De Artillerie-Inrichtingen als hofleverancier van het gewapend verzet

In zijn magnum opus Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog besteedde Loe de Jong tientallen pagina’s aan de Artillerie-Inrichtingen in Zaandam. Zijn aandacht bleef echter beperkt tot de rol die directeur Frans Q. den Hollander speelde ten tijde van de Duitse bezetting. Aan het vele en veelzijdige verzet van andere werknemers bij deze hofleverancier van gewapende strijdgroepen kwam hij niet toe. Daarom hieronder een (ongetwijfeld onvolledig) overzicht.

De weerstand bij het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen -‘A.I.’ of ‘De Hembrug’ in de volksmond- begon al tijdens de Duitse invasie. In de middag van 14 mei 1940 ontving directeur Frans den Hollander het ‘zeer vertrouwelijk bericht’ dat de vaderlandse defensietop had besloten om te capituleren. De baas van Nederlands grootste wapen- en munitiefabriek aarzelde niet. Hij stuurde zijn adjunct-directeur naar het Zaandamse fabrieksterrein om ‘alles gereed te maken voor vernietiging’. Er was alleen nog toestemming voor nodig van Nederlands hoogste militair, generaal Henri Winkelman. Die weigerde echter om akkoord te gaan met het opblazen van de vele tientallen panden op het complex. Terwijl aan de overkant van het Noordzeekanaal de bemanning van een Britse torpedojager op 14 mei de Amsterdamse Petroleumhaven verwoestte, bleef aan de Zaandamse oever alles overeind staan. De Artillerie-Inrichtingen vielen daardoor onbeschadigd in Duitse handen.

Ontslag

Den Hollander probeerde vervolgens de Duitse machinerie op een andere manier te saboteren: “Wij, die het bedrijf onmiddellijk hadden stilgelegd, verzetten ons tegen elke druk van de bezetter in die eerste dagen na de capitulatie om het bedrijf weer in gang te brengen.” De directeur keerde zich dus van meet af aan tegen zijn nieuwe broodheren. Hij wilde bewerkstelligen dat de A.I. niet voor het bezettingsleger hoefde te produceren. Toen dat door orders van hogerhand niet lukte, hield hij op 21 juni een toespraak voor zijn duizenden personeelsleden. Daarin kondigde hij zijn ontslag aan en moedigde hij zijn werknemers aan om dezelfde stap te zetten. Tot zijn teleurstelling gaven er slechts twee gehoor aan zijn oproep: een administratief medewerker en een joodse ingenieur. De personeelsraad en diverse hoge ambtenaren deden bovendien een klemmend beroep op Den Hollander om zijn functie niet op te geven. “Na dagen en nachten van zware strijd”, zoals hij zelf zei, ging hij in op hun verzoeken: hij bleef aan als directeur-voorzitter.

De Artillerie-Inrichtingen in het interbellum (NIMH, Wikipedia)

De Artillerie-Inrichtingen begonnen noodgedwongen wapens voor de Duitsers te produceren: mitrailleurs en ander geschut, luisterapparatuur en munitie. Maar tezelfdertijd maakte Den Hollander een aanvang met het ontslaan van zoveel mogelijk werknemers. Anderen werden in het kader van de Arbeitseinsatz naar Duitsland gestuurd. Van de 6430 werknemers aan het begin van de bezetting waren er drie jaar later nog maar 1700 over, verdeeld over een (relatief kleine) militaire en een civiele tak. Het bedrijf schakelde namelijk deels over op de productie van landbouwwerktuigen en gereedschap. Veel installaties op het Zaandamse Hembrugterrein waarmee wapens en munitie konden worden geproduceerd, werden gedemonteerd. En Den Hollander drong er via zijn contacten met de illegale Ordedienst meermalen, zij het tevergeefs, in Groot-Brittannië op aan om de fabriek te bombarderen.

Nationaal Steunfonds

In het laatste oorlogsjaar -hij was toen al ontslagen als A.I.-directeur- hielp Den Hollander ook het Nationaal Steunfonds, de ‘bank van het verzet’. Dat deed hij in zijn rol als voorzitter van het Fonds voor Stilgelegde Bedrijven. Samen met Gijs van Hall bedacht hij een constructie die het coöperatieve bankdirecties mogelijk maakte om zogenaamde wachtgelden beschikbaar te stellen voor stilgelegde ondernemingen. De cheques ter waarde van tientallen miljoenen guldens kwamen op naam van de A.I.-directeur, de opbrengsten belandden in werkelijkheid via het Nationaal Steunfonds bij het verzet en tienduizenden onderduikers. Zijn band met de gebroeders Van Hall was hecht. Op 26 januari 1945, daags voor Walraven van Hall werd gearresteerd, dronk Den Hollander nog een kopje koffie met hem op zijn onderduikadres aan de Amsterdamse Herengracht. Den Hollander: “Hij zag er toen zeer slecht uit en was volkomen overwerkt. Hij zei mij toen nog: ‘Gijs en jij zijn de enigen die weten waar ik zit. Ze vinden me nooit.'”

Franciscus Quirien den Hollander (1893-1982)

 Douwe Soepboer

Den Hollander was niet de enige A.I’er die contact onderhield met Walraven van Hall. Ook Douwe Soepboer (1903) werkte samen met deze Zaandamse bankier. Soepboer was hoofd van de bewaking op het Hembrugterrein. Hij woonde pal naast de fabriek, in de Havenstraat. Van Hall was er van op de hoogte dat Soepboer deel uitmaakte van het groepje dat in de nacht van 20 op 21 mei 1943 het Arbeidsbureau in Zaandam met tachtig kilo lichtsas vernietigde. De plaatselijke bevolkingsadministratie ging in vlammen op. Na die aanslag was het een stuk lastiger om Zaandammers op te roepen voor de arbeidsinzet in Duitsland.

Soepboer had een direct lijntje met de aanvoerder van de Nederlandse illegaliteit. “Hoe ik in contact gekomen ben met Walraven van Hall weet ik niet meer”, vertelde hij na de oorlog. “Feit is dat deze mij vroeg om trotyl met lont en slaghoedjes. Nadat ik had gezegd hiervoor te kunnen zorgen, heb ik hem een aantal malen een hoeveelheid van deze voor sabotage bestemde goederen ter hand gesteld.” Het bleef niet bij leveranties aan Van Hall alleen. Soepboer en een aantal van zijn collega’s voorzagen het ontluikende gewapend verzet in Nederland van pistolen, handgranaten en explosieven in een tijd dat er nog geen sprake was van wapendroppings door de geallieerden. De Artillerie-Inrichtingen functioneerden als dé nationale wapenleverancier, bij gebrek aan alternatieven.

Smokkelwaar

Soepboers oorlogsherinneringen heb ik al eens op deze site gepubliceerd. Daaruit blijkt dat hij nauw samenwerkte met een aantal A.I-collega’s; hoofdopzichter Dirk Dral (Havenstraat 141), opzichter R. Boringa en diens zoon Harry (Havenstraat 120), hulpopzichter Fleurbaaij, de opzichters Van Veen en Joris Lamens, een niet bij naam genoemde A.I.-ingenieur en geweermaker Lambertus Martin (P.L. Takstraat 19). Soepboers opsomming is niet compleet. Hij noemde bijvoorbeeld niet Hendrik Lock, die hem (met een collega) de lichtsas bezorgde waarmee hij het Arbeidsbureau opblies. Ook onvermeld bleven de in het communistisch verzet actieve Zaandammer Josephus Swolfs en diens plaatsgenoot Cornelis van Vugt, een helper van onderduikers.

‘Wanted’-foto’s van Dirk Dral en Douwe Soepboer in het Nederlandsch Algemeen Politieblad (8-8-1943)

De eerste smokkelde, net als Soepboer, Dral en sommige andere munitiewerkers, wapens en springstoffen het A.I.-terrein af. Ze werden gebruikt bij sabotageacties waaraan Sjef Swolfs zelf ook meedeed. Door verraad van een partijgenote belandde hij in 1944 voor het vuurpeloton. Datzelfde lot trof zijn collega Cor van Vugt, die actief was voor de Persoonsbewijzensectie van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers. Hij verspreidde gestolen en vervalste bon- en distributiekaarten. Ook boden zijn vrouw en hij in hun woning aan de Zaandamse Acaciastraat onderdak aan twee joodse onderduikers. In Van Vugts geval lag er eveneens verrraad aan de basis van zijn arrestatie en executie, in september 1944.

Gerrit de Ruijter

Een ander personeelslid van de Artillerie-Inrichtingen dat zich tegen de Duitsers keerde, was Gerrit de Ruijter. Hij kon zijn belevenissen wel navertellen en deed dat in 1996 in het Contactblad ’40-’45. “In juni 1940 kwam ik terug [uit zijn mobilisatieperiode] bij de A.I. Onder leiding van Piet van der Weide met zijn vrouw Wil, Henk Dekker en ik, werd een verzetsgroepje geformeerd.” Van Piet Nicolaas van der Weide is verder bekend dat hij in zijn woning in de Zaandamse Plataanlaan aan drie joodse onderduikers gastvrijheid bood. Hij was de enige niet. Antoon Johannes Fredericus Schoonman, die chauffeur was op het Hembrugterrein, verborg in zijn woning aan de Havenstraat 119 één of twee joodse gezinnen. A.I.-arbeider Sjoerd van der Werf huisvestte op de Zuiddijk enige tijd het joodse meisje Nanny Peereboom. Zijn eveneens Zaandamse collega Andries Selier verborg zelfs minstens zeventien joden in zijn woning.

Net als Douwe Soepboer noemde Gerrit de Ruijter Boringa als mede-dwarsligger. “Bij de A.I. moesten Harry Boringa, Henk Dekker en ik Nederlands zeven centimeter luchtdoelgeschut gereed maken voor verzending naar Duitsland. We hebben toen wat koperen kettingen georganiseerd, koper vreet namelijk zo lekker in, weet je.” Ook werd er ijzervijzel in een nieuw kanon gegoten, waardoor het vastliep.

Het bleef niet bij sabotage alleen. De Ruijter gaf voorbeelden van de diefstal van handvuurwapens uit een douaneloods. “Soepboer, dat was de terreinchef, zocht de pistolen en de revolvers uit die hij hebben wilde. Wij zochten dan op de afvalhoop naar een platgeslagen model dat er op leek. Kwestie van label verwisselen en aan zo’n mof laten zien. ‘Prima, prima’, zei hij en wij hadden weer beet.” De buit ging in een kistje op de wagen van collega Arie Blauw, die de opbrengst wegbracht.

Ontploffende granaten

Dat Douwe Soepboer -naast Frans den Hollander- de spil was van het verzet bij de wapen- en munitiefabriek werd ook bevestigd door Hendrik Lock, een hoofdopzichter bij de laboreerwerkplaatsen van de Vuurwerkerij. “Vele honderden scherpe handgranaten No.1, alsmede blokken geperst trotyl van 205 gram gingen via het achterhek door zijn [Soepboers] huis naar de [ondergrondse] groepen”, legde Lock na de bevrijding verantwoording af. Ook beschreef hij hoe ontstekingsmechanismen te nauw werden uitgeboord, met voortijdig ontploffende granaten als resultaat. Kruit werd zodanig bewaard dat het uitdroogde en daardoor zijn waarde verloor. Een brandje foutief geblust, met extra schade als gevolg. Ook werden er treinen met materieel naar verkeerde bestemmingen gestuurd.

Kees Valk, destijds een leerling van de A.I.-bedrijfsschool, vertelde decennia na de oorlog hoe ook hij zijn steentje bijdroeg: “Tijdens de oorlog, in 1944, fouilleerden de Duitsers de werknemers en leerlingen zo grondig. Zelfs tussen je boterhammen werd er gekeken. Er werden onderdelen gestolen. Moesten er bijvoorbeeld 150 pistolen worden gemaakt, dan maakte je er 151. Die ene moest naar de ondergrondse. Maar als dat niet lukte, dan waren er maar 149. En dan begon het. Alles werd dan ondersteboven gekeerd, door de SS en de Grüne Feldpolizei. Ze wisten dat die wapens en die onderdelen vertrokken naar de ondergrondse.”

Ook Ben Vijge smokkelde pistolen en patronen van het fabrieksterrein af. Ze waren bestemd voor zijn broer Piet, die in Putten een verzetsgroepje leidde. Dat ging mis, een gevolg van verraad. Ben en Piet werden oppgepakt. De eerste wist zich uit de netelige situatie te praten, maar Piet en een aantal van zijn kameraden kregen de kogel.

Collaborateurs

Op het immense fabrieksterrein werkten ook collaborateurs. Al in de zomer van 1941 ontving Meinoud Rost van Tonningen, de nazistische secretaris-generaal van het ministerie van Financiën, een stevig rapport over de politieke opinies van A.I.-werknemers van de afdeling magazijnen, plus ‘enkele uitlatingen door Ir. den Hollander’. “Thans zijn nog een paar personen bezig, gegevens te verzamelen van andere afdelingen. Ik hoop u deze de volgende week te doen toekomen. Ik heb de toezegging dat enkele goedwillende personen, onder strikte geheimhouding, bereid zijn inlichtingen te verstrekken.”

Dat het verzetswerk van de A.I.’ers levensgevaarlijk was, blijkt uit de arrestaties van Lambertus Martin, Douwe Soepboer, Sjef Swolfs en Cor van Vugt, alsmede de infiltratiepogingen op het fabrieksterrein van de even later door Douwe Soepboer ontmaskerde V-Mann Johnny de Droog. Een Zaandamse terreinopzichter van de wapenfabriek, Jan Pieter de Vries, stond bekend als fanatieke NSB’er en jodenjager.

Onderduik

Toen in september 1944 de Spoorwegstaking uitbrak, dook het overgebleven A.I.-personeel massaal onder. Daarmee eindigde ook het laatste beetje productie op het Hembrugterrein. Het lijkt er al met al op dat de bezetter weinig plezier beleefde aan de Artillerie-Inrichtingen, zowel voor als na september 1944. Dat ze in het laatste oorlogsjaar een groot deel van de inventaris op het Hembrugterrein demonteerden en als buit naar Duitsland konden slepen, moet als een bescheiden genoegdoening hebben gevoeld.

PS. Ik houd me aanbevolen voor meer namen van verzetsstrijders op het Hembrugterrein: info@schaapschrijft.nl.

Het ontmantelde Hembrugterrein (mei 1945)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.