De moord op advocaat Theo Eskens (1906-1944)

Dat Theo Eskens amper een rol speelt in de Zaanse oorlogsliteratuur is zowel begrijpelijk als een omissie. In de week dat de Tweede Wereldoorlog uitbrak, verhuisde advocaat/raadslid Eskens van Zaandam naar de hoofdstad. Maar tot zijn gewelddadige dood, vijf jaar later, bleef deze verzetsstrijder verbonden met zijn oude woonplaats.

Theodorus Johannes Eskens komt op 14 december 1906 ter wereld in Amsterdam, als zoon van een ‘agent voor buitenlandse huizen’ (oftewel vertegenwoordiger) en een huisvrouw. Na zijn lagere en de handelsschool begint hij een rechtenstudie. Theo is dan al politiek geëngageerd; hij sluit zich onder meer aan bij de Sociaal-Democratische Studieclub. In dienst hoeft hij niet. Na een aantal keren uitstel van opkomst te hebben gekregen, volgt er afstel; hij wordt ongeschikt geacht voor het leger.
Op zijn 26-ste huwt hij Hendrika Jacoba Wilhelmina (‘Henny’) Krabbé (1905-2005), een tante van de latere schrijver Tim Krabbé en de acteur Jeroen Krabbé. Het prille stel verhuist in 1933 van Amsterdam naar Zaandam. “Burcht-Apotheek, Zaandam, Zuiddijk 38. Eigenaar: H.J.W. Krabbé is onder huwelijksche voorwaarden gehuwd met Th. Joh. Eskens”, meldt het plaatselijk dagblad op 3 november van dat jaar. “Zaak door haar als openbare koopvrouw voortgezet.” De apotheek bestaat nog altijd, en ook nog steeds onder dezelfde naam en op dezelfde plek.

Henny Krabbé, in 1921 geschilderd door haar vader.

Het echtpaar betrekt in mei 1936 om de hoek een ruimere woning, aan de Schubertstraat 2. De nog maar 29 jaar oude Theo Eskens is dan, naast zijn werk als advocaat en als adviseur van het Bureau voor Arbeidsrecht in Zaandam, al een klein jaar gemeenteraadslid voor de SDAP. Hij voert onder meer het woord over zijn specialisme, juridische zaken. Hoewel de spreektijd in de raad beperkt is en hij die ook nog eens moet delen met de andere leden van verreweg de grootste fractie krijgt hij alle ruimte voor zijn bijdragen. Met Eskens heeft de sociaal-democratische partij een gewaardeerde en bevlogen volksvertegenwoordiger aan zich weten te binden.

Echtscheiding

Theo en Henny lijken hun zaken op de rails te hebben. De toekomst ligt open. En toch gaat het mis. Het huwelijk strandt. “Bij vonnis der Arrondissementsrechtbank te Haarlem dd. 1 Augustus 1939, tussen mevr. Hendrika Jacoba Wilhelmina Krabbé, wonende te Zaandam, als eiseres, en mr. Theodorus Johannes Eskens, advocaat en procureur, wonende te Zaandam, als gedaagde, bij verstek gewezen, is uitgesproken de echtscheiding der partijen”, bericht De Staatscourant.
Begin april 1939 is in de Zaandamse raad al een brief voorgelezen waarin Eskens verklaart geen nieuwe kandidatuur voor de gemeenteraad te aanvaarden, ‘in verband met het bij hem bestaande voornemen zich in Amsterdam te vestigen’. Dat is merkwaardig. Nog geen anderhalve maand eerder is de SDAP-kandidatenlijst geopenbaard. Daarop bezet Theo Eskens een vijfde plaats. Dat is misschien lager dan gehoopt, maar desondanks een garantie voor een nieuwe termijn: de SDAP heeft (en houdt in 1939) negen zetels. Blijkbaar is er dan al een echtscheiding in aantocht. De timing is des te opvallender, omdat Henny rond die tijd ontdekt dat ze zwanger is. Afgaand op de tekst in De Staatscourant lijkt het er op dat Henny het initiatief heeft genomen om een punt achter de relatie te zetten. Ze zal als alleenstaande moeder de oorlog ingaan.
Theo Eskens wordt per 31 augustus 1939 ingeschreven op het adres van Johan (Jo) Jacob Voskuil (1897-1972). Deze communistische kunstenaar en latere verzetsstrijder heeft op het Frederiksplein 46 zijn atelier. Het is een bijzondere datum. Niet alleen omdat Duitsland hetzelfde etmaal Polen binnenvalt en Adolf Hitler daarmee de Tweede Wereldoorlog in gang zet, maar ook omdat op die donderdag in Zaandam zijn dochter Karin (1939-2016) -tevens het enige kind van Henny en Theo- geboren wordt.

Frederiksplein 46 in 1949 (Stadsarchief Amsterdam)

‘Clown en leugenaar’

De oorlogsdreiging moet Theo en Henny met angst en woede hebben vervuld. Ze hebben joodse vrienden en familieleden. En ze zijn fervent tegenstanders van het nationaalsocialistisch gedachtegoed. Het is dan ook niet toevallig dat Theo in 1938 Maurits Dekker bijstaat wanneer die zich bij de Amsterdamse rechtbank moet verantwoorden. De bekende letterkundige wordt ervan beschuldigd in een van zijn publicaties ‘het hoofd van een bevriende staat’ te hebben beledigd. Wie dat hoofd is, blijkt al uit de titel van de gewraakte brochure: Hitler, een poging tot verklaring. De aanklager acht het laakbaar dat Dekker de Führer onder anderen typeert als ‘clown’ en ‘leugenaar.’ “Het hele boekje ademt een geest van haat en minachting. Aan dergelijke boekjes hebben wij geen behoefte.” Maurits Dekker ziet dat uiteraard anders: “Mijn boekje was bedoeld als een ernstige waarschuwing en dit zal het blijven, onafhankelijk van het feit of ik daarvoor veroordeeld word of niet.”

Maurits Dekker in 1936 (Jeroen Bons, Wikipedia)

Theo Eskens verklaart in de rechtbank, met een profetische blik, dat “verdachte vreest dat door het dictatuur regiem een nieuwe wereldoorlog zal ontbranden. Hij lijdt onder de vervolging, waaraan zovelen in Duitsland bloot staan. In dit licht gezien is zijn felheid te begrijpen.” Hij vraagt om vrijspraak. Zijn verdediging is vergeefs. De rechtbank veroordeelt Maurits Dekker op 5 mei 1938 conform de eis tot honderd gulden boete of twintig dagen celstraf. De resterende exemplaren van zijn brochure worden in beslag genomen. Dekker -joods en links- moet tijdens de bezettingsjaren onderduiken, maar neemt ook deel aan het verzet. In tegenstelling tot zijn advocaat zal hij de oorlog overleven.
Dat geldt niet voor de leider van een verzetsorganisatie in Putten, wiens verdediging Theo Eskens in 1942 op zich neemt. Het is van meet af aan een kansloze zaak. De verdachte, Piet Vijge, heeft (van de Zaandamse Artillerie-Inrichtingen gesmokkelde) wapens in huis. Bij de rechters is ook bekend dat hij illegale pamfletten schrijft en aanslagen op zijn naam heeft staan. Hij krijgt dan ook de doodstraf. Het moet een diepe indruk op Theo hebben gemaakt.

Een door Jo Voskuil in 1940 gemaakt schilderij, getiteld ‘Aan Mr. Eskens’

Frederiksplein 46

Dat het inmiddels voormalige echtpaar Eskens bereid is om de daad bij het woord te voegen, blijkt wel uit hun vriendschap met George Louis Jambroes. Deze leraar aan het Zaandamse lyceum is betrokken bij een van Nederlands eerste verzetsorganisaties, het Legioen van Oud-Frontstrijders. Hij tart graag de bezetter en trekt er regelmatig met een van de Zaandamse wapenfabriek gesmokkeld pistool op uit. Henny Krabbé verbergt dat wapen plus door hem verzameld spionagemateriaal in haar apothekersmagazijn. Zij is ook degene die de vijftig meter verderop wonende Jambroes in 1941 waarschuwt wanneer ze hoort dat de autoriteiten naar hem op zoek zijn. Jambroes vlucht het land uit en zal maanden later Groot-Brittannië bereiken. Daar wordt hij klaargestoomd als geheim agent, per parachute neergelaten boven Nederland en onmiddellijk gearresteerd. George Jambroes is een slachtoffer van het Englandspiel, dat tientallen gedropte agenten het leven zal kosten. Onder wie de Zaandamse onderwijzer.

George Louis Jambroes (E.G. Jambroes)

Vanaf het begin van de bezetting is ook Theo Eskens, hoewel inmiddels naar Amsterdam verhuisd, hem van dienst. Bij zijn verhoor, na aankomst in Groot-Brittannië, verklaart George Jambroes: “Mijn eerste contact met geheime organisaties verkreeg ik door Mr. Th.J. Eskens, advocaat en procureur, Frederiksplein 46 te Amsterdam, C., die mij het adres gaf van den reserve-officier van den motordienst Nout, wonende Duivelandscheweg no. 111 te Den Haag.” Dat gebeurt al in het najaar van 1940. George Jambroes, Henny Krabbé en Theo Eskens behoren met hun acties tot de eersten in Nederland die zich tegen de nazistische dictatuur keren.

Theo Eskens in de achtertuin van zijn Amsterdamse woning, 1943 of 1944 (Verzetsmuseum Amsterdam)

Henny Krabbé beperkt zich niet tot het geven van steun aan haar bevriende buurman. Ze vangt vanaf 1942 in haar woning een acht jaar oud joods meisje op, Hanna Catharina Jacobson.
Haar ex-man doet iets soortgelijks, maar dan in het groot. Op zijn nieuwe adres, op het Frederiksplein, heet hij zo ongeveer ieder vervolgingsslachtoffer welkom. Een van hen is acteur Albert van Dalsum. Hij heeft geweigerd om lid te worden van de Kultuurkamer en pleegt lijdelijk verzet. Zijn joodse echtgenote Isidora Frederika Mogendorff (een actrice die vooral bekendheid geniet onder de artiestennaam Do Hoogland) vindt eveneens een schuilplaats bij Theo Eskens. Op 8 maart 1943 bevalt ze daar zelfs van een zoon, Jean Paul Louis Emanuel.
Na de bevalling krijgen ook haar ouders Emanuel en Eline Mogendorff een gastvrij onthaal bij de strafpleiter. Het echtpaar verbleef eerder in het Amsterdamse ziekenhuis De Joodsche Invalide. Maar omdat Do’s moeder geestelijk achteruit gaat en daardoor mensen dreigt te verraden, moet ze er snel weg. Korte tijd na hun verhuizing naar het Frederiksplein wordt de Joodsche Invalide leeggehaald en gaan de patiënten op transport. Theo Eskens regelt dat het bejaarde echtpaar Mogendorff een relatief veilige plek krijgt bij Jettie van Leesten, die in Haarlem in de Prins Mauritsstraat 22 woont. Do van Dalsum heeft eerder al bewerkstelligd dat hij haar zusters aan een onderduikadres helpt.

Albert van Dalsum en -half zichtbaar- dr. Kat, een andere onderduiker bij Theo Eskens, 1943 (Verzetsmuseum Amsterdam)

Het is een komen en gaan op het Frederiksplein. Eskens’ huishoudelijke hulp Ilse Porck legt met een camera een aantal van de vele gasten vast: het in de danswereld actieve echtpaar Kooistra-Mogroby, de joodse kinderen Loesje en Bernhard Blitz, dokter Kat, Madelein Waldorp, de achternaamloze Johnny en de verder eveneens onbekende joodse pianiste Puck. Twee dochters van schrijver/activist Jef Last, Ankie en Mieke, trekken begin 1944 eveneens bij Theo Eskens in om te zorgen voor twee joodse pianisten die bij hem ondergedoken zijn (en van wie de hiervoor genoemde Puck er ongetwijfeld één is).
Er lijkt geen einde te komen aan de gastvrijheid. En daar blijft het niet bij. Het op Voskuils en Eskens’ adres gevestigde reclamebureau Studio Forto fungeert als dekmantel voor de militaire afdeling van de spionage- en koeriersorganisatie Rolls Royce. Frederiksplein 46 groeit uit tot een verzamelpunt voor beramers van subversieve activiteiten.

Bernhard en Loesje Blitz (Verzetsmuseum Amsterdam)

Op de laatste foto die Ilse Porck van Theo Eskens maakt, staat hij op een tak van een appelboom in zijn tuin. Het is de zomer van 1944. “Ik kijk net het raam uit en de eerste en laatste keer dat Eskens tegen me heeft gelachen heeft, werd vereeuwigd”, zal Ilse Porck later schrijven. De geallieerden hebben inmiddels voet aan wal gezet in Normandië en rukken in hoog tempo op naar het noorden. De oorlog kan niet lang meer duren.

Ilse Porck, 1941 (Verzetsmuseum Amsterdam)

Dat idee c.q. die wens is ook terug te lezen in een brief die Theo Eskens op 20 juni van dat jaar naar Do’s een dag later jarige tweelingzus Ro Mogendorff stuurt. “Dat je je volgende verjaardag weer geheel vrij in een vrij land en betere maatschappij zult vieren”, wenst hij haar toe. Zijn schrijven wordt vergezeld door twee boeken, plus ‘wat lekkers dat je niet helemaal moet opdelen en de onvermijdelijke bloemen’.

Verjaardagsfelicitatie van Theo Eskens voor de ondergedoken Ro Mogendorff, 20-6-1944 (Joods Historisch Museum)

Ro en Do Mogendorff zullen de oorlog overleven, maar aan Theo Eskens’ vrijheidsdroom komt op 11 september een wreed einde. Theo’s familie plaatst op 15 september een omfloerste rouwadvertentie in enkele dagbladen. Hun zoon, vader en broer ‘overleed plotseling’, luidt het understatement. Het illegaal verschijnende Zaans Nieuws durft het een maand later wel aan om de waarheid te openbaren. “Wij willen nog vermelden dat op Maandag 11 september Mr. Th. J. Eskens door een drietal NSB’ers uit zijn huis werd gehaald en op de Zuidelijke Wandelweg in Amsterdam werd doodgeschoten. Een felle vijand der nazi’s is hier dus wederom het slachtoffer geworden van een aantal landverraders. Vooral voor vele Zaandammers zal dit een droef bericht zijn.” Het eveneens ondergronds verschijnende De Vrije Katheder weet daar nog iets aan toe te voegen: “In verband met deze en andere moorden is het vermoeden gerezen dat de SD op het ogenblik bezig is zich te ontdoen van personen die ten behoeve van derden (b.v. cliënten) relaties met de SD onderhielden en daarbij te veel achter de schermen hebben gekeken. Het Parket te Amsterdam mocht zich met de moord op Mr. Eskens niet bemoeien; de Duitse justitie zou deze zaak wel onderzoeken!”

Binnen de familie Eskens is al meteen duidelijk wie er achter de aanslag zitten. Otto Eskens is namelijk bij zijn broer op bezoek wanneer die wordt gearresteerd. Hij ziet drie mannen de woning op het Frederiksplein binnenstappen; een onbekende en de hem wel bekende Andreas (‘Dries’) Riphagen en Adriaan Smolders. De eerste heeft een reputatie opgebouwd als onderwereldfiguur die voor de Duitsers werkt en tijdens de oorlog door verraad minstens tweehonderd mensen een voortijdige dood bezorgt. Een enkele maal vermoordt hij zelf iemand. Smolders is zijn zakenpartner. Samen met deze NSB’er heeft hij een jaar eerder een onteigende joodse banketfabriek overgenomen.
Er zijn getuigenissen dat Riphagen in de dagen na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, meerdere mensen ombrengt van wie hij blijkbaar gevaar te duchten heeft. Wellicht om die reden wordt op 11 september ook Theo Eskens uit zijn huis gehaald en naar de enkele kilometers verderop gelegen Zuidelijke Wandelweg gebracht. Otto Eskens doet na de bevrijding bij de Politieke Rechercheafdeling zijn verhaal. “Mijn broer werd ’s avonds om ongeveer half twaalf gevonden op de Zuidelijke Wandelweg met een schot in het hoofd.” Een dag na de moord had Otto op het Amsterdamse politiebureau al aangifte gedaan van moord. “Maar hierop heeft de Gestapo de politie medegedeeld dat zij zich er buiten moesten houden, aangezien het geen moord, doch een terechtstelling betrof.”

Dries Riphagen (Wikipedia)

Het dodelijke schot in zijn achterhoofd maakt een einde aan het leven van een genereuze, vrijheidslievende en veelbelovende advocaat. Dries Riphagen zal nooit worden veroordeeld voor de moord op Theo Eskens en talloze andere misdaden. Hij weet na de oorlog met hulp van de Nederlandse Veiligheidsdienst naar het buitenland te ontkomen. Op 13 mei 1973 bezwijkt hij in een Zwitsers ziekenhuis aan kanker.

Theo Eskens (Oorlogsgravenstichting)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.