Opkomst en ondergang van de ‘wilde’ verzetsgroep Koog-Bloemwijk

Over de verzetsgroep Koog-Bloemwijk kan alleen maar in superlatieven worden gesproken. Zaanser dan dit illegale gezelschap was er niet. Het was de brutaalst opererende ondergrondse organisatie in de regio. En de eerste die een succesvolle liquidatie kon noteren. Maar het was ook een collectief dat meermalen faalde. Daardoor werd deze ‘wilde’ verzetsgroep tevens de kortst bestaande in de Zaanstreek.

De groep Koog-Bloemwijk zou ook -nog een superlatief- de onbekendste verzetsorganisatie van de Zaanstreek blijven. Waar de Stijkelgroep (met eveneens veel leden in Koog aan de Zaan en Zaandijk) en de links georiënteerde Raad van Verzet onder leiding van Krommenieër Jan Brasser -later omgezet in de Gewestelijke Sabotageafdeling- tot op heden nog regelmatig terugkeren in de geschiedschrijving is er voor de verzetsgroep Koog-Bloemwijk nauwelijks aandacht. Waarschijnlijk omdat er weinig overlevenden waren en niet iedereen even enthousiast reageerde op de uitgevoerde acties. Bovendien bestond deze organisatie slechts een half jaar. En dan heerste er binnen die zes maanden ook nog tweespalt.

Jan Breeker

In de tweede helft van 1943 was het gewapend verzet in Nederland vooral verdeeld over de veelal gereformeerde Landelijke Knokploegen en de veel progressievere Raad van Verzet. Maar daarnaast bestonden er verspreid over het land nog tientallen kleine clubjes die zich bezighielden met overvallen, inbraken, sabotage en eliminaties. Waaronder dus de ‘wilde’ groep Koog-Bloemwijk.

Het is gissen wanneer dit samenwerkingsverband precies tot stand kwam. De groep wordt voor het eerst als zodanig genoemd in augustus 1943. In die maand lag politieman Joop Keijzer gewond in het Amsterdamse Westergasthuis. Hij, een voortvluchtige helper van vele joodse onderduikers, was door de Duitsers opgewacht toen hij vanaf zijn onderduikadres een bezoek bracht aan zijn vrouw in Zaandijk. Toen Keijzer aan zijn belagers probeerde te ontsnappen, werd hij ter plekke neergeschoten.

Het was collega-politieagent Jan Cornelis Breeker (Irisstraat 52, Koog aan de Zaan) die het initiatief nam om Keijzer te bevrijden. Enkele weken eerder had hij tijdens zijn nachtelijke patrouille de in Wormerveer wonende vader en zoon Rem betrapt, toen die met witkalk leuzen als ‘Leve de koningin’ en ‘Red de Joden’ op de muren kalkten. Breeker stuurde hen terug naar huis, met de geruststellende woorden: “Maken jullie je maar niet ongerust. Ik heb niets gezien.” Een paar dagen later sprak hij zoon Nico Rem aan. Hij had hulp nodig bij het bevrijden van Joop Keijzer.

Jan Cornelis Breeker (collectie Gemeentearchief Zaanstad)

Waarschijnlijk vormde zich op dat moment rond Jan Breeker de verzetsgroep Koog-Bloemwijk. Volgens Rem bestond de eerste lichting naast Breeker en hemzelf uit de Zaankanters Gerhard Müller, Aart Brinkman, Ger Fraaij en Co van Riessen. Korte tijd later sloten de in de Zaanstreek ondergedoken marechaussee Koos (‘Joep’) Heijdra, de Koogse visboer Harm Gerssen en Zaandammer Gerhardus Docter zich bij hen aan. En eind oktober 1943 voegde een deel van de uiteengevallen knokploeg uit Veenendaal zich bij de verzetsgroep Koog-Bloemwijk, onder wie de broers Ab en Ben Hommerson. De vergaderingen van deze twintigers en dertigers vonden vaak plaats in de Koogse woning van kapper Jan Eshuijs (Krokusstraat 26).

Norbert Klein

De bevrijdingsactie van Joop Keijzer werd, met hulp van enkele verpleegsters, uitgevoerd door Fraaij, Heijdra, Van Riessen en Rem. Op 19 augustus 1943 stapten twee van hen in doktersjassen Keijzers kamer in het Westergasthuis binnen. De twee anderen hielden in de gang de wacht. Naast het bed van Keijzer zat een bewaker te lezen. Terwijl de ene ‘arts’ voor de vorm Keijzers wonden inspecteerde, haalde Nico Rem een hamer onder zijn jas tevoorschijn. In een snelle beweging sloeg hij de afgeleide SD’er bewusteloos. Daarna kon Joop Keijzer naar een onderduikadres in Purmerend worden gebracht.

In het Westergasthuis had Keijzer een kamergenoot. Deze Norbert Klein was een joodse verzetsstrijder die na zijn arrestatie uit het politiebureau was gesprongen en daarbij zwaargewond raakte. Keijzer drong er op aan om ook Palestinapionier Klein, die een zekere dood tegemoet kon zien, te bevrijden. Dat gebeurde een paar dagen later. Dit keer werd de actie uitgevoerd door bovengenoemd viertal, aangevuld met Aart Brinkman en Gerhard Müller. Ondanks Kleins gespalkte been slaagden zijn kidnappers er in om de patiënt via een tegen het ziekenhuisraam geplaatste ladder naar de begane grond te krijgen en met een auto af te voeren naar een veilig adres in Haarlem.

Norbert Klein in 1943, kort na zijn ontsnapping uit het Westergasthuis (Ghetto Fighters House)

Willem Korf

Gesterkt door deze successen besloot de jonge verzetsgroep om af te rekenen met Willem Korf, een inwoner uit Zaandijk. Jan Breeker had onder meer de zorg voor ruim honderd onderduikers. Aanvankelijk kreeg hij daarbij hulp van distributieambtenaar Korf. Die voorzag hem van voedselbonnen. Maar toen Korf Breeker begon te chanteren en het risico op verraad te groot werd, gaf de politieman aan Nico Rem, Gerhard Müller en Ger Docter de opdracht om Korf te liquideren.
Op 27 september 1943 begaf het trio zich ‘s avonds naar Korfs woning aan het Hazepad. Rem: “De huisbel klonk luid, veel te luid dacht ik nog. De deur werd geopend door een vrouw. ‘Is Uw man thuis?’ Ze keek me verwonderd aan. ‘Zo laat nog?’ Ze slofte weg. Na enige tijd verscheen Korf in de deuropening. ‘Bent u de heer Korf?’ Een kort knikje en vragende ogen. Ik trok mijn revolver. In een fractie van een seconde zag ik de paniek op zijn gezicht. De schoten klonken oorverdovend door de uitgestorven buurt. Terwijl ik wegholde, hoorde ik mensen schreeuwen, ramen en deuren werden geopend. De duisternis slokte mij op.”

Volgens Gerhard Müllers zoon Fritz was het overigens zijn vader die een schot loste door het luikje in de voordeur. De kogel zou Willem Korf in het hoofd hebben geraakt. Wie er ook schoot, Korf overleefde de aanslag, en dat gold ook voor de volgende eliminatiekandidaat.
Jan Bloemsma was NSB’er en hulpagent. De Koger combineerde deze twee eigenschappen door ondergedoken joden op te sporen en over te leveren aan de Sicherheitsdienst. Ook ditmaal nam Nico Rem naar eigen zeggen de moordpoging voor zijn rekening, en ook ditmaal ging het mis. Zonder nadere specificaties te geven, schreef Rem veertig jaar later: “Deze aanslag [in oktober 1943], welke gepleegd werd door ondergetekende, mislukte evenwel. Later zijn nog 2 pogingen gedaan. Waarschijnlijk argwanend geworden, kreeg men evenwel geen redelijke kans meer hem te benaderen.”

Den Dolder

Wel succesvol was de verzetsgroep klaarblijkelijk bij wat de geschiedenis in zou gaan als de eerste geslaagde Zaanse eliminatie. Die vond alleen niet plaats in de Zaanstreek, maar in de provincie Utrecht. In zijn memoires vertelde Nico Rem dat er omstreeks januari 1944 ‘een man door enkele leden van de groep gelikwideerd [werd] in de omgeving van Den Dolder.’ Rem was zelf niet aanwezig bij de aanslag. “Ondanks pogingen hiertoe kon ik niet achterhalen wat de achtergronden hiervan zijn geweest.” Dat leden van de groep zich naar Den Dolder begaven, had waarschijnlijk te maken met een verzetscontact ter plaatse, Herman Lieve. Hij had onder meer een auto van de groep Koog-Bloemwijk in zijn garage staan.
In de tussentijd had de organisatie ook andere acties ondernomen. Enkele groepsleden haalden in het najaar van 1943 neergekomen geallieerde vliegeniers op uit respectievelijk Urk, Kampen, Spanbroek en de kop van Noord-Holland. Harm Gerssen lijkt daarbij de spil te zijn geweest. Anna Gerssen-Havenga schreef in 1946 dat haar ‘man met elkaar 28 piloten ondergebracht’ had. 

National Archives USA

Knokploeg Veenendaal

Eind oktober 1943 waren een paar leden van de knokploeg Veenendaal, bij wie de grond te heet onder de voeten werd, overgegaan naar de groep Koog-Bloemwijk. Het leidde tot verdeeldheid. Rem: “Breeker kon zich met deze gang van zaken niet verenigen en trok zich terug. Misschien ook wel om het feit dat Joep Heijdra steeds meer de leiding in handen nam. Met Breeker trokken ook Brinkman, Fraaij, Van Riessen en aanvankelijk ook ondergetekende zich terug.” Het zou hun redding betekenen.

Het valse persoonsbewijs dat Nico Rem begin 1944 kreeg

De broers Albert en Ben Hommerson en chauffeur Wim van de Kamp maakten de overstap van Veenendaal naar de Zaanstreek en voegden zich bij de even later uit elkaar vallende groep Koog-Bloemwijk. Op 9 november 1943 pleegde de vernieuwde organisatie een geslaagde overval op het politiebureau en het distributiekantoor van Oegstgeest. Er werden onder meer 14.000 bonkaarten en 283 blanco persoonsbewijzen buitgemaakt. Alleen was niet voorzien dat een deel van de beroofde ambtenaren met de administratie sjoemelde om onderduikers van bonnen te voorzien. Door de ‘Zaanse’ overval kwam dit aan het licht en belandden enkele beambten tot het eind van de oorlog in het concentratiekamp.

Louis Cornelis Dijkman

Op 30 december zou de groep een nieuw bezoek brengen aan het Westergasthuis, ditmaal om -op verzoek van de Wormerveerse verzetsman Henk Toby- de gearresteerde, in het Amsterdamse ziekenhuis verpleegde Trouw-medewerker Louis Cornelis Dijkman te bevrijden. De patiënt werd echter de ochtend van zijn beoogde bevrijding totaal onverwacht overgeplaatst, naar later bleek als gevolg van verraad door Wim van de Kamp (over wie verderop meer).  Dijkman zou uiteindelijk het leven laten in kamp Vught.
Op 11 januari 1944 was er wel succes; ze roofden een voorraad distributiebescheiden en 22.000 gulden uit het Purmerendse postkantoor. Diezelfde maand mislukte een poging om in Zaandam een in aanbouw zijnde marineboot in brand te steken. Ditmaal deed, naast Harm Gerssen en Wim van de Kamp, ook kapper Jan Eshuijs mee. Er werden nieuwe plannen gesmeed: een overval op de posttrein tussen Alkmaar en Amsterdam en een beroving van het distributiekantoor op Urk.  Het zou er niet meer van komen.

Fritz Conijn

In Noord-Holland boven het IJ opereerden rond de jaarwisseling van 1943-’44 maar twee volwaardige knokploegen, de even tevoren ontstane KP-Alkmaar onder leiding van Fritz Conijn en de tot ‘groep-Kappie’ (Ab Hommersons schuilnaam) hernoemde verzetsorganisatie Koog-Bloemwijk. Om slagvaardiger te kunnen opereren, wilde Conijn overgaan tot een nauwe samenwerking of zelfs fusie van beide strijdgroepen, onder leiding van de Landelijke Knokploegen (LKP). Er werd in januari 1944 een bespreking gepland om dit voornemen handen en voeten te geven. Koog-Bloemwijk zou niet langer als ‘wild’ door het leven gaan, maar zich schikken naar de wensen van de LKP-leiding.

Ger Docter had contact met de Zaandamse verzetsman Pieter Jacobus (‘Piet’) Busch. Die had op zijn beurt weer een lijntje met Gerardus Cornelis van Bree, een begrafenisondernemer uit Amsterdam. Wat Piet Busch niet wist, was dat Gerard van Bree een dubbelrol speelde. Hij infiltreerde in verzetsorganisaties, om ze daarna te verraden aan de Sicherheitspolizei. Van Bree, na de oorlog: “Doordat ik in vriendschappelijk relatie was met zekere Bus[ch], lid van een knokploeg te Zaandam, heeft deze mij om hulp verzocht om wapens voor de illegaliteit te krijgen. Ik heb alles wat ik door dien Bus[ch] te weten kwam aan [Emil] Rühl en [Friedrich] Viebahn overgebriefd. Ik geef toe door deze hulp van den Duitschers f 100,- in handen van Rühl te hebben gekregen.”

Ger Docter

Koffiehuis Bos

Nico Rem: “Alhoewel Docter wel betrouwbaar was, stond hij bekend om zijn loslippigheid. Hij was bepaald onvoorzichtig. Docter stond in contact met ene Busch, die op zijn beurt reeds geruime tijd contact onderhield met de heer ‘G’, die zich uitgaf voor illegaal werker en z.g. contact onderhield met ‘Londen’.” Piet Busch regelde een afspraak tussen ‘G’ en enkele leden van de groep-Kappie. Rem: “Op 22 januari 1944 zou hiertoe een bespreking plaatsvinden in café Bos tegenover station Zaandam. Bij binnenkomst aldaar kreeg Harm Gerssen argwaan en waarschuwde luid de reeds aanwezigen van de groep. In de hierna ontstane chaos zagen de meesten kans te ontsnappen, alleen Docter werd gearresteerd.” Een SiPo-commando had de bijeenkomst inderdaad geschaduwd en wist dus de hand te leggen op één van de aanwezige verzetsstrijders.

Koffiehuis Bos, Provincialeweg 136, Zaandam

Daarna ging het snel. Op 22 januari werd ook Nico Rem gearresteerd, in het Amsterdamse Centraal Station. Hij had zich aanvankelijk afgekeerd van de nieuwkomers bij de groep Koog-Bloemwijk, maar was daarvan teruggekomen. Zijn gevangenschap duurde slechts kort. Na een telefoontje uit Zaandam deelde één van zijn geüniformeerde bewakers Rem mee dat hij kon vertrekken: “Het is een vergissing, ga maar weer naar je moeder.” Verbaasd verliet Rem het treinstation. “Thuisgekomen wilde ik snel iets eten, met de bedoeling daarna de anderen te waarschuwen en voorlopig onder te duiken. Tijdens de maaltijd kwam Wim van de Kamp en heeft met ons meegegeten.” Na het maal vertelde Van de Kamp over het debacle in koffiehuis Bos en zei hij dat Harm Gerssen direct met Rem wilde spreken.

Sophia da Costa Senior

Aldus Nico Rem in een verslag dat hij in 1984 schreef. Drie jaar later zette hij de gebeurtenissen nogmaals op papier, maar plaatste hij wat andere accenten. Zo ging hij dit keer na te zijn vrijgelaten niet naar huis, maar naar een onderduikadres in Wormerveer. Ontbrak Wim van de Kamp die avond bij het eten. En fietste hij pas de volgende dag naar -de ditmaal niet bij naam genoemde- Harm Gerssen, omdat er nu eenmaal een groepsontmoeting gepland stond. Uitgaand van de versie uit 1984 ging Rem samen met Van de Kamp naar Gerssen, die in de Koogse Prins Hendrikstraat 42 woonde. Gerssen bleek niet aanwezig. “Ik had een tas met bezwarend materiaal bij me [volgens de versie uit 1987 de springstof trotyl]. Ik besloot deze eerst weg te brengen naar Bets, eveneens te Koog-Zaandijk”, aldus Rem. “Toen ik op mijn fiets stapte, zag ik een auto met grote snelheid naderen. Ik was slechts enkele meters van het huis van Gerssen verwijderd, toen ik achteromziende deze auto zag stoppen voor het huis van Gerssen. Ca. 4 mannen sprongen uit de auto, die het huis zowel achter- als voorom binnendrongen. Ik heb toen aan het einde van de straat mij verdekt opgesteld. Ik kon zodoende Gerard Müller waarschuwen, die ook op weg was naar het huis van Gerssen.”

Harm Gerssen

Toen de auto even later passeerde, herkende Nico Rem tussen de andere inzittenden Harm Gerssen en Wim van de Kamp. Rem dook nu definitief onder en nam een nieuwe identiteit aan. Met enkele andere leden van de groep liep het minder goed af. Albert Hommersons Amsterdamse hospita vertelde de SiPo diens verblijfplaats in Renswoude. Daar werd Hommerson op 23 januari gearresteerd. De enkele huizen verderop wonende Cornelis Koetsier werd eveneens opgepakt. Hij had zijn huis meermalen beschikbaar gesteld als vergaderplaats. Ook Koos Heijdra, al op 22 januari, en Jan Eshuijs, twee dagen later, belandden in de cel.
Er werd tevens een poging gedaan om in Den Dolder Herman Lieve thuis te arresteren. Die was afwezig, maar wel ‘deed de verloofde van Lieve open’, schreef Rem. ‘Dit was een Joods meisje, dat in het bijzijn van Van de Kamp werd gearresteerd. Nadien heeft men niets meer van dit meisje vernomen.’ Dat meisje betrof de 18-jarige Sophia da Costa Senior. Haar naam stond al vermeld in het Algemeen Politieblad van 22 oktober 1942, met een verzoek om haar opsporing, aanhouding en voorgeleiding. Ze was zonder toestemming vertrokken uit haar woonplaats Arnhem en bij Lieve ondergedoken, aan de Dolderseweg 42. Behalve Sophia da Costa Senior hield de politie nog een tweede vrouw aan. Haar naam is onbekend gebleven. Da Costa Senior werd afgevoerd naar kamp Westerbork en vervolgens naar Auschwitz. Daar werd ze op 30 november 1944 vergast.

Wim van de Kamp

Volgens Nico Rem werkte Wim van de Kamp al voor hij naar de Zaanstreek kwam als vertrouwensman voor de Sicherheitsdienst. Dat zou verklaren waarom Louis Cornelis Dijkman op de dag van zijn geplande bevrijding uit het Westergasthuis werd overgeplaatst, hetgeen zijn redding onmogelijk maakte. Het zou tevens de reden zijn waarom Nico Rem na zijn arrestatie in het Centraal Station weer werd losgelaten. Van de Kamp kende geen namen van de oorspronkelijke verzetsgroep Koog-Bloemwijk, maar door Rem te schaduwen kon de Sicherheitspolizei wellicht alsnog achter zijn oude contacten komen.
Ook zou Van de Kamp na zijn al dan niet in scène gezette arrestatie de SiPo hebben geholpen door namen en adressen van andere groepsleden te noemen. Het mocht hem niet baten. Docter, Gerssen, Eshuijs, Heijdra, Hommerson, Koetsier én Van de Kamp werden al in februari 1944 door het Polizeistandgericht ter dood veroordeeld ‘op grond van het lidmaatschap van de geheime vereniging, die ten doel had het plegen van gewelddaden’.

Fragment van vragenlijst Oorlogsgravenstichting over Willem van de Kamp (Nationaal Archief)

Albert Hommersons broer Ben overlegde met de Alkmaarse KP-leider Fritz Conijn over de mogelijkheid om de gevangenen te bevrijden uit het Huis van Bewaring aan de Amsterdamse Weteringschans. Hun beoogde actie kwam te laat. Op 23 februari lazen ze in de krant dat het vonnis al was voltrokken. De zeven mannen waren die dag in de duinen bij Overveen geëxecuteerd. De initiatiefnemers van de groep Koog-Bloemwijk (Jan Breeker, Nico Rem, Gerhard Müller, Aart Brinkman, Ger Fraaij en Co van Riessen) haalden voor zover bekend allen wel heelhuids de bevrijding.

‘Uit de mode’

In 1946 schreef Ben Hommerson een brief aan de ouders van Koos Heijdra. Hij haalde herinneringen op aan ‘de kameraadschap die je met elkander had’. “En dan hindert het ook niets, als de toestanden niet altijd zijn zoals ze moesten zijn. Ook niet, dat de ‘illegalen’ alweer ‘uit de mode’ zijn, ook niet, dat je vaak het gevoel hebt, alles voor niets te hebben gedaan – en dat alles, wat je nog doet, tóch ‘niet helpt’. Wat geweest is, is niet voorbij, zonder meer. Het is wel degelijk geweest en het heeft zijn gevolgen gehad.”

In datzelfde jaar vond er een onderzoek plaats naar de arrestaties binnen de verzetsgroep Koog-Bloemwijk/groep-Kappie en de rol die Wilhelmus Hendrikus van de Kamp daarbij had gespeeld. Ook zijn mogelijke werkzaamheden als Vertrauensmann van de Sicherheitsdienst in Arnhem werden nagegaan. Het leidde ertoe dat Van de Kamps stoffelijke resten in 1948 werden verplaatst van de Eerebegraafplaats in Bloemendaal naar een begraafplaats in Arnhem. Cornelis Koetsier kreeg een laatste rustplaats in Renswoude. De andere mannen liggen bij elkaar in vak 30 op de Bloemendaalse Eerebegraafplaats.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Het verdwenen oorlogsmonument

Zijn familie is al decennia op zoek naar informatie over Hendrikus ten Napel (Wormerveer, 28-4-1923/Schwesing-Engelsbrug, 27-11-1944). De Wormerveerder stierf als dwangarbeider in Duitsland, maar heel veel meer is er niet bekend over zijn wederwaardigheden. En waar bleef de herinneringsplaquette die ergens in Wormerveer hing (hangt?) en die nog twee namen toont? Robert Hofman uit Urk schreef er onderstaande tekst over. Informatie is welkom via info@schaapschrijft.nl.

Hendrikus, ook wel geschreven als Hendricus, wordt geboren op 28 april 1923 te Wormerveer. Drie jaar eerder werd zijn broer Lubbertje (1920) geboren. Hendrikus is het tweede kind van Pieter ten Napel en Jannetje Lubbertjes Hakvoort. Na Hendrikus worden nog Tiemen (1926) en Harm (1929) geboren. Hendrikus groeit op in Wormerveer, in de Van Diemenstraat 5. Hij wordt timmerman. Hiernaast doet hij dienst bij de brandweer. Hier wordt een groepsfoto gemaakt. Later zal blijken hoe waardevol deze foto is. Als de oorlog aanbreekt duikt hij onder. Zeer waarschijnlijk om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen. Hij is 21 jaar, en dus willen de Duitsers dat hij gaat werken. Hendrikus besluit om onder te duiken bij zijn familie op Urk. Zijn zwager Geert Oost zit in het verzet en helpt hem aan een goede plek.

Hendrikus ten Napel

Helaas, het is augustus 1944 als het verzet op Urk wordt verraden. Geert Oost wordt gearresteerd. Op dat moment is Hendrikus er zeer waarschijnlijk ook bij, hij wordt ook gearresteerd. Naast Geert en Hendrikus zijn er nog vier personen. De Duitsers verhoren iedereen op Urk, in de gereformeerde pastorie. Iedereen komt vrij, behalve Geert en Hendrikus. Men besluit Geert te werk te stellen te Arnhem, bij vliegveld Deelen. Hier moet hij bomtrechters dichtmaken. Hendrikus wordt als onderduiker behandeld. Er is geen genade blijkbaar. Hij wordt op transport gezet naar Kamp Amersfoort. Vanaf Amersfoort wordt hij verder op transport gezet naar Neuengamme. Hier komt hij aan op 10 september 1944. Op het hoofdkamp Neuengamme wordt hij doorgestuurd naar sub-kamp Husum-Schwesing. Mogelijk dat hij ook te Ladelund heeft gewerkt. Hendrikus kan het werk en de ontberingen niet aan. Hij sterft al enkele maanden na zijn arrestatie op 27 november 1944, om 04.37 uur te Schwesing-Engelsbrug. Een dag later, op 28 november wordt Hendrikus begraven op het Ostfriedhof te Husum.

Rode Kruis

Nog geen jaar later is de bevrijding in Nederland eindelijk een feit. In huize Oost is men opgelucht. Geert heeft de oorlog overleefd, maar zal last blijven houden van de oorlog, letterlijk en figuurlijk. Zijn beste vriend Piet Brouwer is opgepakt en heeft ternauwernood de oorlog overleefd. Later blijkt dat hij na de bevrijding alsnog in Duitsland overlijdt. Neef Hendrikus is spoorloos. Waar hij is gebleven weet de familie niet. Zijn ouders verkeren in onzekerheid. In juni plaatst Geert twee advertenties, in Trouw en in Strijdend Nederland, met een oproep voor Hendrikus. Er komt geen bericht binnen. Het is meer dan een jaar later als het Rode Kruis bericht heeft voor de familie. Op 16 augustus 1946 ontvangt vader Pieter een schrijven van het Rode Kruis: “Naar aanleiding van Uw aanvraag, deel ik U hierdoor mede, dat U thans bij den Ambtenaar van den burgelijken stand te Wormerveer, een extract uit het overlijdensregister, ten name van den heer Hendrikus ten Napel, geboren 28 april 1923 kunt aanvragen.” Het enige dat aan Hendrikus herinnert is de groepsfoto van de brandweer. Een uitsnede wordt gemaakt en ingelijst. De familie bewaart deze tot op de dag van vandaag. Hendrikus ten Napel wordt herdacht op een plaquette te Wormerveer. Op de plaquette staan drie namen, wellicht van Zaanse brandweervrijwilligers: Jan Arend Grobbe (Alphen aan de Rijn, 18-2-1917/gefusilleerd in Westerbork, 12-10-1944), Willem de Jong (Wormerveer, 18-4-1922/Zaandam, 5-10-1945) en Hendrikus ten Napel.

Strijdend Nederland (16-6-1945)

Jan Arend Grobbe

Nog een paar details, in aanvulling op de tekst van Robert Hofman. Jan Arend Grobbe was handelsreiziger en woonde in Groningen. Hij en zestien andere mannen eindigden hun leven voor het vuurpeloton, in wat de grootschaligste fusillade was in kamp Westerbork. Grobbe was betrokken bij twee verzetsorganisaties, de K-groep en de Nulgroep. Die hielden zich vooral bezig met het huisvesten van joden en andere onderduikers en het sjoemelen met bonkaarten. Door een infiltrant van de Sicherheitsdienst viel de K-groep in handen van de Duitsers. Op 12 oktober 1944 werden de over twee groepen verdeelde zeventien gevangenen vlakbij het crematorium van Westerbork met karabijnen gedood. De stoffelijke resten werden gecremeerd.

Jan Arend Grobbe (Oorlogsgravenstichting)

Willem de Jong

Willem de Jong (geboren in Wormerveer, aldus de plaquette, maar in Wormer volgens zijn overlijdenscertificaat) was ongehuwd. De vijf maanden na de bevrijding gestorven fabrieksarbeider woonde ten tijde van zijn dood in Wormerveer. Over hem is verder niets bekend. Dat geldt ook voor de vraag of zijn lijdensweg, zoals verwoord in de rouwadvertentie, een resultaat was van doorstane ontberingen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De Zaanstreek (10-10-1945)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Hoe omvangrijk was het joodse verzet?

In mei 2021 maakte het NIOD bekend een onderzoek te willen starten naar het joodse verzet in Nederland. Was dat bovengemiddeld, in vergelijking met de niet-joodse illegaliteit? Of lieten de joodse inwoners zich, zoals de beeldvorming soms wil doen geloven, slaafs naar de kampen sturen? Een voorzichtige steekproef, aan de hand van de Zaanse weerstand tussen 1940 en 1945.

Begin 2021 publiceerde Martijn Katan zijn boek Geen makke schapen. Daarin vertelt hij over tien joodse familieleden die tijdens de oorlog in verzet kwamen tegen het nazistisch regime in Nederland. Volgens Katan boden joden gemiddeld vijf maal vaker verzet dan niet-joden. ‘Natte-vingerwerk’ nuanceerde hij dat aantal overigens zelf, want over betrouwbare bronnen beschikte hij niet of nauwelijks. Maar dat er verhoudingsgewijs veel meer joden dan niet-joden in het verzet belandden, wist Katan zeker. “Zelfs de namen die we kennen, leiden al tot een percentage dat relatief twee keer zo hoog is als van de Nederlanders. En misschien waren het er heel veel meer”, zei hij tegen Nieuwsuur.

Historicus David Barnouw stak zijn scepsis over de door Katan genoemde percentages niet onder stoelen of banken. Op de website van Jonet benadrukte hij hoe moeilijk het is om getallen te noemen. Hanteer je de krappe verzetsdefinitie van Loe de Jong, die alleen het georganiseerde Nederlandse verzet telde en uitkwam op 45.000 illegalen? Ga je uit van de redenering van Dick Verkijk? Deze publicist rekende allen mee ‘die in positieve zin iets (tot heel veel) hebben gedaan in 1940-1945’. Zijn schatting van het aantal verzetsstrijders kwam daardoor op ruim 2,5 miljoen (op een bevolking van negen miljoen).
Of, veel waarschijnlijker, ligt de waarheid ergens tussen de aannames van De Jong en Verkijk? 

Joods Monument Zaanstreek

De ellende begint al bij de vraag wie er joods was. Moet je bijvoorbeeld uitgaan van de mensen die zichzelf joods noemden en daarmee de seculiere en andersgelovige mensen met een joodse herkomst negeren? Of hanteer je -hoe pijnlijk ook- de nazistische definitie? Die kwam er, sterk samengevat, op neer dat mensen met drie of vier joodse grootouders zelf ook automatisch joods waren. Hun voorbestemming was het concentratie- of vernietigingskamp.

Op het Joods Monument Zaanstreek staan de verhalen van alle Zaanse bewoners die in 1942 hun gemeente moesten verruilen voor het Judenviertel van Amsterdam of -de buitenlandse joden- kamp Westerbork. Daarnaast zijn op deze website lemma’s te vinden over de joodse onderduikers in de negen Zaangemeenten. Uitgaand van deze ‘database’ vol verhalen is tot op grote hoogte te herleiden wie van hen zich op enig moment op het illegale pad begaven.

Ik ga daarbij niet uit van de strakke normering die Loe de Jong hanteerde. Het zou betekenen dat mensen die niet in groepsverband weerstand boden, zoals individuele helpers van onderduikers, buiten de ‘verzetsdefinitie’ vallen. Tegelijkertijd wil ik de criteria niet zover oprekken dat de Koot-en-Bie-norm resteert (‘Wo ist der Bahnhof?’ ‘Do ist der Bahnhof.’).
Van onderstaande joodse personen is bekend dat zij zich in oorlogstijd bezighielden met koeriersdiensten, illegale pers, hulp aan onderduikers, vluchtacties of soortgelijke het regime ondermijnende werkzaamheden. Het betreft twee categorieën. Ten eerste de Zaanse inwoners die in de bezettingstijd als ‘voljood’ werden geregistreerd of als zodanig conform de toen geldende regels als zodanig geregistreerd hadden moeten worden (zie het lemma over het gezin van Theodor Strauss). En ten tweede de joodse mannen en vrouwen die voor kortere of langere tijd onderdoken in de Zaanstreek. Beide categorieën bij elkaar opgeteld, betreft het -alle leeftijden meegeteld- ruim zevenhonderd personen.

Zaanse bewoners:

Samuel de Beer (Den Haag, 16-5-1887) zou actief zijn geweest binnen het Zaanse verzet. Zijn rol daarin is overigens onduidelijk. Dat geldt niet voor zijn zoon Fred (6-2-1915). Die maakte tijdens de oorlog deel uit van de leiding van de illegale CPN in Zaandam en hield zich onder meer bezig met sabotageacties.

Ellen Justine Inja-Weijl (Enschede, 13-7-1903) en haar man Cor Inja hielden zich jarenlang bezig met de hulpverlening aan joden binnen en buiten de kampen.

Samuel de Lange (Amsterdam, 17-2-1906 – Dachau, 4-2-1945) komt voor op de ‘Erelijst Verzet en Koopvaardij’. Zijn arrestatie in maart 1944 maakte dat hij zijn verzetswerk niet kon voortzetten.

Hertha Poppert-Speier (Fritzlar, 11-11-1913) verzorgde vanaf 1941 Belgische cartes d’identité ten behoeve van mensen die Nederland wilden verlaten. 

Mina Smit (Zaandam, 27-11-1917) verborg samen met haar man Henk Blank onderduikers en bracht het ondergrondse blad Trouw rond. 

Theodor Strauss (Berlijn, 15-10-1904) hield zich voor de Groep-Albrecht bezig met spionage. Zijn echtgenote Marga (Dortmun, 14-3-1913) bezorgde gedurende de laatste oorlogsmaanden het ondergrondse blad De Typhoon.

Onderduikers in de Zaanstreek:

Isidor Berliner (Keulen, 25-1-1891), Erna Berliner-Schwarz (Keulen, 8-11-1897) en Doris Berliner (Keulen, 29-3-1929). De ondergedoken vluchtelingenfamilie Berliner verleende allerlei hand- en spandiensten aan het verzet, waaronder het rondbrengen van illegale kranten.  

Lore Zilly Durlacher (Duitsland, 3-12-1920) bevrijdde onder meer, samen met andere veelal joodse leden van de Westerweelgroep, gevangenen uit kamp Westerbork.

Eva Fränkel (Beuthen, 19-2-1918) was via Amsterdamse kunstenaarsconnecties actief in de illegaliteit.

Harry Führer (Keulen, 29-3-1924) bracht via het studentenverzet boodschappen over en bouwde op hun verzoek een onopvallende kristalradio.

Beppie Nunes Nabarro-Ephraïm (Amsterdam, 24-10-1920) was koerierster voor de Zaandamse verzetsman Piet Bosboom en verzorgde onderduikers.

Anna Sperber-Chlebowksi (Keulen, 8-12-1920 – Ravensbrück, 20-4-1945) sloot zich met haar man Gert aan bij de verzetsgroep van Joop Westerweel.

Helene Hertha Wohlfarth-Katz (Offenbach, Duitsland, 14-4-1909) vertaalde teksten uit het Duits voor de illegale pers.

Veel vrouwen

Aan bovenstaande namenlijst vallen een paar dingen op. Toen vier decennia na de bevrijding duizenden Verzetsherdenkingskruizen werden uitgereikt, was daarvan eenderde voor vrouwen. Maar hierboven staan elf joodse verzetsvrouwen en slechts vijf mannen. Het is een opvallend verschil met het algemeen geldend beeld van de ondergrondse werkers in Nederland.
Verder worden hierboven negen onderduikers in de Zaanstreek en zeven Zaans-joodse inwoners genoemd. Bij de laatste groep bevinden zich vijf personen die gemengd gehuwd of dankzij valse documenten ‘ontjoodst’ waren. Het betekende dat zij in beginsel niet naar een concentratie- of vernietigingskamp hoefden en dus meer verzetsmogelijkheden hadden dan degenen die al in 1942 of ’43 een oproep kregen om naar Westerbork te vertrekken.
Voor de joodse onderduikers die in verzet kwamen, geldt dat het merendeels vluchtelingen uit nazi-Duitsland betrof. Zij hadden al in de jaren dertig de gruwelen in hun vaderland ervaren en waren daardoor beter voorbereid op een ondergronds bestaan dan de oorspronkelijk Nederlandse joden, die gaandeweg en vaak te laat ondervonden wat de nationaalsocialistische plannen waren.

Hoger aandeel

Uitgaand van bovenstaande namen en alleen de betrokkenen van achttien jaar en ouder tellend, kom ik uit op 2% van de ‘autochtone’ joodse Zaankanters en 3% van de joodse onderduikers in de Zaanstreek die zich ontwikkelden tot verzetsstrijder. Volgens Loe de Jong nam 0,5% van de bevolking in Nederland deel aan het verzet, maar dat was inclusief alle kinderen en jongeren. Zelfs als die niet worden meegeteld (ongeveer eenderde van de totale populatie), blijft het percentage dat De Jong aan het verzet toeschreef ruim onder de 1%. De Zaanse cijfers vertalend naar heel Nederland zou je kunnen concluderen dat de joodse deelname aan het verzet drie tot vijf keer hoger lag dan het aandeel van de niet-joodse bevolking. Dat is dus aardig in lijn met het ‘natte-vingerwerk’ van Martijn Katan.

Maar…

Tegen deze berekening kunnen de nodige bezwaren worden ingebracht. De mate van verzet verschilde per regio, en dus ook het verzet waarbij joden betrokken waren. Zo is bekend dat in de Zaanstreek relatief meer illegale activiteiten plaatsvonden dan elders in Nederland. Dat kan van invloed zijn op de genoemde percentages.
Verder hanteerde zoals gezegd Loe de Jong een smalle definitie van verzet, waardoor meerdere van bovengenoemde namen waarschijnlijk niet aan zijn criteria voldeden. Er bestaan bovendien geen kant en klare lijsten van verzetsstrijders, en al helemaal geen overzichten met joodse illegalen in de ene en niet-joodse in de andere tabel, waardoor een volledige betrouwbare vergelijking mogelijk is. En zo zijn er nog wel wat kanttekeningen te plaatsen.
Het maakt het aangekondigde NIOD-onderzoek naar het joodse verzet in Nederland des te pregnanter.

Amsterdams monument voor de joodse verzetsstrijders die de oorlog niet overleefden (Wikipedia)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De Zaanstreek als overtreffende trap

Sinds 2006 publiceer ik boeken en artikelen over de jaren 1940-1945. Dat levert steevast twee vragen op. Moet dat nou, nóg een oorlogsverhaal? En waarom gaat het steeds over de Zaanstreek?

Over de Tweede Wereldoorlog verschenen alleen al in Nederland duizenden boeken. De zwartste periode van de twintigste eeuw blijft schrijvers inspireren. Keer op keer duiken er gegevens op die leiden tot nieuwe bevindingen. Geen wonder: zelden was er een periode in de geschiedenis die én zo massaal het ultieme goed en kwaad toonde én zo uitputtend gedocumenteerd werd. Wie wil trachten de beweegredenen van de mens te doorgronden, kan zijn hart ophalen in de steeds toegankelijker oorlogsarchieven. Bovendien lijkt de belangstelling voor de bezettingsjaren nog altijd niet tanende. Films als Bankier van het verzet en De slag om de Schelde trokken honderdduizenden naar de bioscoop. En een boek als ‘t Hooge Nest is niet uit de bestsellerlijsten te slaan. De regelmatig terugkerende vraag of het nou echt moet, nog meer oorlogsboeken, beantwoord ik dan ook met een volmondig ja.

Het eerste boek over de Zaanstreek tijdens de Tweede Wereldoorlog (1946)

Dan die tweede vraag. Bij veel -niet alle- van mijn publicaties over de jaren 1940-1945 speelt de Zaanstreek een rol. Ik ben overigens niet de enige die deze regio als decor kiest. Er zijn inmiddels enkele tientallen boeken uitgebracht over de Zaanstreek in oorlogstijd. En het eind is nog niet in zicht. Ik weet dat er op dit moment minstens vijf oorlogsboeken in de maak zijn waarin de voormalige gemeenten rond de Zaan figureren. Weinig gebieden in Nederland zullen kunnen bogen op zo’n immense stapel bezettingsliteratuur. Bovendien duikt de Zaanstreek regelmatig op in oorlogsboeken over elders te vinden personen en gebieden. Het is mede een indicatie van de rol die deze regio destijds had.

Het uitzonderlijke

De redenen voor die schijnbare overvloed zijn volgens mij grotendeels gelegen in het uitzonderlijke. Laat ik die uniciteit illustreren aan de hand van een opsomming.

-SS-leider Hanns Albin Rauter verklaarde na de oorlog ‘dat de gehele Zaanstreek in zeer sterke mate opviel door communistische acties’.
-Nergens in Nederland deden verhoudingsgewijs zoveel mensen mee aan de Februaristaking als in de Zaanstreek.
-Die staking hield bovendien nergens zo lang aan als rond de Zaan.
-Van de slechts zes foto’s die wereldwijd bekend zijn met beelden van deze massale werkonderbreking zijn er vier in Zaandam gemaakt.

Februaristaking op de Dam (25-2-1941)

-De Zaandamse Artillerie-Inrichtingen waren de eerste oorlogsjaren de belangrijkste wapens- en springstoffenleverancier aan het Nederlandse verzet.
-De spin in het web van de Nederlandse illegaliteit, Walraven van Hall, woonde in Zaandam.
-Zaandam was de eerste Nederlandse gemeente die, in 1942, ‘Judenrein‘ werd gemaakt.
-De familie Strauss was bij mijn weten de enige joodse familie in Nederland die tussen 1940 en 1945 onder de eigen naam op het eigen huisadres kon blijven wonen.

De familie Strauss (1942)

-De allereerste gevangenen die uit Durchgangslager Westerbork ontsnapten, waren de drie leden van het Zaandamse gezin Pollak.
-Tijdens de Spoorwegstaking van 1944 legden de medewerkers van NS-station Zaandam als eersten in Nederland het werk neer.

Stof te over

Voeg daar aan toe het bovengemiddelde anti-nazistische verzet in de Zaanstreek, de vele Zaanse kopstukken in de landelijke illegaliteit, het relatief hoge aantal joodse onderduikers in de Zaanstreek, de bijzondere samenwerking binnen het Zaanse verzet die regelmatig de verzuiling ontsteeg, en de deelname van de Zaanse bevolking aan alle drie de grote werkonderbrekingen tijdens de oorlog (Februaristaking, April-meistaking, Spoorwegstaking) en de conclusie is getrokken: stof te over voor artikelen en boeken over de oorlog in de Zaanstreek.

In januari 2022 komt er overigens -ijs en weder dienende- een nieuw boek van me uit. Het speelt grotendeels tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Zaanstreek vormt het decor. En ook hier geldt de overtreffende trap, in de persoon van hoofdrolspeelster Franci Siffels. In heel Nederland is namelijk geen andere vrouw te vinden die in de korte tijd die haar gegeven was zoveel mensen verraadde, met veelal dodelijke gevolgen.

U bent gewaarschuwd.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Belangrijkste verzetsman

Eerste jodendeportaties.

Eerste ontsnapping uit Westerbork.

Familie Strauss

29 juni 1940: de dag dat de republikeinse Zaanstreek monarchistisch werd

De ‘rooie’ Zaanstreek is tijdens de jaren dertig in meerderheid republikeins en anti-Duits ingesteld. Maar op 29 juni 1940 stromen de straten opeens vol met mensen die een eerbetoon brengen aan prins Bernhard. Anjerdag, de eerste massademonstratie tegen de bezetter, is een feit.

De Zaanstreek doet tijdens de Tweede Wereldoorlog mee aan elk grootschalig protest tegen het heersende bewind. De bekendste zijn de Februaristaking (1941), de April-/meistaking (1943) en de Spoorwegstaking (1944-’45). Maar de eerste keer dat brede lagen van de bevolking zich tegen de nazistische machthebbers keren is Anjerdag, 29 juni 1940.

Dat de Zaankanters zich die dag zo massaal achter het koningshuis scharen, is geen vanzelfsprekendheid. De plaatselijke politiek wordt al decennia beheerst door socialisten en communisten, die tijdens het interbellum respectievelijk schoorvoetend en geen toenadering hebben gezocht tot het Oranjehuis. Dat sentiment krijgt in de meidagen van 1940 extra voeding, omdat koningin Wilhelmina en haar familieleden dan naar Engeland vluchten. Velen beschouwen dat als een laffe actie. Maar op zaterdag 29 juni 1940 slaat de stemming om. De aanleiding: de verjaardag van een (nota bene Duitse) prins.

‘Walgelijk’

Prins Bernhard is het eerste lid van het koningshuis dat na de bezetting van Nederland zijn verjaardag kan vieren. Door op 29 juni een anjer in het knoopsgat te steken -iets dat Bernhard ook met grote regelmaat doet-, etaleren veel Nederlanders hun weerzin tegen de nazi’s. Dat gebeurt verspreid over heel Nederland, en er doen tienduizenden mensen aan mee. NSB-leider Anton Mussert komt dan ook adem tekort om deze rebellie te veroordelen. “Terwijl uit Engeland, de verblijfplaats van deze man [Bernhard], de Engelse bommenwerpers opstijgen om dood en verderf te zaaien in ons volk, tooit het geestelijk rapaille zich met witte anjers ter ere van Prins Bernhard om zo hun Vaderlandsliefde te tonen”, schrijft hij in partijblad Volk en Vaderland. “Het is ontzettend, het is walgelijk.”

29 juni. Mensen leggen bloemen bij paleis Noordeinde in Den Haag, bij het standbeeld van Willem de Zwijger (Haags Gemeentearchief)

Tientallen gemeentebesturen geven openlijk of oogluikend steun aan de sympathiebetuigingen. Maar in Zaandam wordt geaarzeld. Burgemeester Joris in ‘t Veld heeft anderhalve week eerder een bericht ontvangen van de provinciecommissaris. Die schreef dat het College van secretarissen-generaal het wenselijk vond ‘dat met het oog op de rouw waarin ons land op het ogenblik verkeert voorlopig geen Nederlandse vlaggen worden getoond’. De commissaris voegde daar aan toe dat hij persoonlijk geen bezwaar had ‘tegen het dragen van een oranjestrik of -sjerp van cocardes en dergelijke in de nationale kleuren’.

Anthonie Jan van Doorn

Die zaterdagmiddag dragen overal in de Zaanstreek mensen witte anjers of oranje strikjes op hun kleding. Zelfs politie-inspecteur Anthonie Jan van Doorn heeft zo’n strik op zijn uniform gespeld. Hij moet niets hebben van de nieuwe machthebbers, en is bereid om daar consequenties aan te verbinden.

Rond half vijf komen er meerdere verontrustende meldingen binnen op het Zaandamse politiebureau: een aantal NSB’ers ontdoet de Zaankanters die ze tegenkomen hardhandig van hun Orangistische steunbetuigingen. Van Doorn stuurt onmiddellijk een surveillancegroep op pad. Zelf rijdt hij met de dienstauto noordwaarts de Westzijde af, omdat de fietsende nationaalsocialisten die kant op zouden zijn gegaan. Hij treft de vijftien bloemen stelende zwarthemden aan in Zaandijk. Daarop neemt Van Doorn contact op met Johannes van Wordragen. Die is bereid om in te grijpen. Het leidt ertoe dat deze plaatselijke NSB-leider zijn inmiddels tot Wormerveer gevorderde partijgenoten het bevel geeft om onmiddellijk terug te fietsen naar het Kringhuis in Zaandam. De rust keert terug. Voor even.

Hoofdinspecteur Anthonie Jan van Doorn, 1941

Engelsche propaganda’

Hoofdagent Johannes Blakenburg bevindt zich rond zeven uur ‘s avonds in het bureau aan de Vinkenstraat. Daar verzamelen zich voor- en tegenstanders van het nieuwe bewind; zo’n tien tot vijftien geüniformeerde NSB’ers en drie burgers. Uit de laatste groep klinken klachten; bij een hunner is ‘een oranjestrikje, dat hij in het knoopsgat van zijn jas droeg, afgerukt’. De dader, Johan Vis, staat erbij en geeft zijn diefstal grif toe. “Bij meerdere personen hebben wij reeds oranje of een bloem van hun jas gerukt”, verklaart hij trots tegen Blakenburg. “Dit is ons door onzen leider, het hoofd van de Weerafdeling, opgedragen en geschiedt thans over het geheele land, daar het dragen van oranje of van een bloem op dezen dag Engelsche propaganda is. Er is geen Nederlandsche regeering meer en wij houden ons dus niet meer aan de Nederlandsche wetten.” Vis verwijst naar hoofdinspecteur Van Doorn, ‘die er alles van weet’ sinds zijn ontmoeting met Van Wordragen. Het is voor Blakenburg aanleiding om de hoofdinspecteur te bellen.

Johannes Blakenburg, 1928

Rond half acht stapt Van Doorn het politiebureau binnen. Er ontstaat een woordenwisseling. Van Doorn tegen Van Wordragen: “Ik zou wel eens willen zien dat iemand de moed had mijn oranjestrikje weg te nemen.” Dat laat Vis zich geen twee keer zeggen. Blakenburg: “Hij zeide tegen I.v.P. v. Doorn, dat hij hem op de straat het oranjestrikje niet van zijn jas had willen wegnemen, om het prestige van de politie niet te schaden (althans woorden van gelijke strekking) en nam toen met een vlugge onverwachte beweging het oranjestrikje weg dat I.v.P. v. Doorn op zijn jas droeg.” De inspecteur reageert ontdaan: “Dat is toch het toppunt, ik arresteer je.” Hij loopt de gang in om Vis in de cel te zetten. “Deze riep luidkeels: ‘Jongens, ze arresteeren mij.’ Toen ik voor de deur van de agentenwacht stond, zag ik agent Jelsma daar staan met de hand aan den revolvertasch, terwijl een agent iets verderop stond, ik meen dat het Mus was, met getrokken revolver.”

Gespannen

Er dreigt een schietpartij in het hoofdbureau van politie. Van Doorn: “De atmosfeer was zeer gespannen. Ik voelde, dat de NSB’ers op mijn bevel om het bureau te verlaten, op z’n zachtst uitgedrukt, zeer hardhandig uit het bureau zouden worden gewerkt en dat ik de agenten niet in de hand zou kunnen houden.” Hij besluit daarom te de-escaleren. “Laat maar”, zegt hij tegen zijn collega’s, en hij vraagt Vis om mee te lopen naar zijn werkkamer. Daar leest de politieman hem de les en eist hij zijn oranjespeldje terug. Dat gebeurt. Ook krijgt Van Doorn excuses. Die herhaalt Vis, op aandrang van Van Doorn, tegen agent Blakenburg. De kou lijkt uit de lucht.

Het hoofdbureau van politie in de Vinkenstraat

Pyrrusoverwinning

Volgens Johannes van Wordragen, inmiddels ook in het bureau gearriveerd, heeft de Amsterdamse NSB-districtsleider hem verteld dat de hoofdstedelijke politie de opdracht heeft om op te treden tegen de dragers van oranje en witte protestsymbolen. Het is voor Van Doorn aanleiding om Joris in ‘t Veld te bellen. “De Burgemeester zeide mij, dat hij er alles voor voelde om het in Zaandam rustig te houden en gaf mij toen in overweging om zelf de zaak ter hand te nemen.” Van Doorn gaat akkoord, onder één voorwaarde: alle geüniformeerde NSB’ers moeten van straat. Dat vertelt hij ook tegen Van Wordragen en Vis. “Beiden beloofden mij dat dit zou gebeuren.”

Het is een pyrrusoverwinning. Het zittend regime slaat hard terug. Generaal Henri Winkelman, die de Anjerdag openlijk steunde, wordt gevangen gezet. Er komt een verbod op de vermelding van leden van het koningshuis in de kranten en op de radio. De padvinderij, die de monarchistische demonstranten op 29 juni heeft geholpen, wordt opgeheven. Er mag voortaan alleen naar Nederlandse en Duitse zenders worden geluisterd. En op 1 augustus 1940 maakt de bezetter bekend dat deelnemers aan pro-Oranjedemonstraties zware straffen te wachten staan. Het werkt. Vijf weken later wordt koningin Wilhelmina zestig jaar. Op straat is het stil.

Het lijkt er op dat Anjerdag de nekslag is voor de toch al met zijn gezondheid kwakkelende Anthonie Jan van Doorn. Onmiddellijk na afronding van zijn rapport over de gebeurtenissen van die dag meldt hij zich ziek. Hij keert niet meer op het bureau terug en overlijdt op 3 mei 1943 aan een slopende aandoening.
Een andere hoofdrolspeler uit dit artikel, Johannes Antonius van Wordragen, wordt in 1944 aangereden en overleeft dat niet.
Zijn partijgenoot Johan Arie Vis zegt uit onvrede over Van Wordragen in december 1940 zijn NSB-lidmaatschap op. Hij accepteert een baan bij de Wehrmacht, pleegt in 1943 in Zaandam een overval om joods roofgoed te bemachtigen en belandt na de bevrijding in de gevangenis.
Hoe het de laatste hoofdpersoon van dit verhaal verder verging, de sinds 1925 bij de Zaandamse politie werkende brigadier Johannes Blakenburg, is me onbekend.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Nazihandlanger/publicist M. Duyvis uit Zaandam

Aan het christelijke Nederlandsche volk zag het daglicht in januari 1941. Het boek ‘werd in beslag genomen en, nadat men gepoogd had mij voor gek te verklaren, weer vrijgegeven door de daartoe bevoegde instanties in Nederland’. Dit warrige politieke schotschrift vloeide voort uit het brein van oud-Zaankanter M. Duyvis. Wie was deze fanatieke antisemiet en Hitler-aanbidder?

De (bijna?) gekverklaarde auteur -het vergt hier te veel ruimte om het hoe en waarom te duiden- plaatste voorin Aan het christelijke Nederlandsche volk een foto van zichzelf. Te zien is een oudere heer achter een degelijke typmachine. Hij kijkt met een ietwat gekwelde blik langs de lens. Zijn 268 pagina’s tellende, tweedelige boek eindigt met een foto van de Führer, ‘onze Groote Broer’. De tussenliggende tekst is een mix van jodenhaat, nazisupport en opschepperij over de groten der aarde die Duyvis zou hebben ontmoet dan wel geholpen. Het is het verhaal van een nationaalsocialistische pocher op leeftijd. Zijn in het voorjaar van 1941 vrijgegeven schrijfsel belandde na de bevrijding op de mestvaalt van de geschiedenis, ondanks dat de auteur het vier jaar eerder nog een enorm succes noemde. Ook de schrijver zelf verdween uit het zicht. Wie was deze publicist?

M. Duyvis

Een paar bijna willekeurige citaten uit Aan het christelijke Nederlandsche volk maken veel duidelijk. Laat ik beginnen met de lange openingszin van het boek: “Nu meer en meer het besef begint door te dringen, dat niets en niemand de wording van het nieuwe Europa, opgebouwd in nationaal-socialistischen en fascistischen geest, zal vermogen te weerstaan en velen in hun gesprekken uit laten komen overtuigd te zijn, dat de oude orde welke Engeland met zijn verschillende handlangers trachtte te handhaven, binnen afzienbaren tijd tot het verleden zal behooren, zonder evenwel het juiste begrip te hebben, hoe deze ontwikkeling historisch gegroeid is, lijkt het mij nuttig aan de hand van de feiten, na te gaan, hoe het zaaien van corruptie door Frankrijk en Engeland als oogst heeft doen ontstaan de vernietiging van deze landen.” Een eind verderop kan Duyvis niet nalaten te beweren dat zo ongeveer al zijn eerdere voorspellingen zijn uitgekomen, maar dat geldt dus niet voor deze langdradige start van zijn boek.

Een andere quote: “Het moet U toch duidelijk zijn, volksgenooten, in welken toestand de plutocraten, vrijmetselaars, joden enz., van Engeland, Amerika en Frankrijk hun bondgenoot Italië met het verdrag van Versailles hebben achtergelaten.” Voortbordurend op deze complottheorie wijst Duyvis vervolgens keer op keer de joden en vrijmetselaars aan als aanstichters van vrijwel al het kwaad in de wereld. De kop van één van zijn hoofdstukken vat zijn gedachtegoed samen: “Hoe de democratische vrijmetselaars en joden-gezelschappen hun rottigheden verbergen door gebruik te maken van de christelijke vlag.”

Tegenover deze boosdoeners staat zijns inziens Adolf Hitler, de geduldige vredestichter. “Dat Hitler de juiste man is op de juiste plaats, zal vriend en vijand moeten toegeven. Wat hij voor het Duitsche volk gedaan heeft en wat hij nu bezig is te doen voor de geheele wereld (en hij zal slagen, dat verzeker ik U) is enorm. (…) Deze heilige met zijn idealen wordt aangebeden door 90 millioen Duitschers en ik voorspel U, dat in zeer korten tijd, alle Germaansche volken van Europa hem zullen opeischen als hun heilige, dezen eenvoudigen man.” Het is ideologische wartaal, kwaadaardige onzin. En dat dus 268 pagina’s lang.

Citaat uit Aan het christelijke Nederlandsche volk

Uit zijn tekst valt op te maken dat Duyvis rond 1900 een rijwielfabriek had, eerst in Rotterdam en daarna in Schiedam. Deze vader van twee dochters (geboren in 1902 en 1905) woonde aanvankelijk op de Heemraadssingel, maar in 1940 op de Rochussenstraat 105a, beide in Rotterdam. In 1906 verloor hij zijn linkerbeen. Toen hij viel reed er een tram overheen. Wellicht betekende dit ongeluk het begin van het einde van zijn fietsbedrijf, want dat werd in 1908 failliet verklaard. Duyvis vertrok daarop naar Turijn. Daar werkte hij enkele jaren in de Fiat-fabriek. In 1915 reisde hij naar Nederlands-Indië, waar hij een aantal maanden verbleef. In 1919 keerde hij terug naar Nederland, na opnieuw enkele jaren Italië.

Arnhemsche Courant (25-4-1906)

Een kleine rekensom op basis van zijn mededeling een jaar jonger te zijn dan Hendrik Colijn leidt tot de conclusie dat M. Duyvis in 1870 ter wereld kwam. Maar daarna meldt deze boerenzoon tot vijf keer toe 66 te zijn, waaruit voortvloeit dat hij rond 1874 geboren is. Hij kreeg de voornaam van zijn vaders vader, maar noemt die alleen terloops. (“Tinus, ik ben in Nederland”, citeert hij zijn broer). Dat drie jaar jongere broertje kreeg overigens de voornaam van zijn moeders vader, Freek. Uit Duyvis’ verhaal valt verder af te leiden dat hij vanaf zijn tiende naar de (particuliere) christelijke school aan het Zaandijkse Darmenpad (de tegenwoordige Smidslaan) ging. Daar kreeg de latere NSB’er -slechts- twee jaar les van de enige leraar ter plekke, de heer Breebaart (‘want van de andere scholen was ik weggejaagd geworden, wegens mijn karakter.’). Toen hij veertien was, woonde de schrijver naar eigen zeggen in Zaandam.
Tot zover de aanwijzingen die naar de verdere personalia van M. Duyvis moesten leiden.

Citaat uit Aan het christelijke Nederlandsche volk

Het zijn genoeg bouwstenen om Duyvis’ levensloop te achterhalen. Hij bleek in werkelijkheid Duijvis -met een ij- te heten en een zoon te zijn van de in Zaandam geboren veehouder Pieter Duijvis (21-7-1842) en van Catharina Petronella Duijvis-Schweeke. Zij kwam op 16 oktober 1836 ter wereld in Monnickendam, de plaats waar ook onze auteur geboren werd. Dat gebeurde op 4 mei 1875. De boreling ging als Martinus de boeken in. Zijn broertje ‘Freek’ heette voluit Frederik Willem en was inderdaad drie jaar jonger.

Dat Martinus Duijvis in Monnickendam het licht zag, had alles te maken met zijn moeder. Een jaar voor Martinus’ geboorte verhuisde zijn vader van Zaandam naar het vissersdorp, waar hij op 29 maart 1874 met Catharina in het huwelijk trad. Nog geen drie jaar later keerde Pieter met zijn vrouw en oudste zoon terug naar de Zaanstreek. Niet naar Zaandam overigens, maar naar Assendelft. Dat was ook het dorp waar Freek werd geboren. De familie ging wonen bij Pieters broer Gerrit Duijvis, eveneens een veehouder.

Vijf jaar later, in 1882, verruilde het gezin Duijvis -op Martinus’ zevende verjaardag- Assendelft voor de Vaartdijk 420 in Westzaan. Weer vier jaar daarna ging het nog een paar kilometer oostelijker, naar het Jan de Wittepad 347 in Koog aan de Zaan. En van daar verhuisde het gezin naar de Oranjestraat G363, vlakbij het Zaandamse treinstation. Pieter Duijvis was inmiddels afgezakt van boer tot arbeider.

Armoede

De armoede tekende het gezin. Het was in deze periode dat Martinus Duijvis de arbeidersvoorman Ferdinand Domela Nieuwenhuis hoorde, en in de ban raakte van diens retoriek. Citaat: “Ik woonde te Zaandam en ging met mijn vader naar een vergadering op de Oostzijde, waar hij spreken zou. Ik was pas veertien jaar, maar heb nooit vergeten wat hij zei, en Domela is een van mijn leiders geweest in heel mijn verder leven en mijn zwerftochten over de wereld. Hij was de paal waartegen mijn persoonlijke jonge levensboom kon opgroeien.” Hoe lang zijn passie voor het anarchisme overeind bleef, schreef Duijvis niet in zijn boek, maar in 1940 was hij van extreem-links naar extreem-rechts geschoven en hing hij de nazistische beginselen aan.

Handelaar in velocipèdes

In de tussentijd was hij ook uit de Zaanstreek vertrokken. Het lijkt er op dat het gezin Duijvis in de jaren ’90 uiteenviel. Moeder Catharina vertrok in 1894 naar Oostzaan en vader Pieter keerde in 1898 terug naar Westzaan. Maar al twee maanden voor zijn moeder Zaandam verliet, deed ook Martinus dat. Per 5 mei 1894, daags na zijn negentiende verjaardag, werd hij bijgeschreven in Amsterdam. Zijn vormingsjaren waren Zaans gekleurd, nu ging hij het als ‘handelaar in velocipèdes’ proberen in Amsterdam. Dat verliep blijkbaar niet meteen naar wens, want acht maanden later ging hij zijn moeder achterna naar Oostzaan. In het voorjaar van 1896 was hij terug in de hoofdstad. Daar probeerde hij ditmaal zijn brood te verdienen als kellner. Ook dat duurde niet lang; op 27 januari 1897 vertrok hij samen met zijn moeder en broer naar Rotterdam. Martinus huwde er Wilhelmina Aletta de Recht, met wie hij aan het begin van de twintigste eeuw twee dochters kreeg. En hij keerde terug naar zijn eerdere professie, rijwielfabrikant en -verkoper.

“Failliet 22-5-1908”, meldt Duijvis’ kaart van de burgerlijke stand. Het betekende het begin van zijn inmiddels eenbenige tocht naar het buitenland, een reis die via Brussel naar Italië en Nederlands-Indië liep. Waarmee hij in het interbellum zijn brood verdiende, is me niet duidelijk. Maar begin 1941 was de inmiddels gepensioneerde ex-fietsenmaker terug. Zijn aanvankelijk uit de handel gehaalde en inmiddels heruitgegeven en aangevulde Aan het christelijke Nederlandsche volk deed toen de ronde langs het deutschfreundliche deel van de natie.

In zijn boek haalde Tinus Duijvis een paar keer aan dat hem op korte termijn waarschijnlijk een ‘soberen houten villaatje’ wachtte. Daarin kreeg hij wel gelijk. Hij overleed op 8 september 1942 in Apeldoorn. Een naoorlogse veroordeling wegens collaboratie bleef hem daardoor bespaard. Vergetelheid werd zijn deel.

De slotwoorden van Aan het christelijke Nederlandsche volk

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De Artillerie-Inrichtingen als hofleverancier van het gewapend verzet

In zijn magnum opus Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog besteedde Loe de Jong tientallen pagina’s aan de Artillerie-Inrichtingen in Zaandam. Zijn aandacht bleef echter beperkt tot de rol die directeur Frans Q. den Hollander speelde ten tijde van de Duitse bezetting. Aan het vele en veelzijdige verzet van andere werknemers bij deze hofleverancier van gewapende strijdgroepen kwam hij niet toe. Daarom hieronder een (ongetwijfeld onvolledig) overzicht.

De weerstand bij het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen -‘A.I.’ of ‘De Hembrug’ in de volksmond- begon al tijdens de Duitse invasie. In de middag van 14 mei 1940 ontving directeur Frans den Hollander het ‘zeer vertrouwelijk bericht’ dat de vaderlandse defensietop had besloten om te capituleren. De baas van Nederlands grootste wapen- en munitiefabriek aarzelde niet. Hij stuurde zijn adjunct-directeur naar het Zaandamse fabrieksterrein om ‘alles gereed te maken voor vernietiging’. Er was alleen nog toestemming voor nodig van Nederlands hoogste militair, generaal Henri Winkelman. Die weigerde echter om akkoord te gaan met het opblazen van de vele tientallen panden op het complex. Terwijl aan de overkant van het Noordzeekanaal de bemanning van een Britse torpedojager op 14 mei de Amsterdamse Petroleumhaven verwoestte, bleef aan de Zaandamse oever alles overeind staan. De Artillerie-Inrichtingen vielen daardoor onbeschadigd in Duitse handen.

Ontslag

Den Hollander probeerde vervolgens de Duitse machinerie op een andere manier te saboteren: “Wij, die het bedrijf onmiddellijk hadden stilgelegd, verzetten ons tegen elke druk van de bezetter in die eerste dagen na de capitulatie om het bedrijf weer in gang te brengen.” De directeur keerde zich dus van meet af aan tegen zijn nieuwe broodheren. Hij wilde bewerkstelligen dat de A.I. niet voor het bezettingsleger hoefde te produceren. Toen dat door orders van hogerhand niet lukte, hield hij op 21 juni een toespraak voor zijn duizenden personeelsleden. Daarin kondigde hij zijn ontslag aan en moedigde hij zijn werknemers aan om dezelfde stap te zetten. Tot zijn teleurstelling gaven er slechts twee gehoor aan zijn oproep: een administratief medewerker en een joodse ingenieur. De personeelsraad en diverse hoge ambtenaren deden bovendien een klemmend beroep op Den Hollander om zijn functie niet op te geven. “Na dagen en nachten van zware strijd”, zoals hij zelf zei, ging hij in op hun verzoeken: hij bleef aan als directeur-voorzitter.

De Artillerie-Inrichtingen in het interbellum (NIMH, Wikipedia)

De Artillerie-Inrichtingen begonnen noodgedwongen wapens voor de Duitsers te produceren: mitrailleurs en ander geschut, luisterapparatuur en munitie. Maar tezelfdertijd maakte Den Hollander een aanvang met het ontslaan van zoveel mogelijk werknemers. Anderen werden in het kader van de Arbeitseinsatz naar Duitsland gestuurd. Van de 6430 werknemers aan het begin van de bezetting waren er drie jaar later nog maar 1700 over, verdeeld over een (relatief kleine) militaire en een civiele tak. Het bedrijf schakelde namelijk deels over op de productie van landbouwwerktuigen en gereedschap. Veel installaties op het Zaandamse Hembrugterrein waarmee wapens en munitie konden worden geproduceerd, werden gedemonteerd. En Den Hollander drong er via zijn contacten met de illegale Ordedienst meermalen, zij het tevergeefs, in Groot-Brittannië op aan om de fabriek te bombarderen.

Nationaal Steunfonds

In het laatste oorlogsjaar -hij was toen al ontslagen als A.I.-directeur- hielp Den Hollander ook het Nationaal Steunfonds, de ‘bank van het verzet’. Dat deed hij in zijn rol als voorzitter van het Fonds voor Stilgelegde Bedrijven. Samen met Gijs van Hall bedacht hij een constructie die het coöperatieve bankdirecties mogelijk maakte om zogenaamde wachtgelden beschikbaar te stellen voor stilgelegde ondernemingen. De cheques ter waarde van tientallen miljoenen guldens kwamen op naam van de A.I.-directeur, de opbrengsten belandden in werkelijkheid via het Nationaal Steunfonds bij het verzet en tienduizenden onderduikers. Zijn band met de gebroeders Van Hall was hecht. Op 26 januari 1945, daags voor Walraven van Hall werd gearresteerd, dronk Den Hollander nog een kopje koffie met hem op zijn onderduikadres aan de Amsterdamse Herengracht. Den Hollander: “Hij zag er toen zeer slecht uit en was volkomen overwerkt. Hij zei mij toen nog: ‘Gijs en jij zijn de enigen die weten waar ik zit. Ze vinden me nooit.'”

Franciscus Quirien den Hollander (1893-1982)

 Douwe Soepboer

Den Hollander was niet de enige A.I’er die contact onderhield met Walraven van Hall. Ook Douwe Soepboer (1903) werkte samen met deze Zaandamse bankier. Soepboer was hoofd van de bewaking op het Hembrugterrein. Hij woonde pal naast de fabriek, in de Havenstraat. Van Hall was er van op de hoogte dat Soepboer deel uitmaakte van het groepje dat in de nacht van 20 op 21 mei 1943 het Arbeidsbureau in Zaandam met tachtig kilo lichtsas vernietigde. De plaatselijke bevolkingsadministratie ging in vlammen op. Na die aanslag was het een stuk lastiger om Zaandammers op te roepen voor de arbeidsinzet in Duitsland.

Soepboer had een direct lijntje met de aanvoerder van de Nederlandse illegaliteit. “Hoe ik in contact gekomen ben met Walraven van Hall weet ik niet meer”, vertelde hij na de oorlog. “Feit is dat deze mij vroeg om trotyl met lont en slaghoedjes. Nadat ik had gezegd hiervoor te kunnen zorgen, heb ik hem een aantal malen een hoeveelheid van deze voor sabotage bestemde goederen ter hand gesteld.” Het bleef niet bij leveranties aan Van Hall alleen. Soepboer en een aantal van zijn collega’s voorzagen het ontluikende gewapend verzet in Nederland van pistolen, handgranaten en explosieven in een tijd dat er nog geen sprake was van wapendroppings door de geallieerden. De Artillerie-Inrichtingen functioneerden als dé nationale wapenleverancier, bij gebrek aan alternatieven.

Smokkelwaar

Soepboers oorlogsherinneringen heb ik al eens op deze site gepubliceerd. Daaruit blijkt dat hij nauw samenwerkte met een aantal A.I-collega’s; hoofdopzichter Dirk Dral (Havenstraat 141), opzichter R. Boringa en diens zoon Harry (Havenstraat 120), hulpopzichter Fleurbaaij, de opzichters Van Veen en Joris Lamens, een niet bij naam genoemde A.I.-ingenieur en geweermaker Lambertus Martin (P.L. Takstraat 19). Soepboers opsomming is niet compleet. Hij noemde bijvoorbeeld niet Hendrik Lock, die hem (met een collega) de lichtsas bezorgde waarmee hij het Arbeidsbureau opblies. Ook onvermeld bleven de in het communistisch verzet actieve Zaandammer Josephus Swolfs en diens plaatsgenoot Cornelis van Vugt, een helper van onderduikers.

‘Wanted’-foto’s van Dirk Dral en Douwe Soepboer in het Nederlandsch Algemeen Politieblad (8-8-1943)

De eerste smokkelde, net als Soepboer, Dral en sommige andere munitiewerkers, wapens en springstoffen het A.I.-terrein af. Ze werden gebruikt bij sabotageacties waaraan Sjef Swolfs zelf ook meedeed. Door verraad van een partijgenote belandde hij in 1944 voor het vuurpeloton. Datzelfde lot trof zijn collega Cor van Vugt, die actief was voor de Persoonsbewijzensectie van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers. Hij verspreidde gestolen en vervalste bon- en distributiekaarten. Ook boden zijn vrouw en hij in hun woning aan de Zaandamse Acaciastraat onderdak aan twee joodse onderduikers. In Van Vugts geval lag er eveneens verrraad aan de basis van zijn arrestatie en executie, in september 1944.

Gerrit de Ruijter

Een ander personeelslid van de Artillerie-Inrichtingen dat zich tegen de Duitsers keerde, was Gerrit de Ruijter. Hij kon zijn belevenissen wel navertellen en deed dat in 1996 in het Contactblad ’40-’45. “In juni 1940 kwam ik terug [uit zijn mobilisatieperiode] bij de A.I. Onder leiding van Piet van der Weide met zijn vrouw Wil, Henk Dekker en ik, werd een verzetsgroepje geformeerd.” Van Piet Nicolaas van der Weide is verder bekend dat hij in zijn woning in de Zaandamse Plataanlaan aan drie joodse onderduikers gastvrijheid bood. Hij was de enige niet. Antoon Johannes Fredericus Schoonman, die chauffeur was op het Hembrugterrein, verborg in zijn woning aan de Havenstraat 119 één of twee joodse gezinnen. A.I.-arbeider Sjoerd van der Werf huisvestte op de Zuiddijk enige tijd het joodse meisje Nanny Peereboom. Zijn eveneens Zaandamse collega Andries Selier verborg zelfs minstens zeventien joden in zijn woning.

Net als Douwe Soepboer noemde Gerrit de Ruijter Boringa als mede-dwarsligger. “Bij de A.I. moesten Harry Boringa, Henk Dekker en ik Nederlands zeven centimeter luchtdoelgeschut gereed maken voor verzending naar Duitsland. We hebben toen wat koperen kettingen georganiseerd, koper vreet namelijk zo lekker in, weet je.” Ook werd er ijzervijzel in een nieuw kanon gegoten, waardoor het vastliep.

Het bleef niet bij sabotage alleen. De Ruijter gaf voorbeelden van de diefstal van handvuurwapens uit een douaneloods. “Soepboer, dat was de terreinchef, zocht de pistolen en de revolvers uit die hij hebben wilde. Wij zochten dan op de afvalhoop naar een platgeslagen model dat er op leek. Kwestie van label verwisselen en aan zo’n mof laten zien. ‘Prima, prima’, zei hij en wij hadden weer beet.” De buit ging in een kistje op de wagen van collega Arie Blauw, die de opbrengst wegbracht.

Ontploffende granaten

Dat Douwe Soepboer -naast Frans den Hollander- de spil was van het verzet bij de wapen- en munitiefabriek werd ook bevestigd door Hendrik Lock, een hoofdopzichter bij de laboreerwerkplaatsen van de Vuurwerkerij. “Vele honderden scherpe handgranaten No.1, alsmede blokken geperst trotyl van 205 gram gingen via het achterhek door zijn [Soepboers] huis naar de [ondergrondse] groepen”, legde Lock na de bevrijding verantwoording af. Ook beschreef hij hoe ontstekingsmechanismen te nauw werden uitgeboord, met voortijdig ontploffende granaten als resultaat. Kruit werd zodanig bewaard dat het uitdroogde en daardoor zijn waarde verloor. Een brandje foutief geblust, met extra schade als gevolg. Ook werden er treinen met materieel naar verkeerde bestemmingen gestuurd.

Kees Valk, destijds een leerling van de A.I.-bedrijfsschool, vertelde decennia na de oorlog hoe ook hij zijn steentje bijdroeg: “Tijdens de oorlog, in 1944, fouilleerden de Duitsers de werknemers en leerlingen zo grondig. Zelfs tussen je boterhammen werd er gekeken. Er werden onderdelen gestolen. Moesten er bijvoorbeeld 150 pistolen worden gemaakt, dan maakte je er 151. Die ene moest naar de ondergrondse. Maar als dat niet lukte, dan waren er maar 149. En dan begon het. Alles werd dan ondersteboven gekeerd, door de SS en de Grüne Feldpolizei. Ze wisten dat die wapens en die onderdelen vertrokken naar de ondergrondse.”

Ook Ben Vijge smokkelde pistolen en patronen van het fabrieksterrein af. Ze waren bestemd voor zijn broer Piet, die in Putten een verzetsgroepje leidde. Dat ging mis, een gevolg van verraad. Ben en Piet werden oppgepakt. De eerste wist zich uit de netelige situatie te praten, maar Piet en een aantal van zijn kameraden kregen de kogel.

Collaborateurs

Op het immense fabrieksterrein werkten ook collaborateurs. Al in de zomer van 1941 ontving Meinoud Rost van Tonningen, de nazistische secretaris-generaal van het ministerie van Financiën, een stevig rapport over de politieke opinies van A.I.-werknemers van de afdeling magazijnen, plus ‘enkele uitlatingen door Ir. den Hollander’. “Thans zijn nog een paar personen bezig, gegevens te verzamelen van andere afdelingen. Ik hoop u deze de volgende week te doen toekomen. Ik heb de toezegging dat enkele goedwillende personen, onder strikte geheimhouding, bereid zijn inlichtingen te verstrekken.”

Dat het verzetswerk van de A.I.’ers levensgevaarlijk was, blijkt uit de arrestaties van Lambertus Martin, Douwe Soepboer, Sjef Swolfs en Cor van Vugt, alsmede de infiltratiepogingen op het fabrieksterrein van de even later door Douwe Soepboer ontmaskerde V-Mann Johnny de Droog. Een Zaandamse terreinopzichter van de wapenfabriek, Jan Pieter de Vries, stond bekend als fanatieke NSB’er en jodenjager.

Onderduik

Toen in september 1944 de Spoorwegstaking uitbrak, dook het overgebleven A.I.-personeel massaal onder. Daarmee eindigde ook het laatste beetje productie op het Hembrugterrein. Het lijkt er al met al op dat de bezetter weinig plezier beleefde aan de Artillerie-Inrichtingen, zowel voor als na september 1944. Dat ze in het laatste oorlogsjaar een groot deel van de inventaris op het Hembrugterrein demonteerden en als buit naar Duitsland konden slepen, moet als een bescheiden genoegdoening hebben gevoeld.

PS. Ik houd me aanbevolen voor meer namen van verzetsstrijders op het Hembrugterrein: info@schaapschrijft.nl.

Het ontmantelde Hembrugterrein (mei 1945)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De onbekende verzetsgroep Kempenaar

In mei 2021 ontving het Gemeentearchief een flinke stapel documenten en foto’s van de Zaandamse firma P. & K. Bets. Tussen de papieren van deze binnenvaartschippers zaten veel verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog. Directeur Klaas Bets bleek deel te hebben uitgemaakt van de verzetsgroep Kempenaar, een nauwelijks bekende ondergrondse organisatie.

De vrachtvaarders van de Zaanse familie Bets opereerden met twee bedrijven. In Zaandijk zat Bets & Zonen, in Zaandam P. & K. Bets. De Zaandijkse tak kon in de oorlog blijven varen met een paar motordekschuiten die, bij gebrek aan andere brandstoffen, waren uitgerust met kolenvergassers. Bekend is het verhaal van een reis die beide schepen tijdens de Hongerwinter naar Friesland maakten. Na een IJsselmeertocht vol hindernissen kwam de bemanning terug met een lading aardappelen en een Friese onderduiker. Die was in de machinekamer van de ‘Zaanlander 2’ achter een dubbele wand verstopt.

Reijer Bets (1866), de directeur van Bets & Zonen, woonde aan de Lagedijk 12. Deze streng gelovige aanhanger van de Nederlands-Hervormde kerk zou er voor hebben gezorgd dat zijn joodse buurtgenote Judith van Thijn (1865) vanaf 1943 onderdak kreeg in ‘Ons Verpleeghuis’, dat in Koog aan de Zaan stond. Door daar onder te duiken, overleefde ze de oorlog. De firma Bets & Zonen keerde zich dus op meerdere manieren tegen de bezetter. Opvallend is echter dat de verzetsdocumentatie die het Gemeentearchief Zaanstad in 2021 ontving niet de Zaandijkse scheepvaarders betrof, maar hun familieleden uit Zaandam.

Houten Bets

Ook het Zaandamse familiebedrijf P. & K. Bets was ondergronds actief, maar dat lijkt alleen in kleine kring bekend te zijn. Deze binnenvaartschippers vervoerden voornamelijk hout, vandaar dat de onderneming in de volksmond bekendstond als ‘Houten Bets’. Klaas Bets (Zaandam, 22-6-1897) en zijn echtgenote Theodora Wilhelmina Gräfe (Zaandam, 21-12-1899) woonden op de Prins Hendrikkade 6a. Recht tegenover hun deur lag hun bezit in de Voorzaan, binnenvaartschepen met namen als ‘De Trouw’ en ‘Het Vertrouwen’.

Klaas Bets, 1941 (Gemeentearchief Zaanstad)

Het opvallendste document in het bedrijfsarchief dat naar de oorlog verwijst, betreft een door motten aangevreten ‘Oorkonde ter herinnering aan den verzetstijd van groep “Kempenaar”.’ De in november 1945 opgestelde papieren waardering betreft het tijdvak 6 september 1944 tot 8 augustus 1945. De periode dus tussen Dolle Dinsdag en de atoombom op Nagasaki, die het einde van de Tweede Wereldoorlog bezegelde. Op 5 september 1944 ontstonden de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten, de bundeling van de belangrijkste gewapende organisaties. Ook de groep Kempenaar -een vernoeming naar een type binnenvaartschip- was vanaf die dag een (bescheiden) BS-onderdeel. De oorkonde geeft echter geen aanwijzingen waaruit Klaas Bets’ ‘hulpverleening aan het Land, gedurende en na de bezetting door den vijand’ binnen de groep Kempenaar bestond.

In de collectie-Bets zitten meer stukken die naar de jaren ’40-’45 verwijzen. Maar wat deed toch die groep Kempenaar waarvan Klaas Bets deel uitmaakte?

Klaas en Reijer Bets, hout overladend bij de loswal van de Prins Hendrikkade (Gemeentearchief Zaanstad)

Vaartuigendienst

Op 19 juni 1945 liet een verslaggever van De Nieuwe Dag weten: “Een bijzondere verzetsgroep van de B.S. heeft gedurende de bezetting zooveel mogelijk het werk voortgezet van het ‘Vaartuigendepot Amsterdam’ van de Ned. Marine. Zoo vond de sectie ‘Inland Water Transport’ van het Can.[adese] leger in den ‘Vaartuigendienst’, zooals de voortzetting van het ‘Vaartuigendepot’ werd genoemd, aanstonds na de bevrijding een orgaan, bekwaam en bereid om alle Duitsch geverfde scheepsruimte terug te brengen naar de oorspronkelijke eigenaars.”

De Duitsers hadden tussen 1940 en 1945 duizenden schepen gevorderd, om ze te kunnen gebruiken bij hun strijd tegen de geallieerden. Begin mei 1945 waren er van de 21.000 vooroorlogse binnenvaartschepen nog maar zo’n 10.000 in handen van de rechthebbenden. Er werd echter dag en nacht doorgewerkt om de diefstallen terug te draaien. De Nieuwe Dag op 19 juni: “Reeds 10.665 schepen heeft deze Verzetsgroep Kempenaar in Amsterdam opgespoord en 400 daarvan konden onmiddellijk aan de eigenaren worden teruggegeven.”

De groep Kempenaar probeerde dus, zodra de Duitse capitulatie was bezegeld, geroofde schepen te inventariseren en terug te bezorgen bij de rechtmatige eigenaars. Daags na de bevrijding ontving de tot BS-sergeant benoemde Klaas Bets al een schriftelijke oproep om ‘zich met spoed te begeven naar het Zeemanshuis, Kadijksplein 17-18 te Amsterdam, en zich onder de bevelen van den Commandant dier groep [Kempenaar] te stellen’. Het Zeemanshuis, tot het door de Duitsers werd ingepikt een goedkoop hotel voor zeelieden, was voor even het hoofdkwartier van de botenspeurders.

De mobilisatie-oproep voor de verzetsgroep Kempenaar viel in de bus bij met name mannen uit Amsterdam en Badhoevedorp. En bij nog één andere Zaandammer: sergeant Jacobus Geilings (Fijnaart en Heiningen, 9-11-1906). Die woonde in de Burgemeester ter Laanstraat 118, een paar honderd meter van de firma Bets.

Tot zover het werk van de groep Kempenaar na de bevrijding. Maar wat deden de leden tijdens de bezetting? En wat was de rol van Klaas Bets? De stukken bij het Gemeentearchief Zaanstad bevatten geen harde feiten, hoogstens wat aanwijzingen. Zoals die brief uit mei 1943. De bezetter had zojuist verordonneerd dat de Nederlandse oud-militairen zich moesten melden voor de Arbeitseinsatz. Onder hen bevonden zich ook de nodige mannen die inmiddels werkzaam waren in de scheepvaart. Kuindert M. Poll riep daarop zijn betrouwbaar geachte collega’s op om gul te doneren voor de familieleden van de getroffen ex-militairen. De opstandigheid spatte van het papier. Of Poll betrokken was bij de latere groep Kempenaar blijft in het ongewisse, maar de toon was gezet.

Het voormalige illegale blad Vrij Nederland lichtte op 23 juni 1945 een tipje van de sluier op aangaande de groep Kempenaar. “Een van de meest rasechte ondergrondsche organisaties was de groep ‘Kempenaar’, waarin een deel van het verzet van de binnenschippers zich afspeelde”, schreef de dienstdoende redacteur. “De oorsprong van die groep lag in den Vaartuigendienst van het Nederlandsche leger, en in September 1944 werden deze mannen opnieuw met hun schepen ingeschakeld, nu in het strijdend gedeelte van de BS. Er werd goed werk verricht, onder meer voor clandestiene voedselvoorziening in den afgelopen hongerwinter.”

Daar bleef het niet bij. VN: “In April kreeg deze groep opdracht alle te Amsterdam aanwezige schepen, die Duitsch of Duitsch-gevorderd waren, te registreeren en te controleren, teneinde deze na de bevrijding zo snel mogelijk ten gebruike van de bevolking te brengen. Over den heele haven van Amsterdam werden zoodoende circa 1000 schepen gevonden. Na een week of 4 kon er reeds weer een 200-tal in de vaart worden gebracht.” En medio juni 1945 waren er dus al ruim 10.000 eerder geconfisqueerde schepen opgespoord, zoals De Nieuwe Dag enkele dagen eerder berichtte.

Het werk van Klaas Bets, Jacobus Geilings en hun tientallen kameraden was wellicht niet zo spectactulair als dat van hun schietende en rovende collega’s die een andere tak van het ‘strijdend gedeelte’ vormden, maar voor het vlot op gang krijgen van de Nederlandse economie waren ze onontbeerlijk.

Wie meer wil weten over de firma P. & K. Bets -voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog- kan terecht bij het Gemeentearchief Zaanstad.

Nationaal Archief

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De synagoge als tastbare herinnering

Met het oog op het in oude luister herstellen van dat wat er resteert van de Zaandamse synagoge schreef ik onderstaand artikel. Een verkorte en aangepaste versie is, in de vorm van een met foto’s aangevulde brochure, gratis verkrijgbaar bij de voormalige sjoel (Gedempte Gracht 40 in Zaandam).

De wandelaar die ter hoogte van Gedempte Gracht 38-40 opzij kijkt, moet goed opletten om de restanten te ontdekken van wat eens een synagoge was. Schijnbaar rustend op de onderliggende winkels toont zich daar een sierlijke, met boogvensters getooide witte gevel. In het pleisterwerk aan de voorkant is een Hebreeuwse tekst zichtbaar. In Nederlandse vertaling: ‘Een heiligdom, door Uw handen gegrondvest’ (Ex. 15:17). Achter de ramen op de eerste verdieping bevindt zich de zogenoemde voormalige vrouwengalerij van het gebedshuis. Dit provinciale monument is een van de weinige tastbare Zaanse herinneringen aan de bloeiende, vooroorlogse Joodse gemeenschap.

Het vooroorlogse interieur van de synagoge.

Voorgeschiedenis

Wanneer de eerste Joden zich in de Zaanstreek vestigden is onbekend. Een van de oudste vermeldingen betreft een klacht uit 1774 van lokale burgers ‘over de venterijen van Smousen’ (een scheldwoord voor Joden). Vanaf 1784 kwamen er Joodse namen voor in de Zaanse belastingregisters. Samuel en Wolf Leevie bijvoorbeeld, die op het Seijlpat woonden, in het kleine Zaandamse centrum. Daarna ging het snel. In 1808 stonden er alleen al in het dorp West-Zaandam 94 Joodse gelovigen geregistreerd, veelal koopmannen en hun gezinnen. In 1829 waren het er 118, in 1849 173. Ruim een eeuw lang zou ongeveer 1 % van de Zaandamse bevolking Joods zijn.

De aanwas in de negentiende eeuw had mede te maken met de komst van een synagoge. In 1800 werd een door Simon Frank en Levi Eliasar Levi gehuurd huis aan de Rozengracht als zodanig ingewijd. Enkele jaren later was er zelfs geld voor een godsdienstleraar/onderwijzer Hebreeuws. Hoewel zich ook in de andere Zaanse dorpen Joden vestigden – vaak slagers uit de familie Van Thijn –, bleef Zaandam het religieus centrum.

De behoefte aan een eigen gebouw groeide. Ondanks dat de meeste Joodse Zaankanters weinig vermogend waren, wisten ze voldoende geld bijeen te brengen voor een nieuwe ‘sjoel’. In 1816 legden afgevaardigden van de Hoogduits-Israëlitische Gemeente Zaandam bij de notaris vast dat ze op het Kuiperspad (de latere Gedempte Gracht) een huis hadden gekocht met de bedoeling dit ‘tot een kerk in te rigten’. Het bouwvallige pand hield het nog geen halve eeuw vol in zijn nieuwe functie. ‘De synagoge te Zaandam verkeert in hoogst zorgelijken toestand, en wel zóódanig, dat een herbouw dringend noodig is’, bedelde een voor dit doel ingestelde commissie in 1863 onder de bevolking. Na jaren collecteren, loten verkopen en verzoeken om donaties lukte het om de benodigde negenduizend gulden bijeen te krijgen. Onder meer diverse overheden, de koninklijke familie en de joodse gemeente in Amsterdam droegen een steentje bij. In februari 1865 werd het nieuwe, door stadsarchitect L.J. Immink ontworpen godshuis ingewijd. Imminks smaak – zijn voorkeur ging uit naar witgepleisterde gebouwen, liefst in Italiaanse stijl – kwam goed naar voren. Het gebouw bevatte classicistische vormen uit verschillende perioden en werd een van de weinige synagogen die in de negentiende eeuw buiten Amsterdam van de grond kwamen.

De synagoge, links, rond 1900.

Izak de Haan

Tussen 1865 en 1942 namen diverse voorzangers en godsdienstleraren de dagelijkse zorg voor de synagoge en haar gebruikers op zich. Van hen was Izak de Haan de langst dienende en bekendste. Vanaf 1885 werkte hij 28 jaar in Zaandam als (in zijn eigen woorden) ‘onderwijzer, voorzanger, ritueel beestensnijder, substituut huwelijksinzegenaar, secretaris van den kerkeraad, ziekenbezoeker, waker bij stervenden, bazuinblazer, kerkelijk besnijder, predikant en in allerlei zaken de vraagbaak van een ieder die een gratis advies verlangde’. Hij voegde daar aan toe, over zichzelf sprekend in de derde persoon: ‘Gelukkig dat de synagogen geen kerktorens hebben, anders ware hij zeker ook nog klokkenist geweest.’ Twee van zijn kinderen verwierven landelijke bekendheid als auteur: Carry van Bruggen en Jacob Israël de Haan. In hun werk beschreven ze meermalen hun jeugd in Zaandam.

Dat de ‘gazzan’ het druk had, blijkt onder meer uit het feit dat in de loop der jaren duizenden Amsterdamse Joden hun huwelijk lieten inzegenen in Zaandam. In de hoofdstad was dat namelijk veel duurder. Enkele weken voor de plechtigheid schreven de verloofden zich in op het adres van de voorzanger en na de trouwdag volgde de uitschrijving.

Izak de Haan.

Tweede Wereldoorlog

Hoewel over het algemeen arm, floreerde de kleine Joodse gemeenschap. Het religieus-sociale leven speelde zich grotendeels af in en rond de synagoge. Op 21 januari 1940 werd het 75-jarig bestaan van het gebedshuis gevierd. Er klonken felicitaties, maar ook bezorgde geluiden. In Duitsland was zeven jaar eerder Adolf Hitler aan de macht gekomen. Zijn antisemitische tirades en dreigende oorlogstaal riepen angst op. Refererend aan de Duitse Kristallnacht zei opperrabbijn Philip Frank tegen de genodigden dat zijn gedachten uitgingen ‘naar de vele G[ods]huizen die helaas een prooi der vlammen zijn geworden.’

Hitler liet het inderdaad niet bij woorden alleen. Tienduizenden bedreigde en van hun bezittingen beroofde Duitse en Oostenrijkse Joden ontvluchtten in de jaren dertig hun vaderland. Van hen belandden er tientallen in de Zaanstreek. Een van hen werd zelfs lid van het synagogebestuur. Mede door de aanwezigheid van de vele politieke vluchtelingen telde de regio eind 1941 het recordaantal van 324 – in nazitermen – ‘voljoodse’ inwoners.

Op dat moment was Nederland al anderhalf jaar bezet gebied. De anti-Joodse maatregelen werden steeds ingrijpender. Veel Zaanse Joden kregen te maken met pesterijen en werden in toenemende mate uitgesloten. Aan de Februaristaking, gericht tegen het nazistische antisemitisme, deden in 1941 tienduizenden Zaankanters mee. De massale werkonderbreking bracht echter geen verbeteringen teweeg. Ambtenaren moesten discriminerende Ariërverklaringen invullen, Joden raakten in veel gevallen hun werk, bedrijven en banktegoeden kwijt. Er kwam een registratieplicht en een reisverbod voor Joden. Ze mochten niet meer naar de schouwburg, het zwembad, de bioscoop, parken en tal van horecagelegenheden. Voorlopig slotstuk was de Duitse beslissing dat alle Zaandamse Joden moeten verhuizen naar Amsterdam (de Nederlanders) of kamp Westerbork (de inmiddels stateloos verklaarde buitenlandse Joden). Dat gebeurde in januari 1942. 284 Zaandammers kregen het bevel om binnen drie dagen de stad te moeten verlaten. Onder hen waren 33 niet-joodse partners en de dertig kinderen van deze gemengd-gehuwde echtparen. Op 16 januari, de dag voor vertrek, werden de Joodse gezinshoofden naar de synagoge geroepen om hun familieleden te laten registreren. Ze moesten al hun bezittingen achterlaten, uitgezonderd dat wat ze konden dragen.

Het Zaandamse synagogebestuur aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

Judenrein

Zaandam was de eerste Nederlandse gemeente die ‘Judenrein’ werd gemaakt. In de volgende maanden werden ook de andere Zaanse plaatsen ontdaan van hun Joodse inwoners. Ze belandden via Amsterdam in Westerbork en vervolgens de Duitse concentratie- en vernietigingskampen. Het lukte een minderheid om een schuilplaats te vinden en heelhuids door de oorlog te komen. Abraham Drukker, de ‘sjammes’ (dienaar) van de synagoge, stuurde kort voor hij met zijn vrouw werd gedeporteerd een afscheidsbriefje naar vrienden. ‘Dat wij menschen op leeftijd Zaandam wel weer te zien zullen krijgen, is een vraag die G[od] alleen weet.’ Twee weken later vond het echtpaar de dood in de gaskamer van Sobibor. Zoals hen verging het tweederde van de Joden in Nederland, ruim honderdduizend mensen.

De Zaandamse synagoge kreeg in 1942 een nieuwe bestemming. Op 13 augustus 1942 informeerde NSB-burgemeester Hendrik Vitters tijdens een collegevergadering of de leegstaande synagoge kon worden verbouwd tot distributiekantoor. Het college besloot dat hij met wethouder en partijgenoot Jacob IJdenberg ter plekke de mogelijkheden zou bekijken. Blijkbaar pakte dat positief uit, want in de B&W-stukken van 1 oktober is te lezen dat voor 17.000 gulden ‘van de Niederländische Grundstücksverwaltung o.m. aangekocht [werd] perceel Gedempte Gracht 40, eigenaresse de Ned. Israëlitische Gemeente te Zaandam’. De Grundstücksverwaltung was een organisatie die van de nazistische autoriteiten het ‘beheer’ over het Joodse vastgoed had gekregen, alsmede de opdracht over te gaan tot onteigening en verkoop. Het verhandelen werd gedelegeerd aan ‘lasthebbers’, meestal makelaars. Het toeval wilde dat Jacob IJdenberg niet alleen wethouder, maar ook makelaar was. Hem werd het recht gegund om de synagoge (en een aantal ‘Joodse’ woningen) van de hand te doen. Op het laatste moment strandde de verkoop van Gedempte Gracht 40 toch nog. Na de bevrijding verklaarde de directeur van de Dienst Gemeentewerken: ‘In samenwerking met anderen heb ik dit weten te voorkomen.’ Hoe de overname werd verhinderd is onbekend, maar de synagoge bleef vooralsnog ongebruikt.

Eind 1943 was het interieur overigens al verdwenen. De opzichter van de Dienst Gemeentewerken had nog getracht het zilverwerk dat bij de erediensten was gebruikt onder de synagogevloer te verbergen. Het bleek na de bevrijding onvindbaar. Onder leiding van politiechef Willem Ragut was het pand de voorgaande zomer leeggehaald. Het was, wist een agent, ‘naar het politiebureau te Zaandam gebracht, o.a. een grote, antieke kast, lamp, ijzeren kist en andere voorwerpen, waaronder schilderijtjes en een leeuwenkop. De kast bleef voorlopig bij Ragut op de kamer, nadat [rechercheur Tonny] Jansen met vlijt de versierselen (Davidsster) met een borstel eraf geslagen had. De lamp en de schilderijtjes werden in het kamertje van de typiste gehangen, op het politiebureau, de leeuwenkop bij Jansen en de kist, welke later bij de burgemeester kwam als wapenkist.’

Daarbij bleef het niet. In 1958 verzocht de Zaans-Joodse gemeente het Nederlands-Israëlietisch Kerkgenootschap om ‘de navolgende claim van onze Gemeente bij de Duitse autoriteiten in te dienen’. Waarna een lange opsomming volgde van tijdens de oorlog gestolen koperen en zilveren voorwerpen, gebedenboeken, kleden en meubels. Alleen al de gestolen Toramantels (‘waarbij enige antieke’) die om religieuze geschriften werden gewikkeld, waren in mei 1940 getaxeerd op duizend gulden. De totale Zaanse claim bedroeg bijna zesduizend gulden.

Het godshuis veranderde in een paardenstal. In de Hongerwinter verloor de synagoge zijn laatste restje waarde. Zaankanters braken het hout uit de ontwijde, eerder al door NSB’ers met hakenkruizen bekladde ‘witte jodenkerk’. Ook sneuvelden zo goed als alle ramen. Tot de schaarse voorwerpen die heelhuids door de oorlog kwamen, behoorden zes Torarollen en enkele notulenboeken. Bijna alle andere bezittingen zouden nooit meer terugkeren.

Achtergelaten Duitse aanhangers voor de synagoge, mei 1945.

Na de oorlog

Van de joodse Zaankanters overleefden er 184 de oorlog niet. Hun namen zijn nog zichtbaar op struikelstenen, messing gedenkplaatjes die driekwart eeuw na de bevrijding voor hun toenmalige woningen zijn gelegd. Zij die in 1945 terugkeerden van hun onderduikadres of het concentratiekamp troffen onder meer een verwoeste synagoge aan.

Op zondagochtend 2 juni 1946 kwamen de resterende leden van de Nederlands-Israëlitische Gemeente (NIG) Zaandam voor het eerst sinds de bevrijding bij elkaar. Niet in de synagoge – op dat moment nog steeds een bouwval –, maar in de woning van interim-voorzitter Jacob Drukker, enkele deuren verder. Slechts 22 vertegenwoordigers uit elf Zaanse huishoudens die de oorlogsjaren waren doorgekomen gaven acte de présence. Dat was precies tien procent van de achterban die vier jaar eerder regelmatig de synagoge bezocht.

Na een woord van herinnering aan de ‘door de schuld van de bezetter ontvallen leden’ kozen de aanwezigen een voorlopig bestuur en stelden ze een summiere begroting vast: ‘Inkomsten f 208,-, uitgaven f 250,-.’ Het nieuwe bestuur moest zonder financiële reserves en met een sterk geslonken aanhang proberen om een doorstart te maken. De sjoel was een ruïne, de inventaris vrijwel geheel verdwenen. Zelfs de geschiedenis bleek grotendeels gewist. Toen een Amsterdamse instelling in 1946 informeerde naar de synagogedocumentatie moest secretaris Jos Pais meedelen ‘dat het niet mogelijk is u de gewenste inlichtingen te geven daar ons gehele archief door de Duitsers is vernietigd’.

Totaal vernield

Twee jaar later waren de initiatiefnemers niet veel verder. ‘De overgebleven Joodse Zaankanters (laten wij dat vooral niet vergeten: Zaankanters!) hebben weer plannen tot herstel van het kerkelijk leven’, schreef dagblad De Typhoon op 28 januari 1948. ‘De synagoge aan de Gedempte Gracht in Zaandam wordt hersteld. Van buiten gezien lijkt deze kerk nog in vrij goede conditie. Wie binnenkomt ziet vier kale muren. Meer niet.’ Jacob Drukker: ‘Er stonden nog vier muren, maar verder was alles kapot, totaal vernield. Er zat geen hout meer in of aan. Niet alleen de Duitsers hadden dat gedaan, ook de Zaandammers, allemaal van die goeie Zaandammers… Maar toch hebben wij alles weer opgebouwd, gerestaureerd. We hadden al die ruimte niet meer nodig, iedereen was vermoord, maar we moesten wel geld hebben. En daarom werd een deel van de synagoge verbouwd tot garage en kwam er in een ander deel een agentschap van Het Parool. Later werd dat een woning.’ Alleen het middenstuk van het gebouw bleef beschikbaar voor diensten.

De synagoge in 1961.

Waar het Nederlands-Israëlietische Kerkgenootschap kort voor de bezetting van Nederland nog 220 leden had, waren daar twintig jaar later nog maar 28 van over. Het ledengebrek maakte dat er slechts sporadisch religieuze diensten plaatsvonden. Gebrek aan geld deed de rest. In 1974 verkocht de NIG de synagoge noodgedwongen voor een vriendenprijs van 175.000 gulden. De nieuwe eigenaar liet het pand ingrijpend verbouwen. Alleen het middenstuk bleef intact, zij het dat de verhoging (de bima) verdween. Daar stond eerder de Heilige Ark, een kast waarin de Torarollen werden bewaard. Het gebouw werd verhuurd aan een kunstcentrum. Dat kreeg de toepasselijke naam De Zienagoog.

In het daarop volgende decennium wilde de eigenaar het gebouw laten slopen en vervangen door woon- en winkelruimte. Dit kon door plaatsing op de provinciale monumentenlijst op het nippertje worden verhinderd. Na het vertrek van De Zienagoog veranderde de plek die eens bestemd was voor godsdienst, onderwijs en bezinning in respectievelijk een brasserie en winkels.

Heden en toekomst

Op de begane grond en de galerij zijn nu beelden te zien van de synagoge in vroeger dagen en van enkele voorwerpen die daar destijds een belangrijke rol hadden. Daarmee is een deel van de bestaansgeschiedenis zichtbaar gemaakt en blijft het verhaal van de Zaans-Joodse inwoners behouden. Het is tevens een eerbetoon aan de vooroorlogse Joodse gemeenschap. Opdat we niet vergeten en voort kunnen bouwen op de basis die zij hebben gelegd.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De mysterieuze verdwijning van de Zaanse synagoge-inventaris

Na de bevrijding bleek er van de Zaandamse synagoge-inventaris verrassend veel bewaard gebleven. In de daarop volgende decennia verdwenen vrijwel alle bezittingen alsnog, vaak op raadselachtige wijze. Wat gebeurde er met de inboedel?

Op deze site heb ik al eens geschreven over de zoekgeraakte Zaanse synagoge-inventaris. Maar met de jaren komt er meer informatie naar boven. Tegelijkertijd worden de raadsels alleen maar groter. Tijd voor een chronologische update.

Het vooroorlogse synagoge-interieur, met achteraan de ‘Heilige Arke’

In zijn boekje De Joodse Gemeente in Zaandam (1988) schreef Joep Auwerda over de synagoge: “In Zaandam was vrijwel niets meer. Alle spullen die bij de eredienst werden gebruikt, waren in de Tweede Wereldoorlog gestolen. Een eigen archief zegt de gemeente niet te hebben.” Maar klopt het wel dat er na de oorlog alleen een lege huls over was, in de vorm van een van alles ontdane sjoel?

Vanaf 1942 werd het godshuis op de Gedempte Gracht inderdaad ontheiligd en leeggeplunderd. De gebruikers en bestuurders van het gebouw waren in januari van dat jaar naar het joodse getto in Amsterdam verbannen, de bezetter had vrij spel. De voorzitter van de Nederlands-Israëlitische Gemeente, Jacob Drukker, leverde zoals hem was bevolen op de dag van zijn gedwongen vertrek de sleutels van het godshuis in bij de plaatselijke politie. “Enkele kleine voorwerpen werden door mij nog in veiligheid gebracht”, vertelde hij na de oorlog. Om welke voorwerpen het ging en waar ze belandden, zei hij helaas niet. Ze zijn anno nu spoorloos.

Zilveren voorwerpen

Er werd meer veiliggesteld. De hoofdopzichter van de afdeling Gemeentewerken in Zaandam, Dirk Voet, verstopte naar eigen zeggen in 1942 een aantal zilveren synagogevoorwerpen onder de vloer van het godshuis. Na de bevrijding waren ze verdwenen. Niemand weet wat er met de buit is gebeurd.

Dat laatste gold ook voor veel andere objecten. De Zaandamse politiechef Tonny Jansen liet in de zomer van 1943 hetgeen er resteerde van de synagoge-inboedel weghalen. Een deel ging naar het hoofdbureau aan de Vinkenstraat (een betrokken collega somde op: “Een grote antieke kast, lamp, ijzeren kist en andere voorwerpen, waaronder schilderijtjes en een leeuwenkop.”). Een ander deel van de geroofde spullen nam Jansen mee naar zijn woning in de Zaandamse Stationsstraat 82. “De geldkist van de Joodse synagoge onder meer”, verklaarde hij op 22 mei 1945. Zijn hebzucht bleef niet beperkt tot deze geldkist. Politieman en oud-verzetsstrijder Jan Jongh na een huisbezoek in mei 1945: “De eerste indruk die ik kreeg, was dat Jansen de hele Joodse synagoge bij elkaar gestolen had.”
Op één voorwerp na -zie hieronder- verdwenen de meegenomen goederen vervolgens weer uit het zicht. Of de in het politiebureau verzamelde spullen daar na de bevrijding bleven, is onbekend. De overheid kreeg de beschikking over de bij Tonny Jansen in mei aangetroffen artikelen. Daarna loopt het spoor dood. Bij de rechtmatige eigenaars kwam het roofgoed in ieder geval niet meer terug, zoals blijkt uit een in 1958 door het toenmalige synagogebestuur opgesteld overzicht van vermiste artikelen ter waarde van bijna 7.000 gulden.

‘Heilige Arke’

Van slechts één synagogevoorwerp is een deel van het vervolgtraject bekend: de zogeheten ‘Heilige Arke’. In deze grote, eikenhouten kast werden onder meer de Torarollen bewaard. Jacob Drukker, in een naoorlogs getuigenverhoor: “Nadat ik op de dag der bevrijding weder te Zaandam terug was gekomen -ik ben namelijk steeds in de buurt ondergedoken geweest-, vernam ik van de veilinghouder en opkoper Van der Woude, wonende aan de Westzijde alhier, dat bovenbedoelde eikenhouten kast door hem was opgeborgen in zijn opslagplaats en dat hij deze kast tijdens de bezetting van de toenmalige Inspecteur van Politie T. Jansen in ontvangst had genomen. Ik heb naderhand de kast in de opslagplaats van Van der Woude gezien en daarbij geconstateerd dat deze inderdaad uit de synagoge te Zaandam afkomstig was.” Klaas van der Woude bevestigde Drukkers verhaal. “De eikenhouten kast heb ik weder ter beschikking gesteld van de Nederlands Israëlitische Gemeente.” Twee jaar na de bevrijding was de synagoge nog altijd een bouwval, beschikte de NIG niet over geld om het gebouw op te knappen en wachtte de kast in Van der Woudes opslag aan de Westzijde 242 op de rechtmatige eigenaars. Of de Heilige Arke ooit terugkeerde naar de sjoel is een raadsel.

Torarollen

In de jaren na de oorlog kwam ook een ander deel van de synagogeboedel boven water. Of toch niet?

In Dagblad Zaanstreek van 26 augustus 1996 schreef verslaggeefster Denise van Kempen dat na de oorlog ‘slechts zes Torarollen gespaard bleven’. Die zin staat ook in het vier jaar eerder verschenen standaardwerk over de Nederlands-joodse geschiedenis, Pinkas. Onduidelijk blijft alleen wat de oorspronkelijke bron is. En de Torarollen zijn tot op heden zoek.
Nog zo’n raadsel: Joep Auwerda citeert in De Joodse Gemeente in Zaandam de toenmalige conservator van het Joods Historisch Museum, Joël Cahen. Die vertelde: “Er moet ergens een kist met een [synagoge-]archief zijn. Dat heb ik gehoord van een lid van van de joodse gemeente Zaandam, van Arie Pais, zoon van de voormalige voorzitter.” Maar waar die kist zou zijn gebleven, wist Cahen helaas niet te vertellen. En ook het NIG-bestuur van destijds had geen idee. Of zou Cahen doelen op de notulenboeken? Daarover straks meer.

Een deel van het synagoge-interieur in 1969 (D. Peeters)

Dam 2

Drie decennia later ging er weer iets verloren. Het in het centrum van Zaandam gelegen gebouw Dam 2 was sinds 1858 respectievelijk in gebruik bij de plaatselijke Vrijmetselaars en als café Suisse. Tijdens de oorlog had de afdeling Gemeentewerken van Zaandam het pand in beheer. Er was onder meer een bank- en girokantoor gevestigd. In 1993/’94 werd Dam 2 verbouwd. In november 1993 hoorde Zaandammer Anton Faas van een kennis dat bij het slopen van een vloer een aan het oog onttrokken, door twee muren omgeven ruimte was ontdekt. Nadat de slopers daarin waren afgedaald, ontdekten ze een aantal kluisjes. Toen ze die openmaakten, vonden ze ‘een tamelijk grote hoeveelheid  waardevolle spullen’, aldus Faas. “Het ging om onder andere bladgoud en waardepapieren.” Zijn kennis ‘voegde daaraan toe dat het ging om joods bezit dat vanwege de oorlog hier opgeborgen was’. De gevonden goederen zouden door de slopers zijn meegenomen.
Anton Faas wendde zich tot de gemeente Zaanstad. Een ambtenaar beaamde ‘dat er inderdaad een kluizencomplex aanwezig was en dat het openen en slopen daarvan onder toezicht had plaatsgevonden’. De met bovenstaand verhaal geconfronteerde projectontwikkelaar ‘bevestigde dat er iets was gevonden, namelijk een kistje zonder inhoud. (…) Er was ook een getuigschrift of diploma van een joodse school of instelling van voor de oorlog gevonden.’

Bladgoud

De zoektocht van Anton Faas leidde in december 1994 tot een artikeltje in Dagblad Zaanstreek. “Volgens directeur L. Bosch van de Amsterdamse exploitatiemaatschappij De Purmer, sinds twee jaar eigenaar van het pand, bevatte een van de kluizen stukken en een administratie van een joodse vereniging die hij zich niet met name kon herinneren”, aldus de verslaggever. Volgens Bosch had hij de kluisinhoud overgedragen aan het Gemeentearchief Zaanstad. Dat ontkende echter de documenten te hebben ontvangen. En daarmee verdwenen ook deze stukken uit het zicht.
De al eerder genoemde Dirk Voet had als opzichter van Gemeentewerken tevergeefs geprobeerd om het zilverwerk van de synagoge veilig te stellen. Dam 2 was zijn dagelijkse werkplek. Zou hij daar de ‘joodse’ documenten in één of meer kluisjes hebben verborgen? En betrof dat papierwerk -en bladgoud?- van de sjoel? Of kwam het uit een joods huishouden?

Plattegrond van Dam 2 (1922). Binnen het langwerpige, met dikke zwarte rand omgeven blok in het souterrain bevond zich een kluis

Notulenboeken

Zelfs in de 21-ste eeuw ging er nog iets verloren van het toch al schamele synagogerestant dat na de bevrijding opdook. In 2015 kwamen uit een opbergplaats van de Nederlands-Israëlitische Gemeente twee vooroorlogse notulenboeken tevoorschijn. Ze bevatten de verslagen van de bestuurs- en kerkenraadsvergaderingen van de Zaandamse synagoge en besloegen respectievelijk de periodes 24 januari 1892 tot met 2 mei 1911 en 9 mei 1911 tot en met 16 juli 1931. Dat was alles wat er resteerde van het synagogearchief. Ook het notulenboek dat liep van 1931 tot en met 1942 -met waardevolle aantekeningen over de vele joodse vluchtelingen in de Zaanstreek en over de oorlogsgebeurtenissen- was door de nazi’s vernietigd.
Het lag in de bedoeling om beide bewaard gebleven notulenboeken een veilige plek te bezorgen in het Gemeentearchief Zaanstad. Maar ergens onderweg ging er iets mis. Het boek dat liep tot 1931 verdween op mysterieuze wijze. Al wat er nu nog van zichtbaar is, zijn enkele even eerder gefotografeerde pagina’s. Hieronder één van die bladzijden. Te lezen is hoe de notulerende secretaris Izak de Haan -de vader van de beroemde auteurs Carry van Bruggen en Jacob Israël de Haan- niet voor het eerst zijn beklag doet over het vele werk en de magere verdiensten die hem als gazzan zijn toebedeeld. Het is uniek materiaal. En het is dus weg.

Het lijkt er op dat vrijwel al het ternauwernood geredde synagogemateriaal alsnog door de geschiedenis is verzwolgen, als schepen in de Bermudadriehoek. Hopelijk komt er nog iets van boven water, om te beginnen het verdwenen notulenboek. Wie meer weet, kan zich melden: info@schaapschrijft.nl.

PS. Het is me bekend dat op Curaçao een oude sleutel van de synagoge ligt, waarschijnlijk die van de voordeur. Ik heb goede hoop dat in ieder geval die terugkomt naar Zaandam.

 

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag