Verhalen over de Tweede Wereldoorlog

Co van Tijen, vermetele vliegtuigpionier en verraden verzetsman

De geboren Wormerveerder Co van Tijen was een luchtvaartpionier, avonturier en verzetsstrijder. De beruchte V-Mann Anton van der Waals maakte in 1943 een eind aan zijn illegale werk, door hem in Zaandam te laten arresteren. “Voor mij was er eigenlijk geen enkele reden tot wantrouwen.”

Op 14 januari 1897 komt Jacobus Elisa – kortweg Co genoemd – net als eerder zijn drie broers en ene zuster ter wereld in Wormerveer. Hij belandt in een bijzonder nest. Vader Willem is directielid van de in Amsterdam en Wormerveer gevestigde firma Willeumier, Van Tijen & Van Laer, commissionairs in effecten. Zijn echtgenote heet Wilhelmina Maria Laan en is een telg uit een in de regio bekende industriële familie. De twee zijn sociaal bewogen en welgesteld. En ze hebben een eigenzinnige blik op de wereld.

Uiterst links Zaanweg 77, de geboorteplek van Co van Tijen. Daarnaast het gemeentehuis aan de Stationsstraat (Gemeentearchief Zaanstad).

Opvallend is vooral dat het echtpaar Van Tijen een jaar voor Co’s geboorte een woongroep begint op het immense landgoed Boschhoeve in Nijeberkoop. Het is een sociaal experiment, zoals er in die tijd wel meer zijn. Mede omdat vader Willem al in 1901 overlijdt, mislukt het Friese initiatief, maar het tekent de avontuurlijke geest die het stel kenmerkt en overdraagt op hun kinderen. Willem jr. zal naam maken als grondlegger van de sociale woningbouw in Nederland. Een andere zoon, Remmert, wordt onderzeebootkapitein en hydrograaf. Hij belandt tijdens de Tweede Wereldoorlog diep in het verzet en sterft in 1942 in Duitse gevangenschap. Ook Co zal als volwassene de randen van het mogelijke opzoeken, op meerdere gebieden.

Remmert van Tijen, 1891-1942 (Oorlogsgravenstichting).

Weduwe Van Tijen verhuist in 1905 met haar kinderen naar Hilversum en overlijdt daar twaalf jaar later. Co is dan twintig. Hij heeft de hbs succesvol afgerond en de leeftijd om in dienst te gaan. Hoewel hij uiteindelijk wegens ‘eigen dienst’ niet onder de wapenen hoeft, kiest hij – ondanks zijn doopsgezinde en dus pacifistische voorouders – voor een baan bij de Landmacht. Het is de start van een zoektocht naar de ideale baan. Hij volgt aan de Amsterdamse Zeevaartschool een opleiding tot stuurman, maar zijn slechte zicht vormt een onoverkomelijke hindernis om beroepsmatig de zee op te gaan. Daarom gaat hij de handel in. Hij wordt exportmanager bij de Weesper producent van chocoladerepen en cacaopoeder C.J. van Houten.

Co van Tijen.

Van Tijens passies liggen op een heel ander vlak. Hij is gek op zeilen, zoals onder meer in dit filmpje uit 1938 is te zien en waarin ook broer Remmert figureert. En de opkomende luchtvaart boeit hem, bijna ongeacht het toestel dat opstijgt. “Voor het eerst in de geschiedenis der ballonwedstrijden om den Gordon Bennet-beker zal een ballon onder Nederlandsche vlag in dezen welhaast klassieken luchtwedstrijd uitkomen”, schrijft de Nieuwe Tilburgsche Courant op 20 augustus 1935. Aan boord: Maurits ten Bosch als balloncommandant en Co van Tijen als hulppiloot. Op 15 september van dat jaar gaat hun huurballon in Warschau omhoog, om 39 uur en bijna duizend kilometer verder te landen in de Sovjet-Unie. Het is goed voor een zesde plaats in het afstandsklassement, in een veld met dertien deelnemers.

Ook een andere door de lucht drijvende vinding heeft zijn interesse. In de jaren dertig maakt hij als bemanningslid meer dan zeventig vluchten met de Graf Zeppelin LZ 127. Hij vliegt ermee boven Europa, maar ook naar de Verenigde Staten en Brazilië. De luchtvaart is zijn lust en zijn leven, van zijn jonge jaren tot zijn vroegtijdige dood.

De Graf Zeppelin LZ 127 – de grootste in zijn soort – op 9 juli 1930 boven Wormer (Gemeentearchief Zaanstad).

Landelijke naamsbekendheid krijgt Co met twee andere vliegstunts. Op 22 maart 1930 haalt hij aan de Nationale Luchtvaartschool zijn vliegbrevet. Het is precies op tijd voor een opzienbarende prestatie. Theo Slot, een constructeur van een Haagse meubelfabriek, heeft in de voorgaande maanden een zweefvliegtuig gebouwd. Wanneer de door hem uitverkoren piloot Henk van der Maas twee weken na Co’s diplomering door ziekte verhinderd is voor een proefvlucht met het toestel steekt Co van Tijen zijn vinger op. De net gediplomeerde vliegenier wil wel invallen.

De Haagsche Courant, 15-10-1930.

Op 6 april stijgt Van Tijen op en zweeft hij een minuut en twintig seconden boven het strand van Noordwijk. Die tachtig seconden gaan de geschiedenis in als het officiële begin van de Nederlandse zweefvliegerij. Een kwart eeuw later mag Co zelfs vlakbij de plaats waar het gebeurde een herinneringsmonument onthullen. De vlucht is op film vastgelegd. Later dat jaar zal Co van Tijen zijn record overigens ruimschoots verbeteren. Hij zweeft dan 43 minuten en 25 seconden door de lucht.

Nieuwe Leidsche Courant, 18-3-1955.
In 1955 door Co van Tijen onthuld monument in de duinen bij Noordwijk: ‘1e zweefvlucht in Nederland uitgevoerd door J.E. van Tijen’ (J. van Vliet).

Op 15 oktober 1930 begint Van Tijen aan een tweede waagstuk. Hij is inmiddels eigenaar van een klein sportvliegtuig, een Pander EG-100. Hij doopt hem ‘De Adelaar’, naar het fabrieksmerk van zijn werkgever Van Houten. Hij vertrekt ermee van Schiphol, in een gedurfde poging om solo naar Nederlands-Indië te vliegen. Het wordt een avontuurlijke tocht, vol tussenstops en materiaalpech, maar hij slaagt in zijn missie. Daarmee is hij de eerste vliegenier die deze oversteek in zijn eentje maakt. Zowel bij aankomst in Nederlands-Indië, op 21 november, als bij zijn terugkomst op Schiphol wacht hem een heldenontvangst. De Indische en de Nederlandse kranten berichten uitgebreid over de langeafstandstocht.

Fokker

Anthony Fokker vraagt Van Tijen in 1935 om toe te treden tot de directie van de Fokkerfabriek. Hij lobbyt in zijn functie als onderdirecteur om de Nederlandse luchtmacht uit te breiden. Naast de mogelijkheid om zo Fokker te laten groeien, drijft angst voor de nazistische agressie van buurland Duitsland hem tot zijn zendingsdrang. Veel succes heeft hij niet. Pas in een laat stadium besluit de Nederlandse regering om de defensiekracht op te voeren.

Prins Bernhard en zijn vriend Co van Tijen bij Fokker, februari 1940.

De bezetting van Nederland komt voor Van Tijen als een ijskoude douche. Hij moet niets hebben van het nazistisch gedachtegoed. Blijkbaar weten de Duitsers dat. Al in november 1940 wordt hij gearresteerd op verdenking van Feindbegünstiging. Ze krijgen het bewijs niet rond; in februari 1941 mag hij de gevangenis verlaten. Op 1 maart van dat jaar neemt hij ontslag bij Fokker. Hij voelt er niets voor om de bezetter bij te staan in diens expansiedrift. Van Tijen besluit zich toe te leggen op het ondergrondse werk.

Vorrink

Hij komt tijdens de zomer van 1942 in contact met Koos Vorrink. Die is tot twee jaar eerder voorzitter van en Eerste Kamerlid voor de SDAP. Kort na de bezetting van Nederland duikt Vorrink onder en gaat in het verzet. Samen met onder andere Frans Goedhart staat hij in februari 1941 aan de wieg van het illegale Parool. Een jaar later zit Vorrink in de top van het Nationaal Comité, een groep politici en zakenmensen die voorbereidingen treft voor een overgangsregering na het vertrek van de Duitsers.

Van Tijen heeft een plan gemaakt om vanuit Zeeland naar Engeland te ontsnappen. Het is de bedoeling dat hij dan een aantal door het Nationaal Comité geschreven rapporten meeneemt. Dat voornemen vervalt in december 1942. Vorrink is inmiddels in contact gekomen met een vanuit Groot-Brittannië overgekomen geheim agent. Deze Anton de Wilde wil regelen dat de overtocht veel makkelijker gemaakt kan worden, namelijk per vliegtuig. Van Tijen is meteen om. Voor zijn vertrek, zo vindt Vorrink, moet Co alleen wel kennismaken met alle leden van het Nationaal Comité, ‘opdat hij niet zou hoeven zeggen: ik heb met die rooie Vorrink gesproken, maar opdat hij zou kunnen zeggen: ik heb met alle heren gesproken en dat is de mening van de zes politieke partijen.’

Koos Vorrink in 1949 achter het spreekgestoelte (Nationaal Archief).

“De eerste indruk die ik van De Wilde kreeg, was slecht.”

Van Tijen

Maar allereerst wordt Van Tijen geïntroduceerd bij de uit Engeland overgekomen geheim agent. “Dat was op eerste kerstdag 1942”, vertelt de would be Engelandvaarder drie jaar later onder ede. “De eerste indruk die ik van De Wilde kreeg, was slecht.” Desondanks zet hij het contact voort, vertrouwend op onder andere Koos Vorrink. De bespreking met het voltallige Nationaal Comité is drie weken later. Daags erna vindt de arrestatie plaats van het eerste Nationaal Comité-lid, bankier Emile Ernst Menten. De andere leden concluderen dat de aanhouding losstaat van de comitéwerkzaamheden en gaan op de oude voet verder. “De nieuwe geheime agent was zijn gewicht in goud waard”, schrijft Loe de Jong een paar decennia later onderkoeld. “Vorrink kon de bewijzen van ’s mans betrouwbaarheid op tafel leggen: Engelse thee, Engelse chocolade, Engelse sigaretten.” En, nog belangrijker, De Wilde heeft een zendcontact met Londen.

Van der Waals in de rechtbank, 1948 (Wikipedia).

De Wilde

Anton de Wilde is enkele maanden eerder via via met Vorrink in contact gekomen. Dat het in werkelijkheid Anton van der Waals betreft, een uiterst geslepen infiltrant van de Sicherheitsdienst, vermoedt de SDAP’er geen moment. Hij geeft De Wilde allerlei vertrouwelijke informatie mee, onder meer de tekst voor een lang telegram aan koningin Wilhelmina. Wanneer Koos Vorrink een eigen zender en marconist verlangt, opdat hij niet via een omweg met de regering in Engeland hoeft te communiceren, zorgt de SD dat de zender er komt. De marconist kan helaas niet worden overgebracht, laat Londen – lees de SD – het Nationaal Comité weten. De nog altijd niet naar het Verenigd Koninkrijk vertrokken Co van Tijen zorgt daarop dat een kennis als marconist gaat werken. Het komt met hem tot één ‘geslaagde’ seinwisseling; de Ordnungspolizei zit ertussen.

Van Tijen wordt ondertussen steeds ongeduldiger. Maar dan, in het staartje van de winter, is er eindelijk groen licht. “De Wilde stelde mij een spoedige overtocht per vliegtuig in het vooruitzicht, maar vóór het zover was moest ik zoveel mogelijk materiaal verzamelen voor spionagedoeleinden op militair gebied. Hieraan voldeed ik via verschillende kanalen.” Hij geeft De Wilde een kaart met militaire doelen in Amsterdam en eentje met gegevens over een Fries radarstation, plus een film met informatie over de kustverdediging.

Hoornse Hop

Op 10 maart 1943 is het zover dat Van Tijen per watervliegtuig vanuit het Hoornse Hop kan vertrekken. De Wilde heeft hem nogmaals overtuigd van zijn contacten, door hem in februari mee te nemen naar een gedropte container vol met door hem via Londen aangevraagd materiaal. Hij biedt ook een vuurwapen aan (een aanbod dat Van Tijen afslaat) en probeert hem verder uit de tent te lokken door Van Tijen te vragen om Willem Pasdeloup te liquideren, een voormalige verzetsman die na zijn arrestatie onder zware druk voor de SD is gaan werken. Ook dat stuit op een weigering.

Op 20 mei 1940 kreeg Van Tijen een paspoort. Wellicht wilde hij toen al naar het buitenland vluchten (Stadsarchief Amsterdam).

Op het aanbod om met spionagemateriaal naar Groot-Brittannië te vliegen, gaat Co van Tijen dus wel in. Al heeft dat nog wel wat voeten in aarde. Van Tijen heeft via het Nationaal Comité inmiddels een koffer vol geheime informatie tot zijn beschikking. Op 8 maart krijgt hij bezoek van iemand die daaraan nog iets wil toevoegen. Het is Pieter Jacob Six, de stafchef van de Ordedienst. Van Tijen vertelt hem dat geheim agent De Wilde voor een vliegtuig zorgt en zegt erbij dat het een neef van de premier in ballingschap Pieter Gerbrandy betreft. Dat heeft Anton van der Waals het Nationaal Comité op de mouw gespeld. Six schrikt. Hij meent – overigens onterecht – te weten dat Gerbrandy’s neef als Vertrauensmann van de Duitsers opereert. Op 8 maart belt hij Van Tijen op met een geruststellende boodschap: de ‘foute’ neef ziet er anders uit dan de omschrijving die Van Tijen hem heeft gegeven van De Wilde. Van Tijen: “Ik was toch niet helemaal gerust. Toen ben ik ’s middags naar Van Looi [Levinus van Looi, een vertrouwenspersoon van Vorrink] gegaan; daar was De Wilde en ik heb hem à bout portant gezegd dat iemand mij had meegedeeld: degene die zich uitgeeft voor de neef van prof. Gerbrandy is een verrader. Ik had mijn revolver bij me (…) Hij werd helemaal grauw, zodat ik dacht: het is toch niet in de haak. Hij heeft echter een verhaal weten op te hangen dat voor mij aanvaardbaar was.”

Overrompeld

De overtocht onder de hoede van Anton de Wilde gaat dus door, als het aan Van Tijen ligt. “Wij spraken de 10e maart af om drie uur in de hal van het Centraal Station te Amsterdam. (…) Kort na mij verscheen De Wilde, nerveus. Hij zag mij en we gingen naar de trein. Tevoren had hij mij telefonisch in kennis gesteld van de vertrekdatum en mij verzocht vast twee plaatsbewijzen naar Hoorn te nemen. In de trein tussen Amsterdam en Zaandam vertelde De Wilde mij allerlei minder prettige feiten over Van Looi, die volgens De Wilde niet zo was als hij zich voordeed. In Alkmaar zouden wij Van Looi ontmoeten. Deze zou niet meegaan naar Engeland. Kort voor Zaandam vertelde De Wilde mij dat hij in Zaandam nog een boodschap moest doen. Wij hadden tijd genoeg, dus zouden wij een trein over blijven. Zo stapten wij te Zaandam uit en liepen naar een straatje, vlak bij het station. Hier vroeg De Wilde mij even te wachten en hij verdween in bedoeld straatje. Ik wachtte en om de tijd te korten, slenterde ik wat heen en weer, totdat ik plotseling van achteren door een tiental mannen werd overrompeld en natuurlijk overmeesterd na een korte woordenwisseling.”

Cyaankali

Van Tijen heeft geen schijn van kans. “De Wilde wist dat ik de revolver bij mij had en dat ik, omdat ik de methode van de Duitsers kende om iemand aan het praten te brengen, mij tot het uiterste zou verdedigen. Tevens had ik een glaasje cyaankali bij mij, omdat ik, als ik onverhoopt toch in handen der Duitsers zou vallen, ik niet de oorzaak zou willen zijn dat nog anderen er in liepen. Dit wist De Wilde niét.”

Co van Tijen.

Er verschijnen twee auto’s. De aanwezigen stappen in en rijden naar de Amsterdamse Euterpestraat, waar het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst is. “In de wacht heb ik nog met mijn geboeide handen geprobeerd de revolver, die ik nog steeds in de binnenzak van mijn jas had, te bemachtigen. Toen ik zover was dat de revolver aan mijn pink hing, hadden de moffen het in de gaten en sprongen op mij toe. Ze wisten echter niet dat ik de revolver nog had. Ze dachten dat ik een pil, om mij te vergiftigen, wilde innemen. Er ontstond weer een worsteling en de moffen schreeuwden mij toe dat ik de pil moest uitspuwen, doch ik zei hen dat ik in het geheel geen pil had ingenomen, maar dat ik de revolver nog bij mij had. Deze werd mij toen afgenomen.”

Ziekenhuis

“De beide moffen sprongen direct op mijn rug en knepen mijn keel toe, zodat ik haast stikte.”

Van Tijen

Zijn pistool is hij kwijt, zijn gif nog niet. “Ik mocht opstaan en nam tegelijk met mijn tas het buisje cyaankali, terwijl ik tevens poogde de gang te bereiken, omdat ik dan een ogenblik tijd had te slikken. Om het buisje had ik een papiertje geplakt met een doodskop er op. Hierdoor is waarschijnlijk het buisje niet zodanig kapot gegaan dat de cyaankali er uit kon lopen. In elk geval sprongen direct de beide moffen op mijn rug en knepen mijn keel toe, zodat ik haast stikte. Mijn neus werd dichtgeknepen en er werd een hoeveelheid melk in mijn mond gegoten, zodat ik wel moest slikken. Het buisje, dat wél kapot was gegaan, haalden zij uit mijn mond. Ik moest weggebracht worden naar een ziekenhuis en daar werd mijn maag nog uitgepompt. Doch ik begreep toen wel dat ik geen cyaankali had binnengekregen, anders was ik al lang dood geweest.”

Er resten Co van Tijen geen ontsnappingsmogelijkheden. “Van het ziekenhuis ging ik weer terug naar het Binnenhof [in Den Haag, waar de SD zetelde] en vandaar werd ik overgebracht naar [een gevangenenkamp in] Haaren. In Haaren bleef ik tot 14 augustus 1944. Van daar ging ik naar de bunker in het concentratiekamp te Vught. Hier bleef ik tot de ontruiming van Vught op 6 september 1944, en daarna concentratiekamp Sachsenhausen tot februari 1945. Van hier naar Buchenwald, waar ik april 1945 werd bevrijd door de Amerikanen. (…) Na de arrestatie in Zaandam heb ik De Wilde nooit meer gezien.” Enkele weken na Van Tijen worden ook Koos Vorrink, Levinus van Looi en een aantal anderen rond het Nationaal Comité opgepakt.

Gevangenenkaart Co van Tijen in kamp Vught (Archief Bad Arolsen).

Co van Tijen overleeft dus alle de ontberingen. Na zijn bevrijding uit het kamp keert hij broodmager en een stuk zwakker terug naar Nederland. Na te zijn hersteld, kan hij weer als directielid aan de slag bij Fokker. De eeuwige vrijgezel woont samen met zijn huishoudster ‘juffrouw Wim’ Rijkeboer. Veelal in Amsterdam, maar ook in Gorssel. Een groot deel van de tijd brengen ze vanaf 1954 door op de tweemaster La Vague, die de Amsterdamse Six(!)-haven als thuisbasis heeft.

Jacobus Elisa van Tijen overlijdt op 27 december 1958 – slechts 61 jaar oud – ergens anders, in zijn kort tevoren betrokken woning aan de Zandvoortse Karel Doormanstraat 2. Vanuit zijn huis heeft hij tot het laatst zicht op de Noordzee en – met wat fantasie, maar die bezat hij – Engeland.

Co van Tijen op oudere leeftijd.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en dit wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.