De Zaanse liquidaties: Meine van Manen

Meine van Manen (Smallingerland, 9-2-1920/Wormerveer, 26-1-1945)

Tijdens de Tweede Wereldoorlog brachten Zaanse verzetsstrijders meer dan twintig collaborateurs, zwarthandelaren en andere gevaarlijk geachte personen om het leven. In mijn boek Korte metten. De Zaanse liquidaties (1940-1945) worden deze liquidaties uitgebreid beschreven. Ook de mislukte en verzonnen aanslagen alsmede de dilemma’s die deze beslissingen over leven en dood met zich meebrachten komen in Korte metten uitgebreid aan bod. Het 148 pagina’s tellende boek is te bestellen in de boekhandel en via Bol.com.
Hieronder het hoofdstuk over de eliminatie van Meine van Manen.

In 1946 maakte een vertegenwoordiger van de Zaandamse Knokploeg een overzicht van veertien ge- en mislukte aanslagen in de regio. Bij de datum 26 januari 1945 staat: “Mijndert uit Zaandam (onderwereld) terechtgesteld.” Het Nationaal Archief beschikt over een in juli 2000 opgesteld overzicht met acht namen van mannen ‘geliquideerd door het Zaanse verzet’. De maker van de lijst is onbekend, het laatstgenoemde eliminatieslachtoffer is ene Meine Vermanen. Over deze Vermanen wordt vermeld: “Ex-marechaussee uit Friesland. Was geïnfiltreerd in het Zaanse verzet. Werd geschaduwd door het verzet (H.L.) tijdens het uitwisselen van tassen op het Damrak in Amsterdam. Is onder het mom van overplaatsing naar een groep in de kop van Nrd.-Holland tussen Wormerveer en Uitgeest geluidloos geliquideerd en in de berm van de Prov. Weg begraven in een oude winterjas van de vader van Piet. Het lusje (een kettinkje) van de jas is later bij het verbreden van de Prov. Weg teruggevonden.” In een bewaard gebleven overzicht van liquidaties in en om de Zaanstreek is een vrijwel gelijkluidende naam te vinden: “M. van Manen.” In alle drie de gevallen betreft het de uit Drachten afkomstige Meine van Manen.

Meine van Manen.

De genoemde ‘H.L.’ was de Zaandamse compagniecommandant Henk Langendijk. Een kleinzoon van Johannes Gerardus de Wit herinnert zich dat zijn grootvader Van Manen meermalen had ontmoet. De Wit werkte onder supervisie van Langendijk. Het viel hen op dat Van Manen, die medio 1944 een rol kreeg binnen het Zaanse verzet en in Langendijks huis aan de Zaandamse Ringweg was ondergebracht, wel heel veel wist van Duitse wapens. Hij kon deze ook blindelings (de-)monteren. In januari 1945 is de oud-wachtmeester bij de politie geschaduwd toen hij met de Zaandammer boot naar Amsterdam reisde. Hij bleek daar naar het SD-hoofdkwartier te gaan. Daarop volgde het besluit om hem te doden. 

Hollandse SS’er

Aanwijzingen die aanvullend licht werpen op Van Manen zijn te vinden in een notitie van de Wormerveerse RVV-commandant Henk de Wit (die bij veel meer liquidaties betrokken was): “Meindert [sic] was NSB’er, Holl. SS, waterschutspol. Werd door de SD geïnfiltreerd als onderduiker in de illegaliteit. Heb alles bekent [sic] voor het vonnis.” Dat vonnis werd mede voltrokken door de Zaanse verzetsman Jan de Jong. In de nalatenschap van Henk de Wit duikt overigens een paar keer een verwijzing op naar een ‘Hollandse SS’er’ die gedood zou zijn.

Het helderst over deze man is De Wit in zijn nagelaten memoires. Daarin heet Meine opeens Manus, afkomstig uit Haarlem. De man ‘wilde niet terug naar Duitsland’ waar hij blijkbaar tewerkgesteld was en werd daarom ‘ingezet in het Lager (een lege houtloods van William Pont aan de haven te Zaandam, waar meerdere onderduikers helpen in beslag en gevorderde etenswaren in porties klaar te maken voor legale en illegale personen)’. Volgens De Wit was het een ‘voortreffelijk’ werker, maar maakte hij de fout om te informeren naar leidinggevende personen binnen de illegaliteit. “Dan ging hij op afstand op de fiets achter deze personen aan en nam op waar zij woonden. Ook gaf hij aan de onderwereld door waar goederen opgeslagen waren. Twee man van de onderwereld werden gepakt door jongens die de goederen bewaakten.” Zij noemden Manus als hun tipgever.

Blinddoek

De Wit: “Er werd gevraagd of wij hem wilden arresteren… en dan uit de weg te ruimen!! Wij moesten een paar stukken ijzer, waarmee de treinrail aan de bielzen wordt bevestigd, meenemen en ijzerdraad om die stukken ijzer aan hem vast te binden. Na hem eerst te hebben vermoord, moest hij in de vaargeul van de Zaan gedumpt worden. Omdat hij ook verbinding met de SD zou hebben, moest dit lijken of hij de benen had genomen!” Op een avond rond 19.00 uur haalden De Wit, De Jong en een andere illegaal hem op. “Wij vroegen hem of hij even mee kon gaan. Dit deed hij spontaan. Wij stapten in onze overvalwagen. We zeiden: ‘Manus, je krijgt eerst een blinddoek voor, want je mag niet weten waar je geweest ben als je aanstonds terug komt!'”

V.l.n.r. de BS’ers Henk de Wit, Dirk Tober, Gerrit de Bruin, Jan Brasser en Jan Battum (Gemeentearchief Zaanstad).

Op de plaats van bestemming aangekomen onderging Manus een verhoor. “Hij was in 1936 lid geworden van de NSB, in 1942 lid van de Hollandse SS, 1944 bij de Wasserschutzpolizei op het IJsselmeer. Hier namen ze veel goederen in beslag, maar ook personen die geen papieren hadden. Op zekere dag werden ze betrapt dat ze goederen die in beslag genomen hadden verhandeld. Ze werden afgeleverd aan de SD in Amsterdam. Hier kon hij kiezen, of naar het front tegen de Russen of (…) infiltreren als onderduiker in de Zaanstreek, door zoveel mogelijk namen en adressen te verzamelen van leidinggevende personen in de illegaliteit.”

Goed fout

Manus zei bereid te zijn om zijn leven te beteren, maar dat mocht niet helpen. “Hij gaf toe dat hij goed fout was geweest en zou trachten een beter mens te worden. Hij kon niet meer in Zaandam blijven, want nu hij met de SD zou breken zouden ze hem zoeken. Na rijp beraad met ons drieën, was er geen andere keuze! Na zo’n openhartige bekentenis was het moeilijk een besluit te nemen. Er lag 10 cm. sneeuw. Elke druppel bloed zou een roze plek zijn. Tien cm. ijs in de Zaan. De grond was hard en bevroren. Je moest kiezen of delen. Hij of misschien wel 100 andere als er niet iets gedaan wordt. Zulke dingen vergeet je nooit weer!!”

Van Manen is begraven langs de Provincialeweg naast de toenmalige velden van de Koogse voetbalvereniging KFC. Op die plaats werd eind jaren zestig de Coenbrug gebouwd die sindsdien Koog aan de Zaan doorsnijdt. De oude winterjas waarin het slachtoffer na de geslaagde liquidatie werd gewikkeld, zou afkomstig zijn van Piet Lust, een buurman van Joop de Wit. Diens gelijknamige zoon maakte eveneens deel uit van de verzetskern rond Henk Langendijk.

Onderdeel van een vragenlijst van de Oorlogsgravenstichting over Meine van Manen.

Provincialeweg

Na de oorlog deed zijn verloofde pogingen om te achterhalen waar Van Manen was. “Hij heeft veel goeds verricht tijdens de bezetting, wat de Duitsers wel aanleiding kon geven om hem te fusilleren”, schreef ze, onwetend van zijn werkelijke rol, in juli 1945. Het Ministerie van Justitie vermoedde iets anders: “Volgens niet-bevestigde berichten werd hij in de zomer van 1945 wegens anti-Engelse gedragingen en pro-Duitse spionage geëxecuteerd te Wormerveer. Bij navraag bij de burgemeester te Wormerveer en de illegaliteit aldaar bleek omtrent gezochte niets bekend te zijn.” De Koude Oorlog was inmiddels in volle gang, het voormalige communistische verzet had blijkbaar geen behoefte om dit raadsel te helpen oplossen. Het duurde tot 2018 voor duidelijk was dat de voormalige Waffen-SS’er en oud-opperwachtmeester der Staatspolitie Meine van Manen een provisorisch graf had gekregen in de Koogse berm van de Provincialeweg. Wellicht ligt hij daar nog altijd.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Zoldernazi Jacques Philippa begon zijn moordlustige loopbaan in Zaandam

De ter dood veroordeelde Jacques Philippa zat na de oorlog 29 jaar ondergedoken op de zolder van zijn ouderlijk huis. Hij haalde daarmee in 1974, toen hij alsnog werd gearresteerd, alle kranten. Het lid van de moordlustige Bloedgroep Norg begon zijn gewelddadige nazistische loopbaan in Zaandam, als hopman bij de NSB.

Over de zware oorlogsmisdadiger Jacobus Petrus Philippa (30-9-1917) is al veel geschreven. Zijn levensloop mag dan ook opmerkelijk genoemd worden. En dat is een understatement. Over zijn tijd in Zaandam was echter vrijwel niets bekend. Hieronder een poging om wat licht te werpen op de eerste stappen die hij daar zette als NSB’er met een bloeddorstige inborst.

Vaandrig

Nadat de in Den Haag geboren Sjaak – in 1941 maakt hij daar het wat deftiger klinkende Jacques van – de hbs heeft afgerond, studeert hij vanaf 1937 aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. In zijn boek In dienst van de nazi’s omschrijft auteur Paul van de Water hem in die tijd als een ‘kille, gesloten, afstandelijke, fanatieke en pro-Duitse jongen die geen vrienden had’. Hoe deutschfreundlich hij ook mag zijn, in mei 1940 vecht Philippa op de Grebbeberg als vaandrig tegen de Duitse troepen die Nederland zijn binnengevallen. In tegenstelling tot veel strijdmakkers komt hij er ongedeerd weg. Twee maanden na de capitulatie wordt hij bevorderd tot tweede luitenant, een ‘eer’ die alleen is weggelegd voor beroepsmilitairen die beloven zich niet te zullen verzetten tegen het nieuwe regime.

Philippa in oorlogsuniform.

In de zomer van 1942 meldt Philippa zich bij het Vrijwilligerslegioen Nederland, een onderdeel van de Waffen-SS. Als Unterscharführer volgt hij in het Beierse Bad Tölz een officiersopleiding aan de SS-Junkerschule. Het duurt bijna twee jaar voor hij terugkeert naar Nederland. Hij sluit zich dan aan bij de Drentse Landwacht. Als waarnemend districtscommandeur van deze gewelddadige NSB-groep arresteert en martelt hij er op los. Hij organiseert razzia’s. En hij is actief in de Bloedgroep Norg, een haveloze bende Landwachters die in de voormalige burgemeesterswoning van het dorp Norg opgepakte verzetsstrijders mishandelt en vermoordt.

Doodstraf

Al met al is het voldoende om Jacques Philippa in 1950 de doodstraf op te leggen. Probleem is alleen dat zijn verblijfplaats onbekend is. Hij ‘bevindt zich waarschijnlijk in Spanje’, schrijft de Drentse politiecommissaris R. de Jong in 1948 aan de broer van een van Philippa’s vele slachtoffers. Niemand heeft ook maar het minste vermoeden dat de gezochte collaborateur na de bevrijding van Assen via de Afsluitdijk naar Amsterdam is gevlucht. Daar huurt hij een kamertje tot zijn moeder hem in de zomer van 1945 vraagt om naar huis te komen. Philippa fietst naar Den Haag en richt de zolder van zijn ouderlijke woning aan de Pauwenlaan 95 in als leefvertrek.

Pauwenlaan 95 in Den Haag.

De navolgende 29 jaar komt hij niet of nauwelijks buiten. Hij kweekt kanaries en lost schaakproblemen op. In 1973 overlijdt zijn moeder. Jacques’ zus kan het niet verteren hoe haar bejaarde vader lijdt onder de heimelijke aanwezigheid van zijn zoon. Zij waarschuwt daarom de politie. In de ochtend van donderdag 11 april wordt de ooit gezochte, maar inmiddels door bijna iedereen vergeten oorlogsmisdadiger alsnog aangehouden. Hij is dan 56 jaar oud. Zijn eerder opgelegde straf wordt bij Koninklijk Besluit ingekort tot vier jaar cel. Die zit hij volledig uit. Na zijn vrijlating in het voorjaar van 1978 kan hij maar kort van zijn vrijheid genieten. Op 18 december 1981 wordt hij dood gevonden in de badkamer van zijn woning in Enschede, waar hij dan al zeker twee weken heeft gelegen.

WA’er in Zaandam

Tot zover in grove schetsen Philippa’s levensloop. Tijd om in te zoomen op zijn verblijf in Zaandam. Want daar begint in zekere zin zijn schijnbaar gewetenloze tocht door de nazistische instanties. Dagblad Zaanstreek memoreerde op 20 oktober 2021 dat hij een paar maanden als WA-hopman aan de boorden van de Zaan actief was. Helaas staan er nogal wat fouten in dat artikel. Zo wordt de hoofdpersoon niet in 1940, maar op 21 mei 1941 lid van de NSB. Daarom kan hij niet al in januari 1941 in Zaandam gestationeerd zijn geweest als leider van de Weerafdeling. Pas op 21 augustus van dat jaar schrijft de gemeente Breda hem uit. Rond die tijd komt Philippa naar Zaandam. Dat de politiecommissaris en de burgemeester hem op 27 april 1941 verbieden om nog in Zaandam op te treden, zoals in Dagblad Zaanstreek gemeld, klopt gezien het hierboven genoemde tijdsverloop natuurlijk ook niet. En een knokpartij tussen de WA en plaatselijke bewoners vindt niet plaats in de Zaandamse Spoorbuurt, zoals de dienstdoende verslaggever vermoedt, maar in Koog aan de Zaan.

Julianastraat

Die gebeurtenissen in Koog verdienen een nadere beschouwing, aan de hand van zowel nazistische als antifascistische bronnen. Ze werpen namelijk wat licht op het karakter van – dan nog – Sjaak Philippa en de ongekende ontsporingen waaraan hij zich later schuldig maakt.

Na zijn verhuizing naar de Zaanstreek, in de nazomer van 1941, neemt Philippa een kamer in ‘Het Wapen van Zaandam’, een hartje centrum gelegen hotel. De NSB kan de nieuwkomer goed gebruiken. Iemand die de KMA heeft afgerond en zich in mei 1940 bewees als commandant van een mitrailleurpost hebben ze nog niet in hun gelederen. Na zijn aanmelding als NSB’er – stamboeknummer 140920 – heeft Philippa zich ook gevoegd bij de Weerafdeling, de paramilitaire knokploeg van de NSB. Hij krijgt er de rang van hopman. Aangekomen in Zaandam mag hij meteen in deze officiersfunctie aan de slag. Het van de Vrijmetselaars geroofde gebouw aan de Stationsstraat is enkele maanden eerder geopend als nationaalsocialistisch Kringhuis, de beweging is klaar om de Zaanstreek te veroveren. Een sterke WA is daarbij onontbeerlijk.

Eind september 1941 bericht Philippa als ‘Vendelcommandant’ aan de Heerbanleider Amsterdam over een zangavond in Zaandam. “Op Maandagavond 22 Herfstmaand was het geheele Vendel aangetreden in de zaal van het gebouw Thalia voor zaalwacht en vlaggewacht tijdens het afleggen van de gelofte door de kernleden van Kring 42”, schrijft hij trots. Kring 42 betreft de Zaanse NSB-afdeling. Feestzaal Thalia is eigendom van Jacob IJdenberg. Hij is enkele maanden eerder tot wethouder benoemd in het nazistische stadsbestuur van Zaandam. Philippa’s met ‘Hou Zee!’ ondertekende brief is een van de weinige bewaard gebleven levenstekens uit zijn Zaanse tijd.

Feestgebouw Thalia aan de Prins Hendrikkade in Zaandam (Gemeentearchief Zaanstad).

Veel uitgebreider is de berichtgeving over zijn rol bij een veldslag in Koog aan de Zaan, een paar dagen later. Waarschijnlijk stoort het de Zaandamse nieuwkomer mateloos dat hij elke nacht moet doorbrengen in de Wilhelminastraat. Hij heeft uit naam van de koningin zijn leven gewaagd op de Grebbeberg. Terwijl hij daar vocht, nam zij de benen naar Engeland. En vanaf de overkant van het Kanaal moedigt ze nu haar landgenoten aan om zich niet neer te leggen bij de Duitse hegemonie. Dat Wilhelmina en haar andere gevluchte familieleden nog altijd door middel van straatnamen – waarvan er een dus vlakbij zijn hotelkamer hangt – worden geëerd, zint de NSB’er niet. Daarom bedenkt hij een tegenactie.

NSB’ers – oud en jong – voor hun Kringhuis in de Zaandamse Stationsstraat, 1941 (Gemeentearchief Zaanstad).

In de ochtend van zaterdag 27 september verzamelt Philippa 21 WA-mannen. Generalkommissar für das Sicherheitswesen Hanns Albin Rauter schrijft aan de Reichskommissar für die besetzten Niederländischen Gebiete Arthur Seyss-Inquart dat het de bedoeling was om de straatnaamborden waarop nog levende leden van het koningshuis vermeld staan te vervangen. Die bevinden zich in Zaandam, Wormerveer, Krommenie en Koog aan de Zaan. “Philippa had hiervoor noch van de NSB-partijleiding, noch van de leiding van de WA opdracht ontvangen”, oordeelt Rauter nadien. “Integendeel, hij had de beslissing alleen genomen.” Kort tevoren heeft Seyss-Inquart meegedeeld dat de ‘koninklijke’ straatnaambordjes voorlopig niet te hoeven worden vervangen, maar daar heeft Philippa dus geen boodschap aan.

Hanns Albin Rauter (Bundesarchiv)

In Zaandam komen de WA’ers niet ver met hun plannen. De gealarmeerde politiecommissaris verbiedt de geplande actie. De zwarthemden vertrekken daarom naar Krommenie. Daar maken de bordjes Juliana- en Wilhelminastraat plaats voor de zelfgefabriceerde teksten ‘Mien Tippelstraat’ en ‘Medelijdenstraat’. In Krommenie en in Wormerveer verloopt de omwisseling volgens Rauter ‘vlot’, bij gebrek aan handhavende politie. Drie dagen later doet de NSB-krant Het Nationale Dagblad op de voorpagina enthousiast verslag van de demonstratie. “De Zaankanters hebben met zichtbaar genoegen het werk der zwarte soldaten gadegeslagen, dit bleek uit hun uitlatingen en geheele houding.” Hetzelfde zou gelden voor Koog aan de Zaan: “Door de grootste orde en discipline der WA werd de rust gehandhaafd, waartoe de kalme houding van het publiek veel bijdroeg.” Dat de werkelijkheid anders was, blijkt wel uit getuigenissen van voor- en tegenstanders.

Verslagfragment in Het Nationale Dagblad (30-9-1941).

Kort na de bevrijding verschijnt er een acht pagina’s tellende brochure over de gebeurtenissen in Koog. Die begint met de volgende zinnen: “Op Zaterdag 27 September 1941 was het ’s middags en ’s avonds buitengewoon rumoerig in de anders ook vrij drukke Julianastraat. En, daar was reden voor! Een troep leden van de NSB, z.g. ‘WA-mannen’, volgelingen van Hitler, die er toen van overtuigd waren, dat diens regime van terreur, geweld en dwang voorgoed ingang had gevonden en zou blijven voortbestaan, trok de straat in en rukte, met groot misbaar, de straatnaambordjes van de huizen en stelde daarvoor andere in de plaats, met ’t opschrift ‘Medelijdenstraat’.” Dat deze verwisseling ‘verband [houdt] met het feit dat in deze straat bijna niemand bereid werd gevonden om voor de [nazistische hulporganisatie] “Winterhulp” bij te dragen’, lijkt overigens ontsproten aan de fantasie van de auteur. De monarchie moest uit het publieke domein, waar dan ook. Met de Winterhulp had dat niets van doen.

Politie

Het zit de Weerafdeling niet mee in de Koogse Julianastraat. Ze vinden twee niet van nazi’s gecharmeerde agenten op hun pad. Er ontstaat een worsteling. Rauter: “De tegen de WA optredende Hollandse politiebeambten Klaas van Doeland en Herm Nijzink werden door de WA gedeeltelijk ontwapend. In opdracht van Philippa zijn de twee politiesabels en een pistool na het incident aan de Nederlandse politie teruggegeven.” De schrijver van bovengenoemde brochure: “Zij werden zwaar mishandeld, doch ze kregen de originele straatnaambordjes in handen en slaagden er in hun buit te behouden.”

Vier agenten uit Koog aan de Zaan, 1935. Links Herm Nijzink, rechts Klaas van Doeland (Gemeentearchief Zaanstad).

Het lijkt er even op dat Jacques Philippa de zaken weer onder controle heeft. Rauter: “Nadat de WA naar behoren was afgemarcheerd, verschenen er steeds meer inwoners van de gemeente Koog aan de Zaan en haalden ze vervolgens onder hoerageroep het straatnaambord ‘Mien Tippelstraat’ weg. Datzelfde gebeurde met het bordje ‘Medelijdenstraat’.” Het is inmiddels kwart voor acht ’s avonds. Op dat moment komt het NSDAP-lid Hans Werner aangefietst. De in Zaandam wonende Kolonnenführer is als zodanig herkenbaar aan een partij-insigne op zijn kleding. Het is olie op het vuur. Werner: “De mensenmassa dacht dat ik bij de fascisten hoorde. Ik werd daarom door de menigte aangevallen en geslagen, waardoor ik op de grond viel. Daarop heb ik mijn revolver getrokken en in de lucht geschoten.”

‘Weg of ik schiet’

Zijn al dan niet toevallig aanwezige partijgenoot Menne Bos, een twintigjarige fabrieksarbeider uit Koog aan de Zaan, legt nadien ook een getuigenis af. “Deze persoon werd door de menigte omringd, waarbij hij een revolver uit zijn tas haalde, daarmee dreigde en tegen de mensen zei: ‘Weg of ik schiet.’ Daarbij schoot deze persoon eenmaal in de lucht. De menigte stoof uiteen en een mij onbekende persoon viel de man van achteren aan. De persoon met de revolver schoot daarop achterwaarts over een schouder. Ik hoorde verschillende schoten achter elkaar. Daarna viel die persoon op de grond en schoot in het wilde weg op de mensen.” Desondanks slaagt Bos er in om Hans Werner zijn wapen te ontfutselen. Hij draagt het even later over aan de politie.

De Julianastraat in Koog aan de Zaan (Gemeentearchief Zaanstad).

De brochureschrijver: “Daarna viel de heethoofd ten prooi aan de woedende menigte. Uit den winkel van Albert Heijn werd een stalen stoel weggehaald en daarmee, en ook op andere wijze, werd de mof bewerkt.” Werner wordt getrapt, zijn rechteronderarm met een mes bewerkt, zijn partijplaatje afgerukt. Desondanks lukt de Rijksduitser om te ontkomen. Hij laat vier door zijn kogels getroffen gewonden achter. Achtervolgd door zijn belagers – die onder meer ‘Sla die fascisten en moffen dood’ en ‘Dood aan de NSB’ schreeuwen – bereikt hij het even verderop gelegen café van Hein Stam. “Daar werd hij allesbehalve liefdevol ontvangen!”, aldus de brochureschrijver. “Eenige bezoekers van het café namen hem op en smeten den gehavenden bruut door een der ramen naar buiten.”

Het café van Stam in de Raadhuisstraat (Gemeentearchief Zaanstad).

Werner is opnieuw overgeleverd aan zijn vijanden. Uit de brochure: “De toegestroomde menigte ontving den geweldenaar met open armen. Hij werd beetgepakt en men toog met hem naar de Noorderbrug, met de bedoeling hem over de leuning te gooien om hem in de Zaan te doen verdrinken.” Hans Werner heeft geluk dat op dat moment de plaatselijke agenten Jan Breeker en C.A. Prinsen in hun patrouillewagen langsrijden. Hij heeft ook pech. Breeker zit tot over zijn oren in de plaatselijke illegaliteit en laat weinig na om de nazi’s te dwarsbomen. “Bij de oprit van de Noorderbrug zagen we een man lopen, en wel op zo’n manier dat hij dreigde te vallen”, verklaren ze later die week tegen de Duitse autoriteiten. “Wij zijn naar deze man gegaan en hoorden dat hij met een revolver had geschoten. We vroegen hem: ‘Heeft u geschoten?’, waarop hij ‘ja’ antwoordde. Daarop hebben we deze man gearresteerd, meegenomen naar het bureau en daar laten verbinden.” Werners verwondingen zijn zo ernstig dat de agenten hem voor behandeling naar het gemeentelijk ziekenhuis laten brengen. “Zijn moffenkop was onkenbaar en van z’n kleeren was niets meer heel”, wist de brochureschrijver. “Naar verluidt is hij maandenlang verpleegd in het ziekenhuis en is hij tenslotte toch nog hersteld.”

V.l.n.r. de agenten Prinsen, Van Doeland, Nijzink en Breeker (Gemeentearchief Zaanstad).

Jacques Philippa is aanvankelijk onwetend van de enorme chaos die hij met zijn onbezonnen actie heeft veroorzaakt. Hij is met zijn manschappen teruggemarcheerd naar het hoofdkwartier in Zaandam. Op de plek des onheils blijft het nog een tijdje onrustig. “Duizenden bij duizenden menschen waren dien middag en avond in de Julianastraat present en de gemoederen waren allerminst vredelievend gestemd. Allerlei dreigementen en wraakuitingen werden er vernomen die, ingeval de Duitschers toen waren verschenen, tot ernstige botsingen geleid zouden hebben. Gelukkig bleven onze ‘beschermers’ weg en keerde de rust in den laten avond weer.”

Jacques Philippa (Oorlogs- en Verzetscentrum Groningen).

Het incident krijgt een stevige staart. Buurtbewoner Rinus Hille is herkend als een van de mensen die opruiende leuzen hebben geschreeuwd. Hij en Hein Stam worden gearresteerd vanwege hun ’tegen de Duitse bezettingsmacht gerichte gedrag’, aldus Rauter op 22 oktober 1941 in zijn brief aan Rijkscommissaris Seyss-Inquart. Daarbij blijft het niet. “Vanwege deze tegen een Rijksburger gerichte Duits-vijandige demonstratie wordt in overleg met de gevolmachtigde voor de provincie Noord-Holland – Oberdienstleiter Seidel, Haarlem – de gemeente Koog aan de Zaan een zoengeld ter hoogte van fl 25.000,- opgelegd.” Hoewel de burgemeester van Koog een poging doet om de boete te laten vervallen – de ‘demonstratie’ zou niet tegen de bezettingsmacht, maar tegen de NSB gericht zijn geweest -, blijft de straf gehandhaafd. Het lijkt er op dat Hein Stam er wel zonder bestraffing vanaf komt. Zijn uitleg niet te hebben gezien dat Hans Werner gewond was, komt geloofwaardig genoeg over. Rinus Hille daarentegen verdwijnt negen maanden achter de tralies. Na het uitzitten daarvan belandt hij in de illegaliteit. De tuinman weet ongeschonden de bevrijding te halen en klimt nadien op tot alom gerespecteerd wethouder, burgemeester en Statenlid.

Een niet helemaal accuraat verslag van de gebeurtenissen in Koog door het illegale blad Vrij Nederland, 15-10-1941.

Waar Rinus Hille uiteindelijk tot grote hoogte zal reiken, begint voor Jacques Philippa de afdaling. NSB-leider Anton Mussert grijpt persoonlijk in. Op 1 oktober verschijnt er een mea culpa in Het Nationale Dagblad. De NSB verwerpt weliswaar het gedrag van ‘onze gewezen Koningin’, aldus de krant, maar ‘zij wenscht zich niet te buiten te gaan aan onwaardige strijdmethoden tegen haar, die eens een groote plaats innam in ons hart.’ Uit naam van Mussert bericht landelijk WA-commandant Arie Zondervan dat ‘vendelcommandant’ Jacques Philippa ‘op bevel van den Leider onmiddellijk van zijn commando ontheven’ is.

Het Nationale Dagblad (1-10-1941).

Anton Mussert wil er alles aan doen om de heersende macht niet tegen de haren in te strijken. Eigengereide oproerkraaiers als Philippa passen niet in zijn pogingen om de nazi’s te paaien. Of de NSB-aanvoerder bij zijn besluit nog even heeft teruggedacht aan zijn werkbezoek aan Zaandijk op 20 augustus 1938 vermeldt de geschiedenis niet. Aan zijn katheder hing toen, zoals wel vaker tijdens zijn vooroorlogse toespraken, een portret van Wilhelmina. Maar drie jaar later is van die aanhankelijkheid niets over.

Mussert op 20 augustus 1938 op het spreekgestoelte bij boerderij Fortuin, in het verlengde van de Guisweg in Zaandijk (Gemeentearchief Zaanstad).

Helemaal uit de fascistische familie gestoten wordt Philippa niet. Hij wordt op 25 november 1941 ‘naar de gemeente Groningen afgeschreven’, zoals het in ambtelijke termen heet. Gedesillusioneerd vertrekt hij naar het hoge Noorden. Dat de monarchistische straatnaamborden begin 1942 in heel Nederland alsnog moeten plaatsmaken voor andere teksten is een schrale troost.

In Groningen mag Philippa aan de slag als adjudant van de plaatselijke Weerafdeling. Driekwart jaar later meldt hij zich bij de Waffen-SS en komt hij in Beieren terecht. Daarna gaat de val steeds sneller, met zijn martel- en moordpraktijken in en om Norg als absoluut dieptepunt. Het lijkt er op dat zijn scheiding in januari 1945, na een huwelijk van amper een jaar, het laatste zetje is geweest om zijn haat- en wraaklust volledig te ontplooien. De laatste keer dat hij Zaandam passeert, is als hij in april 1945 vlucht van het dan al bijna bevrijde Drenthe naar de hoofdstad.

Jacques Philippa en Jantje Hazekamp op hun huwelijksdag, 7-1-1944. Het huwelijk werd in januari 1945 op haar verzoek ontbonden.

Op 9 mei 1945 zit Jacques Philippa ondergedoken in zijn Amsterdamse huurkamer, in angstige afwachting van hetgeen de toekomst hem biedt. Twintig kilometer noordelijker is de sfeer juist uitgelaten. Net als vier jaar eerder staan er duizenden mensen in en rond de Koogse Julianastraat. De straat is met vlaggen versierd. Om zeven uur ’s avonds begint het feest. De Zaanlands Kapel speelt vrolijke muziek. Dan naderen per koets drie mannen. Het zijn de Koogse verzetsstrijder Henricus Hagtingius, Klaas van Doeland en Herm Nijzink. Er volgen toespraken en vaderlandse liederen. Hagtingius krijgt een schep overhandigd, de beide agenten een paal met daaraan een bord met het opschrift ‘Juliana straat’. Onder het toeziend oog van de samengestroomde menigte planten zij het bord op de hoek van de Juliana- en Breestraat in de grond.

Onder het toeziend oog van de twee ‘goede’ agenten Herm Nijzink (rechts) en Klaas van Doeland (links) werd in 1945 het straatnaambord van de Julianastraat teruggeplaatst. De man met de schop is Henricus Hagtingius (H. van Kordenoordt).

Huisarts Hagtingius is vanwege zijn illegale werkzaamheden twee keer gearresteerd geweest. Na maandenlang opgesloten te zijn geweest, kwam hij terug. Kaalgeschoren en verzwakt, maar geestelijk ongebroken. Nu is het zijn moment. “De bordjes met het opschrift Julianastraat zitten weer op hun plaats en nooit, nooit gaan ze er weer af!”, roept hij de massa toe. “De tirannie der verdrukkers is ten einde! We zijn weer vrij, we kunnen weer vrij spreken en verruimd ademen!” Gejuich en hoerageroep vallen hem ten deel. De mensen trekken in een uitgelaten optocht door het dorp, achter de muziek aan. Bij terugkomst in de Julianastraat ontstaat er een spontaan dansfeest. Een brandstapel met in top een karikatuur van Adolf Hitler maakt het feest compleet. De nog altijd geldende avondklok mag voor één keer worden genegeerd. Pas rond middernacht keert de stilte terug op straat.

9 mei 1945, de Julianastraat (H. van Kordenoordt).

In Koog aan de Zaan wordt de vrijheid gevierd, in de Haagse Pauwenlaan heeft Jacques Philippa zichzelf elke vrijheid ontnomen. Bijna dertig jaar zit hij in zelfisolatie, bang voor de buitenwereld en bang voor de straf die hem bij verstek is opgelegd. Twee dagen voor de festiviteiten in Koog aan de Zaan eist Het Parool al de doodstraf voor Landwachters.  “De leden van dit gezelschap vallen zonder uitzondering onder de zwaarste en meest verachtelijke categorie”, aldus de voormalige verzetskrant. De leider van de Bloedgroep Norg zal ook daadwerkelijk de kogel krijgen. Philippa verstopt zich en houdt dat vol tot het echt niet meer anders kan. Wanneer het eindelijk zo ver is, op donderdag 11 april 1974 om 11.15 uur, loopt hij voor de laatste keer de zoldertrap van zijn ouderlijk huis af. Zonder te protesteren stapt hij in de politie-Mercedes die hem naar de cel rijdt. Hij zegt de agenten ‘dat dit er al die jaren al inzat en het hem toch eens moest overkomen’. Jacques Philippa verruilt het gebrek aan vrijheid in zijn ouderlijk huis voor een gevangenis met staatstoezicht.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





De lijdensweg van Engelandvaarder Joop Roos

De Nederlandse monumenten staan vol met namen van mensen die stierven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Duizenden anderen haalden netaan de bevrijding, maar bezweken daarna alsnog aan de doorstane ontberingen. Zaandammer Johan (‘Joop’) Roos was een van hen. Ook hij hoort thuis op een gedenkteken.

Johan – roepnaam Joop – Roos komt op 16 september 1919 ter wereld als zoon van de Zaandamse brandstoffenhandelaar Simon Roos en van Margaretha Johanna Alida Roos-Voetelink. Joop blijkt een nijvere en intelligente leerling. Na de lagere school doet hij achtereenvolgens examen op de ulo, de hbs – hij ontvangt op het Zaanlands Lyceum de Jasykoffprijs als beste leerling van zijn jaargang – en de middelbare technische school. Nog voor hij zijn opleiding tot technicus afrondt, bereikt de Tweede Wereldoorlog het Nederlandse grondgebied. Het is voor Joop de tweede klap binnen een paar weken. Op 24 april 1940 is zijn broertje Simon overleden, nog maar dertien jaar oud.

De familie Roos rond 1929 met bevriende buren op het strand van Wijk aan Zee. Rechts vooraan zit Joop Roos. Schuin achter hem op de schoot van zijn vader broertje Simon.

De bezetting bevalt Joop Roos op geen enkele manier, zo is op te maken uit een artikel dat dagblad De Zaanlander op 26 juni 1948 publiceert. Het lijkt er op dat hij zich gaat bezighouden met spionage, maar het hoe en wat is mij een raadsel (wie meer weet: info@schaapschrijft.nl). Op 20 mei 1943 doet de student een poging om, samen met vijf anderen, vanuit IJmuiden de illegale oversteek naar Groot-Brittannië te maken. Hij is een van de laatsten die zich aansluiten, op uitnodiging van een vriend die al deel uitmaakt van het gezelschap. Joop is mede welkom omdat een andere kameraad, de Zaandamse verzetsstrijder Anton Stam – over wie ik eerder dit artikel schreef – wil proberen om het bedrag bij elkaar te krijgen dat nodig is om de oversteek te maken. Stam kent bovendien nog wel iemand die mee wil varen: David Hendrik van Eeghen. Daarmee is de groep Engelandvaarders compleet.

Uitstel

Op dinsdag 18 mei 1943 wordt duidelijk dat er onvoldoende geld in kas is om de tocht te betalen. Het lukt Stam in de korte tijdspanne die hem wordt gegeven niet om zijn toezegging waar te maken en de andere deelnemers hebben alleen relatief kleine bedragen verzameld. Besloten wordt om de reis twee dagen uit te stellen en in de tussentijd te zoeken naar aanvullende fondsen. Uiteindelijk lukt het om enerzijds de overeengekomen prijs naar beneden te krijgen en anderzijds nog wat juwelen en geld te verzamelen, waardoor het ongewisse avontuur alsnog kan doorgaan.

De groep blijkt vrijwel vanaf het begin geïnfiltreerd door een medewerker van de Hafenüberwachtungsstelle, Benjamin Joppe. Deze Amsterdamse Vertrauensmann krijgt hulp van Hilversummer Cornelis Johannes Antonius Maria Vermeeren. Hij werkt bij de Abwehrstelle Niederlande. In de ochtend van 20 mei ligt in de haven van IJmuiden botter UK 143 klaar. Die is eigendom van een NSB-reder en geregeld door Joppes baas Friedrich Strauch, de commandant van de Abwehrstelle Marine voor IJmuiden en omgeving. Maar dat weten de beoogde Engelandvaarders uiteraard allemaal niet.

Niet te vertrouwen

Hoewel ze eerder zijn gewaarschuwd dat Joppe niet te vertrouwen is, gaan ze toch met hem in zee. Letterlijk en figuurlijk. Een voor een lopen ze op 20 mei met hem mee van de stationswachtkamer in IJmuiden naar de botter. De schipper, eveneens een NSB’er, wijst ieder van hen hoe ze onderdeks kunnen. Ze worden in de roef van het schip welkom geheten door afwisselend Leo Poos en Maarten Slagter, twee ‘foute’ politieagenten. Zodra de nieuwkomers hen de hand schudden, worden ze tegen de grond getrokken en vastgebonden. Een doek tegen hun mond moet waarschuwingskreten voorkomen. Aldus onschadelijk gemaakt worden ze in een donkere hoek van het schip geplaatst. Zowel aan boord als in de directe omgeving bevindt zich een groot aantal als visserslui verklede medewerkers van de Sicherheitspolizei en Sicherheitsdienst; de arrestaties zijn een fluitje van een cent. Joop Roos stapt als een-na-laatste het dek op en ontkomt eveneens niet aan een hardhandige aanhouding.

De botter UK 143.

Om ophef in de haven te voorkomen, gooit de schipper de trossen los en vaart de UK 143 met de buit naar de havenmond. Daar wacht de bemanning van een marineschip, die de gevangenen overneemt. Op een wat rustiger plek wordt iedereen aan wal gezet. De arrestanten gaan vervolgens per vrachtauto naar het Oranjehotel, de gevangenis in Scheveningen.

Wat volgt is een lijdensweg. Die voert Joop Roos langs de gevangenis in Scheveningen (20 mei 1943), Kamp Vught (4 september), Kamp Amersfoort (25 februari 1944), Nacht-und-Nebelkamp Natzweiler (26 februari) en tenslotte Dachau (7 september). Wanneer Joop in dat laatste concentratiekamp arriveert, weegt hij nog maar 85 pond. Doordat een Tsjechische arts hem in Dachau een ‘baan’ als portier bezorgt, haalt hij op 29 april 1945 levend de bevrijding van het kamp. Van de negen betrokkenen bij de beoogde Engelandvaart met de UK 143 zijn er dan al vijf gestorven.

Zaanlander

In het eerder genoemde artikel dat dagblad De Zaanlander drie jaar na de oorlog plaatst, schetst de verslaggever van dienst gedetailleerd hoe het Joop Roos is vergaan sinds zijn terugkeer uit Dachau. Ik heb het hieronder integraal overgenomen.

Wij hebben een ontmoeting gehad. Een ontmoeting met een, wiens fabelachtige levensmoed wij bewonderen: Joop Roos. U kent hem? Precies, die is het. Dat studentikoze ventje, dat u in het begin van de bezettingstijd wel eens met Chamberlain-parapluie in zijn hand, en een handdoek om zijn nek over de Dam in Zaandam hebt zien tippelen. De 28-jarige zoon van de steenkolenbaas Roos van de Hogendijk te Zaandam.

De woning van de familie Roos aan de Hogendijk.

Bijna twee jaar ligt deze jongeman nu al in het ziekenhuis. En daar heeft-ie zo het een en ander te verduren gehad … nadat hij een paar jaar Nacht-und-Nebel-klant geweest was van de Duitsers in het concentratiekamp Natzweiler. Als men die geschiedenis hoort, vraagt men zich verbaasd af, hoe een mens dat alles kan doormaken. En dan, ja dan begin je je te schamen, wanneer je hoort, dat uitgerekend dat jongmens … de meest opgewekte patiënt van alle ziekenhuispatienten is. En alsof dat nog steeds niet voldoende is, om bewondering voor hem te maken, verneem je, dat hij – verlamd, doof en verminkt – weer is gaan studeren: boekhouden M.O. en Spaans. Want hij kon zo goed leren, deze Joop Roos. Na zijn Ulo ging hij naar de H.B.S. en ging daar vlot strijken met de Jasykoffprijs. Daarna kwam hij op de M.T.S. En in die studietijd gebeurde het.

Kat achter kat

Joop verrichtte illegaal werk. Wat? Hij praat er niet of weinig over. In ieder geval kwamen er altijd grote enveloppen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. In zijn parapluie – snapt u nu dat lef-gedoe? – bracht hij die papieren verderop. Maar op een kwade dag was Joop besloten naar Engeland over te steken. Met zijn negenen maakten ze een plannetje. In schipperstrui zouden ze aan boord van een logger in IJmuiden gaan. Een voor een tussen de loodsen door, een voor een aan boord. Het zaakje was echter verraden. Nauwelijks aan boord werden ze kat achter kat bewusteloos geslagen, en vervolgens naar Scheveningen getransporteerd. Drie maanden zat hij hier eenzaam. Toen ging hij naar Vught, en kort daarop naar het vernietigingskamp Natzweiler, en Dachau.

Administratiekaart over Johan Roos in Kamp Vught.

Hij werkte in de steengroeven, liep natte pleuritis op, en… woog tenslotte nog tachtig pond, toen de Amerikanen hem bevrijdden. Twee jaar en een week bracht hij in gevangenschap door. Een paar weken heeft Joop na zijn bevrijding tolk gespeeld voor de Amerikanen. Maar hij verlangde naar huis. Van Vught uit had hij zijn ouders voor het laatst een teken van leven kunnen geven. In twintig maanden hadden zij niets van hem gehoord, en hij nog minder van hen. En zo reed hij met een auto van een militaire colonne van Duitsland naar Amsterdam. Zes van zijn vrienden liet hij in Duitsland achter… omgekomen. Twee hebben er ongedeerd het leven afgebracht.

Administratie in Natzweiler over ‘Nacht und Nebel-gevangene’ Johan Roos.

Joop zag er niet slecht uit, toen hij terugkwam in Zaandam. De Amerikanen hadden hem behoorlijk op voer gezet. Hij ging zelfs al heel gauw aan het werk. Een baan bij Werkspoor in Amsterdam. Het duurde ongeveer een jaar, voordat hij wilde geloven, dat er toch met hem niet iets in orde was. Met de voortdurende pijn in rug had hij steeds de spot gedreven. En dat hij bij het minste of geringste wat hij deed hevig transpireerde, hij schonk er niet veel aandacht aan. Het zou wel overgaan. Totdat er op zijn borst zich iets ontwikkelde, wat er niet hoorde. Enfin, Joop ging naar het ziekenhuis, waar zijn borstbeen weggehaald werd. Nauwelijks ontslagen, zat hij alweer in het buitenland. Maar enige dagen later kwam er bericht, dat hij ’s maandags opnieuw moest worden opgenomen. Meer dood dan levend kwam hij per vliegtuig nog juist op tijd in Holland terug om aan deze oproep gehoor te geven. Een nier werd hem uit zijn body gepeuterd.

Administratie Dachau met een opsomming van bij Johan Roos geconstateerde gezondheidsklachten.

22 October 1946 kwam hij thuis. 28 October moest hij weer met spoed naar het ziekenhuis getransporteerd worden. Sindsdien is hij er niet meer uit geweest. De doktoren ontdekten een tuberculeuze hersenvliesontsteking (meningitis). Weinig overleven een dergelijke aandoening. Vervolgens werd ook zijn ruggemerg aangetast. Met penicilline, een operatief ingrijpen aan de wervelkolom, probeerden de knapste koppen hem er door te helpen. Maar het was hopeloos met Joop gesteld. Dokter deelde het tenslotte moeder Roos maar mee, dat haar zoon misschien nog een dag of acht à tien te leven zou hebben. Maar op dat moment herinnerde moeder zich, dat zij wel eens gelezen had over een wonderbaarlijke redding van een inwoner uit Kortrijk (België). Dat was zeker een jaar terug, maar het bericht had haar getroffen, en dus had ze onthouden welk middel was aangewend. Streptomycine heette het. “Zou dat helpen, dokter?”, was haar vraag. “Stellig”, zei de dokter, “maar dat is hier niet. Amerika zal het moeten leveren.”

Santa Monica

En toen herinnerde moeder Roos zich, dat er in Amerika een neef van haar man was, die aan de Douglas-fabrieken in Santa Monica (Californië) werkte. Die onbekende neef werd vrijdag ’s morgens een zeer uitvoerig telegram gezonden. Het was een noodkreet. Zaterdag ’s middags half drie was er telegrafisch antwoord. Het redmiddel was reeds per vliegtuig verzonden. Dat bericht gaf de dokter de moed voor Joop 10 gram van dit kostbare geneesmiddel te lenen van een andere patiënt, die het eveneens uit Amerika had ontvangen. Driemaal dertig gram is er voor Joop uit Amerika gekomen. Niet zonder moeite. De gehele medische wereld van Santa Monica heeft voor die ernstige patiënt in Zaandam op de bres gestaan. Wij willen niet in bijzonderheden treden over het lijden, dat Joop niettemin nog doorstaan gekregen heeft. We willen alleen vermelden, dat streptomycine-injecties een viertal gevolgen kan hebben: 1. verlamming, 2. blindheid, 3. krankzinnigheid en 4. doofheid. Joop is er doof van geworden. Stokdoof. Hij leert nu liplezen. Bovendien functioneert het spierstelsel van zijn benen niet meer. Er liggen nu gewichten aan zijn benen – dag en nacht om de knieën weer gestrekt te krijgen. Hij zal er nog een knieoperatie voor moeten ondergaan. Joop is vol goede moed, dat hij omstreeks Kerstmis weer thuis zal kunnen zijn. Hij heeft het razend druk met leren. Aan lezen komt hij gewoonlijk niet meer toe.

Vergeving

Wie niet al te diep in een mensenziel geschouwd hebben, zullen verwachten, dat deze Joop Roos zijn vijanden, die hem al deze ellende hebben aangedaan, zou haten. Niets is minder waar. In het ziekenhuis heeft hij briefwisseling gevoerd met de inmiddels ter dood veroordeelde Hilversumse politie-inspecteur Vermeeren, door wie hij verraden is. Diens vrouw en kinderen bezochten hem meerdere malen. De kinderen hebben Joop “vergeving gevraagd voor hun pappie”. En “zij bidden iedere avond voor meneer Roos”. Joop heeft menselijkerwijs vergeven. Zo met zijn gehele hart, dat hij wel eens gezegd heeft, dat het niet onmogelijk zou zijn, dat die man zijn beste vriend zou worden, wanneer ze elkaar ooit in het normale leven zouden kunnen ontmoeten. Zo’n eeuwige optimist. Het ga je goed, Joop! Je bent het leven waard!

De arts van concentratiekamp Natzweiler beoordeelde Roos’ gezondheidstoestand in februari 1944 als ‘gut’.

Op het kantje

Een jaar later komt De Zaanlander nog even terug op Joops langdurige verblijf in het Wilhelminagasthuis. Aanleiding vormt het proces tegen de man die hem en zijn mede-Engelandvaarders verraadde, Benjamin Joppe. De Zaanlander is optimistisch over de toekomst van de Zaanse technicus: “Het gaat goed met Joop. Bijna drie jaar wordt hij nu al verpleegd in ziekenhuizen. Met Kerst dacht hij vorig jaar thuis te komen. Die berekening is niet juist gebleken. Joop is nog een paar maal onder het mes geweest en heeft andermaal ‘op het kantje’ gelegen. Na een ontstellend lijden, waarvan wij niet kunnen begrijpen, dat een mens het kan doorstaan, knapt hij nu weer op. Hij is thans zo ver, dat hij weer mag gaan leren lopen.”

Ook in de rechtszaak tegen Benjamin komt Joops wankele gezondheid ter sprake. Een arts schrijft dat de Zaandammer ‘een menselijk wrak [is] en voor zover we nu de toekomst kunnen overzien, is het moeilijk anders te verwachten dan dat hij op zijn best blijvend totaal invalide zal blijven’. Joppe krijgt op 7 mei 1949 de doodstraf aangezegd. Een jaar later wordt dat in cassatie omgezet naar een levenslange gevangenisstraf. In 1956 ontvangt Joppe vanwege een ongeneeslijke nieraandoening gratie, drie maanden na de – ook al – vroege dood van Joop Roos’ moeder. De oud-NSB’er overlijdt nog hetzelfde jaar. Vermeeren krijgt eveneens de doodstraf, een jaar later teruggebracht tot een levenslange gevangenisstraf. In 1961 komt hij vrij. Twintig jaar later sterft Vermeeren in Hoorn, 70 jaar oud.

Kogel

Joop Roos maakt nog net mee dat de twee worden veroordeeld tot de kogel. Gezien zijn vergevingsgezindheid zal het hem geen voldoening hebben gegeven. De gratiëring van zijn verraders beleeft hij niet. Op 4 september 1949 overlijdt Joop, anderhalve week voor zijn dertigste verjaardag. Hij is gesloopt door de ontberingen die hij zowel in als na de concentratiekampen heeft moeten ondergaan. Het enige dat nog aan deze dappere jongen herinnert is een grafsteen op de Algemene Begraafplaats in Zaandam.

Het graf van Joop Roos en enkele andere gezinsleden op de Algemene Begraafplaats in Zaandam. (begraafplaatsen-online.nl)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Franci Siffels: het geschrapte hoofdstuk

Omdat schrijven onherroepelijk gepaard gaat met schrappen, verdween een van de beoogde hoofdstukken uit mijn manuscript over het tragische leven van de Zaandamse verzetsstrijdster/V-Frau Franci de Munck-Siffels. Om ze niet helemaal in de duisternis te laten verdwijnen, geef ik de verloren pagina’s hier een plek. Het boek De verraadster is overigens verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel.

Tijdens naoorlogse ondervragingen draait Dirk Stoutjesdijk om de hete brij heen, een krampachtige poging om de gevangenisstraf die hem boven het hoofd hangt te minimaliseren. Daarbij hoort ook de ontkenning dat zijn weg ooit die van Franci Siffels kruiste. Er zijn echter zoveel getuigenissen van het tegendeel dat de oud-burgemeester van Langedijk zijn leugen niet kan volhouden. “Ik heb enige malen een ontmoeting gehad met een vrouw die zich Fransje de Munck noemde”, bekent de NSB’er ten langen leste.

Hun kennismaking vindt plaats in de tweede week van mei 1944. Franci loopt die dag naar zijn huis aan de Dorpsstraat in Zuid-Scharwoude, een van de plaatsen die deel uitmaken van de gemeente Langedijk. De burgemeester is afwezig, maar zijn echtgenote laat de jonge vrouw toch binnen. Nog geen kwartier later zit Franci tegenover Dirk Stoutjesdijk. “Bij haar eerste bezoek aan mijn woning legitimeerde zij zich met een kaart van de SD te Amsterdam, waarop het verzoek stond aan haar medewerking te verlenen. Zij verzocht mij gebruik te mogen maken van mijn telefoon. Zelf heb ik toen het door haar opgegeven nummer van de SD te Amsterdam op mijn toestel gedraaid en op haar verzoek naar de SD’er Viebahn gevraagd. Toen deze zich aan het toestel meldde en ik hem de tegenwoordigheid van deze Fransje de Munck mededeelde, moest ik de hoorn aan haar overgeven.”

Sicherheitsdienst

Stoutjesdijk weet dan al dat ze sinds enige tijd als zogenaamde onderduikster bij zijn dorpsgenoot Cor Keeman woont. Over haar exacte rol in Duitse dienst is hem bij de eerste ontmoeting nog niets bekend. Wat ze telefonisch met de SD bespreekt gaat naar zijn zeggen ook langs hem heen. “Ik heb mij in een ander vertrek teruggetrokken en Fransje bij dit gesprek alleen gelaten.” Het echtpaar vertrouwt de onverwachte bezoekster. Afgesproken wordt dat Franci de telefoon vrijelijk kan gebruiken. Ze mag voortaan naar binnen via de zijdeur, die nooit op slot is. In de navolgende dagen maakt Franci gebruik van die geste. Ook dan zoekt ze contact met de Sicherheitsdienst.

In de nacht van 15 op 16 mei staat ze weer in de huiskamer van het burgemeestersechtpaar, nu vergezeld door haar partners in crime Rühl, Viebahn, Kuiper en Vink. Terwijl Franci in de gang langdurig met Friedrich Viebahn van gedachten wisselt bestuderen de anderen de personalia van vijf door haar genoemde verdachten. Het betreft vier mannen uit Langedijk en één uit het enkele kilometers noordelijker gelegen dorpje Waarland. Stoutjesdijk zoekt desgevraagd hun adressen op. Daarna stapt het gezelschap in twee gereedstaande wagens. Franci blijft achter.

Emil Rühl (links) en Friedrich Viebahn voor het Bijzonder Gerechtshof, 1949

Stoutjesdijk is sinds 1943 burgemeester van Langedijk. Hij kent inmiddels alle straten in zijn gemeente. Gedienstig wijst hij de huizen aan waar de gezochte personen wonen. Bij Pieter Termaat grijpen ze mis; hij is op tijd gealarmeerd. Iets soortgelijks gebeurt bij zijn zwager Henk van Zuijlen en bij Dirk Bruin. Na te zijn gewaarschuwd heeft Van Zuijlen veiligheidshalve een nachtje bij familie gelogeerd. De eveneens illegaal werkende directeur van de Nieuwe Langedijker Courant, Jan Keizer, heeft hetzelfde gedaan. Ook bij hem ontmoeten de speurders alleen een ontkennende echtgenote. De onderduiker in Waarland blijkt niet op de hoogte van de jacht op het verzet. Als enige van de gezochte West-Friezen belandt hij in de cel. Het is een schamele oogst. Rühl en zijn helpers rijden rond vieren met hun arrestant naar de hoofdstad. Franci probeert in de tussentijd een paar uur te slapen in de vlakbij haar eigen logeeradres gelegen burgemeesterswoning. Politieman Jan Vink: “Ze durfde niet terug, omdat ze bang was om vermoord te worden.” Pas wanneer de opkomende zon lange schaduwen over de Dorpsstraat werpt raapt Franci haar moed bijeen en legt ze de paar honderd meter af die haar scheiden van haar tijdelijke onderkomen.

Gebroken Duits

Jan Keizer krijgt de volgende ochtend te horen dat de kust veilig is. Op de terugweg naar zijn woning in Noord-Scharwoude ziet hij Franci voor het raam staan bij het echtpaar Keeman. De herkenning is wederzijds. Zodra Keizer binnen is loopt zijn verraadster opnieuw naar Stoutjesdijk. “Naar ik meen was het omstreeks negen uur dat Fransje aan het gemeentehuis te Langedijk bij mij kwam en mij verzocht van de telefoon gebruik te mogen maken, hetgeen ik goed vond. Zij vroeg mij het kengetal van Alkmaar, hetgeen ik haar mededeelde. Zij draaide daarop een nummer op het telefoontoestel. Ik hoorde dat zij zich meldde met Fransje en in gebroken Duits sprak en mededeelde dat zij zo spoedig mogelijk in Alkmaar zou komen.”

Nieuws van den dag, 8-8-1944

In een tweede verhoor bekent Stoutjesdijk dat hij op Franci’s verzoek zelf telefonisch haar komst naar Alkmaar doorgeeft. Hij ‘vergeet’ ook nog iets anders te melden. Nadat Franci is vertrokken rijdt de burgemeester onmiddellijk naar wachtmeester Peter van der Mars. Jan Keizer moet worden gearresteerd, gebiedt hij. “Hij vertelde mij dat hij een kwartier geleden een bericht had gekregen dat Keizer thuisgekomen was. Ik moest direct mee, omdat er veel haast bij was.” De burgemeester kent Van der Mars slecht. “Ik heb eerst rustig de banden van mijn rijwiel opgepompt en liet toen mijn vrouw opbellen naar wachtmeester Joor, om hem te zeggen dat ik met Stoutjesdijk mee moest om Jan Keizer te arresteren, opdat Joor Keizer bijtijds zou kunnen waarschuwen.”

Mislukt

Het opzetje mislukt. Joor slaagt er niet in om Keizers woning snel genoeg te bereiken. In de tussentijd arriveren Stoutjesdijk en Van der Mars daar al. Omdat de bel stuk is lopen de twee achterom. Daar treffen ze de dochter van de krantendirecteur aan. Vol overtuiging legt die uit dat haar vader de voorgaande avond is vertrokken en niet thuis heeft geslapen. Haar afleidingsmanoeuvre geeft Jan Keizer de gelegenheid om via de voordeur te ontsnappen. “De poging tot arrestatie van mij was des te zwaarder, daar ik al eerder gevangen had gezeten bij de SD, waarvan toen de beschuldiging luidde: ‘Hoofd van illegale beweging, het begraven van munitie in de duinen en een vooraanstaand militair commando.’ Door gebrek aan bewijs ben ik daar uiteindelijk voor vrijgelaten.”

Franci is vasthoudend. Stoutjesdijk: “In de loop van diezelfde morgen is Fransje nogmaals op mijn bureau geweest en deelde mij mede dat Keizer tijdens ons bezoek te omstreeks 9.30 uur wel thuis was geweest, doch er tussenuit was gegaan.” Ze heeft nog een boodschap: “Verder deelde zij mij mede dat zij op advies van de ondergrondse alhier weg moest naar Alkmaar, alwaar zij een nieuw adres had gekregen, namelijk bij dokter Louwi [Nico Louis] aan de Geestmersingel.” Het komt nog eenmaal tot een ontmoeting tussen Keizer en zijn verklikker. “Vlak daarop kwam voornoemde De Munck bij mij en vroeg of zij met mij mee mocht onderduiken. Ik zei haar toen dat dat niet kon, omdat ik zelf nog geen onderduikadres had.”

Overstuur

Henk van Zuijlen heeft minder geluk. Franci meldt zich rond tienen bij zijn echtgenote, meteen na haar telefoongesprek in het Langedijker gemeentehuis. Cornelia van Zuijlen kent haar dan al een paar weken. Franci is meermalen op bezoek geweest. Dit keer komt ze overstuur binnen. Ook zij heeft die nacht een SD-inval meegemaakt, acteert ze. “Fransje zei dat aan haar onderduikadres huiszoeking was verricht en dat zij een ander adres zocht, waarom zij met spoed mijn man wilde spreken. Ik vertrouwde Fransje toen nog en vertelde haar dat mijn man die morgen te 11.30 uur te vinden zou zijn op het Gerechtsgebouw te Alkmaar.”

Haar gesprekspartner zoekt Stoutjesdijk op. Dat Van Zuijlen haar eerder die maand van voedselbonnen heeft voorzien maakt haar niet milder. Dit is haar kans om hem, met inzet van de Langedijker burgemeester, te laten oppakken. De administrateur moet wegens familieomstandigheden inderdaad bij de rechtbank zijn. Hij zit in de gang te wachten als een ambtenaar hem zegt dat er buiten het gebouw iemand voor hem is. Wanneer hij daar gaat kijken blijkt een agent hem op te wachten. Het politierapport van die dag vertelt het vervolg: “12.15 uur. Door de rechercheur 1e klasse W.J. van het Kaar op verzoek van de burgemeester van Broek op Langedijk in het Gerechtsgebouw aangehouden: Hendrik van Zuijlen, geboren te Coevorden, 26 augustus 1915.” De dagen daarna wacht de arrestant een tocht langs de gevangenis aan de Weteringschans en het SD-kwartier in de Euterpestraat. Hij doorstaat de verhoren en mag na drie weken de cel verlaten. Pas dan wordt het hem duidelijk wie verantwoordelijk was voor zijn aanhouding.


Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Politiek zwerver Willem Stam: van communistisch verzetsman tot Boerenpartij-ideoloog

Geen Nederlandse politicus die zo vaak naar een andere partij overstapte als Willem Stam uit Wormerveer. Begonnen als communistisch verzetsstrijder bevond hij zich 25 jaar later aan de andere kant van het politieke spectrum, waar hij -even- de ideoloog werd van de Boerenpartij.

In 2008 wijdt Henk Hofland – negen jaar eerder door zijn collega’s bestempeld tot dé Nederlandse journalist van de twintigste eeuw – in het radioprogramma OVT een gesproken column aan zijn vriend Willem Stam (Wormerveer, 16-11-1922). Hij noemt Stam een man met een diepe weerzin tegen alles wat zich als gezag aandiende’. Dat Hofland daarin gelijk heeft, blijkt wel uit het onderstaande overzicht. Dat vangt aan met de strijd van deze dwarse Zaankanter tegen het nazistisch gezag tijdens de oorlog.

Communistisch verzet

Stam is nog geen twintig wanneer hij in zijn woonplaats toetreedt tot het communistisch verzet. Althans, dat valt op te maken uit een artikel in het Nieuwsblad voor Castricum en Omstreken (1966). Volgens deze krant heeft Stam amper zijn HBS-examen afgesloten als hij terechtkomt in de links georiënteerde Raad van Verzet. Dat gebeurt volgens de verslaggever van dienst in 1941. Merkwaardig, want de gewapende strijdgroep RVV ontstaat pas twee jaar later. Hetzelfde Nieuwsblad meldt dat Stam in 1943 overstapt naar de studentenverzetsgroep rond het illegale blad De Vrije Katheder. Een jaar later treedt hij onder de schuilnaam Piet van den Berg toe tot de verzetsbeweging Beverwijk, ‘als invaller voor een gearresteerde verzetsman’. Het zijn helaas schaarse aanwijzingen over Stams inzet voor een vrij Nederland. Wel circuleren er binnen de familie Stam nadien verhalen waaruit naar voren komt dat Willem onverschrokken is, onder meer het spoor saboteert en het communistische blad De Waarheid verspreidt. De werkplaats van zijn vader, nabij het Wilhelminapark, zou als wapenopslag hebben gefungeerd.

Binnenlandse Strijdkrachten

Na de bevrijding worden Willem en zijn broer Freek met ongeveer 110 andere mannen, vooral Wormerveerders, ingedeeld bij de Binnenlandse Strijdkrachten in hun regio. Ze zijn lid van de vierde Compagnie van District VI (de Zaanstreek), Gewest 11 (Noord-Hollands Noorderkwartier). Het lidmaatschap duurt slechts een paar maanden. Willem kan daarna eindelijk beginnen aan een ingenieursstudie.

Geheime dienst

Zijn marxistische achtergrond is voor de Nederlandse geheime dienst reden om Willem Stam na de oorlog in de gaten te houden. Wanneer hij in 1946 voorzitter wordt van het Politiek Wetenschappelijk Dispuut Gezelschap (eind van dat jaar omgezet in de Progressief Democratische Studenten Vereniging) brengt de Inlichtingendienst Delft meermalen in het geheim verslag uit over deze organisatie. Stam woont dan overigens niet meer in Wormerveer, maar in de Delftse Madoerastraat.

Wanneer precies is onbekend, maar uit zijn CV valt op te maken dat Willem Stam eind jaren ’40 of begin jaren ’50 de overstap maakt van het communisme naar de sociaaldemocratie. Hij meldt zich als sympathisant bij de PvdA. Niet voor lang overigens. In 1955 of ’56 kiest hij voor de VVD. Die voldoet ’tot hij ook daarvan genoeg kreeg’, zoals hij zelf meldt in de door hem geschreven brochure De Boerenpartij, een politieke verkenning. Op enig moment verwelkomt de PSP hem, aldus zijn CV. Maar ook deze linkse partij bevalt hem blijkbaar onvoldoende. In 1965 verbindt hij zich aan de Boerenpartij.

Het Parool, 29-9-1966

Partij-ideoloog

De zeven jaar eerder door Hendrik Koekoek opgerichte Boerenpartij behaalt bij de Provinciale Statenverkiezingen van 1966 maar liefst 44 zetels. Datzelfde jaar verovert de partij twee zetels in de gemeenteraad van Castricum. Een daarvan is voor Willem Stam, die sinds 1960 met echtgenote Eva in Bakkum woont. Hij boekstaaft zijn gedachten over de rol van de relatieve nieuwkomer in het politieke bestel. Het levert hem binnen en buiten de door weinig intellectuelen gehinderde Boerenpartij de eretitel ‘partij-ideoloog’ op. De Telegraaf noemt hem in juni 1966 ‘de coming man‘ van de Boerenpartij. Volgens dagblad Trouw is hij ‘de intellectuele woordvoerder van het Koekoekianisme’. En Het Parool betitelt hem als ‘Het-Brein-Van-De-Boeren’. Heel even is Stam de rijzende ster van de snel gegroeide tegenbeweging.

Het momentum vervliegt wanneer hij zich openlijk keert tegen enkele oud-nazi’s binnen de partij en het zwakke leiderschap van boer Koekoek. Zijn vriend Henk Hofland: “Stam was ontevreden over de prestaties van Koekoek. Hij stelde mij voor bij hem op huisbezoek te gaan. Graag. We reden naar de boerderij in Bennekom. Op het erf liepen een paar neerslachtige geiten. We werden met wantrouwen begroet, kregen een kop koffie waarop het dikste vel zat dat ik ooit op een kop koffie heb gezien. Van het gesprek herinner ik mij niets. Kort daarop verliet Stam de partij.”

KRO-verslaggever Frits van der Poel interviewt Willem Stam na een rumoerig verlopen Noodraad-vergadering in Blaricum, 27-9-1966 (Nationaal Archief)

Noodraad

Voordat het zover komt, doet Stam met een aantal medestanders een poging om via een zogenaamde Noodraad het democratisch gehalte van de Boerenpartij op te vijzelen. In het najaar van 1966 escaleert het conflict. Op 11 oktober worden de leden van de Noodraad geroyeerd. Stam treedt die maand uit de Boerenpartij en begint onmiddellijk een nieuw avontuur: Progressief Rechts. Deze partij met landelijke ambities wordt geen succes en zal niet aan verkiezingen meedoen. Zijn afscheid van de Boerenpartij is voor Stam overigens geen reden om zijn lokale zetel af te staan. Hij zal tot 1974 raadslid blijven in Castricum.

Willem Stam, getrouwd en vader van twee kinderen, ontpopt zich als een bezige baas. Naast zijn politieke werk leidt hij in Bakkum een ingenieursbureau en een manege. Ook mag hij eind jaren ’60/begin jaren ’70 columns schrijven in De Telegraaf. Ze schieten alle kanten op, van zijn vakanties in Spanje tot de opkomst van Richard Nixon ( “In de komende jaren zal blijken dat Nixon (…) kan groeien tot een van de grootste presidenten die de Amerikaanse historie telt.”). Gemene deler is dat de teksten bijna altijd gericht zijn tegen de linkse goegemeente.

Raad en College van B&W van Castricum in 1968. Staand op de achterste rij achter de burgemeester Willem Stam.

In februari 1970 lijkt Stam betrokken bij de oprichting van alweer een nieuwe partij, de Amsterdamse Belangen Combinatie. “Oprichters van ABC zijn: Arie Elpert, beter bekend als Haring-Arie (lijstaanvoerder), Ir. W. Stam (oud-lid van de Boerenpartij), de fotograaf Cor Jaring en de ex-rookmagiër Robert Jasper Grootveld”, bericht dagblad De Tijd. Op het programma staan ‘een betere bestrijding van de luchtverontreiniging, het scheppen van meer leefruimte en een streven naar latere sluitingstijden voor de cafés.’ Stam ontkent even later in felle bewoordingen zijn betrokkenheid. Het is een uit de hand gelopen grap tussen een groep drinkebroers van het Amsterdamse café Scheltema. Van ABC wordt daarna niets meer vernomen.

Eveneens in 1970 plaatst Castricums Belang hem als nummer 2 op de kandidatenlijst voor de gemeenteraadsverkiezingen. De partij haalt drie zetels en Stam kan zijn politieke carrière dus voortzetten. Maar al in november van dat jaar geeft hij zijn zetel op (Trouw: “Wegens drukke werkzaamheden of iets dergelijks.”). Niet voor lang overigens. In de zomer van 1972 kan hij terugkeren in de raadszaal. Hij krijgt in die periode een rechtszaak wegens laster aan zijn broek. “Een lastpak die een dreun verdient”, typeert de Officier van Justitie hem, vlak voordat hij een boete van zesduizend gulden (de helft voorwaardelijk) eist. De rechter gaat uiteindelijk niet verder dan vijfhonderd gulden.

Tweede Kamer

In oktober 1972 maakt Stam bekend mee te doen aan de Tweede Kamerverkiezingen, zij het slechts in twee kieskringen en met alleen zichzelf op de kandidatenlijst. De Telegraaf: “Ingenieur Stam wil, als Noord-Holland hem in de Kamer kiest, ‘dwars door de boerenkool heen’. In het parlement zitten volgens hem veel domoren die hij graag eens te kijk zou zetten.” Lijst-Stam haalt ruim 1500 stemmen, oftewel 0,02% van het electoraat. Het is het slotakkoord van zijn vele politieke hinkstapsprongen.

Het laatste woord is voor Henk Hofland, die zijn vriend meermalen opvoert in zijn NRC-columns. “Hij woonde in Castricum, reed in een grote Amerikaan, en stoorde zich niet aan de maximum snelheid. Een keer in de week gingen we lunchen in Dorrius, toen nog vlakbij het Spui. Op een van die zittingen vertelde hij mij dat als hij weer eens diep ontevreden was met de maatschappij, hij zijn paard zadelde en door de duinen van Castricum galoppeerde. Dat bracht zijn ziel tot rust. (…) Maar opeens was hij verdwenen: uitgeweken naar Spanje, werd er gezegd.” Willem Stam verlaat Nederland, inderdaad, in 1975. Hij betrekt een woning op het Iberisch schiereiland. Daar overlijdt hij ook, ergens tussen 1977 en 1980. Een leveraandoening wordt de enthousiaste drinker fataal. Het aantal partijen en politieke bewegingen waaraan Stam zich in drie decennia verbindt blijft steken op tien stuks.

Zijn politieke zwerftocht van uiterst links naar behoorlijk rechts doet een beetje denken aan die van Pim Fortuyn (ooit communist en vervolgens lid van de PvdA, VVD, Leefbaar Nederland, Leefbaar Rotterdam en LPF) en Rita Verdonk (PPR, PSP, VVD en TON). Ook zij schoven met tussenstappen van de ene naar de andere flank. Maar zoveel partijen als Stam versleten zij niet. Resteert de vraag: is er een Nederlander die meer politieke schepen achter zich verbrandde dan Willem Stam? (En ik ben ook wel benieuwd naar de door hem tussen 1940 en 1945 in en rond Wormerveer ontplooide verzetsactiviteiten.) Reacties graag naar info@schaapschrijft.nl.

Willem Stam en KRO-verslaggever Frits van der Poel in september 1966 (Nationaal Archief)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Jodenhelper Ragut en jodenjager Ragut

De ene Ragut verblijdde de joodse gemeenschap met een bijdrage voor de te bouwen synagoge, de andere Ragut plunderde tachtig jaar later datzelfde Zaanse godshuis en joeg de joden richting concentratiekamp.

Op 15 oktober 1862 doopt Johan Ragut zijn pen in de inkt. Hij begint aan een lange volzin. “Ter voldoening aan de bevelen van Zijne Koninklijke Hoogheid den Heer Prins Hendrik der Nederlanden heb ik de eer hierbij aan de Commissie voor het houden eener Loterij ten behoeve van den bouw eener Synagoge te Zaandam, als bijdrage van van [sic] dit Schrijven te doen toekomen twee stuks bronzen candalabers, van welker ontvangst ik verzoek te mogen worden onderrigt”, schrijft de secretaris van Prins Hendrik in zijn Haagse werkvertrek. Het koningshuis is de synagoge goed gezind. Een jaar later levert ook de koningin een bijdrage aan de loterij, in de vorm van een pendule.

De loterij is hard nodig. Het ontbreekt de joodse gemeenschap – 38 Zaanse huishoudens – aan een eigen sjoel. Aangezien het merendeel van de toch al weinige leden uit ‘minvermogende lieden’ bestaat, lukt het niet om zelfstandig de vervanging van de eerdere, inmiddels bouwvallige synagoge en bijbehorende godsdienstschool te financieren. Er is dus hulp van buitenaf nodig om het gewenste gebouw aan het Kuiperspad (de latere Gedempte Gracht) te realiseren.

Immink

Stadsarchitect Ludovicus Johannes Immink maakt op verzoek van het synagogebestuur een plan voor een nieuw complex. Hij begroot de bouwkosten op 8.500 gulden. Omdat de overwegend arme lidmaten gezamenlijk niet meer dan 560 gulden kunnen inbrengen, zoeken ze naar alternatieve fondsen. Een loterij maakt deel uit van de queeste naar geld. Een bedelbrief richting het koningshuis leidt tot de schriftelijke reactie van Johan Ragut. Het geschenk van zijn broodheer wordt een van de loterijprijzen. Na aftrek van alle kosten brengt het Zaanse kansspel, mede dankzij de koninklijke klok en de prinselijke kandelaars, 2600 gulden op. Gevoegd bij de andere inkomsten is er eindelijk voldoende geld in kas om te kunnen overgaan tot een aanbesteding. Op 10 januari 1865 kan aan de Gedempte Gracht een fraaie synagoge worden ingewijd, waar in de navolgende decennia duizenden joodse gelovigen uit de verre omtrek naartoe komen voor diensten, lessen en bruiloften.

Begin 1880 wordt Johan Ragut, tweede secretaris van prins Hendrik, na 32 jaar trouw dienstvertoon ‘op de meest eervolle wijze uit die betrekking ontslagen’. Zijn werkgever is een jaar eerder gestorven en daarmee houdt de hofbaan op. Vijf jaar en vier dagen na Hendrik van Oranje-Nassau overlijdt ‘na een langdurig lijden’ ook Ragut. Hij laat – net als de prins – geen mannelijk nageslacht achter. Met Johan eindigt deze mannelijke tak van de familie Ragut.

Uit een andere loot van de familie Ragut komt, zeventien jaar na Johans dood, Willem Marinus ter wereld. Hij wordt niet in de hofstad geboren, zoals de voormalige secretaris van prins Hendrik, maar in Leiden. En dichter bij het koningshuis dan als escort van een andere prins Hendrik en diens echtgenote, koningin Wilhelmina, zal Willem niet komen. Hij, dan inmiddels opgeklommen tot politiechef, begeleidt hen bij twee verschillende bijeenkomsten in de IJmond, zijn werkgebied.

Willem Marinus Ragut

Zentralstelle

Kort na het bezoek van Wilhelmina aan Wijk aan Zee, in 1939, gaat het mis met Willem Ragut. Hij ontwikkelt nazistische sympathieën en sluit zich na de bezetting aan bij de NSB. In 1943 gaat hij in Amsterdam aan het werk bij de nazistische Zentralstelle für jüdische Auswanderung. Dat deze politieman helpt bij de deportatie van joden naar de concentratie- en vernietigingskampen is opvallend. Tien jaar eerder nam hij nog zitting in een comité van aanbeveling dat zich sterk maakte voor Duits-joodse vluchtelingen.

Tachtig jaar nadat zijn verre familielid de Zaans-joodse gemeente deed juichen, verhuist Willem Ragut naar Zaandam. Hij mag er korpschef worden. Het is een vorm van eerherstel. Ragut is enkele jaren eerder ontslagen, omdat hij zich zou hebben vergrepen aan een voorraad door de politie in beslag genomen kaas. Maar de wind is inmiddels gedraaid. De Duitsers hebben alle hulp nodig van collaborerende dienders. Ragut staat inmiddels bekend als genadeloos jager op verzetsmensen, zwarthandelaren en joden. Precies wat de rode, dwarse Zaanstreek kan gebruiken, menen zijn superieuren.

Borstel

Na de bevrijding legt Raguts Zaandamse collega Hendricus de Vogel tijdens een verhoor een verklaring af over de plundering van de Zaandamse synagoge. Willem Ragut heeft daarbij de leiding. De Vogel: “In de zomer van 1943 werden er aan het politiebureau verschillende voorwerpen gebracht, die afkomstig waren uit de synagoge. Hierbij was aanwezig een zeker Van der Hoeven, welke de voorwerpen per handwagen naar het politiebureau bracht. In de synagoge waren geweest Ragut, Jansen en vermoedelijk nog een politieagent. In het politiebureau werden binnengebracht een grote kast en een kroonlamp. Verhaal, Geertsema en ik moesten deze kast, welke vreselijk zwaar was, naar boven sjouwen. Deze moest op de kamer gebracht van Ragut. Ik heb mijn verontwaardiging niet onder stoelen of banken gestoken, omdat ik, als nationaalsocialist, geen joodse eigendommen in mijn kamer wilde hebben. Op de kast was een Joodse ster, welke Jansen er met een borstel afgeslagen heeft.”

De Zaandamse synagoge vóór de Tweede Wereldoorlog, met op de achtergrond de zogenoemde ‘kast’

Waar zijn verre familielid Johan acht decennia eerder de synagoge hielp opbouwen, rondt Willem Ragut de onttakeling van de synagoge af. Na het godshuis te hebben leeggehaald, gebruiken de nazi’s het gebouw om er hun paarden te stallen. Zowel met de gebruikers ervan als met de sjoel zelf zal het nooit meer worden zoals het was.

De synagoge – het gebouw met de boogramen in het midden – rond 1900

Kort na de oorlog leven er in heel Nederland (slechts) vijftien Raguts. Willem Marinus is daar niet bij. In 1944 schieten Hannie Schaft en Jan Bonekamp deze collaborateur dood wanneer hij van zijn huis in de Westzijde naar het politiebureau rijdt. Hij sterft op nog geen vijf minuten van de door hem onttakelde synagoge.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Het Hongerwinterdagboek van Herman Johan Nachbar

Dat van Anne Frank is zonder twijfel het bekendste. Maar verspreid over Nederland liggen nog honderden andere oorlogsdagboeken. In de meeste is de winter van 1944-’45 beschreven. Zo ook in dat van Zaandammer Herman Johan Nachbar (1914-1993). Het laatste half jaar van de bezetting, gezien door de ogen van een Zaandamse boekhouder. “Het wordt voor allen hopeloos.”

Herman Johan Nachbar woonde tijdens de bezetting met zijn echtgenote Geertje Kuik en drie jonge kinderen in de Zwaardemakerstraat 17. Met de bevrijding in zicht begon hij, net als duizenden andere hoopvolle Nederlanders, aan een dagboek. Het bevat alle elementen die de Hongerwinter zo tekenden. Het gebrek aan voedsel en andere basisvoorzieningen, de angst om in de Arbeitseinsatz te belanden, de pogingen om daaraan te ontkomen en represaillemaatregelen door de nazi’s. Omdat mensen als deze jonge boekhouder het ‘alledaagse’ vastlegden, hebben we anno nu zo’n goed zicht op de gruwelijkste periode van de Tweede Wereldoorlog in westelijk Nederland. Hieronder een selectie uit Nachbars dagboek, dat wordt bewaard bij het NIOD in Amsterdam. Tussen [ ] her en der een duiding van mijn hand.

Herman Johan Nachbar (NIOD)

10 september 1935: Volgens de krant van heden zijn de eerste troepen van Italië naar de grens van Abessinië [Ethiopië] gedirigeerd. De regen daar houdt nog steeds aan, wat een moeilijkheid voor de Italianen zal zijn. Zal het woord van Mussolini werkelijkheid gaan worden? “Wij gaan recht op ons doel af.” Zou nu werkelijk dit de eerste stap zijn, die zich straks zal laten volgen door meerdere, tot stichting van het ‘Imperium Tentomicum’, het oude Romeinse rijk? Moge de Volkerenbond slagen in haar pogingen de vrede te bewaren, tot heil van de gehele wereld. Niet alleen Europa, maar de andere werelddelen hebben belang bij de vredestoestand. Wanneer zich weer een wereldoorlog zou ontketenen, zou deze de vorige in verschrikkelijkheid verre te boven gaan.

13 december 1944: Toen we samen boven op de slaapkamer waren, werd er gebeld. Het blijkt buurman Flipsen te zijn. Er zullen vannacht razzia’s in Zaandam gehouden worden. Het gevolg is, alle mannenkleding opruimen en het luik bij de voordeur klaarhouden voor opening. Op alles voorbereid. Het is gelukkig dit keer loos alarm. (…) Ik zal naar kantoor gaan, waar een goede schuilplaats is. (…) Op kantoor weinig nieuws. Alleen maar geruchten. Half mannelijk Zaandam is op de vlucht geslagen en druppelt nu weer terug naar huis.

Illegale pamfletten

14 december 1944, 7.00 uur: Bosman, de nachtwaker van de zaak, komt ons gezelschap houden. Hij heeft geen nader nieuws. Even later komt mijnheer Ras (een medewerker uit de fabriek) met zijn zoon en twee neven. We zijn dus nu met zeven man. De kachel brandt lekker, wat veel waard is, want buiten is de temperatuur al tot het nulpunt gedaald. Hr. Ras vertelde dat er Rijnaken in de Voorzaan liggen om mannen te laden met bestemming Duitsland. Volgens hem zijn er ook illegale pamfletten verspreid, waarin staat dat er vannacht beslist razzia’s gehouden zullen worden. “Weest op Uw hoede.”

16 december 1944, 8.00 uur: Kwadijk vertelt dat er in Wormerveer en Krommenie razzia’s zijn. Waag het toch om naar huis te gaan en wordt hier prompt tweemaal gewaarschuwd. Heb dan ook snel gegeten en ben teruggefietst naar de zaak. (…) 10.00 uur: Het is waar. In Krommenie zijn ze aan de gang. Alles is afgezet. Oppassen is dus de boodschap. (…) Tegen twaalven worden we opgeschrikt door een vreemd gierend geluid. Het is een V1, die zeer laag overvliegt.

18 december 1944, 7.00 uur: Vannacht lekker rustig geslapen. Ga me nu wat opfrissen en de kachel aanmaken. Straks naar huis om te eten. In Krommenie schijnen plm. 200 mannen te zijn gevorderd. Gisteren zijn in Wormerveer 7 mensen doodgeschoten. Oorzaak was het door onbekenden tot zinken brengen van een schuit motoren bij Fa. Jan Dekker. [De nazi’s hadden motoren geroofd bij de Wormer papierfabriek Van Gelder en tijdelijk opgeslagen in een aak. Toen het verzet deze boot tot zinken bracht, fusilleerden de Duitsers ter hoogte van zeepfabriek De Adelaar als vergelding vijf mannen.]

De tot zinken gebrachte aak in Wormerveer (Gemeentearchief Zaanstad)

20 december 1944, 14.00 uur: Er is in de Wilhelminasluis een boot geschut, waarin zich gevangen jongens bevonden. Daarop schijnt er te zijn geschoten en diverse jongens zagen kans te ontvluchten. Men zegt dat er diverse moffen gedood zijn. We horen later wel de juiste toedracht.

21 december 1944, 15.00 uur: We moeten koste wat kost eten hebben om te overleven. Ik ben thuis bezig een schuilplaats in orde te maken. Deze wordt morgen door deskundigen bekeken.

Oppikkerij

28 december 1944, 11.00 uur: Ben onderweg naar kantoor gewaarschuwd voor oppikkerij naar aanleiding van overval op gemeentehuis. De bevolkingsregisters schijnen te zijn weggehaald in alle gemeentehuizen van de Zaanstreek.

29 december 1944, 15.00 uur: Geen nieuws vandaag. Vanmorgen Zaandam in geweest. Er zijn weer honderden bomen gesneuveld. Het is een treurig verschijnsel.

30 december 1944, 14.00 uur: Het eten van de centrale keuken was vandaag superslecht. Het wordt snel minder. Wat moet dat verdere winter worden? De afgelopen nacht behoorlijk last van mijn maag gehad. Het komt zeker van de uien, die nogal scherp zijn. Maar ja, iets anders is er niet en we moeten toch zien te overleven.

Het uitzicht op de fabriek van Zwaardemaker vanuit de woning van de familie Nachbar (NIOD)

12 januari 1945, 20.00 uur: Bij het uitreikingskantoor van de bonnen zijn gistermorgen 8 mensen flauwgevallen van uitputting door het lange wachten.

13 januari 1945, 15.00 uur: Ieder moment kan ergens de Grüne Polizei opduiken. Thuis zeiden ze dat er gisteravond jonge mannen zijn aangehouden bij het gemeentehuis. Tante Trien had 4 Duitsers zien staan. Vanmorgen is een gedeelte van het Arbeidsbureau aan de Stationsstraat opgeblazen [door het verzet]. Er zijn nog geen bijzonderheden bekend over eventuele slachtoffers.

Joodse onderduiker

14, 15 en 16 januari 1945: Freddy (een joodse onderduiker), die de afgelopen jaren diverse malen met zijn zuster Auk bij ons geweest is, is aan de zaak geweest. We hadden hem al een tijdje niet gezien en hij vertelt dat ze samen heel wat hebben meegemaakt. Gelukkig kunnen ze gebruikmaken van diverse onderduikadressen.

24 januari 1945, 13.00 uur: Weer goed nieuws. Het Duitse front slinkt aan alle kanten. Zowel in Polen als Zuid-Europa rukken de Russen en de geallieerden gestaag op. De weerstand van de Duitsers schijnt bijzonder taai te zijn. Italië heeft zich al bepaalde tijd overgegeven aan de geallieerden. Mussolini is door zijn eigen onderdanen aan een boom opgehangen.

5 februari 1945: Er is vanochtend weer een NSB-politieman doodgeschoten. Verleden week op dezelfde plaats een andere handlanger. [Respectievelijk onderluitenant Frans Willemse en verrader Fred Kater, die nabij het gemeentehuis van Zaandam werden geliquideerd.] Het wordt weer echt onrustig.

Fred Kater

6 februari 1945, 11.00 uur: Ik zit al de hele dag binnen. Om acht uur werden we gewaarschuwd dat er in de Oostzijde bij de R.K. kerk razzia’s zijn begonnen. Later sprak men ook over de Dam. De sluizen (bruggen) zouden zijn afgezet. 20.00 uur: We weten nu wat meer. Vanmorgen in alle vroegte is de Bloemgracht tot en met de Patrimoniumbuurt afgezet. Alle mensen werden uit de huizen gehaald en verzameld op de Burcht. Om twee uur mochten de vrouwen en kinderen naar huis, alsmede die mannen die niet arbeidsplichtig waren. De rest (naar men zegt), plusminus 150 man, zijn op dekschuiten afgevoerd. Of er nog meer volgt weten we niet. (…) Er zijn vandaag zeer veel bommenwerpers overgekomen. Alles wijst op zeer grote acties van de geallieerden om Duitsland lam te slaan. Er werd o.m. door luchtdoelgeschut veel geschoten. [Zoon] Herman heeft een vliegtuig brandend naar beneden zien komen; arme jongens, die voor onze vrijheid hun leven inzetten.

9 februari 1945, 21.00 uur: Toen ik om half tien aan de weg was, werd ik gewaarschuwd dat er Grüne Polizei aan de Dam was. Ik was al een heel eind in de Oostzijde en ben hals over kop naar huis gegaan. Onderweg hoorde ik in de stad schieten. Later bleek dat het de fusillering was van acht mannen op de Burcht. Verder is er niets gebeurd, maar dit is al erg genoeg.

Op slag dood

10 februari 1945: Er werd vandaag weer druk gevlogen. Verschillende jagers maakten jacht op schepen in de Zaan. Dit soort acties loopt niet altijd goed af voor de burgerij. Het is al gebeurd dat bij een beschieting van de gashouder vanuit de lucht een verdwaalde kogel een klein meisje trof, dat aan de hand van haar moeder in de Westzijde liep. Het kind was op slag dood. Ook een verdwaalde vliegtuigbom op een slagerij aan de Hogendijk heeft de nodige slachtoffers gekost. Er zijn gisteren 8 of 10 mensen gefusilleerd. [Het betrof tien verzetsstrijders, als represaille voor de aanslag op politieman Frans Willemse.]

Gashouder achter de Westzijde

14 februari 1945, 21.00 uur: Vanmorgen zwermde het van de Engelse vliegtuigen. Er is er helaas één neergeschoten. Het was een angstig gezicht. Hij maakte enkele rondvluchten en maakte een noodlanding. We zagen verschillende bemanningsleden er met de parachute uitspringen.

28 februari, 9.00 uur: Het was vandaag druk in de lucht met Engelse jagers, die met boordwapens op diverse doelen op de grond schoten. Ook zijn er gisteren bommen gevallen in Uitgeest op de Hollandse Melksuikerfabriek. Ze waren waarschijnlijk bestemd voor de spoorlijn. (…) Volgens aangeplakte kennisgeving kan er bij luchtalarm geen sirene meer loeien, omdat er geen stroom meer is. Ook staat tegenwoordig een paar uur per dag de watervoorziening stil.

11 maart 1945: Zaterdagmorgen zijn hier bij de Troelstrabrug 5 mensen gefusilleerd. Het schijnt een represaille te zijn voor een moordaanslag op Rauter. [De vergelding betrof de liquidatie van de NSB-chef van de waterpolitie in Zaandam, Willem Ehlhardt.] Gé [de echtgenote van de auteur] ging er om twaalf uur langs en toen werd juist weer de straat vrijgegeven na het verwijderen van de stoffelijke overschotten.

14 maart 1945, 12.00 uur: Het is de laatste dagen continu druk met vliegtuigen. Ze gaan in grote drommen ‘over’. De oorlogsberichten zijn steeds voortreffelijk. Laten we hopen spoedig uit al die misère te zijn. De stemming onder de mensen is algemeen opgewekt. Er vallen echter honderden slachtoffers en het is de mensen aan te zien dat ze veelal gebrek lijden.

Verschillende bommen

15 maart 1945, 20.00 uur: De bomen en planten, voor zover niet weggehaald, beginnen uit te botten en beloven ons een lente en een zomer. Het is voor ons als mensen altijd een zekerheid dat de jaargetijden altijd zullen doorgaan, zolang de aarde bestaat. Overal aan de weg ziet men de vernielingen van de sloperij van de bomen om brandhout te bemachtigen. Onafgeschutte werven, kale plekken, boomwortels, enz. Wanneer zal er weer eens een en ander hersteld kunnen worden? Zaandam is al niet rijk aan natuurschoon, maar nu is het helemaal hopeloos. (…) Vandaag was het weer druk in de lucht. Er vielen verschillende bommen in de omtrek. Ook de kustafweer was weer volop in actie. Zo langzamerhand herkennen we die geluiden al. Eerst een doffe knal, even later gevolgd door een harde klap op grote hoogte. Het is de FLAK, het zware luchtdoelgeschut dat de Duitsers langs der gehele kust hebben opgesteld. Volgens goed ingelichte bronnen is de hele Hollandse kust één grote vesting geworden met talloze bunkers en kazematten. In IJmuiden zijn onderzeeboorbunkers, die betonnen daken hebben van drie meter dik.

21 maart 1945: Vrijdag jl. ben ik met mijnheer Dekker samen door de Duitse politie aangehouden. We hadden net samen het kantoor verlaten. Het was een controle persoonsbewijzen. Ik dacht ‘daar ga ik’, nu is het gebeurd. M’n tas werd grondig onderzocht. Goddank zaten er geen gestolen bonkaarten in. Toen vroegen ze naar mijn vrijstelling voor de arbeidsinzet, maar die had ik natuurlijk niet. Ik zei dat ik krank was en mijnheer Dekker bevestigde dit. (Hr. Dekker en Hr. Koning hadden wel een vrijstelling, omdat zij een bedrijf voerden.) Ze hebben ons toen laten gaan. Het waren een paar angstige tien minuten. Er was geen mens meer op straat, omdat iedereen dacht: “Dat is mis daar.” (…) Aan de kant van de weg, waar sintels liggen, zitten de mensen, die ze zeven. Iedereen doet z’n best om wat te bemachtigen. De straten geven een droevig beeld van de toestand. Het is erg, maar het is alles het gevolg van de oorlog. Moge het spoedig ophouden. Het wordt voor allen hopeloos.

1 april 1945, 15.00 uur: Over het algemeen is de voedselsituatie zeer nijpend. Er sterven mensen van de honger. Bij de centrale keuken vindt uitreiking plaats van eten aan mensen die verder niets meer te eten hebben. De rij was vanmorgen, dat ik naar de kerk ging, zeker 200 mensen groot. Iedere dag komen er meer bij om daar voor in aanmerking te komen. De mensen zien er altijd slecht en hongerig uit. En het is heus niet het uitschot van de maatschappij, maar heel nette mensen staan er tegenwoordig bij.

4 april 1945, 11.00 uur: Gisteren is buurman Polderman, gevlucht uit Duitsland, thuisgekomen. Het was voor ons allen feest in de straat, maar niet te uitbundig; de Duitsers zijn er immers nog steeds.

Mitrailleurvuur

10 april 1945, 20.00 uur: Alle dagen vliegen er geallieerde jagers en bommenwerpers boven onze hoofden. Zo af en toe hoor je mitrailleurvuur, hetgeen dan weer een aanval betekent op een boot in de Zaan, een auto of een ander object. Het is nog niet te zeggen of de Duitsers in onze gebieden tot verdediging zullen overgaan. In Amsterdam schijnt dat wel het geval te zijn. We kunnen mogelijk wat dat betreft nog heel wat beleven. Maar we houden ook onder deze omstandigheden het hoofd omhoog. Zolang we nog leven is er hoop.

16 april 1945, 20.00 uur: Een groot deel van Nederland, zoals het Oosten en Noorden, is inmiddels bevrijd. Wij wachten er nu op dat ons hetzelfde gelukkige lot zal treffen. Wij snakken ernaar, meer dan ooit. De zorgen worden nu met de dag nog erger. (…) Nog steeds hebben wij hoop dat de Zaanstreek mag worden gespaard voor gevechtshandelingen, maar de laatste dagen zij er vele Duitse troepen aangekomen. Dit alles vermindert onze hoop, want het Noordzeekanaal kan goed verdedigd worden. (…) Zondagmorgen vonden buren van Teun en Gré een buurvrouw, die al over de zeventig was. Ze had zich opgehangen. Geen uitzicht meer. Bij onderzoek bleek dat ze nog allerlei levensmiddelen in huis had. (…) De Duitsers hebben hier al het vee gevorderd. Vanmiddag ging de stoet van wel 50 à 60 koeien voorbij op weg naar het slachthuis. Duitsers escorteerden de troep. Later kwam ik op de Zuiddijk en daar lag ergens een koe op straat, die schijnbaar was blijven steken.

17 april 1945, 17.00 uur: Ik heb net gehoord dat de geallieerden al bij Barneveld zitten en oprukken in de richting van Amersfoort. Ze komen dus snel dichterbij. Vanavond zullen we vluchtkoffers verder in orde maken. Vanmorgen zijn 2 mensen dodelijk getroffen door een Engelse jager. Het gebeurde aan de Provincialeweg. Een droevig gebeuren.

22 april 1945: Zondagmiddag. Volgens de aanplakbiljetten moeten we om vijf uur binnen zijn en ook de volgende dagen. Het verzet heeft een schuit laten zinken bij de vaargeul van de zaanbrug. Gister en eergisteren heb ik gezien dat de Duitsers mensen controleerden en aardappelen en ander voedsel in beslag namen. De mensen hadden er grote afstanden voor afgelegd. Kennelijk hebben zij zelf ook niets meer te eten, want de toestanden voor hun zijn natuurlijk chaotisch. Ze zijn afgesneden van het moederland en hangen de beest uit om te overleven.

23 april 1945, 11.00 uur: Vannacht een harde klap gehoord. Er is een auto van de Duitsers in de lucht gevlogen. Het gebeurde bij de overgang Provincialeweg ter hoogte van de Schildersbuurt. Wat zullen de gevolgen weer zijn?

25 april 1945: Er zijn geweldige berichten. Er zullen geallieerde vliegtuigen levensmiddelenpakketten gaan afwerpen boven de nog bezette gebieden. Iedereen kijkt halsreikend uit. Volgens de laatste berichten is Berlijn ingesloten door de Russen. Dit zal spoedig het einde betekenen van ‘das grosze Deutsche Reich‘.

26 april 1945: Onderweg naar kantoor gezien dat er een gezonken boot in de Zaan met een drijvende bok omhoog werd gehaald. Verderop in de Oostzijde ben ik naar binnen gevlucht, omdat er geschoten werd. Vele mensen langs de weg maakten rechtsomkeert, omdat er door de Duitsers talloze fietsen in beslag werden genomen. vaak werden de mensen met fiets en al afgevoerd.

Hitler dood

2 mei 1945: Gisteren, 1 mei, hing de vrede om zo te zeggen ‘in de lucht’, doch werd zij nog niet een feit. Vanmorgen werd bekendgemaakt (via Radio Londen) dat Hitler dood is en Duitsland blijft doorvechten. Dus dat is voor ons weer een tegenvaller. Momenteel gaan hier enkele honderden Amerikaanse en Engelse bommenwerpers over, die voedsel hebben uitgeworpen. Het gebeurde bij Amsterdam. Ook de Zaanstreek komt aan de beurt.

3 mei 1945: Gisteravond ging het gerucht dat er vrede was. Iedereen ging de straat op. Het was echter loos alarm. Vanmorgen weer eens zelf geluisterd naar de Engelse zender op de z.g. Cristalontvanger. Wat zal de dag van morgen weer brengen? Het nieuws staat de laatste weken op verschillende plaatsen aangeplakt door het illegale dagblad Strijd.

5 mei 1945, 10.00 uur: Gisteravond werd de capitulatie van de Duitsers bekendgemaakt. Er heerst algehele vreugde. ’s Nachts is het rustig gebleven. Vanmorgen vroeg was er echter een tegenvaller. De Duitse bevelhebber weigert te capituleren.; dit is bekendgemaakt door de NSB. Radio Oranje houdt echter vol dat het wel zo is. We moeten nog even afwachten. Gisteravond zijn in Den Haag al mensen als slachtoffer van de moordlust der Duitsers gevallen. Wat zal het nog worden onder deze omstandigheden?

7 mei 1945, maandagmorgen: Zaandam is getooid met vlaggen en oranje. Zaterdagmiddag was het aan de weg ongekend druk. Toch hangt er een sluier over de feestvreugde door het grote leed dat er is. 21.00 uur: We zijn verschillende keren de stad in geweest en vanmorgen de feestelijke intocht van burgemeester In ’t Veld, zijn secretaris [Hubard Scholten] en commandant van politie [Cornelis Roscher] gezien. We hebben ook verschillende oplopen gezien, waarbij meisjes, die omgang met de Duitsers hebben gehad, het haar werd afgeknipt. Op de Koog is er door verschillende mannen met messen gezwaaid. Alle opgekropte haat tegen de Duitsers en hun handlangers komt nu boven. Er lopen vele mensen rond met moordlust in hun ogen.

8 mei 1945: Vandaag zijn de NSB’ers en andere verdachte personen opgehaald. Ik heb diverse arrestaties zien plaatsvinden. Het vond plaats door mensen van de Binnenlandse Strijdkrachten. Vanmiddag was er een groot defilé van vele verenigingen. We hebben de hele optocht hier door de Oostzijde langs zien gaan.

Burgemeester Joris In ’t Veld spreekt op 8 mei 1945 de bevolking toe, voorafgaand aan het defilé bij het gemeentehuis van Zaandam. Met hoed in de hand Cornelis Roscher. Aan de andere kant van In ’t Veld Hubard Scholten (Gemeentearchief Zaanstad)

18 mei 1945: Er blijken nog vele NSB’ers zoek te zijn. Je hoort eerst nu pas wat verschillende mensen van de KP (Knokploeg) hebben gepresteerd. Piet Prins, de boterboer die op de Koog woont, heeft daar o.m. veel in gedaan.

30 mei 1945: Er is weer een week voorbij gegaan. Verder is er eigenlijk niet veel gebeurd. We worden steeds beter van voedsel voorzien, hetgeen ons geen kwaad doet. Ik heb een hele tijd al mijn gedachten op papier gezet, maar stop ermee, omdat het te veel gaat worden. Maandag is hier vergadering van de Christelijke Partij. De bedoeling is, dat alle geschilpunten worden uitgepraat en eendrachtiglijk samen te werken. Zo zal het in de toekomst ook moeten gaan.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Gevangen en gefilmd in kamp Westerbork. Maar wie herkent Josef Laufbaum uit Oostzaan?

In 1944 maakte de gevangen joodse fotograaf Rudolf Breslauer in opdracht van de kampcommandant van Westerbork een film waarop het dagelijks leven in het Drentse Durchgangslager werd vastgelegd. Daarop is een inwoner van de Zaanstreek te zien, de in 1939 naar Nederland ontkomen Pool Josef Laufbaum. Alleen weet niemand wie van de gefilmde mannen deze Oostzaanse vluchteling is.

Josef Laufbaum, op 11 november 1903 geboren in het Poolse Sieniawa, wist na de Duitse inval in zijn vaderland de grens over te steken en Nederland te bereiken. Hij kreeg eind oktober 1939 een gastvrij onthaal bij Dirk en Neeltje Bakker-Scherrewitz. Zij woonden in de Oostzaanse Soeteboomstraat 44. Dirk werkte bij bakkerij Scherrewitz, de zaak van zijn schoonouders aan de Oostzanerdijk.

Timmerman

In zijn thuisland had Laufbaum een timmermansbedrijf. Na zijn vlucht naar Nederland wachtte hij tevergeefs op een visum voor Groot-Brittannië, waar zijn vrouw en dochter al waren. Dirk en Neeltje Bakkers zoon Jan schreef in 1989 over hun Poolse gast. “Hij was meubelmaker en heeft zelf een soort kamertje getimmerd op de overloop.” Josef maakte voor de jonge Jan ook een prikslee. Volgens Jan bracht hij alleen de nachten door in de Soeteboomstraat. “Overdag was hij bij zijn lotgenoten, dat was in een huis op de Jacob Honigstraat.” Daar bevond zich op nummer 48 een doorgangsadres voor veelal Poolse vluchtelingen.

De familie Scherrewitz in hun bakkerij. Staand, linksachter, Neeltje Scherrewitz. Naast haar Dirk Bakker (Oudheidkamer Oostzaan)

Gearresteerd

Toen de Duitsers Nederland bezetten, wilde Josef Laufbaum zichzelf het leven benemen. “Ik weet wat er gaat gebeuren”, zei hij tegen zijn gastgezin. Hij zocht een plek in de sloot die diep genoeg was om zich te verdrinken, maar Dirk Bakker kon hem tegenhouden. Zoon Jan: “Korte tijd later, toen we enige maanden bezet waren, kregen de joden in het huis op de hoek van de Jacob Honigstraat bericht dat ze zich moesten laten registreren. Dat was het begin van het einde voor de Nederlandse en buitenlandse joden. We hebben daarna nooit meer iets van meneer Laufbaum gehoord.” 

Op 28 oktober 1940 werd Josef opgepakt. De Oostzaanse veldwachter J. Jager nam hem die middag mee van Oostzaan naar Amsterdam. Daar moest de arrestant zijn geld afgeven – 32,22 gulden – en verdween hij in een cel.

Amsterdams politierapport, 28-10-1940 (Stadsarchief Amsterdam)

De volgende ochtend brachten vier agenten Josef Laufbaum en vijf andere joodse ‘vreemdelingen’ met de trein naar Westerbork. Het zou bijna vijf jaar duren voor Josef dat doorgangskamp in vrijheid kon verlaten, als een van de zeer weinigen. Geen van de gedeporteerde joden uit de Zaanstreek verbleef zo lang in het heide-Lager als hij.

Amsterdams politierapport, 28-10-1940 (Stadsarchief Amsterdam)

Achter de tralies kon Josef zijn in Polen ontwikkelde vaardigheden inzetten. Hij wist op te klimmen tot aanvoerder van de timmermanswerkplaats. Kampcommandant Albert Gemmeker achtte zijn aanwezigheid dermate belangrijk dat Josef tot het laatst toe werd gevrijwaard van deportatie naar Auschwitz of Sobibór.

Door Josef Laufbaum in Westerbork gemaakt klapstoeltje (Kamp Westerbork)

Op 12 april 1945 maakte hij dan ook in Drenthe de bevrijding van het kamp mee. Tien weken later, op 28 juni, mocht hij Westerbork verlaten. Hij keerde niet terug naar Oostzaan. In april 1946 werd Josef Laufbaum ingeschreven op de Nassaukade 309 in Amsterdam. De Amsterdamse bevolkingsadministratie noteerde anderhalf jaar later dat hij naar New York was vertrokken. Daar werd hij herenigd met zijn vrouw Selde en zijn in 1939 in Londen geboren dochter Ruth. Hoe het hen verder verging is onbekend.

Josef Laufbaum (met verkeerd geboortejaar) op een lijst met in Westerbork achtergebleven gevangenen, 20-4-1945

Duidelijk is wel dat Josef Laufbaum op 15 juni 1975 overleed in Los Angeles. Daar ligt hij ook begraven.

Westerborkfilm

Begin 1944 werd Josef met de camera vastgelegd door medegevangene Rudolf Breslauer. Die moest in opdracht van Gemmeker een film samenstellen over het kampleven. De Westerborkfilm bevat uniek materiaal en werd, samen met het script, op 30 oktober 2017 opgenomen in het UNESCO Memory of the World Register. Op deze lijst staan documenten die van grote betekenis zijn voor de wereld. 

Josef werkt in de film mee aan de opbouw van de binnenconstructie van twee in aanbouw zijnde kweekkassen gelegen naast de commandantswoning. Een paar jaar na de bevrijding liet het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie – het latere NIOD – de film zien aan een aantal kampoverlevenden. Eén of meer mensen in deze groep herkende(n) Josef Laufbaum in de filmbeelden. Helaas ging deze informatie daarna verloren. En bij gebrek aan andere traceerbare beelden is vooralsnog onbekend wie van de gefilmde timmermannen Josef Laufbaum is. NIOD noch Kamp Westerbork weet hem aan te wijzen.

Joodse-Raadkaart van Josef (ook wel Joseph) Laufbaum

Op een in 1942 in Westerbork gemaakte foto van de timmermanswerkploeg staat waarschijnlijk ook Josef Laufbaum. Maar wie van de vijftien poserende mannen de Oostzaanse vluchteling is, blijft een raadsel. Alleen van de zesde man links is de naam bekend, Wiltjer. De twee in het donker geklede mannen vooraan lijken te jong om Laufbaum te kunnen zijn. Maar ook dan resteren er nog altijd twaalf kandidaten.

De timmermanswerkploeg van Westerbork in 1942 (foto Kamp Westerbork)

Wat resteert is de Westerborkfilm. Er bestaat inmiddels zelfs een ingekleurde versie van deze unieke herinnering aan de jodenvervolging en -deportaties. Hieronder is de volledige versie te zien. Josef Laufbaum moet in beeld zijn tussen 1.02.28 en 1.04.12. Maar wie van de mannen die aan de kas werken is de Oostzaanse timmerman/meubelmaker? Ik houd me aanbevolen voor tips: info@schaapschrijft.nl.

Verborgen verzet op de Westzijde

Na de bevrijding bleef de rol van het gereformeerde volksdeel binnen het Zaanse verzet onderbelicht. En dat terwijl de weerstand van deze christelijke stroming tegen het heersende nazisme bovengemiddeld was. Een toelichting, aan de hand van een door Stadsherstel Amsterdam gevonden stapel illegale krantjes, ruim driekwart eeuw na de oorlog.

In het voorjaar van 2021 kocht Stadsherstel Amsterdam vier Zaandamse arbeiderswoningen. De eerdere eigenaar, woningbouwvereniging Parteon, had Westzijde 173-179 totaal verwaarloosd. Drastisch ingrijpen om te redden wat er te redden viel van de eind negentiende eeuw gebouwde houten pandjes -inmiddels door Zaanstad tot monument bestempeld- was dan ook onvermijdelijk. Enkele maanden na de aanschaf begon de restauratie van de krotten.

Westzijde 173-179 in 1950 (Gemeentearchief Zaanstad)

Tijdens het strippen troffen de medewerkers van Stadsherstel bij het verwijderen van een schoorsteen op nummer 173 een stapeltje illegale krantjes aan uit het laatste oorlogsjaar. Het betrof in totaal zo’n tien exemplaren van het gereformeerde Trouw en ongeveer dertig stuks van het ondergronds uitgebrachte Zaanse blad Strijd. Ze verkeerden, in tegenstelling tot het huis waarin ze lagen, in een redelijke staat.

De in Westzijde 173 gevonden krantjes (foto Stadsherstel)

Op een foto van de vier doorgebroken panden is een crèmekleurige wand zichtbaar met daarnaast een rechthoekig schoorsteengat in de houten vloer. De documenten zijn gevonden bij de plek waar de schoorsteen door de vloer stak.

(Foto Stadsherstel, Aart Jan van Mossel)

Tussen de krantjes zat één afwijkend stuk papier. Het was een ingevuld formulier van de Luchtbeschermingsdienst, te ‘bevestigen aan de binnenzijde van uw voordeur’. Op het document zijn met inkt de namen en adressen van (plaatsvervangende) blokhoofden -in dit geval van wijk D, blok 31; de omgeving van de Westzijde- en die van de bewoners van Westzijde 173 geschreven. De Luchtbescherming bestond kort voor en tijdens de oorlog uit vrijwilligers die burgers moesten beschermen tegen luchtaanvallen en -vanaf mei 1940- dienden te controleren of de verduisteringsmaatregelen werden nageleefd.

Luchtbeschermingsdocument, gevonden tussen de krantjes (foto Stadsherstel)

Aan de hand van de namen op het Luchtbeschermingsformulier valt te achterhalen wie er tijdens de oorlog verbleven op het adres Westzijde 173. Dat bleken sinds 1929 huis- en reclameschilder annex ‘hasconeerder’ (een variant op het stucadoorswerk) Roelof Dekker (19-4-1885/3-5-1952) en zijn echtgenote Jentina Dekker-Kuiper (25-4-1882/8-12-1953) te zijn (’telefoonnummer 4364′). Ook hun dochter Pieternellie Dekker (26-9-1916/1-4-1965) leefde daar. Zij werkte als hulp in de huishouding. Pieternellie werd overigens geboren op Westzijde 175. Op 28 mei 1918 kreeg het echtpaar Dekker ook nog een zoon op dit laatste adres, die net als zijn vader Roelof heette.

Wat betreft het Luchtbeschermingsdocument: zowel G.R. Dekker als H. Dekker (die ook op Westzijde 173 woonde; zijn familierelatie is me onbekend) draaide in ieder geval in de zomer van 1940 als vrijwilliger avond- en nachtdiensten om te controleren op verduistering van de huizen en te assisteren indien er onverhoopt bommen vielen. Het document dateert waarschijnlijk uit 1942.

Factuur van R. Dekker uit 1931 (Gemeentearchief Zaanstad)

Nader onderzoek wijst uit dat de woning van de familie Dekker op nummer 175 en hun werkplaats op nummer 173 was. Tijdens de oorlog organiseerde de gereformeerde kerk van Zaandam in Dekkers werkplaats wel eens een ‘vervolgklas’, ik neem aan om bijbelles te geven. De vondst van het illegale gereformeerde blad Trouw past goed in dat plaatje. Ook andere activiteiten wijzen naar de protestants-christelijke grondslag van de familie. Zo werd Roelof Dekker sr. in december 1936 contactpersoon van de Zaandamse Justus-commissie.  Deze commissie bemiddelde voor de oorlog bij het zoeken naar ‘christelijke kosthuizen’ voor jongens, meisjes en oudere alleenstaanden van gereformeerde huize. 

(Foto Stadsherstel, Aart Jan van Mossel)

De naam Dekker is te vinden op meer Zaanse adressen. Op het nabije Schiermonnikoog 40 (genoemd op het gevonden document) woonde de al eerder genoemde G.R. Dekker, eveneens een schilder. Een paar huizen verder, op nummer 20, zat tijdens de oorlog de dochter van het joodse echtpaar Isaäc (‘Ome Jacques’) en Mimi Wijnperle verborgen. Deze Dekker wordt in relatie tot de onderduikers genoemd op het Joods Monument Zaanstreek. Het verhaal van hun dochter Rebecca is ook te vinden op deze website

Rebecca (‘Betty’) Wijnperle (foto R. Brinkman)

De Dekkers waren telgen uit een verzetsfamilie. Ze richtten zich via hun kerkelijke netwerk vooral op het helpen van onderduikers. Hier een overzicht van hun namen en daden. 

Hoewel de protestants-christelijke bevolkingsgroep in de ‘heidense’ Zaanstreek klein was, slaagden ze er in om een illegaal netwerk van bovenlokaal belang op te bouwen, met name in Zaandam en Wormerveer. De anti-revolutionair Willem Brinkman werd in april 1943 provinciaal leider van de Landelijke organisatie voor hulp aan Onderduikers (LO), Nederlands grootste verzetsbeweging. Na een inval in de Zaandamse woning van het echtpaar Brinkman, waar ze een joods meisje verborgen, nam plaatsgenoot Klaas Pos die functie over. Tot aan hun arrestatie in oktober 1943 werden er onder aanvoering van Brinkman en Pos bijna honderd joden en een veelvoud aan niet-joden ondergebracht op schuiladressen in met name de Zaanstreek en West-Friesland. Vanaf augustus 1944 gaf de eveneens gereformeerde Zaandammer Kees Kraay leiding aan de Noord-Hollandse LO. “Van Zaandam uit is de provincie opgebouwd”, concludeerde Ad Goede, onderzoeker van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (het huidige NIOD) in zijn studie naar de merendeels gereformeerde LO.

Willem Brinkman

In Wormerveer waren het de gereformeerde Henk Toby en Jaap Boot die ook buiten de regio van grote betekenis waren. Ze raakten al in een vroeg stadium betrokken bij de productie en en distributie van Vrij Nederland en Trouw, een tijdlang de grootste ondergrondse krant van Nederland. Verder onderhielden ze contacten met een Zaans netwerk van gereformeerde en doopsgezinde drukkers en clichémakers, die tienduizenden valse persoonsbewijzen, stempels en andere ondermijnende producten over het land verspreidden. Wormerveer was ‘vanaf het begin het administratieve centrum van het LO-werk in Noord-Holland’, aldus de schrijvers van Het grote gebod, een standaardwerk over de LO en de Landelijke Knokploegen (LKP). Naast bovengenoemde grootheden uit de confessionele illegaliteit waren er ook nog eens vele tientallen Zaankanters met dezelfde achtergrond die zich op kleinere schaal keerden tegen het nazisme.

De familie Dekker die op Westzijde 173-175 woonde lijkt overigens niet of nauwelijks actief te zijn geweest binnen de illegaliteit. Wel lazen ze, zoals veel ‘goede’ gereformeerden, het ondergronds verschijnende blad Trouw. En ze bewaarden die krantjes dus. In een bergplaats die zo goed was verborgen dat het driekwart eeuw duurde voor ze opnieuw het daglicht zagen.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Twee jong gestorven Zaanse brigadisten. ‘Ik had wel trek om naar Spanje te gaan’

Sommige Zaankanters zagen al vroeg de gevaren van het overal in Europa oprukkende fascisme en verbonden daar consequenties aan. Bijvoorbeeld door na 1936 naar het Iberisch schiereiland te reizen en daar met de Republikeinen te vechten tegen de manschappen van generaal Franco. Albert Brand en Gerrit Timmerman mengden zich, net als enkele tientallen andere Zaanse vrijwilligers, in de Spaanse Burgeroorlog.

Albert ‘Appie’ Brand (Amsterdam, 1916) behoorde tot de jongste lichting die naar het zuiden trok om de wapens op te nemen tegen Franco’s troepen. Hij was daar met zijn twintig jaar zelfs de benjamin onder de Zaanse strijders. Hoewel minderjarig kreeg hij voor zijn vertrek waarschijnlijk de zegen van zijn vader. Cornelis Brand was namelijk een overtuigd CPN-lid. Appie kwam uit een gebroken gezin; zijn ouders scheidden toen hij nog maar een kleuter was. Bovendien was Cornelis wellicht niet zijn biologische vader. Bij zijn geboorte ontving Appie namelijk de achternaam van zijn moeder, de in die jaren tussen Amsterdam en Zaandam pendelende en toen nog alleenstaande Alida de Boer. Pas nadat Cornelis en Alida hun korte huwelijk waren aangevangen – Albert begon inmiddels al zijn eerste woordjes te brabbelen –, kreeg hun zoon de achternaam van zijn vader.

Na de ouderlijke scheiding verbleef Appie zo nu en dan bij zijn vader in Zaandam, maar meestal bij zijn moeder. In 1921 hertrouwde Cornelis met zijn stadgenote Helena Leonarda Wever. Het pasgehuwde stel verhuisde naar Wormer en zou pas jaren later terugkeren naar Zaandam. Samen kregen ze nog een handvol kinderen. Appie nam er op afstand kennis van; in die periode verzorgde zijn moeder hem.

Peperhoek

Ten tijde van zijn vertrek naar Spanje woonde Appie wel bij zijn vader, op het adres Franschestraat 34. Alles wijst er op dat hij een telg was uit een klassiek arbeidersgezin. Zijn moeder had voor haar huwelijk gewerkt als dienstbode, zijn vader was stoker op een stoomtrawler. Appie zelf stond ingeschreven als pakhuisjongen. En de Franschestraat maakte deel uit van de Peperhoek, het versleten, armoedige Zaandamse stadscentrum waar meerdere latere Spanjestrijders leefden.

Appie bevond zich in het hart van de grote Zaanse brigadistengolf die tijdens de zomer van 1937 naar het zuiden rolde. Kort voor hem waren onder anderen zijn buurtgenoten Willem Brondgeest en Jan Hulst richting Spanje gereisd. Zeer waarschijnlijk kende Appie hen. Gretig zal hij de verhalen over hun plotselinge vertrek tot zich hebben genomen. Hij voegde zich echter niet bij dit duo, maar lijkt met een andere buurtgenoot de uitdaging te zijn aangegaan: Gerrit Timmerman (Zaandam, 1913). Die woonde in de Kalverstraat, op minder dan een steenworp afstand van Appies huisadres.

Gerrit Timmerman rond 1937 (Nationaal Archief)

Chauffeur-monteur Gerrit Timmerman was bijna vier jaar ouder dan Appie en net als hij afkomstig uit een arbeidersnest. Gerrit woonde in 1937 eveneens bij zijn ouders in huis. Er was ook een opvallend verschil: waar zijn familie geregistreerd stond als rooms-katholiek, had het gezin Brand het geloof afgezworen.

Werkloos

In het voorjaar van 1937 ontbrak het Gerrit Timmerman al geruime tijd aan een baan. Dat was niet uitzonderlijk; door de economische crisis zat meer dan een kwart van de beroepsbevolking werkloos thuis. Met zijn vrienden besprak Gerrit de uitzichtloosheid van het bestaan en de mogelijkheden om daar aan te ontsnappen. “Ik en verschillende jongens hadden onderling dikwijls over Spanje gesproken”, verklaarde hij achteraf tijdens een politieverhoor, overigens zonder namen te verklappen. “Ik had mij tegen hen dikwijls uitgelaten dat ik wel trek had om naar Spanje te gaan.” Niet om er te gaan vechten, voegde hij daar haastig aan toe, ‘doch om werk te krijgen’. Het was een verklaring die veel oud-Spanjegangers aflegden. Soms was het de waarheid, vaak een uitvlucht om aan overheidssancties te ontsnappen. Welke van de twee opties voor Gerrit gold is niet duidelijk, al zei zijn latere echtgenote dat hij geen idee had wat de Burgeroorlog met zich meebracht: “Hij was helemaal geen vechtersbaas.”

Binnen de door zijn onvoorziene verdwijning verraste familie zong het verhaal dat hij communist was. Dat was begrijpelijk; veel van Gerrits vrienden en kennissen bevonden zich in de marxistische hoek. In 1938 probeerde Gerrit echter de hem ondervragende Zaandamse rechercheur Jan van der Schaaf te laten geloven dat hij ‘niet bij de Communistische partij of wat ook’ was aangesloten. “Ik ben R.K.”

Geronseld

Er zaten inconsistenties en dubieuze wendingen in Gerrits verhalen. Toen hij zich eind oktober 1937 tot het Nederlands consulaat in Barcelona wendde, vertelde hij daar ‘te Haarlem geronseld [te zijn] om naar Spanje te komen’. De boosdoener was ‘Van So[o]lingen, die hem ook de middelen verstrekte voor de reis’. Drie maanden later spiegelde Gerrit de politieman Van der Schaaf een heel ander scenario voor. Er bleef hem weinig keus; eerder had een Haarlemse ex-brigadist al verklaard Nederland te hebben verlaten ‘in gezelschap van een Zaandammer, Timmerman, en enige andere hem onbekende Nederlanders, die als herkenningsteken ditmaal het Volksdagblad in de hand hielden’. Deze Jeen Duursma had met geen woord gerept over de betrokkenheid van Cornelis van Soolingen. Gerrit herschreef bij nader inzien een deel van zijn eerdere verklaring: “Met een zekere van Sollingen [sic] uit Haarlem heb ik nog nimmer kennisgemaakt.”

Tegen Van der Schaaf zei hij verder op een junidag in 1937 in de Oostzijde te zijn ‘aangesproken door een mij onbekende man die een Brabants dialect had’. Die zou hebben gevraagd of hij ‘trek had om naar Spanje te gaan’. Gerrit ging daar naar eigen zeggen enthousiast op in. Hij kreeg te horen dat hij de 26ste juni op de brug voor het Amsterdamse Centraal Station moest gaan staan, ‘dan kwam er wel iemand op mij toe die mij verder zou helpen’. In de vroege avond werd hij daar inderdaad benaderd, met de woorden: “Jij bent zeker de jongen die naar Spanje wil.” De vraagsteller was Jeen Duursma. Hij kocht voor Gerrit een treinkaartje naar Parijs, ‘alwaar wij de volgende dag, 27 juni 1937 te omstreeks 7 uur, aankwamen.’

Pyreneeën

Vanaf hier lopen de verklaringen van Timmerman en Duursma redelijk parallel, al dacht de laatste wel abusievelijk dat ze anderhalve week eerder naar het buitenland waren gereisd. De verzorging door de Franse communistische partij, de groepsreis per bus van Parijs naar achtereenvolgens Lyon en Perpignan en de tocht over de Pyreneeën kregen bij beiden een plek in hun verhaal. Waar Duursma echter vertelde al vanuit Nederland met ‘enige andere hem onbekende Nederlanders’ te zijn afgereisd, hield Gerrit het op Parijs als de plaats van waar hij met ‘nog een 5-tal Hollanders in een auto’ verder zuidwaarts was gegaan. Vermoedelijk uit loyaliteit zweeg hij na terugkeer uit Spanje tegen de autoriteiten over medereiziger Albert Brand.

Een Republikeins overzicht van 30 juni 1937 laat zien dat beide Zaandammers Spanje tegelijkertijd bereikten. Op een lijst van 51 ‘legale vrijwilligers’ die deze dag aankwamen in het Catalaanse Setcases, staat ook Appies naam. Samen met hem arriveerden er nog twee ‘Holandese’ in het gehucht, dat een paar kilometer van de Frans-Spaanse grens ligt: de Haarlemmer Piet Dirks en Cornelis Botterman uit Amsterdam. Laatstgenoemde werkte eerder bij de Zaandamse Artillerie-Inrichtingen. Wellicht wisten hij en Albert Brand al voor hun Spanjereis van elkaars bestaan.

Gerrit Timmerman arriveerde diezelfde 30-ste juni met onder anderen Jeen Duursma bij een oostelijker gelegen Pyreneeëndorp, Espolla. Een etmaal later bevonden de twee Zaanse nieuwkomers zich in Albacete, honderden kilometers zuidelijker. Ze waren er per trein heengebracht. “Hier was alles militair en de inkwartiering geschiedde dan ook door militairen”, vertelde Gerrit Timmerman in 1938. Appie kreeg in dit defensiebolwerk weliswaar eveneens een militaire inkwartiering, maar op een andere plek dan hij verwachtte en hoopte. Om onbekende redenen belandde hij er in de gevangenis. Wellicht waren zijn reispapieren niet in orde. Die omissie stond garant voor een preventieve opsluiting tot er helderheid bestond over de motieven van de fellow traveler.

Training

Het verblijf achter de tralies duurde maar kort. De Republikeinen hadden iedereen nodig om de oprukkende nationalistische manschappen af te stoppen. Op 3 juli stond Appie enkele tientallen kilometers verder op de stoffige grond van Madrigueras. Hij kwam daar een vier dagen eerder in Catalonië gearriveerde plaatsgenoot tegen, Mijndert van der Horst. Met honderden andere aspirant-soldaten ondergingen ze de training die hen tot frontstrijders moest maken. De basale oefeningen – vooral schieten en marcheren – namen enkele weken in beslag. Appie werd vervolgens toegevoegd aan de tweede compagnie, een onderdeel van de dertiende, merendeels Duitstalige brigade. Het lijkt er op dat hij zich nog altijd zeer betrokken voelde bij de vrijheidsstrijd. Toen er onder de soldaten werd gecollecteerd voor de Internationale Rode Hulp doneerden de meesten bedragen van een halve tot vier peseta’s. Appie schonk er vijf, het volledige voorschot dat hij even daarvoor had ontvangen.

Vermelding van Albert Brand en Gerrit Timmerman op een Republikeins overzicht van in Albacete gearriveerde vrijwilligers, 1-7-1937 (Sovdoc.rusarchives.ru)

Gerrit op zijn beurt kreeg daags na aankomst in Albacete te horen dat hij was ingedeeld was bij de ambulancedienst. Hij kwam terecht bij een ziekenhuis in Murcia, kort achter het front. “Om reden van mijn beroep chauffeur-monteur was, werd ik belast met het vervoeren van gewonde militairen, die ik moest halen (per auto) van het station Passarcebilje bij Albacete en [ik] moest voornoemde militairen brengen naar het hospitaal Radio Murcia.”

Tyfus

Anderhalve maand lang reed Gerrit Timmerman op ongeregelde tijden de honderd kilometer naar Albacete en weer terug, met kermende en bewusteloze soldaten in de achterbak van zijn voertuig. Toen ging het mis; hij belandde zelf als patiënt in Radio Murcia. Niet door een kogel of granaatscherf, maar omdat hij besmet raakte met tyfus. Het duurde een paar weken voor hij opknapte. “Toen ik bijna beter was, kreeg ik van de militaire autoriteiten bericht dat ik naar Albacate moest om daar gekeurd te worden. Tevens werd mij medegedeeld dat ik zeer waarschijnlijk naar het front gezonden zou worden.” Naar eigen zeggen zag Gerrit daar geen heil in. Op 25 oktober 1937 nam hij contact op met het consulaat in Barcelona, in een poging om het dreigende bevel te ontlopen. Hij had succes. De consul in Valencia verschafte hem een paspoort dat drie weken geldig was. Vanuit Barcelona kon hij met een Frans schip naar Genua en vervolgens probleemloos met de trein door naar Nederland. Op 2 november was hij weer in zijn vaderland.

Albert Brand kon of wilde niet de route terug naar Zaandam volgen die Gerrit Timmerman had afgelegd. Hij ging zodra de legerleiding het wenselijk achtte, en dat was al heel snel, naar de voorste gevechtslinies. In juli 1937 waren de Republikeinen bij Brunete – 25 kilometer ten westen van Madrid – begonnen met hun eerste tegenoffensief. Hun inzet was tweeledig. Gepoogd werd om de belangrijkste wegen te blokkeren die de vijandelijke troepen gebruikten op hun doortocht naar de hoofdstad. Ook moest deze aanval de belaagde noordelijke provincies Asturië en Santander lucht geven. De poging ontaardde in een debacle. Tegenover een minimale terreinwinst stonden 20.000 gesneuvelde en gewonde manschappen aan Republikeinse kant. Het was de Spaanse versie van de hel. “Het was er erg warm, het stonk verschrikkelijk van de lijken die er lagen”, herinnerde een Nederlandse brigadist zich tientallen jaren later nog.

Zaans accent

Ook Albert Brand kwam niet heelhuids uit de strijd. Medestrijder Krijn Breur wijdde in het voorjaar van 1938 voor het socialistische blad De Proletarische Vrouw een uitgebreid artikel aan hem. Hij omschreef de Zaandammer als ‘een lange jongen, mager en blond. De wat slome trek van zijn gezicht leek de uitdrukking van het Zaanse accent van zijn spraak’. Breur legde gedetailleerd vast hoe Appie zich hield tijdens de slag om Brunete, toen hun eenheid probeerde om het dorp Villanueva op de vijand te heroveren. Kort voor de aanval begon, bevond Appie zich in een droge rivierbedding, pogend ‘om de angst voor wat komen ging te verbergen’. Amper uit deze dekking gesprongen werd hij, als eerste van zijn eenheid, geraakt door een kogel. “’t Was de moeite niet waard, een ‘Streifschuss‘ langs zijn rechterarm”, bagatelliseerde zijn Amsterdamse kameraad. “Maar de heftige klap en de bloeding die volgde, braken zijn kracht. Hij viel schreiend op de grond en riep om de sanitario’s en om zijn moeder. Met mijn volgende sprong lag ik vlak bij hem en zag dat er niets was gebeurd. ‘G.v.d., hou je snuit. Als ze komen zijn we d’r vast aan. Schreeuw niet zo!’, beet ik hem toe. Hij zweeg, maar bleef liggen, snikte met zijn gezicht in het zand.”

Het Republikeinse offensief werd aanvankelijk afgeslagen. De soldaten trokken zich terug, met achterlating van enkele gewonden. Albert Brand lag urenlang roerloos op de droge grond. “Ik denk dat zijn wond pijn ging doen, of dat de hitte het hem benauwd maakte”, schreef de inmiddels eveneens neergeschoten en op hulp wachtende Breur. “In ieder geval hoorde ik opeens steunen en even later riep hij weer: ‘Sanitario, Sanitario! Moeder, o, help mij!’ Dadelijk takte de mitrailleur der fascisten. Ik zag het zand rond Ap opspringen, links! – rechts! – vóór hem, toen trok hij samen met een schreeuw van pijn en was stil.”

Benicassim

Pas na het intreden van de duisternis konden de gewonden in veiligheid worden gebracht. Appie kwam er relatief goed vanaf. De kogels in zijn arm en schouder hadden geen vitale delen geraakt. Per ambulance en trein werden hij en Krijn Breur naar een ziekenhuisje in Benicassim, aan de Spaanse oostkust, vervoerd. Begin augustus mocht Appie het hospitaal alweer verlaten, de vierde van die maand werd hij ingedeeld bij de elfde brigade onder leiding van zijn landgenoot Piet Laros. Hij vertrok opnieuw naar de voorste linies, ditmaal bij Madrigueras. Het verbaasde de soldaten die hem hadden meegemaakt in de loopgraven bij Villanueva. Krijn Breur: “Als we onder elkaar over hem spraken, zeiden we: ‘Die? Die gaat niet meer weg!’ Als je zijn bleke gezicht zag, leek het er ook niet erg op.”

De compagnie van ‘Hollander Piet’, zoals Laros’ bijnaam luidde, herbergde ruim tachtig Nederlanders en verder wat Vlamingen, Oostenrijkers en Spanjaarden. In de hagiografie Nederlanders onder commando van Hollander Piet in Spanje wordt vermeld dat deze compagnie vocht bij Quinto en ‘in de barre koude van de sneeuwstormen op de hoogvlakte’ van Teruel, zo’n tweehonderd kilometer oostelijk van Madrid. Krijn Breur, in zijn bloemrijke krantenverslag over de gevechten bij die laatste plaats: “Toen de vijand in de eerste januaridagen in sneeuw en regen zijn beste troepen stuurde om Teruel te heroveren, stond Ap weer tussen de anderen en deed zijn anti-fascistenplicht. De stad was van ons en bleef van ons. Achtmaal op een dag vielen de fascisten aan, achtmaal deinsden ze af.”

Doorbraak

Het was de strengste winter in decennia. De temperatuur zakte soms tot vijftien graden onder nul. Steeds meer Republikeinse manschappen deserteerden. Met de dag werd de situatie aan republikeinse kant chaotischer. Mede daardoor slaagde een overmacht aan nationalistische militairen, gesteund door luchttroepen, er medio februari 1938 in om een doorbraak te forceren en Teruel in handen te krijgen. Breur: “De sneeuw lag dik op het veld, in de grimmige koude vroren onze gewonden dood. De zwarte avions kruisten ook ’s nachts boven de linies en als de mitrailleurs schoten om te verhinderen dat het koelwater bevroor, suisden de bommen neer naar de plaats waar de vliegers het mondingsvuur hadden opgemerkt. Ap deed zijn plicht, hield stand voor het ideaal dat hem naar Spanje gedreven had, dat hem de krachten schonk om zijn angst te overwinnen.”

Onduidelijk is wanneer exact tijdens die moordende winter Appie voor de tweede keer werd getroffen door vijandig vuur. Maar ditmaal was het fataal. Breur: “Hij stierf in het hospitaal, in hetzelfde rustige plaatsje aan zee waar hij de moed tot strijden had geleerd van andere kameraden. Een granaatwond aan zijn buik kostte hem het leven. (…) Hij is op de schouders van andere gewonde kameraden naar het kleine kerkhof aan de kust gedragen.” Het dorpje waar Albert Brand de laatste adem uitblies was Benicassim, waar hij enkele maanden eerder ook al in het ziekenhuis lag.

Begraafplaats

Op de lokale begraafplaats bevindt zich tegenwoordig een monument met 26 namen van Spanjestrijders die ter plekke stierven. Er staat één Nederlander op, Albert Brand. Zijn naam is, net zoals dat tijdens de Spaanse Burgeroorlog regelmatig gebeurde, verkeerd geschreven: “Braut, Albert.”

Het oorlogsmonument in Benicassim (R. Dijkstra)

Gerrit Timmermans buitenlandse avontuur duurde slechts vier maanden, maar de nasleep zou hem de rest van zijn korte leven achtervolgen. Om te beginnen werd hem vrijwel onmiddellijk het staatsburgerschap ontnomen. Toen hij in maart 1938 trouwde met Trijntje Beekman raakte ook zij prompt het Nederlanderschap kwijt. Ook hun twee kinderen – eveneens Gerrit en Trijntje geheten en geboren in respectievelijk 1940 en ’41 – werden op slag stateloos. Die situatie zou voortduren tot na de Tweede Wereldoorlog.

Sachsenhausen

Zijn oorlogsverleden maakte dat Gerrit op 12 juli 1941, zoals wel meer Spanjestrijders overkwam, werd gearresteerd. Het was de laatste keer dat zijn echtgenote, zwanger van Trijntje, hem zag. Via de kampen in Schoorl en Amersfoort belandde Gerrit in juni 1943 in het Duitse Konzentrationslager Sachsenhausen. “Mijn moeder heeft nog een foto van mij, verstopt in een pak havermout, naar hem gestuurd”, wist zijn dochter. Haar vader overleefde de ontberingen in Sachsenhausen niet. Op 15 mei 1944 stierf hij er in de ziekenbarak aan tuberculose.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag