persoonsbewijzencentrale maakte in 1944 een vervalste identiteitskaart voor
Walraven van Hall. Daarop is zowel zijn beroep als zijn geboortedatum aangepast.

Na een week belandt Walraven in de cel naast zijn vriend Jaap Buijs. Het lot? Buijs in zijn dagboek: ‘2 februari. Opeens ging mijn celdeur open en tot mijn grote ontsteltenis kwam Wally tussen twee Duitse wachtmeesters mijn cel binnen. Of dit opzet of een vergissing was, weet ik niet. Daarna hoorde ik de cel naast mij opengaan en werd hij daar in opgesloten. Even daarna begon hij te tikken, maar daar ik nooit enig contact met een andere gevangene had gehad, verstond ik dat niet. Hij kwam toen met zijn mond voor de spleet van z’n raam, riep mij en vertelde dat hij 27 januari was gearresteerd. Hij had eerst in een lichte cel aan de overkant doorgebracht en was nu overgebracht.
“Hoe komt het in Godsnaam dat jij in zo’n smerige cel zit?”
Ik zei hem dat ik niets had bekend en dat dat waarschijnlijk de straf was. Hij legde me toen uit hoe het tikken in z’n werk ging en we hebben toen tot ‘s avonds laat, zeer tot ongenoegen van onze medegevangenen, met elkaar tikkend gesproken. Ik was toen zo moe, door de inspanning, dat ik voor het eerst vast heb geslapen.’

De omstandigheden in de gevangenis zijn beroerd. De cellen zijn verduisterd. Voor verwarming, water en zeep wordt niet gezorgd. Voedsel is nauwelijks voorhanden, en post of bezoek ontvangen is er al helemaal niet bij. Buijs noteert: ‘Mijn behandeling werd hoe langer hoe slechter. Weinig eten, verrotte aardappels, geen vet en geen verwarming. Twee zeer dunne dekens en een strozak zo goed als zonder stro op de stenen vloer. Bovendien geen licht.’ Af en toe klinkt er iets door uit een andere cel, zoals de stem van dominee Henk de Jong, een van de gearresteerden op 27 januari. Bij het vallen van de avond zingt hij: “Ik wil u, o God, mijn dank betalen. U prijzen in mijn avondlied.”
Buijs: ‘3 februari. Ik werd uit mijn cel gehaald en zag toen Wally buiten zijn cel staan. We werden tegenover elkaar gezet. We gaven er geen blijk van elkaar te kennen. Men wist dus blijkbaar niet dat hij bij mij in de cel was geweest.’ Van Hall kan alleen communiceren met zijn ondervragers en met Buijs. ‘Door klopseinen op de muur hadden wij contact met elkander en daardoor, omdat onze zaak niet zo somber leek, voor zover dit ging, goede en prettige gesprekken met elkander. Hij was zich gaan inbeelden dat zijn vrouw en kinderen ook wel gearresteerd zouden zijn en ik wist hem dit gelukkig uit zijn hoofd te “kloppen”. Later werd zijn zaak echter voortdurend ernstiger. Op 8 februari wist het tuig dat ze Van Tuyl in handen hadden en toen werd zijn zaak hopeloos. Wat hebben we veel met elkaar gesproken in die dagen en wat een strijd heeft deze beste kerel gestreden om van zijn gezin afscheid te nemen’, aldus Buijs in het vriendenboek Walraven van Hall. 10 februari 1906-12 februari 1945. Koerier Weeda, alias Brinkie: ‘Toen we uit Zaandam moesten vluchten en ons intrek ergens in Amsterdam namen, zaten we weer iedere avond bij elkaar en werd er altijd eerst even over de Westzijde 42 gebabbeld. Dikwijls zei hij dan: “Brinkie, dat is mijn enige angst, dat ik mijn gezin achter moet laten als er eens iets gebeurt.” Inderdaad was dit z’n enige angst, want voor het overige vreesde hij niets en niemand.’

Tilly en de kinderen zijn onmiddellijk na Walravens arrestatie ondergedoken. De twee oudsten, Attie en Aad, worden ondergebracht op verschillende adressen in Zaandam. Tilly trekt met de 4-jarige Mary-Ann in bij de Amsterdamse familie Goedkoop. Het huis aan de Westzijde wordt door vrienden ontdaan van waardevolle spullen. Via de achtertuin worden ze op een dekschuit geladen, over de Zaan afgevoerd en elders opgeslagen. Als na enige tijd duidelijk is dat de Duitsers de gezinsleden met rust laten keren zij en hun bezittingen terug naar de Westzijde.

In januari 1945 arresteren de Duitsers verschillende kopstukken van het Nederlandse verzet, onder wie Walraven van Hall. De Sicherheitsdienst slaagt er op 6 februari in om een overzicht van de illegaliteit te maken. Daarop is zichtbaar dat de SD weet de NSF-leider in handen te hebben (‘Van Tuijll: festgenommen’).

De al op 12 januari naar de Weteringschans overgebrachte Trouw-medewerker Jan Smallenbroek vangt vanuit zijn cel nog één keer een glimp op van Walraven. ‘Door een luik kregen we zwarte koffie. Toen dat luik openging, zag ik iemand zitten die ik heel goed kende, Van Hall.’ Een mogelijkheid om met hem in contact te komen is er niet. Arie van Namen slaagt daar wel in, vertelt hij vier jaar na de oorlog. ‘Op zaterdag 27 januari werd mij door klopsignalen bekend dat Hugo naast mij in een cel zat op de Weteringschans te Amsterdam. Ik schrok daar erg van, omdat ik bang was dat bij een eventueel verhoor van Hugo mijn leugens bekend zouden worden bij de SD. (…) Op 27 januari 1945 bemerkte ik gelijktijdig dat de mij bekende Walraven van Hall aan de andere zijde van mijn cel zat ingesloten. Deze gaf als zijn mening te kennen dat zijn arrestatie het gevolg moest zijn geweest van een aantekening in een zakboekje van Hugo dat door de SD op deze was gevonden. Ik heb dit op verzoek van Van Hall door klopseinen aan Hugo gevraagd, die hierop geen positief antwoord heeft gegeven.’
Jaap Buijs, die korte tijd later in dezelfde cel belandt als Van Namen, doet iets soortgelijks. Van Hall ‘heeft mij toen verteld dat hij dacht dat verdachte iets had gezegd, maar dat hij, Van Hall, het niet begreep. Van Hall heeft het woord verraad gebruikt. Op 8 februari 1945 heeft hij mij medegedeeld dat Hugo of Goedkoop de zaak verraden had, want dat de Duitsers alles, letterlijk alles, wisten.’
In zijn aantekeningen beschrijft de Zaanse houthandelaar uitgebreid de laatste dagen die hij, gescheiden door een stenen muur, doorbrengt met zijn vriend.
‘7 en 8 februari. Bitter koud. Eten ellendig en veel te weinig. Echter vele goede gesprekken met Wally, die echter vooral de 8ste zeer somber was en veel steun nodig had, daar ze alles van hem wisten, ook dat hij Van Tuyl was. Beiden probeerden wij te gissen wie dit allemaal gezegd kon hebben. Wat is het ellendig als je dan een makker alleen maar kunt troosten door dat koude tikken. Je zou hem zo graag eens de hand willen drukken en hem laten voelen hoe je meeleeft. (Later bleek dat Hugo een tekening van de illegaliteit had gemaakt, 6 februari door hem ingeleverd, en alles had verraden. De rotvent!).
‘9 februari. Opnieuw verhoord. Ze bleken nu ook van mij alles te weten. Alleen het NSF-verband wisten ze niet. Toch was ik nu overtuigd dat ik er ook niet door zou komen. Dit met Wally besproken, die mij toen vertelde dat daar toch wel kans op was. Er scheen iets tussen te zijn, waardoor dit niet zou gebeuren. ‘t Was gek, maar er zat een zekere troost in dat Wally nu niet alleen die ellende doormaakte, maar je zelf ook onder dezelfde druk leefde. (‘t Zat als volgt: [verrader Johan van] Lom had gezegd ons wel te willen verraden, mits wij niet gefusilleerd werden. Viebahn en Rühl wilden die belofte houden. Lages niet, toen bleek wie we waren.)’
’10 februari. Wally jarig. Diep ontroerend was deze dag, daar zijn zaak er steeds slechter voor kwam te staan en hij thans beslist overtuigd was er niet door te komen. ‘s Middags weer verhoord. Rühl zei dat hij nu verlangde dat ik los zou komen en zou zeggen hoe het NSF werkte. Hugo had alles gezegd en ontkennen gaf niet. Als bewijs zei hij dat Van Hall hoofd van het NSF was en ik zijn plaatsvervanger. Ook thans alles weer ontkend. (In Scheveningen heb ik aan Hugo gevraagd of dit waar was. Hij ontkende dit heftig. Later bleek het echter volkomen waar te zijn.)’
’11 februari. Opnieuw verhoord. Heb bekend dat ik voorzitter van de Kern en van Natura was, doch heftig ontkend dat ik iets van het NSF afwist. Dit teneinde niet gedwongen te zijn iets van Wally te moeten zeggen. Heb geen enkele naam genoemd. Rühl noemde mij echter keurig alle deelnemers aan de Kernvergadering op, die hij op een lijstje had (Hugo!!).’

Het oorlogsmonument bij de Jan Gijzenbrug (Anton van Daal)

Aan de Haarlemse Jan Gijzenkade staat sinds 1950 een in Franse kalksteen uit-gehouwen beeldengroep. De maker, Theodoor van Reijn, heeft een knielende man en vrouw gecreëerd die samen een krans neerleggen. Op het voetstuk staat de bijbeltekst ‘En nu blijft geloof hoop en liefde deze drie doch de meeste van deze is de liefde.’ Het beeld herinnert aan het drama dat zich 25 meter verder, aan de andere zijde van de weg, heeft afgespeeld. Dat drama begint voor Van Hall op 10 februari 1945, zijn 39ste verjaardag. Die zaterdag pleegt een groepje voormalige RVV-leden, dat zich de voorgaande weken heeft ontwikkeld tot een roofbende, een gewapende overval op een rijwielhandelaar. Ze rijden met hun buit door Haarlem-Noord. Daar willen leden van de Feldgendarmerie hun auto als onderdeel van een routinecontrole doorzoeken. Om te kunnen wegkomen schiet een van de inzittenden met een machinegeweer op de Duitsers. Een onderofficier valt dodelijk gewond neer, een soldaat en een burger raken gewond. Dezelfde avond licht de Haarlemse politie de Amsterdamse SD in over de gebeurtenis.
De Sicherheitspolizei, die sinds juli 1944 in de plaats treedt van de opgeheven rechtbanken, neemt zoals gebruikelijk represailles. Dat verloopt via meerdere schijven. In opdracht van Aussenstelle-leider Willy Lages belt zijn ondergeschikte Friedrich Viermann met SiPo-bevelhebber Karl Schöngarth. Die geeft opdracht om acht gevangenen te executeren. Viermann, in 1949: ‘Ik heb toen aan Dr. Schöngarth acht namen van zg. Todeskandidaten opgezonden, die stonden bovenaan de lijst van terdoodveroordeelden.’
Uit de aantekeningen van Jaap Buijs: ’12 februari. Een der ellendigste dagen van mijn leven. Wally werd twee keer achter elkaar uit zijn cel gehaald. De tweede keer zei hij dat hij hoed en jas had moeten inleveren en dat dit het einde betekende. Hij verzocht mij verder te luisteren en gaf bepaalde wensen op voor toezicht op zijn kinderen, enzovoort. Ik zei hem dat ik, wanneer ik er doorkwam, zoveel mogelijk de kleine zorgen voor zijn gezin zou trachten dagelijks weg te nemen en verder zou doen wat ik kon. Hij zei dat hij dat mij niet eens wilde vragen. Omdat hij mij kende sprak dat voor hem vanzelf. Half vier werd hij weer gehaald en toen hij terugkwam, zei hij dat hij ‘s avonds met anderen gefusilleerd zou worden. Hij vroeg mij aan Til mee te delen dat zijn laatste gedachten bij haar en de kinderen zouden zijn. Daarna zei hij dat hij een vreselijke strijd had om van zijn liefste te scheiden, en nam toen afscheid. Totaal kapot was ik. Wat is de vrijheid duur gekocht. Toen ik het barse bevel hoorde om uit zijn cel te komen, wist ik me geen raad meer.’ Wat Buijs niet opschrijft is dat hij vraagt – onbekend is aan wie – of hij Walravens plaats voor het executiepeloton mag innemen. Het wordt geweigerd.

Samen met zeven andere gevangenen uit het cellencomplex aan de Weteringschans wordt Van Hall op 12 februari 1945 per overvalauto naar de Jan Gijzenkade in Haarlem-Noord vervoerd. De Duitsers drijven intussen een groep burgers naar de executieplaats, een lege plek voor een betonnen tankmuur. Onder hen bevindt zich ook de bekende Haarlemse verzetsstrijder Hannie Schaft. De 10-jarige Jan Heerze is er die maandag eveneens bij. Hij beschrijft de gebeurtenissen in het kinderboek Februari ’45. Een verhaal uit de hongerwinter. ‘Duitsers waren zenuwachtig. Onderofficieren liepen snauwend heen en weer, soldaten hielden voortdurend hun machinepistolen op de mensen gericht. “Ze willen ons vermoorden!”, schreeuwde opeens een vrouwenstem uit de menigte. Er ontstond beweging in de rijen. Verwarde uitroepen. Een Feldwebel brulde: “Stilte! Stilte!” Een man die een stap naar voren deed, kreeg een stoot met een geweerkolf tegen zijn borst. Hij tuimelde achterover. Op hetzelfde moment naderden over de Rijksstraatweg met grote snelheid drie overvalauto’s. Het rumoer verstomde. Uit de eerste wagens sprongen SS’ers. Een paar gingen vlak voor de toeschouwers staan, anderen stelden zich op in een lange rij, het geweer aan de voet. Toen ging de klep van de achterste wagen open. Het werd doodstil op de Jan Gijzenbrug. Een man viel half de auto uit, en nog een, en nog een.’
Ingeborg de Wit, in 1945 17 jaar oud, schrijft later een brief aan de weduwe van dominee Henk de Jong, een van de acht slachtoffers. ‘Op de dag van de fusillade waren mijn broer en ik op weg om sprokkelhout te vergaren voor mijn moeder. De vorige dag waren wij getuige van het neerschieten van een Duitse officier op een fiets, die over de brug reed. We vlogen vlug terug naar huis van angst om onze moeder hiervan te vertellen. Op diezelfde plaats, een beetje verder van de brug, is uw man vermoord, de volgende dag op dezelfde tijd. Wij werden ruw door Duitse soldaten langs de kade geforceerd tezamen met andere mensen op een zekere plaats te staan. Toen arriveerde de Duitse overvalwagen met SS’ers en soldaten en acht schamel geklede personen.’
Ook de 9 jaar oude Rob Hahn moet die maandag toekijken. In 2002 vertelt hij: ‘Ze werden eruit geknuppeld met de kolven van geweren. Anders dan iedereen denkt zijn ze niet op de plaats van het monument neergeschoten, maar aan de overkant. Ze stonden zo dat het schootsveld van de Duitsers over het water van de Jan Gijzenvaart lag.’ De toeschouwers worden gedwongen te kijken. Het is vijf uur ‘s middags. De leider van het executiepeloton, Hans Stöver, geeft zijn Wachzug het bevel om te schieten. Ingeborg de Wit: ‘Ik herinner mij nog de explosie van de geweren van de Duitse soldaten. Wij waren verslagen, bang en vol haat. We werden geforceerd langs de slachtoffers te lopen, maar ik wilde niet kijken.’
Kort voor de fatale schoten klinkt er een schreeuw. Walraven houdt zich aan de belofte die hij in zijn cel deed. Omstanders horen hem roepen: ‘Ik denk aan je, Tilly.’ Luttele seconden later valt hij dodelijk getroffen neer.

Als Rob Hahn later op de dag teruggaat naar de plek van de executie ziet hij de acht lichamen in de loopgraven naast de Rijksstraatweg liggen. ‘Hoe lang ze daar gelegen hebben, weet ik niet meer.’ De Amsterdamse begrafenisondernemer en trouw SS’er en NSB’er Johannes Bleekemolen en garagehouder Pierre van Lee halen de slachtoffers in de vroege avond op en vervoeren ze per vrachtwagen naar het Kennemerduingebied. Daar verwijdert Bleekemolen hun schoenen en ringen. De schoenen neemt hij mee naar huis. Ze dienen als brandstof voor zijn kachel. De ringen overhandigt hij aan de Sicherheitspolizei. De lichamen worden begraven in het duinzand nabij de Zeeweg. Vijf dagen later stuurt Bleekemolen de begrafenisrekening, ƒ195,- per persoon, naar de gemeente Haarlem. 

De plaats van de executie, mei 1945 (Noord-Hollands Archief)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Je kunt mij ook met een vast per bedrag per maand steunen. Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.