Voor het vuurpeloton bestemde Oostzaner leefde nog 46 jaar

De Oostzaanse NSB-burgemeester De Bree arresteerde in 1943 zijn plaatsgenoot Marinus Kuijt, op verdenking van zwarthandel. Toen bleek dat Kuijt ook nog een geladen vuurwapen op zak had, was hij rijp voor de doodstraf. Wonderbaarlijk genoeg overleed hij pas in 1989. Hoe kon dat? 

Johannes Alexander Antonius de Bree begon op 11 juli 1942 als burgemeester in Oostzaan. Hij was als fanatiek aanhanger van de Nieuwe Orde vastbesloten om zijn stempel op het dorp te drukken. Daartoe beheerde hij niet alleen het gemeentehuis, maar trok hij er ook regelmatig op uit om gewapenderhand onderduikers en zwarthandelaren -waarmee Oostzaan rijkelijk was bedeeld- te arresteren. In dat verband paste ook zijn verzoek ‘namens den Sicherheitsdienst te Den Haag’ om ‘de opsporing, aanhouding en voorgeleiding van Marinus Kuijt, geboren te Zaandam 3 Augustus 1918, van beroep veehandelaar, wonende te Oostzaan, Stationsweg C222’. Hij werd verdacht van ‘overtreding van het Voedselvoorzieningsbesluit’, oftewel zwarthandel. “Hij houdt zich zeer waarschijnlijk op in Amsterdam, ook wel in verschillende plaatsen van Noordholland. Vermoed wordt dat hij zich vermomd [sic], door middel van een bril en snor (kneveltje).” Het bericht sloot af met de mededeling dat Marinus Kuijt sinds 12 augustus voortvluchtig was. De oproep verscheen op 9 oktober 1942 in het Dagblad voor Noord-Holland, vergezeld door een pasfoto van de verdachte. De jacht was geopend.

Dagblad voor Noord-Holland, 9-10-1942

Het duurde driekwart jaar, maar toen had de NSB-burgemeester beet. In de ochtend van zondag 2 mei 1943 liet hij triomfantelijk in enkele kranten optekenen dat hij ‘den voortvluchtigen smokkelaar Marinus Kuit [sic] in Amsterdam gearresteerd’ had. De Bree zou, met behulp van enkele rechercheurs, ‘een der meest beruchte zwarte handelaren van ons land’ hebben opgepakt. “Reeds langs bestond het vermoeden, dat Kuit zich in gezelschap van zijn plaatsgenoot J.[an] Middendorp te Amsterdam schuilhield.” De ordehandhavers troffen Kuijt aan ‘in de woning van zekeren [Pieter] Saaf, een zwager van Middendorp’. Deze medeplichtigen belandden eveneens in de cel. Tot tweemaal toe werd in het artikel vermeld dat Rinus Kuijt ‘een scherp geladen vuurwapen’ op zak had. “Zooals bekend wordt het verboden bezit van wapens principieel met den dood gestraft.”

Vuurpeloton

Een zwarthandelaar die zich aan de autoriteiten onttrok en die bekendstond als een van de ‘meest beruchte’ in zijn soort binnen Nederland. En dan ook nog eens met een doorgeladen pistool op zak. Het leek er inderdaad op dat de onfortuinlijke Oostzaner zijn leven zou eindigen voor een vuurpeloton.
Maar dan neemt het verhaal een onverwachte wending. Op Kuijts persoonskaart bij het Stadsarchief in Amsterdam staat de vermelding dat hij -overigens evenals Pieter Saaf en Jan Middendorp- de oorlog overleefde en vanaf 1946 in de hoofdstedelijke Vespuccistraat woonde. Later dat jaar keerde hij terug naar Oostzaan, alsof er niets was voorgevallen.

Stadsarchief Amsterdam

Op een genealogische site is te lezen dat Marinus Kuijt op 9 januari 1989 in Oostzaan overleed en dus nog ruim vijf jaar van zijn pensioen had kunnen genieten. In een voetnoot staat nog iets interessants. “Marinus Kuijt slachtte illegaal kippen tijdens de oorlog – hij deed dat in de slachtplaats van zijn zwager Cornelis (‘Cor’) Vonk aan de Haal 22. Toen het illegale slachten aan het licht kwam, werd niet Marinus daarvoor aangesproken, maar Cornelis Vonk: deze werd gearresteerd en naar de strafgevangenis Veenhuizen afgevoerd, waar hij een tijd gevangen heeft gezeten.”

Illegaal slachten

Dat Cornelis Vonk zich bezighield met clandestien slachten is al te lezen in een Amsterdams politierapport d.d. 16 januari 1941. Maar waar hij er toen nog vanaf kwam met de inbeslagname van 39 kippen wachtte hem enkele jaren later blijkbaar een zwaardere straf. Dat gold ook voor Rinus’ acht jaar oudere broer Bertus, een Oostzaanse schillenboer die zich eveneens met illegaal slachten bezighield. Bertus Kuijt stierf op 27 januari 1943 in concentratiekamp Vught. 

Dag-/nachtrapport politie Amsterdam, 16-1-1941 (Stadsarchief Amsterdam)

Cornelis Vonk was een zwager van Bertus en Rinus Kuijt. Ook een andere broer, Jan Kuijt, zou zijn gearresteerd door burgemeester De Bree, in samenwerking met marechaussee Brandjes. En ook hij kwam, via kamp Amersfoort, in Vught terecht. Begin 1943 herkregen Cornelis Vonk en Jan Kuijt hun vrijheid.

Pieter Saaf

Rinus Kuijt was toen dus nog niet opgepakt. Dat gebeurde pas in de lente van 1943, samen met poelier Jan Middendorp en fotograaf Pieter Saaf (die gehuwd was met Middendorps zuster). Van Saaf (1907) is bekend dat hij een actieve NSB’er was. Hetzelfde gold voor zijn broer en moeder. Zou die loyale houding tegenover de bezetter er de oorzaak van zijn dat Jan Middendorp en Rinus Kuijt niet in een concentratiekamp of -Kuijt- voor het vuurpeloton belandden? Wie het weet mag het zeggen, via info@schaapschrijft.nl.

De voormalige Oostfrontstrijder/SS’er/NSB’er Johannes de Bree stierf overigens wel door een kogel. Twee maanden nadat hij Kuijt, Saaf en Middendorp oppakte, schoot hij zichzelf op het Oostzaanse Kerkplein door het hoofd. Zijn vrouw was er een maand tevoren met een huisvriend vandoor gegaan en dat was te veel voor de collaborerende burgemeester.

Burgemeester De Bree in 1942

(Met dank aan Joop Giesendanner)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De hechte verzetsbanden tussen Urk en de Zaanstreek

Tijdens de oorlog liepen er heel wat verzetslijntjes tussen het gereformeerde vissersdorp Urk en de ‘rode’ Zaanstreek. Toeval?

De oplettende beschouwer van het digitale Joods Monument Zaanstreek zag het wellicht: de gemeente Urk wordt daar meermalen genoemd. Op de site urkinoorlogstijd.nl is het omgekeerde zichtbaar: daar duikt met enige regelmaat de Zaanstreek op. Waar komt die band tussen twee toch bepaald niet gelijkgeaarde gebieden vandaan?

De eerste Zaans-Urkse verknoping in oorlogstijd wordt zichtbaar op 12 mei 1940. Het is de derde dag dat de Nederlandse krijgsmacht weerstand biedt aan de nazistische overweldigers. De Urker vissersvloot krijgt deze Pinksterzondag de opdracht om het IJsselmeer over te steken en voor anker te gaan in het Noordzeekanaal tussen Zaandam en Amsterdam. Op die manier, zo denkt de Nederlandse legerleiding, kan worden voorkomen dat er Duitse watervliegtuigen landen nabij de Amsterdamse haven. De schepen liggen er nog als op 14 mei de bemanning van een Britse torpedojager de aan het kanaal gelegen Petroleumhaven grotendeels verwoest en zo voorkomt dat de daar opgeslagen olievoorraad in vijandige handen valt. De Urker boten lopen geen averij op. Na de capitulatie van de Nederlandse krijgsmacht kunnen de schippers hun bezit ophalen bij de Amsterdamse visafslag en terugvaren naar de thuisbasis.

14 mei 1940. Urkers botters op het Noordzeekanaal. Links pakhuis De Vrede in de Zaandamse Achtersluispolder, rechts de in brand gestoken Petroleumhaven in Amsterdam.

Dat de Urker vissersvloot in de meidagen van 1940 aan de grens van Zaandam dobberde, was een toevallige samenloop van omstandigheden. Dat geldt minder voor latere gebeurtenissen. (Oud-)inwoners van het tijdens de oorlog slechts 4500 inwoners tellende Urk -toen nog onderdeel van Noord-Holland- duiken meermalen op in Zaanse verzetsverhalen. In veel gevallen kenden en hielpen ze elkaar.

Joodse onderduikers

De verhalen over een aantal joodse onderduikers in de Zaanstreek geven enig inzicht in de banden met het vissersdorp aan het IJsselmeer. Zo verborg de in Urk geboren Grietje Diepersloot-Romkes samen met haar echtgenoot meerdere joden in haar Zaandijker woning. Zowel het Amsterdamse echtpaar Leefsma en hun dochter Jos als hun jonge plaatsgenoot Robbie Kleemann vonden er gastvrijheid. Pieter ten Napel uit Urk bracht Jacob Kropveld onder bij zijn broer Hendricus, die in Wormerveer woonde. Het drie leden tellende gezin Van Moppes kreeg langdurig onderdak bij diverse leden van de in Urk geboren en getogen, maar inmiddels eveneens in Wormerveer wonende familie Kramer.

De Wormerveerders Miena (1884) en Klaas Kramer (1880) in Urker outfit (K. Kramer)

De naam Kramer komen we ook elders tegen. In Zaandijk woonde de voormalige Urkse Annetje Koomen-Kramer. Samen met haar man gaf ze in Zaandijk ruim anderhalf jaar onderdak aan Leo Querido. En dan was er ook nog Rachel Lewin. Zij werd in februari 1944 van haar Zaanse onderduikadres overgebracht naar Urk, door de daar wonende Harmen Kramer. Al die (gereformeerde) verzetsstrijders -ze hielpen vaak ook nog niet-joodse vluchtelingen- waren ongetwijfeld familieleden van elkaar.

Harm Gerssen

Het bleef niet bij het huisvesten van opgejaagden alleen. De eerder genoemde Urker Harmen Kramer was familie van de Koogse visboer Harm Gerssen (1912). Ook die groeide op in Urk, maar als jongeling verhuisde hij naar de Zaanstreek. Hij maakte sinds 1943 deel uit van de ‘wilde’ verzetsgroep Koog-Bloemwijk. Die pleegde overvallen, deed pogingen om collaborateurs te liquideren en roofde bonkaarten en persoonsbewijzen uit overheidsgebouwen. In het najaar van 1943 haalden enkele groepsleden neergekomen geallieerde vliegers op uit onder meer Urk en Kampen. Bij die laatste actie lijkt Gerssen de spil te zijn geweest. Hij stond ook in nauw contact met de Zaandijkse politieman Joop Keijzer. Die, op zijn beurt, leidde de hulp aan joodse onderduikers in zijn directe omgeving. Van wie er dus enkele terechtkwamen bij de bovengenoemde helpers.

Harm Gerssen

Er liep dus een lijntje tussen de familie Kramer en Harm Gerssens verzetsgroep Koog-Bloemwijk. Een tweede lijntje is zichtbaar bij de familie Ten Napel. Zoals gezegd kreeg de joodse Amsterdammer Jacob Kropveld in Wormerveer onderdak bij Hendricus ten Napel (Urk, 1895). Dat er in Wormerveer een bijna-naamgenoot woonde, Hendrikus ten Napel (1923), zal ook geen toeval zijn geweest. Om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen, dook Hendrikus onder bij familie in Urk. In augustus 1944 werd hij daar gearresteerd en via kamp Amersfoort gedeporteerd. Hij stierf op 27 november 1944 in gevangenschap.

Een ander waarschijnlijk familieverband betrof Jacob Kropveld. Het enige joodse gezin in Urk had dezelfde achternaam. Hun dorpsgenoot Jan Mars bood hen een onderduikplek aan in de Zaanstreek, in een schuur van een oom. Israel Kropveld bedankte echter voor het aanbod. Hij, zijn vrouw Hendrika en hun dochter Lea werden in 1943 in Sobibor vermoord.

Doodstijdingen

De doodstijdingen bleven niet beperkt tot de familie Kropveld en Hendrikus ten Napel. Harm Gerssen (wiens oma ook een Ten Napel was) werd in januari 1944 als gevolg van verraad opgepakt en een maand later ter dood veroordeeld. De in Krommenie wonende, maar 22 jaar eerder in Urk geboren Klaas van Veen, werd gearresteerd als deelnemer aan de April-meistaking bij de blikfabriek in zijn woonplaats. Hij stierf op 13 juli 1944 in Dachau.

Er was in het concentratiekamp nog een sterfgeval met een Zaans-Urkse achtergrond. Jacob Willemszoon kwam op 15 februari 1894 ter wereld in Urk. Medio jaren twintig verruilde hij de visserij voor een Zaanse fabriek. Hij verhuisde hij met zijn eveneens Urker echtgenote naar Zaandam. Daar raakte hij tijdens de bezetting betrokken bij het communistisch verzet; een flinke overstap voor de van huis uit gereformeerde ‘Jakke’ Willemszoon. In zijn conservatieve geboortedorp liep hij dan ook niet te koop met zijn politieke voorkeur. Hij bezorgde in Zaandam onder meer illegale blaadjes. Eind november 1943 werden Jacob Willemszoon en tientallen andere communisten verraden door hun wraakzuchtige Zaandamse partijgenote Franci de Munck-Siffels. Via verschillende andere kampen belandde Willemszoon in Neuengamme, waar hij in januari 1945 het leven liet.

Jacob Willemszoon

Sterke band

Er zijn twee belangrijke redenen voor de sterke band tussen de Zaanstreek en Urk. De eerste betreft de armoede in het vissersdorp aan het begin van de twintigste eeuw. Veel Urkers solliciteerden daarom bij de opkomende industrieën aan de Zaan. Sommigen zouden nooit meer terugkeren naar hun geboortegrond.

De tweede reden had eveneens te maken met de Zaanse werkgelegenheid. Op 8 april 1929 brak er in Zaandam een houtwerkersstaking uit. De getroffen werkgevers ronselden werkwillige arbeiders in streng-christelijke plaatsen als Urk en Harlingen. Een deel van deze stakingsbrekers, ‘ballen gehakt’ in de Zaanse volksmond, bleef na de in oktober 1929 verlopen werkweigering achter in de Zaanstreek.

Dat Klaas van Veen, vermoedelijk de zoon van zo’n stakingsbreker, vijftien jaar later als gevolg van zijn deelname aan een staking het leven liet, kan als een cynische speling van het lot worden beschouwd. Wellicht belandde via de houtwerkersstaking ook Harm Gerssen in de Zaanstreek (de archieven geven hierover nog geen openheid van zaken). Jacob Willemszoon woonde voor deze werkonderbreking al drie of vier jaar in Zaandam en had dus een andere achtergrond. Een aantal van de meestal zo gezagsgetrouwe Urkers gooide, zo bewijst ook de hulp aan onderduikers, tussen 1940 en 1945 de kont tegen de krib. Ze zagen de nazistiche machthebbers niet als het wettig gezag, maar bleven achter het uitgeweken huis van Oranje staan. Principieel als ze waren, bleef er daarom maar één optie over: verzet.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Gevlucht. Zaandam/Westerbork/Koog-Zaandijk

Elders op deze website is te lezen dat tussen juli 1942 en april 1945 rond de driehonderd joodse gevangenen uit kamp Westerbork wisten te ontsnappen. Bij zes van hen was er sprake van een Zaanse link.

Jacques Presser en Loe de Jong hielden het er op dat van de ruim 100.000 joden die in het Durchgangslager Westerbork werden opgesloten er 210 in slaagden om te vluchten. Later onderzoek wees uit dat ruim driehonderd vluchtelingen dichter bij de realiteit kwam. Hoeveel het er precies waren, zal nooit helemaal duidelijk worden. Vast staat wel dat tussen 1 juli 1942, toen Westerbork een doorvoerkamp werd, en de plaatselijke bevrijding, op 12 april 1945, in ieder geval zes joodse gevangenen wisten te ontsnappen die aan de Zaanstreek kunnen worden gelinkt. Vijf van hen woonden daar tot hun gedwongen vertrek in 1942. Eén man kon na zijn vlucht uit het kamp onderduiken in Koog-Zaandijk. En dan was er ook nog een Zaandammer die kort na zijn deportatie uit Westerbork uit de deportatietrein ontsnapte. Hieronder hun ervaringen, in chronologische volgorde.

7 juli 1942: Nandor, Elsa en Dorrit Pollak

Vader, moeder en hun negentienjarige dochter Dorrit Polak waren op 2 februari 1942 van Zaandam naar kamp Westerbork vertrokken. Als gevolg van ziekte gaf dit Slowaaks-Oostenrijkse echtpaar twee weken later dan de andere buitenlandse joden in die gemeente gehoor aan het bevel om naar Drenthe te vertrekken. Op 27 juni van dat jaar stuurde de Rijksrecherchecentrale in Den Haag een brief naar de commandant van Westerbork. Daarin stond dat er geen bezwaar was ‘aan den oproep van den Joodsche Raad om op 1 Juni 1942 naar Amsterdam te komen gevolg [te] geven’. De oproep gold een aantal Westerbork-gevangenen. Tussen de ‘begunstigden’ (die dag waren dat onder anderen elf Zaanse joden) bevond zich ook het gezin Pollak. Dat greep deze kans aan om onder te duiken. Op 13 juli stuurde Westerbork-commandant Jac. Schol een brief naar de Zentralstelle in Amsterdam: “Von Transport, das am 7. Juli nach Amsterdam ging (bis 11.7) sind nicht zurückgekommen Nandor Pollak, Elsa Pollak-Goldman, Dorrit Pollak.” Vader, moeder en dochter Pollak doken onder en haalden levend het eind van de oorlog. Onbekend is waar ze tussen juli 1942 en mei 1945 verbleven. De familie Pollak had, voor zover tot nu toe bekend, een primeur. Zij waren de eersten van ruim 250 joden die zonder toestemming Durchgangslager Westerbork verlieten.    

Kaart van Dorrit Pollak uit de Joodse Raad-cartotheek

28 februari 1943: Eugen Suschny

Zaandammer Eugen Suschny (1895) belandde tot driemaal toe in Westerbork, maar wist telkenmale te ontkomen aan deportatie naar Oost-Europa. In de winter van 1943 ontsnapte hij uit het kamp en bleef drie maanden op relatief vrije voeten. Hij werd daarna opmerkelijk genoeg niet onmiddellijk, zoals meestal gebruikelijk was, voor straf naar een concentratie- of vernietigingskamp gestuurd. Dat betekende zijn redding.

Eugen Suschny woonde al sinds 1920 in Zaandam. Hij werd daar ingeschreven als ‘Oostenrijker, zonder religie en meubelfabrikant’. Van 1925 tot en met 1942 was zijn adres de Ooievaarstraat 43 in Zaandam. Op 19 januari 1942 werd hij ingeschreven in kamp Westerbork. Hij werd vanuit zijn woonplaats naar Drenthe verbannen, net als de meeste andere Zaandamse joden van buitenlandse komaf. De Nederlandse joden kregen nog even uitstel van een transport naar Westerbork. Zij werden aanvankelijk in grote meerderheid samengedreven in het Amsterdamse Judenviertel, het voorportaal van Westerbork.

Zijn vroege komst naar het kamp betekende dat Suschny een plek kreeg op de Stammliste. Op die schijnbaar beschermende lijst stonden de geïnterneerden die voor 1 juli 1942 in kamp Westerbork kwamen, met name buitenlandse joden. Het betekende uitstel, maar uiteindelijk voor bijna niemand afstel van deportatie. Eugen Suschny beheerste het Nederlands en was handelaar. Wellicht werd hij daarom ingezet als inkoper. Dat gaf hem de mogelijkheid tot reizen en om bij bedrijven bestellingen te plaatsen ten bate van kamp Westerbork. Misschien dat de Zaandammer tijdens één van die dienstreizen is ontsnapt.

Zowel in de kampadministratie als op een kaart van de Joodse Raad is te lezen dat Suschny op ’18-2-43 vermist’ werd. Hij moet op of kort voor die datum de benen hebben genomen. Een nieuwe aantekening maakt duidelijk dat hij op ’29-5-43 weer in Westerbork’ was. Hij was opgepakt in de Amsterdamse Deurloostraat, waar hij sinds 19 mei ingeschreven stond op nummer 120 II.

Suschny ontliep de deportaties. Met behulp van medewerkers van de Antragstelle (die bemiddelde bij het verkrijgen van een transportvrijstelling) overtuigde hij de kampleiding ervan dat hij een Mischling was, een kind van een joods en een niet-joods persoon. Hij wist aan een nieuwe Sperre te komen en werd zelfs in oktober 1943 uit kamp Westerbork ontslagen. Maar amper een jaar later werd hij daar voor de derde keer vastgezet. Ditmaal belandde hij zelfs in de strafbarak. Vanwege zijn (vermeende) status als kind van gemengde ouders hoefde hij toch niet mee met de deportatietrein naar een buitenlands concentratiekamp. Hij kon zelfs tot de bevrijding in Westerbork blijven, als een van de weinigen. Eind juni 1945 keerde hij terug naar de Ooievaarstraat. Op 2 januari 1973 overleed Eugen Suschny in Zaandam.

Kaart van Eugen Suschny uit cartotheek Joodse Raad. “18-2-43 vermist”

29 mei 1943: Iris Harriët Eisendrath

Aan de ontsnapping van Iris Harriët Eisendrath (1915), die tot haar gedwongen vertrek met haar familie in de Zaandamse Bootenmakersstraat woonde, wijdde ik een hoofdstuk in mijn boek Eisendrath, een verzonken familie (1845-1945). Dat neem ik hier onverkort over. Iris’ ontsnapping uit het Durchgangslager betekende overigens alleen uitstel. Enkele maanden later werd ze als gevolg van verraad opnieuw gearresteerd. Een tweede vluchtpoging uit Westerbork, ditmaal met haar eveneens opgepakte zus Leonie (‘Lidy’), mislukte. Op 3 september 1943 werden beide zussen in Auschwitz vergast.

Het is een wat vreemde dag in Westerbork. Niet omdat de kampcommandant een jood trapt die zijn achterwerk naar hem heeft gericht. Eerbied moet er zijn en ook al heeft de man zich alleen maar afgedraaid opdat hij goederen kan laden, zulk wangedrag mag niet ongestraft blijven. Aan die schop is dus niets vreemds. Evenmin merkwaardig is de oekaze van diezelfde commandant dat zijn gevangenen vanaf heden gedurende werktijd niet meer midden op de hoofdweg, de Boulevard des Misères, mogen wandelen. De zijkant is voor hen goed genoeg. Het bijzondere zit hem ook al niet in de aankomst van 354 nieuwe ‘gasten’ uit Amsterdam. Er is bijna dagelijks verse aanvoer en deze kunnen nog wel worden toegevoegd aan de ruim elfduizend die hier al logeren. Afwijkend is wel de opsluiting van drie ariërs in de strafbarak. Ze worden voorzien van een ster op hun kleding en een band om hun arm met daarop een niet te missen ‘S’. Het trio is even eerder in het kamp doorgedrongen om één hunner echtgenotes een pakje te bezorgen. Eén ongewenste bezoeker had nota bene een NSB-speldje op. Nu ze zijn betrapt, lopen ook deze ‘jodenvrienden’ het risico van een transport oostwaarts.

Het trio past nog in barak 67, want – ook dat is apart – er zijn deze 29ste mei twee personen uit Westerbork gevlucht. Hoe ze dat voor elkaar kregen weet niemand, maar vrijwillig terugkomen doen ze niet. Onverwacht zijn er dus plekken beschikbaar in het gevangenisdeel waar normaal alleen joden met een overmaat aan vrijheidsdrang zitten, in afwachting van hun versnelde deportatie.

“Vlak achter het prikkeldraad van het kamp bloeien statig de paarse lupinen”, legt een Westerborker begin juni in zijn dagboek vast. “Tussen de lupinen verheffen zich om de paar honderd meter de torens, waar marechaussees met de barse helm op de rode, boerse kop en de angstwekkende karabijn binnen het bereik van de hand de wacht houden om ontvluchting te voorkomen. Langs het draad patrouilleren marechaussees met de karabijn aan de forse schouder. Ook de lupinen staan onder strenge bewaking.” Op hetzelfde moment schrijft in Amsterdam een jonge joodse vrouw op een velletje briefpapier dat ‘duiken’ niet meevalt. “Als je je altijd moet verbergen word je ook gek, maar toch geloof ik dat ik dat nog verkiezen zou, want ik geloof dat Polen voor de meesten absoluut het einde is. Als je alleen maar hoort hoe de mensen van Westerbork worden vervoerd naar Polen, dan houd je niet veel illusies meer over.”

De angst voor de bewaking, het prikkeldraad, de wachttorens en de karabijnen weerhouden Iris Eisendrath en haar stadgenoot Gottfried Cosman er niet van om te kiezen voor de gekmakende onderduik. Het duurt even tot hun ontsnapping, een zeldzaamheid in kamp Westerbork, wordt opgemerkt. Pas de volgende middag zendt de detachementscommandant een opsporingstelex naar de politie waarin hij Cosmans vermissing meldt. “Opsporingsmaatregelen zijn getroffen.” Er gaat nog een nacht overheen voordat ook Iris op de telex verschijnt. Buitenstaanders schrijven haar naam zelden correct. Meestal verwisselen ze de laatste twee letters van haar familienaam, soms krijgt haar tweede voornaam een verrassende wending. Maar zo verbasterd als dit keer is een unicum. “Op 29-5-1943 te plm. 22.00 uur is uit het jodenkamp te Westerbork ontvlucht de jodin: Iris Harrjet Eundrach.” Tegen de tijd dat de politie deze naampuzzel weet te ontcijferen, heeft Iris allang weer een veilig dak boven haar hoofd.

Naar Amsterdam kan ze niet terug. Het gevaar is daar te groot. Ze belandt in Utrecht, waar onder anderen een oom en tante wonen. Haar zusters vriend Gerbrand de Jong, die zijn economiestudie heeft afgebroken omdat hij de verplichte loyaliteitsverklaring niet wil tekenen, is bovendien in Utrecht directeur geworden van de gaarkeuken. Ze heeft dus de nodige vertrouwelingen binnen handbereik. Voorzichtiger dan ooit hervat ze haar ondergrondse bestaan.

Gottfried Cosman heeft minder fortuin. Hij wordt opgespoord en nogmaals naar Westerbork gevoerd. Twee weken na zijn geslaagde uitbraak sterft hij in de gaskamer van Sobibor.

Iris Eisendrath (rechts) met wat vriendinnen (M. van der Horst)

17 juli 1943: Isaac Mouwes

De meeste ontsnappingen uit kamp Westerbork vonden plaats in 1943, en dat gold behalve voor Eugen Suschny en Iris Eisendrath ook voor Isaac Mouwes (1905). In de maanden voordat deze Amsterdamse winkelier naar Westerbork werd gedeporteerd, probeerde de Zaandamse verzetsman Piet Bosboom hem er meermalen tevergeefs van te overtuigen om onder te duiken. Toen Mouwes in het voorjaar van 1943 alsnog in Westerbork belandde, was het te laat.

Na 3,5 maand kwam hij weer vrij. Over zijn ontsnapping in de zomer van 1943 en de navolgende periode zweeg hij na de oorlog meestentijds. Maar in het Nieuw Israelietisch Weekblad van 5 mei 1978 lichtte hij desgevraagd een tipje op van de sluier: “‘Die mensonterende toestanden daar sterkten mij in de wetenschap dat ik wat moest gaan doen. Zeker toen ik het geluk had er uit te komen’, zegt hij, het ontslagbriefje tonend dat hij via via heeft weten te bemachtigen.” Mouwes werkte bij de postdienst van het kamp. In die hoedanigheid wist hij een ontslagbriefje te regelen waarmee hij langs de kampwacht naar buiten kon komen. Piet Bosboom zorgde er vervolgens voor dat hij enkele dagen kon onderduiken op een onbekend adres in Koog aan de Zaan of Zaandijk. Isaac Mouwes, een orthodoxe jood, zou zich nadien inzetten voor het ondergrondse christelijke blad Trouw en heelhuids de bevrijding halen.

Hij hervatte in 1946 zijn winkel in koshere levensmiddelen, dit keer in de Utrechtsestraat. Eerder zat zijn, tijdens de oorlog onteigende, winkel in de Jodenbreestraat. Isaac Mouwes overleed in 1979.

Ontslagbriefje van Isaac Mouwes (B. Mouwes)

3 september 1944: Samuel de Lange

Er ontsnapte overigens nog een Zaandammer, zij het niet uit Westerbork, maar kort na zijn deportatie. Samuel de Lange (1906) wist op 3 september 1944 te ontkomen uit de trein die hem van het doorgangskamp naar Auschwitz reed.

Accountant De Lange woonde sinds 1941 met zijn niet-joodse echtgenote in de Saenredamstraat 41. Als ‘gemengd gehuwde’ werd hij op 29 februari 1944 opgeroepen om dwangarbeid te verrichten op vliegveld Havelte, bij Meppel. De Lange was niet van plan om voor de Duitsers te werken. Hij dook onder in Amsterdam. Als gevolg van verraad belandde hij in gevangenschap. Hij werd als strafgeval naar kamp Westerbork gebracht, waar hij op 6 april aankwam. Waarschijnlijk dankzij zijn huwelijk met een niet-joodse vrouw werd de Zaandammer niet onmiddellijk doorgestuurd naar een concentratiekamp. Maar op 3 september 1944 was er ook voor hem geen ontkomen meer aan.

Binnen een uur na vertrek van de deportatietrein ontsnapte Samuel de Lange. Uit het politierapport: “Op Zondag 3 September 1944 te 13.06 uur moest trein D.A. 703 komende uit de richting Meppel nabij ‘post 6’ aan de Deventerstraatweg te Zwolle voor onveilig signaal stoppen. Deze trein was een extra trein waarmede een aantal joden onder bewaking van Duitsche politie werd vervoerd van Westerbork naar Duitschland. Toen deze trein te omstreeks 13.10 uur, nadat het sein veilig was, opreed, sprong een drietal personen, behoorend tot genoemd transport, uit de rijdende trein. Deze personen kwamen echter onder de rijdende trein terecht en werden hierdoor ernstig gewond.”

De Lange, een van de gewonden, verloor zijn rechterhand onder de treinwielen en liep een zware hersenschudding op. Hij werd opgenomen in het rooms-katholieke ziekenhuis van Zwolle en op een latere datum alsnog gedeporteerd. Op 28 januari 1945 stond hij geregistreerd in kamp Gross-Rosen en op 4 februari van datzelfde jaar in Dachau. Deze laatste datum wordt beschouwd als zijn sterfdatum.

Samuel de Lange (NIOD)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Opmars en neergang van de ‘stinkende’ Zaandamse (nationaal-)socialist Jan Duijs

Een veelbelovender politicus dan Jan Duijs heeft de Zaanstreek zelden gehad, in de dubbele betekenis van het woord. De charismatische SDAP’er schetste zijn massale arbeidersachterban keer op keer in gezwollen bewoordingen een hemel op aarde. Hij klom op tot de machtigste man van Zaandam en tot Kamerlid in Den Haag. Maar zijn val was diep: hij stierf als wraakzuchtige nationaalsocialistische vrederechter. 

Zaandammer Jacobus Johannes ‘t Hoen (1931) had ooit het plan om te promoveren op politicus Jan Duijs. Verder dan dat voornemen kwam het helaas niet. ‘t Hoens onvoltooide dissertatie ligt sinds eind jaren negentig bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam. Het bestaat uit honderden vellen papier van zijn werkgever, het Zaanlands Lyceum. Op de achterzijde kun je de repetitiestof voor en zelfs de namen van de leerlingen van deze geschiedenisdocent vinden. Op de voorkant staan geschreven en getypte aantekeningen over de machtigste socialist die de Zaanstreek ooit had. ‘t Hoens inspanningen hadden moeten resulteren in een promotie aan de Universiteit van Amsterdam. Kort voor het zover kwam stierf hij, in 1988. Wellicht dat iemand het werk over de invloedrijkste Zaandammer aan het begin van de twintigste eeuw ooit afrondt. Al was het maar om de politieke draai die deze sociaal-democraat maakte nader te duiden. Hieronder een biografische schets van Jan Eliza Wilhelm Duijs. En dan met name van zijn laatste, fascistische jaren. De Unvollendete van Jaap ‘t Hoen vormt daarbij de basis.

Jacobus Johannnes ‘t Hoen in 1983 (De Zaanlander)

“Jan Duijs is voor de ontwikkeling van de Zaandamse sociaal-democratie van nauwelijks te overschatten belang geweest”, concludeert Rob Hartmans in het boek De Rode Zaan. En inderdaad, de in 1877 geboren Duijs werd in Zaandam niet alleen een onovertroffen SDAP-propagandist (1906), raadslid (1907) en de eerste sociaal-democratische wethouder van een grote gemeente (1912), maar hij schopte het ook tot Kamerlid (1909) en Statenlid (1910). Hij kreeg het voor elkaar dat de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij in 1913 de absolute meerderheid kreeg in de Zaandamse gemeenteraad en dat Klaas ter Laan daar de eerste sociaal-democratische burgemeester van Nederland werd. Tussen 1915 en 1919 had de SDAP zelfs alle collegezetels in handen, een nooit herhaald unicum. De verdiensten van Duijs voor de ontluikende Zaanse sociaal-democratie kunnen niet genoeg op waarde worden geschat.

Jan Duijs spreekt rond 1914 op het Boschjespad in Koog aan de Zaan (Gemeentearchief Zaanstad)

Om zover te komen schuwde de hardwerkende politicus weinig middelen. Hij was een geestig en slagvaardig debater, tegen wie niemand op kon. Dat hij zichzelf daarbij nogal eens verloor in tegenstrijdigheden en opmerkingen onder de gordel deed zijn populariteit geen kwaad. Zijn populistische redevoeringen gingen er bij zijn soms honderden toehoorders in als Gods woord in een ouderling.

Zijn politieke tegenstanders waren minder enthousiast, en zelfs een enkele partijgenoot moest niets hebben van zijn bijtende interrupties en ‘stinkende insinuaties’ (Maurits Mendels). SDAP-pionier Willem Vliegen prees Duijs’ ‘geweldige feitenmateriaal’ en zijn ‘kostelijke slagvaardigheid, die natuurlijke geestigheid, die vooral in debat hem tot zo’n gevreesde tegenstander maken’. Maar, voegde Vliegen daar aan toe, ‘voor een wegwijzer bij de oplossing van politieke problemen wordt hij zeker niet aangezien.’

Het Zaandamse College van B&W met uiterst rechts Jan Duijs, 20-9-1914 (Gemeentearchief Zaanstad)

Talrijk zijn de anekdotes die over Jan Duijs rondgingen. Het raadslid dat in het dagelijks leven vroeg op moest om zijn werk als notaris te kunnen doen en daarom voorstelde om de uitlopende vergadering af te breken, ontving van Duijs een snijdende repliek: “Ik wist dat notarissen de mensen soms uitkleedden, maar niet dat ze ze ook naar bed brachten.”
Duijs las eens de notulen van eerdere raadsvergaderingen voor, om een opponent op diens tegenstrijdige verhalen te wijzen. Punt was alleen dat hij diens vermeende uitspraken ter plekke verzon. Een andere politieke opponent kreeg van Duijs te horen: “Zo, die meneer Mooij zal dus Zaandam redden. Nu ken ik hem wel. Wij zitten samen in de Provinciale Staten. Daar heb ik hem tweemaal gehoord. Een keer moest hij hoesten en de andere keer liet hij een potloodje vallen.” Het zijn enkele voorbeelden uit vele die Duijs’ straatvechtersmentaliteit tonen.

Royement

Tekening van Albert Hahn in De Notenkraker (28-12-1912): ‘Liberaal: “‘t is uw schuld dat hij daar zit!” Klerikaal: “Nee, ‘t is uw schuld dat hij daar zit.” Duijs: “Hij zit er.”‘

Hoewel Jan Duijs het 11 jaar als wethouder en 28 jaar als Kamerlid volhield, zag zijn partij hem eerder als stemmentrekker en uiterst populair propagandist dan als strategisch zwaargewicht. Toch kreeg hij soms iets voor elkaar binnen de sterk verzuilde Tweede Kamer. Zo zorgde hij er in 1913 met een amendement voor dat 70.000 bejaarden voor het eerst een kleine staatsuitkering ontvingen. Hij zou ook zijn zin krijgen met een aantal punten die hij in 1933 opschreef in zijn brochure Ter Oriëntering. Daarin betoogde hij dat de SDAP niet alleen de arbeidersbelangen moest dienen, zich moest uitspreken voor het koningshuis en de democratie en tegen het communisme, en diende te onderzoeken of eenzijdige ontwapening wel zo’n goed idee was. Die punten nam de partij vier jaar later allemaal over, maar toen was Duijs al geen lid meer. Hem werd verweten dat hij zijn kritiek eerst binnenskamers had moeten bespreken. Ook een vraaggesprek over zijn brochure met de anti-socialistenkrant De Telegraaf werd hem niet in dank afgenomen. De onderlinge verstandhouding raakte uiteindelijk dermate vertroebeld dat de SDAP het Kamerlid in 1935 royeerde als lid.

Tekening van Albert Hahn in De Notenkraker (22-2-1913): ‘De strijd om den ouden arbeider: Duijs verdedigt den ouden arbeider tegen de krijschende klerikale bende.’

Een jaar later schreef hij een met antisemitisme doorspekte brochure waarin hij opkwam voor de rechten van NSB’ers. Het pamflet kreeg een ereplaats bij de NSB-propagandawinkel in de Kalverstraat. Die steun ten spijt sloot Duijs zich niet aan bij de partij van Anton Mussert. Nog niet. Eigenzinnig als hij was richtte hij met Marius Dirk Dijt (een voormalig redacteur van het conservatieve tijdschrift De Waag) en oud-NSB’er Gerrit van Duyl de tegen het fascisme leunende Nederlandsche Volkspartij op. De beweging van de drie D’s werd geen succes en in oktober 1939 fuseerde de NVP met het nationaalsocialistische Verdinaso. Op dat moment had Duijs al de overstap gemaakt naar de Nationaal-Socialistische Beweging. In ‘t Hoens proefschrift-in-wording kunnen we lezen hoe het afliep met de ooit zo populaire volksvertegenwoordiger.

NSB-aanbevelingsbrief, 8 september (in NSB-taal ‘Herfstmaand’) 1941 (IISG, Collectie J.J. ‘t Hoen)

Al sinds zijn breuk met de SDAP toonde de NSB waardering voor het -toen nog- Kamerlid. Zijn in 1936 verschenen brochure Democraten op fascistenjacht werd instemmend besproken in de NSB-krant Volk en Vaderland: “Hopelijk wordt deze studie van mr. Duijs afzonderlijk verkrijgbaar gesteld. Zij bevat zooveel overtuigend materiaal en geeft een zoo scherpen kijk op het wezen van het marxisme, dat kennisneming voor elken volksgenoot aan te bevelen is.” Anton Mussert zocht Duijs in 1937 zelfs op in diens nieuwe woonplaats Lochem.

Germaansche ras

Jan Duijs was toen, na bijna drie decennia, Kamerlid af. Hij werd in zijn woonplaats hoofdredacteur van de Lochemse Courant. In die hoedanigheid schreef hij in januari 1941: “Ons volk is van Germaanschen bloede. De toekomst van het Germaansche ras is ook de toekomst van ons volk. De problemen die 1941 nog moge brengen, zullen, laat ieder zich daarvan goed doordringen, ook voor ons land niet anders dan in lotsverbondenheid met den grooten Germaanschen stam kunnen worden opgelost.”
In een eerdere briefwisseling met een andere oud-Zaandammer, de eveneens tot het nazisme bekeerde voormalige VARA-programmeleider Gerrit Jan Zwertbroek, stak Duijs zijn enthousiasme voor de NSB niet onder stoelen of banken: “Heb je Rost van Tonningen voor de radio gehoord? Daar is toch door een Socialist als jij of ik geen speld tusschen te krijgen? (…) Voorloopig kunnen de oude SDAP-leidertjes nog probeeren te saboteeren. Spoedig zullen ze bemerken dat de arbeiders in het Nationaal-Socialisme vertrouwen krijgen, evenals de jeugd. En je zult eens wat zien als straks het groote werk kan beginnen.”

Gemier

In Zwertbroeks pleidooi om de Nederlandse fascistische organisaties vrijwillig te laten fuseren zag Duijs niets. “Dan kan de duvel ook wel met Onzen Lieven Heer gaan”, antwoordde hij op 22 september 1940. “Men is Nationaal-Socialist of men is het niet. Al dat gemier in nieuwe beweginkjes zonder de NSB heb ik steeds met groote gelatenheid aangezien. In wereldrevolutionaire tijden als deze is al dat gecompromisel uit den boze.”

Het was een houding die de NSB wel aanstond. In augustus 1941 droeg de secretaris-generaal van het departement van Justitie Duijs voor als ‘rechter tevens vrederechter in de Arrondissementsrechtbank te Arnhem’. Duijs was niet alleen politicus, maar ook meester in de rechten en volgens de NSB dus geknipt voor deze functie. Als vrederechter zou hij onder meer de voormalige socialistische kameraden moeten bestraffen die in opstand kwamen tegen de Nieuwe Orde. In de aanbevelingsbrief werd vermeld dat Duijs ‘een trouw lid van de Beweging [is], die den nieuwen tijd begrijpt en gaarne al zijn krachten inspant om de komst van het Nationaal-Socialisme in ons land te bevorderen’.

Hersentumor

Nieuwsblad van Friesland, 17-9-1941

Probleem was dat juist rond die tijd ‘al zijn krachten’ Duijs in de steek lieten. Begin september 1941 openbaarde zich bij hem een ernstige aandoening. Zijn vrouw en hij reisden voor een behandeling naar Amsterdam, waar ze hun intrek namen in het American Hotel bij het Leidseplein. Duijs bleek een hersentumor te hebben. Een operatie bood geen soelaas. Kort daarna, op 16 september 1941, stierf hij. Drie dagen later werd hij, gadegeslagen door een kleine groep vrienden, bijgezet in het graf waar ook zijn kind lag, op de Algemene begraafplaats in Den Haag. Duijs’ echtgenote hing nadien ter herinnering aan de overledene een ingelijste spreuk boven haar bureau: “Beter een leven vol strijd dan een leven zonder idealen.”

Het nazistische college van B&W in Zaandam koos voor een ander eerbetoon. De Herman Heijermansstraat, vernoemd naar een joodse schrijver, veranderde in september 1942 in Jan Duijsstraat. Die aanpassing hield stand tot de bevrijding van Nederland. Nadien zou niemand het nog in zijn of haar hoofd halen om de ver afgezakte (nationaal-)socialistische politicus op een voetstuk te plaatsen, hoe klein ook.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De moord op advocaat Theo Eskens (1906-1944)

Dat Theo Eskens amper een rol speelt in de Zaanse oorlogsliteratuur is zowel begrijpelijk als een omissie. In de week dat de Tweede Wereldoorlog uitbrak, verhuisde advocaat/raadslid Eskens van Zaandam naar de hoofdstad. Maar tot zijn gewelddadige dood, vijf jaar later, bleef deze verzetsstrijder verbonden met zijn oude woonplaats.

Theodorus Johannes Eskens komt op 14 december 1906 ter wereld in Amsterdam, als zoon van een ‘agent voor buitenlandse huizen’ (oftewel vertegenwoordiger) en een huisvrouw. Na zijn lagere en de handelsschool begint hij een rechtenstudie. Theo is dan al politiek geëngageerd; hij sluit zich onder meer aan bij de Sociaal-Democratische Studieclub. In dienst hoeft hij niet. Na een aantal keren uitstel van opkomst te hebben gekregen, volgt er afstel; hij wordt ongeschikt geacht voor het leger.
Op zijn 26-ste huwt hij Hendrika Jacoba Wilhelmina (‘Henny’) Krabbé (1905-2005), een tante van de latere schrijver Tim Krabbé en de acteur Jeroen Krabbé. Het prille stel verhuist in 1933 van Amsterdam naar Zaandam. “Burcht-Apotheek, Zaandam, Zuiddijk 38. Eigenaar: H.J.W. Krabbé is onder huwelijksche voorwaarden gehuwd met Th. Joh. Eskens”, meldt het plaatselijk dagblad op 3 november van dat jaar. “Zaak door haar als openbare koopvrouw voortgezet.” De apotheek bestaat nog altijd, en ook nog steeds onder dezelfde naam en op dezelfde plek.

Henny Krabbé, in 1921 geschilderd door haar vader.

Het echtpaar betrekt in mei 1936 om de hoek een ruimere woning, aan de Schubertstraat 2. De nog maar 29 jaar oude Theo Eskens is dan, naast zijn werk als advocaat en als adviseur van het Bureau voor Arbeidsrecht in Zaandam, al een klein jaar gemeenteraadslid voor de SDAP. Hij voert onder meer het woord over zijn specialisme, juridische zaken. Hoewel de spreektijd in de raad beperkt is en hij die ook nog eens moet delen met de andere leden van verreweg de grootste fractie krijgt hij alle ruimte voor zijn bijdragen. Met Eskens heeft de sociaal-democratische partij een gewaardeerde en bevlogen volksvertegenwoordiger aan zich weten te binden.

Echtscheiding

Theo en Henny lijken hun zaken op de rails te hebben. De toekomst ligt open. En toch gaat het mis. Het huwelijk strandt. “Bij vonnis der Arrondissementsrechtbank te Haarlem dd. 1 Augustus 1939, tussen mevr. Hendrika Jacoba Wilhelmina Krabbé, wonende te Zaandam, als eiseres, en mr. Theodorus Johannes Eskens, advocaat en procureur, wonende te Zaandam, als gedaagde, bij verstek gewezen, is uitgesproken de echtscheiding der partijen”, bericht De Staatscourant.
Begin april 1939 is in de Zaandamse raad al een brief voorgelezen waarin Eskens verklaart geen nieuwe kandidatuur voor de gemeenteraad te aanvaarden, ‘in verband met het bij hem bestaande voornemen zich in Amsterdam te vestigen’. Dat is merkwaardig. Nog geen anderhalve maand eerder is de SDAP-kandidatenlijst geopenbaard. Daarop bezet Theo Eskens een vijfde plaats. Dat is misschien lager dan gehoopt, maar desondanks een garantie voor een nieuwe termijn: de SDAP heeft (en houdt in 1939) negen zetels. Blijkbaar is er dan al een echtscheiding in aantocht. De timing is des te opvallender, omdat Henny rond die tijd ontdekt dat ze zwanger is. Afgaand op de tekst in De Staatscourant lijkt het er op dat Henny het initiatief heeft genomen om een punt achter de relatie te zetten. Ze zal als alleenstaande moeder de oorlog ingaan.
Theo Eskens wordt per 31 augustus 1939 ingeschreven op het adres van Johan (Jo) Jacob Voskuil (1897-1972). Deze communistische kunstenaar en latere verzetsstrijder heeft op het Frederiksplein 46 zijn atelier. Het is een bijzondere datum. Niet alleen omdat Duitsland hetzelfde etmaal Polen binnenvalt en Adolf Hitler daarmee de Tweede Wereldoorlog in gang zet, maar ook omdat op die donderdag in Zaandam zijn dochter Karin (1939-2016) -tevens het enige kind van Henny en Theo- geboren wordt.

Frederiksplein 46 in 1949 (Stadsarchief Amsterdam)

‘Clown en leugenaar’

De oorlogsdreiging moet Theo en Henny met angst en woede hebben vervuld. Ze hebben joodse vrienden en familieleden. En ze zijn fervent tegenstanders van het nationaalsocialistisch gedachtegoed. Het is dan ook niet toevallig dat Theo in 1938 Maurits Dekker bijstaat wanneer die zich bij de Amsterdamse rechtbank moet verantwoorden. De bekende letterkundige wordt ervan beschuldigd in een van zijn publicaties ‘het hoofd van een bevriende staat’ te hebben beledigd. Wie dat hoofd is, blijkt al uit de titel van de gewraakte brochure: Hitler, een poging tot verklaring. De aanklager acht het laakbaar dat Dekker de Führer onder anderen typeert als ‘clown’ en ‘leugenaar.’ “Het hele boekje ademt een geest van haat en minachting. Aan dergelijke boekjes hebben wij geen behoefte.” Maurits Dekker ziet dat uiteraard anders: “Mijn boekje was bedoeld als een ernstige waarschuwing en dit zal het blijven, onafhankelijk van het feit of ik daarvoor veroordeeld word of niet.”

Maurits Dekker in 1936 (Jeroen Bons, Wikipedia)

Theo Eskens verklaart in de rechtbank, met een profetische blik, dat “verdachte vreest dat door het dictatuur regiem een nieuwe wereldoorlog zal ontbranden. Hij lijdt onder de vervolging, waaraan zovelen in Duitsland bloot staan. In dit licht gezien is zijn felheid te begrijpen.” Hij vraagt om vrijspraak. Zijn verdediging is vergeefs. De rechtbank veroordeelt Maurits Dekker op 5 mei 1938 conform de eis tot honderd gulden boete of twintig dagen celstraf. De resterende exemplaren van zijn brochure worden in beslag genomen. Dekker -joods en links- moet tijdens de bezettingsjaren onderduiken, maar neemt ook deel aan het verzet. In tegenstelling tot zijn advocaat zal hij de oorlog overleven.
Dat geldt niet voor de leider van een verzetsorganisatie in Putten, wiens verdediging Theo Eskens in 1942 op zich neemt. Het is van meet af aan een kansloze zaak. De verdachte, Piet Vijge, heeft (van de Zaandamse Artillerie-Inrichtingen gesmokkelde) wapens in huis. Bij de rechters is ook bekend dat hij illegale pamfletten schrijft en aanslagen op zijn naam heeft staan. Hij krijgt dan ook de doodstraf. Het moet een diepe indruk op Theo hebben gemaakt.

Een door Jo Voskuil in 1940 gemaakt schilderij, getiteld ‘Aan Mr. Eskens’

Frederiksplein 46

Dat het inmiddels voormalige echtpaar Eskens bereid is om de daad bij het woord te voegen, blijkt wel uit hun vriendschap met George Louis Jambroes. Deze leraar aan het Zaandamse lyceum is betrokken bij een van Nederlands eerste verzetsorganisaties, het Legioen van Oud-Frontstrijders. Hij tart graag de bezetter en trekt er regelmatig met een van de Zaandamse wapenfabriek gesmokkeld pistool op uit. Henny Krabbé verbergt dat wapen plus door hem verzameld spionagemateriaal in haar apothekersmagazijn. Zij is ook degene die de vijftig meter verderop wonende Jambroes in 1941 waarschuwt wanneer ze hoort dat de autoriteiten naar hem op zoek zijn. Jambroes vlucht het land uit en zal maanden later Groot-Brittannië bereiken. Daar wordt hij klaargestoomd als geheim agent, per parachute neergelaten boven Nederland en onmiddellijk gearresteerd. George Jambroes is een slachtoffer van het Englandspiel, dat tientallen gedropte agenten het leven zal kosten. Onder wie de Zaandamse onderwijzer.

George Louis Jambroes (E.G. Jambroes)

Vanaf het begin van de bezetting is ook Theo Eskens, hoewel inmiddels naar Amsterdam verhuisd, hem van dienst. Bij zijn verhoor, na aankomst in Groot-Brittannië, verklaart George Jambroes: “Mijn eerste contact met geheime organisaties verkreeg ik door Mr. Th.J. Eskens, advocaat en procureur, Frederiksplein 46 te Amsterdam, C., die mij het adres gaf van den reserve-officier van den motordienst Nout, wonende Duivelandscheweg no. 111 te Den Haag.” Dat gebeurt al in het najaar van 1940. George Jambroes, Henny Krabbé en Theo Eskens behoren met hun acties tot de eersten in Nederland die zich tegen de nazistische dictatuur keren.

Theo Eskens in de achtertuin van zijn Amsterdamse woning, 1943 of 1944 (Verzetsmuseum Amsterdam)

Henny Krabbé beperkt zich niet tot het geven van steun aan haar bevriende buurman. Ze vangt vanaf 1942 in haar woning een acht jaar oud joods meisje op, Hanna Catharina Jacobson.
Haar ex-man doet iets soortgelijks, maar dan in het groot. Op zijn nieuwe adres, op het Frederiksplein, heet hij zo ongeveer ieder vervolgingsslachtoffer welkom. Een van hen is acteur Albert van Dalsum. Hij heeft geweigerd om lid te worden van de Kultuurkamer en pleegt lijdelijk verzet. Zijn joodse echtgenote Isidora Frederika Mogendorff (een actrice die vooral bekendheid geniet onder de artiestennaam Do Hoogland) vindt eveneens een schuilplaats bij Theo Eskens. Op 8 maart 1943 bevalt ze daar zelfs van een zoon, Jean Paul Louis Emanuel.
Na de bevalling krijgen ook haar ouders Emanuel en Eline Mogendorff een gastvrij onthaal bij de strafpleiter. Het echtpaar verbleef eerder in het Amsterdamse ziekenhuis De Joodsche Invalide. Maar omdat Do’s moeder geestelijk achteruit gaat en daardoor mensen dreigt te verraden, moet ze er snel weg. Korte tijd na hun verhuizing naar het Frederiksplein wordt de Joodsche Invalide leeggehaald en gaan de patiënten op transport. Theo Eskens regelt dat het bejaarde echtpaar Mogendorff een relatief veilige plek krijgt bij Jettie van Leesten, die in Haarlem in de Prins Mauritsstraat 22 woont. Do van Dalsum heeft eerder al bewerkstelligd dat hij haar zusters aan een onderduikadres helpt.

Albert van Dalsum en -half zichtbaar- dr. Kat, een andere onderduiker bij Theo Eskens, 1943 (Verzetsmuseum Amsterdam)

Het is een komen en gaan op het Frederiksplein. Eskens’ huishoudelijke hulp Ilse Porck legt met een camera een aantal van de vele gasten vast: het in de danswereld actieve echtpaar Kooistra-Mogroby, de joodse kinderen Loesje en Bernhard Blitz, dokter Kat, Madelein Waldorp, de achternaamloze Johnny en de verder eveneens onbekende joodse pianiste Puck. Twee dochters van schrijver/activist Jef Last, Ankie en Mieke, trekken begin 1944 eveneens bij Theo Eskens in om te zorgen voor twee joodse pianisten die bij hem ondergedoken zijn (en van wie de hiervoor genoemde Puck er ongetwijfeld één is).
Er lijkt geen einde te komen aan de gastvrijheid. En daar blijft het niet bij. Het op Voskuils en Eskens’ adres gevestigde reclamebureau Studio Forto fungeert als dekmantel voor de militaire afdeling van de spionage- en koeriersorganisatie Rolls Royce. Frederiksplein 46 groeit uit tot een verzamelpunt voor beramers van subversieve activiteiten.

Bernhard en Loesje Blitz (Verzetsmuseum Amsterdam)

Op de laatste foto die Ilse Porck van Theo Eskens maakt, staat hij op een tak van een appelboom in zijn tuin. Het is de zomer van 1944. “Ik kijk net het raam uit en de eerste en laatste keer dat Eskens tegen me heeft gelachen heeft, werd vereeuwigd”, zal Ilse Porck later schrijven. De geallieerden hebben inmiddels voet aan wal gezet in Normandië en rukken in hoog tempo op naar het noorden. De oorlog kan niet lang meer duren.

Ilse Porck, 1941 (Verzetsmuseum Amsterdam)

Dat idee c.q. die wens is ook terug te lezen in een brief die Theo Eskens op 20 juni van dat jaar naar Do’s een dag later jarige tweelingzus Ro Mogendorff stuurt. “Dat je je volgende verjaardag weer geheel vrij in een vrij land en betere maatschappij zult vieren”, wenst hij haar toe. Zijn schrijven wordt vergezeld door twee boeken, plus ‘wat lekkers dat je niet helemaal moet opdelen en de onvermijdelijke bloemen’.

Verjaardagsfelicitatie van Theo Eskens voor de ondergedoken Ro Mogendorff, 20-6-1944 (Joods Historisch Museum)

Ro en Do Mogendorff zullen de oorlog overleven, maar aan Theo Eskens’ vrijheidsdroom komt op 11 september een wreed einde. Theo’s familie plaatst op 15 september een omfloerste rouwadvertentie in enkele dagbladen. Hun zoon, vader en broer ‘overleed plotseling’, luidt het understatement. Het illegaal verschijnende Zaans Nieuws durft het een maand later wel aan om de waarheid te openbaren. “Wij willen nog vermelden dat op Maandag 11 september Mr. Th. J. Eskens door een drietal NSB’ers uit zijn huis werd gehaald en op de Zuidelijke Wandelweg in Amsterdam werd doodgeschoten. Een felle vijand der nazi’s is hier dus wederom het slachtoffer geworden van een aantal landverraders. Vooral voor vele Zaandammers zal dit een droef bericht zijn.” Het eveneens ondergronds verschijnende De Vrije Katheder weet daar nog iets aan toe te voegen: “In verband met deze en andere moorden is het vermoeden gerezen dat de SD op het ogenblik bezig is zich te ontdoen van personen die ten behoeve van derden (b.v. cliënten) relaties met de SD onderhielden en daarbij te veel achter de schermen hebben gekeken. Het Parket te Amsterdam mocht zich met de moord op Mr. Eskens niet bemoeien; de Duitse justitie zou deze zaak wel onderzoeken!”

Binnen de familie Eskens is al meteen duidelijk wie er achter de aanslag zitten. Otto Eskens is namelijk bij zijn broer op bezoek wanneer die wordt gearresteerd. Hij ziet drie mannen de woning op het Frederiksplein binnenstappen; een onbekende en de hem wel bekende Andreas (‘Dries’) Riphagen en Adriaan Smolders. De eerste heeft een reputatie opgebouwd als onderwereldfiguur die voor de Duitsers werkt en tijdens de oorlog door verraad minstens tweehonderd mensen een voortijdige dood bezorgt. Een enkele maal vermoordt hij zelf iemand. Smolders is zijn zakenpartner. Samen met deze NSB’er heeft hij een jaar eerder een onteigende joodse banketfabriek overgenomen.
Er zijn getuigenissen dat Riphagen in de dagen na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, meerdere mensen ombrengt van wie hij blijkbaar gevaar te duchten heeft. Wellicht om die reden wordt op 11 september ook Theo Eskens uit zijn huis gehaald en naar de enkele kilometers verderop gelegen Zuidelijke Wandelweg gebracht. Otto Eskens doet na de bevrijding bij de Politieke Rechercheafdeling zijn verhaal. “Mijn broer werd ‘s avonds om ongeveer half twaalf gevonden op de Zuidelijke Wandelweg met een schot in het hoofd.” Een dag na de moord had Otto op het Amsterdamse politiebureau al aangifte gedaan van moord. “Maar hierop heeft de Gestapo de politie medegedeeld dat zij zich er buiten moesten houden, aangezien het geen moord, doch een terechtstelling betrof.”

Dries Riphagen (Wikipedia)

Het dodelijke schot in zijn achterhoofd maakt een einde aan het leven van een genereuze, vrijheidslievende en veelbelovende advocaat. Dries Riphagen zal nooit worden veroordeeld voor de moord op Theo Eskens en talloze andere misdaden. Hij weet na de oorlog met hulp van de Nederlandse Veiligheidsdienst naar het buitenland te ontkomen. Op 13 mei 1973 bezwijkt hij in een Zwitsers ziekenhuis aan kanker.

Theo Eskens (Oorlogsgravenstichting)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Botsende belangen. De Zaandamse Rijksduitsers

Een jaar na de Duitse inval in Nederland woonden er in Zaandam ruim tweehonderd Rijksduitsers. Het was een explosief amalgaam, met zowel tientallen veelal joodse vluchtelingen als een kleinere, maar machtige groep nazi’s.

Op 22 april 1941 stuurde de NSB-burgemeester van Zaandam de provinciecommissaris desgevraagd een overzicht ‘van de in deze gemeente wonende Rijksduitsers’. Cornelis van Ravenswaay had laten uitzoeken dat er 210 uit het Duitse gebied afkomstige mannen, vrouwen en kinderen binnen ‘zijn’ stadsgrenzen woonden. Vergeleken met veel andere gemeenten was dat weinig. Volgens Loe de Jong telde heel Nederland in 1940 52.000 Rijksduitsers.

Dat relatief kleine aantal Zaans-Duitse inwoners was geen homogeen gezelschap. En het op bevel van Van Ravenswaay opgestelde overzicht was ook niet compleet. Zo ontbreken er bijvoorbeeld namen van Rijksduitsers die wel zijn terug te vinden op het Joods Monument Zaanstreek. De nationaalsocialistische administratie was niet altijd zo pünktlich als vaak wordt gedacht. Maar op basis van de 210 geregistreerde personen kan wel worden vastgesteld dat de Rijksduitsers het -om verschillende redenen- niet altijd even makkelijk hadden in Zaandam.

Beethovenstraat

De 210 Rijksduitsers waren verdeeld over honderd huishoudens. Daarvan woonden er maar liefst dertien, bijna allemaal joods, in de slechts zeventien huizen tellende Beethovenstraat. Deze begin jaren dertig opgeleverde doorsteek tussen de Burcht en het Apolloplantsoen was daarmee dé Duits-joodse straat van de Zaanstreek. (Dat dit stukje Zaandam was vernoemd naar een Duitser is een pijnlijk toeval.)

Opvallend is dat de gelijknamige Amsterdamse straat een soortgelijke aanblik bood. In 1941 was 37% van de bewoners in de hoofdstedelijke Beethovenstraat joods en eveneens vaak van Duitse komaf. Door de komst van al die vluchtelingen ontstond de bijnaam ‘Brede Jodenstraat’. Tram 24 naar de Amsterdamse Beethovenstraat werd in de volksmond de ‘Berlijn-Express’ genoemd.

De Zaandamse Beethovenstraat in 2007 (Gemeentearchief Zaanstad)

Mei 1940

Het ongemak begon al in mei 1940. Na de Duitse inval liet de Nederlandse overheid zoveel mogelijk vijandig geachte buitenlanders preventief opsluiten. Daarbij kon het gebeuren dat mensen die waren ontkomen aan het Hitler-regime in één cel belandden met doorgewinterde collaborateurs. Dat spanningsveld bleef vier dagen in stand. Na de capitulatie van de Nederlandse krijgsmacht werd iedereen weer vrijgelaten en konden de ‘deutschfreundlichen’ beginnen aan een jarenlange zegetocht.

Seyss-Inquart

Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart -ook een Rijksduitser- sloeg aanvankelijk een verzoenende toon aan. “Wij willen dit land en zijn bevolking noch imperialistisch overheersen noch onze politieke overtuigingen opdringen”, sprak hij bij zijn inauguratiespeech op 29 mei 1940. Maar vijf weken later gold er al een verbod voor joden om bij de Luchtbeschermingsdienst te werken. Het was de eerste antisemitische maatregel in een lange en steeds wredere reeks. En aan die maatregelen werkten ook Rijksduitsers mee.

Wolniewicz

Wilhelm en Margarate Wolniewicz waren twee van die collaborateurs. Ze woonden al ver voor de oorlog in Zaandam. De bezetting bood Wilhelm de mogelijkheid om op te klimmen van eenvoudige bedrijfsleider bij onder meer Albert Heijn tot SS-Führer. Hij mocht zelfs Ortskommandant worden, militair bevelhebber over de regio. In die hoedanigheid gaf hij onder meer leiding aan nazistische bijeenkomsten. Als het zijn vrouw en hem uitkwam, werd er bovendien wat joods bezit ten eigen bate geroofd.

Onder leiding van Wilhelm Wolniewicz (zie het pijltje) kwamen Duitse militairen soms voor een ‘eenpansmaaltijd’naar het ontspanningscentrum van Albert Heijn aan het Klamperspad in Zaandam. 

Negen maanden nadat Van Ravenswaay zijn overzicht naar de provinciecommissaris had gestuurd, was het aantal Rijksduitsers in de stad van de ene op de andere dag een stuk kleiner. Op 19 januari 1942 werden de buitenlandse joden verbannen van Zaandam -de eerste Nederlandse gemeente die ‘Judenrein‘ werd gemaakt- naar kamp Westerbork. Er resteerde de drie navolgende jaren, naast een almaar toenemend aantal onderduikers, slechts één joods gezin in Zaandam. De vier leden tellende familie Strauss -eveneens Rijksduitsers- bleef waar ze was, dankzij papieren zonder ‘J’ en doordat het lukte om belastende persoonsdocumenten uit de gemeentelijke administratie te verwijderen. Onder hun eigen naam en op hun eigen adres haalden ze heelhuids de bevrijding. Het was bij mijn weten een unicum in Nederland.

Jos Kamps

Zaandam telde tientallen Duitstalige nationaalsocialisten. Jos Kamps was één van hen. Hij handelde in joods roofgoed. Na de oorlog werd deze collaborateur Nederland uitgezet. Van de zestien Rijksduitsers in de Zaandamse Beethovenstraat werden er vijftien op transport gesteld naar een concentratiekamp. Dertien van hen zouden de Holocaust niet overleven. Jos Kamps, wonend op nummer 17, was wrang genoeg de ene bewoner die niet weg hoefde.

Rapportje over Jos Kamps van een ‘speurder’ van de Binnenlandse Strijdkrachten.

Veel Rijksduitsers voelden zich gevangen tussen hamer en aambeeld. Ze wilden zich op geen enkele wijze verbinden aan het heersende bewind, maar werden onder druk gezet om een keuze te maken. Zo werd van hen verwacht dat ze deelnamen aan nationalistische bijeenkomsten in het zogenoemde ‘Duitsche huis’. Weigering werd al snel beschouwd als verzet, zoals blijkt uit onderstaand BS-rapport. Sommigen kregen zelfs een oproep voor de Wehrmacht. Weigering werd beschouwd als desertie. En daarop stond de doodstraf.

Rapport van de Binnenlandse Strijdkrachten d.d. 17-3-1945 over een Zaanse Rijksduitser, waarin wordt geschetst welke druk er op hem en zijn landgenoten werd uitgeoefend.

Schipperen

Een deel van de Rijksduitsers moest dus schipperen tussen collaboratie en weerstand. Zelfs na de bevrijding konden de ‘goede’ Duitsers zich niet veilig wanen. Velen beschouwden alle Rijksduitsers als (potentiële) vijanden. Om in Nederland te blijven, was een ‘ontvijandingsverklaring’ nodig. Ook de vrouwen en kinderen die via het paspoort van hun man of vader Rijksduitser waren geworden, moesten zo’n papiertje hebben. Vrij willekeurig werden er mensen over de oostgrens gezet en bezittingen in beslag genomen. Zelfs de vader van Margot en Anne Frank, een kampoverlevende, was bang het land uitgezet te worden. Er leefde namelijk een vermoeden dat zijn bedrijf handel had gedreven met de nazi’s. Als dat kon worden bewezen, maakte hij geen kans op een ontvijandingsverklaring.

Eind 1945 waren er van de 52.000 Rijksduitsers in Nederland nog maar 25.000 over. Pas in 1951 kwam er een eind aan de selectie en de daarmee gepaard gaande onteigeningen (die Nederland ongeveer een miljard gulden opleverden).

Van alle zogeheten Rijksduiters zijn in de 21-ste eeuw nog maar enkele nakomelingen terug te vinden in de Zaanstreek. Onder hen bevindt zich niemand van joodse komaf.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Zaanse politie tussen collaboratie en verzet

In de volksmond klinkt nog wel eens dat het Nederlandse politiekorps massaal ‘fout’ was tijdens de oorlog. Daarop valt het nodige af te dingen. Maar hoe zat het tussen 1940 en 1945 eigenlijk met de Zaanse dienders?

Vanaf het voorjaar van 1937 joeg de Zaandamse politieman Jan van der Schaaf enthousiast op Spanjestrijders. De Zaanstreek telde tientallen mannen, bijna allemaal uit de communistische hoek, die het gevecht wilden aangaan met de fascistische troepen van generaal Franco. Ruim twintig van hen trokken daartoe naar het Iberisch schiereiland. Van der Schaaf (bijnaam ‘Jantje-Grijpt-Alles’) kende ze stuk voor stuk. Aan hem de taak deze vrijwilligers tegen te houden of, als ze al naar hun beoogde bestemming onderweg waren, op te sporen en terug te halen. Maar waar hij in 1938 nog een koninklijke onderscheiding kreeg vanwege zijn voortreffelijke werk, werd Van der Schaaf na de oorlog voor tien jaar uit het politieambt gezet. De reden: ‘bewezen en verwijtbare handeling’ in bezettingstijd. Hem werd onder meer aangewreven dat hij enkele joden had aangehouden.
Stond deze rechercheur daarmee model voor de Zaanse politie in bezettingstijd?

Jan van der Schaaf, in het midden, met enkele collega’s (Zaanlander, 11-1-1939)

Gedurende de zomermaanden van 1940 leek er voor de Nederlandse politie niet veel te veranderen. Ogenschijnlijk konden de dienders doorgaan met wat ze voor de oorlog ook al deden, zonder al te opzichtige inmenging van bovenaf. Verheugend was bovendien dat de bezetter een langgekoesterde wens in vervulling deed gaan: de korpsen werden uitgebreid. Vanaf medio 1940 kwamen er verspreid over het land zesduizend agenten bij.
Heel lang duurde de schijnbare politionele zelfstandigheid onder leiding van de plaatselijke burgemeesters niet. De Duitsers vonden de versnipperde organisatie -een mengeling van gemeentepolitie, marechaussee, politietroepen, rijks- en gemeenteveldwachters- onoverzichtelijk. De marechaussee raakte daarom haar militaire status kwijt en de politietroepen werden opgeheven. SS-generaal Hanns Albin Rauter kreeg de leiding over het Nederlandse politieapparaat. Joden en disloyale dienders moesten plaatsmaken, NSB’ers namen hun plaatsen in. De politie werd meer en meer een werktuig van de nazi’s.

Dilemma’s

Goedwillende agenten kwamen steeds vaker voor een dilemma te staan. Als ze ontslag namen, was de kans groot dat hun plek werd overgenomen door een deutschfreundliche ‘collega’. Bleven ze, dan maakten ze zo goed als zeker hun handen vuil. De bezetter had de Hermandad nodig voor het vormgeven van zijn rabiate politiek.
Dat kwam vooral goed tot uiting in het ‘Judenrein‘ maken van het bezette gebied. Op 17 januari 1942 bood het Zaandamse politiekorps, als eerste in Nederland, de nazi’s de helpende hand bij het uit huis halen van joodse inwoners. De dienstdoende agenten begeleidden de slachtoffers vervolgens naar de boot of trein die hen naar het Judenviertel van Amsterdam bracht. In de navolgende maanden voerden ook hun collega’s elders in het land deze antisemitische verbanning uit. Slechts een enkeling weigerde mee te werken aan de racistische hand- en spandiensten.

Met name die buiging voor de vijand zou de politie nog lang worden aangewreven. Maar ook hun rol bij het arresteren van (vermeende) verzetsstrijders en het handhaven van de naziwetten in een tijd dat veel mannen voor dwangarbeid naar Duitsland moesten, werd hen aangerekend.

Zaanstreek

Na de bevrijding werd -symbolische getallen- 40 tot 45% van de zittende agenten in Nederland onderworpen aan een onderzoek. NSB’ers, WA’ers en SS’ers wachtte een vertrek op staande voet. Van de onderzochte politiemedewerkers kreeg uiteindelijk bijna 12% ontslag aangezegd, 1954 agenten. Zo’n 7% werd op een andere manier gestraft, maar mocht wel in dienst blijven. Negen politiemensen werden ter dood veroordeeld en gefusilleerd, onder wie de in Zaandam geboren en getogen, maar in Amsterdam en Groningen werkende rechercheur Abraham Kaper (1890-1949). Een andere extreem gevaarlijke Zaandamse jodenjager was Hendrik van der Kraan (1897-1955). Hij werd in 1942 wegens chantage geschorst bij de Zaandamse politie, maar was daarna actief voor het Amsterdamse korps. Na de oorlog kreeg hij eveneens de doodstraf. Die werd echter later omgezet in een levenslange gevangenisstraf.

Sommige collaborerende Zaanse collega’s hoefden zich na 1945 niet te verantwoorden; de illegaliteit had al tijdens de bezetting met hen afgerekend. Het betrof de Zaandamse korpschef Willem Marinus Ragut (op 21-6-1944), zijn plaatsgenoot Franciscus Diedericus Willemse (5-2-1945), de eveneens Zaandamse chef van de waterpolitie Willem Nicolaas Ehhardt (1-3-1945) en de Wormerveerse waarnemend inspecteur Jan Willem Bouwens (7-10-1944). Aanslagen op enkele andere Zaanse politiemannen mislukten. Zij, en met hen nog meer agenten, werden na de oorlog veroordeeld wegens hun ijver ten bate van de nazistische machthebbers.

Het politiekorps van Zaandam, 1941 (R.R. Pel)

Zaandam

Het begin van de Zaanse politie-nazificatie viel zo ongeveer samen met de benoeming van Cornelis van Ravenswaaij als burgemeester van Zaandam, in maart 1941. Hij zorgde eerst voor het vertrek van de weinig coöperatieve korpschef Cornelis Roscher. Toen diens beoogde opvolger, de fanatieke Amsterdamse nazi Douwe Bakker, voor de eer bedankte, kwam Willem Marinus Ragut in beeld.

Kort voor Van Ravenswaaij in maart 1942 naar Utrecht vertrok om daar burgemeester te worden, hield hij een zelfverheerlijkende toespraak. Daarin bracht hij ook het ontslag van Roscher en diens tijdelijke opvolger, de antifascistische hoofdinspecteur Anthonie Jan van Doorn, ter sprake. “Een NSB-inspecteur werd van buiten geëngageerd, en al is de oogst niet groot, dan hebben wij nu toch op de 42 agenten 6 Rechtsfronters, waarvan 3 aangesloten NSB’ers.” Het was -en bleef- dus een minderheid van de Zaandamse politie die zich verbond aan het nationaalsocialistisch gedachtegoed, ondanks alle druk van bovenaf.

Cornelis Roscher rond 1941 (R.R. Pel)

Ook Ragut liet van zich horen, onder meer in een klachtenlitanie over zijn waarnemend voorganger Meindert Talma. Daaruit blijkt dat Ragut de strijd aanbond met meerdere dwarsliggende ondergeschikten. “Wanneer destijds een politie-ambtenaar werd opgedragen een transport van joden, ondergedokenen en krijgsgevangenen te verrichten, dan stapte hij naar opperlt. Talma en zei om de een of andere reden bezwaar tegen zoo’n transport te hebben en werd dan ook prompt een ander voor dat transport aangewezen. (…) Een en ander strookt niet met mijn opvatting van plicht als korpschef-officier.”
Ragut zorgde er in 1943 voor dat drie opposanten hun ontslag kregen; Johan Jongepier, Abraham Moerdijk en Jelle Johan Merkus. Doordat hij medio oktober 1942 de beschikking had gekregen over vijf jonge agenten die even eerder hun opleiding hadden afgerond in het beruchte SS-kamp Schalkhaar sloeg de balans weer wat verder door naar de nazistische kant.

Eed   

Burgemeester Van Ravenswaaijs wat minder gestaalde opvolger, de NSB’er Hendrik Vitters, deed begin mei 1943 een poging om het Zaandamse politiekorps een eed te laten afleggen waarin trouw werd gezworen aan de bezettingsmacht. Die eed begon met de zin: “Ik zweer, dat ik het in het bezette Nederlandse gebied geldende recht getrouw zal toepassen en naleven.” Wie de eedaflegging weigerde, liep het risico op ontslag of zelfs vervolging. Desondanks hielden sommige van de inmiddels 55 agenten hun rug recht, aldus een in 1946 door verzetsleider August W. Sabel gemaakt verslag. Eén voor één moesten ze de eed afleggen, van laag tot hoog. Wachtmeester Robert Rudolf (‘Bob’) Pel weigerde als eerste. Daarna volgden de opperwachtmeesters G. Meijer, Jelle Johan Merkus, Abraham Moerdijk en Johan Jongepier. En tenslotte hielden ook de hoofdwachtmeesters M. Iedema, Willem Frederik Zweers en de eerder genoemde Jan van der Schaaf hun poot stijf. Eén op de zeven Zaandamse politiebeambten nam dus het risico van sancties. Ze hadden geluk. Al snel bleek dat Vitters’ eedaflegging geen wettelijke grondslag had. De dwarse dienders konden opgelucht ademhalen. 
Wat Sabel overigens niet vermeldde is dat de agenten op 7 juni 1943 alsnog een eed moesten afleggen die hun onderdanigheid bezegelde. Die luidde: “Ik verklaar hierbij plechtig, dat ik, zoolang ik mijn ambt waarneem, de verordeningen en andere bepalingen van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebieden van de hem ondergeschikte Duitsche organen naar eer en geweten zal nakomen en mij zal onthouden van elke handeling, gericht tegen het Duitsche Rijk of de Duitsche weermacht.” Ik heb geen totaaloverzicht, maar eerdere weigeraars als Bob Pel, Jan van der Schaaf en Jelle Merkus tekenden dit keer wel.

Walraven van Hall

Een aantal van bovengenoemde mannen begaf zich desondanks toch in de illegaliteit, met Bob Pel op eenzame hoogte. Hij onderhield wekelijks contact met Walraven van Hall, informeerde Jan Brasser over de beste optie om korpschef Ragut te elimineren, smokkelde wapens, bevrijdde gevangenen en saboteerde waar hij maar kon. Dat de Sicherheitsdienst hem en Jan van der Schaaf in januari 1944 een week vasthield op verdenking van hulp aan het illegale blad Vrij Nederland wekt dan ook geen verbazing. Dat de twee weer vrijkwamen, hoewel de dienstdoende SD-beambte Emil Rühl meer meende te weten, mag daarentegen een klein wonder heten.

Bob Pel na zijn arrestatie, januari 1944 (R.R. Pel)

Naarmate de oorlog vorderde en de Duitse nederlaag dichterbij kwam, stapten meer Zaandamse agenten over de streep. De opportunistische Tonny Jansen, de opvolger van Ragut als korpschef, keerde om als een blad aan de boom en nam vanaf 1943 enorme risico’s om het verzet ter wille te zijn. Voor een mede-Rechtsfronter, wachtmeester Jan van der Meij, gold op bescheidener schaal iets vergelijkbaars.

‘Dooie dienders’

Op een door de ondergrondse in 1945 samengestelde lijst met Zaandamse NSB-leden staan zeven politiemedewerkers. Eén van hen was toen echter al geliquideerd (Willem Ragut), een ander verhuisd naar Amsterdam (Hendrik van der Kraan). Op 14 februari van datzelfde jaar stelde een medewerker van het ‘GEBU’ (het Gewestelijk Bureau, een eind 1944 opgerichte Zaanse illegale inlichtingendienst onder leiding van Zaandammer August W. Sabel) een rapport op over de Zaandamse politie. Een paar citaten: “Het politie-corps te Zaandam bestond, zooals ieder politie-corps, uit een groot aantal, wat men in de wandeling noemt, dooie dienders, en slechts enkele flinke kerels. (…) In het politie-corps zelf zat een groot aantal NSB-agenten oorspronkelijk, die door Ragut naar Zaandam werden gezogen, doch resp. allemaal weer naar andere plaatsen afvloeiden.” In februari 1945 waren er volgens de anonieme auteur van het rapport nog vier (bij naam genoemde) agenten die zich hadden ‘uitgesloofd voor de Duitschers’. Het was een kleine minderheid binnen het Zaandamse korps, dat ‘zijn best [deed] bij alle mogelijke gelegenheden de burgerij te waarschuwen, wanneer Duitsche maatregelen te vreezen zijn. Er wordt sinds de laatste paar jaar volledig mee samengewerkt.’

Het algemene beeld bij de Zaandamse politie is dus dat een minderheid al gedurende de eerste oorlogshelft overging tot acties tegen de bezetter. Een nog kleinere, veelal door Willem Ragut gerekruteerde minderheid collaboreerde. En de overgrote meerderheid zette de tering naar de nering. Ze gingen door met hun politiewerk en probeerden zo min mogelijk smetten op te lopen, zonder principieel stelling voor of tegen te nemen. Gedurende de tweede bezettingsfase vond er een geleidelijke verschuiving plaats. Steeds vaker steunden dienders het opkomende verzet in meerdere of mindere mate. Anderen probeerden in alle opzichten hun neutraliteit te bewaren, om problemen te voorkomen.

Willem Ragut

Koog-Zaandijk

Zaandam had verreweg het grootste politiekorps van de regio, maar hoe was het tussen 1940 en 1945 in de omliggende dorpen?
In het kleine korps van Koog-Zaandijk waren verhoudingsgewijs veel ‘goede’ agenten. Toch moesten ook zij voorzichtig zijn. Een opperwachtmeester van de Koogse politie, Arie B., behoorde volgens een ondergronds rapport uit januari 1945 ‘niet bij de politie ingedeeld te zijn’. “Meer dan eens heeft hij pro-Duitse uitlatingen gedaan. (…) Meer dan eens heeft hij door onverantwoordelijk geklets zijn collega’s en ook andere personen in gevaar gebracht.” Waarna onder meer de namen volgen van zijn collega’s Jan Cornelis Breeker, Klaas van Doeland en Herm Nijzink, inderdaad agenten die zich jarenlang weerden tegen de bezetter.

Herm Nijzink, tweede van rechts, in mei 1945 (particuliere collectie)

In Koog aan de Zaan bevond zich een nog veel rottere appel. De NSB’er Jan Bloemsma was hulpagent en fervent speurder naar joodse onderduikers. Het is dan ook begrijpelijk dat de verzetsgroep Koog-Bloemwijk probeerde om Bloemsma van het leven te beroven. Diens plaatsgenoot Jan Cornelis Breeker had niet alleen de zorg op zich genomen voor zo’n honderd onderduikers, maar ook de leiding in handen van deze ‘wilde’ groep. Een collega als Bloemsma kon hij missen als kiespijn. Helaas voor Breeker; diverse pogingen om deze nationaalsocialist te liquideren mislukten.

In Zaandijk was het vooral rijkspolitieagent Joop Keijzer die enorme risico’s nam, in een poging afbreuk te doen aan de bezetter. Als een van de weinige Stijkelgroepleden ontsnapte hij in 1941 aan arrestatie. De navolgende jaren zwierf hij door het land, opgejaagd door de Duitsers. Zijn vrouw nam met zijn medewerking onder meer een aantal joodse onderduikers in huis. Joop Keijzer werd in de zomer van 1943 alsnog gearresteerd, voor de deur van zijn woning. Hij werd daar neergeschoten toen hij aan zijn belagers probeerde te ontkomen. Hij belandde in een Amsterdams ziekenhuis. Zijn collega Jan Breeker nam het initiatief om hem te bevrijden. Ondanks de bewaking in het Westergashuis lukte dat op 19 augustus. Het was een van de vele gewaagde stunts van de groep Koog-Bloemwijk (waarvan ook het ondergedoken marechausseelid Koos (‘Joep’) Heijdra deel uitmaakte).

De naam van de wat kalmer opererende Koogse agent Herm Nijzink is onder meer terug te vinden in een door Jan Dirk Vis geschreven oorlogsverslag. Deze Zaandijker opereerde in de top van het plaatselijk verzet en was dan ook goed geïnformeerd. Volgens Vis was Herm Nijzink ondercommandant van de Ordedienst in Koog aan de Zaan. Zijn collega Klaas van Doeland fungeerde vooral als doorgeefluik voor het verzet. Van Doelands dochter Jopie, die actief was in de illegaliteit: “Wat dat verzetswerk betreft, van mijn vader hoorde ik wel het een en ander. Dat vertelde hij dan expres, omdat hij wist dat wij er wat mee deden. Langs zijn neus weg, zeg maar. En dan kon ik het doorgeven.”

Krommenie

Over de politiekorpsen in Wormerveer en Krommenie is weinig bekend, ook al omdat de dag- en nachtrapporten van die gemeenten verdwenen zijn. Uit een ondergronds verslag d.d. 19 maart 1945 valt op te maken dat de Krommenieër NSB-burgemeester Gerrit Jongsma het niet makkelijk had met de aan hem toegewezen dienders: “Jongsma verklaarde tenminste, Visser is de eenige man van het Politiecorps die ik volledig kan vertrouwen en waar ik een goede steun aan heb.” Waar de fanatieke collaborateur Jongsma in 1948 werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien jaar, kreeg opperwachtmeester Jan Visser 2,5 jaar cel wegens het arresteren van een aantal april-/meistakers. Zijn betrokkenheid bij de aanhouding van verzetsmensen en ondergedoken joden werd Visser niet aangerekend. Daardoor kwam hij er met een milde straf vanaf.

Omdat Gerrit Jongsma blijkbaar weinig steun ondervond van zijn eigen politie trok hij er regelmatig zelf op uit, gewapend met een pistool. Hij arresteerde joodse onderduikers en jaagde op verzetsstrijders. Die op hun beurt deden daarom enkele vergeefse pogingen om Jongsma uit de weg te ruimen.

Wormerveer

Net als in Zaandam bleef in Wormerveer de gemeentepolitie gehandhaafd. Daarnaast herbergde deze gemeente een marechausseekazerne. De medewerkers daar behoorden sinds eind 1940 bij de politie. Een opvallende naam bij de Wormerveerse marechaussee was hoofdwachtmeester Reinier Cornelis van den Bosch. ‘Opper’ van den Bosch verspreidde illegale lectuur, haalde geld op ten bate van onder meer onderduikers (die hij ook verzorgde), verzamelde wapens en munitie voor het verzet en spioneerde. Hij was een van de weinigen in de Wormerveerse marechausseekazerne die zo hun nek uitstaken. Bekend is dat daar minstens drie NSB’ers werkten. Ook de commandant die daar in het najaar van 1944 aantrad, luitenant Van der Meer, had de naam pro-Duits te zijn.

In zijn boekje Na 50 jaar wijdde de Wormerveerse verzetsleider Jaap Boot enkele pagina’s aan zowel de plaatselijke politie als de daarin opgegane marechaussee. Ook hij noemde Reinier van den Bosch, onder wiens bevel ‘verscheidene manschappen altijd voor ons klaar stonden’. Boot rekende onder andere Wout van der Waal tot die betrouwbare manschappen. Met hem haalde Boot bijvoorbeeld een zender voor de ondergrondse van Utrecht naar Wormerveer. De marechausseekazerne kwam ook van pas toen een neergehaalde Amerikaanse vliegenier in 1943 onderdak moest krijgen. “De marechausseekazerne leek me een geschikte schuilplaats voor hem en dat gaf bij de Opper en Wout geen enkel probleem. De eerste nacht sliep ik met [vliegenier] Victor in het bovenhuis van Wout”, aldus Jaap Boot. “Opper van den Bosch en zijn rechterhand Wout van der Waal waren mannen op wie je altijd kon rekenen.”

Reinier Cornelis van den Bosch

In Na 50 jaar bleef ook politiecommissaris F.W. de Groot niet ongenoemd, maar dan in minder positieve zin. Deze voorganger van Bouwens werd er in illegale rapportages onder meer van beschuldigd aan de leiband van de bezetter te lopen en op hun bevel een joodse Wormerveerder en verzetsmensen te hebben laten oppakken. Jaap Boot was eveneens kritisch. “De Groot was een omstreden figuur, niet bepaald fout, maar ook geen vriend van het verzet.” Het betekende dat hij in mei 1945 werd geschorst. Boot: “Toen De Groot na de bevrijding voor de zuiveringscommissie van de politie moest verschijnen, vertelde hij zonder blikken of blozen dat hij zijn pistool tijdens de bezetting van mij had gekregen. Dat was zonder meer een leugen.” Volgens Boot had hij het vuurwapen eigenhandig gestolen uit het politiebureau aan de Wormerveerse Stationsstraat.
F.W. de Groot -die in juni 1944 was ondergedoken, omdat hij vermoedde dat de Duitsers het op hem hadden gemunt- liet het er niet bij zitten en tekende bezwaar aan tegen zijn veroordeling. Met succes: in meerdere kranten was op 28 juli 1949 te lezen dat hij ‘bij ministeriële beschikking volledig gerehabiliteerd’ was. Jaap Boot: “Voor de zuiveringscommissie durfden verscheidene agenten niet tegen De Groot te getuigen. ‘Als hij terugkomt als commissaris hebben wij geen leven meer.'”

Nadat De Groot in 1944 onderdook, werd Jan Willem Bouwens zijn opvolger. Niet voor lang overigens. Op 7 oktober van dat jaar liquideerde de Raad van Verzet deze politiecommissaris, ondanks instructies van de Binnenlandse Strijdkrachten om dat achterwege te laten. Bouwens zou een dag later naar het Oostfront vertrekken en was dus niet langer gevaarlijk voor Wormerveer en omstreken. De represaille was gruwelijk. Vier dagen na de aanslag executeerden de Duitsers aan de Wormerveerse oever van de Zaan vijf mannen die met de eliminatie van Bouwens niets te maken hadden. De RVV betuigde desondanks geen spijt van de actie. Commandant Jan Jongh: “Doordat wij genoodzaakt waren ter beveiliging van de illegaliteit verschillende SS-schurken te elimineren, waaronder commissaris Bouwens te Wormerveer, kwam de schrik erin onder het politiekorps, dat of een halfslachtige houding aangenomen had of volkomen hand- en spandiensten verleende aan de Duitse bezetting.”

Dat die laatste zin enige nuance behoeft, blijkt wel uit de woorden van Jaap Boot. “Tijdens de bezetting kreeg ik van [rechercheur] Rijkeboer ook medewerking van de agenten [P.A.] Lak en de gebroeders [den] Boef.” Na de dood van Bouwens arriveerde er een nieuwe commissaris, Gerrit Reinder Vleeming uit Zandvoort (bijnaam ‘mooie Willem’). Die zocht na zijn benoeming contact met het verzet, in de persoon van Jaap Boot. De codezin waarmee deze Wormerveerse BS-commandant tijdens hun eerste ontmoeting Vleeming zou aanspreken was: “Ik kom uit Brummen.” Boot: “Nauwelijks had ik dat gezegd of hij riep uit: ‘Wat ben ik blij dat u bent gekomen. Ik wil niet dezelfde weg als mijn voorganger.’ Vanaf die tijd tot de bevrijding had ik in wezen de leiding over het politiekorps. Vleeming deed niets zonder vooraf met mij overleg te plegen.” In tegenstelling tot Bouwens werd de nieuwe politie-inspecteur door zijn tegenstanders gespaard.

Jaap Boot in 1965

Westzaan

De hiervoor genoemde Reinier Cornelis van den Bosch werd begin 1941 commandant van de Ordedienst in Westzaan. Hij werkte, tot hun arrestatie in februari 1943 wegens spionage, onder meer ondergronds samen met de plaatselijke burgemeester H.F. Jantzen en diens secretaris R. Schoenmaker. Gegevens over de rol van de Westzaanse veldwachter tussen 1940 en 1945 zijn me niet bekend.

Assendelft

Ook over Assendelft kan ik weinig vertellen. Mij is, naast veldwachter P. Molenmaker (zie de foto hieronder), alleen de naam Wilhelmus Hoveijn bekend. Hij woonde in de Assendelftse Dorpsstraat, maar werkte als rechercheur in Wormerveer. In die hoedanigheid werd hij er in oktober 1944 van beschuldigd de burgemeester een lijst met dertien executiekandidaten te hebben overhandigd. Zij zouden in aanmerking komen voor de wraakactie die de Duitsers in gedachten hadden na de eliminatie van korpschef Jan Willem Bouwens. Hoveijn werd in mei 1945 gearresteerd, maar drie jaar later vrijgesproken. Hij keerde terug naar het Wormerveerse korps, ondanks alle ook toen nog over hem rondzingende verhalen.

Veldwachter P. Molenmaker controleert op de Dorpsstraat in Assendelft of varkensslachter Jan Steijn geen clandestien vlees vervoert (Gemeentearchief Zaanstad)

Oostzaan

Zoals burgemeester Gerrit Jongsma in Krommenie voor agent speelde, zo deed zijn collega Johannes de Bree dat vanaf zijn benoeming in 1942 in Oostzaan. Hij was met name gebrand op zwarthandelaars en clandestiene slachters, maar ging ook op zoek naar joden en illegale lectuur. Meestal trok hij er alleen op uit. Blijkbaar vertrouwde hij de Oostzaanse diender Roel van Maasdam onvoldoende. Die werd in 1945 geschorst en onderwerp van onderzoek, maar mocht per oktober 1946 weer in actieve dienst treden.
Na De Brees zelfmoord, in juli 1943, kreeg Oostzaan enkele gematigder burgemeesters en hield ook de weinige politie in het dorp zich gedeisd. Maar hoe moeilijk het was om desondanks de handen schoon te houden, bleek wel toen Roel van Maasdam op 4 januari 1945 assisteerde bij de arrestatie van zijn dorpsgenoot Henk Swart. Die werd verdacht van illegaal slachten. Dat de Duitsers Swart twee dagen later executeerden, een vergelding voor een aanslag door anderen, had Van Maasdam hoogstwaarschijnlijk niet voorzien. 

Veldwachter Roel van Maasdam in het gemeentehuis van Oostzaan. Op de deur van de burgemeesterskamer staat: ‘Betreed deze kamer nimmer met vrees’ (Oudheidskamer Oostzaan)

Wormer

De politie in Wormer bestond aanvankelijk  uit drie man, de veldwachters Klaas de Boer en P. Koopmans (eind 1942 opgevolgd door J. Blom) en marechausseelid Mulder. In 1943 kwamen daar twee marechausseemedewerkers bij, genaamd Fedde Foppes en J.J. Duursema. Van Klaas de Boer is bekend dat hij geliefd was bij de bevolking. Dat deze Wormer agent weinig ophad met het nazistisch gedachtegoed bleek wel toen hij op 29 november 1944 enkele Duitsers op het verkeerde been zette. Ze hadden even daarvoor verzetsman Jan Kuijper doodgeschoten. Het was een vergissing; ze zochten iemand anders. Gevraagd naar de identiteit van het slachtoffer hield ‘opper’ De Boer zich van de domme: “Die man komt hier niet vandaan.” Daarna lichtte hij een medewerker van de Raad van Verzet in. Of zijn collega’s in Wormer ook zo deutschfeindlig waren, is uit mijn archief niet te herleiden.

1 oktober 1942. Felicitaties voor Klaas de Boer, die dertig jaar bij de politie in Wormer is (Waterlands Archief)

Conclusie

Hoewel bovenstaande inventarisatie uiteraard niet compleet is, kan wel de voorzichtige conclusie worden getrokken dat er geen eenduidig oordeel mogelijk is over de Zaanse politie. De meeste korpsen telden zowel collaborateurs als verzetsstrijders. Er waren opportunisten en principiëlen, aan beide kanten van de streep. Maar de meerderheid binnen de politie probeerde, net als hun collega’s elders in Nederland en net als het overgrote deel van de bevolking, vooral om heelhuids door de oorlog te komen en besmetting -met name door de machthebbers- te voorkomen. Dat was misschien niet heldhaftig, maar in die context wel begrijpelijk.

Jan van der Schaaf

Tot slot nog even terug naar rechercheur Jan ‘Grijpt-Alles’ van der Schaaf. Op 20 januari 1945 vond hij een anonieme brief op zijn deurmat met een stempel van de ‘Verzetsbeweging Zaanstreek’. Die beschuldigde hem, overigens niet voor het eerst, van hand- en spandiensten aan de onderwereld. “Herhaalde malen blijkt dat U met verschillende inbrekers en helers in één schuitje vaart en er niet tegen opziet ten eigen bate met deze lieden tot een accoord te komen.” Er zat maar één ding op, volgens de briefschrijver: Van der Schaaf diende per direct met pensioen te gaan. Anders ‘gaan wij onmiddellijk tot de meest strenge maatregelen over’. 

Toen Jan van der Schaaf de doodsbedreiging leek te negeren, volgde er na een week een tweede brief. “Het schijnt dat U er niet genoeg van doordrongen zijt, dat we het meenen met onze voorwaarden. (…) Thans richten wij ons voor de laatste maal tot U en bevelen U onmiddellijk Uw pensioen aan te vragen en de dienst op staande voet te verlaten. Mocht U aan dit bevel vòòr a.s. Maandagmiddag 6 uur niet gevolg hebben gegeven, dan zijn alle risico’s voor U en Uw gezin. Wij zullen dan geen enkele reden hebben nog eenige clementie te hebben en zullen niet terugdeinzen de strengste maatregelen te treffen. (…) U hebt Uw lot in eigen handen.” Ook schoot de communistische verzetsstrijder Ber Hulsing als aanvullende waarschuwing een kogel door Van der Schaafs voordeur. 

Pensioen

Dir keer koos Jan van der Schaaf eieren voor zijn geld. Twee dagen later stuurde hij een brief naar de burgemeester met het verzoek ‘hem eervol ontslag te verleenen uit den politiedienst daar hij den 55-jarigen leeftijd heeft bereikt en momenteel physiek niet meer in staat is zijn dienst naar behooren te verrichten’. Het verzoek werd schriftelijk ondersteund door korpschef Tonny Jansen. Het verzet had ook hem inmiddels verzocht Van der Schaaf uit het korps te laten vertrekken.

Tonny Jansen voor het Gerechtshof, 1949

Misschien kwamen Jan van der Schaaf en Tonny Jansen nog het dichtst in de buurt van de gemiddelde Zaanse diender in oorlogstijd. Beiden bogen twee kanten op, naar de bezetter en naar het verzet. Daar tussendoor probeerden ze, net als voor de oorlog, hun reguliere politiewerk te doen. Na de bevrijding kregen ze de rekening gepresenteerd voor hun opportunistische houding, in de vorm van een sanctie. Agenten als Bob Pel -die overduidelijk aan de goede kant van de lijn stond- en Hendrik van der Kraan -fout tot op het bot- waren de uitzonderingen.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Opkomst en ondergang van de ‘wilde’ verzetsgroep Koog-Bloemwijk

Over de verzetsgroep Koog-Bloemwijk kan alleen maar in superlatieven worden gesproken. Zaanser dan dit illegale gezelschap was er niet. Het was de brutaalst opererende ondergrondse organisatie in de regio. En de eerste die een succesvolle liquidatie kon noteren. Maar het was ook een collectief dat meermalen faalde. Daardoor werd deze ‘wilde’ verzetsgroep tevens de kortst bestaande in de Zaanstreek.

De groep Koog-Bloemwijk zou ook -nog een superlatief- de onbekendste verzetsorganisatie van de Zaanstreek blijven. Waar de Stijkelgroep (met eveneens veel leden in Koog aan de Zaan en Zaandijk) en de links georiënteerde Raad van Verzet onder leiding van Krommenieër Jan Brasser -later omgezet in de Gewestelijke Sabotageafdeling- tot op heden nog regelmatig terugkeren in de geschiedschrijving is er voor de verzetsgroep Koog-Bloemwijk nauwelijks aandacht. Waarschijnlijk omdat er weinig overlevenden waren en niet iedereen even enthousiast reageerde op de uitgevoerde acties. Bovendien bestond deze organisatie slechts een half jaar. En dan heerste er binnen die zes maanden ook nog tweespalt.

Jan Breeker

In de tweede helft van 1943 was het gewapend verzet in Nederland vooral verdeeld over de veelal gereformeerde Landelijke Knokploegen en de veel progressievere Raad van Verzet. Maar daarnaast bestonden er verspreid over het land nog tientallen kleine clubjes die zich bezighielden met overvallen, inbraken, sabotage en eliminaties. Waaronder dus de ‘wilde’ groep Koog-Bloemwijk.

Het is gissen wanneer dit samenwerkingsverband precies tot stand kwam. De groep wordt voor het eerst als zodanig genoemd in augustus 1943. In die maand lag politieman Joop Keijzer gewond in het Amsterdamse Westergasthuis. Hij, een voortvluchtige helper van vele joodse onderduikers, was door de Duitsers opgewacht toen hij vanaf zijn onderduikadres een bezoek bracht aan zijn vrouw in Zaandijk. Toen Keijzer aan zijn belagers probeerde te ontsnappen, werd hij ter plekke neergeschoten.

Het was collega-politieagent Jan Cornelis Breeker (Irisstraat 52, Koog aan de Zaan) die het initiatief nam om Keijzer te bevrijden. Enkele weken eerder had hij tijdens zijn nachtelijke patrouille de in Wormerveer wonende vader en zoon Rem betrapt, toen die met witkalk leuzen als ‘Leve de koningin’ en ‘Red de Joden’ op de muren kalkten. Breeker stuurde hen terug naar huis, met de geruststellende woorden: “Maken jullie je maar niet ongerust. Ik heb niets gezien.” Een paar dagen later sprak hij zoon Nico Rem aan. Hij had hulp nodig bij het bevrijden van Joop Keijzer.

Jan Cornelis Breeker (collectie Gemeentearchief Zaanstad)

Waarschijnlijk vormde zich op dat moment rond Jan Breeker de verzetsgroep Koog-Bloemwijk. Volgens Rem bestond de eerste lichting naast Breeker en hemzelf uit de Zaankanters Gerhard Müller, Aart Brinkman, Ger Fraaij en Co van Riessen. Korte tijd later sloten de in de Zaanstreek ondergedoken marechaussee Koos (‘Joep’) Heijdra, de Koogse visboer Harm Gerssen en Zaandammer Gerhardus Docter zich bij hen aan. En eind oktober 1943 voegde een deel van de uiteengevallen knokploeg uit Veenendaal zich bij de verzetsgroep Koog-Bloemwijk, onder wie de broers Ab en Ben Hommerson. De vergaderingen van deze twintigers en dertigers vonden vaak plaats in de Koogse woning van kapper Jan Eshuijs (Krokusstraat 26).

Norbert Klein

De bevrijdingsactie van Joop Keijzer werd, met hulp van enkele verpleegsters, uitgevoerd door Fraaij, Heijdra, Van Riessen en Rem. Op 19 augustus 1943 stapten twee van hen in doktersjassen Keijzers kamer in het Westergasthuis binnen. De twee anderen hielden in de gang de wacht. Naast het bed van Keijzer zat een bewaker te lezen. Terwijl de ene ‘arts’ voor de vorm Keijzers wonden inspecteerde, haalde Nico Rem een hamer onder zijn jas tevoorschijn. In een snelle beweging sloeg hij de afgeleide SD’er bewusteloos. Daarna kon Joop Keijzer naar een onderduikadres in Purmerend worden gebracht.

In het Westergasthuis had Keijzer een kamergenoot. Deze Norbert Klein was een joodse verzetsstrijder die na zijn arrestatie uit het politiebureau was gesprongen en daarbij zwaargewond raakte. Keijzer drong er op aan om ook Palestinapionier Klein, die een zekere dood tegemoet kon zien, te bevrijden. Dat gebeurde een paar dagen later. Dit keer werd de actie uitgevoerd door bovengenoemd viertal, aangevuld met Aart Brinkman en Gerhard Müller. Ondanks Kleins gespalkte been slaagden zijn kidnappers er in om de patiënt via een tegen het ziekenhuisraam geplaatste ladder naar de begane grond te krijgen en met een auto af te voeren naar een veilig adres in Haarlem.

Norbert Klein in 1943, kort na zijn ontsnapping uit het Westergasthuis (Ghetto Fighters House)

Willem Korf

Gesterkt door deze successen besloot de jonge verzetsgroep om af te rekenen met Willem Korf, een inwoner uit Zaandijk. Jan Breeker had onder meer de zorg voor ruim honderd onderduikers. Aanvankelijk kreeg hij daarbij hulp van distributieambtenaar Korf. Die voorzag hem van voedselbonnen. Maar toen Korf Breeker begon te chanteren en het risico op verraad te groot werd, gaf de politieman aan Nico Rem, Gerhard Müller en Ger Docter de opdracht om Korf te liquideren.
Op 27 september 1943 begaf het trio zich ‘s avonds naar Korfs woning aan het Hazepad. Rem: “De huisbel klonk luid, veel te luid dacht ik nog. De deur werd geopend door een vrouw. ‘Is Uw man thuis?’ Ze keek me verwonderd aan. ‘Zo laat nog?’ Ze slofte weg. Na enige tijd verscheen Korf in de deuropening. ‘Bent u de heer Korf?’ Een kort knikje en vragende ogen. Ik trok mijn revolver. In een fractie van een seconde zag ik de paniek op zijn gezicht. De schoten klonken oorverdovend door de uitgestorven buurt. Terwijl ik wegholde, hoorde ik mensen schreeuwen, ramen en deuren werden geopend. De duisternis slokte mij op.”

Volgens Gerhard Müllers zoon Fritz was het overigens zijn vader die een schot loste door het luikje in de voordeur. De kogel zou Willem Korf in het hoofd hebben geraakt. Wie er ook schoot, Korf overleefde de aanslag, en dat gold ook voor de volgende eliminatiekandidaat.
Jan Bloemsma was NSB’er en hulpagent. De Koger combineerde deze twee eigenschappen door ondergedoken joden op te sporen en over te leveren aan de Sicherheitsdienst. Ook ditmaal nam Nico Rem naar eigen zeggen de moordpoging voor zijn rekening, en ook ditmaal ging het mis. Zonder nadere specificaties te geven, schreef Rem veertig jaar later: “Deze aanslag [in oktober 1943], welke gepleegd werd door ondergetekende, mislukte evenwel. Later zijn nog 2 pogingen gedaan. Waarschijnlijk argwanend geworden, kreeg men evenwel geen redelijke kans meer hem te benaderen.”

Den Dolder

Wel succesvol was de verzetsgroep klaarblijkelijk bij wat de geschiedenis in zou gaan als de eerste geslaagde Zaanse eliminatie. Die vond alleen niet plaats in de Zaanstreek, maar in de provincie Utrecht. In zijn memoires vertelde Nico Rem dat er omstreeks januari 1944 ‘een man door enkele leden van de groep gelikwideerd [werd] in de omgeving van Den Dolder.’ Rem was zelf niet aanwezig bij de aanslag. “Ondanks pogingen hiertoe kon ik niet achterhalen wat de achtergronden hiervan zijn geweest.” Dat leden van de groep zich naar Den Dolder begaven, had waarschijnlijk te maken met een verzetscontact ter plaatse, Herman Lieve. Hij had onder meer een auto van de groep Koog-Bloemwijk in zijn garage staan.
In de tussentijd had de organisatie ook andere acties ondernomen. Enkele groepsleden haalden in het najaar van 1943 neergekomen geallieerde vliegeniers op uit respectievelijk Urk, Kampen, Spanbroek en de kop van Noord-Holland. Harm Gerssen lijkt daarbij de spil te zijn geweest. Anna Gerssen-Havenga schreef in 1946 dat haar ‘man met elkaar 28 piloten ondergebracht’ had. 

National Archives USA

Knokploeg Veenendaal

Eind oktober 1943 waren een paar leden van de knokploeg Veenendaal, bij wie de grond te heet onder de voeten werd, overgegaan naar de groep Koog-Bloemwijk. Het leidde tot verdeeldheid. Rem: “Breeker kon zich met deze gang van zaken niet verenigen en trok zich terug. Misschien ook wel om het feit dat Joep Heijdra steeds meer de leiding in handen nam. Met Breeker trokken ook Brinkman, Fraaij, Van Riessen en aanvankelijk ook ondergetekende zich terug.” Het zou hun redding betekenen.

Het valse persoonsbewijs dat Nico Rem begin 1944 kreeg

De broers Albert en Ben Hommerson en chauffeur Wim van de Kamp maakten de overstap van Veenendaal naar de Zaanstreek en voegden zich bij de even later uit elkaar vallende groep Koog-Bloemwijk. Op 9 november 1943 pleegde de vernieuwde organisatie een geslaagde overval op het politiebureau en het distributiekantoor van Oegstgeest. Er werden onder meer 14.000 bonkaarten en 283 blanco persoonsbewijzen buitgemaakt. Alleen was niet voorzien dat een deel van de beroofde ambtenaren met de administratie sjoemelde om onderduikers van bonnen te voorzien. Door de ‘Zaanse’ overval kwam dit aan het licht en belandden enkele beambten tot het eind van de oorlog in het concentratiekamp.

Louis Cornelis Dijkman

Op 30 december zou de groep een nieuw bezoek brengen aan het Westergasthuis, ditmaal om -op verzoek van de Wormerveerse verzetsman Henk Toby- de gearresteerde, in het Amsterdamse ziekenhuis verpleegde Trouw-medewerker Louis Cornelis Dijkman te bevrijden. De patiënt werd echter de ochtend van zijn beoogde bevrijding totaal onverwacht overgeplaatst, naar later bleek als gevolg van verraad door Wim van de Kamp (over wie verderop meer).  Dijkman zou uiteindelijk het leven laten in kamp Vught.
Op 11 januari 1944 was er wel succes; ze roofden een voorraad distributiebescheiden en 22.000 gulden uit het Purmerendse postkantoor. Diezelfde maand mislukte een poging om in Zaandam een in aanbouw zijnde marineboot in brand te steken. Ditmaal deed, naast Harm Gerssen en Wim van de Kamp, ook kapper Jan Eshuijs mee. Er werden nieuwe plannen gesmeed: een overval op de posttrein tussen Alkmaar en Amsterdam en een beroving van het distributiekantoor op Urk.  Het zou er niet meer van komen.

Fritz Conijn

In Noord-Holland boven het IJ opereerden rond de jaarwisseling van 1943-’44 maar twee volwaardige knokploegen, de even tevoren ontstane KP-Alkmaar onder leiding van Fritz Conijn en de tot ‘groep-Kappie’ (Ab Hommersons schuilnaam) hernoemde verzetsorganisatie Koog-Bloemwijk. Om slagvaardiger te kunnen opereren, wilde Conijn overgaan tot een nauwe samenwerking of zelfs fusie van beide strijdgroepen, onder leiding van de Landelijke Knokploegen (LKP). Er werd in januari 1944 een bespreking gepland om dit voornemen handen en voeten te geven. Koog-Bloemwijk zou niet langer als ‘wild’ door het leven gaan, maar zich schikken naar de wensen van de LKP-leiding.

Ger Docter had contact met de Zaandamse verzetsman Pieter Jacobus (‘Piet’) Busch. Die had op zijn beurt weer een lijntje met Gerardus Cornelis van Bree, een begrafenisondernemer uit Amsterdam. Wat Piet Busch niet wist, was dat Gerard van Bree een dubbelrol speelde. Hij infiltreerde in verzetsorganisaties, om ze daarna te verraden aan de Sicherheitspolizei. Van Bree, na de oorlog: “Doordat ik in vriendschappelijk relatie was met zekere Bus[ch], lid van een knokploeg te Zaandam, heeft deze mij om hulp verzocht om wapens voor de illegaliteit te krijgen. Ik heb alles wat ik door dien Bus[ch] te weten kwam aan [Emil] Rühl en [Friedrich] Viebahn overgebriefd. Ik geef toe door deze hulp van den Duitschers f 100,- in handen van Rühl te hebben gekregen.”

Ger Docter

Koffiehuis Bos

Nico Rem: “Alhoewel Docter wel betrouwbaar was, stond hij bekend om zijn loslippigheid. Hij was bepaald onvoorzichtig. Docter stond in contact met ene Busch, die op zijn beurt reeds geruime tijd contact onderhield met de heer ‘G’, die zich uitgaf voor illegaal werker en z.g. contact onderhield met ‘Londen’.” Piet Busch regelde een afspraak tussen ‘G’ en enkele leden van de groep-Kappie. Rem: “Op 22 januari 1944 zou hiertoe een bespreking plaatsvinden in café Bos tegenover station Zaandam. Bij binnenkomst aldaar kreeg Harm Gerssen argwaan en waarschuwde luid de reeds aanwezigen van de groep. In de hierna ontstane chaos zagen de meesten kans te ontsnappen, alleen Docter werd gearresteerd.” Een SiPo-commando had de bijeenkomst inderdaad geschaduwd en wist dus de hand te leggen op één van de aanwezige verzetsstrijders.

Koffiehuis Bos, Provincialeweg 136, Zaandam

Daarna ging het snel. Op 22 januari werd ook Nico Rem gearresteerd, in het Amsterdamse Centraal Station. Hij had zich aanvankelijk afgekeerd van de nieuwkomers bij de groep Koog-Bloemwijk, maar was daarvan teruggekomen. Zijn gevangenschap duurde slechts kort. Na een telefoontje uit Zaandam deelde één van zijn geüniformeerde bewakers Rem mee dat hij kon vertrekken: “Het is een vergissing, ga maar weer naar je moeder.” Verbaasd verliet Rem het treinstation. “Thuisgekomen wilde ik snel iets eten, met de bedoeling daarna de anderen te waarschuwen en voorlopig onder te duiken. Tijdens de maaltijd kwam Wim van de Kamp en heeft met ons meegegeten.” Na het maal vertelde Van de Kamp over het debacle in koffiehuis Bos en zei hij dat Harm Gerssen direct met Rem wilde spreken.

Sophia da Costa Senior

Aldus Nico Rem in een verslag dat hij in 1984 schreef. Drie jaar later zette hij de gebeurtenissen nogmaals op papier, maar plaatste hij wat andere accenten. Zo ging hij dit keer na te zijn vrijgelaten niet naar huis, maar naar een onderduikadres in Wormerveer. Ontbrak Wim van de Kamp die avond bij het eten. En fietste hij pas de volgende dag naar -de ditmaal niet bij naam genoemde- Harm Gerssen, omdat er nu eenmaal een groepsontmoeting gepland stond. Uitgaand van de versie uit 1984 ging Rem samen met Van de Kamp naar Gerssen, die in de Koogse Prins Hendrikstraat 42 woonde. Gerssen bleek niet aanwezig. “Ik had een tas met bezwarend materiaal bij me [volgens de versie uit 1987 de springstof trotyl]. Ik besloot deze eerst weg te brengen naar Bets, eveneens te Koog-Zaandijk”, aldus Rem. “Toen ik op mijn fiets stapte, zag ik een auto met grote snelheid naderen. Ik was slechts enkele meters van het huis van Gerssen verwijderd, toen ik achteromziende deze auto zag stoppen voor het huis van Gerssen. Ca. 4 mannen sprongen uit de auto, die het huis zowel achter- als voorom binnendrongen. Ik heb toen aan het einde van de straat mij verdekt opgesteld. Ik kon zodoende Gerard Müller waarschuwen, die ook op weg was naar het huis van Gerssen.”

Harm Gerssen

Toen de auto even later passeerde, herkende Nico Rem tussen de andere inzittenden Harm Gerssen en Wim van de Kamp. Rem dook nu definitief onder en nam een nieuwe identiteit aan. Met enkele andere leden van de groep liep het minder goed af. Albert Hommersons Amsterdamse hospita vertelde de SiPo diens verblijfplaats in Renswoude. Daar werd Hommerson op 23 januari gearresteerd. De enkele huizen verderop wonende Cornelis Koetsier werd eveneens opgepakt. Hij had zijn huis meermalen beschikbaar gesteld als vergaderplaats. Ook Koos Heijdra, al op 22 januari, en Jan Eshuijs, twee dagen later, belandden in de cel.
Er werd tevens een poging gedaan om in Den Dolder Herman Lieve thuis te arresteren. Die was afwezig, maar wel ‘deed de verloofde van Lieve open’, schreef Rem. ‘Dit was een Joods meisje, dat in het bijzijn van Van de Kamp werd gearresteerd. Nadien heeft men niets meer van dit meisje vernomen.’ Dat meisje betrof de 18-jarige Sophia da Costa Senior. Haar naam stond al vermeld in het Algemeen Politieblad van 22 oktober 1942, met een verzoek om haar opsporing, aanhouding en voorgeleiding. Ze was zonder toestemming vertrokken uit haar woonplaats Arnhem en bij Lieve ondergedoken, aan de Dolderseweg 42. Behalve Sophia da Costa Senior hield de politie nog een tweede vrouw aan. Haar naam is onbekend gebleven. Da Costa Senior werd afgevoerd naar kamp Westerbork en vervolgens naar Auschwitz. Daar werd ze op 30 november 1944 vergast.

Wim van de Kamp

Volgens Nico Rem werkte Wim van de Kamp al voor hij naar de Zaanstreek kwam als vertrouwensman voor de Sicherheitsdienst. Dat zou verklaren waarom Louis Cornelis Dijkman op de dag van zijn geplande bevrijding uit het Westergasthuis werd overgeplaatst, hetgeen zijn redding onmogelijk maakte. Het zou tevens de reden zijn waarom Nico Rem na zijn arrestatie in het Centraal Station weer werd losgelaten. Van de Kamp kende geen namen van de oorspronkelijke verzetsgroep Koog-Bloemwijk, maar door Rem te schaduwen kon de Sicherheitspolizei wellicht alsnog achter zijn oude contacten komen.
Ook zou Van de Kamp na zijn al dan niet in scène gezette arrestatie de SiPo hebben geholpen door namen en adressen van andere groepsleden te noemen. Het mocht hem niet baten. Docter, Gerssen, Eshuijs, Heijdra, Hommerson, Koetsier én Van de Kamp werden al in februari 1944 door het Polizeistandgericht ter dood veroordeeld ‘op grond van het lidmaatschap van de geheime vereniging, die ten doel had het plegen van gewelddaden’.

Fragment van vragenlijst Oorlogsgravenstichting over Willem van de Kamp (Nationaal Archief)

Albert Hommersons broer Ben overlegde met de Alkmaarse KP-leider Fritz Conijn over de mogelijkheid om de gevangenen te bevrijden uit het Huis van Bewaring aan de Amsterdamse Weteringschans. Hun beoogde actie kwam te laat. Op 23 februari lazen ze in de krant dat het vonnis al was voltrokken. De zeven mannen waren die dag in de duinen bij Overveen geëxecuteerd. De initiatiefnemers van de groep Koog-Bloemwijk (Jan Breeker, Nico Rem, Gerhard Müller, Aart Brinkman, Ger Fraaij en Co van Riessen) haalden voor zover bekend allen wel heelhuids de bevrijding.

‘Uit de mode’

In 1946 schreef Ben Hommerson een brief aan de ouders van Koos Heijdra. Hij haalde herinneringen op aan ‘de kameraadschap die je met elkander had’. “En dan hindert het ook niets, als de toestanden niet altijd zijn zoals ze moesten zijn. Ook niet, dat de ‘illegalen’ alweer ‘uit de mode’ zijn, ook niet, dat je vaak het gevoel hebt, alles voor niets te hebben gedaan – en dat alles, wat je nog doet, tóch ‘niet helpt’. Wat geweest is, is niet voorbij, zonder meer. Het is wel degelijk geweest en het heeft zijn gevolgen gehad.”

In datzelfde jaar vond er een onderzoek plaats naar de arrestaties binnen de verzetsgroep Koog-Bloemwijk/groep-Kappie en de rol die Wilhelmus Hendrikus van de Kamp daarbij had gespeeld. Ook zijn mogelijke werkzaamheden als Vertrauensmann van de Sicherheitsdienst in Arnhem werden nagegaan. Het leidde ertoe dat Van de Kamps stoffelijke resten in 1948 werden verplaatst van de Eerebegraafplaats in Bloemendaal naar een begraafplaats in Arnhem. Cornelis Koetsier kreeg een laatste rustplaats in Renswoude. De andere mannen liggen bij elkaar in vak 30 op de Bloemendaalse Eerebegraafplaats.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Het verdwenen oorlogsmonument

Zijn familie is al decennia op zoek naar informatie over Hendrikus ten Napel (Wormerveer, 28-4-1923/Schwesing-Engelsbrug, 27-11-1944). De Wormerveerder stierf als dwangarbeider in Duitsland, maar heel veel meer is er niet bekend over zijn wederwaardigheden. En waar bleef de herinneringsplaquette die ergens in Wormerveer hing (hangt?) en die nog twee namen toont? Robert Hofman uit Urk schreef er onderstaande tekst over. Informatie is welkom via info@schaapschrijft.nl.

Hendrikus, ook wel geschreven als Hendricus, wordt geboren op 28 april 1923 te Wormerveer. Drie jaar eerder werd zijn broer Lubbertje (1920) geboren. Hendrikus is het tweede kind van Pieter ten Napel en Jannetje Lubbertjes Hakvoort. Na Hendrikus worden nog Tiemen (1926) en Harm (1929) geboren. Hendrikus groeit op in Wormerveer, in de Van Diemenstraat 5. Hij wordt timmerman. Hiernaast doet hij dienst bij de brandweer. Hier wordt een groepsfoto gemaakt. Later zal blijken hoe waardevol deze foto is. Als de oorlog aanbreekt duikt hij onder. Zeer waarschijnlijk om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen. Hij is 21 jaar, en dus willen de Duitsers dat hij gaat werken. Hendrikus besluit om onder te duiken bij zijn familie op Urk. Zijn zwager Geert Oost zit in het verzet en helpt hem aan een goede plek.

Hendrikus ten Napel

Helaas, het is augustus 1944 als het verzet op Urk wordt verraden. Geert Oost wordt gearresteerd. Op dat moment is Hendrikus er zeer waarschijnlijk ook bij, hij wordt ook gearresteerd. Naast Geert en Hendrikus zijn er nog vier personen. De Duitsers verhoren iedereen op Urk, in de gereformeerde pastorie. Iedereen komt vrij, behalve Geert en Hendrikus. Men besluit Geert te werk te stellen te Arnhem, bij vliegveld Deelen. Hier moet hij bomtrechters dichtmaken. Hendrikus wordt als onderduiker behandeld. Er is geen genade blijkbaar. Hij wordt op transport gezet naar Kamp Amersfoort. Vanaf Amersfoort wordt hij verder op transport gezet naar Neuengamme. Hier komt hij aan op 10 september 1944. Op het hoofdkamp Neuengamme wordt hij doorgestuurd naar sub-kamp Husum-Schwesing. Mogelijk dat hij ook te Ladelund heeft gewerkt. Hendrikus kan het werk en de ontberingen niet aan. Hij sterft al enkele maanden na zijn arrestatie op 27 november 1944, om 04.37 uur te Schwesing-Engelsbrug. Een dag later, op 28 november wordt Hendrikus begraven op het Ostfriedhof te Husum.

Rode Kruis

Nog geen jaar later is de bevrijding in Nederland eindelijk een feit. In huize Oost is men opgelucht. Geert heeft de oorlog overleefd, maar zal last blijven houden van de oorlog, letterlijk en figuurlijk. Zijn beste vriend Piet Brouwer is opgepakt en heeft ternauwernood de oorlog overleefd. Later blijkt dat hij na de bevrijding alsnog in Duitsland overlijdt. Neef Hendrikus is spoorloos. Waar hij is gebleven weet de familie niet. Zijn ouders verkeren in onzekerheid. In juni plaatst Geert twee advertenties, in Trouw en in Strijdend Nederland, met een oproep voor Hendrikus. Er komt geen bericht binnen. Het is meer dan een jaar later als het Rode Kruis bericht heeft voor de familie. Op 16 augustus 1946 ontvangt vader Pieter een schrijven van het Rode Kruis: “Naar aanleiding van Uw aanvraag, deel ik U hierdoor mede, dat U thans bij den Ambtenaar van den burgelijken stand te Wormerveer, een extract uit het overlijdensregister, ten name van den heer Hendrikus ten Napel, geboren 28 april 1923 kunt aanvragen.” Het enige dat aan Hendrikus herinnert is de groepsfoto van de brandweer. Een uitsnede wordt gemaakt en ingelijst. De familie bewaart deze tot op de dag van vandaag. Hendrikus ten Napel wordt herdacht op een plaquette te Wormerveer. Op de plaquette staan drie namen, wellicht van Zaanse brandweervrijwilligers: Jan Arend Grobbe (Alphen aan de Rijn, 18-2-1917/gefusilleerd in Westerbork, 12-10-1944), Willem de Jong (Wormerveer, 18-4-1922/Zaandam, 5-10-1945) en Hendrikus ten Napel.

Strijdend Nederland (16-6-1945)

Jan Arend Grobbe

Nog een paar details, in aanvulling op de tekst van Robert Hofman. Jan Arend Grobbe was handelsreiziger en woonde in Groningen. Hij en zestien andere mannen eindigden hun leven voor het vuurpeloton, in wat de grootschaligste fusillade was in kamp Westerbork. Grobbe was betrokken bij twee verzetsorganisaties, de K-groep en de Nulgroep. Die hielden zich vooral bezig met het huisvesten van joden en andere onderduikers en het sjoemelen met bonkaarten. Door een infiltrant van de Sicherheitsdienst viel de K-groep in handen van de Duitsers. Op 12 oktober 1944 werden de over twee groepen verdeelde zeventien gevangenen vlakbij het crematorium van Westerbork met karabijnen gedood. De stoffelijke resten werden gecremeerd.

Jan Arend Grobbe (Oorlogsgravenstichting)

Willem de Jong

Willem de Jong (geboren in Wormerveer, aldus de plaquette, maar in Wormer volgens zijn overlijdenscertificaat) was ongehuwd. De vijf maanden na de bevrijding gestorven fabrieksarbeider woonde ten tijde van zijn dood in Wormerveer. Over hem is verder niets bekend. Dat geldt ook voor de vraag of zijn lijdensweg, zoals verwoord in de rouwadvertentie, een resultaat was van doorstane ontberingen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De Zaanstreek (10-10-1945)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Hoe omvangrijk was het joodse verzet?

In mei 2021 maakte het NIOD bekend een onderzoek te willen starten naar het joodse verzet in Nederland. Was dat bovengemiddeld, in vergelijking met de niet-joodse illegaliteit? Of lieten de joodse inwoners zich, zoals de beeldvorming soms wil doen geloven, slaafs naar de kampen sturen? Een voorzichtige steekproef, aan de hand van de Zaanse weerstand tussen 1940 en 1945.

Begin 2021 publiceerde Martijn Katan zijn boek Geen makke schapen. Daarin vertelt hij over tien joodse familieleden die tijdens de oorlog in verzet kwamen tegen het nazistisch regime in Nederland. Volgens Katan boden joden gemiddeld vijf maal vaker verzet dan niet-joden. ‘Natte-vingerwerk’ nuanceerde hij dat aantal overigens zelf, want over betrouwbare bronnen beschikte hij niet of nauwelijks. Maar dat er verhoudingsgewijs veel meer joden dan niet-joden in het verzet belandden, wist Katan zeker. “Zelfs de namen die we kennen, leiden al tot een percentage dat relatief twee keer zo hoog is als van de Nederlanders. En misschien waren het er heel veel meer”, zei hij tegen Nieuwsuur.

Historicus David Barnouw stak zijn scepsis over de door Katan genoemde percentages niet onder stoelen of banken. Op de website van Jonet benadrukte hij hoe moeilijk het is om getallen te noemen. Hanteer je de krappe verzetsdefinitie van Loe de Jong, die alleen het georganiseerde Nederlandse verzet telde en uitkwam op 45.000 illegalen? Ga je uit van de redenering van Dick Verkijk? Deze publicist rekende allen mee ‘die in positieve zin iets (tot heel veel) hebben gedaan in 1940-1945’. Zijn schatting van het aantal verzetsstrijders kwam daardoor op ruim 2,5 miljoen (op een bevolking van negen miljoen).
Of, veel waarschijnlijker, ligt de waarheid ergens tussen de aannames van De Jong en Verkijk? 

Joods Monument Zaanstreek

De ellende begint al bij de vraag wie er joods was. Moet je bijvoorbeeld uitgaan van de mensen die zichzelf joods noemden en daarmee de seculiere en andersgelovige mensen met een joodse herkomst negeren? Of hanteer je -hoe pijnlijk ook- de nazistische definitie? Die kwam er, sterk samengevat, op neer dat mensen met drie of vier joodse grootouders zelf ook automatisch joods waren. Hun voorbestemming was het concentratie- of vernietigingskamp.

Op het Joods Monument Zaanstreek staan de verhalen van alle Zaanse bewoners die in 1942 hun gemeente moesten verruilen voor het Judenviertel van Amsterdam of -de buitenlandse joden- kamp Westerbork. Daarnaast zijn op deze website lemma’s te vinden over de joodse onderduikers in de negen Zaangemeenten. Uitgaand van deze ‘database’ vol verhalen is tot op grote hoogte te herleiden wie van hen zich op enig moment op het illegale pad begaven.

Ik ga daarbij niet uit van de strakke normering die Loe de Jong hanteerde. Het zou betekenen dat mensen die niet in groepsverband weerstand boden, zoals individuele helpers van onderduikers, buiten de ‘verzetsdefinitie’ vallen. Tegelijkertijd wil ik de criteria niet zover oprekken dat de Koot-en-Bie-norm resteert (‘Wo ist der Bahnhof?’ ‘Do ist der Bahnhof.’).
Van onderstaande joodse personen is bekend dat zij zich in oorlogstijd bezighielden met koeriersdiensten, illegale pers, hulp aan onderduikers, vluchtacties of soortgelijke het regime ondermijnende werkzaamheden. Het betreft twee categorieën. Ten eerste de Zaanse inwoners die in de bezettingstijd als ‘voljood’ werden geregistreerd of als zodanig conform de toen geldende regels als zodanig geregistreerd hadden moeten worden (zie het lemma over het gezin van Theodor Strauss). En ten tweede de joodse mannen en vrouwen die voor kortere of langere tijd onderdoken in de Zaanstreek. Beide categorieën bij elkaar opgeteld, betreft het -alle leeftijden meegeteld- ruim zevenhonderd personen.

Zaanse bewoners:

Samuel de Beer (Den Haag, 16-5-1887) zou actief zijn geweest binnen het Zaanse verzet. Zijn rol daarin is overigens onduidelijk. Dat geldt niet voor zijn zoon Fred (6-2-1915). Die maakte tijdens de oorlog deel uit van de leiding van de illegale CPN in Zaandam en hield zich onder meer bezig met sabotageacties.

Ellen Justine Inja-Weijl (Enschede, 13-7-1903) en haar man Cor Inja hielden zich jarenlang bezig met de hulpverlening aan joden binnen en buiten de kampen.

Samuel de Lange (Amsterdam, 17-2-1906 – Dachau, 4-2-1945) komt voor op de ‘Erelijst Verzet en Koopvaardij’. Zijn arrestatie in maart 1944 maakte dat hij zijn verzetswerk niet kon voortzetten.

Hertha Poppert-Speier (Fritzlar, 11-11-1913) verzorgde vanaf 1941 Belgische cartes d’identité ten behoeve van mensen die Nederland wilden verlaten. 

Mina Smit (Zaandam, 27-11-1917) verborg samen met haar man Henk Blank onderduikers en bracht het ondergrondse blad Trouw rond. 

Theodor Strauss (Berlijn, 15-10-1904) hield zich voor de Groep-Albrecht bezig met spionage. Zijn echtgenote Marga (Dortmun, 14-3-1913) bezorgde gedurende de laatste oorlogsmaanden het ondergrondse blad De Typhoon.

Onderduikers in de Zaanstreek:

Isidor Berliner (Keulen, 25-1-1891), Erna Berliner-Schwarz (Keulen, 8-11-1897) en Doris Berliner (Keulen, 29-3-1929). De ondergedoken vluchtelingenfamilie Berliner verleende allerlei hand- en spandiensten aan het verzet, waaronder het rondbrengen van illegale kranten.  

Lore Zilly Durlacher (Duitsland, 3-12-1920) bevrijdde onder meer, samen met andere veelal joodse leden van de Westerweelgroep, gevangenen uit kamp Westerbork.

Eva Fränkel (Beuthen, 19-2-1918) was via Amsterdamse kunstenaarsconnecties actief in de illegaliteit.

Harry Führer (Keulen, 29-3-1924) bracht via het studentenverzet boodschappen over en bouwde op hun verzoek een onopvallende kristalradio.

Beppie Nunes Nabarro-Ephraïm (Amsterdam, 24-10-1920) was koerierster voor de Zaandamse verzetsman Piet Bosboom en verzorgde onderduikers.

Anna Sperber-Chlebowksi (Keulen, 8-12-1920 – Ravensbrück, 20-4-1945) sloot zich met haar man Gert aan bij de verzetsgroep van Joop Westerweel.

Helene Hertha Wohlfarth-Katz (Offenbach, Duitsland, 14-4-1909) vertaalde teksten uit het Duits voor de illegale pers.

Veel vrouwen

Aan bovenstaande namenlijst vallen een paar dingen op. Toen vier decennia na de bevrijding duizenden Verzetsherdenkingskruizen werden uitgereikt, was daarvan eenderde voor vrouwen. Maar hierboven staan elf joodse verzetsvrouwen en slechts vijf mannen. Het is een opvallend verschil met het algemeen geldend beeld van de ondergrondse werkers in Nederland.
Verder worden hierboven negen onderduikers in de Zaanstreek en zeven Zaans-joodse inwoners genoemd. Bij de laatste groep bevinden zich vijf personen die gemengd gehuwd of dankzij valse documenten ‘ontjoodst’ waren. Het betekende dat zij in beginsel niet naar een concentratie- of vernietigingskamp hoefden en dus meer verzetsmogelijkheden hadden dan degenen die al in 1942 of ’43 een oproep kregen om naar Westerbork te vertrekken.
Voor de joodse onderduikers die in verzet kwamen, geldt dat het merendeels vluchtelingen uit nazi-Duitsland betrof. Zij hadden al in de jaren dertig de gruwelen in hun vaderland ervaren en waren daardoor beter voorbereid op een ondergronds bestaan dan de oorspronkelijk Nederlandse joden, die gaandeweg en vaak te laat ondervonden wat de nationaalsocialistische plannen waren.

Hoger aandeel

Uitgaand van bovenstaande namen en alleen de betrokkenen van achttien jaar en ouder tellend, kom ik uit op 2% van de ‘autochtone’ joodse Zaankanters en 3% van de joodse onderduikers in de Zaanstreek die zich ontwikkelden tot verzetsstrijder. Volgens Loe de Jong nam 0,5% van de bevolking in Nederland deel aan het verzet, maar dat was inclusief alle kinderen en jongeren. Zelfs als die niet worden meegeteld (ongeveer eenderde van de totale populatie), blijft het percentage dat De Jong aan het verzet toeschreef ruim onder de 1%. De Zaanse cijfers vertalend naar heel Nederland zou je kunnen concluderen dat de joodse deelname aan het verzet drie tot vijf keer hoger lag dan het aandeel van de niet-joodse bevolking. Dat is dus aardig in lijn met het ‘natte-vingerwerk’ van Martijn Katan.

Maar…

Tegen deze berekening kunnen de nodige bezwaren worden ingebracht. De mate van verzet verschilde per regio, en dus ook het verzet waarbij joden betrokken waren. Zo is bekend dat in de Zaanstreek relatief meer illegale activiteiten plaatsvonden dan elders in Nederland. Dat kan van invloed zijn op de genoemde percentages.
Verder hanteerde zoals gezegd Loe de Jong een smalle definitie van verzet, waardoor meerdere van bovengenoemde namen waarschijnlijk niet aan zijn criteria voldeden. Er bestaan bovendien geen kant en klare lijsten van verzetsstrijders, en al helemaal geen overzichten met joodse illegalen in de ene en niet-joodse in de andere tabel, waardoor een volledige betrouwbare vergelijking mogelijk is. En zo zijn er nog wel wat kanttekeningen te plaatsen.
Het maakt het aangekondigde NIOD-onderzoek naar het joodse verzet in Nederland des te pregnanter.

Amsterdams monument voor de joodse verzetsstrijders die de oorlog niet overleefden (Wikipedia)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag