De Artillerie-Inrichtingen als hofleverancier van het gewapend verzet

In zijn magnum opus Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog besteedde Loe de Jong tientallen pagina’s aan de Artillerie-Inrichtingen in Zaandam. Zijn aandacht bleef echter beperkt tot de rol die directeur Frans Q. den Hollander speelde ten tijde van de Duitse bezetting. Aan het vele en veelzijdige verzet van andere werknemers bij deze hofleverancier van gewapende strijdgroepen kwam hij niet toe. Daarom hieronder een (ongetwijfeld onvolledig) overzicht.

De weerstand bij het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen -‘A.I.’ of ‘De Hembrug’ in de volksmond- begon al tijdens de Duitse invasie. In de middag van 14 mei 1940 ontving directeur Frans den Hollander het ‘zeer vertrouwelijk bericht’ dat de vaderlandse defensietop had besloten om te capituleren. De baas van Nederlands grootste wapen- en munitiefabriek aarzelde niet. Hij stuurde zijn adjunct-directeur naar het Zaandamse fabrieksterrein om ‘alles gereed te maken voor vernietiging’. Er was alleen nog toestemming voor nodig van Nederlands hoogste militair, generaal Henri Winkelman. Die weigerde echter om akkoord te gaan met het opblazen van de vele tientallen panden op het complex. Terwijl aan de overkant van het Noordzeekanaal de bemanning van een Britse torpedojager op 14 mei de Amsterdamse Petroleumhaven verwoestte, bleef aan de Zaandamse oever alles overeind staan. De Artillerie-Inrichtingen vielen daardoor onbeschadigd in Duitse handen.

Ontslag

Den Hollander probeerde vervolgens de Duitse machinerie op een andere manier te saboteren: “Wij, die het bedrijf onmiddellijk hadden stilgelegd, verzetten ons tegen elke druk van de bezetter in die eerste dagen na de capitulatie om het bedrijf weer in gang te brengen.” De directeur keerde zich dus van meet af aan tegen zijn nieuwe broodheren. Hij wilde bewerkstelligen dat de A.I. niet voor het bezettingsleger hoefde te produceren. Toen dat door orders van hogerhand niet lukte, hield hij op 21 juni een toespraak voor zijn duizenden personeelsleden. Daarin kondigde hij zijn ontslag aan en moedigde hij zijn werknemers aan om dezelfde stap te zetten. Tot zijn teleurstelling gaven er slechts twee gehoor aan zijn oproep: een administratief medewerker en een joodse ingenieur. De personeelsraad en diverse hoge ambtenaren deden bovendien een klemmend beroep op Den Hollander om zijn functie niet op te geven. “Na dagen en nachten van zware strijd”, zoals hij zelf zei, ging hij in op hun verzoeken: hij bleef aan als directeur-voorzitter.

De Artillerie-Inrichtingen in het interbellum (NIMH, Wikipedia)

De Artillerie-Inrichtingen begonnen noodgedwongen wapens voor de Duitsers te produceren: mitrailleurs en ander geschut, luisterapparatuur en munitie. Maar tezelfdertijd maakte Den Hollander een aanvang met het ontslaan van zoveel mogelijk werknemers. Anderen werden in het kader van de Arbeitseinsatz naar Duitsland gestuurd. Van de 6430 werknemers aan het begin van de bezetting waren er drie jaar later nog maar 1700 over, verdeeld over een (relatief kleine) militaire en een civiele tak. Het bedrijf schakelde namelijk deels over op de productie van landbouwwerktuigen en gereedschap. Veel installaties op het Zaandamse Hembrugterrein waarmee wapens en munitie konden worden geproduceerd, werden gedemonteerd. En Den Hollander drong er via zijn contacten met de illegale Ordedienst meermalen, zij het tevergeefs, in Groot-Brittannië op aan om de fabriek te bombarderen.

Nationaal Steunfonds

In het laatste oorlogsjaar -hij was toen al ontslagen als A.I.-directeur- hielp Den Hollander ook het Nationaal Steunfonds, de ‘bank van het verzet’. Dat deed hij in zijn rol als voorzitter van het Fonds voor Stilgelegde Bedrijven. Samen met Gijs van Hall bedacht hij een constructie die het coöperatieve bankdirecties mogelijk maakte om zogenaamde wachtgelden beschikbaar te stellen voor stilgelegde ondernemingen. De cheques ter waarde van tientallen miljoenen guldens kwamen op naam van de A.I.-directeur, de opbrengsten belandden in werkelijkheid via het Nationaal Steunfonds bij het verzet en tienduizenden onderduikers. Zijn band met de gebroeders Van Hall was hecht. Op 26 januari 1945, daags voor Walraven van Hall werd gearresteerd, dronk Den Hollander nog een kopje koffie met hem op zijn onderduikadres aan de Amsterdamse Herengracht. Den Hollander: “Hij zag er toen zeer slecht uit en was volkomen overwerkt. Hij zei mij toen nog: ‘Gijs en jij zijn de enigen die weten waar ik zit. Ze vinden me nooit.'”

Franciscus Quirien den Hollander (1893-1982)

 Douwe Soepboer

Den Hollander was niet de enige A.I’er die contact onderhield met Walraven van Hall. Ook Douwe Soepboer (1903) werkte samen met deze Zaandamse bankier. Soepboer was hoofd van de bewaking op het Hembrugterrein. Hij woonde pal naast de fabriek, in de Havenstraat. Van Hall was er van op de hoogte dat Soepboer deel uitmaakte van het groepje dat in de nacht van 20 op 21 mei 1943 het Arbeidsbureau in Zaandam met tachtig kilo lichtsas vernietigde. De plaatselijke bevolkingsadministratie ging in vlammen op. Na die aanslag was het een stuk lastiger om Zaandammers op te roepen voor de arbeidsinzet in Duitsland.

Soepboer had een direct lijntje met de aanvoerder van de Nederlandse illegaliteit. “Hoe ik in contact gekomen ben met Walraven van Hall weet ik niet meer”, vertelde hij na de oorlog. “Feit is dat deze mij vroeg om trotyl met lont en slaghoedjes. Nadat ik had gezegd hiervoor te kunnen zorgen, heb ik hem een aantal malen een hoeveelheid van deze voor sabotage bestemde goederen ter hand gesteld.” Het bleef niet bij leveranties aan Van Hall alleen. Soepboer en een aantal van zijn collega’s voorzagen het ontluikende gewapend verzet in Nederland van pistolen, handgranaten en explosieven in een tijd dat er nog geen sprake was van wapendroppings door de geallieerden. De Artillerie-Inrichtingen functioneerden als dé nationale wapenleverancier, bij gebrek aan alternatieven.

Smokkelwaar

Soepboers oorlogsherinneringen heb ik al eens op deze site gepubliceerd. Daaruit blijkt dat hij nauw samenwerkte met een aantal A.I-collega’s; hoofdopzichter Dirk Dral (Havenstraat 141), opzichter R. Boringa en diens zoon Harry (Havenstraat 120), hulpopzichter Fleurbaaij, de opzichters Van Veen en Joris Lamens, een niet bij naam genoemde A.I.-ingenieur en geweermaker Lambertus Martin (P.L. Takstraat 19). Soepboers opsomming is niet compleet. Hij noemde bijvoorbeeld niet Hendrik Lock, die hem (met een collega) de lichtsas bezorgde waarmee hij het Arbeidsbureau opblies. Ook onvermeld bleven de in het communistisch verzet actieve Zaandammer Josephus Swolfs en diens plaatsgenoot Cornelis van Vugt, een helper van onderduikers.

‘Wanted’-foto’s van Dirk Dral en Douwe Soepboer in het Nederlandsch Algemeen Politieblad (8-8-1943)

De eerste smokkelde, net als Soepboer, Dral en sommige andere munitiewerkers, wapens en springstoffen het A.I.-terrein af. Ze werden gebruikt bij sabotageacties waaraan Sjef Swolfs zelf ook meedeed. Door verraad van een partijgenote belandde hij in 1944 voor het vuurpeloton. Datzelfde lot trof zijn collega Cor van Vugt, die actief was voor de Persoonsbewijzensectie van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers. Hij verspreidde gestolen en vervalste bon- en distributiekaarten. Ook boden zijn vrouw en hij in hun woning aan de Zaandamse Acaciastraat onderdak aan twee joodse onderduikers. In Van Vugts geval lag er eveneens verrraad aan de basis van zijn arrestatie en executie, in september 1944.

Gerrit de Ruijter

Een ander personeelslid van de Artillerie-Inrichtingen dat zich tegen de Duitsers keerde, was Gerrit de Ruijter. Hij kon zijn belevenissen wel navertellen en deed dat in 1996 in het Contactblad ’40-’45. “In juni 1940 kwam ik terug [uit zijn mobilisatieperiode] bij de A.I. Onder leiding van Piet van der Weide met zijn vrouw Wil, Henk Dekker en ik, werd een verzetsgroepje geformeerd.” Van Piet Nicolaas van der Weide is verder bekend dat hij in zijn woning in de Zaandamse Plataanlaan aan drie joodse onderduikers gastvrijheid bood. Hij was de enige niet. Antoon Johannes Fredericus Schoonman, die chauffeur was op het Hembrugterrein, verborg in zijn woning aan de Havenstraat 119 één of twee joodse gezinnen. A.I.-arbeider Sjoerd van der Werf huisvestte op de Zuiddijk enige tijd het joodse meisje Nanny Peereboom. Zijn eveneens Zaandamse collega Andries Selier verborg zelfs minstens zeventien joden in zijn woning.

Net als Douwe Soepboer noemde Gerrit de Ruijter Boringa als mede-dwarsligger. “Bij de A.I. moesten Harry Boringa, Henk Dekker en ik Nederlands zeven centimeter luchtdoelgeschut gereed maken voor verzending naar Duitsland. We hebben toen wat koperen kettingen georganiseerd, koper vreet namelijk zo lekker in, weet je.” Ook werd er ijzervijzel in een nieuw kanon gegoten, waardoor het vastliep.

Het bleef niet bij sabotage alleen. De Ruijter gaf voorbeelden van de diefstal van handvuurwapens uit een douaneloods. “Soepboer, dat was de terreinchef, zocht de pistolen en de revolvers uit die hij hebben wilde. Wij zochten dan op de afvalhoop naar een platgeslagen model dat er op leek. Kwestie van label verwisselen en aan zo’n mof laten zien. ‘Prima, prima’, zei hij en wij hadden weer beet.” De buit ging in een kistje op de wagen van collega Arie Blauw, die de opbrengst wegbracht.

Ontploffende granaten

Dat Douwe Soepboer -naast Frans den Hollander- de spil was van het verzet bij de wapen- en munitiefabriek werd ook bevestigd door Hendrik Lock, een hoofdopzichter bij de laboreerwerkplaatsen van de Vuurwerkerij. “Vele honderden scherpe handgranaten No.1, alsmede blokken geperst trotyl van 205 gram gingen via het achterhek door zijn [Soepboers] huis naar de [ondergrondse] groepen”, legde Lock na de bevrijding verantwoording af. Ook beschreef hij hoe ontstekingsmechanismen te nauw werden uitgeboord, met voortijdig ontploffende granaten als resultaat. Kruit werd zodanig bewaard dat het uitdroogde en daardoor zijn waarde verloor. Een brandje foutief geblust, met extra schade als gevolg. Ook werden er treinen met materieel naar verkeerde bestemmingen gestuurd.

Kees Valk, destijds een leerling van de A.I.-bedrijfsschool, vertelde decennia na de oorlog hoe ook hij zijn steentje bijdroeg: “Tijdens de oorlog, in 1944, fouilleerden de Duitsers de werknemers en leerlingen zo grondig. Zelfs tussen je boterhammen werd er gekeken. Er werden onderdelen gestolen. Moesten er bijvoorbeeld 150 pistolen worden gemaakt, dan maakte je er 151. Die ene moest naar de ondergrondse. Maar als dat niet lukte, dan waren er maar 149. En dan begon het. Alles werd dan ondersteboven gekeerd, door de SS en de Grüne Feldpolizei. Ze wisten dat die wapens en die onderdelen vertrokken naar de ondergrondse.”

Ook Ben Vijge smokkelde pistolen en patronen van het fabrieksterrein af. Ze waren bestemd voor zijn broer Piet, die in Putten een verzetsgroepje leidde. Dat ging mis, een gevolg van verraad. Ben en Piet werden oppgepakt. De eerste wist zich uit de netelige situatie te praten, maar Piet en een aantal van zijn kameraden kregen de kogel.

Collaborateurs

Op het immense fabrieksterrein werkten ook collaborateurs. Al in de zomer van 1941 ontving Meinoud Rost van Tonningen, de nazistische secretaris-generaal van het ministerie van Financiën, een stevig rapport over de politieke opinies van A.I.-werknemers van de afdeling magazijnen, plus ‘enkele uitlatingen door Ir. den Hollander’. “Thans zijn nog een paar personen bezig, gegevens te verzamelen van andere afdelingen. Ik hoop u deze de volgende week te doen toekomen. Ik heb de toezegging dat enkele goedwillende personen, onder strikte geheimhouding, bereid zijn inlichtingen te verstrekken.”

Dat het verzetswerk van de A.I.’ers levensgevaarlijk was, blijkt uit de arrestaties van Lambertus Martin, Douwe Soepboer, Sjef Swolfs en Cor van Vugt, alsmede de infiltratiepogingen op het fabrieksterrein van de even later door Douwe Soepboer ontmaskerde V-Mann Johnny de Droog. Een Zaandamse terreinopzichter van de wapenfabriek, Jan Pieter de Vries, stond bekend als fanatieke NSB’er en jodenjager.

Onderduik

Toen in september 1944 de Spoorwegstaking uitbrak, dook het overgebleven A.I.-personeel massaal onder. Daarmee eindigde ook het laatste beetje productie op het Hembrugterrein. Het lijkt er al met al op dat de bezetter weinig plezier beleefde aan de Artillerie-Inrichtingen, zowel voor als na september 1944. Dat ze in het laatste oorlogsjaar een groot deel van de inventaris op het Hembrugterrein demonteerden en als buit naar Duitsland konden slepen, moet als een bescheiden genoegdoening hebben gevoeld.

PS. Ik houd me aanbevolen voor meer namen van verzetsstrijders op het Hembrugterrein: info@schaapschrijft.nl.

Het ontmantelde Hembrugterrein (mei 1945)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De onbekende verzetsgroep Kempenaar

In mei 2021 ontving het Gemeentearchief een flinke stapel documenten en foto’s van de Zaandamse firma P. & K. Bets. Tussen de papieren van deze binnenvaartschippers zaten veel verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog. Directeur Klaas Bets bleek deel te hebben uitgemaakt van de verzetsgroep Kempenaar, een nauwelijks bekende ondergrondse organisatie.

De vrachtvaarders van de Zaanse familie Bets opereerden met twee bedrijven. In Zaandijk zat Bets & Zonen, in Zaandam P. & K. Bets. De Zaandijkse tak kon in de oorlog blijven varen met een paar motordekschuiten die, bij gebrek aan andere brandstoffen, waren uitgerust met kolenvergassers. Bekend is het verhaal van een reis die beide schepen tijdens de Hongerwinter naar Friesland maakten. Na een IJsselmeertocht vol hindernissen kwam de bemanning terug met een lading aardappelen en een Friese onderduiker. Die was in de machinekamer van de ‘Zaanlander 2’ achter een dubbele wand verstopt.

Reijer Bets (1866), de directeur van Bets & Zonen, woonde aan de Lagedijk 12. Deze streng gelovige aanhanger van de Nederlands-Hervormde kerk zou er voor hebben gezorgd dat zijn joodse buurtgenote Judith van Thijn (1865) vanaf 1943 onderdak kreeg in ‘Ons Verpleeghuis’, dat in Koog aan de Zaan stond. Door daar onder te duiken, overleefde ze de oorlog. De firma Bets & Zonen keerde zich dus op meerdere manieren tegen de bezetter. Opvallend is echter dat de verzetsdocumentatie die het Gemeentearchief Zaanstad in 2021 ontving niet de Zaandijkse scheepvaarders betrof, maar hun familieleden uit Zaandam.

Houten Bets

Ook het Zaandamse familiebedrijf P. & K. Bets was ondergronds actief, maar dat lijkt alleen in kleine kring bekend te zijn. Deze binnenvaartschippers vervoerden voornamelijk hout, vandaar dat de onderneming in de volksmond bekendstond als ‘Houten Bets’. Klaas Bets (Zaandam, 22-6-1897) en zijn echtgenote Theodora Wilhelmina Gräfe (Zaandam, 21-12-1899) woonden op de Prins Hendrikkade 6a. Recht tegenover hun deur lag hun bezit in de Voorzaan, binnenvaartschepen met namen als ‘De Trouw’ en ‘Het Vertrouwen’.

Klaas Bets, 1941 (Gemeentearchief Zaanstad)

Het opvallendste document in het bedrijfsarchief dat naar de oorlog verwijst, betreft een door motten aangevreten ‘Oorkonde ter herinnering aan den verzetstijd van groep “Kempenaar”.’ De in november 1945 opgestelde papieren waardering betreft het tijdvak 6 september 1944 tot 8 augustus 1945. De periode dus tussen Dolle Dinsdag en de atoombom op Nagasaki, die het einde van de Tweede Wereldoorlog bezegelde. Op 5 september 1944 ontstonden de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten, de bundeling van de belangrijkste gewapende organisaties. Ook de groep Kempenaar -een vernoeming naar een type binnenvaartschip- was vanaf die dag een (bescheiden) BS-onderdeel. De oorkonde geeft echter geen aanwijzingen waaruit Klaas Bets’ ‘hulpverleening aan het Land, gedurende en na de bezetting door den vijand’ binnen de groep Kempenaar bestond.

In de collectie-Bets zitten meer stukken die naar de jaren ’40-’45 verwijzen. Maar wat deed toch die groep Kempenaar waarvan Klaas Bets deel uitmaakte?

Klaas en Reijer Bets, hout overladend bij de loswal van de Prins Hendrikkade (Gemeentearchief Zaanstad)

Vaartuigendienst

Op 19 juni 1945 liet een verslaggever van De Nieuwe Dag weten: “Een bijzondere verzetsgroep van de B.S. heeft gedurende de bezetting zooveel mogelijk het werk voortgezet van het ‘Vaartuigendepot Amsterdam’ van de Ned. Marine. Zoo vond de sectie ‘Inland Water Transport’ van het Can.[adese] leger in den ‘Vaartuigendienst’, zooals de voortzetting van het ‘Vaartuigendepot’ werd genoemd, aanstonds na de bevrijding een orgaan, bekwaam en bereid om alle Duitsch geverfde scheepsruimte terug te brengen naar de oorspronkelijke eigenaars.”

De Duitsers hadden tussen 1940 en 1945 duizenden schepen gevorderd, om ze te kunnen gebruiken bij hun strijd tegen de geallieerden. Begin mei 1945 waren er van de 21.000 vooroorlogse binnenvaartschepen nog maar zo’n 10.000 in handen van de rechthebbenden. Er werd echter dag en nacht doorgewerkt om de diefstallen terug te draaien. De Nieuwe Dag op 19 juni: “Reeds 10.665 schepen heeft deze Verzetsgroep Kempenaar in Amsterdam opgespoord en 400 daarvan konden onmiddellijk aan de eigenaren worden teruggegeven.”

De groep Kempenaar probeerde dus, zodra de Duitse capitulatie was bezegeld, geroofde schepen te inventariseren en terug te bezorgen bij de rechtmatige eigenaars. Daags na de bevrijding ontving de tot BS-sergeant benoemde Klaas Bets al een schriftelijke oproep om ‘zich met spoed te begeven naar het Zeemanshuis, Kadijksplein 17-18 te Amsterdam, en zich onder de bevelen van den Commandant dier groep [Kempenaar] te stellen’. Het Zeemanshuis, tot het door de Duitsers werd ingepikt een goedkoop hotel voor zeelieden, was voor even het hoofdkwartier van de botenspeurders.

De mobilisatie-oproep voor de verzetsgroep Kempenaar viel in de bus bij met name mannen uit Amsterdam en Badhoevedorp. En bij nog één andere Zaandammer: sergeant Jacobus Geilings (Fijnaart en Heiningen, 9-11-1906). Die woonde in de Burgemeester ter Laanstraat 118, een paar honderd meter van de firma Bets.

Tot zover het werk van de groep Kempenaar na de bevrijding. Maar wat deden de leden tijdens de bezetting? En wat was de rol van Klaas Bets? De stukken bij het Gemeentearchief Zaanstad bevatten geen harde feiten, hoogstens wat aanwijzingen. Zoals die brief uit mei 1943. De bezetter had zojuist verordonneerd dat de Nederlandse oud-militairen zich moesten melden voor de Arbeitseinsatz. Onder hen bevonden zich ook de nodige mannen die inmiddels werkzaam waren in de scheepvaart. Kuindert M. Poll riep daarop zijn betrouwbaar geachte collega’s op om gul te doneren voor de familieleden van de getroffen ex-militairen. De opstandigheid spatte van het papier. Of Poll betrokken was bij de latere groep Kempenaar blijft in het ongewisse, maar de toon was gezet.

Het voormalige illegale blad Vrij Nederland lichtte op 23 juni 1945 een tipje van de sluier op aangaande de groep Kempenaar. “Een van de meest rasechte ondergrondsche organisaties was de groep ‘Kempenaar’, waarin een deel van het verzet van de binnenschippers zich afspeelde”, schreef de dienstdoende redacteur. “De oorsprong van die groep lag in den Vaartuigendienst van het Nederlandsche leger, en in September 1944 werden deze mannen opnieuw met hun schepen ingeschakeld, nu in het strijdend gedeelte van de BS. Er werd goed werk verricht, onder meer voor clandestiene voedselvoorziening in den afgelopen hongerwinter.”

Daar bleef het niet bij. VN: “In April kreeg deze groep opdracht alle te Amsterdam aanwezige schepen, die Duitsch of Duitsch-gevorderd waren, te registreeren en te controleren, teneinde deze na de bevrijding zo snel mogelijk ten gebruike van de bevolking te brengen. Over den heele haven van Amsterdam werden zoodoende circa 1000 schepen gevonden. Na een week of 4 kon er reeds weer een 200-tal in de vaart worden gebracht.” En medio juni 1945 waren er dus al ruim 10.000 eerder geconfisqueerde schepen opgespoord, zoals De Nieuwe Dag enkele dagen eerder berichtte.

Het werk van Klaas Bets, Jacobus Geilings en hun tientallen kameraden was wellicht niet zo spectactulair als dat van hun schietende en rovende collega’s die een andere tak van het ‘strijdend gedeelte’ vormden, maar voor het vlot op gang krijgen van de Nederlandse economie waren ze onontbeerlijk.

Wie meer wil weten over de firma P. & K. Bets -voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog- kan terecht bij het Gemeentearchief Zaanstad.

Nationaal Archief

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De synagoge als tastbare herinnering

Met het oog op het in oude luister herstellen van dat wat er resteert van de Zaandamse synagoge schreef ik onderstaand artikel. Een verkorte en aangepaste versie is, in de vorm van een met foto’s aangevulde brochure, gratis verkrijgbaar bij de voormalige sjoel (Gedempte Gracht 40 in Zaandam).

De wandelaar die ter hoogte van Gedempte Gracht 38-40 opzij kijkt, moet goed opletten om de restanten te ontdekken van wat eens een synagoge was. Schijnbaar rustend op de onderliggende winkels toont zich daar een sierlijke, met boogvensters getooide witte gevel. In het pleisterwerk aan de voorkant is een Hebreeuwse tekst zichtbaar. In Nederlandse vertaling: ‘Een heiligdom, door Uw handen gegrondvest’ (Ex. 15:17). Achter de ramen op de eerste verdieping bevindt zich de zogenoemde voormalige vrouwengalerij van het gebedshuis. Dit provinciale monument is een van de weinige tastbare Zaanse herinneringen aan de bloeiende, vooroorlogse Joodse gemeenschap.

Het vooroorlogse interieur van de synagoge.

Voorgeschiedenis

Wanneer de eerste Joden zich in de Zaanstreek vestigden is onbekend. Een van de oudste vermeldingen betreft een klacht uit 1774 van lokale burgers ‘over de venterijen van Smousen’ (een scheldwoord voor Joden). Vanaf 1784 kwamen er Joodse namen voor in de Zaanse belastingregisters. Samuel en Wolf Leevie bijvoorbeeld, die op het Seijlpat woonden, in het kleine Zaandamse centrum. Daarna ging het snel. In 1808 stonden er alleen al in het dorp West-Zaandam 94 Joodse gelovigen geregistreerd, veelal koopmannen en hun gezinnen. In 1829 waren het er 118, in 1849 173. Ruim een eeuw lang zou ongeveer 1 % van de Zaandamse bevolking Joods zijn.

De aanwas in de negentiende eeuw had mede te maken met de komst van een synagoge. In 1800 werd een door Simon Frank en Levi Eliasar Levi gehuurd huis aan de Rozengracht als zodanig ingewijd. Enkele jaren later was er zelfs geld voor een godsdienstleraar/onderwijzer Hebreeuws. Hoewel zich ook in de andere Zaanse dorpen Joden vestigden – vaak slagers uit de familie Van Thijn –, bleef Zaandam het religieus centrum.

De behoefte aan een eigen gebouw groeide. Ondanks dat de meeste Joodse Zaankanters weinig vermogend waren, wisten ze voldoende geld bijeen te brengen voor een nieuwe ‘sjoel’. In 1816 legden afgevaardigden van de Hoogduits-Israëlitische Gemeente Zaandam bij de notaris vast dat ze op het Kuiperspad (de latere Gedempte Gracht) een huis hadden gekocht met de bedoeling dit ‘tot een kerk in te rigten’. Het bouwvallige pand hield het nog geen halve eeuw vol in zijn nieuwe functie. ‘De synagoge te Zaandam verkeert in hoogst zorgelijken toestand, en wel zóódanig, dat een herbouw dringend noodig is’, bedelde een voor dit doel ingestelde commissie in 1863 onder de bevolking. Na jaren collecteren, loten verkopen en verzoeken om donaties lukte het om de benodigde negenduizend gulden bijeen te krijgen. Onder meer diverse overheden, de koninklijke familie en de joodse gemeente in Amsterdam droegen een steentje bij. In februari 1865 werd het nieuwe, door stadsarchitect L.J. Immink ontworpen godshuis ingewijd. Imminks smaak – zijn voorkeur ging uit naar witgepleisterde gebouwen, liefst in Italiaanse stijl – kwam goed naar voren. Het gebouw bevatte classicistische vormen uit verschillende perioden en werd een van de weinige synagogen die in de negentiende eeuw buiten Amsterdam van de grond kwamen.

De synagoge, links, rond 1900.

Izak de Haan

Tussen 1865 en 1942 namen diverse voorzangers en godsdienstleraren de dagelijkse zorg voor de synagoge en haar gebruikers op zich. Van hen was Izak de Haan de langst dienende en bekendste. Vanaf 1885 werkte hij 28 jaar in Zaandam als (in zijn eigen woorden) ‘onderwijzer, voorzanger, ritueel beestensnijder, substituut huwelijksinzegenaar, secretaris van den kerkeraad, ziekenbezoeker, waker bij stervenden, bazuinblazer, kerkelijk besnijder, predikant en in allerlei zaken de vraagbaak van een ieder die een gratis advies verlangde’. Hij voegde daar aan toe, over zichzelf sprekend in de derde persoon: ‘Gelukkig dat de synagogen geen kerktorens hebben, anders ware hij zeker ook nog klokkenist geweest.’ Twee van zijn kinderen verwierven landelijke bekendheid als auteur: Carry van Bruggen en Jacob Israël de Haan. In hun werk beschreven ze meermalen hun jeugd in Zaandam.

Dat de ‘gazzan’ het druk had, blijkt onder meer uit het feit dat in de loop der jaren duizenden Amsterdamse Joden hun huwelijk lieten inzegenen in Zaandam. In de hoofdstad was dat namelijk veel duurder. Enkele weken voor de plechtigheid schreven de verloofden zich in op het adres van de voorzanger en na de trouwdag volgde de uitschrijving.

Izak de Haan.

Tweede Wereldoorlog

Hoewel over het algemeen arm, floreerde de kleine Joodse gemeenschap. Het religieus-sociale leven speelde zich grotendeels af in en rond de synagoge. Op 21 januari 1940 werd het 75-jarig bestaan van het gebedshuis gevierd. Er klonken felicitaties, maar ook bezorgde geluiden. In Duitsland was zeven jaar eerder Adolf Hitler aan de macht gekomen. Zijn antisemitische tirades en dreigende oorlogstaal riepen angst op. Refererend aan de Duitse Kristallnacht zei opperrabbijn Philip Frank tegen de genodigden dat zijn gedachten uitgingen ‘naar de vele G[ods]huizen die helaas een prooi der vlammen zijn geworden.’

Hitler liet het inderdaad niet bij woorden alleen. Tienduizenden bedreigde en van hun bezittingen beroofde Duitse en Oostenrijkse Joden ontvluchtten in de jaren dertig hun vaderland. Van hen belandden er tientallen in de Zaanstreek. Een van hen werd zelfs lid van het synagogebestuur. Mede door de aanwezigheid van de vele politieke vluchtelingen telde de regio eind 1941 het recordaantal van 324 – in nazitermen – ‘voljoodse’ inwoners.

Op dat moment was Nederland al anderhalf jaar bezet gebied. De anti-Joodse maatregelen werden steeds ingrijpender. Veel Zaanse Joden kregen te maken met pesterijen en werden in toenemende mate uitgesloten. Aan de Februaristaking, gericht tegen het nazistische antisemitisme, deden in 1941 tienduizenden Zaankanters mee. De massale werkonderbreking bracht echter geen verbeteringen teweeg. Ambtenaren moesten discriminerende Ariërverklaringen invullen, Joden raakten in veel gevallen hun werk, bedrijven en banktegoeden kwijt. Er kwam een registratieplicht en een reisverbod voor Joden. Ze mochten niet meer naar de schouwburg, het zwembad, de bioscoop, parken en tal van horecagelegenheden. Voorlopig slotstuk was de Duitse beslissing dat alle Zaandamse Joden moeten verhuizen naar Amsterdam (de Nederlanders) of kamp Westerbork (de inmiddels stateloos verklaarde buitenlandse Joden). Dat gebeurde in januari 1942. 284 Zaandammers kregen het bevel om binnen drie dagen de stad te moeten verlaten. Onder hen waren 33 niet-joodse partners en de dertig kinderen van deze gemengd-gehuwde echtparen. Op 16 januari, de dag voor vertrek, werden de Joodse gezinshoofden naar de synagoge geroepen om hun familieleden te laten registreren. Ze moesten al hun bezittingen achterlaten, uitgezonderd dat wat ze konden dragen.

Het Zaandamse synagogebestuur aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

Judenrein

Zaandam was de eerste Nederlandse gemeente die ‘Judenrein’ werd gemaakt. In de volgende maanden werden ook de andere Zaanse plaatsen ontdaan van hun Joodse inwoners. Ze belandden via Amsterdam in Westerbork en vervolgens de Duitse concentratie- en vernietigingskampen. Het lukte een minderheid om een schuilplaats te vinden en heelhuids door de oorlog te komen. Abraham Drukker, de ‘sjammes’ (dienaar) van de synagoge, stuurde kort voor hij met zijn vrouw werd gedeporteerd een afscheidsbriefje naar vrienden. ‘Dat wij menschen op leeftijd Zaandam wel weer te zien zullen krijgen, is een vraag die G[od] alleen weet.’ Twee weken later vond het echtpaar de dood in de gaskamer van Sobibor. Zoals hen verging het tweederde van de Joden in Nederland, ruim honderdduizend mensen.

De Zaandamse synagoge kreeg in 1942 een nieuwe bestemming. Op 13 augustus 1942 informeerde NSB-burgemeester Hendrik Vitters tijdens een collegevergadering of de leegstaande synagoge kon worden verbouwd tot distributiekantoor. Het college besloot dat hij met wethouder en partijgenoot Jacob IJdenberg ter plekke de mogelijkheden zou bekijken. Blijkbaar pakte dat positief uit, want in de B&W-stukken van 1 oktober is te lezen dat voor 17.000 gulden ‘van de Niederländische Grundstücksverwaltung o.m. aangekocht [werd] perceel Gedempte Gracht 40, eigenaresse de Ned. Israëlitische Gemeente te Zaandam’. De Grundstücksverwaltung was een organisatie die van de nazistische autoriteiten het ‘beheer’ over het Joodse vastgoed had gekregen, alsmede de opdracht over te gaan tot onteigening en verkoop. Het verhandelen werd gedelegeerd aan ‘lasthebbers’, meestal makelaars. Het toeval wilde dat Jacob IJdenberg niet alleen wethouder, maar ook makelaar was. Hem werd het recht gegund om de synagoge (en een aantal ‘Joodse’ woningen) van de hand te doen. Op het laatste moment strandde de verkoop van Gedempte Gracht 40 toch nog. Na de bevrijding verklaarde de directeur van de Dienst Gemeentewerken: ‘In samenwerking met anderen heb ik dit weten te voorkomen.’ Hoe de overname werd verhinderd is onbekend, maar de synagoge bleef vooralsnog ongebruikt.

Eind 1943 was het interieur overigens al verdwenen. De opzichter van de Dienst Gemeentewerken had nog getracht het zilverwerk dat bij de erediensten was gebruikt onder de synagogevloer te verbergen. Het bleek na de bevrijding onvindbaar. Onder leiding van politiechef Willem Ragut was het pand de voorgaande zomer leeggehaald. Het was, wist een agent, ‘naar het politiebureau te Zaandam gebracht, o.a. een grote, antieke kast, lamp, ijzeren kist en andere voorwerpen, waaronder schilderijtjes en een leeuwenkop. De kast bleef voorlopig bij Ragut op de kamer, nadat [rechercheur Tonny] Jansen met vlijt de versierselen (Davidsster) met een borstel eraf geslagen had. De lamp en de schilderijtjes werden in het kamertje van de typiste gehangen, op het politiebureau, de leeuwenkop bij Jansen en de kist, welke later bij de burgemeester kwam als wapenkist.’

Daarbij bleef het niet. In 1958 verzocht de Zaans-Joodse gemeente het Nederlands-Israëlietisch Kerkgenootschap om ‘de navolgende claim van onze Gemeente bij de Duitse autoriteiten in te dienen’. Waarna een lange opsomming volgde van tijdens de oorlog gestolen koperen en zilveren voorwerpen, gebedenboeken, kleden en meubels. Alleen al de gestolen Toramantels (‘waarbij enige antieke’) die om religieuze geschriften werden gewikkeld, waren in mei 1940 getaxeerd op duizend gulden. De totale Zaanse claim bedroeg bijna zesduizend gulden.

Het godshuis veranderde in een paardenstal. In de Hongerwinter verloor de synagoge zijn laatste restje waarde. Zaankanters braken het hout uit de ontwijde, eerder al door NSB’ers met hakenkruizen bekladde ‘witte jodenkerk’. Ook sneuvelden zo goed als alle ramen. Tot de schaarse voorwerpen die heelhuids door de oorlog kwamen, behoorden zes Torarollen en enkele notulenboeken. Bijna alle andere bezittingen zouden nooit meer terugkeren.

Achtergelaten Duitse aanhangers voor de synagoge, mei 1945.

Na de oorlog

Van de joodse Zaankanters overleefden er 184 de oorlog niet. Hun namen zijn nog zichtbaar op struikelstenen, messing gedenkplaatjes die driekwart eeuw na de bevrijding voor hun toenmalige woningen zijn gelegd. Zij die in 1945 terugkeerden van hun onderduikadres of het concentratiekamp troffen onder meer een verwoeste synagoge aan.

Op zondagochtend 2 juni 1946 kwamen de resterende leden van de Nederlands-Israëlitische Gemeente (NIG) Zaandam voor het eerst sinds de bevrijding bij elkaar. Niet in de synagoge – op dat moment nog steeds een bouwval –, maar in de woning van interim-voorzitter Jacob Drukker, enkele deuren verder. Slechts 22 vertegenwoordigers uit elf Zaanse huishoudens die de oorlogsjaren waren doorgekomen gaven acte de présence. Dat was precies tien procent van de achterban die vier jaar eerder regelmatig de synagoge bezocht.

Na een woord van herinnering aan de ‘door de schuld van de bezetter ontvallen leden’ kozen de aanwezigen een voorlopig bestuur en stelden ze een summiere begroting vast: ‘Inkomsten f 208,-, uitgaven f 250,-.’ Het nieuwe bestuur moest zonder financiële reserves en met een sterk geslonken aanhang proberen om een doorstart te maken. De sjoel was een ruïne, de inventaris vrijwel geheel verdwenen. Zelfs de geschiedenis bleek grotendeels gewist. Toen een Amsterdamse instelling in 1946 informeerde naar de synagogedocumentatie moest secretaris Jos Pais meedelen ‘dat het niet mogelijk is u de gewenste inlichtingen te geven daar ons gehele archief door de Duitsers is vernietigd’.

Totaal vernield

Twee jaar later waren de initiatiefnemers niet veel verder. ‘De overgebleven Joodse Zaankanters (laten wij dat vooral niet vergeten: Zaankanters!) hebben weer plannen tot herstel van het kerkelijk leven’, schreef dagblad De Typhoon op 28 januari 1948. ‘De synagoge aan de Gedempte Gracht in Zaandam wordt hersteld. Van buiten gezien lijkt deze kerk nog in vrij goede conditie. Wie binnenkomt ziet vier kale muren. Meer niet.’ Jacob Drukker: ‘Er stonden nog vier muren, maar verder was alles kapot, totaal vernield. Er zat geen hout meer in of aan. Niet alleen de Duitsers hadden dat gedaan, ook de Zaandammers, allemaal van die goeie Zaandammers… Maar toch hebben wij alles weer opgebouwd, gerestaureerd. We hadden al die ruimte niet meer nodig, iedereen was vermoord, maar we moesten wel geld hebben. En daarom werd een deel van de synagoge verbouwd tot garage en kwam er in een ander deel een agentschap van Het Parool. Later werd dat een woning.’ Alleen het middenstuk van het gebouw bleef beschikbaar voor diensten.

De synagoge in 1961.

Waar het Nederlands-Israëlietische Kerkgenootschap kort voor de bezetting van Nederland nog 220 leden had, waren daar twintig jaar later nog maar 28 van over. Het ledengebrek maakte dat er slechts sporadisch religieuze diensten plaatsvonden. Gebrek aan geld deed de rest. In 1974 verkocht de NIG de synagoge noodgedwongen voor een vriendenprijs van 175.000 gulden. De nieuwe eigenaar liet het pand ingrijpend verbouwen. Alleen het middenstuk bleef intact, zij het dat de verhoging (de bima) verdween. Daar stond eerder de Heilige Ark, een kast waarin de Torarollen werden bewaard. Het gebouw werd verhuurd aan een kunstcentrum. Dat kreeg de toepasselijke naam De Zienagoog.

In het daarop volgende decennium wilde de eigenaar het gebouw laten slopen en vervangen door woon- en winkelruimte. Dit kon door plaatsing op de provinciale monumentenlijst op het nippertje worden verhinderd. Na het vertrek van De Zienagoog veranderde de plek die eens bestemd was voor godsdienst, onderwijs en bezinning in respectievelijk een brasserie en winkels.

Heden en toekomst

Op de begane grond en de galerij zijn nu beelden te zien van de synagoge in vroeger dagen en van enkele voorwerpen die daar destijds een belangrijke rol hadden. Daarmee is een deel van de bestaansgeschiedenis zichtbaar gemaakt en blijft het verhaal van de Zaans-Joodse inwoners behouden. Het is tevens een eerbetoon aan de vooroorlogse Joodse gemeenschap. Opdat we niet vergeten en voort kunnen bouwen op de basis die zij hebben gelegd.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De mysterieuze verdwijning van de Zaanse synagoge-inventaris

Na de bevrijding bleek er van de Zaandamse synagoge-inventaris verrassend veel bewaard gebleven. In de daarop volgende decennia verdwenen vrijwel alle bezittingen alsnog, vaak op raadselachtige wijze. Wat gebeurde er met de inboedel?

Op deze site heb ik al eens geschreven over de zoekgeraakte Zaanse synagoge-inventaris. Maar met de jaren komt er meer informatie naar boven. Tegelijkertijd worden de raadsels alleen maar groter. Tijd voor een chronologische update.

Het vooroorlogse synagoge-interieur, met achteraan de ‘Heilige Arke’

In zijn boekje De Joodse Gemeente in Zaandam (1988) schreef Joep Auwerda over de synagoge: “In Zaandam was vrijwel niets meer. Alle spullen die bij de eredienst werden gebruikt, waren in de Tweede Wereldoorlog gestolen. Een eigen archief zegt de gemeente niet te hebben.” Maar klopt het wel dat er na de oorlog alleen een lege huls over was, in de vorm van een van alles ontdane sjoel?

Vanaf 1942 werd het godshuis op de Gedempte Gracht inderdaad ontheiligd en leeggeplunderd. De gebruikers en bestuurders van het gebouw waren in januari van dat jaar naar het joodse getto in Amsterdam verbannen, de bezetter had vrij spel. De voorzitter van de Nederlands-Israëlitische Gemeente, Jacob Drukker, leverde zoals hem was bevolen op de dag van zijn gedwongen vertrek de sleutels van het godshuis in bij de plaatselijke politie. “Enkele kleine voorwerpen werden door mij nog in veiligheid gebracht”, vertelde hij na de oorlog. Om welke voorwerpen het ging en waar ze belandden, zei hij helaas niet. Ze zijn anno nu spoorloos.

Zilveren voorwerpen

Er werd meer veiliggesteld. De hoofdopzichter van de afdeling Gemeentewerken in Zaandam, Dirk Voet, verstopte naar eigen zeggen in 1942 een aantal zilveren synagogevoorwerpen onder de vloer van het godshuis. Na de bevrijding waren ze verdwenen. Niemand weet wat er met de buit is gebeurd.

Dat laatste gold ook voor veel andere objecten. De Zaandamse politiechef Tonny Jansen liet in de zomer van 1943 hetgeen er resteerde van de synagoge-inboedel weghalen. Een deel ging naar het hoofdbureau aan de Vinkenstraat (een betrokken collega somde op: “Een grote antieke kast, lamp, ijzeren kist en andere voorwerpen, waaronder schilderijtjes en een leeuwenkop.”). Een ander deel van de geroofde spullen nam Jansen mee naar zijn woning in de Zaandamse Stationsstraat 82. “De geldkist van de Joodse synagoge onder meer”, verklaarde hij op 22 mei 1945. Zijn hebzucht bleef niet beperkt tot deze geldkist. Politieman en oud-verzetsstrijder Jan Jongh na een huisbezoek in mei 1945: “De eerste indruk die ik kreeg, was dat Jansen de hele Joodse synagoge bij elkaar gestolen had.”
Op één voorwerp na -zie hieronder- verdwenen de meegenomen goederen vervolgens weer uit het zicht. Of de in het politiebureau verzamelde spullen daar na de bevrijding bleven, is onbekend. De overheid kreeg de beschikking over de bij Tonny Jansen in mei aangetroffen artikelen. Daarna loopt het spoor dood. Bij de rechtmatige eigenaars kwam het roofgoed in ieder geval niet meer terug, zoals blijkt uit een in 1958 door het toenmalige synagogebestuur opgesteld overzicht van vermiste artikelen ter waarde van bijna 7.000 gulden.

‘Heilige Arke’

Van slechts één synagogevoorwerp is een deel van het vervolgtraject bekend: de zogeheten ‘Heilige Arke’. In deze grote, eikenhouten kast werden onder meer de Torarollen bewaard. Jacob Drukker, in een naoorlogs getuigenverhoor: “Nadat ik op de dag der bevrijding weder te Zaandam terug was gekomen -ik ben namelijk steeds in de buurt ondergedoken geweest-, vernam ik van de veilinghouder en opkoper Van der Woude, wonende aan de Westzijde alhier, dat bovenbedoelde eikenhouten kast door hem was opgeborgen in zijn opslagplaats en dat hij deze kast tijdens de bezetting van de toenmalige Inspecteur van Politie T. Jansen in ontvangst had genomen. Ik heb naderhand de kast in de opslagplaats van Van der Woude gezien en daarbij geconstateerd dat deze inderdaad uit de synagoge te Zaandam afkomstig was.” Klaas van der Woude bevestigde Drukkers verhaal. “De eikenhouten kast heb ik weder ter beschikking gesteld van de Nederlands Israëlitische Gemeente.” Twee jaar na de bevrijding was de synagoge nog altijd een bouwval, beschikte de NIG niet over geld om het gebouw op te knappen en wachtte de kast in Van der Woudes opslag aan de Westzijde 242 op de rechtmatige eigenaars. Of de Heilige Arke ooit terugkeerde naar de sjoel is een raadsel.

Torarollen

In de jaren na de oorlog kwam ook een ander deel van de synagogeboedel boven water. Of toch niet?

In Dagblad Zaanstreek van 26 augustus 1996 schreef verslaggeefster Denise van Kempen dat na de oorlog ‘slechts zes Torarollen gespaard bleven’. Die zin staat ook in het vier jaar eerder verschenen standaardwerk over de Nederlands-joodse geschiedenis, Pinkas. Onduidelijk blijft alleen wat de oorspronkelijke bron is. En de Torarollen zijn tot op heden zoek.
Nog zo’n raadsel: Joep Auwerda citeert in De Joodse Gemeente in Zaandam de toenmalige conservator van het Joods Historisch Museum, Joël Cahen. Die vertelde: “Er moet ergens een kist met een [synagoge-]archief zijn. Dat heb ik gehoord van een lid van van de joodse gemeente Zaandam, van Arie Pais, zoon van de voormalige voorzitter.” Maar waar die kist zou zijn gebleven, wist Cahen helaas niet te vertellen. En ook het NIG-bestuur van destijds had geen idee. Of zou Cahen doelen op de notulenboeken? Daarover straks meer.

Een deel van het synagoge-interieur in 1969 (D. Peeters)

Dam 2

Drie decennia later ging er weer iets verloren. Het in het centrum van Zaandam gelegen gebouw Dam 2 was sinds 1858 respectievelijk in gebruik bij de plaatselijke Vrijmetselaars en als café Suisse. Tijdens de oorlog had de afdeling Gemeentewerken van Zaandam het pand in beheer. Er was onder meer een bank- en girokantoor gevestigd. In 1993/’94 werd Dam 2 verbouwd. In november 1993 hoorde Zaandammer Anton Faas van een kennis dat bij het slopen van een vloer een aan het oog onttrokken, door twee muren omgeven ruimte was ontdekt. Nadat de slopers daarin waren afgedaald, ontdekten ze een aantal kluisjes. Toen ze die openmaakten, vonden ze ‘een tamelijk grote hoeveelheid  waardevolle spullen’, aldus Faas. “Het ging om onder andere bladgoud en waardepapieren.” Zijn kennis ‘voegde daaraan toe dat het ging om joods bezit dat vanwege de oorlog hier opgeborgen was’. De gevonden goederen zouden door de slopers zijn meegenomen.
Anton Faas wendde zich tot de gemeente Zaanstad. Een ambtenaar beaamde ‘dat er inderdaad een kluizencomplex aanwezig was en dat het openen en slopen daarvan onder toezicht had plaatsgevonden’. De met bovenstaand verhaal geconfronteerde projectontwikkelaar ‘bevestigde dat er iets was gevonden, namelijk een kistje zonder inhoud. (…) Er was ook een getuigschrift of diploma van een joodse school of instelling van voor de oorlog gevonden.’

Bladgoud

De zoektocht van Anton Faas leidde in december 1994 tot een artikeltje in Dagblad Zaanstreek. “Volgens directeur L. Bosch van de Amsterdamse exploitatiemaatschappij De Purmer, sinds twee jaar eigenaar van het pand, bevatte een van de kluizen stukken en een administratie van een joodse vereniging die hij zich niet met name kon herinneren”, aldus de verslaggever. Volgens Bosch had hij de kluisinhoud overgedragen aan het Gemeentearchief Zaanstad. Dat ontkende echter de documenten te hebben ontvangen. En daarmee verdwenen ook deze stukken uit het zicht.
De al eerder genoemde Dirk Voet had als opzichter van Gemeentewerken tevergeefs geprobeerd om het zilverwerk van de synagoge veilig te stellen. Dam 2 was zijn dagelijkse werkplek. Zou hij daar de ‘joodse’ documenten in één of meer kluisjes hebben verborgen? En betrof dat papierwerk -en bladgoud?- van de sjoel? Of kwam het uit een joods huishouden?

Plattegrond van Dam 2 (1922). Binnen het langwerpige, met dikke zwarte rand omgeven blok in het souterrain bevond zich een kluis

Notulenboeken

Zelfs in de 21-ste eeuw ging er nog iets verloren van het toch al schamele synagogerestant dat na de bevrijding opdook. In 2015 kwamen uit een opbergplaats van de Nederlands-Israëlitische Gemeente twee vooroorlogse notulenboeken tevoorschijn. Ze bevatten de verslagen van de bestuurs- en kerkenraadsvergaderingen van de Zaandamse synagoge en besloegen respectievelijk de periodes 24 januari 1892 tot met 2 mei 1911 en 9 mei 1911 tot en met 16 juli 1931. Dat was alles wat er resteerde van het synagogearchief. Ook het notulenboek dat liep van 1931 tot en met 1942 -met waardevolle aantekeningen over de vele joodse vluchtelingen in de Zaanstreek en over de oorlogsgebeurtenissen- was door de nazi’s vernietigd.
Het lag in de bedoeling om beide bewaard gebleven notulenboeken een veilige plek te bezorgen in het Gemeentearchief Zaanstad. Maar ergens onderweg ging er iets mis. Het boek dat liep tot 1931 verdween op mysterieuze wijze. Al wat er nu nog van zichtbaar is, zijn enkele even eerder gefotografeerde pagina’s. Hieronder één van die bladzijden. Te lezen is hoe de notulerende secretaris Izak de Haan -de vader van de beroemde auteurs Carry van Bruggen en Jacob Israël de Haan- niet voor het eerst zijn beklag doet over het vele werk en de magere verdiensten die hem als gazzan zijn toebedeeld. Het is uniek materiaal. En het is dus weg.

Het lijkt er op dat vrijwel al het ternauwernood geredde synagogemateriaal alsnog door de geschiedenis is verzwolgen, als schepen in de Bermudadriehoek. Hopelijk komt er nog iets van boven water, om te beginnen het verdwenen notulenboek. Wie meer weet, kan zich melden: info@schaapschrijft.nl.

PS. Het is me bekend dat op Curaçao een oude sleutel van de synagoge ligt, waarschijnlijk die van de voordeur. Ik heb goede hoop dat in ieder geval die terugkomt naar Zaandam.

 

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Pieter Starreveld uit Koog: monumentenmaker

De geboren Zaankanter Pieter Starreveld maakte ruim twintig oorlogsmonumenten. Opvallend genoeg kreeg geen daarvan een plek in de regio waar hij zijn jongste jaren doorbracht. Over het leven van deze beeldhouwer, een van de belangrijkste en productiefste die Nederland telde, verschijnt binnenkort een monografie.  

“Pieter Starreveld, J.A. Raedecker, Cor van Kralingen en Mari Andriessen behoren tot de meest gevierde makers van oorlogsmonumenten”, schreef Wim Pijbes op 2 mei 2020 in NRC Handelsblad. Pijbes kon het weten, als (onder meer) oud-directeur van het Rijksmuseum. Mari Andriessen is van het genoemde viertal de aansprekendste, als geestelijk vader van De Dokwerker. Cor van Kralingen maakte onder meer het iconische beeld De vallende man, dat te zien is op de begraafplaats in het Rotterdamse Crooswijk en op acht erevelden in binnen- en buitenland. En John Raedecker gold in de jaren ’20 en ’30 van de vorige eeuw als de bekendste Nederlandse beeldhouwer. De beelden van het Nationaal Monument op de Dam kwamen van zijn hand. Maar wie is toch Pieter Starreveld?

Symbolische geboortedatum

Starreveld komt in 1911 ter wereld op een datum die gezien zijn latere levensloop symbolisch genoemd mag worden: 5 mei. Zijn wieg staat in Koog aan de Zaan, in wat dan wijk F, nummer 6 heet (de omgeving van de Hoogstraat). Onder zijn voorouders bevinden zich nogal wat zeevaarders, maar zijn vader had toen hij in 1910 trouwde, moeten beloven dat hij aan wal zou blijven. Adolf Starreveld (1888-1970) begint daarom als lasser in de scheepsbouw. Hij en echtgenote Aagje (1889-1964) verhuizen overigens al snel uit Koog. In 1913 staan ze geregisteerd op het Zaandamse adres Oostzijde 402, drie jaar later in Amsterdam. Daar werkt Adolf voor de gemeente. Hij maakt in de hoofdstad straten, legt rails en graaft riolen in. Zoals zovelen die het niet al te breed hebben, verplaatst het gezin de huisraad op keer. In de Zaanstreek komen ze echter niet meer terug. Tot zijn huwelijk in 1935 blijft Pieter Starreveld met zijn ouders, twee broertjes en een zusje in Amsterdam. Er is slechts één onderbreking, omdat hij weigert onder de wapenen te gaan. Het gevolg is dat hij in Haarlem vervangende dienstplicht moet doen.

Op zijn dertiende begint Pieter bij het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs, op zijn achttiende aan de Rijksacademie voor beeldende kunsten in Amsterdam. Daar volgt hij een opleiding tot beeldhouwer. Om zijn lessen te kunnen bekostigen vervaardigt hij eierdoppen, schaaltjes en andere houten gebruiksvoorwerpen. Hij blijkt talentvol. Als lid van kunstenaarscollectief ‘De Trekvogels’ mag hij al 1931, nog tijdens zijn studie, ‘houten voorwerpen, schalen enz’ exposeren, zoals dagblad De Standaard meldt. “Een bezoek aan de tentoonstelling verdient aanbeveling, men vindt er ernstig en pittig werk.” Daarna gaat het rap. De exposities van De Trekvogels volgen elkaar in hoog tempo op. “De kommen en nappen van Pieter Starreveld zijn licht en forsch en aangenaam in de hand”, recenseert De Telegraaf in 1932. De jonge kunstenaar begint naam en opdrachten te krijgen.

Tweede Wereldoorlog

Eind 1935 trouwt Pieter met Johanna (‘Hannie’) Stolte, een goede vriendin van onder anderen Etty Hillesum. Eerder was Hanie verloofd met publicist Menno ter Braak, maar die heeft ze de bons gegeven. Pieter verdient al als twintiger de kost met onder meer beeldhouwwerk, tekeningen en linosneden. Zijn werk bereikt zelfs het Stedelijk Museum. Tegen de tijd dat de Tweede Wereldoorlog zich aandient, mag hij zich een breed gewaardeerd kunstenaar noemen. Een half jaar voor de Duitsers Nederland bezetten, haalt Pieter nog één keer de landelijke kranten, met een plaquette voor de jubilerende muziekrechtenorganisatie BUMA. Pieter ontwikkelt zich tot een veelzijdig talent. Op de site van het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis staan achter zijn naam niet minder dan elf kwalificaties: “Beeldgieter, beeldhouwer, emailleur, glasschilder, graficus, grafisch ontwerper, medailleur, monumentaal kunstenaar, pastellist, pentekenaar en tekenaar.”

Het links-culturele wereldje waarin het echtpaar Starreveld-Stolte zich beweegt, maakt het bijna onvermijdelijk dat Pieter in het verzet belandt. Zijn weerzin tegen het nationaalsocialisme is al in 1937 publiekelijk zichtbaar. Hij verbindt dan zijn naam aan een manifest tegen de ‘heerschende geestesgesteldheid in het Derde Rijk’, waar ‘ontaarde kunst’ en hun makers het moeten ontgelden. Het moet hem dan ook vreemd te moede zijn wanneer de bezetter de meisjes-HBS in de Amsterdamse Euterpestraat, waarvoor hij een beeld van een jongen tussen twee hertjes heeft gemaakt, in 1940 confisqueert. Vanaf dat moment wordt zijn kunst bewonderd door leden van de Sicherheitsdienst, die er zijn hoofdkwartier heeft.

Teijlers Museum

Het ‘goede’ deel van de natie kan zijn werk tegenkomen in de illegale uitgaven van Lou Lichtveld (alias Albert Helman). Die schrijft in het ondergrondse blad De Vrije Kunstenaar en maakt verzetspoëzie, waaronder de door Pieter geïllustreerde gedichten De dierenriem (1942) en Sebastiaan (1944). Tot hun coproductie behoren ook drie penningen, waarvan de eerste al in 1940 wordt gemaakt. Op de voorkant verbeeldt Pieter de Duitse overweldiging van Nederland, op de achterzijde is een tekst van Lichtveld te lezen: “Geweld deed wijken ‘s lands geluk en zaaide lijken.” In hun omgeving worden veel verzetsstrijders gearresteerd, maar Lichtveld en Starreveld halen heelhuids de bevrijding.

Het verzetswerk blijft niet beperkt tot de samenwerking met Lou Lichtveld. Onder de schuilnaam Lucas Vandervelde illustreert Pieter eind 1943 het een jaar later uitgegeven, door Maurits Mok (nom de plume Hector Mantinga) geschreven gedicht Een naamloos strijder. Het wordt in een oplage van 125 in rood, zwart en blauw gedrukt op, zoals het colofon vermeldt, ‘de persen der naamlozen’.

Vrouwelijk naakt

Pieter Starreveld in 1946 in zijn Amsterdamse atelier, werkend aan het vrouwelijk naakt (Wikipedia)

Na de bevrijding heeft Pieter nog wel een privé-oorlogje uit te vechten. Op verzoek van de gemeente Schiedam maakt hij in 1946 een herdenkingsmonument. Het is bestemd voor het plaatselijke Julianapark. Maar het katholieke en anti-revolutionaire smaldeel in de gemeenteraad tekent bezwaar aan: een naakte vrouw in het park gaat hen te ver. Ze zijn in de minderheid, maar op voorstel van de PvdA en de CPN komt er een compromis. Het naakt mag in het park worden geplaatst, mits de begeleidende tekst die naar de oorlog verwijst wordt weggebeiteld. De motie wordt met 17 tegen 12 aangenomen (de meeste confessionelen stemmen tegen). Een tot op het bot beledigde Pieter Starreveld weigert om het bijschrift weg te hakken; een ander moet daarom dat klusje klaren. Pas in 1950 verrijst het beeld op de beoogde plek. Het duurt tot 1967 voor er eerherstel plaatsvindt: het kunstwerk krijgt alsnog de status van oorlogsmonument en een nieuwe begeleidende tekst verwijst naar de verzetsstrijd.

Marion Golsteijn, Wikipedia

Het Schiedamse naakt is een van de 22 of 23 -de tellingen variëren- oorlogsmonumenten die Pieter Starreveld maakt. Een enorm hoog aantal, maar dat valt bijna weg in zijn totale oeuvre aan nagelaten houten, stenen en bronzen beelden: naar schatting duizend.

Zijn bekendste oorlogsmonument is wellicht Zeeman op de uitkijk, dat te vinden is in de Amsterdamse IJhaven. Het is ook het beeld dat zich zo’n beetje het dichtst bij zijn geboorteplaats bevindt. Zowel in Koog aan de Zaan als in Zaandam staan in de publieke ruimte geen kunstwerken van Pieter Starreveld. Wat dat betreft zijn Amsterdam -zijn woonplaats gedurende zijn jonge jaren- en Amersfoort -waar hij zijn tweede levenshelft woont en in 1989 overlijdt- beter bedeeld. Daar bevinden zich in de buitenlucht meerdere beelden met zijn signatuur.

Wie meer wil weten over Pieter Starreveld; er is een website aan hem gewijd.

Onthulling van Starrevelds Amsterdamse monument voor de gevallenen in de zeevaart, 1949 (Nationaal Archief)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De vergeten oorlogsdoden van Pieter Bon

Onzichtbaar voor de buitenwereld prijken hun namen op een plaquette bij de Zaandamse firma Pieter Bon. Maar in de Zaanse oorlogsliteratuur worden ze niet genoemd. Ze ontbreken ook op een in oktober 1945 door het Sociografisch Bureau van Zaandam opgesteld overzicht van lokale oorlogsslachtoffers. En geen van hen kreeg een vermelding op het plaatselijk monument voor omgekomen verzetsstrijders. De vier medewerkers van Pieter Bon, op gewelddadige wijze gestorven tussen 1940 en 1945, lijken verzwolgen door de geschiedenis. Wie waren zij?

In 1952 bestond oliefactorij Pieter Bon tweehonderd jaar. Dat was uiteraard aanleiding voor een uitbundig feest. En voor de onthulling van een bronzen plaquette in de fabriek, aangeboden namens de werknemers van het Zaandamse bedrijf. De door 350 mensen bezochte jubileumbijeenkomst haalde de kolommen van lokale en landelijke kranten. Daarin ging de aandacht vooral uit naar de aanwezige prominenten en de vele bloemstukken die de jubilaris mocht ontvangen. De namen van de vier voortijdig gestorven mannen op de plaquette bleven ongenoemd, en dat gold ook voor de achtergronden van hun vermelding op het kleine monument.

Foto: G. Plekker

De herinnering op de wandplaat betreft Willem Vaneveld, Hendrik Jacob Weerman, Jan Dirk Hoveling en Petrus Franciscus Smits. Over hen zijn her en der flarden en snippers informatie te vinden. Aan de hand daarvan wordt hieronder een beeld geschetst van dit in de vergetelheid geraakte viertal, allen volgens de plaquette ‘trouwe medewerkers’ van Pieter Bon ‘die in de oorlogsjaren 1940-1945 het hoogste offer hebben gebracht’. In Letty Swarts boek ‘Schipperij op de Zaan’ heet het zelfs dat ze de dood vonden ‘na heldhaftig werk in het verzet’. Maar is dat zo?
Een portret van de slachtoffers maakt het een en ander duidelijk.  

Willem Vaneveld

In zijn boek Zaanstreek in bezettingsjaren noemt Wim Swart veertien Zaankanters die door vijandelijk geweld sneuvelden in de meidagen van 1940. Willem Vaneveld ontbreekt in die rij. Toch werd hij ruim een maand na zijn dood bijgeschreven in het overlijdensregister van Zaandam, ‘oud vier en vijftig jaren, schipper, geboren te  Zoeterwoude en wonende te Zaandam’. Schipper Vaneveld kwam inderdaad in Zoeterwoude ter wereld, op 19 februari 1886. Hij woonde sinds maart 1939 met zijn echtgenote Johanna de Wolf op het Zaandamse adres Schiermonnikoog 96. Vaneveld stierf overigens ver buiten zijn woonplaats, in het Zuid-Hollandse Heinenoord. Op 11 mei, de tweede dag dat de Nederlandse krijgsmacht trachtte het Duitse aanvalsleger te weerstaan, bevond dat dorp zich in de frontlinie. Waarschijnlijk was Willem Vaneveld die dag voor Pieter Bon aan het werk en lag hij met zijn schip in de Oude Maas bij Heinenoord toen het voor hem fatale geweld losbarstte. Vaneveld werd een van de eerste Zaanse oorlogsslachtoffers. Zijn weduwe zou hem ruim veertig jaar overleven.

Hendrik Jacob Weerman

De tweede naam op de plaquette betreft een man die ruim anderhalf jaar na Willem Vaneveld de dood vond. De 28 jaar eerder in het Drentse Odoorn geboren Hendrik Jacob Weerman was, net als zijn collega Vaneveld, binnenvaartschipper voor Pieter Bon. Hij stierf op 21 juli 1941 in Rotterdam. Zijn overlijden werd geregistreerd in de Overijsselse gemeente Zwartsluis, de plaats waar hij ook werd begraven. Wellicht dat de ongehuwde schipper daar voordien ook woonde, maar dat heb ik niet teruggevonden. Hetzelfde geldt voor zijn doodsoorzaak. Zijn naam is terug te lezen op een in 2000 onthuld oorlogsmonument bij de gemeentelijke begraafplaats in Zwartsluis.

Over de twee laatste slachtoffers op de plaquette is meer bekend. “Gedurende de oorlogsjaren werd de onderneming zwaar getroffen. Vier medewerkers kwamen om het leven; twee van hen werden als straf voor hun verzetsdaden gefusilleerd”, schreef Albert Boes in 2007 in het blad Zaans Erfgoed. Hij doelde daarbij, zonder de nadere omstandigheden te duiden, op Jan Dirk Hoveling (Koog aan de Zaan, 5-11-1912) en en zijn negen jaar jongere collega Petrus Franciscus Smits (Dordrecht, 24-10-1921).

Jan Dirk Hoveling

Jan Dirk Hoveling trouwde in november 1936 in Zaandam met Elisabeth Sjollema. Het stel kreeg drie kinderen, maar scheidde in de zomer van 1942. Hoveling woonde op het adres Schiermonnikoog 90, drie woningen van zijn collega Willem Vaneveld. Hij hertrouwde op 25 maart 1943 met Marchje Brunsting, opnieuw in Zaandam. Met haar kreeg hij een dochter. “Mijn vader heeft als matroos van 1938 tot 1941 met als kapitein Kees v/d Meer gevaren voor hij zelf kapitein werd op de Walta”, schreef Hemme Hoveling (1937) in 2020 op een internetforum. De Walta was een zogeheten dekschuittanker.
Het blad De Zwerver plaatste in december 1947 een oproep over deze ‘schipper in dienst van de Oliefactory Piet [sic] Bon Czn. te Zaandam, die op 25 Juli 1944 door de Duitsers gearresteerd werd’. De Zwerver meldde dat Hoveling via Harlingen en Leeuwarden naar Groningen was gebracht, waar hem het Marine Kriegsgericht wachtte. Volgens zijn zoon Hemme werd hij daartoe thuis opgehaald. De Zwerver: “Er zijn aanwijzingen dat Hoveling, die voer op een van de tankschepen waarmede de voorpostboten van de mijnenvegers en Kriegsmarine met gasolie bevoorraad werden, in contact met de illegaliteit heeft gestaan. Vermoedelijk lopen deze draden naar Friesland.” Waar De Zwerver de Friese link op baseerde is een raadsel; er zijn geen aanwijzingen dat Hoveling in die provincie ondergronds actief was. Maar Hoveling zou dus, namens Pieter Bon, olie aan de Duitsers hebben geleverd en tezelfdertijd het verzet van dienst zijn geweest.
In een tweede forum meldde Hemme Hoveling over zijn vader: “Deelnemend aan een verzetsgroep, is hij samen met zijn matroos verraden door een NSB’er en gefusilleerd door de Duitsers.” Welke verzetsgroep het betrof, bleef ongenoemd. De genoemde ‘matroos’ was overigens Petrus Franciscus Smits.

De Zwerver, 12-12-1947

Petrus Franciscus Smits

Er is weinig dat herinnert aan matroos (elders ook wel schipper genoemd) Smits. Op 23 augustus 1944 werd deze twintiger samen met kapitein Hoveling afgeleverd bij de gevangenis van Emden. Op bewaard gebleven documentatie is niet vermeld hoe lang hun straf moest duren. Bijzonder is tevens dat Smits op 7 september alweer zou zijn vrijgelaten. Hoveling bleef vastzitten.
Er zijn wat gegevens over Petrus Franciscus (‘Piet’) Smits terug te vinden op zijn in Duitsland gemaakte overlijdensakte. Dat gebeurde overigens pas drie jaar na de oorlog. Te lezen valt dat hij in Amsterdam ‘an Bord Schiff Walta’ woonde, de tanker waarvan Jan Dirk Hoveling de kapitein was. Op 14 september 1944 -een week na zijn vrijlating- vond Smits de ‘Tod durch Erschiessen’. Die laatste mededeling is niet terug te vinden op Hovelings in 1947 opgemaakte overlijdensakte. Bij hem wordt uitgegaan van een ‘Kriegssterbefall’, een ‘oorlogsdood’. Vast staat echter dat beide mannen op dezelfde dag in Emden zijn geëxecuteerd.

Op 6 september 1944 werd de net over de grens met Groningen gelegen stad Emden als gevolg van geallieerde luchtbombardementen bijna volledig in de as gelegd. De luchtaanval kostte 46 mensen het leven. Wellicht dat de ontsteltenis over de vrijwel totale verwoesting en het zicht op de naderende nazistische nederlaag leidde tot een verdere verharding van de Duitse moraal. Misschien dat daardoor de stap naar nog zwaardere sancties kleiner werd. In totaal stierven er tijdens de oorlog 25 Nederlandse gevangenen in Emden, zij het in de meeste gevallen niet door de kogel. Jan Dirk Hoveling en Piet Smits vonden wel op die wijze de dood. Hun laatste tocht ging naar de schietbaan van Harsweg, een buitenwijk van Emden. 

Overlijdensakte Petrus Franciscus Smits (Nationaal Archief)

 
De Oorlogsgravenstichting legde een dossier aan over Smits. Het omvat 39 pagina’s: veel NAW-gegevens, maar ook een verslag van de lijkschouwing (“Geen schot in het achterhoofd”) en briefwisselingen over de plek waar hij begraven werd. Plus een liefdevol schrijven van zijn verloofde Corrie. Haar brief was op 15 augustus 1944 in Harlingen op de bus gedaan en bereikte Piet Smits dus een paar weken of zelfs dagen voor zijn dood. “We denken hier allemaal dat je weer gauw bij ons zult zijn”, schreef zijn vriendin. “Ik heb zelf ook zoo’n idee, dat je weer gauw bij me bent. Wat zal ik je dan kussen.” Het zou er niet meer van komen. 
 

Fragmenten van een op het lichaam van Smits gevonden brief aan zijn familie, 15-8-1944 (Nationaal Archief)

 
Jacob Seefat
 
Op dezelfde plaats en tijd als de twee opvarenden van de Walta stierf er in Emden nog een Nederlander voor het vuurpeloton. Over Jacob (‘Jaap’) Seefat (1921) weet Tresoar, het Friese archief, te melden dat hij een in Harlingen geboren visser was. Hij woonde daar in de Zuiderstraat 31. Na op 10 juli 1944 te zijn verraden ‘door caféhouder Bokslag van de Zuiderhaven’ arresteerden de Duitsers hem en belandde hij, net als Hoveling en Smits, op 23 augustus 1944 in Emden. Samen met Smits mocht hij op 7 september de cel verlaten, om een week later alsnog de ultieme straf te moeten ondergaan.
Bijzonder is dat uit bewaard gebleven stukken bij het Nationaal Archief blijkt dat Jaap Seefat zijn ouders in Zaandam had opgegeven als contactadres, Van Wessemstraat 69. Die woonden daar sinds september 1942. De naoorlogse correspondentie over zijn lot vond deels plaats met zijn in Westzaan wonende broer. In Jacob Seefats nalatenschap werden meerdere schrijfsels teruggevonden, waaronder enkele handgeschreven afscheidsbrieven. Die waren gericht aan zijn verloofde, zijn ouders en een vriend. Het lijkt er op dat ze nooit werden verzonden. Een paar citaten: “Lieve, beste ouders. Mijn laatste uren ben ik nu aan het tellen, dus moet ik afscheid van jullie nemen. Ik hoop, dat jullie verders gelukkig mogen leven en mij niet vergeten.”
Uit een brief van Seefats Harlingse vriendin Hillie Nielsen komt naar voren dat er een goed contact was met Piet Smits: “Corrie blijft op Pietje wachten. (…) Corrie zegt net, als de jongens weer terug mogen komen, gaan we tegelijk trouwen.” Uit haar laatste brief blijkt dat Hillie wist dat Jaap Seefat en Piet Smits in Emden gevangen zaten: “Vanmorgen heb ik bericht van den advocaat gehad met jullie adres. En ben Corrie en ik er direct mee naar het Hafencommandantur gegaan, of we mochten schrijven. (…) En wat een teleurstelling dat we Dinsdag niet bij jullie mochten, he. We waren ‘s Maandags nog naar Groningen geweest om een papier, dat we jullie éénmaal in de week mochten bezoeken.” Hoewel ze er in slaagden om zo’n document te verwerven, zouden Hillie en Corrie hun verloofdes niet meer zien.     
 

Jacob Seefat (Tresoar)

 
De twee medewerkers van Pieter Bon en Jaap Seefat werden ter dood veroordeeld wegens ‘fortgesetzten gemeinschaftlichen Diebstahls in Tatenheit mit Wehrmittelbeschädigung‘ en op 14 september 1944 gefusilleerd. In stukken van de Oorlogsgravenstichting is te lezen dat visser Jacob Seefat ‘door de Duitsers in Harlingen [is] gearresteerd in een zaak betreffende diefstal en handel in motorbrandstof van de Duitse Weermacht’. Het was dezelfde beschuldiging die Smits en Hoveling ten deel viel.
Pas in 1994 werd duidelijk wat daaraan precies ten grondslag lag. Toen kregen de Zaanse oud-verzetsman Jan Bruin en een zoon van Jan Dirk Hoveling bij het NIOD inzage in een dossier dat veel ophelderde. Het betrof de verslaglegging van een Duits proces tegen 23 personen, onder wie Hoveling, Seefat, Smits en de eerder genoemde Harlingse café-eigenaar Bokslag. “Uit het proces bleek dat het schip van de firma Bon, die de olie vervoerde, gevorderd was door de Duitse marine”, noteerde Jan Bruin. “De naam van het schip werd niet genoemd. Wel die van schipper J.D. Hoveling die samen met J. Seefat ‘zwart’ olie verhandelde aan o.a. vissers uit Harlingen. Hiervoor werd een bedrag van f 1,00 per liter in rekening gebracht. In totaal zijn 2600 liter verhandeld. Uit het verslag bleek ook dat van de genoemde hoeveelheid olie een deel in vaten van 200 ltr. tegen een prijs van f 120,- per stuk werd verkocht. De handel met de olie had plaats in het laatste kwartaal van 1943 en het eerste kwartaal van 1944. Het koffiehuis van Albert Bokslag, Zuiderstraat 31 in Harlingen, werd door de Duitsers gezien als het centrum van de zwarte handel in olie. Ook Jacob Seefat woonde op dit adres. (…) De Duitse machinist Fürst was ook betrokken bij de oliehandel, evenals Petrus Fransiscus [sic] Smits die van beroep schipper was en in Harlingen werd gearresteerd.”
Van de voornoemde mannen werden er vier ter dood veroordeeld. Albert Bokslag kwam er vanaf met vijf jaar tuchthuis. Ook de achttien andere verdachten kregen tuchthuis- of gevangenisstraffen. Sommigen van hen zouden de bevrijding niet meemaken.
 
Plaquette
 
Gezien bovenstaande informatie is het begrijpelijk dat niet alle vier op de Pieter Bon-plaquette genoemden de Zaanse oorlogsliteratuur en/of verzetsmonumenten haalden. Jan Dirk Hoveling ontving -om mij onbekende redenen- postuum een Verzetsherdenkingskruis. Maar zijn graf op het Ereveld in Loenen is geen automatische erkenning van verzetsactiviteiten. Van de ongeveer vierduizend in Loenen begraven mannen en vrouwen was ‘slechts’ een kwart actief in de illegaliteit. Er liggen echter ook militairen en Arbeitseinsatz-slachtoffers. Tot die laatste categorie behoort Jan Dirk Hoveling. Piet Smits kreeg een laatste rustplaats op een ereveld in Osnabrück. Jaap Seefat verhuisde naar een familiegraf in Harlingen. Alle banden met de Zaanstreek ten spijt viel hen vervolgens in deze regio vergetelheid ten deel.
 

Jan Dirk Hoveling (Oorlogsgravenstichting)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Henk Swart uit Oostzaan: geëxecuteerde verzetsstrijder en/of rover?

Tot voor kort dacht ik dat Pieter van den Heuvel de enige Oostzaner was die tijdens de Tweede Wereldoorlog werd geëxecuteerd. Zijn dorpsgenoot Henk Swart onderging echter hetzelfde lot, zij het om heel andere redenen.

Een van de beste Nederlandse boeken over de Tweede Wereldoorlog is mijns inziens De Eerebegraafplaats te Bloemendaal. Verspreid over de 1132 bladzijden van dit in een te kleine oplage uitgegeven standaardwerk zijn verhalen te lezen over de bijna vierhonderd mannen en ene vrouw (Hannie Schaft) die na de bevrijding een laatste rustplaats kregen in het duingebied tussen Overveen en de Noordzee. Vrijwel alle slachtoffers kijken je aan vanaf de pagina’s, dankzij de bijgeleverde portretfoto’s. Slechts een heel enkele keer ontbreekt er een gezicht. Zoals dat van Hendrik Cornelis Swart. ‘Geen foto beschikbaar’ staat er bij zijn verhaal. Er is wel meer niet beschikbaar over deze gefusilleerde Oostzaner. Wat hij precies deed in de oorlog bijvoorbeeld.

Henk Swart kwam op 4 juni 1917 ter wereld in Nieuwendam, een dorp dat vier jaar later onderdeel werd van Amsterdam-Noord. Als peuter verhuisde hij met zijn ouders naar het nabije Landsmeer, als tienjarige kwam hij terecht op Zuideinde A292b in Oostzaan. Binnen die driehoek bleef hij de navolgende jaren rondtrekken. Hij trouwde op 3 juli 1941 in Landsmeer met de drie jaar jongere Geertje Pauli. Een jaar later verhuisde het jonge stel naar Amsterdam, om per 30 augustus 1943 weer te worden ingeschreven op het Oostzaanse Zuideinde A292b. Precies twee maanden eerder werd hun eerste en enige kind geboren, een meisje. Henk Swart verdiende zijn brood als expeditiechef, tuinman, vrachtwagenchauffeur en magazijnbediende, maar hij had ook een Amsterdamse marktkaart. Waarin hij handelde, is mij niet bekend.

Er bestaat overigen wel degelijk een foto van Henk Swart. Die is te vinden op zijn marktkaart en ligt in het Stadsarchief Amsterdam. Hij was nog maar negentien toen de camera hem vastlegde, de periode dat hij in militaire dienst moest. Zijn beste jaren lagen nog voor hem. Ware het niet dat de bezetter alle toekomstplannen doorkruiste.

Hendrik Cornelis Swart, 1936 (Stadsarchief Amsterdam)

In 1944 sloot Henk zich aan bij de plaatselijke Ordedienst. “Later werd beweerd dat hij lid was geworden om zichzelf voordelen te verschaffen, zoals extra voedsel”, schrijven de auteurs van De Eerebegraafplaats te Bloemendaal. “Zonder daartoe opdracht van het verzet te hebben gekregen, pleegde hij, samen met twee anderen, in de nacht van 3 op 4 januari een overval op veehouder Schaft aan het Zuideinde (bij de Kolksloot) in Oostzaan.”

Bovenstaande informatie lijkt afkomstig van een schoondochter van Swarts buurman. Zij was, naar het schijnt, goed op de hoogte van de gebeurtenissen die aan de arrestatie ten grondslag lagen: “Henk Swart is in Oostzaan gearresteerd door [marechaussee Roelof van] Maasdam als gevolg van een overval bij Teun Schaft, veehouder bij de Kolkslootbrug. Daar werd hij herkend door de zoon, Jaap Schaft. Ze waren gemaskerd, maar hij werd door zijn stem herkend. Ze hadden voedsel meegenomen, onder andere vlees, en een bruine leren jas. De jas hing bij hem thuis bij de achterdeur. Hij was wel bij de ondergrondse, maar ging op eigen houtje een overval plegen.”

Getuigenis

De Oorlogsgravenstichting bezat eveneens een getuigenis over de rol die Henk Swart in het laatste oorlogsjaar zou hebben gespeeld. Die werd in 1955 op schrift gesteld door de burgemeester van Oostzaan. Hij had zich op zijn beurt weer laten voorlichten door het voormalige Knokploeglid Cor Flens. “Media 1944 meldde Swart zich bij de O.D., waarvan hij lid werd. Hij was toen reeds in het bezit van een pistool, welk vuurwapen hij op eigen gelegenheid heeft weten te bemachtigen”, schreef de burgemeester. “Spoedig daarna heeft Swart aan Flens te kennen gegeven lid te willen worden van de K.P. omdat daar naar zijn zeggen beter voor eten werd gezorgd dan bij de O.D.” Omdat, volgens Flens, ‘de bedoelingen van Sw. allerminst onbaatzuchtig waren’ werd hij niet tot de Knokploeg toegelaten. “Geheel op eigen houtje pleegde Sw. overvallen en berovingen. (…) Dit optreden werd Swart zijn ongeluk, want na een diefstal van vlees en vet bij een bekende zwart-slachter werd hij gegrepen en door de politie overgeleverd aan de Duitsers.”

Nationaal Archief

Het was een kwestie van uren na de nachtelijke overval voor de door zoon Schaft herkende buurtgenoot werd opgepakt. In opdracht van de Ordnungspolizei verdween Henk Swart korte tijd achter de tralies van het Zaandamse politiebureau. De Sicherheitspolizei haalde hem nog dezelfde dag, 4 januari, op en bracht hem naar het huis van bewaring in Amsterdam.

Veldwachter Roel van Maasdam in 1938 in het gemeentehuis van Oostzaan. Op de deur van de burgemeesterskamer staat: ‘Betreed deze kamer nimmer met vrees’ (Oudheidskamer Oostzaan)

Op vrijdag 5 januari 1945 voerde een knokploeg een aanslag uit op de spoorlijn tussen Amsterdam en Amersfoort. Ter hoogte van de Muiderstraatweg, vlakbij de plek waar het spoor de verkeersweg van Diemen naar ‘t Gooi kruiste, plaatsten de verzetsstrijders springstoffen. Die actie leidde, zoals gebruikelijk bij dergelijke ‘terreurdaden’, tot een vergelding. In de ochtend van 6 januari reed er een auto van de gevangenis aan het Kleine Gartmanplantsoen richting Diemen. In het voertuig bevonden zich vijf geboeide mannen en hun bewakers. Op de Berlagebrug keerde de auto onverwacht. De arrestanten werden teruggebracht naar hun cellen.

Het was uitstel van executie. Diezelfde middag rond 15.00 uur reed de wagen opnieuw naar Diemen, met dezelfde gevangenen. De chauffeur stopte bij de plaats van de aanslag. Commandant Johann Friedrich Stöver leidde de operatie. Hij gaf ook het bevel om de slachtoffers te fusilleren. Een van de acht meegereisde bewakers, Bernardus Swagers, verklaarde tijdens zijn naoorlogse proces dat hij in eerste instantie weigerde om te schieten. Volgens hem reageerde Stöver daarop met de woorden: “Als je niet meedoet, kan je naast de vijf slachtoffers gaan staan.”

Executie

Een bewoner van een tegenovergelegen huis, Tim van Dijk, en zijn op bezoek zijnde zwager Herman Klooster waren getuige van de moord. Ze legden na de oorlog een verklaring af over de werkwijze van de Grüne Polizei. “Ik, getuige Van Dijk, zag dat vijf personen in burger gekleed, op één gelid langs de kant van de weg stonden. Ik ben toen naar de bovenverdieping van bedoeld perceel [Muiderstraatweg 62] gegaan en hoorde dat er intussen werd geschoten. Ik keek uit het raam naar buiten en zag toen dat die vijf in burger geklede personen door elkaar op de grond lagen. Daarna zag ik dat enigen van de Duitsers met in hun bezit zijnde machinepistolen naar de op de grond liggende mensen schoten.”

Na de fusillade vertrokken de daders. De lichamen van de slachtoffers bleven een uur lang onbewaakt liggen. Toen arriveerde er een auto met daarin twee mannen, begrafenisondernemer Johannes Bleekemolen en zijn assistent Pierre van Lee. Zij gooiden de lijken achterin en reden er op 7 januari mee naar het duingebied bij Overveen. Daar werden de doden in een kuil begraven, samen met vijf in Amsterdam gefusilleerde mannen.

Op 1 juni 1945 werden de tien stoffelijke overschotten teruggevonden. In de navolgende dagen identificeerden familileden de slachtoffers, onder wie de weduwe Swart. Negen van de tien mannen kregen in het najaar van 1945 een herbegrafenis op de Eerebegraafplaats in Bloemendaal.

Na de bevrijding markeerde decennialang een houten kruis met de tekst ‘Aan hen die vielen’ de locatie naast de Muiderstraatweg waar de executie plaatsvond. In 2014 kwam daar een gedenksteen bij met de namen van de slachtoffers. Bij de onthulling van het monument sprak de burgemeester van Diemen over de verzetsdaden die ze zouden hebben gepleegd. Ook nu nog vermelden meerdere websites dat de slachtoffers werden opgepakt vanwege ‘illegale activiteiten’. “De een had verborgen Canadezen geholpen, een ander had persoonsbewijzen vervalst”, staat bijvoorbeeld op Oneindig Noord-Holland.

Dat verdient wel enige nuancering. Cornelis van den Brink en Luitje Bakker waren inderdaad actief als verzetsstrijder. De eerste verleende onder meer hulp aan ondergedoken Canadezen, terwijl Bakker zich inzette voor Het Parool, persoonsbewijzen vervalste en onderduikers hielp. Maar van Petrus Marie Pijpers is bekend dat hij lid was van de NSB en als chauffeur werkte bij het Nationalsozialistische Kraftfahrkorps. Ook Marinus Smit was tot 1943, toen hij deserteerde, NSKK-chauffeur. Bovendien pleegde hij voor eigen gewin overvallen op burgers. Om die redenen werden beiden in 1948 weggehaald van de Eerebegraafplaats en elders herbegraven. Ieder jaar herdenkt Diemen bij een aan hen gewijd monument dus twee nationaalsocialisten.

Fragment van een door de Oorlogsgravenstichting gemaakt dossier over Marinus Smit (Nationaal Archief)

De rol van Henk Swart roept vragen op. In 1948 hertrouwde zijn weduwe. Geertje Pauli had drie jaar eerder Oostzaan verlaten en zweeg tot haar overlijden in 1994 over haar gefusilleerde man. Mede daardoor kwamen haar dochter en kleinkinderen weinig te weten over diens rol in oorlogstijd. Waarmee hield hij zich bezig tussen 1940 en 1945? Hoe actief was hij binnen de illegaliteit? En deed hij verzetswerk uit algemeen of eigenbelang? Wie het weet mag het zeggen, liefst via info@schaapschrijft.nl.

Grafsteen van Henk Swart op de Eerebegraafplaats in Bloemendaal

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De laatste wil van Willem Ragut

De Zaandamse politiechef Willem Marinus Ragut leek aan te voelen dat hij het eind van de oorlog niet zou halen. Een half jaar jaar voordat Hannie Schaft en Jan Bonekamp hem liquideerden, stelde hij zijn testament op. “Van mijn overlijden zal op geen enkele wijze ruchtbaarheid te geven zijn.”

Op 21 juni 1944 schoot Hannie Schaft in de Zaandamse Westzijde Willem Marinus Ragut van zijn fiets. Daarna completeerde haar vriend Jan Bonekamp de eliminatie door nog twee schoten op de collaborerende politiechef af te vuren. Tragisch genoeg wist Ragut zich net voor het fatale schot nog één keer op te richten en vijf kogels naar zijn belager te schieten. Dodelijk gewond strompelde Bonekamp weg. De gealarmeerde Zaandamse politie vond hem even later naast een bloemenzaak in de Westzijde. Voor Bonekamp stierf, ontfutselde de Sicherheitsdienst hem gegevens die ook het einde van Hannie Schaft inleidden, op 17 april 1945.

Het was alsof Willem Ragut voorzag dat hij geen vreedzame dood zou sterven. Hoewel hij nog maar 46 jaar oud was, paste hij eind november 1943 zijn laatste wil aan. Die begon met de wens ‘dat bij mijn overlijden -hetzij gewelddadig, hetzij natuurlijk- de navolgende gedragsregels moeten worden gevolgd’. Waarna er een gedetailleerde beschrijving kwam hoe te handelen na zijn dood. Centraal daarbij stond zijn eis dat er geen ruchtbaarheid aan mocht worden gegeven, ‘terwijl onder geen enkele voorwaarde bloemen of anderszins de kist mogen dekken! Mijn lijk zal niet worden “tentoongesteld”, noch voor mijn nabestaanden, noch voor anderen.’ De crematie moest wat hem betrof in alle stilte plaatsvinden, met hoogstens wat familieleden in de omgeving. “Rouwkaarten, doodsadvertenties, bloemen, rouwbeklag en anderszins hebben achterwege te blijven!” Waarom Ragut elke vorm van eerbetoon uitsloot is een raadsel, maar in elke zin benadrukte hij dat dit niet onderhandelbaar was.

Dat hij uitging van een aanslag die zijn leven zou beëindigen, kwam ook verderop in zijn testament ter sprake. “Wanneer mijn dood niet direct is gevolgd op een gewelddadige aanslag, doch dat mijn dood intreedt eenigen tijd na den aanslag en ik in een inrichting moet worden opgenomen, dan zal dit een inrichting zijn, niet gelegen in mijn woonplaats of standplaats.” Het Gemeenteziekenhuis en het St. Jan in Zaandam moesten dus geen plek inruimen voor Willem Ragut. Althans, hij wilde daar niet in levenden lijve verblijven. Nadat zijn dood was geconstateerd, werd Ragut alsnog naar het Gemeenteziekenhuis in de Frans Halsstraat vervoerd. Van daar werd hij korte tijd later overgebracht naar het crematorium.

De NSB en de rijksoverheid respecteerden Raguts wens om aan zijn dood geen ruchtbaarheid te geven. Er verscheen alleen een kort berichtje in het politieblad. “Sluipmoord maakte te Zaandam een einde aan het leven van den Corpschef der Gemeentepolitie, den Kapitein W.M. Ragut. De gevallene heeft in zijn uiterste wil bepaald, dat van zijn dood geenerlei ophef zal worden gemaakt, welke wilsbeschikking wij ook op deze plaats eerbiedigen.” ‘Gelukkig’ kon de dienstdoende redactie op dezelfde pagina wel uitgebreid eer betonen aan drie andere collaborerende politiemannen die in juni 1944 ‘door moordenaarshand’ het leven lieten. Zij waren respectievelijk ‘een lichtend voorbeeld’ en ‘een held’, reden om ze met korpseer ter aarde te bestellen. “Hun eer was: trouw!”

Pas na de oorlog zou de naam van Willem Marinus Ragut in bredere kring bekend worden. Maar dan vooral als het doelwit van Hannie Schaft en Jan Bonekamp, die deze verraderlijke en voor het verzet levensgevaarlijke politiechef met liefde uit de weg ruimden om erger te voorkomen.

De urn met as van Willem Ragut en zijn in 1985 gestorven echtgenote Lydia bevindt zich overigens nog altijd in crematorium Driehuis-Westerveld, ontdekte Eric Wilderom. De weinige stoffelijke resten zijn te vinden in columbarium 3, nummer FF4.

Foto Eric Wilderom

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De raadselachtige liquidatie van mevrouw (De) Haan uit Neck

In Korte metten, mijn boek over de tientallen Zaanse liquidaties, liet ik Neck buiten beschouwing. Dat buurtschap in de voormalige gemeente Wijdewormer hoort nu eenmaal meer bij Waterland dan bij de Zaanstreek. Desondanks knaagt de vraagt: waarom schoot het gewapend verzet nog geen drie weken voor de bevrijding mevrouw (De) Haan dood? En wie was zij eigenlijk?

Het zijn maar een paar zinnen uit een zogenoemd ‘sabotagerapport Waterland’: “Acties tegen SD-agenten en andere provocateurs: Mevr. De Haan, wonende te Neck. J. Otjes, boerenleider in de Beemster. Uit inlichtingen bleek ons dat het hier twee verraders betrof. Beiden in hun woning neergeschoten. Mevr. De Haan direct dood, Otjes later aan zijn verwondingen bezweken. (Eind maart, begin april 1945.)” In een ‘uittreksel sabotagerapport Waterland’ komt de dubbele aanslag opnieuw voorbij: “Eind Maart 1945: Mevr. de Haan, wonende te Neck en J. Otjes, boerenleider in de Beemster, beiden verraders, in hun woning neergeschoten.”
De naam van veehouder Jan Volkert Otjes is bekend. Een buurman op de Westdijk in Beemster, Wouter Sas (1924), sprak in het boek Hoor es hier over zijn eliminatie: “Hij voelde zich al niet lekker hoor, want hij had prikkeldraad om de poort. Er kwamen twee jongens de klugt [kluft?] bij hem neer en die knipten het prikkeldraad los en gingen het erf op. Hij stond net te karnen in de stal. Ze vroegen of ze bij de boerenleider waren. ‘Ja, dat ben ik’, zei ie en het was meteen pats. Hij heeft nog een dag of wat geleefd. Hij is overleden in het ziekenhuis in Purmerend.”

Een door Volkert Otjes ondertekende rouwadvertentie voor een partijgenoot (NSB-blad Volk en Vaderland, 27-7-1942)

Deze NSB’er stond bekend als een fanatieke boerenleider. Kort voor zijn liquidatie had hij nog enthousiast geholpen bij het arresteren van de bemanning van een in de Beemster neergestort geallieerd vliegtuig, alsof de oorlog niet al op zijn einde liep. Dat hij op de dodenlijst van de illegaliteit stond, verbaast niet. Maar wie is toch mevrouw De Haan? Wat had zij gedaan dat de ultieme straf rechtvaardigde? En werd zij gedood op dezelfde dag en door dezelfde verzetsstrijders als Volkert Otjes?

Jan Brasser

Wellicht had ik deze vrouw toch moeten opnemen in Korte metten. In het persoonlijk archief van de Zaanse verzetsleider Jan Brasser, te vinden bij het Amsterdamse Verzetsmuseum, bevinden zich namelijk ook wat aantekeningen over dit slachtoffer. “Betr. Mevr. Haan. Mevr. Haan, wonend in Neck, staat in zeer nauw contact met de Feldgendarmerie uit Oosthuizen en verschaft deze alle mogelijke inlichtingen over de ondergrondse. Zij heeft briefjes van f 100,- op serie, m.i. wel een bewijs dat zij door de D.[uitsers] voor haar activiteit beloond wordt. Ook zij tracht op haar beurt mensen met geld om te kopen om inlichtingen in te winnen over de ‘ondergrondse’.” Was getekend: “Ct. G.S.A. [Commandant Gewestelijke Sabotage Afdeling] Waterland (Oost), Kl. Jan.” Het voor Jan ‘Witte Ko’ Brasser bestemde briefje heeft 23 maart 1945 als datum. Verder bevat Brassers dossier een ‘werkrapport’ d.d. 30 maart 1945 van ‘Kl. Jan’ met daarin de zin: “Woensdag: enkele jongens schaduwden Mevr. Haan.”

Talloze verzetsstrijders gebruikten de schuilnaam ‘Kleine Jan’. Zo had je in Zaandam Jan Gerrit Bruin (‘Klein Jantje’) en in Wormerveer Gerrit A. Gras die dit pseudoniem hanteerden. De Waterlandse Knokploeg beschikte eveneens over een Kleine Jan, de uit het Zuid-Hollandse Berkel en Rodenrijs overgekomen Jan Hensen (1920-2016). Hij was districtscommandant van de GSA-Knokploeg Waterland, en dus de auteur van de GSA-notitie voor Krommenieër Jan Brasser. Die op zijn beurt als algeheel GSA-commandant in Noord-Holland de opdracht gaf om collaborateurs te liquideren.

‘Kleine’ Jan Hensen

Hoogstwaarschijnlijk maakte in ieder geval Meeuwis Huijser (1922-1997) deel uit van het duo dat Otjes doodde. Hij was van 1940 tot 1942 in de leer als sergeant-geweermaker bij de bedrijfsschool van de Artillerie-Inrichtingen in Zaandam, de stad waar hij eind 1942 ook onderdook. De tweede oorlogshelft leefde hij een zwervend bestaan in met name Waterland. Deze wapeninstructeur van de KP-Waterland nam deel aan overvallen, ontvoeringen en eliminaties. In het boek Verzet verwoord vertelde hij daarover: “De opdrachten kregen we dan van Bert [Egbert Snijder] of Kleine Jan. Ik had geen moeite met die liquidaties. Je had geen goed woord over voor die verraders.” Waarna hij een zin wijdde aan ‘een actie tegen een verrader in de Beemster’. Dat kan alleen Volkert Otjes geweest zijn. Over die andere aanslag zweeg Huijser.

Otjes’ zerk staat nog altijd overeind op de Algemene Begraafplaats van Middenbeemster. Zijn sterfdatum was 18 april 1945. Maar van mevrouw (De) Haan is op deze begraafplaats geen spoor te vinden.

Opvallend is dat de illegaliteit deze inwoonster van Neck op de korrel nam. Het gebeurde namelijk zelden dat het gewapend verzet vrouwen elimineerde. Ze werden over het algemeen gezien als veel minder bedreigend dan mannelijke opponenten. Nog opvallender is dat elk bewijs van haar bestaan in de verzetsstukken lijkt te zijn gewist. Haar voornaam, geboortejaar en woonadres zijn daarin een raadsel. En zelfs haar achternaam staat niet vast. De in het vroege voorjaar van 1945 geliquideerde vrouw -ergens tussen 30 maart en 18 april- is in Jan Brassers dossier het lidwoord ‘de’ in haar naam kwijtgeraakt.

Zowel in de burgerlijke stand van Wijdewormer als op de website wiewaswie.nl is geen (De) Haan te vinden die kort na 30 maart 1945 in Neck of elders in Wijdewormer het leven liet. Er woonden daar overigens wel meerdere vrouwen met deze achternaam, al dan niet met lidwoord, maar die komen geen van allen in aanmerking als liquidatieslachtoffer. Het overlijdensregister van Wijdewormer uit dat jaar maakt het raadsel zo mogelijk nog groter. In 1945 blijken er in die gemeente tien mensen te zijn gestorven, vier vrouwen en vijf mannen. Plus, als allerlaatste op de lijst, iemand die staat omschreven als ‘Onbekend’. Die persoon is ook als enige overleden tussen 30 maart en 18 april 1945. Het kan bijna niet anders: dit is mevrouw (De) Haan.

Handgranaat

Of toch niet? Na enige dagen mailt het Waterlands Archief. De dode anonymus betreft inderdaad iemand die een onnatuurlijke dood stierf. Maar dat was geen vrouw. Geen inwoner van Wijdewormer bovendien. En zelfs geen Nederlander. “De onbekende persoon is een Duitse soldaat die doodgeschoten is”, schrijft de archiefmedewerkster. Waarschijnlijk betreft het de man over wie Bram Kemp in zijn boek Wormer, van crisisjaren, oorlogsjaren tot de bevrijding noteerde: “Hij lag in de berm van de Noorderweg bij de Westerdwarsweg. De soldaat had een gat in de borst. Hij had kennelijk zelfmoord gepleegd met een handgranaat.” Even verderop schreef hij heel wat terughoudender over een ander incident in Wijdewormer: “Er is in de buurt ook nog een aanslag gepleegd op een persoon, waarvan [de al lang geleden overleden streekhistoricus] Jo Haller mij de details vertelde. Dat verhaal doet in dit relaas niet te zake.” Die persoon was zo goed als zeker mevrouw (De) Haan.

Trijntje

Tussen de 212 personen die in 1945 in het tegen Neck leunende Purmerend stierven, blijkt één vrouw te staan die voldoet aan bovengenoemde beschrijving. ‘Heden zestien April negentienhonderd vijf en veertig’ begaf zich een ‘aanspreker’ naar de Purmerendse burgerlijke stand om te vertellen dat drie dagen eerder ‘in deze gemeente is overleden de Boer, Trijntje, oud dertig jaren’, meldt een overlijdensakte. Deze Trijntje de Boer was dus behoorlijk jong toen ze stierf. Dat lijkt niet te wijzen op een natuurlijke dood. Ze had geen beroep, kwam op 20 juni 1914 ter wereld in Beets en woonde formeel in Purmerend. En ze had een echtgenoot: Jan Volkert Haan (Beemster, 30-8-1908). Het heeft er alle schijn van dat hiermee de doodgeschoten vrouw is gevonden. Dat haar man dezelfde voornamen had als de eveneens gedode boerenleider Otjes beschouwen we maar als een speling van het lot. Dat de meisjesnaam van haar schoonmoeder ook Otjes was, kan nauwelijks toeval zijn.

Trijntje kreeg een plek in het familiegraf op de Oude Begraafplaats in Purmerend. Daar ligt ze nog steeds, samen met haar negen jaar later gestorven moeder. Die in 1939 ook al haar andere dochter, toen pas 29 jaar, naar de Oude Begraafplaats had moeten brengen.

Link met de Zaanstreek

Afgezien van de rol die Jan Brasser speelde bij de dood van Volkert Otjes en Trijntje Haan-de Boer is er nog een link met de Zaanstreek. Jan Volkert Haan pendelde medio jaren ’30 heen en weer tussen het Noorder Valdeurspad 10 in Zaandam -de plaats waar zijn schoonvader en -zus waren geboren- en een boerderij aan de Noorderweg 91 in Wijdewormer. Uiteindelijk vestigde hij zich in de Purmerlanderpolder, in Neck. Trijntje bleef vooralsnog ingeschreven staan bij haar moeder, ook al een oud-Zaandamse. De weduwe Trijntje de Boer-Middelbeek woonde inmiddels aan de Thorbeckekade 14 in Purmerend.

Op Trijntjes persoonskaart is de route precies te volgen. Trijntje jr. trouwde op 30 april 1936 in Zaandam en ging met Volkert wonen op het hem zo bekende Noorder Valdeurspad 10. Per 19 januari 1940 werden ze ingeschreven op het Purmerendse adres Ringdijk 4. Drie jaar later was er weer een verhuizing, dit keer naar de Zuiderpolder 2. Dat zou Trijntjes laatste woning worden. Een kleine twee jaar later vond ze een gewelddadige dood. Het was een schokkende gebeurtenis die de gecensureerde kranten niet haalde en niet leidde tot nazistische represailles. Zo verdween Trijntje Haan-de Boer op 30-jarige leeftijd uit beeld, om er tot het verschijnen van dit stuk nooit meer in terug te keren.

Ik houd me overigens via info@schaapschrijft.nl aanbevolen voor informatie die het leven en de dood van Trijntje Haan-de Boer verder kunnen inkleuren.

Update (14-4-2021)

Soms volgt de aanvullende informatie snel. Al op de dag dat ik bovenstaand artikel plaatste, reageerde een inwoner van Wijdewormer. Hij had vernomen dat Trijntje Haan-de Boer was geëlimineerd, omdat ze ‘een vergadering  van de ondergrondse op de boerderij van Kramer aan de Kanaaldijk had verraden’. De naam Kramer gaf voldoende houvast om verder te zoeken. 

Piet Kramers boerderij  aan de Kanaaldijk 53 was de uitvalsbasis van de lokale BS-groep. Er werden wapentrainingen gegeven, vergaderingen belegd en onderduikers gehuisvest. Op 28 februari 1945 kwamen de BS’ers er bijeen om ingeënt te worden tegen tyfus. Het was er die dag een komen en gaan. Twee leden die in de buurt fietsten, Tom Segers  en Jaap Vermeulen, zagen hoe zeventien Duitse militairen de boerderij omsingelden. De twee slaagden er zelf in om weg te komen. Anderen waren minder gelukkig. De broers Jan en Paulus Conijn (28 en 18) bijvoorbeeld, die ook net aan kwamen lopen. Tom Segers: “Een mof gaat naar hen toe. Ausweis. Ze hadden niks bij zich. Mitkommen. En ik had gezegd: ‘Zie weg te komen’. Dat ze niet het land in gevlucht zijn, begrijp ik nog niet.”

Ook in de boerderij vielen veel BS’ers in handen van hun vijand. In totaal werden twaalf mannen afgevoerd naar de Sicherheitsdienst in Amsterdam. Van hen zou er slechts één worden vrijgelaten, dankzij een perfect vervalste Ausweis en een stug volgehouden verhaal waarin hij zijn onschuld bepleitte. De anderen werden op 8 maart in Amsterdam gefusilleerd, een represaille voor een aanslag op SS-generaal Hanns Albin Rauter. 

Kanaaldijk 53, Wijdewormer

Tom Segers

Tijdens een interview met het Wijdewormer Journaal in 2012 vertelde Tom Segers over zijn ervaringen op 28 februari 1945. “Er is later een vrouw geliquideerd met naar men zegt een kogel voor iedere opgepakte man”, zei hij bij die gelegenheid. “Zij werd verdacht van verraad, maar ik heb ook een andere naam uit Purmerend gehoord als mogelijke verklikker.”

In een door hem in 1995 geschreven en in eigen beheer uitgegeven brochure hield Jan Dekker geen slag om de arm. “Er woonde een vrouw dicht bij Neck aan het begin van de Wijdewormer. Deze vrouw heette De Haan en zij kreeg veel bezoek van Duitsers uit de omgeving. (…) Deze vrouw van het ergste soort had de Duitsers gewaarschuwd dat er geregeld jongens naar de boerderij van Kramer gingen.” Volgens Dekker stond Trijntje Haan regelmatig op de brug bij Neck de omgeving te observeren. “Niemand wist eigenlijk waarom ze dat deed. Dat kwam later uit. Eerst wist men ook niet dat er Duitsers bij haar kwamen. Ze woonde namelijk heel eenzaam aan een dijk. Tot één van de jongens uit de knokploeg van Jansen en Van Keulen erop werd gewezen haar in de gaten te houden. Maar helaas, ze waren al te laat.” 

Jan Dekker kon het weten. Zijn vader, Klaas Dekker, zat tot over zijn oren in het Waterlandse verzet. “Ongeveer een week later kwam op een avond de knokploeg van [carosseriebouwer] Jansen en [veearts Aart] van Keulen bij ons [op de hoeve Marialust aan de Noorderweg in Wijdewormer]. Er werd besproken wat hun eerste taken waren en toevallig stond ik erbij. De commandant had alles uitgelegd over mevrouw De Haan en waarom zij moest worden doodgemaakt. Maar er mocht niet worden geschoten. Dus ze moest worden gewurgd of met het mes gedood. Er was er een die direct zijn hand omhoog stak. Deze heeft zijn taak keurig volbracht.”

De ‘sabotagerapporten’ maken duidelijk dat er toch is geschoten. Hoe dan ook, Trijntje Haan-de Boer stierf op 13 april 1945 een roemloze dood.  

(Met dank aan het Waterlands Archief, Greet Plekker, Cor Bakker en Alex Vallentgoed)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De acht verzetsstrijders van Gouwpark

Enkele jaren na de bevrijding kreeg Zaandam haar eerste verzetsstrijdersbuurt. George Jambroes, Jacob Goris, Henk Op den Velde, Dirk de Korte, Walraven van Hall en Willem Brinkman werden in Zaandam-Zuid herdacht met een straatnaam. In de loop der jaren kwamen er nog enkele straten bij (Cor Geugjes, Gerrit Groot, Dirk Kleiman, Jan Bonekamp). Plus een brug, ter ere van Anton de Kom. Met de vernoeming, in 2021, van acht verzetsmannen -de vrouwen blijven vooralsnog buiten zicht- in de nieuwe Zaandamse woonwijk Gouwpark is er in één klap bijna een verdubbeling van het totaalaantal. Hieronder de mini-monografieën van de nieuwkomers in het straatbeeld.

Gerhardus (Ger) Docter

Schoten, 1-3-1917 – Overveen, 23-2-1944

Sportinstructeur Ger Docter maakte in de meidagen van 1940 deel uit van een regiment Jagers. Het gevolg was dat hij in het late voorjaar van 1943 een oproep kreeg om zich, net als tienduizenden andere oud-militairen, te melden voor krijgsgevangenschap in Duitsland. Docter weigerde. Hij probeerde te ontsnappen naar het neutrale Zwitserland, maar werd daar bij de grens gearresteerd. Een veroordeling tot vier maanden cel wegens illegale grensoverschrijding en deviezensmokkel volgde. Na vier weken wist hij te ontsnappen en – merendeels lopend – terug te keren naar Zaandam. Eind 1943 zocht hij aansluiting bij de verzetsgroep Koog-Bloemwijk. Hij nam deel aan overvallen, bracht geallieerde vliegers naar een onderduikadres en zorgde voor wapens. Ook was hij betrokken bij een (mislukte) poging om de van collaboratie verdachte Zaandijkse distributieambtenaar Willem Korf te liquideren.
Ger Docter legde ook contact met een vermeende verzetsstrijder die vertelde wapens te kunnen leveren. Hij wist niet dat deze Gerard van Bree als verrader voor de Sicherheitspolizei opereerde. Op zaterdagmiddag 22 januari 1944 vond er in een koffiehuis tegenover het Zaandamse treinstation een ontmoeting plaats tussen Van Bree en enkele leden van de verzetsgroep Koog-Bloemwijk. Een Sipo-commando arresteerde Docter. In de navolgende dagen werden er meer illegalen uit deze groep opgepakt. Een maand later sprak het Polizeistandgericht in Amsterdam tegen zeven van hen de doodstraf uit.
Op 23 februari 1944 werden de veroordeelde verzetsstrijders van de gevangenis aan de Amsterdamse Weteringschans overgebracht naar de duinen bij Overveen en daar doodgeschoten. Na de oorlog kregen Ger Docter en enkele andere lotgenoten een laatste rustplaats op de Eerebegraafplaats in Bloemendaal.

Albert (Ab) Huisman

Zaandam, 6-7-1918 – Vught, 25-7-1944

In november 1943 ontdekte de communistische verzetsvrouw Francisca de Munck-Siffels dat haar echtgenoot een relatie had met haar zuster. Een woedende Francisca reisde van Zaandam naar het hoofdkantoor van de Sicherheitsdienst in Amsterdam. Daar gaf ze haar ondergedoken man aan. Na wat Duitse aandrang verraadde ze vervolgens ook tal van andere (al dan niet vermeende) communisten. In de nacht van 22 op 23 november reden enkele SD’ers met hun nieuw verworven informatiebron door Zaandam en lieten haar ‘verdachte’ adressen aanwijzen.
Albert Huisman behoorde tot de eersten die werden opgepakt. Hij was, wist zijn verraadster, een van de leiders binnen de Zaandamse tak van de illegale Communistische Partij Nederland. Hoewel hij een pistool trok om zich te verdedigen tegen de overvalploeg die zijn woonboot bestormde, zag de kolenhandelaar al snel in dat hij kansloos was. Hij gaf zich over en werd geboeid afgevoerd naar de gevangenis aan de Amsterdamse Weteringschans. In de navolgende weken onderging hij uiterst gewelddadige ondervragingen. De Sicherheitsdienst wist dat Ab Huisman wapens bezat, aanslagen pleegde en betrokken was bij ondergrondse bladen en de aanzet tot de Februaristaking. Hij had dan ook geen schijn van kans om de doodstraf te ontlopen.
Die werd, na een showproces, op 25 juli 1944 voltrokken in kamp Vught. Een vuurpeloton maakte in de vroege ochtend een einde aan het leven van Ab Huisman, zijn kameraad Josephus Swolfs en de Amsterdamse verzetsman Willem van der Burgh. In een afscheidsbrief aan zijn vrouw bleek Huisman nog steeds even weerbaar: “Blijft een strijdster, een Kenau voor vrijheid en recht en voed ook onze kinderen in die geest op.”

Machiel (Giel) van Marle

Zaandam, 8-4-1915 – Limmen, 6-4-1945

Zeemilicien/marinematroos Giel van Marle maakte deel uit van het gezelschap dat een aantal leden van het koninklijk huis op 12 mei 1940 vergezelde naar Velsen. Van daar maakten prinses Juliana, prins Bernhard en hun dochters de oversteek naar het veiliger geachte Groot-Brittannië. Na de capitulatie van de Nederlandse krijgsmacht werd Van Marle bedrijfsleider en mede-eigenaar van een handelsonderneming in Koog aan de Zaan. Toen hij eind april 1943 het bevel kreeg om zich als voormalig militair in Duitse krijgsgevangenschap te begeven, dook hij onder.
In de zomer van 1944 sloot hij zich aan bij een Zaandamse Knokploeg. Die werd enkele maanden later opgenomen in de Binnenlandse Strijdkrachten. Als BS’er beschermde hij onder meer opgeslagen goederen van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers. Hij werd plaatsvervangend groepscommandant, deed mee aan ‘economische kraken’ en aan spoorwegsabotage. En hij verzamelde voor de ondergrondse inlichtingendienst informatie over collaborerende Zaankanters.
Toen Van Marle op 13 maart 1945 wat rapporten en tekeningen wegbracht, werd hij net voor de avondklok inging aangehouden bij de Zaandamse Ooievaarstraat. Een fouillering leidde tot de vondst van de illegale documenten. Toen kort daarna in zijn werkplaats ook nog wapens en munitie werden aangetroffen, was zijn lot bezegeld.
Nadat op 5 april 1945 enkele leden van de Binnenlandse Strijdkrachten in Limmen een Duitse soldaat neerschoten, bestond de Duitse wraak niet alleen uit het in brand steken van de boerderij waar het incident zich had afgespeeld, maar ook uit het ombrengen van tien ‘Todeskandidaten’. Onder wie Van Marle. Twee dagen voor zijn dertigste verjaardag werden hij en negen andere gevangenen op een weiland naast de nog smeulende boerderij in Limmen gefusilleerd en vervolgens begraven in het duingebied bij Overveen. In de tweede helft van 1945 kreeg Giel van Marle een herbegrafenis op de Eerebegraafplaats in Bloemendaal.

Pieter Adrianus (Piet) Smit

Koog aan de Zaan, 25-9-1913 – Berlijn, bij vliegveld Tegel, 4-6-1943 

Geen Zaanse illegale organisatie had tijdens de Tweede Wereldoorlog zoveel slachtoffers te betreuren als de zogenoemde Stijkelgroep. Piet Smit was een van hen. De strafdossiers van de deelnemers aan de Stijkelgroep – de benaming kwam van de Duitse rechtbank – gingen verloren, maar duidelijk is dat deze Zaandamse machinebankwerker al in de nazomer van 1940 volop weerstand bood aan de vertegenwoordigers van het Derde Rijk. Hij verzamelde onder meer informatie over de militaire stellingen bij Den Helder en IJmuiden. Die gegevens waren bedoeld voor de inlichtingendiensten in Groot-Brittannië.
Het onervaren samenwerkingsverband kreeg al snel te maken met infiltranten en verraders. Dat leidde begin 1941 tot een reeks arrestaties in met name de Zaanstreek en Den Haag. Tientallen verdachten belandden in de Scheveningse gevangenis (door de illegaliteit ‘Oranjehotel’ genoemd), onder wie Piet Smit. Hij maakte daar als afleiding tekeningen van zijn directe omgeving. Ze bleven bewaard en bevinden zich nu in het Zaans Museum.
Een jaar na hun arrestatie werden de verdachten overgebracht naar een gevangenis in Berlijn. Op spionage stond in het Duitsland van Adolf Hitler maar één sanctie: de doodstraf. In de nacht van 4 juni 1943 kwam een Feldwebel de veroordeelden vertellen dat ze een paar uur later gefusilleerd zouden worden. In een overvolle gevangeniswagen werden ze ’s morgens naar de executieplaats in Berlijn-Tegel gereden. Onderweg zongen ze het Wilhelmus. Op de plaats van bestemming aangekomen werden ze één voor één doodgeschoten. Om 10.10 uur was Piet Smit aan de beurt, als een van de laatsten. Zijn naam is terug te vinden op het monument voor de Stijkelgroep dat zich op de Haagse begraafplaats Westduin bevindt en op het oorlogsmonument in het Koogerpark.

Josephus (Sjef) Swolfs

Zaandam, 8-5-1915 – Vught, 25-7-1944

Sjef Swolfs behoorde tot dezelfde communistische verzetsgroep als Albert Huisman, Jacob Willemszoon en Cornelis Zwart. Als werknemer van de Artillerie-Inrichtingen kon hij wapens en springstoffen van het fabrieksterrein smokkelen. Ze werden gebruikt bij sabotageacties tegen de bezetter. Swolfs deed daar zelf ook volop aan mee. Bij de arrestatiegolf die volgde op het verraad door zijn partijgenote Francisca de Munck-Siffels ontsprong hij in eerste instantie de dans. Hij wist zelfs nog de handgranaten, munitie en explosieven in veiligheid te brengen die de wel opgepakte Ab Huisman bij zijn woonboot had opgeslagen. Met medeweten van zijn vrouw verborg hij de wapens achter hun huis op de Zuiddijk. Twee weken later, op 8 december 1943, slaagde een voor de Sicherheitsdienst werkende vertrouwensman er met een list in om het echtpaar Swolfs alsnog achter de tralies te krijgen.
Lien Swolfs zou negen maanden blijven vastzitten. Haar echtgenoot werd via gevangenissen in Amsterdam, Amersfoort, Utrecht en Scheveningen afgevoerd naar kamp Vught. In de rechtszaak tegen de opgepakte verzetsstrijders waren de ernstigste beschuldigingen gericht tegen Huisman en Swolfs. Het verspreiden van antifascistische propaganda, wapenbezit, sabotage, lidmaatschap van de verboden CPN, het voorbereiden van dodelijke aanslagen; op vrijwel elk van de genoemde daden stond de zwaarst mogelijke straf.
Kort voor zijn terechtstelling wist Sjef Swolfs nog enkele brieven naar Zaandam te sturen. “Ik zal blijven hopen op het beste en hoop dat ook jij het hoofd niet zal laten hangen”, schreef hij aanvankelijk naar zijn vrouw. Na de rechtszaak wist hij dat er geen ontsnapping mogelijk was. “Lieve schat, blijf niet piekeren en treuren om iets wat nu eenmaal zo moet zijn”, probeerde hij op zijn sterfdag Lien per brief moed in te spreken. Even later werd hij naar het executiepeloton in het nabijgelegen bos gevoerd, in het besef dat hij zijn gezin met twee jonge kinderen nooit meer zou zien.

Cornelis (Cor) van Vugt

Amsterdam, 25-7-1905 – Vught, 4-9-1944

In hetzelfde kamp waar Sjef Swolfs en enkele andere plaatsgenoten van hem de dood vonden, stierf op 4 september 1944 ook Cor van Vugt. De bezettingsautoriteiten en hun handlangers waren in paniek; in hoog tempo naderden geallieerde troepen de Nederlandse grens. In de hectiek rond Dolle Dinsdag deporteerden de Duitsers duizenden gevangenen vanuit kamp Vught naar Duitsland. Honderden anderen werden in de voorafgaande weken naar de fusilladeplaats bij het kamp geleid en daar geëxecuteerd. Onder wie dus ook Cor van Vugt, net als Swolfs een werknemer van de Artillerie-Inrichtingen.
Van Vugt was actief voor de Persoonsbewijzensectie van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers. Hij verspreidde gestolen en vervalste bon- en distributiekaarten. Ook boden zijn vrouw en hij in hun woning aan de Acaciastraat onderdak aan twee joodse onderduikers. Deze moeder en dochter mochten daar zelfs blijven toen Johanna Maria van Vugt in april 1943 het leven schonk aan een zoon.
Ruim een jaar later ging het mis. De groep waarvan Cor van Vugt deel uitmaakte, bleek te zijn geïnfiltreerd door een vertrouwensman van de Duitsers. Van Vugt en zijn verzetscollega Hendrik van Wilgenburg werden gearresteerd in het Amsterdamse kantoor waar de Persoonsbewijzensectie was ondergebracht. Nadat Cor van Vugt was opgepakt, doken zijn gezinsleden onder in een kippenhok op de Veluwe. Zij overleefden de oorlog, en dat gold ook voor hun twee joodse kostgangers. Hun gastheer en Hendrik van Wilgenburg werden een kleine drie maanden later tegelijkertijd doodgeschoten, om 19.30 uur.

Jacob (Jaap) Willemszoon

Urk, 15-2-1894 – Neuengamme, 3-1-1945

De arrestatieploeg die in de nacht van 22 op 23 november 1943 op jacht ging naar Zaanse verzetsstrijders begon in de Havenbuurt. Daar haalden ze Jacob Willemszoon uit zijn arbeidershuisje in de Rigastraat. Zijn verraadster, Francisca de Munck-Siffels, kende hem als buurtgenoot en als bezorger van de verboden krant De Waarheid.
Ondanks zware mishandelingen weigerde Jacob Willemszoon in gevangenschap namen van andere illegalen te noemen. Hoewel deze gedrongen bijna-vijftiger niet veel meer te verwijten viel dan zijn marxistische voorkeur en het bezorgen van wat ondergrondse blaadjes riep zijn principiële houding enorme irritatie op bij de Sicherheitsdienst. Zijn gefrustreerde ondervrager liet noteren dat hij ‘een verstokte leugenaar’ tegenover zich had. Geestelijk was Willemszoon niet te breken. Terug in de cel zei hij tegen zijn medegedetineerden dat hij zijn beulen weinig kwalijk nam: “Van die mannen is het onmacht. Ze slaan het er bij mij alleen maar dieper in. Haat heb ik niet eens tegen ze, alleen medelijden.”
Jacob Willemszoon kreeg een langdurige gevangenisstraf en belandde in kamp Amersfoort. Van daar werd hij in oktober 1944 doorgevoerd naar het zuidoostelijk van Hamburg gelegen concentratiekamp Neuengamme. De omstandigheden daar waren zo slecht dat hij er op 3 januari 1945, verzwakt door ondervoeding en dwangarbeid, het leven liet.

Cornelis (Cees) Zwart

Alphen aan de Rijn, 12-2-1895 – Ravensbrück, 22-4-1945

Van Cornelis Zwart is bekend dat hij samen met een aantal andere (vermeende) communisten en zijn echtgenote Johanna in de nacht van 22 op 23 november 1943 werd gearresteerd. Een overvalploeg haalde hen uit hun huis en zette hen gevangen in Amsterdam. Daar ondergingen ze indringende verhoren. Het echtpaar bekende exemplaren van De Waarheid te hebben verspreid, af en toe een scholingsavond van de ondergrondse Communistische Partij Nederland te hebben bijgewoond en daartoe ook hun woning aan de Nassaustraat te hebben opengesteld. Ook hadden ze geld ingezameld voor onderduikers. Dat was voldoende om Cees Zwart via Durchgangslager Amersfoort in december 1944 af te voeren naar concentratiekamp Neuengamme. Johanna werd naar kamp Ravensbrück gedeporteerd.
De genadeloze ontberingen in Neuengamme maakten dat de Zaandamse timmerman snel verzwakte. Van de 106.000 mensen die in dit concentratiekamp belandden – onder wie zevenduizend Nederlanders –, kwam ruim de helft om het leven. In de eerste maanden van 1945 werd het kamp ontruimd in verband met de naderende geallieerde troepen. Cees Zwart kwam net als zijn echtgenote terecht in Ravensbrück. Daar stierf hij volgens zijn dossier door ‘zwakheid en ziekte’.

Boekje

Ter gelegenheid van de vernoeming van deze acht mannen hebben de Contactgroep Verzetsgepensioneerden 1940-1945 Zaanstreek-Waterland en het Zaans Verzet een boekje (44 pagina’s) laten maken, bestemd voor de nieuwe bewoners van Gouwpark. Het bevat, naast bovenstaande mini-monografieën, onder meer een verhaal over het Zaans verzet, een voorwoord van burgemeester Jan Hamming en een door Barbara van Marle gemaakt kunstwerk. Wie niet in Gouwpark woont en toch De verzetsstrijders van Gouwpark wil ontvangen, kan de publicatie bestellen door overmaking van €10,- per exemplaar naar bankrekening NL34 ASNB 0708 0043 26 ten name van Erik Schaap (onder vermelding van ‘Gouwpark’ en het adres waar het boekje heen moet). De opbrengst komt ten goede aan de Werkgroep Struikelstenen Zaanstad. 

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag