Exil-poëzie van Johanna Petersen

De Duitse familie Petersen verliet in 1934 hun vaderland en belandde in Zaandam. Moeder Johanna (‘Henny’) Petersen-Stock (14-4-1888) had als joodse niets meer te zoeken in nazi-Duitsland en ook -de niet-joodse- vader Jacob Willy Heinrich (1-2-1895) ging daar als sociaal-democraat en Esperantist een weinig rooskleurige toekomst tegemoet. Het gezin (vader, moeder, twee dochters) kwam heelhuis door de oorlog, al had Henny Petersen wel te lijden onder de jodenvervolging. Op 16 mei 1939, een jaar voor de Duitse inval in Nederland, schreef ze onderstaand gedicht. Het is hier overgenomen met toestemming van haar dochter Barbara:

WIR SIND BESTIMMT ZU WANDERN

Das Leben wurde einfach

Und darum ist es schön.

Zwar welkten viele Worte:

Was heisst: “Nach Hause gehn”?

Wir lernten fremde Sprache.

Wir lernten arm zu sein.

Und wenn die Kinder satt sind,

Schlafen wir dankbar ein.

Doch deine starken Hände

Helfen uns so gut.

Sie sind wie Holz und Eisen,

Das Obdach um uns tut.

Sie biegen unablässig

Am Gitter unsrer Not.

Sie bringen was wir brauchen

Und brechen unser Brot.

Wir sind bestimmt zu wandern,

Am Wege zu vergehn,

Und fern am Wüstenrande,

Den Tempel noch zu sehn.

Und werden wir verwehen,

Wie Löwenzahn im Wind,

Am Firmament steht: “Ewig”,

Wo wir zusammen sind.

Und sterben wir im Wandern,

Geschlecht, das Gott nicht glich.

Wir bleiben wie ein Sternbild,

Die Kinder, du und ich.

Scan0012
Henny en Hein Petersen met hun dochters Barry en Conny voor hun woning aan de Zaandamse Jan Steenstraat 3 (jaren dertig)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Het laatste restje ethiek van Anton van der Waals

De Zaandamse wiskundeleraar en verzetsman George Louis Jambroes vlucht in het najaar van 1941 naar Engeland, waar hij in maart 1942 aankomt. De Nederlandse regering in ballingschap besluit hem in te zetten als geheim agent. Jambroes moet leiding gaan geven aan de opbouw van een ondergronds leger in zijn vaderland. Maar wanneer hij in de nacht van 26 op 27  juni per parachute wordt gedropt in de buurt van Steenwijk wacht hem daar een onaangename verrassing. De Sicherheitsdienst blijkt als gevolg van het zogenaamde Englandspiel op de hoogte van zijn komst en arresteert hem onmiddellijk na zijn landing. Het is het begin van een kat- en muisspel, waarvan onder andere een onschuldig joods meisje bijna het slachtoffer wordt.

Na diens gevangenname onderzoekt de Sicherheitsdienst Jambroes’ kleding. Ze vinden een briefje met daarop drie adressen waar de agent zich kan melden na zijn terugkeer in Nederland. De Zaandamse apotheek van Henny Eskens-Krabbé staat er ook tussen. SD-voorman Joseph Schreieder redeneert dat de (illegale) Ordedienst wellicht via een van de genoemde adressen contact zal zoeken met de gedropte agent en besluit om Anton van der Waals, de man die Jambroes kort daarvoor zo verraderlijk verwelkomde op Nederlands grondgebied, naar Zaandam te sturen. Schreieder wil dat deze voor de Duitsers werkende verrader uitvindt of de illegale Ordedienst bemoeienis heeft met een van de vrouwen die in Jambroes’ ‘operational order’ genoemd worden als OD-contactpersonen.

Onbewust helpt de gevangenzittende leraar zijn cipiers een handje. Hij mist zijn echtgenote enorm en vraagt Schreieder of haar een brief kan worden bezorgd. De Kriminaldirektor gaat gretig in op het verzoek. “Na de arrestatie bemerkte ik dat deze Jambroes een zeer bekende persoonlijkheid was te Zaandam. (…) Hierdoor ontstond het gevaar dat juist door deze bekendheid het uit zou lekken dat hij gevangen was. Ik heb Jambroes toen een tweetal brieven laten schrijven, beide gericht aan adressen te Zaandam. Van één weet ik nog dat hij gebracht moest worden bij een apotheker. De andere kan ik mij niet meer herinneren. Door mijn V-Mann Van der Waals heb ik deze brieven laten bezorgen, met de boodschap dat Jambroes goed was aangekomen, doch zelf niet kon komen”, schrijft Schreieder later in zijn memoires. Het geeft hem een unieke kans om zonder veel risico’s informatie te verzamelen. “Toen nu Jambroes mij vroeg of hij via die apotheek aan zijn vrouw mocht schrijven, stemde ik daarin dadelijk toe, omdat ik daardoor de mogelijkheid had om te controleren of er nog van andere zijde geprobeerd werd contact met hem te krijgen.”

Van der Waals reist met de brieven op zak naar Zaandam. Vanaf het station wandelt hij in een kwartiertje naar de woning van Guusje Jambroes, Apolloplantsoen 11. Ze is niet thuis. De Vertrauensmann steekt daarop de straat over en belt aan bij Schubertstraat 2, vijftig meter verderop. Henny Eskens-Krabbé doet de deur open. “Ik kom van een oude vriend die al anderhalf jaar weg is”, zegt Van der Waals. Het is een codetekst. De apothekeres realiseert zich onmiddellijk over wie hij het heeft. De slanke man tegenover haar maakt een nette indruk. Ze nodigt hem uit om binnen te komen, een invitatie waaraan hij graag gehoor geeft. Er blijkt nog iemand in huis te zijn, een jonge vrouw, maar Henny Eskens stelt de bezoeker op zijn gemak. De vrouw in de huiskamer is George Jambroes’ zuster Elizabeth, die toevallig op visite is. Van der Waals maakt zich bekend als ingenieur De Wilde en overhandigt het door Jambroes geschreven briefje dat ‘brenger dezes’ betrouwbaar is. Hij legt uit dat Jambroes en hij zijn gedropt met een boodschap van de regering in ballingschap. De ‘ingenieur’ vertelt over zijn opdracht -het opbouwen van een landelijk opererende, ondergrondse organisatie- en een op handen zijnde invasie, de komst van nog meer geheim agenten en zijn zoektocht naar opvangadressen voor deze parachutisten.

Onderduikster

Het valt Van der Waals op dat een van de twee kleine meisjes in huis Henny Eskens-Krabbé aanspreekt met ‘tante’. Dat is zeker een joods kindje, vraagt hij. Haar pleegmoeder antwoordt bevestigend. “Ze had de kleine onderduikster zelfs voor haar beste vrienden verborgen gehouden, maar tegenover deze prettige ‘agent’ uit Engeland was ze plotseling openhartiger dan anders. ‘Ik beschik over goede verbindingen’, improviseerde Van der Waals. ‘Meld het mij gerust als er nog meer joden in uw kennissenkring zijn, dan kan ik hen ook helpen. Nee, nee, dat kost niets. Deze mensen zijn al zo zielig, wij doen dat graag’”, verwoordt Jelte Rep de ontmoeting in zijn boek Englandspiel.

Het bewuste joodse meisje is de 8-jarige Hanna Jacobson. Eerder die maand is ze ondergebracht bij de Zaandamse apothekeres, die haar en haar ouders kort daarvoor heeft ontmoet op een verjaardagsfeestje in Amsterdam. Daar was het gezin ingekwartierd bij Maarten Krabbé (de vader van de latere acteur Jeroen Krabbé), nadat het eerder hun woonplaats Blaricum had moeten verlaten. Hanna’s moeder duikt elders onder, haar vader meldt zich vrijwillig voor Westerbork. Voor Hanna’s komst naar de Zaandamse Schubertstraat geeft Eskens-Krabbé als verklaring tegenover nieuwsgierige buitenstaanders dat het meisje uit het twee jaar eerder gebombardeerde Rotterdam komt. Haar vader is zogenaamd zeeman, haar moeder ziek en hulpbehoevend. Dit alibi geeft Hanna de mogelijkheid om relatief rustig de oorlog uit te zitten. Ze krijgt thuis les van Chris Coté, een in het Zaanse verzet actieve onderwijzer uit de buurt, en kan zelfs gewoon op straat spelen.

Ter afsluiting van het bezoek stelt Anton van der Waals zijn gastvrouw voor om aan Jambroes’ echtgenote te vragen een koffer met warme kleding klaar te zetten in een kluis op het Amsterdamse Centraal Station. Daartoe is ze uiteraard bereid. Ze geeft hem het adres van Guusje, die met haar moeder en zoon Erik in hotel De Wageningse Berg logeert, en vraagt wat bedenktijd voor zijn verzoek om parachutisten onder te brengen. De twee spreken af elkaar korte tijd later te ontmoeten in het Amsterdamse Café Americain. Joseph Schreieder is tevreden over het werk van zijn ondergeschikte. Hij geeft Van der Waals opdracht om naar Wageningen te gaan en contact te leggen met Guusje Jambroes.

Die ontmoeting verloopt al net zo soepel als met Henny Krabbé. Ingenieur De Wilde weet ook haar vertrouwen te winnen. Hij herhaalt zijn fantasie over de gezamenlijke dropping en de komende geallieerde invasie. Guusje ontvangt ƒ500,- en de door haar man geschreven brief. Helaas kan hij haar om veiligheidsredenen niet vertellen wanneer George en hij in Nederland zijn geland en waar haar echtgenoot zich momenteel bevindt, excuseert De Wilde zich. Hij stelt voor dat Guusje een brief schrijft aan haar man en geeft haar daartoe een adres. Na ook bij haar te hebben geluncht vertrekt de man met de dubbele agenda, Guusje Jambroes blij achterlatend met het eerste levensteken van haar man in driekwart jaar tijd. In Zaandam informeert Henny Krabbé verzetsman Chris Coté over haar ontmoeting met de aardige ingenieur De Wilde en vraagt hem of hij geen joodse onderduikers kent die het onveilige Nederland willen verlaten. Coté is argwanend en adviseert haar om niet verder in zee te gaan met de hem onbekende man. Hij besluit mee te gaan naar de afspraak in Americain en van een afstandje de genereuze Londense agent te bestuderen terwijl die in gesprek is met Henny.

Provocateur

Op het chique caféterras legt Krabbé aan De Wilde uit te hebben nagedacht over de mogelijkheid om haar huis open te stellen voor parachutisten, maar er van af te zien. De ingenieur vindt het jammer, maar reageert begripvol. Hij zegt dat George Jambroes het ook zal begrijpen. Verstopt achter een krant beziet Coté het tafereel. De zelfbenoemde ingenieur en de apothekeres nemen voor de tweede en laatste keer afscheid. Henny stapt op de tram naar het Centraal Station, waarop even later ook Coté plaatsneemt. Zij heeft nog steeds het volste vertrouwen in de charmante De Wilde, maar Coté’s argwaan is alleen maar gegroeid. Die wordt nog eens gevoed door de ontdekking dat de met kleren gevulde koffer die Guusje Jambroes volgens afspraak achterlaat op het Amsterdamse treinstation niet wordt opgehaald.

Pas twee jaar later krijgen Guusje en Henny zekerheid. In Paraat, het illegale blad van oud-Zaandammer Jan Rot, zien ze tot hun afgrijzen dat De Wilde annex Van der Waals een ‘levensgevaarlijke provocateur’ is. De bijgevoegde foto van de verrader neemt de laatste twijfels weg. Opluchting is er ook, met name bij Krabbé. Ondanks Van der Waals’ kennis over het joodse onderduikstertje in de apothekerswoning hebben de Duitsers nooit getracht om het meisje weg te halen. Blijkbaar heeft de V-Mann al die tijd zijn mond gehouden.

De vader van Hanna Jacobson overleeft het concentratiekamp niet. Haar moeder wordt verraden op haar onderduikadres en belandt uiteindelijk in Auschwitz, maar wordt daar aan het eind van de oorlog bevrijd. Ze wordt herenigd met haar dochter. De oorlogservaringen hebben echter een dusdanige impact op moeder en kind, dat Hanna na een jaar terugkeert naar Henny Eskens-Krabbé. Daar brengt ze haar verdere jeugdjaren door.

Anton van der Waals  wordt na de oorlog voor de rechter gebracht en vanwege zijn grootschalige verraderswerk -hij is wel de grootste Nederlandse verrader tijdens de Tweede Wereldoorlog genoemd- ter dood veroordeeld. Volgens de rechtbank is hij betrokken bij de arrestatie van minstens 83 verzetsmensen, van wie er minimaal 34 de oorlog niet overleven. Hij sterft op 26 januari 1950 voor het vuurpeloton.

 Anton van der Waals

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Klein oorlogsleed

De Zaandamse aannemer Reinder Kakes heeft het niet zo op de nationaal-socialisten. Geen wonder dat de Zaandamse NSB-groepsleider L. van Westervoort op 19 december 1941 een brief opstelt met de tekst:

“Kameraad,

Bij informatie is komen vast te staan, dat de heer R. Kakes, Westzijde 262b, te Zaandam, fel anti-N.S.B. is. Zijn uitlatingen en houding moeten dit bevestigen.

Hou Zee!

De Groepsleider.”

Aanleiding voor de notitie is wellicht een akkefietje dat twee maanden eerder speelt. In het najaar van 1941 gooien de eveneens op de Westzijde wonende broers Reijling de winkelruiten in van kapper J. de Boer (Westzijde 236) en sigarenhandelaar Th. van Doorn (Westzijde 211d). Beide middenstanders staan bekend als NSB’ers. Anderhalve week later ontvangt Kakes een brief van NSB-burgemeester Cornelis van Ravenswaay. De reden daarvoor, zo laat de burgemeester aan Kakes weten, is ‘uw bekende politieke gezindheid’, waardoor ‘aan te nemen is dat gij handelingen als die waardoor de schade is aangericht bevordert of goedkeurt’. Als straf dient de aannemer voor 1 december 180,25 gulden te betalen aan de Zaandamse gemeente-ontvanger. “Bij nalatigheid zal worden overgegaan tot gerechtelijke tenuitvoerlegging, waarbij lijfsdwang kan worden toegepast”, eindigt de burgemeester zijn brief. Kakes neemt geen risico en betaalt. Een met Kakes sympathiserende wethouder, voorheen zelf aannemer, regelt echter dat de vermeende ruitentikker na korte tijd zijn geld terugkrijgt. Reinder Kakes komt ongeschonden de oorlog door en weet zich in latere oorlogsjaren onder meer verdienstelijk te maken door in de Zaanstreek schuilplaatsen te bouwen voor  onderduikers.

NSB-burgemeester Cornelis van Ravenswaay

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De arrestatie van Jaap Buijs

De Zaandamse houthandelaar Jacob Buijs behoorde tot de top van zowel het Zaanse als het landelijke verzet. Ruim vier jaar lang weet hij de bezetter om de tuin te leiden, maar in de ochtend van 12 januari 1945 valt de Sicherheitsdienst binnen op het adres waar een vergadering plaatsvindt van de Stichting 1940-1945. Jaap Buijs hield een dagboek bij over zijn zware tijd in de gevangenis. Zijn -ongecorrigeerde- verslag van de eerste maand in eenzame opsluiting (hij zat vast tot de bevrijding van Nederland) staat hieronder.

12/1 Hadden een vergadering ter voorbereiding van de stichting 1940/1945. Deze verg. was uitgeschreven ‘s morgens 10 uur ten huize van een advocaat aan de Z. Amstellaan te A’dam. 10 1/2 uur kwam deze advocaat zeggen dat de gestapo aan de deur stond. In paniek trachtte ieder een kant uit te komen. Ik realiseerde mij toen ik achter het huis ook Duitsche stemmen hoorde dat het huis was omsingeld en bracht vlug wat belastende papieren in veiligheid achter een centrale verwarming. Smallenbroek, v. Namen en ik werden gearresteerd. De advocaat (die onze adviseur was) Gillieron en Hugo waren ontkomen. Om 11 1/2 uur werden wij ingesloten in het huis van bewaring aan de Weteringschans. Ik werd ingesloten in cel 18A1 een zeer donkere en ellendige cel. ’s Avonds verhoord door Fiebahn. Toen hij er niet in slaagde een bekentenis los te krijgen en ik geen namen wilde noemen stoof hij op mij af en met z’n gezicht vlak voor het mijne beet hij mij toe dat als ik niet onmiddellijk bekende hij vanaf 10 uur zijn maatregelen zou nemen. Hij zou mijn huis in de lucht laten vliegen en vrouw en kinderen arresteeren. Ik antwoordde hem dat ik dit dan zou moeten aanvaarden, hij had nu eenmaal die macht, maar daarom kon ik geen dingen zeggen waarvan ik niets afwist. Hij wuifde met z’n hand en zei, We krijgen je wel klein vriend dat lukt ons bij iedereen. Terug in mijn cel streek ik bij toeval langs mijn jas, hoorde iets kraken en ontdekte dat drie brieven, die sterk belastend waren en die ik in een bepaalde prop gedraaid in een notaris-zak bij mij had om ze ’s morgens op een “Kern”vergadering te gebruiken door de kerel die ons visiteerde over ‘t hoofd waren gezien. Dit was een opluchting daar ik verder niets bij mij had dat belastend kon werken. Ondanks dit bofje had ik een beroerde nacht uit angst voor wat ze thuis zouden doen. Ik heb deze briefjes in propjes gedraaid en in de luchtrooster weggewerkt.

14/1 Uit mijn cel gehaald, moest tegen de muur staan maar werd toen zonder meer weer teruggebracht.

19/1 Opnieuw uit mijn cel gehaald. Thans werd ik door een zekere Rühl langdurig en zeer scherp verhoord. Ik had echter de tijd gehad om na te denken wat ik zou zeggen en hij kwam dan ook niets bijzonders te weten. Tenslotte werd hij razend en beet mij toe: Je dacht zeker je vrienden te sparen, maar die hebben we spoedig genoeg te pakken ook je vriend v. Hall. We weten waar ze vergaderen en dan spreken we elkaar wel nader. Ik gaf hier geen antwoord op, waarop hij zei: Ga maar eerst weer een 14 dagen naar je donkere celletje dan kom je wel bij. Door de onmacht om ze te waarschuwen raakte ik in een moedeloze bui en kon niet meer slapen.
(Later is mij gebleken dat 26 Jan. Hugo is gepakt die helaas zoo slap is geweest om de vergadering die v. Hall Nieuwenhuis en anderen 27/1 zouden houden te verraden waardoor ze 28/1 zijn opgepakt.)

(Ongedateerd) Plotseling werd 28 januari de bewaking zeer streng. De wachtmeesters liepen zwaar bewapend rond en machinegeweren waren in de gangen opgesteld. Ook honden liepen rond. Dit hoorde ik door medegevangenen aan elkaar vertellen. Daar ik nooit gelucht werd heb ik het zelf niet gezien. Ze vreesden, zoo zeiden ze dat de gevangenis zou worden overvallen. Mijn behandeling werd hoe langer hoe slechter. Weinig eten, verrotte aardappels, geen vet en geen verwarming. Twee zeer dunne dekens een stroozak zoo goed als zonder stroo op de steenen vloer. Bovendien geen licht.

2/2 Opeens ging mijn celdeur open en tot mijn groote ontsteltenis kwam Wallie tussen 2 D. wachtmeesters mijn cel binnen. Hij werd er meteen weer uitgeleid. Of dit opzet of een vergissing was weet ik niet. Daarna hoorde ik de cel naast mij opengaan en hij werd daarin opgesloten. Even daarna begon hij te tikken, maar daar ik nooit enig contact met een andere gevangene had gehad verstond ik dat niet. Hij kwam toen met z’n mond voor de spleet van z’n raam, riep mij op en vertelde dat hij 27/1 was gearresteerd. Hij had eerst in een lichte cel aan de overkant doorgebracht en was nu overgebracht. Hoe komt het in Godsnaam dat jij in zoo’n smerige cel zit. Ik zei hem dat ik niets had bekend en dat waarschijnlijk de straf was. Hij legde me toen uit hoe het tikken in z’n werk ging en we hebben toen tot ‘s avonds laat, zeer tot ongenoegen van onze medegevangenen met elkander tikkend gesproken. Ik was toen zoo moe door de inspanning dat ik voor ‘t eerst vast heb geslapen.

3/2 Ik werd uit mijn cel gehaald en zag toen Wallie buiten zijn cel staan. We werden tegenover elkaar gezet. We gaven er geen blijk van elkaar te kennen. Men wist dus blijkbaar niet dat hij bij mij in de cel was geweest. Ik werd daarna zeer langdurig door Rühl verhoord. R. werd woedend dat ik niets bekende.

4/2 Weer opnieuw verhoord, ik moest de grofste dreigementen verwerken.

5/2 Dito.

6/2 Stien jarig. Veel te verwerken zoo’n dag. ‘s Middags uit mijn cel gehaald, weer tegen de muur geplaatst met anderen die ik niet kende. Deze werden weggevoerd en ik werd naar de cel teruggebracht.

7/2 8/2 Bitter koud, eten ellendig en veel te weinig. Echter vele goede gesprekken met Wally, die echter vooral de 8e zeer somber was en veel steun nodig had daar ze alles van hem wisten ook dat hij v. Tuyl was. Beiden probeerden wij te gissen wie dit allemaal gezegd kon hebben. Wat is het ellendig als je dan een makker alleen maar kunt vertroosten door dat koude tikken je zou hem zo graag eens de hand willen drukken en hem laten voelen hoe je meeleeft.
(Later bleek dat Hugo een tekening van de illegaliteit had gemaakt 6/2 door hem ingeleverd en alles had verraden. De rotvent!)

9-2: Opnieuw verhoord. Ze bleken nu ook van mij alles te weten. Alleen het NSF-verband wisten ze niet. Toch was ik nu overtuigd dat ik er ook niet door zou komen. Dit met Wallie besproken die mij toen vertelde dat daar toch wel kans op was. Er scheen iets tusschen te zijn waardoor dit niet zou gebeuren. ‘t Was gek maar er zat een zekere troost in dat Wallie nu niet alleen die ellende doormaakte maar jezelf ook onder dezelfde druk leefde.
(‘t Zat als volgt: Lom had gezegd ons wel te willen verraden mist wij niet gefusilleerd werden. Fiebahn en Rühl wilden die belofte houden. Lages niet toen bleek wie we waren.)

10/2 Wally jarig. Diep ontroerend was deze dag daar zijn zaak er steeds slechter voor kwam te staan en hij thans beslist overtuigd was er niet door te komen. ‘s Middags weer verhoord. Rühl zei dat hij nu verlangde dat ik los zou komen en zou zeggen hoe het NSF werkte. Hugo had alles gezegd en ontkennen gaf niet. Als bewijs zei hij dat v. Hall hoofd van het NSF was en ik zijn plaatsvervanger. Ook thans weer alles ontkend.
(In Scheveningen heb ik aan Hugo gevraagd of dit waar was. Hij ontkende dit heftig. Later bleek het echter volkomen waar te zijn.)

11-2: Opnieuw verhoord. Heb bekend dat ik voorzitter van de Kern en van Natura was, doch heftig ontkend dat ik iets van het NSF afwist. Dit teneinde niet gedwongen te zijn iets van Wallie te moeten zeggen. Heb geen enkele naam genoemd. Rühl noemde mij echter keurig alle deelnemers aan de Kernvergaderingen op die hij op een lijstje had.
(Hugo!!)

12-2: Een der ellendigste dagen van mijn leven. Wallie werd 2x achter elkaar uit zijn cel gehaald. De 2e keer zei hij dat hij hoed en jas had moeten inleveren en dat dit het einde betekende. Hij verzocht mij verder te luisteren en gaf bepaalde wenschen op voor toezicht op zijn kinderen enz. Ik zei hem dat ik, wanneer ik er doorkwam, zooveel mogelijk de kleine zorgen voor zijn gezin zou trachten dagelijks weg te nemen en verder zou doen wat ik kon. Hij zei dat hij dat mij geeneens wilde vragen omdat hij mij kende sprak dat voor hem vanzelf. Halfvier werd hij weer gehaald en toen hij terugkwam zei hij dat hij ‘s avonds met anderen gefusilleerd zou worden. Hij vroeg mij aan Til mee te delen dat zijn laatste gedachten bij haar en de kinderen zouden zijn. Daarna zei hij dat hij een vreeselijke strijd had om van zijn liefste te scheiden en nam toen afscheid. Totaal kapot was ik. Wat is de vrijheid duur gekocht. Toen ik het barsche bevel hoorde om uit zijn cel te komen wist ik mij geen raad meer.
(Later gehoord dat hij in Haarlem is gefusilleerd o.a. met W. Speelman en Nieuwenhuis)

cac1av45.jpg
Jaap Buijs en echtgenote

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Vrijgevochten. Zaans verzet in nationaal perspectief

In 2008 verscheen mijn boek over de betekenis van het Zaanse oorlogsverzet binnen de Nederlandse illegaliteit. Aan de hand van zes Zaanse verzetsstrijders van nationaal belang (Remmert Aten, Dré Ausems, Piet Bosboom, Jaap Buijs, Jan Eikema en George Jambroes) wordt in deze publicatie, met als titel Vrijgevochten, een beeld geschetst van de belangrijke rol die de Zaanse illegaliteit tussen 1940 en 1945 speelde. Hieronder een deel van het inleidende hoofdstuk.

De Zaanstreek is tijdens het interbellum een links en weerbarstig bolwerk. Al in 1933, het jaar van Hitlers machtsovername, neemt de Zaandamse raadsmeerderheid een motie aan van de Onafhankelijke Socialistische Partij om ‘bij eventuele aankoop van goederen Duitse waren te boycotten, in verband met het in Duitsland heersende regime’. Het besluit is een unicum in Nederland, maar tekent de sfeer in dit stukje Noord-Holland. De Nationaal Socialistische Beweging krijgt dan ook in de regio nauwelijks voet aan de grond. Waar de partij van Anton Mussert bij de Provinciale-Statenverkiezingen van 1935 -electoraal gezien haar meest succesvolle jaar- landelijk gemiddeld bijna 8% van de stemmen binnenhaalt, blijft ze in de Zaanstreek steken op 1,6% (Assendelft) tot 4,9% (Wormerveer). Alleen Oostzaan scoort met 6,2% redelijk hoog. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van datzelfde jaar halen de progressieve partijen als vanouds een meerderheid in de meeste Zaanse gemeenteraden, een situatie die zich in 1939 herhaalt.
De rode Zaanstreek is de bezetter een doorn in het oog. Diverse keren beklagen nationaal-socialistische gezagsdragers en uitvoerders zich over de regionale eigenzinnigheid. Wanneer de Limburgse ondernemer Peter Meulenberg, verantwoordelijk voor het roven van de Nederlandse kerkklokken ten behoeve van de Duitse oorlogsindustrie, verneemt dat de Zaandamse werknemers ‘vrijwel allen communistisch georiënteerd’ zijn, geeft hij opdracht om ‘alle arbeiders uit deze en omliggende plaatsen woonachtig direct te ontslaan’. Hij weet zich daarbij gesteund door de autoriteiten. Hanns Albin Rauter zal na de oorlog verklaren ‘dat de gehele Zaanstreek in zeer sterke mate opviel door communistische acties’. En Provinciecommissaris Albert Backer geeft Van Ravenswaays opvolger Vitters bij diens installatie als burgemeester van Zaandam de opdracht om ‘het arbeidende deel der Zaandamse bevolking (…) te verlossen van de marxistische waan van de klassenstrijd’. “De Zaanstreek is een bijzondere streek en de bevolking, zoals men zegt, zeer moeilijk”, legt hij Vitters uit. Het is een vaak geuite nationaal-socialistische klacht over de Zaanstreek, en met name over Zaandam. Van Ravenswaay verblijft wat langer in Zaandam en ziet het probleem in breder perspectief dan zijn superieuren Rauter en Backer. Ook hij voelt zich gehinderd door streekgenoten die ‘communistisch georiënteerd’ zijn of last hebben van ‘de marxistische waan’, maar niet alleen zij bezorgen overlast. In een brief aan Backer beklaagt de burgemeester zich over het algemeen heersende gebrek aan medewerking. “Dan stuit men inderdaad onmiddellijk op bezwaren, die voortvloeien uit de onwelwillende mentaliteit, althans [een] verkeerd inzicht, zoals dit bij ons volk, en dat van Zaandam in het bijzonder, helaas overheersend is en de goede bedoelingen van de bezettingsmacht miskent.”

Het zijn inderdaad niet alleen de gestaalde aanhangers van Marx, Engels en Lenin die dwarsliggen. Ten eerste is daar de machtige Sociaal Democratische Arbeiders Partij, verreweg de grootste politieke partij rond de Zaan. Alleen al de afdeling Zaandam telt naar eigen zeggen eind 1939 1050 leden. Een flink aantal van hen pleegt tussen 1940 en 1945 verzet, veelal gestimuleerd door het partijkader. De anarchistische stroming is eveneens sterk vertegenwoordigd binnen het regionale verzet. De socialisten, communisten en anarchisten zijn representanten van de buitenkerkelijke stroming. Nergens in Nederland, en waarschijnlijk zelfs in Europa, ligt het percentage a-religieuzen zo hoog als in de Zaanstreek. Maar daarmee is nog niet gezegd dat de illegaliteit wordt gedomineerd door vrijdenkers en radicaal-progressieve vertegenwoordigers. Het katholieke bevolkingsaandeel bedraagt in de Zaanstreek ongeveer 15%. In de vooroorlogse jaren maakt de katholieke arbeidersbeweging hier zich los van het behoudende bisdom in Haarlem. Ze doorbreken de verzuilingsgedachte en hun organisaties werken samen met andersdenkenden, zodoende de geboden van hun dogmatische bisschop negerend. Die open houding leidt na de Nederlandse capitulatie tot nauwe banden met de verschillende bloedgroepen binnen de illegaliteit. Onder leiding van de Zaandamse kapelaan Gerrit Groot ontstaat eind 1940 een zeer intensief opererende verzetsgroep die honderden onderduikers verzorgt. Zijn Rooms Katholieke Centrale slaagt er tevens in om de verzetskrant De Typhoon uit te brengen. Het blad heeft in de hongerwinter een oplage van 30.000 stuks en wordt ook buiten de eigen regio gretig gelezen. In de laatste oorlogsfase vestigt de leider van de Binnenlandse Strijdkrachten in Noord-Holland, Johan Wastenecker, zijn hoofdkwartier in de pastorie naast Groots kerk.

Ook de wat kleinere gereformeerde bevolkingsgroep slaagt er in een verzetsbeweging van bovenlokaal belang op te zetten, met name in Zaandam en Wormerveer. De anti-revolutionair Willem Brinkman wordt in april 1943 provinciaal leider van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO), Nederlands grootste verzetsorganisatie. Na een inval in Brinkmans Zaandamse woning, waar hij en zijn vrouw een joods meisje verbergen, neemt stadgenoot Klaas Pos die functie over. Tot aan hun arrestatie in oktober 1943 worden er onder aanvoering van Brinkman en Pos bijna honderd joden en een veelvoud aan niet-joden ondergebracht op schuiladressen in met name de Zaanstreek en West-Friesland. Vanaf augustus 1944 geeft Zaandammer Kees Kraay leiding aan de Noord-Hollandse LO. In Wormerveer zijn het de gereformeerden Henk Toby en Jaap Boot die ook buiten de eigen regio van grote betekenis zijn. Ze raken in een vroeg stadium betrokken bij de productie en distributie van Vrij Nederland en Trouw, een tijdlang de grootste illegale krant van Nederland. Verder onderhouden ze contacten met een Zaans netwerk van gereformeerde en doopsgezinde drukkers en clichémakers, die tienduizenden valse persoonsbewijzen, stempels en andere ondermijnende producten over het land verspreiden.

De hiervoor vermelde namen kunnen worden aangevuld met flink wat andere Zaankanters die provinciaal, nationaal en zelfs internationaal niveau een rol spelen in de strijd tegen de nazi’s. Zo hoort de doopsgezinde socialist Cor Inja zeker thuis in de rij met ‘prominenten’. Nadat hij met zijn joodse echtgenote Ellen Weijl een onderduikadres heeft gevonden, reist hij het land af om geld in te zamelen, joodse kinderen naar veilige plekken te brengen en schuiladressen te regelen voor tal van vervolgden. Via de Werkgemeenschap van Doopsgezinden en Geestverwanten verzorgt het echtpaar ‘niet-arische christenen’ en Duitse gemengd gehuwden. Vanaf 1943 sturen ze duizenden levensmiddelenpakketten naar concentratiekampen in binnen- en buitenland. De financiën en goederen voor hun illegale arbeid worden veelal ter beschikking gesteld door doopsgezinde fabrikanten in de Zaanstreek, met name de families Verkade en Honig.

Van een geheel andere orde is het werk dat geheim agenten verrichten. Twee van de 180 Nederlanders die tijdens de Tweede Wereldoorlog vanuit Groot-Brittannië als geallieerd agent naar Nederland terugkeren komen uit Zaandam (George Jambroes en Maarten Cieremans), één uit Zaandijk (Andreas Ausems). Een vierde, Jan Emmer, komt oorspronkelijk uit Wormer, maar woont daar niet meer als hij in 1941 naar Engeland vertrekt. Alle vier worden ze door de regering in ballingschap uitgezonden met opdrachten die van belang zijn voor heel Nederland. Veel geheim agenten ontmoeten in de weken voor de afsprong boven vaderlands grondgebied Seymour Bingham. Tot kort voor de Duitse inval woont deze Engelsman op de Zaandamse Provincialeweg en werkt hij bij Bruynzeel. Hij slaagt er in om tijdig naar zijn vaderland te ontkomen en bouwt vervolgens in Londen een carrière op bij verschillende inlichtingendiensten. In die hoedanigheid is hij nauw betrokken bij het door geheimen omgeven Englandspiel. Bingham klimt op tot hoofd van de Secret Operations Executive-Dutch section, dat agenten parachuteert in Nederland. Van hen komen er 54 om het leven als gevolg van verraad en -waarschijnlijk- dubbelspel, onder wie Jambroes en Emmer. In het geval van Bingham krijgt de strijd tegen de nazi’s dus een wrange bijsmaak.

De Zaanse aversie tegen de Duitsers is zichtbaar door de inzet van individuen, maar ook in financieel en materieel opzicht. Er bestaat bijna geen ondergrondse organisatie van enig formaat die niet profiteert van Zaanse goederen. Het Staatsbedrijf der Artillerie Inrichtingen is de eerste oorlogsjaren hofleverancier van het gewapend verzet. Diverse Zaanse drukkerijen en aanverwante firma’s maken op grote schaal valse Ausweisen, stempels en etensbonnen. De overvloedig aanwezige voedselindustrie aan de boorden van de Zaan voorziet tienduizenden onderduikers en illegalen van levensmiddelen, vaak zonder daarvoor een vergoeding te vragen. En het Nationaal Steunfonds, de alom tegenwoordige spaarbank van de illegaliteit onder leiding van Walraven van Hall, ontvangt via Zaanse bedrijven en particulieren meer dan ƒ1,5 miljoen aan leningen, zo’n 4% van het bestede totaalbedrag.

scan10004.jpg
Zaandammer George Louis Jambroes in Londen, 1942

De zoektocht van de Nederlandse Unie

Al snel na de bezetting van Nederland begon de Duitse machthebber met het verbieden en inkapselen van politieke partijen. Als reactie daarop ontstond er in juni 1940 een nieuwe partij, de Nederlandse Unie. De Unie schipperde in haar korte bestaan tussen loyaliteit aan de bezetter en de roep om een onafhankelijk vaderland en groeide uit tot de grootste politieke partij ooit. Voorzitter van de Zaandamse afdeling werd Walraven van Hall, die later zou uitgroeien tot de spin in het web van het nationale verzet.
Onderstaande tekst is een fragment uit mijn in 2006 verschenen en in 2014 herdrukte boek Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945).

Op 17 mei 1941 opent het ‘Voorlopig Plaatselijk Comité-Zaandam’ een Uniehuis in het stadscentrum, op de Gedempte Gracht. Voorzitter Van Hall houdt een toespraak, ‘waarin hij uiting gaf aan zijn dankbaarheid jegens de leden, die zich bijzonder beijverd hebben om het Uniehuis zo keurig in te richten en waarin hij uitsprak dat vanuit dit huis een grote actie tot ledenwerving zou kunnen beginnen, omdat het thans bereikte aantal van duizend leden voor Zaandam nog veel te gering is’. De winkel is dagelijks geopend. In een achterzaal kan worden vergaderd. Ook gaat er een afdeling voor sociale zaken van start.

Van Hall ontvangt de Unie-oprichters Einthoven (in juni) en De Quay (eind augustus) in de winkel. Daar spreken de twee leiders hun achterban toe. De Zaanstreek is een dwarse regio. Linkser dan gemiddeld, en daarmee vaker geneigd om zich af te zetten tegen de Duitsers en hun handlangers dan de landelijke Unieleiding lief is. In het provinciale partijblad verschijnt daarom in mei 1941 een mededeling die, zoals zo vaak bij de Nederlandse Unie, een dubbele boodschap in zich heeft. “De Zaan is een district met uithoudingsvermogen en energie. Het gaat moeilijk in de Zaan. De trouw en aanhankelijkheid aan vroegere organisaties is uiteraard een onmiskenbaar goed. Daarom is ons Uniewerk er niet gemakkelijk, maar daarom niet minder mooi. (…) Het parool voor de Zaan moet zijn: de aanhouder wint! Uw moeilijke werk zal beloond worden.” De boodschap valt te lezen als een steunbetuiging aan het Zaanse Uniebestuur, maar ook als een aanmoediging om de dwarse achterban in toom te houden. De werkzaamheden verlopen ook in een ander opzicht niet gladjes.

Secretaris Jaap Buijs moet het gewestelijk secretariaat al snel berichten dat de Grüne Polizei af en toe de voorraad Uniekranten in beslag neemt’. De inhoud ervan wordt te kritisch bevonden. In de weekrapportage van begin augustus schrijft Buijs: “Wij hebben een inval gehad in de winkel. Resultaat nihil.” Eind augustus: “Door deze berichten wij u dat in de nacht van zaterdag op zondag in onze winkel de deur is opengetrapt, de etalage is vernield, de etalagekast zwaar is beschadigd, brochures en afstandskaartjes zijn meegenomen en de offerbus is gestolen.” Er is één troost, aldus een mededeling in een hoek van het briefpapier: “Schade wordt vergoed door de gemeente Zaandam, volgens telef. mededeling van hr. v. Hall.”

Contraproductief

Het machtsmisbruik van Grünen en NSB werkt contraproductief op Buijs en Van Hall. Maar geven zij gehoor aan de oproep van het driemanschap om zich niet in te laten met illegale activiteiten? Het lijkt er bepaald niet op. De twee Zaanse vrienden missen zelfs het kleinste stukje affiniteit met de bezetter en van loyaliteit kan geen sprake zijn. Een voorbeeld uit december 1940 maakt dat al duidelijk. Die maand gaat er een kettingbrief door ambtelijk Nederland. Enkele zinnen daaruit: “Waarschijnlijk zal aan ons binnenkort een verklaring voorgelegd worden van ongeveer de volgende inhoud: Sympathiseert gij met de NSB of haar beginselen, staat gij daar neutraal tegenover of is zij u antipathiek? Indien ieder die de NSB antipathiek is daar rond voor uitkomt, doen zij ons niets. In Den Haag is onder de desbetreffende ambtenaren afgesproken dat zij hun naam onder laatstgenoemde vraag (dus anti) zullen plaatsen.”

De anonieme brief vervolgt met het verzoek om tegen de NSB te ageren en de oproep aan vijftien collega’s door te geven. Namens het plaatselijk Uniebestuur schrijft Jaap Buijs aan het gewestelijk secretariaat: “Waar ik heden van een ambtenaar vernam dat velen ‘neutraal’ willen invullen als een in de circulaire bedoelde enquête komt, is mijn vraag of het niet goed zou zijn als ons blad hierover ook een oordeel gaf. Immers, wanneer werkelijk deze vragen worden gesteld, zou het een ramp zijn als men uit lafheid in grote meerderheid ‘neutraal’ opgaf.” Om zijn weerzin tegen de zwarthemden van Anton Mussert nog eens te benadrukken, heeft Buijs de laatste zin stevig onderstreept. Secretaris Aberson probeert hem gerust te stellen: “Er bestaat geen gegronde aanleiding te veronderstellen dat er werkelijk een dergelijke verklaring van NSB-zijde aan alle ambtenaren zal worden voorgelegd.”

Een ander voorbeeld van de Zaandamse weerstand is de boodschap van Buijs aan het secretariaat ‘liever geen loten voor de Winterhulp te willen verkopen’. “Van de verkoop mag niets worden verwacht”, geeft hij als reden op.

Verzet 

Als Tonny Eggink vroeg in dat eerste oorlogsjaar zijn vriend ‘Wally weer ontmoet, is die vol vuur over de vijand, zoekend naar middelen om zich verdienstelijk te kunnen maken’. Met enige regelmaat stuurt de landelijke Unieleiding haar onvermoeibare propagandist voor Noord-Holland, Hemmo Leeuw, naar Zaandam. Ten huize van de Van Halls adviseert dit voormalige SDAP-raadslid over de partijactiviteiten en licht hij desgewenst de artikelen toe die in het landelijke partijblad De Unie verschijnen. Al snel komen er ook andere zaken ter sprake, zoals het vervalsen van persoonsbewijzen. Leeuw zal uiteindelijk, net als Walraven en diens broer Gijs, eerst met behulp van de Nederlandse Unie en vervolgens via andere organisaties steeds dieper in het illegale werk belanden.

Betekent het dat de broers de Nederlandse Unie verlaten, indachtig het bevel van de Unieleiding? Ook daarvan is geen sprake. Buijs neemt in mei 1941 zelfs plaats in het gewestelijk bestuur. Het is zeker dat de Unie wordt gebruikt als dekmantel voor clandestiene bezigheden. De bezetter staat vooralsnog vergaderingen toe in de Uniehuizen, mits die de twintig deelnemers niet overstijgen. Bekend is dat in de relatieve beslotenheid van dergelijke kringvergaderingen (tegenwoordig zouden we ze gespreksgroepen noemen) soms stevige discussies plaatsvinden over de problemen die de Duitse bezetting met zich meebrengt. Als vanzelf ontstaat er zicht op hen die bereid zijn om tegenstand te bieden aan de heersende malaise. In dat beeld past ook de vaderlandslievende actie van een Zaandamse Uniehuismedewerker. Uit een verslag van gewestelijk secretaris Aberson aan het driemanschap: “In Zaandam liep de conciërge van de winkel een proces-verbaal op, omdat hij van de op het trottoir voor de winkel geklodderde leuze ‘1 jaar Unie is 1 jaar verraad’ alleen het eerste gedeelte had weggeschrobd.” Van Hall zal de selectieve schoonmaakactie ongetwijfeld met een glimlach hebben waargenomen. In augustus 1941 vernielen en beroven tegenstanders van de Nederlandse Unie de partijwinkel in Zaandam. “Een mooie reclame aan ’t begin van de huisbezoekcampagne”, schrijft Uniesecretaris Jaap Buijs cynisch aan het gewestelijk secretariaat.

De politieke vrijheid of wat daarvan over is, wordt overigens steeds verder ingeperkt. Het Rijkscommissariaat maakt bekend dat vrijwel alle vooroorlogse politieke partijen per 5 juli 1941 zijn ontbonden. Uitgezonderd zijn de NSB, de NSNAP, het Nationaal Front en de Nederlandse Unie. De drie eerstgenoemde staan min of meer op één lijn met de bezetter, de laatste is te populair om in één klap op te heffen. Bijna elke Noord-Hollandse plaats heeft inmiddels een afdeling, in totaal zo’n honderd. De bezetter accepteert het Uniegemanoeuvreer in de marge, het zoeken naar een middenkoers nog wel, maar slechts voor korte tijd en steeds meer aan beperkingen gebonden. Vanaf 28 juli 1941 staan de Duitsers niet langer toe dat de Unie in het openbaar affiches ophangt, bladen verspreidt en partijspeldjes toont.

Op 14 december van dat jaar worden alle werkzaamheden van de Nederlandse Unie verboden. Hetzelfde geldt voor het Nationaal Front en de NSNAP. De NSB, die op deze dag haar tienjarig bestaan viert, mag als enige politieke partij blijven bestaan. Na de journalistieke is nu ook de politieke gelijkschakeling een feit. Voor Buijs en Van Hall, tot aan de Unie-oprichting onbekenden voor elkaar, maar al snel ten diepste verbonden in de strijd tegen de bezetter, is de maat al lang vol. “Toen de Unie in 1941 werd verboden, was bij ons een grote haat gegroeid tegen de Duitsers, veroorzaakt door de verdrukking en de wrede maatregelen die ze tegen ons volk en vooral ten opzichte van de joden hadden genomen”, noteert Buijs. “Toen de Unie werd verboden, bespraken wij wat wij verder zouden kunnen doen. Wij besloten in de illegaliteit te gaan.” De strijd tegen de vijand wordt geïntensiveerd.

picknick-gezin-van-hall-eind-jaren-30.jpg
Walraven van Hall met familieleden

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De deportatie van de Wormerveerse familie Pais

De Duitse bezetter maakte in 1942 de Zaanstreek Judenrein. Zaandam was de eerste Nederlandse gemeente waar de joden verjaagd werden, Wormerveer volgde op 22 april. Van de 29 Wormerveerse ‘Volljuden‘ zouden er negentien de oorlog niet overleven, onder wie de vijf leden van het gezin Pais.

Abraham Pais en Grietje Drilsma trouwden op 8 mei in hun woonplaats Zaandam, maar verhuisden vijf jaar later met hun 3-jarige dochter Rebecca naar Wormerveer. Daar kwam in 1935 ook hun tweede dochter ter wereld, Ada. Ze gingen nog even naar Beverwijk, maar vestigden zich in 1938 aan de Insulindelaan 34, waar zoon Aäron werd geboren. Tijdens de bezetting was hun adres Zaanweg 29. Pais had op de Zaanweg 11a een pakhuis, naast het bekende pand Amsterdam. Hij handelde er in levensmiddelen, scheepsbenodigdheden en oud ijzer.

Een krantenfoto uit 1936 toont ‘de heer A. Pais, de bekende handelaar in scheepsbenodigdheden’ en Rebecca voor dit magazijn. Hij staat temidden van inventaris uit het op het Egmondse strand gelopen en vervolgens gesloopte stoomschip Drente. Bram ‘tikte de partij curiosa deze week op den kop’. Boven de foto staat een half-Duitse tekst: “So endete eine (…) Sleepboot.” Bram stond ook bekend als sloper. Hij demonteerde onder meer de gashouder van Wormerveer. Verteld werd dat hij in de oorlog sloepen opkocht van getorpedeerde schepen, om ze voor hergebruik te verkopen. Met de buren ging hij er wel mee spelevaren op de Zaan. Kinderen die daar zwommen, gaf hij soms een reddingsvest uit zo’n sloep. In maart 1941 kreeg zijn zaak vanwege de ‘Arisierung’ van joodse bedrijven een zaakwaarnemer die de bedrijfsleiding overnam.

Betty Pais ging naar School B (na de oorlog Herman Gorterschool). Ze was er als joodse leerlinge vanaf september 1941 niet meer welkom. Met haar eveneens getroffen dorpsgenoten Mendelina en Hartog de Jong gaf ze ten afscheid alle leerkrachten een handje. Dat maakte indruk op de school. De joodse kinderen kregen daarna nog een tijd les bij Pais thuis.

Vertrek

Op 22 april 1942 moesten de joodse inwoners Wormerveer verlaten. Het gezin Pais kreeg echter toestemming om te blijven, misschien omdat hun bedrijf als ‘kriegswichtig’ werd gezien. Wormerveerder Klaas Zwart herinnert zich dat zijn vader Rebecca Pais in 1943 stiekem inschreef voor een zwemfeest in zwembad Het Zwet, onder de naam ‘Betty Zonderland’. Het feest verliep voor Rebecca zonder narigheden. Geholpen kan hebben dat badmeester Jan Kuijper verzetsman was.

De familie Pais moest op 3 januari 1944 alsnog naar Westerbork, bijna twee jaar na de andere Zaans-joodse inwoners. Ze liepen naar het station, met alleen hun handbagage bij zich. Abraham Pais lachte en riep: “Ik kom terug hoor.” Zijn zaak werd voortgezet door de vroegere knecht Anton de Grunt. Sommige eigendommen werden bij anderen in bewaring gegeven. Zo ontving de familie Corell (Dubbele Buurt 20) enkele schilderijen. Het magazijn ging over in de handen van een Treuhändler, een opkoper.

Het gezin werd vermoedelijk op 25 januari 1944 in beestenwagens op transport gesteld. Moeder en kinderen werden drie dagen later in Auschwitz geselecteerd voor vergassing. Ook voor Abraham staan op de Holocaust-websites deze overlijdensdatum en -plaats vermeld. In de overlijdensakte in Wormerveer is echter een correctie aangebracht. Op 11 januari 1954 werd in de kantlijn geschreven: “Overleden op 31 december 1944 in Güntergrube in Polen.” Deze kolenmijn was een van de kleinere werkkampen van Auschwitz.

Op 15 april 2007 verscheen het door Pim Ligtvoet geschreven boek ‘Ik heb een heel tijdje niets van me laten horen. Joden in de Zaanstreek (1940-1945)’. Daarin is de oorlogsgeschiedenis vastgelegd van alle Zaans-joodse inwoners, alsmede van de meeste joodse onderduikers in deze regio. Bovenstaande tekst is een bewerking van een van de lemma’s uit dit boek.

Pais
Abraham Pais en Grietje Drilsma

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag