Oorlogsschaakspel met Zaanse tint in Rijksmuseum

Het Rijksmuseum maakte in het voorjaar van 2016 bekend een nieuw object op te nemen in de vaste collectie, een van papierresten gemaakt schaakspel uit 1945. Er loopt een rechtstreekse lijn van deze illegale gevangenisvlijt naar de Zaandamse verzetsstrijder Jaap Buijs.

Jaap Buijs, 1944 (collectie Charlot Smith-Buijs) Jaap Buijs

Het Rijksmuseum ontving het onooglijke schaakspel zeventig jaar na de bevrijding  uit de nalatenschap van een andere verzetsstrijder, Arie van Namen. Deze mede-oprichter van het illegale blad Vrij Nederland zat vanaf 12 januari 1945 in een cel, een lot dat hij deelde met de elders op de Weteringschans opgesloten Zaandamse houthandelaar. Beide mannen waren die ochtend door de sneeuw naar de Zuider Amstellaan 44 gereisd. Daar arriveerden rond tienen nog drie andere verzetsstrijders uit de leiding van de in oprichting zijnde Stichting 1940-1944. In die organisatienaam klonk optimisme door; nog dat jaar – was althans de verwachting – zou de bevrijding van Nederland een feit zijn. Ook de bewoner van het huis was aanwezig, de 26-jarige rechtenstudent Johan van Lom. Wat de anderen niet wisten, was dat hij hun vergadering had verraden aan de Sicherheitsdienst. In ruil zouden de Duitsers zijn maîtresse Tjodina Tijmstra vrijlaten, een opgepakte bezorgster van het illegale Parool.

Toen tegen half elf de SD binnenviel in het huis aan de Zuider Amstellaan werden onder anderen Buijs en Van Namen opgepakt en vervolgens geboeid naar de gevangenis aan de Weteringschans vervoerd. “Ik werd opgesloten in cel 18A1, een zeer donkere en ellendige cel”, beschreef Jaap Buijs later zijn ervaringen. De gevangenen kregen eenzame opsluiting. Af en toe werden ze tevoorschijn gehaald voor een stevige ondervraging. Van Namen: “Ik heb elke dag bij de verhoren in gedachten geleefd dat we er allemaal aan zouden gaan. Bij de verhoren zeiden ze: als je het niet zegt, dan gebeurt het om half zes, hoor! Ze werden naast je uit de cellen gehaald. Het was een verschrikkelijke tijd.” De mannen wisten niet dat hun verrader een deal had gesloten: hij had zijn ‘kameraden’ aangegeven op voorwaarde dat ze niet geëxecuteerd werden. Daaraan zouden de Duitsers zich houden; na de bevrijding konden de grondleggers van wat inmiddels Stichting 1940-1945 heette de gevangenis verlaten.

Celnr

Voor het zover kwam moest Jaap Buijs door een hel. Hij had niet alleen te maken met zware verhoren, ijzige kou en belabberd eten, maar moest op 12 februari 1945 ook afscheid nemen van zijn beste vriend, de in een naastgelegen cel opgesloten Walraven van Hall. Deze Zaandamse bankier werd later die dag met zeven anderen gefusilleerd in Haarlem. “Een der ellendigste dagen van mijn leven”, noteerde Buijs. “Totaal kapot was ik. Wat is de vrijheid duur gekocht. Toen ik het barse bevel hoorde om uit zijn cel te komen wist ik mij geen raad meer.”

Jaap Buijs begon in te storten en te hallucineren. Zijn geestelijke redding kwam toen hij op 3 maart werd overgeplaatst ‘naar cel 7A1, waar ik tot mijn vreugde aantrof A.H. v. Namen, een jonge advocaat met wie ik had samengewerkt om de “Stichting” voor te bereiden’. Eindelijk werd Buijs voorzien van waswater, schoon ondergoed en zelfs een Rode-Kruispakket. Er gloorde weer wat hoop.

In Buijs’ dagboekaantekeningen komt bij de datering ’13/3-16/3′ voor het eerst een schaakspel ter sprake. “We hebben spelletjes gemaakt van WC-papier. Dominé- [domino], dam- en schaakspel. De tijd gaat daardoor veel vlugger om.” Beide mannen speculeerden over de aanleiding voor hun arrestatie, maar kwamen daar aanvankelijk niet achter. Bijna dagelijks werden er gevangenen afgevoerd om te worden geëxecuteerd. Tegelijkertijd leefden Buijs en Namen ‘in een roes van steeds beter wordende berichten’. De bevrijding naderde, en daarmee hun kans om de bevrijding te halen. Buijs, media maart: “Steeds betere oorlogsberichten. Ik heb echter weer vele inzinkingen. Ik begin steeds meer te tobben hoe mijn eigen gezin en dat van Wallie [van Hall] het maken.”

Op tweede Paasdag, 2 april, schreef Buijs opnieuw over het schaakspel. “‘s Middags werd Arie weer betrapt toen hij door ‘t raam sprak. Even daarna werden wij betrapt toen wij zaten te schaken. Het spelletje werd verbeurd verklaard en wij kregen als straf ‘twee dagen inhouding van voedsel’. Even daarna kwam de commandant van de gevangenis binnen. Wij dachten dat nu de straffen zouden komen, maar dit viel nu eens mee. Buiten de cel stond n.l. op een kaartje dat wij 2 dagen geen voedsel mochten hebben en nu zei hij: ‘Heren, dit gaat natuurlijk niet door, hè’, en schrapte dit door en vervolgde: ‘Voor de rest kan ik de heren zeggen blij te zijn een Beier te wezen en geen Holl. Pruis. Dag heren.’ – en de cel ging weer dicht.”

Arie van Namen Arie van Namen

Omdat Arie van Namen – in tegenstelling tot Jaap Buijs, die daar niets van begreep – voedselpakketten ontving, hadden de twee gevangenen de mogelijkheid om van het pakpapier een nieuw schaakspel te maken. Op 22 april werden de mannen echter uit elkaar gehaald; Jaap Buijs werd overgeplaatst naar het ‘Oranjehotel’, de strafgevangenis in Scheveningen. “‘s Avonds om 9 uur ging mijn celdeur open en moest ik er uit komen. Ik vroeg aan die kerel, een Hol. wachtmeester, wat er gaande was, daar hij zo’n haast maakte dat ik geeneens behoorlijk afscheid van v. Namen kon nemen. Ik moest al mijn spullen meenemen en die vent stond maar te schreeuwen: ‘Vlug, vlug, opschieten’.”

Het schaakspel bleef achter in cel 7A1, bij Arie van Namen. Toen die twee weken later werd vrijgelaten – de bevrijding was inmiddels een feit -, nam hij de met potlood tot schaakspel omgevormde 32 stukjes grauwgrijs papier mee naar huis. Ze zwierven vervolgens zeventig jaar in een oude envelop door Amsterdam en omgeving alvorens het Rijksmuseum besloot er een speciale plek voor in te ruimen. De schaakstukken zijn voortaan te vinden op de afdeling negentiende en twintigste eeuw, in het zaaltje over de Tweede Wereldoorlog.

In diezelfde ruimte is, als contrast, een schaakspel te vinden dat in 1941 vermoedelijk door SS-leider Heinrich Himmler is geschonken aan NSB-topman Anton Mussert. Het komt hoogstwaarschijnlijk uit het NSB-hoofdkwartier aan de Utrechtse Maliebaan. Het bord is van coromandelhout, de geglazuurde stukken van terracotta klei. Het protserige spel verheerlijkt de veroveringsdrang van nazi-Duitsland gedurende de Tweede Wereldoorlog. De schaakstukken bestaan uit wapentuig, infanteristen en oorlogsvliegtuigen. De tekst in de bordrand verwijst naar landen die in 1939 en 1940 door het Derde Rijk werden aangevallen: “1939 SCHACH-MATT POLEN . DENEMARK . NORWEGEN . HOLLAND . BELGIEN . FRANKREICH . ENGLAND U.S.W.” Het vormt in alles een contrast met de nabije stukjes gescheurd papier van Jaap Buijs en Arie van Namen die tezamen eveneens een schaakspel moeten voorstellen.

Schaakbord
Het Mussert-schaakspel in het Rijksmuseum

(Verder lezen over het schaakspel van Van Namen en Buijs? Vrij Nederland wijdde er in het nummer van 30 april 2016 een lang artikel aan. Daarin staan overigens een foutje. Zo zaten Arie van Namen en Jaap Buijs aan de Weteringschans niet ‘in aangrenzende cellen’, maar bij elkaar in één ruimte. Dat maakt het ook een stuk waarschijnlijker dat Van Namen het schaakspel niet alleen gefabriceerd hefet, maar samen met Buijs. Ook werd Van Namen niet ‘als allerlaatste gevangene op 6 mei 1945 om tien uur ‘s avonds vrijgelaten’. Misschien wel uit het Amsterdamse cellencomplex, maar Jaap Buijs mocht bijvoorbeeld pas op 7 mei het Scheveningse Oranjehotel verlaten. Diens laatste dagboekaantekeningen: “Moge God mij de kracht geven mij weer op te richten en te helpen ons land weer omhoog te brengen.” Jaap Buijs zou echter na de oorlog zwaar getraumatiseerd blijven, vooral door de voortijdige dood van zijn vriend Walraven van Hall. Hij overleed op 10 november 1960, 72 jaar oud. Het hele oorlogsverhaal van deze te onbekende verzetsman is hier te lezen.)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De joodse geschiedenis werd in Wormer vermalen

In de gemeente Wormer werden honderden tonnen joods erfgoed vernietigd. In opdracht van de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog, door de Nederlanders kort daarna. Gebedenboeken, Thorarollen, eeuwenoude heilige geschriften; dag na dag verdwenen de geroofde kostbaarheden in de stortkokers van papierfabriek Van Gelder.

Kort nadat in het najaar van 1942 de eerste grootschalige razzia’s op Amsterdamse joden plaatsvonden, zagen de inwoners van Wormer wekenlang volgeladen vrachtwagens het dorp inrijden. Elke werkdag kwamen ze langs. De inhoud van de door gewapende SS’ers bewaakte auto’s bestond uit zakken en dozen vol boeken en documenten. Ze waren bestemd voor Van Gelder Zonen, de grootste werkgever van het dorp. De arbeiders daar hadden als taak om de aangevoerde lading tot pulp te vermalen, opdat er daarna nieuw papier van kon worden gemaakt.

Gelder
Van Gelder in de jaren ’30

De Van Gelder-werknemers hadden al snel door waarom de geleverde papiermassa met zoveel geheimzinnigheid en bewaking werd omgeven. Een voormalige sous-chef van het bedrijf: “Dat waren joodse boeken, massa’s en massa’s. Nooit heb ik geweten dat joodse mensen zo geletterd waren. Van alles was erbij. Als die zakken werden leeggegooid, vaak waren het PTT-zakken, dan stond me het huilen nader dan het lachen. Tussen oude gebedenboeken en rollen perkament met Hebreeuwse letters zag je opeens een corset, een schoen en een sok, een half gebit, een gebroken zuigfles met speen, de resten melk er nog in. Dat waren geen kleren die uit de kast kwamen, dat waren kleren die de mensen een paar uur tevoren hadden uitgetrokken. Je kon zien dat die joodse mensen zo uit hun bed waren gehaald. Dat zo’n oud mens niet eens de tijd had gekregen zijn gebit in te doen of zo’n vrouw om haar corset aan te doen.”

Het vernietigen van wat hij noemde ‘hun geestelijke nalatenschap’ ging deze werknemer aan het hart. “Fantastische folianten waren daarbij. Van die geweldige boekdelen in leer gebonden, we konden ze nauwelijks dragen. Een lap leer, dat was iets waard in 1942. Met een zakmes waren die lappen leer er afgesneden. Die zijn zeker als schoenzolen geëindigd. Koperen, zilveren en gouden beslag en sloten waren er afgerukt. Van die grote rollen perkament om stokken gewikkeld. En ook veel kleinere rollen. ‘t Was verschrikkelijk.”

Thorarollen

De folianten waren waarschijnlijk delen van de Talmoed, de grote perkamenten Thorarollen en de kleinere Estherrollen. Bovengenoemde naamloze arbeider schatte de hoeveelheid tijdens de oorlog vernietigde judaïca op zeven- à achthonderd ton, een immense papierstapel. “Ik had daar mede de verantwoordelijkheid voor die afdeling”, vertelde hij. “Je kon maar niet alles in die papiermolen smijten. Harde kaften, linnen, leer, doek, hout, steen, enz., dat moest er allemaal uitgesorteerd. Dat ging op de afvalhoop. Zo had ik de gelegenheid veel van dat spul in mijn handen te nemen. Prachtige familiealbums heb ik gezien. Van die imposante koppen met baarden. Hotsee, alles de molen in. Schnell! Schnell!”

Een andere getuige, de voormalige directeur van Van Gelder, herinnerde zich dat er onder meer een joodse huwelijksbaldakijn werd afgeleverd. “Die moest er natuurlijk uit. Van doek kunnen we geen papier maken.” Op de centrale verzamelplaats in Amsterdam werd blijkbaar niet al te nauwkeurig gekeken wat in Wormer tot pulp vermalen moest worden. Slechts een enkele keer kon er iets worden gered; de Duitse toezichthouders letten goed op dat alles werd vermalen. Maar bij de ‘mestvlet’, de afvalschuit waarop de restanten belandden die niet tussen de papierresten thuishoorden, viel nog wel eens iets achterover te drukken.

Gebedenboek

In 1969 somde een verslaggever van dagblad De Tijd op wat hij tijdens een rondgang door Wormer zoal tegenkwam, thuis bij de bewoners. “Een boekje Bloemen uit het Heilige Land, souvenir uit het voormalige Palestina, houten omslag. Het titelblad van een Hebreeuws gebedenboek uit 1722, een titelblad van een gebedenboek voor Joods Nieuwjaar en Grote Verzoendag, gedrukt bij Proops te Amsterdam. Het titelblad van een Hebreeuws Bijbelboek (Genesis). Die titelbladen waren met de harde kaften van de boeken gerukt. Een piepklein woordenboekje, Duits-Hebreeuws, zo groot als een lucifersdoosje. Het was bij het leggooien van zo’n zak wat opzij gerold en een van de arbeiders wist het weg te schoppen en haalde het later op. Een op zijde gedrukt krantje ter ere van de koperen bruiloft van Isaac N. Calisch en Gustava Calisch, van hun kinderen Hendrik Isaäc Calisch, Morits Calisch en Henriëtte Sara Calisch. Degeen die die in zijn bezit had, herinnerde zich ook nog gebedsriemen en ‘die buisjes, die joodse mensen aan hun deur hebben’ (mezoezot). Dan een poëziealbum, gebonden in hout met ijzerbeslag, op 20-5-1885 geschonken aan Thérèse Molling te Hannover, waarvan de laatste bladzijde dit opschrift draagt: ‘An meine liebe Grossmutter. Wer dich noch lieber hat als ich. Der schreibe sich hinter mich. Den 27. Dezember 1936, dein Enkelkind Margot’.”

Lehren

Zijn opzienbarendste vondst deed verslaggever M. van Tijn bij een voormalig chemicus van Van Gelder: acht brieven aan de Amsterdamse broers Hirsch (1784-1853) en Akiba (1795-1876) Lehren. Dat waren twee vrome, rijke joodse notabelen die veel charitatieve activiteiten ontplooiden. De acht brieven beslaan een periode van dertig jaar en gaan vooral over financiële aangelegenheden. Hoe de ex-chemicus ze in zijn bezit kreeg wist hij niet meer, maar dat ze tijdens de oorlog uit de Van Gelderfabriek werden gered stond hem nog wel voor de geest. Hij heeft ze, een kwart eeuw na de bevrijding, alsnog afgestaan aan de Bibliotheca Rosenthaliana in Amsterdam.

Akiba Lehren Hirsch Lehren Hirsch Lehren

Wormer
Een deel van de bij Van Gelder geredde brieven aan de Amsterdamse broers Lehren.

In het najaar van 1944 begon de bezetter met het leegroven van de Van Gelderfabriek. De inventaris, zo was de bedoeling, moest ten goede komen aan de Duitse oorlogsindustrie. Maar terwijl de nazi’s het bedrijf overdag ontmantelden, haalde het regionale verzet er ‘s nachts machines weg, in een poging ze te behouden voor Nederland. Het versnipperen van oud papier kwam daarmee ten einde. Wat de Duitsers in dat laatste oorlogsjaar nog binnenbrachten aan joodse roofbuit werd daarom in een hal op het Van Gelderterrein opgeslagen.

Na de bevrijding

Toen de heringerichte fabriek in 1946 weer begon te draaien, werd besloten om de resterende joodse boeken en documenten als vanouds te vermalen. Papier was schaars in de naoorlogse jaren en die voorraad ongebruikt laten werd als verspilling beschouwd. En dus verdwenen er opnieuw tonnen aan al dan niet kostbare joodse eigendommen in de stortkokers. Volgens Klaas Kemp, die in 1944 bij het bedrijf kwam werken, begon de vernietiging van joodse boeken ‘pas goed’ in maart 1946, samen met het ingezamelde Duitse propagandamateriaal. Sommige werknemers van Van Gelder waren volgens Kemps collega Fokke Post ‘gek op die jodenbibliotheken. Dat was het grote werk. Het was er gezellig en ach, laten we eerlijk wezen, je vond wel eens wat’. Zowel de boeken zelf, soms in leer gebonden en met goud op snee, als de kostbaarheden die de voormalige eigenaars tijdens de oorlog in uithollingen hadden verstopt, waren geliefd.

‘Machine 10’ was de eerste die na de oorlog weer in gebruik werd genomen en tevens degene waar de joodse inboedels terechtkwamen. Fokke Post: “Dat ding maakte van prut papier.” Ook in die prut troffen de werknemers nog wel eens joodse kostbaarheden aan. Post: “De jongens die daar bij de verzamelplaats werkten, vonden het meeste en hadden een potje, waarvan ze elk jaar een dagje uitgingen.” Kemp, in 1983: “Je moest alles zien in verband met de schaarste. Het was een fijn stel mensen, zeker geen NSB’ers.” Zijn echtgenote: “De mensen gingen stelen, het gebrek dwong ze ertoe dingen te doen die ze normaal niet deden.”

Fokke Post, tot slot, over de roof van joods bezit bij Van Gelder: “Hier in Wormer is er nog gerust het een en ander van de joden te vinden. Het werd niet beschouwd als diefstal, ben je gek, het was een publiek geheim. In en vlak na de oorlog was er een grote saamhorigheid in het dorp.”

Voor dit artikel is onder meer gebruikgemaakt van dagblad De Tijd (3-5-1969), het Nieuw Israelietisch Weekblad (2-12-1983) en J. Pressers boek Ondergang.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De Zaanstreek in de Tweede Wereldoorlog (3): Andreas Ausems

Deel 3 in een serie longreads over Zaanse verzetsstrijders die tussen 1940 en 1945 van landelijk of zelfs internationaal belang waren. Na de bevrijding raakten ze in de vergetelheid. Door hen hier te portretteren hoop ik ze weer een beetje zichtbaar te maken. De verhalen zijn, aangevuld met voetnoten en namenindex, ook te lezen in mijn boek Vrijgevochten. Zaans verzet in nationaal perspectief (1940-1945).
In deel 3 van deze korte serie een portret van Andreas Wilhelmus Maria Ausems.

Artsenzoon André Ausems brengt zijn jeugdjaren door in Utrecht. Na de lagere school gaat hij naar het gymnasium, maar drie jaar later geeft hij de hoop op het eindexamen te halen. Hij stapt over naar de ambachtschool, maar ook daar komt hij niet ver. Als hij 17 is verhuist hij naar Amsterdam. In 1927 wordt hem daar het diploma overhandigd van de middelbare technische school. Dré hoeft niet het leger in, wegens broederdienst. In plaats daarvan werkt hij bij enkele fabrieken, om in 1929 over te stappen naar Philips in Eindhoven. Daar ontmoet hij de uit Den Helder afkomstige documentaliste Pauline Redeke (1904). Ze trouwen op 29 december 1931 in hun woonplaats Gouda en krijgen de jaren daarna vier kinderen, drie jongens en een meisje. De jongste zoon verdrinkt overigens in 1941, nog geen 2 jaar oud.

Na drie jaar te hebben gewerkt bij de Nederlandse Ovenbouwmaatschappij begint Ausems begin 1934 in Bolsward een fabriekje in dakpannen. Het wordt geen succes. De concurrentie van grote fabrieken maakt dat hij het bedrijf al na drie jaar moet sluiten. In de jaren dertig werkt Ausems als assistent-bedrijfsleider bij de vliegtuigfabriek van Frits Koolhoven in de Rotterdamse Waalhaven. In 1938 verhuist het gezin Ausems naar de Jacob Honigstraat 18 in Zaandijk. De reden is alweer een nieuwe baan, dit keer als technisch beambte bij Fokker op Schiphol.

Andreas W. Ausems

Andreas Ausems

In september 1942 slaat Ausems op de vlucht, na op zijn werk door de Duitse bedrijfsleiders te zijn ontmaskerd als saboteur. Hij duikt onder, doet verzetswerk en vertrekt in het najaar van 1943 voor de Raad van Verzet naar Engeland. In maart 1944 is hij terug in Nederland, nu als geheim agent van het Nederlandse Bureau Inlichtingen. Hij slaagt er in om boodschappen over te brengen van de Nederlandse regering in ballingschap en een illegaal radionetwerk op te bouwen. Tot aan de bevrijding blijft hij op verschillende plaatsen actief binnen de illegaliteit. Daarna vertrekt hij met een aantal collega’s van het Bureau Inlichtingen en andere militaire organisaties naar Ceylon. Het is de bedoeling dat dit Korps Insulinde assisteert bij het verdrijven van Japan uit Nederlands-Indië. Door de internationale ontwikkelingen komt het daar niet van en begin 1946 is Ausems terug in Zaandijk. Hij treedt weer in dienst bij Fokker. Als gevolg van ziekte overlijdt de rooms-katholieke Andreas Wilhelmus Maria Ausems, voorzien van het sacrament der stervenden, op 31 mei 1955 om kwart voor twee ’s nachts, slechts 50 jaar oud.

1.

In de nacht van 29 februari op 1 maart 1944 stijgt aan de Engelse Oostkust een militair vliegtuig op. Het zet koers richting Nederland. Aan boord bevinden zich niet alleen de reguliere bemanningsleden, maar ook twee agenten van het in Londen opererende Bureau Inlichtingen: Andreas Ausems en Jacques van Loon. Hun doel is het vlakbij de Belgische grens gelegen Rijsbergen. Onopgemerkt door de Duitsers belandt het vliegtuig na een vlucht over de Noordzee en Zeeland boven Noord-Brabant. Boodschapper Ausems en marconist Van Loon staan op en controleren voor de laatste keer hun parachutes. Om het toestel te verlaten maakt het duo gebruik van een 2,5 meter lange glijbaan, die hen -in tegenstelling tot een duik uit de zijdeur- direct in een verticale positie brengt. Het vergroot de kans op een geslaagde landing, geen overbodige luxe bij een sprong vanaf slechts vijfhonderd meter hoogte. Als het luik opengaat staan Ausems en Van Loon klaar. Ze kijken naar de lamp in het laadruim, het teken wanneer te springen. Het licht blijft uit. Een schreeuw van een bemanningslid maakt duidelijk dat het evengoed tijd is. Twee, drie seconden te laat springen ze uit het vliegtuig. Ausems glijdt als eerste de duisternis in, onmiddellijk gevolgd door Van Loon.

De vlucht duurt kort, de landing op vaderlandse bodem is stevig. Het duo komt zo’n honderd meter van elkaar neer op boerenland. Van Loons parachute blijft haken aan het dak van een boerderij. Het levert de nodige problemen op om de lap stof los te maken zonder iemand te wekken of schade te veroorzaken. Hij worstelt met de zijde. Tot zijn ongerustheid hoort of ziet hij Ausems niet. Zodra Van Loon zijn valscherm zo goed en zo kwaad als dat gaat heeft opgevouwen, besluit hij de Zaandijker te zoeken. De marconist vindt hem, zittend op de koude landbouwgrond. Ausems is tijdens de landing hard gevallen. Het duurt even voor hij bij zijn positieven is. Dan krabbelt hij overeind, raapt zijn parachute bij elkaar en zegt tegen zijn Brabantse medespringer: “Laten we maar gaan. Jij weet de weg.”

Postduiven

Het pak met hun materialen is op een zandweg gevallen. Rechtop staand wacht het de komst van de eigenaars af. De meegenomen radiozenders hebben de klap op de grond overleefd en ook twee koffers zijn heelhuids neergekomen. Hetzelfde geldt voor een kistje met twee postduiven. De vogels moeten het Bureau Inlichtingen melden dat de aankomst veilig is verlopen. Omdat ze te veel spullen bij zich hebben om in één keer mee te nemen proberen Ausems en Van Loon hun parachutes en zenders te begraven. Dat mislukt. Het vriest en de aarde is te hard om een kuil te maken. De tijd begint te dringen; nog een paar uur en het wordt licht. Ze besluiten de parachutes in het veld te verbergen. Van Loon beklimt een van de vier hooibergen naast de boerderij, zoekend naar een alternatieve bergplaats voor de zenders en enkele eveneens meegevoerde fietsbanden, in Nederland inmiddels een gewild artikel. Ze krijgen een tijdelijke plek onder de bovenkap. Ausems neemt vervolgens de koffers ter hand, Van Loon loopt met getrokken revolver en de duivenkooi voor hem uit in noordelijke richting, langs de rand van het Mastbos.

Zo’n vijftien kilometer verder bevindt zich Sjef Adriaansen. Deze BI-agent is twee maanden eerder samen met zijn collega Harm Steen in Nederland gearriveerd. Adriaansen is in afwachting van het tweetal. Hij heeft zijn intrek genomen bij de familie Van Nunen, die in Princenhage een rijwiel- en motorhandel beheert. Probleem is dat hij weliswaar al in februari vanuit Londen te horen heeft gekregen dat er bezoek op komst is, maar niet waar of wanneer de dropping plaatsvindt. Hij kan beide agenten dus niet terzijde staan. Hun zoektocht in het donker is zwaar. Hoewel Ausems en Van Loon elkaar afwisselen bij het dragen van de koffers hebben ze uren later nog altijd geen opvangadres in zicht. Uitgeput en verkild besluiten ze de bagage achter te laten in een greppel. Met dode bladeren worden de koffers aan het zicht onttrokken. Ze proberen ter plekke een briefje te schrijven en dat in het kokertje aan de poot van een postduif te stoppen. Het lukt niet. Hun handen zijn te verkrampt om een fatsoenlijke tekst op papier te krijgen. De twee duiven stijgen op voor een zoektocht naar hun Engelse thuisbasis, maar zonder een boodschap mee te nemen.

Broers Van Nunen

De twee mannen vervolgen hun tocht en bereiken in de vroege ochtend de winkel van de familie Van Nunen. Het in Engeland opgegeven adres is moeiteloos te herkennen: aan de gevel van hun zaak hebben de broers Van Nunen een uithangbord gehangen met daarop in grote letters het rijwielmerk Sparta. Het is voor BI-hoofd Jan Somer, die in maart 1942 hulp van de fietsenmakers kreeg bij zijn ontsnapping uit Breda, reden geweest hen tot ‘Spartanen’ te benoemen en vanuit Londen in te schakelen bij een reeks illegale werkzaamheden. Bij een verkenning in de omgeving van het huis zakt Van Loon door het deksel van een beerput en verdwijnt half in de mest. Ausems wekt Sjef Adriaansen en Rinus van Nunen, die de besmeurde Van Loon voorzien van schone kleding. Besloten wordt om de koffers meteen uit het Mastbos te halen, terwijl het nog donker is. De rest van de spullen wordt ’s avonds opgepikt, zij het niet zonder moeite. Boer Van Beek heeft ’s ochtends de in zijn hooiberg verborgen goederen gevonden en geeft zijn kostbare buit pas prijs onder dreiging van revolvers.

Ausems is daar overigens niet bij. Na een uurtje te hebben gerust voorziet hij Van Loon die ochtend van ƒ5000,- en de boodschap dat hij contact gaat zoeken met de Raad van Verzet. Dit leefgeld voor Van Loon, een gelijke hoeveelheid voor Ausems en ƒ90.000,- voor de RVV, is afkomstig van het Bureau Inlichtingen. Adriaansen wil ook geld, maar krijgt dat niet. Volgens Ausems heeft hij nog genoeg over van het bedrag dat hij meekreeg bij zijn vertrek naar Nederland. Hij zegt te hopen binnen enkele dagen te kunnen terugkeren naar Princenhage en vertrekt vervolgens per geleende fiets naar zijn broer -eveneens actief in het verzet- in het nabijgelegen Goirle. Daar haalt hij een oud document op dat melding maakt van zijn baan bij Fokker, overlegt met de plaatselijke verzetsleider Wim de Kort en geeft ƒ10.000,- in bewaring bij de douanebeambte D.J. Duivenvoorde, met de mededeling dat die er desgewenst geld van kan afhalen voor zijn eigen illegale werkzaamheden.

Het is de tweede keer in korte tijd dat er radio-apparatuur en een flinke stapel bankbiljetten uit Engeland komt. Een door Harm Steen en Sjef Adriaansen meegenomen zender en zo’n ƒ60.000,-, bestemd voor de landelijke verzetsleider Walraven van Hall, zijn al eerder naar Princenhage gebracht. Op een zondag nemen de aan het verzet verbonden Zaandamse politieagenten Robert Pel en Folkert Brandsma de trein naar het zuiden. Het kost hen enige tijd voor ze, lopend vanaf het station in Breda, het adres van de gebroeders Van Nunen vinden. Daar gearriveerd verdwijnt de zendinstallatie in enkele koffers en gaan de twaalf pakken met biljetten onder de politie-uniformen en in de sokken. Ook de terugweg verloopt voorspoedig. Pel: “Het raam van de coupé was open. Afspraak was dat als iemand erg lastig zou worden met controleren wij hem bij de benen zouden grijpen om hem het raam uit te gooien. Er is niets gebeurd; er was geen controle.” De bagage bereikt ongeschonden de Zaanstreek, waar het verdeeld wordt over enkele betrouwbare adressen. Jan Hendrik op den Velde, de chef-Technische dienst van de OD en BI-contactman, neemt de radiozender in gebruik. Vanuit zijn werkplaats op de Zaandamse Westzijde stuurt hij dagelijks berichten naar Londen. Een buurman, dominee Jan Eikema, codeert de berichten en ontcijfert de boodschappen die het Bureau Inlichtingen in Londen op haar beurt naar Nederland stuurt. Aanvullende hulp komt van Harm Steen, die afwisselend onderdak krijgt bij Op den Velde, Hendrik Fris en Pauline Ausems. Steen kan bovendien in de relatief rustige Zaanstreek de komst van Dré Ausems afwachten.

2.

Na in Goirle te hebben overnacht belt Ausems op 2 maart zijn vriend Jan Hendrik op den Velde, alias ‘Hein’. Hij nodigt zichzelf en zijn vrouw uit voor het avondeten. ’s Middags neemt hij vanuit Tilburg de trein naar Zaandam. Bij de stationsuitgang wordt de reizigersbagage gecontroleerd, maar Ausems ondervindt geen problemen. Vanaf het station loopt hij naar Westzijde 140, gewapend met zijn koffer, geld en identiteitsbewijs. Wat hij niet weet is dat de Sicherheitspolizei diezelfde middag een inval heeft gedaan op zijn gastadres. “Bij Hein stond de deur open, hetwelk op dat uur van de dag meer voorkomt en dus niets vreemds was”, zal hij later verklaren. De fiets van negenendertig [Ausems’ echtgenote, die werkt onder de codenaasicm P39, E.S.] stond in de gang, ik wist dus dat deze eveneens in huis was.” Pauline is vanuit Zaandijk naar de Westzijde gereden, na eerder die dag door Fine op den Velde voor een etentje te zijn uitgenodigd. Een derde teken dat de kust veilig is, is de kamerlinde die Dré Ausems in de vensterbank ziet staan. Hij heeft voor zijn vertrek naar Groot-Brittannië met Fine afgesproken dat ze bij onraad de grote plant verwijdert. De Sipo-inval is echter dermate snel verlopen dat Fine alleen nog de vitrage heeft kunnen dichttrekken, iets dat Ausems niet opvalt.
De aanleiding voor de Duitse inval is een eerder bezoek van Jan Hendrik op den Velde aan een Haags OD-adres dat door de Sicherheitsdienst in de gaten wordt gehouden. Op weg naar huis is de Zaandammer geschaduwd. Toen het de Duitsers duidelijk werd dat hij een handel in radio-artikelen had, was er voldoende aanleiding om zijn telefoongesprekken af te tappen en vervolgens binnen te vallen op de Westzijde.

Telegrafische zender

Zodra Dré Ausems de huiskamer op de eerste verdieping binnenstapt, weet hij een pistool op zich gericht en krijgt hij het bevel op een stoel plaats te nemen. “Hier zat men drie man sterk van de SD te wachten. Verder waren nog in de kamer Fine en Van Tilburg. Fine kon zich vrij bewegen, Van Tilburg zat in een stoel met een handboei aan de leuning waarop ze een kleedje hadden geworpen. Voor hem stond een telegrafische zender op de grond.”

De geschrokken, maar uiterlijk onbewogen Ausems wordt onmiddellijk aan een verhoor onderworpen. Hij vertelt in het Duits dat Pauline en hij bevriend zijn met de Op den Veldes en voor het diner komen, zoals wel vaker. Zijn vrouw is vanaf huis gefietst, hijzelf komt rechtstreeks van de Fokkerfabrieken in Amsterdam-Noord. Ontspannen antwoordend haalt hij zijn pijp en een doosje lucifers tevoorschijn, in een poging een van de uitgeholde lucifers aan te steken en zodoende enkele daarin verborgen microfoto’s te verbranden. De poging mislukt, aangezien de Sipo overgaat tot fouilleren. Ausems maakt hulpvaardig zijn zakken leeg, waarin niets bezwarends zit. Hij strekt zijn armen uit, het lucifersdoosje nog steeds in zijn hand houdend, en laat zich door een van de Duitsers aftasten. Vervolgens opent hij op bevel zijn koffer. Hij toont zijn identiteitsbewijs en het document waarin staat dat hij bij Fokker werkt. Ausems: “Daarop ging die mof door in de veronderstelling dat een vreemde niet thuis zou zijn in de vliegtuigbouw en vroeg of Fokker ook vliegtuigen bouwde of reparaties verrichtte aan JU 52-toestellen. Daarop wist ik goed te antwoorden. Dus hij dacht dat de papieren en de man echt waren.” De werktuigbouwkundige pakt vervolgens zijn regenjas, met daarin het RVV-geld, hangt het kledingstuk over zijn arm en geeft de Sipo-agent gelegenheid om de verdere kofferinhoud te onderzoeken. Het uitgebreide onderzoek levert geen wapens op; Ausems heeft zijn pistool achtergelaten in Princenhage. Zijn jas ontsnapt aan de aandacht, tot grote opluchting van de eigenaar: “Ik heb ‘m geknepen als de ziekte!”

Nog zijn hij en Pauline niet veilig. Fine op den Velde wordt uit het achterhuis gehaald en ondervraagd over Ausems’ verhaal. Zij bevestigt de eetafspraak en wordt weer naar achteren gebracht. Dré en Pauline moeten daar eveneens wachten. “Men meende uit een telefoongesprek van ca. 6 uur des namiddags te hebben opgemaakt dat er twee belangrijke personen moesten komen en wij moesten wachten om te zien of wij deze mensen waren. In de achterkamer heeft negenendertig toen zo het een en ander tussen de kleren verborgen en om 10 uur mochten wij gaan, nadat ik nog eens apart verhoord werd. O.a. vroeg men toen of ik niet een Jopie kende. Vervolgens of ik niet Andries genoemd werd.”

Microfiches

Na twee uur zenuwslopend afwachten krijgt het echtpaar Ausems de vrijheid terug. Samen fietsen ze naar hun Zaandijker woning, op korte afstand gevolgd door een Sipo-medewerker. “Ook in de straat stond iemand te wachten. Ik nam dus aan dat dit de SD was, die moest controleren of wij werkelijk daar thuis hoorden.” Thuisgekomen verbrandt de benauwde geheim agent onmiddellijk alle uit Londen meegenomen microfoto’s in zijn kachel. Zijn verzetsrelaties geeft hij te kennen dat ‘voorlopig alle werk stilgelegd diende te worden’. “Ze hadden maar naar Fokker op te bellen om te weten te komen dat ik daar niet meer werkte”, verklaart Ausems na de oorlog.

Later die avond worden Jan Hendrik en Fine op den Velde afgevoerd. Ze gaan een lange lijdensweg tegemoet. Via het Oranjehotel te Scheveningen, het Groot Seminarie in Haaren -van waaruit hij nog diverse malen boodschappen voor het verzet weet te smokkelen-, kamp Vught en Sachsenhausen komt Op den Velde uiteindelijk terecht in het Duitse concentratiekamp Gross-Rosen. Daar sterft hij, op 31 december 1944. Zijn vrouw overleeft haar gevangenschap wel en mag na enkele maanden terug naar huis.

Jan Hendrik op den Velde

Ausems overnacht in zijn eigen woning aan de Jacob Honigstraat. “De volgende morgen ben ik op de tijd dat ik vroeger naar de fabriek ging weggegaan en heb in Amsterdam iemand opgezocht om de anderen te gaan waarschuwen. Reeds vanaf thuis heb ik iemand naar de Spartanen gestuurd.” Op zaterdag 4 maart is hij weer in Princenhage, na een barre fietstocht vol sneeuwbuien en lekke banden. Hij geeft Adriaansen opdracht een telegram naar Londen te zenden waarin gewag wordt gemaakt van de arrestaties twee dagen eerder. Adriaansen en Van Loon wantrouwen de Zaankanter inmiddels. Ze vinden het verdacht dat hij is ontsnapt aan arrestatie, zijn filmmateriaal heeft verbrand en bovendien tegen de veiligheidsregels in onderdak zoekt bij familie. Bovendien is er over en weer wrevel over de verdwijning van uit Londen meegenomen kleding en geld en het al dan niet opvolgen van instructies. Ausems bemerkt de spanningen en besluit het Brabantse duo uit elkaar te halen. Hij gelast Van Loon naar een bevriende arts in het vijftig kilometer oostelijker gelegen dorp Bakel te gaan. Het bevel roept weerstand op. Van Loon heeft tijdens Ausems’ afwezigheid de lokale kruidenier Sjef Saenen ontmoet, die hem een verblijfs- annex zendadres aanbiedt. Ausems is echter onvermurwbaar.

Bakel

Begeleid door politieman Willem van Nunen -die in geval van nood kan simuleren een arrestant te vervoeren- vertrekt Van Loon met zijn zender per taxi naar Bakel. De arts daar heeft wel een slaapplaats beschikbaar, maar in eerste instantie is er geen geschikte seinlocatie te vinden. De gastheer slaagt er echter in om draad van telefoonpalen in de omgeving te knippen. Daarmee wordt een antenne gefabriceerd. Van Loon kan beginnen met zijn seinwerkzaamheden voor Ausems. Erg lang duurt zijn werk niet. Binnen de kortste keren weet heel Bakel dat de nieuwkomer in het dorp illegaal bezig is. Na door de directeur van de plaatselijke melkfabriek te zijn gewaarschuwd dat er een arrestatie op komst is, verlaat Jacques van Loon in allerijl zijn schuilplaats en begeeft hij zich alsnog naar Sjef Saenen in Princenhage. Daar blijft hij tot op 14 juli 1944 Adriaansen wordt uitgepeild en gearresteerd. Van Loon vertrekt naar een veiliger adres en verliest het contact met zijn chef Ausems. Eind oktober 1944 maakt hij in Breda mee hoe geallieerde eenheden de stad bevrijden.

3.

Andreas Ausems is een exponent van het vroege verzet tegen de nazi’s. Uit protest tegen de groeiende invloed van de NSB wordt hij lid van de in juli 1940 opgerichte Nederlandsche Unie, een vergaarbak van andersdenkenden en een halfslachtige poging om tegenwicht te bieden aan de bezetter. De houding van de nieuwe partij wordt overigens door de Duitsers na anderhalf jaar bestraft met een verbod van alle Unie-aktiviteiten. Maar tot het laatst toe colporteert Ausems met het Unie-blad en helpt op die manier mee om de organisatie te doen uitgroeien tot de grootste politieke beweging in de vaderlandse geschiedenis. “Het was opmerkelijk hoe het ledenaantal toenam. Zelfs zo, dat het registreren bijna onmogelijk werd. De meest verkochte nummers waren ‘Waar wij staan’ en het nummer waarin het programma der NSB en dat van de NSDAP naast elkaar afgedrukt stonden, waaruit bleek dat een en ander woordelijk gelijkluidend was”, vertelt hij drie jaar later tijdens een verhoor in Engeland. Na de opheffing van de Unie komen sommige leden clandestien bij elkaar in zogenaamde studiegroepen. Ausems: “Bij die besprekingen had ik toch het gevoel dat wij niets konden doen, doch aan de andere kant leerde je door al die gedachtewisselingen elkaar uit allerlei kringen beter begrijpen. Ook wist men wie betrouwbaar was en leerde je elkaars gevoelens. Hierdoor is dus een mogelijkheid tot samenwerken ontstaan.”

Het colporteren voor de Nederlandsche Unie doet hij naast zijn baan als werktuigbouwkundige bij Fokker op Schiphol. Hij werkt daar sinds 1938. In oktober 1940 gaat hij over tot sabotage van de werkzaamheden ter plekke. Op zijn kantoor ‘vergist’ hij zich nogal eens bij het verwerken van opdrachten voor de Luftwaffe, met vertraging in de aflevering van onderdelen als resultaat. Daar blijft het niet bij. Hij verzamelt Fokkers bedrijfsgeheimen met het oogmerk die via de illegaliteit naar Engeland te sturen. De Amsterdamse schillenboer Cornelis Hoeve steekt hem de helpende hand toe, door hem in contact te brengen met Klaas Schilp. Deze onderdirecteur van de Amsterdamse reinigingsdienst heeft radiografisch contact met Londen. De uitwisseling verloopt elf maanden lang naar beider tevredenheid. Wanneer Schilp in september 1941 per motorboot de Noordzee oversteekt neemt Jan Bijl het zendverkeer over.

Dood zoontje

Emotioneel hebben Dré en zijn echtgenote Pauline het zwaar, vooral door de plotselinge dood van hun zoontje, een jaar eerder. Ausems is die noodlottige dag bezig om foto’s te maken van zijn vier kinderen. Zijn schoonouders zijn veertig jaar getrouwd en hij wil hen de kiekjes kado doen. “6 juli 1941 (zondag) ’s middags rond 4 uur verdronk onze jongste. Naam: Paul Maria A[usems], geboren 25 aug. 1939. Ik zelf heb hem uit het water gehaald, gewaarschuwd zijnde door buren dat er een kind te water was geraakt. Ik zelf heb zijn kistje gemaakt en dinsdagavond 8 juli heb ik hem er in gelegd. Voordat ik het sloot hebben mijn vrouw en ik zijn speelgoed aan het voeteneind van de kist gelegd. (…) Over dit uur hebben mijn vrouw en ik later nooit gesproken.”

Als in 1942 de jodenvervolging van start gaat verbergt Ausems joodse kinderen in zijn woning. Hij staat overigens ambivalent ten opzichte van deze bevolkingsgroep. “Er zijn natuurlijk ook goede, doch er zijn er die verbazend indringerig zijn, mopperen over de kinderen en het eten en de huiselijke regelen naar hun wensen willen hebben en er niet over denken dat zij zich volgens de huiselijke regelen van dat gezin hebben te gedragen. Ik heb zelf twee joodse jongens en 1 joods meisje in huis gehad. Mijn vrouw, die geen dienstmeisje had, moest hen de gehele dag nalopen en kreeg geen medewerking. Zij zijn onvoorzichtig door het schrijven van brieven aan elkaar, waarin zij uitvoerige gegevens vertellen over de familie waar zij ondergebracht zijn. Hierdoor zijn ook mensen verongelukt”, schrijft hij later in een notitie voor de Nederlandse inlichtingendienst. “Aan de andere kant heb ik ook joden ontmoet die zeer goed en sympathiek zijn, doch zij vormen de grote minderheid van de ondergedokenen. Wanneer je aan illegaal werk doet, dan ben je bang voor een jood. Je helpt hen dan niet meer en heb je een slaapadres nodig, dan informeer je eerst of er een jood verborgen gehouden wordt. Het is zeer erg wat de joden wordt aangedaan, doch je moet ook voor de veiligheid van je eigen familie zorgen en daarom kan je ze dan niet meer helpen. Een en ander is mijns inziens de schuld der joden zelf en niet het gevolg van de Duitse of NSB-propaganda.”

Inlichtingenwerk

Het onderbrengen van joodse kinderen en het verzamelen van bedrijfsgegevens verloopt maandenlang zonder al te grote problemen. Van tijd tot tijd levert Ausems informatie af bij Jan Bijl, die er dankbaar gebruik van maakt. De latere RVV-man Marinus Boeree maakt na de oorlog enkele aantekeningen over Ausems’ inlichtingenwerk gedurende die eerste oorlogsjaren. “Zo werd regelmatig geseind tot mei ’42. Bijl was een man die wel hield van uitgaan en hij heeft daardoor vermoedelijk niet voldoende gezwegen. Hij werd gearresteerd. Ausems bleef doorgaan met het verzamelen van inlichtingen over Werkspoor, Fokker, Droogdokmaatschappij en Ned. Scheepsbouwmaatschappij. De belangrijkste vraag was: wat bouwen de Duitsers en waartoe moet dit dienen? Door de arrestatie van Bijl ging dit contact voor Ausems verloren. Hoeve was reeds in het najaar van ’41 gegrepen wegens clandestien slachten.” De Duitse bedrijfsleiders ontdekken Ausems’ obstructiewerk bij Fokker. Boeree: “In september ’42 kreeg Ausems een waarschuwing. Bijl zat in dezelfde cel met Mierloo, dir. Gasfabriek Tilburg. Deze zat maar kort, wegens een onbelangrijke zaak, en Bijl gaf hem bij diens ontslag veel boodschappen mee, o.a. dat men de gehele Zaanstreek wilde uitkammen.” De ingenieur verlaat zijn woonplaats. “Hij kwam daarop in aanraking met een verzetsgroep met een eigen zender en het gelukte hem de opgespaarde gegevens te spuien.”

Via zijn ondergrondse contacten vindt Ausems een geschikte schuilplaats. “Ik kwam in de buurt van Amersfoort terecht op een of andere boerderij, waarvan de boer in connectie stond met Jan Brouwer, een veehandelaar uit Baarn en een bekend aanloopadres voor alle mogelijke legale en illegale dingen uit die tijd”, is het enige dat Ausems over zijn vlucht uit Zaandijk heeft verteld. Brouwer heeft een boerderij aan het Zuidereind 13 in Baarn en verbergt daar behalve Ausems en tal van andere verzetsmensen ook een radiozender.

De Zaandijker vertoeft maandenlang bij deze boer. Hij brengt brieven rond voor het plaatselijke verzet en verricht wat onderzoek. In januari 1943 ontmoet hij in de woning van de veehouder een andere illegaal werker, ‘Lange’ Jan Thijssen. De twee kennen elkaar sinds de jaren dertig, toen ze lid waren van de zweefvliegclub Teuge. Thijssen wil verspreid over het land radiozenders installeren, om zowel het binnenlandse verzetsnetwerk als de contacten met Engeland te versterken. “Brouwer zei toen: ‘Dan heb ik de geschikte vent in de buurt zitten!’ Hij haalde mij en zo ontmoetten wij elkaar weer”, vertelt Ausems.

Landelijk radionetwerk 

Thijssen is dag en nacht bezig met zijn zelfbenoemde verzetstaken, een grondhouding die Ausems waardeert. Hij heeft voor de oorlog in opdracht van de PTT clandestiene radiozenders getraceerd en uitgeschakeld. Zijn hierbij opgebouwde kennis van zaken komt nu goed van pas bij het bouwen van een landelijk radionet voor de Ordedienst. Op de zolder van zijn Bussumse woning vindt voorjaar 1942 de eerste proefuitzending plaats van deze Radiodienst in wording en in september van dat jaar wordt er in Amsterdam een gespecialiseerde werkplaats ingericht. Zijn chef-marconist wordt collega-PTT’er Ton van Schendel, net als Thijssen een gedreven ondergronds medewerker.

Jan Thijssen staat klaar om de Radiodienst te gebruiken ten bate van de voltallige illegaliteit, maar stuit op een veto van OD-leider Pieter Jacob Six. Die wil zijn mannen en materiaal pas inzetten op het moment dat de geallieerden aanvangen met de invasie van Nederland. Het is Thijssen tegen het zere been. Hij wil de vijand onmiddellijk te lijf gaan en besluit daarom zijn eigen plan te trekken. ‘Zijn’ Radiodienst -die eigenlijk de Ordedienst toebehoort- moet en zal beschikbaar komen voor alle illegale organisaties, niet alleen de OD. Verder wil hij radiocontact leggen met de regering in ballingschap en een nieuwe, actieve verzetsorganisatie opzetten, als tegenwicht tegen de afwachtende Ordedienst. Het lukt Van Schendel om een zender en de bijbehorende codegegevens in handen te krijgen, nodig om contact te krijgen met Londen. Dat gebeurt tot ergernis van Six buiten de Ordedienst om, waarvoor de nieuwe zendapparatuur eigenlijk bedoeld is. De overname heeft echter Thijssens instemming.

Jan Thijssen (Wikipedia)

Al plannenmakend loopt Thijssen dus begin 1943 zijn oude kennis Dré Ausems tegen het lijf. “Wij hebben toen het inrichten van zendkringen op ons genomen”, zegt Ausems. “Het opsporen van een goed adres, waar de antenne behoorlijk kon uithangen zonder dat het in de gaten liep en waar de mogelijkheid was om te vluchten. Het ging er dus om de buurt te bekijken. Hebben wij daar contact? Kunnen wij daar in de buurt slapen en eten krijgen? Dan kwam uiteindelijk het overbrengen van het toestel en het aanwezig zijn wanneer gezonden werd. Op zo’n zenddag kwam Ton van Schendel en zei: ‘Ga mee, Andries, ik heb boodschappen!’ Dan stapten wij op de fiets en werd er gewerkt.” In korte tijd weet het drietal met uit de Philips-fabrieken gesmokkelde radio-onderdelen een uitgebreid binnenlands netwerk op te bouwen. Vanuit Amsterdam kan door middel van codetelegrammen een dozijn zendposten worden bereikt.

Ausems krijgt de titels ‘commandant radiogroep-West buitenland’ en ‘algemeen vertegenwoordiger radiogroep-West binnenland’. In die hoedanigheden vergadert hij regelmatig met de top van de Radiodienst. De eerste keer gebeurt dat in een koffiehuis bij het treinstation van Amersfoort, maar om veiligheidsredenen worden de bijeenkomsten verplaatst naar een woning. Het gezelschap oefent op coderingen, bespreekt de techniek en breidt het netwerk uit. Van Schendel: “Vanzelfsprekend moesten de medewerkers ook van de nodige ‘papieren’ worden voorzien. Het geleek op sommige bijeenkomsten bij ‘Johan’ een ware centrale van vervalsingen. Nagemaakte stempels van alle mogelijke Duitse instanties en Nederlandse staatsbedrijven lagen op tafel. Fotografische vergrotingen van bepaalde formulieren moesten worden nagemaakt, waarvan later clichés werden gemaakt, drukproeven, enz. enz. (…) De resultaten waren dikwijls zó frappant, dat de papieren niet van echt waren te onderscheiden.”

Raad van Verzet

Uit onvrede over de afwachtende houding van de Ordedienst ontstaat in april 1943 de Raad van Verzet. De oprichtingsvergadering in Amersfoort wordt bijgewoond door zeven jonge mannen, onder wie de motor van de nieuwe organisatie: Jan Thijssen. “Reeds geruime tijd heeft het Nederlandse volk, en in bijzonder hebben de illegale werkers, het ontbreken gevoeld van een centraal lichaam dat inzake het algemene verzet van het Nederlandse volk leidinggevend vermocht op te treden”, klinkt het in het RVV-Bulletin dat begin juli 1943 verschijnt. “Om in deze ernstige leemte te voorzien, heeft het merendeel der in ons land optredende verzetsorganisaties besloten gezamenlijk zitting te nemen in de Raad van Verzet in het Koninkrijk der Nederlanden. Het doel van de RVV is: coördinatie van het daadwerkelijke verzet in Nederland door centrale vastlegging van de tijd, de plaats, de methode en de aard van het verzet.” De mededeling is pretentieus en onjuist. Slechts een enkele verzetsorganisatie heeft kort tevoren positief gereageerd op een uitnodiging om de nieuwe beweging een coördinerende rol te gunnen. In die situatie zal de verdere oorlog nauwelijks verandering komen. Wel ontstaan er verspreid over Nederland tal van RVV-kernen en -groepen. De Zaanse afdeling krijgt een stevige invloed op de gang van zaken.

Via de door hem geconfisqueerde OD-zender stuurt Jan Thijssen op 2 mei 1943 een telegram naar Londen. Hij maakt daarin melding van de april-meistaking die dan in Nederland gaande is. Thijssen is de eerste die de werkonderbreking noemt en hij laat ook weten dat de RVV de bevolking heeft aangemoedigd om de staking te steunen. “Noem Raad van Verzet”, luiden de laatste woorden van zijn lange telegram. Hij hoopt dat de regering bereid is om via Radio Oranje de oproep van zijn organisatie te onderschrijven. Dat gebeurt niet. In Londen heeft men namelijk geen idee wie of wat de RVV is. Twee dagen na ontvangst van het telegram vraagt de regering in ballingschap via een andere zender aan de OD: “Hoe is de samenstelling en wie vormt de Raad van Verzet?” De ontstemde chef-staf van de Ordedienst neemt daarop nadrukkelijk afstand van de ‘onbekende raad’ en perkt vervolgens de bevoegdheden van Thijssen in. Het liefst zegt Pieter Six de samenwerking met zijn hoofd-Radiodienst per direct op, maar dat zou tevens het einde betekenen van het binnenlandse OD-zendernet. Tot de tegenmaatregelen die Six neemt behoort het minimaliseren van de radioberichten naar Engeland via Thijssens zender. Ausems: “Het was geen belangrijk werk meer. (…) Dat zat ons vrij behoorlijk dwars, omdat wij wel risico namen tijdens dat zendwerk. Niet alleen voor onszelf, maar ook voor de bewoners van dat huis, en dat gaf aanleiding tot minder prettige opmerkingen.”

Spanningen

Thijssens eigengereidheid leidt tot hoog oplopende spanningen. Het algemeen hoofdkwartier van de Ordedienst laat hem de keus: zijn banden met de RVV verbreken of aftreden als hoofd-Radiodienst. Lange Jan legt beide opties naast zich neer. Hij blijft zichzelf beschouwen als leider van de OD-Radiodienst en gaat door binnen de RVV, daarin gesteund door zijn naaste medewerkers. Dat gaat goed tot augustus 1943. Dan maakt Van Schendel -eveneens voor de keuze gesteld te blijven werken voor de OD of voor de RVV- zich los van Thijssen. Daarmee verliest die niet alleen zijn chef-marconist, maar ook het zendcontact met Groot-Brittannië. Op 4 september 1943 hebben Six en Thijssen op een landgoed nabij ’s-Graveland een twee uur durende woordenwisseling. De sfeer is inmiddels zo verziekt dat het hoofd van de Radiodienst -die functie is hem dan nog altijd niet ontnomen- een gewapende lijfwacht meeneemt. Six: “Hij was bang dat hij omgelegd zou worden.” Thijssen blijft weigeren de RVV te verlaten en eist van Six dat die namens hem een boodschap naar Londen stuurt. Op een eerdere RVV-brief heeft hij van de regering geen reactie ontvangen. Hij verwacht dat een via de Ordedienst verstuurd bericht wel tot succes leidt. Six gaat niet verder dan Thijssens eis in beraad te nemen.

Wanneer enkele weken later Six nog niets van zich heeft laten horen is Thijssens geduld op. Bijkomend probleem is dat de Duitsers begin september Van Schendel hebben uitgepeild en vervolgens gearresteerd, met zijn zendcodes en de kristallen die de frequentie bepalen. De hoop op contact met Engeland is nu definitief vervlogen. Ausems: “Ja, toen zaten wij omhoog. Toen hebben Jan Thijssen en ik overlegd wie van ons tweeën naar de overkant zou gaan om contact op te nemen en ook te bespreken dat er meer effectieve leiding aan het verzet zou worden gegeven van Londen uit. (…) Van ons beiden had ik een normaal figuur, want Jan Thijssen was meer dan een hoofd langer dan ik en had een typisch, scherp getekend gezicht, terwijl ik tussen de massa verdween. Ik ben dus gegaan.”

Schuilplaats

Ausems bereidt zich nauwgezet voor op zijn reis. Hij hoopt na aankomst in Engeland zijn echtgenote via Radio Oranje op de hoogte te kunnen brengen van zijn wedervaren. Om die reden wordt er een radio verstopt in de speelkamer van zijn kinderen. “Daartoe schuift men de werkbank een eindje van de muur, tilt het linoleum op en ziet dan 2 losse planken. Deze oplichtende vindt men de radio en de luidspreker is afgedekt door een oude, geëmailleerde pan.” Achter een plint in zijn slaapkamer maakt hij een kleine schuilplaats, bedoeld voor het verbergen van documenten. “Vlak voordat ik wegging heb ik nog een kies laten trekken, om geen last te hebben van kiespijn onderweg, zodat ik in de bovenkaak alleen maar de 4 snijtanden, de 2 hoektanden en rechts 2 grote kiezen heb overgehouden.” Met zijn broer, die arts is, overlegt hij ook nog over een andere medische ingreep. Hij informeert of het mogelijk is om onder de huid een klein pakketje te plaatsen en dat te camoufleren als operatielitteken. “Hij antwoordde daarop dat dat praktisch niet betrouwbaar uitvoerbaar was, aangezien men het pakketje nooit voldoende kon ontsmetten. Er volgde dus vrijwel altijd ontsteking en ettervorming, waarna het pakketje weer naar buiten kwam na verloop van circa twee tot vier weken.”

Op dinsdag 28 september vertrekt hij, hopend via-via de Noordzee te kunnen oversteken. Hij neemt -zij het niet onderhuids- onder meer een op microfoto’s gezet, uitgebreid exposé mee over het belang van de RVV en de vermeende onkunde van de OD. Bij de stukken zitten ook foto’s van familieleden, bestemd voor zijn broer Felix. Die heeft Nederland al in november 1941 verlaten en is er in geslaagd om via Zwitserland in Groot-Brittannië te komen. Dré Ausems spreekt met Thijssen af dat de eerstvolgende geheim agent die Londen parachuteert moet worden ondergebracht bij de chef-Technische dienst van de OD, Zaandammer Jan Hendrik op den Velde.

Jonkheer Six

In oktober geeft Six aan een medewerker opdracht om contact op te nemen met deze radiotechnicus. ‘Hein’ op den Velde heeft het binnenlandse zendernet van de Ordedienst in beheer en krijgt nu te horen dat de samenwerking met Thijssen onmogelijk is geworden. Op den Velde is ontvankelijk voor die boodschap. Hij zegt zich te willen voegen naar de wensen van jonkheer Six. Nog diezelfde maand meldt hij Thijssen dat de binnenlandse zendposten voortaan rechtstreeks onder de gewestelijke OD-commandanten vallen. Thijssen is volgens Op den Velde alleen nog welkom om technische instructies te geven. De in ongenade gevallen voorman protesteert heftig bij Six, maar die komt niet terug op zijn beslissing. Half december verzoekt hij de eigengereide PTT-beambte zelfs ‘zijn taak als geëindigd te willen beschouwen’.

Wanneer op 13 januari 1944 de kort daarvoor in Nederland gedropte agenten Harm Steen en Sjef Adriaansen zich bij Pauline Ausems melden, waarschuwt zij -conform de ruim drie maanden eerder tussen haar echtgenoot en Thijssen gemaakte afspraak- Op den Velde. Op maandag 17 januari stuurt ‘Hein’ een brief naar Thijssen. Weliswaar, zo schrijft hij, beschikt hij nu over een ‘kanaal’ en een code om contact te onderhouden met de regering in ballingschap, maar een en ander is niet bedoeld voor Thijssen. Volgens de Zaandammer is de inmiddels in Engeland verblijvende Ausems ‘van alle instructies op de hoogte’ en er ‘volledig mede akkoord’. Een furieuze Thijssen reageert per ommegaande: “Het is je volkomen bekend dat A[usems] niet beter weet of wij vormen een gesloten korps, hetzij in of buiten de OD. Je weet zeer wel dat hij ten deze op jou vertrouwt zoals ik op je heb vertrouwd, en het was in dit begrip dat wij afspraken dat jij de eerste verbinding zou opnemen voor de Radiodienst. (…) Wanneer er dus sprake is van een kanaal en een code voor ‘Hein’, zijn bedoeld een kanaal en een code voor de Radiodienst. Iedere andere uitleg betekent (…) een usurpatie en het op eigenzinnige wijze terzijde schuiven van die goed-Nederlandse belangen waarvoor A. en ik ons leven op het spel hebben gezet.” Op den Velde antwoordt wel, maar zijn reactie is lauw. Hij gaat niet overstag voor Thijssens pressie en continueert zijn zendwerk voor de Ordedienst.

4.

Dré Ausems is onbekend met de ontwikkelingen tussen oktober 1943 en januari 1944. Het ontslag van Thijssen als hoofd van de Radiodienst, de breuk van Op den Velde met de RVV en daarmee het verlies van het binnenlandse radionetwerk; Ausems weet van niets. Op 28 september heeft hij Nederland verlaten. Hij wordt daarbij geholpen door een groep marechausseemedewerkers die vluchtelingen naar het buitenland leidt. Reizend langs Baarle-Nassau en Tilburg komt Ausems in eerste instantie uit bij het Belgische Weelde. “Daar stond ook het landhuisje waar mijn ouders in woonden. Dat stond precies op de grens en was dus een prachtige oversteekgelegenheid.” Per bus, tram en trein trekt hij via Turnhout en Antwerpen naar Brussel. Om 18.30 uur stapt hij daar binnen bij hoofdonderwijzer P. Neven, een contactpersoon op de lijn Nederland-Parijs. In de navolgende weken bivakkeert Ausems bij verschillende ondergrondse werkers, in afwachting van een koerier die hem naar Frankrijk kan begeleiden. Die laat op zich wachten. Als gevolg van de vertraging moet Ausems één onderkomen in allerijl verlaten. Zijn joodse gastvrouw is op straat gearresteerd en men verwacht een Duitse inval in haar huis. Op een ander adres maakt hij kennis met ene Lambert, achter welke nom de plume (zo ontdekt Ausems weken later) Harry Linthorst Homan schuilgaat. Deze directiesecretaris van Philips heeft zijn eigen vertrek naar Parijs al geregeld. Ausems: “Ik vroeg hem of ik niet met hem mee kon gaan. Dit was echter onmogelijk.” Linthorst Homan brengt hem echter wel in contact met Mathilde Verspijck. Zij staat aan het hoofd van een vluchtelingenlijn naar het Zuiden. Omdat de koerier nog altijd wegblijft accepteert Ausems haar aanbod om een alternatieve uitweg naar Parijs te zoeken. Binnen enkele dagen regelt ze een vervalste, voor de reis onmisbare Urlaubsbescheinigung, noodgeld in de vorm van wat goud en twee begeleiders.

Parijs

Twee weken nadat hij Nederland achter zich heeft gelaten komt Ausems aan op het Gare du Nord. Maar ook in Parijs moet geruime tijd worden gewacht. Victor Swane, de leider van een pilotenhulplijn, dient eerst te zorgen voor nieuwe vervalste papieren en enkele passeurs die de Zaankanter over de Frans-Spaanse grens kunnen helpen. Uiteindelijk duurt het tot 18 oktober voor het gezelschap, controle na controle doorstaand, met de trein arriveert in Oloron, een plaatsje op enkele tientallen kilometers van de grens. Van daar moeten ze ‘les montagnes de la peur en de l’espérance’ over, de Pyreneeën. Trekkend door het onherbergzame gebied, klimmend en dalend zonder berguitrusting, bereikt de kleine groep twee dagen later het Spaanse gehucht Orbaiceta. Ausems meldt zich er met zijn reisgenoten bij de plaatselijke politie, in de prettige wetenschap dat hij niet zal worden uitgeleverd aan de nazi’s. “Na een onderzoek van papieren en bagage, hetwelk niets om het lijf had, zijn wij in een herberg gebracht en de andere morgen door twee carabinieri per bus en tram naar Pamplona begeleid. Op het bureau van de vreemdelingenpolitie kregen wij onze Spaanse identiteitskaarten en na circa 2 uur daar te hebben gewacht werden wij naar een hotel gebracht, vanwaar wij de volgende dag naar Lecumberri werden overgebracht.”

Twee weken lang verbijt Ausems zich in zijn hotel. Dan komt eindelijk de toestemming om met een groep landgenoten naar Madrid te vertrekken, het centrum van in Spanje gestrande Nederlandse vluchtelingen. Daar hoort hij dat de door hem gebruikte pilotenlijn is opgerold. Een aantal van zijn helpers zal de bevrijding niet meemaken.

DSC_0592

V.l.n.r. H.P. Linthorst Homan, P. Gerbrands en A. Ausems in Madrid

Ausems heeft haast. De door hem in Nederland verzamelde informatie verliest elk uur aan actualiteit. Op 10 november zendt hij een brief naar de Nederlandse minister van Oorlog, Otto van Lidth de Jeude, waarin hij ‘gebruikmaakt van de gelegenheid Uwe Excellentie te verzoeken om gezien de grote belangen van mijn reis deze zoveel mogelijk te bespoedigen.” Een week later stuurt hij de minister een nieuw schrijven. Hij noemt het ‘dringend noodzakelijk’ dat hij voor 15 december terug is in Nederland. “Het hoofddoel van mijn reis is nu het weder tot stand brengen van een goede, d.i. snelle en betrouwbare radioverbinding Londen-Nederland. (…) De omstandigheden waaronder wij werkten en andere bijzonderheden zijn vervat in een rapport van het hoofd van de Radiodienst, welk rapport in de vorm van microfoto’s door mij werden medegenomen en welk rapport ik gaarne mondeling zou toelichten.”

Afrekening

Het (tijdens zijn reis zwaar gehavende) rapport waarop Ausems doelt is een door Thijssen opgesteld ‘Verslag ervaringen hoofd Radiodienst’. Het is een afrekening met de Ordedienst, de organisatie waarbij hij op het moment van schrijven nog steeds in functie is. “De OD heeft onder de actieve illegale werkers geen goede naam. Zijn doelstelling en de bevelen voor onthouding van verzetsarbeid maken deze organisatie een gewild toevluchtsoord voor de laffen en halfhartigen die na de oorlog zich een goed figuur wensen te maken. Zijn aanmatiging, vooral van de leiding, om voor geheel Nederland, zelfs zonder kennis van de feiten, te willen uitmaken hoe de houding tegenover de vijand moet zijn, wordt verafschuwd. Door dom geklets vielen reeds vele slachtoffers onder de slechte soort OD-leden.”

Lange Jan presenteert zijn nauwelijks tot wasdom gekomen RVV als enig alternatief en als de leidende sabotagegroep in bezet gebied. Zijn organisatie is naar eigen zeggen ‘ontstaan door de wens indien niet met, dan zonder de OD te komen tot een overkoepeling van alle organisaties in Nederland die tegen den vijand wensen te strijden, de slavenjacht willen tegengaan en de bevolking tot steun wensen te zijn’. Hij schrikt er niet voor terug om grote woorden te gebruiken. “Aangespoord door de in de stakingsdagen duidelijk gebleken bereidheid tot verzet bij de bevolking, alsmede door de voortdurende opwekkingen van Radio Oranje de Jan Saliegeest tegen te gaan, heeft de RVV het merendeel van alle waarlijk militante illegale strijders in Nederland verenigd. Zijn kracht en mogelijkheden groeien van week tot week. De Raad is thans samengesteld uit prominente illegale werkers die, door voortdurend contact en ruggespraak, ieder voor zich geacht kunnen worden, een aanzienlijk volksdeel te vertegenwoordigen”, bluft Thijssen, in de hoop in Londen gehoor te krijgen voor zijn wensen.

‘Ik protesteer’

Ausems doet weinig onder voor de RVV-voorman. “De OD heeft bij monde van de Cst. [Commandant der strijdkrachten, E.S.] in het onderhoud met Karel duidelijk doen blijken dat zij niet alleen niet wil meewerken aan actief verzet -deze weigering kan natuurlijk een gevolg zijn van de instructies welke zij van de regering ontvangen heeft-, maar zij staat afkerig van elk verzet tegen de vijand. Dit onderhoud vond plaats de vierde september 1943”, neemt hij het in een nieuw rapport op voor Jan ‘Karel’ Thijssen. “En het is tegen deze houding dat ik protesteer. Wij hoeven niet alles te slikken wat ons van Duitse zijde wordt opgelegd.” Hij vraagt het kabinet in ballingschap een sturende rol te vervullen. “Ik bedoel dus niet wij aan de regering gaan vragen of wij het distributiekantoor te Lutjebroek mogen overvallen, maar wel is het van belang te weten of wij door het overvallen van distributiekantoren op de goede weg zijn. Het kon wel eens van groter belang zijn dat wij de bevolkingsregisters meer aantasten. Het is heel aardig dat wij bijvoorbeeld dorsmachines hebben beschadigd en daardoor de oogst in sommige gedeelten van ons land aanzienlijk hebben vertraagd, maar ware het misschien niet nog veel beter geweest de oogst geheel te vernielen? Kunnen wij doorgaan met het verzamelen van militaire berichten? Goed, maar aan welke instantie moeten wij ze dan kwijt? (…) Op al deze punten voelt men bitter het gemis aan leiding, aan overzicht. Wij zitten tot over onze oren in de narigheid en kunnen dus slechts met de grootste moeite een overzicht verwerven van wat er werkelijk gebeurt. De regering, zo zegt men, heeft dat overzicht wel en wij moeten dus in contact komen met de regering om ons werk op de juiste manier voort te zetten.”

Verzoeken om een spoedige overplaatsing naar Engeland vinden weinig gehoor in de Spaanse hoofdstad. Talloze Nederlanders willen de oversteek maken, maar de mogelijkheden daartoe zijn beperkt. Ausems viert zelfs het Sinterklaasfeest in Madrid, wetend dat zijn aanvraag om nog diezelfde maand te mogen terugkeren naar Nederland kansloos is. Zijn kortstondige metgezel in Brussel, Harry Linthorst Homan, treedt op 5 december in de ontvangstzaal van het Nederlands Gezantschap aan als Sint-Nicolaas, Jan Somer als zwarte Piet. Enkele honderden, veelal gedemoraliseerde Engelandvaarders zien het schouwspel van de onherkenbaar vermomde directiesecretaris en het BI-hoofd aan. “De Sint memoreerde geestig het voorrecht dat Hitler hem geschonken had door toe te staan met een extra trein van Nederland naar Spanje te reizen, teneinde de Nederlandse kolonie op te beuren”, bericht dagblad Trouw vijf jaar nadien. “Sinterklaas beloofde als mooiste geschenk een snel vertrek naar Engeland. Dat waren lichtpunten in een omgeving welke zwaar geladen was door de ondervonden desillusies”, aldus Somer in datzelfde jaar. Hij is onder valse voorwendselen in Spanje. Om de doorstroming van de Engelandvaarders te bevorderen zet hij als Rode-Kruismedewerker ‘Elias van Praag’ een BI-filiaal op in Madrid. Een van de mannen die Somer met spoed naar de overkant wil helpen is Ausems. Het duurt na de feestavond anderhalve week voor diens papieren in orde zijn en hij via een smokkelroute Gibraltar bereikt. Van daar kan hij naar Engeland vliegen. In het toestel dat hem naar vrij gebied voert zitten ook Harry Linthorst Homan en geheim agent Piet Gerbrands. Met die laatste zal hij het volgende jaar regelmatig samenwerken.

5.

De tien weken die Ausems in Londen en omgeving verblijft staan bijna volledig in het teken van zijn retourvlucht naar Nederland. De BI-leiding steunt hem in zijn voornemen om terug te keren. Na met goed resultaat te zijn verhoord in de Patriotic School wordt Ausems door Jan Somer ondergebracht in een woning. Hij bevindt zich daar ver van de Engelandvaarders die elkaar ontmoeten in het Nederlandse clubgebouw Oranjehaven. Ausems: “Ik heb in Londen ondergedoken gezeten, omdat anders de contra-spionage verblijd zou zijn geweest met de mededeling dat Ausems heen en weer was geweest. (…) Ik heb van Londen verder niets gezien dan alleen wat mijn instructie mij gaf. Ik ben nooit in Oranjehaven geweest, een heel enkele keer maar in een bioscoop en nooit naar een of andere officiële gelegenheid of zoiets.”

Van Lidth de Jeude

Een week na zijn overtocht naar Engeland ontmoet de Zaandijker in het Savoy-hotel Oorlogsminister Van Lidth de Jeude. De bewindsman noteert in zijn dagboek: “’s Middags langdurige conferentie met Ausems en Linthorst Homan, die vele belangrijke gegevens over Holland verstrekt, o.m. de mededeling dat de OD allerminst populair is. Ik vermoedde dit reeds, maar dit vermoeden werd bevestigd. Geschikte lieden, maar ik ben niet zeker dat zij de algemene opinie in Holland weergeven. Daarvoor is het onderlinge contact te gebrekkig. Ik had de grootste moeite dat zij na de Patriotic School onmiddellijk in mijn handen vielen, waarvoor veel overleg met Justitie nodig was, maar ik heb mijn zin gekregen. In de Savoy werden ze aan mij ‘afgeleverd’ en wij hadden ‘the first talk’, die bijzonder nuttig en belangwekkend was. Lang gepraat, dat nog wel eens herhaald zal worden.”

Jan Somer, eveneens aanwezig bij het gesprek met de minister, heeft eerder al via de Radiodienst vernomen van de voortvarendheid die Jan Thijssen aan de dag legt. Het door Ausems overgebrachte ‘Verslag ervaringen hoofd Radiodienst’ en zijn nauwgezette informatie over de stand van zaken in Nederland versterken Somers positieve indrukken. Zo weet Ausems op 19 januari tijdens een ‘industrieel verhoor’ door de Militaire Inlichtingendienst tot in detail de situatie te schetsen bij bedrijven als Fokker (‘wordt heel veel lijngetrokken’), Philips en tal van scheepswerven.

Ausems legt uit dat er bij de RVV, in tegenstelling tot de OD, geen sprake is van Duitse infiltratie. De gedachte dat de RVV besmet is leeft namelijk sterk bij enkele overheidsinstanties in Londen. Hij onderstreept het belang van de Radiodienst, niet wetend hoe de stand van zaken in Nederland op dat moment is. Ook doet hij uit de doeken hoe het RVV-net van binnenlandse zenders er uitziet en maakt hij duidelijk dat er een agent moet worden gedropt met een op Engeland gerichte zender. Die kan dan fungeren als verbindingsman tussen de Nederlandse zenders en de regering in Londen. De BI-vraag hoe die agent in contact komt met de Radiodienst beantwoordt hij met een verwijzing naar zijn vriend Jan Hendrik op den Velde.

Geheim agent

Bureau Inlichtingen is overtuigd, de regering uiteindelijk ook. Ausems’ verslagen, het rapport van Thijssen, de enthousiasmerende berichten die de in Nederland gedropte geheim agent Martin Wiedemann begin 1944 naar Londen stuurt; het maakt dat minister-president Gerbrandy c.s. de RVV niet alleen erkent als betrouwbare verzetsorganisatie, maar het belang ervan zelfs overschat. Het besluit valt om Ausems, geheel conform zijn wens, als geheim agent naar Nederland terug te zenden om daar de coördinatie van het verzet voor zijn rekening te nemen. Ook wordt hij belast met het regelen van radioverbindingen en het opzetten van een inlichtingennetwerk.

Ausems doorloopt de parachutistenopleiding en krijgt les in het verzenden van boodschappen. Tussen de bedrijven door schrijft hij uitgebreide handleidingen voor het Bureau Inlichtingen en collega-agenten, vol tips over de omgang met de vijand (“Op de eerste plaats: VERTROUW NIEMAND. Er is nu eenmaal in Nederland een zucht tot kletsen.”). In de weken voorafgaand aan zijn dropping overlegt de Zaandijker onder andere met minister Van Lidth de Jeude. Belangrijk gespreksonderwerp is het falen van de organisatie van kolonel De Bruijne in wat later bekendheid zal krijgen als het Englandspiel. “’s Morgens kwart voor 9 reeds ZKH [prins Bernhard, E.S.] op bezoek in mijn hotel”, noteert de minister van Oorlog op 5 februari 1944 in zijn dagboek. “Hij heeft vernomen van de moeilijkheden met de sabotagedienst. Daarover had ik gisterenavond tot na elf uur nog een uitvoerige bespreking met Broekman en Van Houten, waarbij ook Ausems aanwezig was. (…) De Bruijne wenste contactadressen van BI tot wie de uit te zenden agenten zich bij aankomst konden wenden, doch BI weigerde deze niet ten onrechte, uit vrees ook ‘besmet’ te worden. Ausems, die op het punt staat naar Holland terug te keren, weigerde eveneens adressen op te geven uit begrijpelijke vrees voor eigen veiligheid. Hij was alleen bereid, na in Holland te zijn aangekomen, aldaar ‘poolshoogte’ te nemen en na contact met zijn vrienden veilige adressen naar Londen op te geven. En ik geloof dat hij groot gelijk heeft.” Ausems wantrouwt dus De Bruijne en diens werkzaamheden. “Ik heb zelf een onderhoud gehad met de heer De Bruijne”, zal hij later zeggen over diens verzoek om hulp. “Toen heb ik mijn poot stijf gehouden en gezegd: ‘Ik doe dat niet voor u, want ik vertrouw dat hier niet’. Dat hebben wij elkaar onder vier ogen kunnen zeggen.” Ausems wil terug, maar in tegenstelling tot zijn anderhalf jaar eerder gedropte streekgenoot George Jambroes niet via de organisatie van Mattheus de Bruijne.

Verzuiling binnen illegaliteit

Later die dag spreekt Van Lidth de Jeude nogmaals met Ausems. “’s Middags per auto naar de farm, na eerst nog een laatste bespreking met Ausems, waarbij ik hem de algemene politiek van de regering heb uiteengezet, waarmede hij in het algemeen zeer ingenomen is en wat voor hem een openbaring is. Daaromtrent bestaat zeer veel misverstand in Nederland en het wordt hoog tijd een en ander recht te zetten.” Het kabinet-Gerbrandy is ontevreden over de verzuiling binnen de Nederlandse illegaliteit en wil opdracht geven om over te gaan tot coördinatie. De minister heeft met Gerbrandy en Wilhelmina overlegd over de boodschap die Ausems dient mee te nemen voor het verzet. Het resultaat is een door Van Lidth de Jeude opgestelde lijst met negentien taakverdelingen en opdrachten. Gerbrandy plaatst er op 5 februari zijn handtekening onder. De ‘19 punten’, zoals ze de geschiedenis ingaan, getuigen van weinig inzicht in de actuele stand van zaken. De door Gerbrandy beoogde verzetsindeling stoelt niet op de bestaande verhoudingen in bezet gebied en is al met al van weinig waarde voor de illegaliteit.

Zijn twee ontmoetingen met Wilhelmina leveren Ausems nog een opdracht op. In tegenstelling tot haar ministers acht de koningin een terugkeer naar de vooroorlogse politieke verhoudingen ongewenst. Ze verlangt naar ‘vernieuwing’, naar een regering van nationale eenheid, zonder tegen elkaar agerende politieke partijen. Na haar terugkeer in Nederland hoopt ze het verzet te kunnen raadplegen over de formateur van het eerste naoorlogse kabinet. Dat moet dan wel een man zijn die instemt met haar vernieuwingsdrang. Wetende dat de regering weinig voelt voor haar ideeën typt ze zelf een bericht voor de ondergrondse groepen met wie Ausems contact zal hebben. “X [dat is Ausems, E.S.] heeft sterk de indruk gekregen dat de koningin, door voortdurend voeling te houden en zich te laten inlichten door uit Nederland overgekomenen, geheel met Nederland, zoals het vernieuwd is, medeleeft en ook geheel alles voelt zoals men alles in vernieuwd Nederland aanvoelt”, tikt ze. “X heeft in Londen de indruk gekregen (of wel het is hem verteld) dat er velen in Londen bepaald niet zijn meegegroeid met het nieuwe Nederland. Dus, dat bij al wat de koningin doet, zij met deze moeilijkheid te kampen heeft. Daarvan zal men zich in Nederland terdege rekenschap moeten geven.” Het is een warrige, tegen haar eigen kabinet gerichte boodschap, die bovendien zo geschreven is dat het lijkt alsof Ausems een en ander zelf heeft bedacht. Als Ausems Wilhelmina’s bericht al heeft doorgegeven aan de Nederlandse illegaliteit (dat is onbekend) zal het weinig indruk hebben gemaakt.

De eigenwijze houding van de vorstin komt niet helemaal uit de lucht vallen. Wilhelmina is geïnspireerd door De wedergeboorte van het Koninkrijk, een publicatie van ‘Boisot’ (het pseudoniem van Co de Beus, de secretaris van premier Gerbrandy). Dit boek is in 1942 uitgebracht in Londen en beleeft het jaar daarop in Nederland vier clandestiene oplagen. Het is een pleidooi voor de vernieuwing van het staatsbestel. Daarbij zouden de vooroorlogse democratische besluitvorming en de klassenstrijd moeten worden vervangen door een sterk centraal gezag, met het koningshuis als middelpunt, en een andere economische orde. In haar eigen exemplaar van De wedergeboorte zet Wilhelmina tal van strepen bij de passages die haar instemming hebben. De Beus verwoordt ten zeerste haar vernieuwingswens. Maar ook Ausems is een aanhanger, zo blijkt tijdens een militair verhoor in januari 1944. “Wat ‘Boisot’ in zijn boekje De wedergeboorte van het Koninkrijk aangeeft was nog niet zo gek. Dit boekje wordt zeer bestudeerd in Nederland, zeer veel besproken en heeft vele aanhangers”, zegt hij. De theorie van een centraal gestuurde monarchie waarbinnen het eenheidsdenken zegeviert schept een band tussen de koningin en de ingenieur.

Steen en Adriaansen

Het Bureau Inlichtingen spreekt met Ausems af dat luitenant Harm Steen en diens telegrafist Sjef Adriaansen hem voorgaan naar Nederland. Zodra zij hebben gezorgd voor een zendcontact met het Bureau Inlichtingen en een opvangadres kunnen garanderen mag Ausems eveneens naar de overkant. Ausems maakt voor Steen een uitgebreid rapport, een mengeling van adviezen en dwingende aanbevelingen. Een deel ervan gaat over het gebruik van de Radiodienst-zendposten. “Met Hein kunt u overleggen omtrent het gebruik der Z.P.’s [zendposten, E.S.] en mijn instructies welke u aan Hein overbrengt zijn dat Hein u alle mogelijke hulp moet geven om de verbinding met E.[ngeland] zo goed mogelijk weer op te richten.” Ausems realiseert zich de spanningen tussen de RVV en de Ordedienst en vermoedt dat Thijssen (alias ‘Karel’) bij gebrek aan aanwijzingen vanuit Engeland de wankele verbinding met de OD heeft verbroken. “Inderdaad hebben wij, de laatste avond voor mijn vertrek uit Holland, via een koerier slagwoorden afgesproken die in deze mogelijkheden voorzien. Deze slagwoorden zijn verloren gegaan. Ik had ze op sigarettenpapier geschreven en ze bij de microfoto’s in de tandpastatube gedaan. De tandpasta heeft het soldeer aangetast zodat, toen ik de tube in Madrid openmaakte, bleek dat alle foto’s en sigarettenpapiertjes onder de tandpasta zaten en voor het merendeel lelijk beschadigd en onleesbaar waren geworden. Maar waar het op neerkomt is dit: er was dus door Karel en mij voorzien dat hij zelfstandig de verbinding met de OD kon verbreken.”

Witte beertjes 

Op 28 december 1943 zendt Radio Oranje een boodschap over ‘witte beertjes voor 39’ naar bezet Nederland. De witte beertjes zijn een verwijzing naar het speelgoed dat Pauline (‘39’) en Dré 2,5 jaar eerder in de kist van hun overleden zoontje Paul hebben gelegd. Jan Hendrik op den Velde laat Londen ruim een week later weten de codeboodschap te hebben begrepen. In de vroege ochtend van 11 januari landen Adriaansen en Steen met hun parachutes vlakbij Breda. Steen heeft een manchetknoop bij zich met daarin een microfoto van een door minister-president Gerbrandy ondertekende brief. Het is een garantstelling van ƒ30 miljoen voor het Nationaal Steunfonds, de organisatie die gedurende de laatste oorlogsjaren tienduizenden onderduikers en het merendeel van het verzet van financiën zal voorzien. Verder moeten Adriaansen en Steen militaire berichten gaan verzamelen, ƒ100.000,- afdragen aan de RVV en contact opnemen met Op den Velde.

Op 13 januari meldt Steen zich in Zaandijk bij Pauline Ausems. Die waarschuwt Op den Velde. De radiotechnicus verschaft Steen onderdak in zijn woning op de Westzijde 140 in Zaandam. Bijkomend voordeel is dat Steen meteen langs kan gaan bij Walraven van Hall, die op de Westzijde 42 woont. Hij overhandigt de NSF-topman de regeringsmachtiging en verbergt zich vervolgens weer bij Op den Velde.

6.

Door op 2 maart 1944, na bij Jan Hendrik op den Velde door het oog van de naald te zijn gekropen, zijn microfoto’s te verbranden heeft Ausems zich in een moeilijk parket gemanoeuvreerd. Bij de vernietigde foto’s zaten namelijk de ‘19 punten’ van Gerbrandy. Hij kent de samenwerkingsrichtlijn weliswaar zo’n beetje uit het hoofd, maar ontbeert nu het bewijs dat de boodschap afkomstig is uit betrouwbare bron. De weinig coherente Nederlandse illegaliteit, toch al uitgedund door de inzet van verraders en intriganten, zit niet te wachten op een zelfbenoemde geheim agent die in handen van de Sicherheitspolizei is geweest. Dat Ausems niet is opgepakt maakt hem nog verdachter en zelfs potentieel slachtoffer van represailles.

Slordig

Na hun vlucht uit Zaandijk houden Dré en Pauline Ausems zich wekenlang schuil, de eerste zwervend door Nederland, de tweede in Goirle. De werktuigbouwkundige heeft de handen vol aan het op poten zetten van zijn organisatie. Zijn voorganger Harm Steen is gearresteerd en diens marconist Sjef Adriaansen is eigenzinnig en komt afspraken niet na. Wanneer zijn superieur Ausems eist dat hij zijn zendapparatuur inlevert weigert Adriaansen dat bevel op te volgen. Het wordt een hoog oplopende ruzie. Saenen: “Hij vroeg om de kristallen, welke hem echter niet werden gegeven en waarom het toen hard is toegegaan. Beiden hebben toen om instructies gevraagd in een telegram, waarop het antwoord volgde: ‘U blijft beiden uw set behouden, maar wel samenwerking met Andries’.” Ook Jacques van Loon werkt niet mee. Hij heeft bovendien de grootste moeite om zijn zender aan de praat te krijgen. Na zijn overhaaste vertrek uit Bakel zit hij bij Jos Saenen in Princenhage. Hij werkt slordig, laat zijn zender open en bloot in de huiskamer staan en bespreekt zijn opdracht met buitenstaanders. Ook ziet Van Loon er geen problemen in om de bioscoop van Breda te bezoeken en een relatie te beginnen met een plaatselijke inwoonster.

Het ontbreekt Ausems aan overwicht om zijn twee ondergeschikten tot de orde te roepen. Wekenlang is hij bezig om een enigszins werkbare situatie te creëren. Ook heeft hij behoefte aan overleg met Jan Thijssen. Ausems: “17 maart bezocht ik Camoes [de schuilnaam van E.D. van Wijngaarden uit Naarden, een verzetsrelatie van Harm Steen en Jan Thijssen, E.S.]. Daar deze een huiselijk feest had dat weekend kon hij mij niet te woord staan en duurde het tot de avond van 19 maart dat ik ten huize van Camoes Jan ontmoette.” De twee besluiten om de Radiodienst en de Inlichtingendienst te scheiden. “Jan zou de technische leiding op zich nemen van de Radiodienst en ik van de Inlichtingendienst. Jan zou volgens mij de leiding van de RVV moeten laten schieten en zich alleen bemoeien met de Radiodienst. Dit was niet volgens het inzicht van Jan, omdat volgens hem zijn werk in de RVV alleen adviserend was, en hij dus het werk in de Radiodienst als hoofdzaak beschouwde. Hoewel ik hem er op wees dat men hem algemeen als de leider en de drijvende kracht achter en van de RVV beschouwde (…) was hij niet van zijn standpunt af te brengen.”

Volgens Lange Jan is hij sinds Op den Velde zich van hem en de RVV losmaakte ver gevorderd met het opbouwen van een nieuw zendnetwerk. Hij neemt Ausems de 22ste mee naar een RVV-vergadering. Ausems legt daar uit hoe groot in Londen het wantrouwen was, omdat men er meende dat vrijwel de gehele illegaliteit door verraders geïnfiltreerd was. Maar, zo vertelt hij, wanneer hij de kans krijgt om uit te leggen dat de RVV niet besmet is, zal men in Engeland bereid zijn ‘alle gewenste materialen te leveren, alsmede sabotage-instructies en zelfs complete sabotagegroepen te zenden, volledig uitgerust met alle nodige materieel’.

Wapens en persoonsbewijzen

De Raad van Verzet reageert enthousiast. De voordien als gevolg van arrestaties en onderling wantrouwen terneergeslagen RVV-top prijst zich gelukkig dat ze ‘door volharding en door het doel voor ogen te blijven houden zonder onmiddellijk bereikbare resultaten als eis te stellen thans een stadium bereikt heeft dat praktisch werk op grote schaal mogelijk zal zijn’. Er gaat meteen een telegram naar het Bureau Inlichtingen met een verzoek om wapens en blanco persoonsbewijzen. Een dag later is ook Ausems bezig met het opstellen van telegrammen. In acht verschillende berichten vat hij zijn wensen en ervaringen samen.

Ongerust over het lot van Op den Velde en enkele anderen die op de Westzijde in de val liepen, fietst Ausems op 30 maart naar de Zaanstreek. De eerste die hij daar spreekt is Cees Beernink, een medewerker van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers. “Deze vond het nodig om mij te verwijten dat de arrestaties mijn schuld waren. Ik had niet gewaarschuwd en feitelijk iedereen in de steek gelaten. (…) Ook anderen had hij tot die zienswijze weten over te halen. Waar duidelijk bleek dat hij alleen maar de klok had horen luiden, maar niet wist waar de klepel hing en ik geen zin had om mij te verdedigen tegen dergelijke nonsens (…) heb ik hem de deur gewezen.” De woede van ‘Rooie Kees’ Beernink is exemplarisch voor de tegen Ausems heersende argwaan. De Zaandijker probeert contact te leggen met diverse landelijke verzetsorganisaties, maar iedereen houdt de boot af.

De ‘Ouwe taaie’, zoals een van zijn vele pseudoniemen luidt, realiseert zich dat hij snel actie moet ondernemen om een volledige buitenspelpositie te voorkomen. In de nacht van 10 op 11 april stijgt in Groot-Brittannië een vliegtuig op dat twee door Ausems gevraagde geheim agenten zal afleveren, Jan Faber en Herman Leus. Voor het eerst is er ook een BI-medewerker aan boord. Na de geslaagde dropping van de twee agenten heeft deze man vanuit het rondcirkelende vliegtuig een uur lang verbinding met Ausems. Die vertelt hem ongecodeerd -hij heeft er dan nog het volste vertrouwen in dat de volgens de nieuwste Engelse technieken ontwikkelde radiozender niet kan worden afgeluisterd- over zijn ervaringen bij Op den Velde. Ausems klaagt over de technische mogelijkheden van zijn zender en vraagt om een ‘gewoon’ exemplaar. Ook dringt hij aan op een kopie van de 19 punten. Zonder dat bewijs zit hij klem en loopt hij zelfs het gevaar te worden geliquideerd. Het verzet is in de ban van verraders als Anton van der Waals en Ausems’ gedrag vertoont volgens sommigen gelijkenissen met het dodelijke werk van de V-Mann.

Bosch van Rosenthal

Dat de liefde niet van twee kanten komt blijkt ook uit een telegram de dato 16 april. Het is afkomstig van de afgezette Utrechtse commissaris van de koningin Louis Bosch van Rosenthal -inmiddels een topman binnen de Nederlandse illegaliteit- en bestemd voor Willem Visser ’t Hooft, een in Zwitserland verblijvende tussenpersoon van de regering in ballingschap. “Thans is weder bericht ontvangen dat iemand hier zou zijn aangekomen met opdracht van de regering ‘om de verschillende verzetsgroepen te coördineren’ en dat deze persoon ‘reeds met belangrijke groepen contact had gelegd, doch thans was ondergedoken’. Met grote moeite is het ons eerst heden gelukt er achter te komen wie hiermede werd bedoeld. Het gaat weder om een jongmens; zijn credentials en introducties schijnt hij kwijtgeraakt te zijn”, laat Bosch van Rosenthal weten.

Waar de voormalige commissaris op Ausems nog voorzichtig afwachtend reageert, is hij over Jan Thijssen weinig complimenteus. “Hij [Ausems, E.S.] is slechts in contact geweest met één persoon -uit de RVV-, die zich geroepen heeft gevoeld een staatsstuk te doen uitgaan dat gedeeltelijk onwaar en gedeeltelijk dwaas is. (…) Geen enkele verzetsgroep heeft er over gedacht op dit stuk in te gaan of de uitnodiging tot contact te aanvaarden. Men kan van een ernstige organisatie niet verwachten dat zij hier op ingaat, nadat reeds dit dwaze stuk was verschenen. Dit jongmens, die het waarschijnlijk goed bedoelt, introduceert zich als neef van een der ministers.” Bosch van Rosenthal reageert daarmee op het RVV-bulletin van juli 1943, waarin Thijssen verklaart dat zijn organisatie is overgegaan tot bundeling van de illegaliteit.

Na veel aarzelingen besluit de Kern, daartoe gestimuleerd door de RVV, om Ausems’ stukken te bespreken tijdens haar wekelijkse vergadering. De Kern functioneert sinds december 1943 en is het eerste samenwerkingsverband dat uiteenlopende Nederlandse verzetsorganisaties coördineert. Het is een initiatief van Walraven van Hall. Zijn stadgenoot en vriend Jaap Buijs fungeert als voorzitter. De Kern bestaat in het voorjaar van 1944 uit landelijk opererende verzetsgroepen als de Persoonsbewijzencentrale, de LO, het Nationaal Comité van Verzet en het NSF.

19 punten

Ausems zet, zo zorgvuldig mogelijk reconstruerend, zijn herinneringen aan de 19 punten op papier. Door zijn gesprekken met minister Van Lidth de Jeude en koningin Wilhelmina is hij bekend met de inhoud. “Zeer geheim”, zet hij in hoofdletters boven zijn reconstructie. “Na lezing onmiddellijk vernietigen. Mag onder geen beding in de illegale pers komen!” Een tweede tekst bevat eigen mededelingen. “Het z.g. Kerncontact is volledig in overeenstemming met de wensen der regering”, schrijft hij. “H.M. de Koningin laat zo spoedig mogelijk 10 à 20 vooraanstaande illegale werkers en andere Nederlanders overkomen teneinde zich uit de eerste hand te laten voorlichten over Nederlandse toestanden. Deze voorlichting kan een belangrijke invloed hebben op de verkiezing van een voorlopige regering. (…) Is de bevrijding voltooid, dan komen de voorlopige verkiezingen, ter vervanging van een demissionaire regering, gevolgd door grondwetswijziging, een en ander in overeenstemming met de wil van het Nederlandse volk, waarmee een eerste begin is gemaakt bij de keuze van de adviseurs.”

De Kern kan niet zoveel met Ausems’ boodschap. De koepelorganisatie wil geen naoorlogse politiek bedrijven, maar de vijand bestrijden. Door akkoord te gaan met Ausems’ interpretatie sluipt de politiek alsnog via een omweg de Kern binnen. Een van de betrokkenen: “De politiek, het staatsbestel of de kwestie wat er zou moeten gebeuren wanneer eenmaal Nederland bevrijd zou zijn, is nimmer aan de orde gekomen. Dit is zeer nadrukkelijk niet gebeurd, dat wenste geen van de ouderen die aanwezig waren.” Ontevreden toont zich ook de LO-vertegenwoordiger. In de 19 punten is voor zijn organisatie namelijk geen plaats ingeruimd. En tot slot blijft de vraag die bij allen leeft: hoe betrouwbaar is een man die geen regeringsdocumenten kan tonen, maar wel in handen was van de Sicherheitspolizei?

‘Krankzinnige mier’

Voor Ausems zit er niets anders op dan Londen nogmaals een kopie te vragen van Gerbrandy’s 19 punten. Hij reist terug naar het Zuiden, geeft Jacques van Loon opdracht een telegram te verzenden en wacht af. Begin juni stuurt Radio Oranje een nieuwe slagzin de lucht in: “De krankzinnige mier in het po-kastje brengt de stand op negentien.” Het laatste woord van het codebericht duidt de 19 punten aan, de mier in kwestie is Jan de Bloois. In de nacht van 7 op 8 mei maakt deze BI-agent een deels mislukte landing vlakbij Breda. Zijn vier radiosets slaan kapot tegen de grond, maar de microfilms weet hij wel veilig bij Ausems af te leveren. De Kern heeft er weinig aan. De boodschap onderkent niet de bestaande verhoudingen binnen de illegaliteit en is gedateerd.

Binnen tien weken na Ausems’ landing in Nederland worden er, in etappes, vijf nieuwe agenten gedropt. De eersten, Jan Faber en Herman Leus, hebben voor de Radiodienst drie zenders meegenomen. Maar net als een maand later De Bloois overkomt sneuvelt ook hun apparatuur voortijdig. Gelukkig kunnen Sjef Adriaansen en Jacques van Loon marconist Leus aan zendkristallen helpen. Doordat Ausems hem koppelt aan de Raad van Verzet is hij alsnog in staat om boodschappen naar Londen te seinen. Faber volgt de inmiddels gefusilleerde Harm Steen op als verbindingsman tussen onder meer de RVV en het Bureau Inlichtingen.

Het door Ausems geleide netwerk breidt zich gestaag uit. Terwijl hij in het Land van Altena zit te luisteren naar berichten van de overkant onderschept de ingenieur een oproep van twee jongens die blijkbaar geen contact met Engeland kunnen krijgen. Ze zijn dezelfde avond als De Bloois in Nederland gedropt, met als doel enkele buiten Ausems om werkende spionagegroepen te voorzien van geld en zenders. Het duurt even voor Ausems contact met hen kan leggen. De argwanende boer die het tweetal onderdak verschaft houdt de boot af. Teruggekeerd op zijn eigen werkplek hoort Ausems het duo opnieuw vergeefse pogingen ondernemen om verbinding te maken met de overkant. Een van hen, ‘Antonio’ van de Waal, besluit in Eindhoven vast een ander deel van zijn opdracht te gaan uitvoeren: het overhandigen van ƒ50.000,- aan een spionagegroep. Maar al tijdens de eerste treincontrole valt hij door de mand: zijn persoonsbewijs is te opzichtig vervalst. Arrestatie en gevangenschap zijn het resultaat. Vlak voor de Duitse capitulatie zal de uitgeputte Van de Waal bezwijken in het concentratiekamp Sandbostel.

Tony Visser

Zijn collega Tony Visser treft het beter. Via een adres in Dussen ontmoet hij Ausems alsnog. Het blijkt dat ze elkaar al in Londen hebben gezien, wat het onderlinge vertrouwen ten goede komt. Visser vertelt nog in het bezit te zijn van de zender die Van de Waal had moeten afleveren in Eindhoven. Ausems brengt daarop een andere geparachuteerde agent naar Dussen, Gerrit Buunk. Gedrieën proberen ze het bij de landing beschadigde apparaat aan de gang te krijgen, maar het contact met de operator blijft uit. Visser zal uiteindelijk in de Biesbosch gaan zenden met een ander afgeleverd toestel. Dag na dag levert hij vanuit zijn geïsoleerde schuilplaats lange codetelegrammen af.

Nadat Jan de Bloois (alias Piet de Springer) zonder bruikbare zendapparatuur, maar met de 19 punten van Gerbrandy is geland gaat hij volgens afspraak naar de gebroeders Van Nunen in Princenhage. De gewaarschuwde Ausems vindt hem op zijn aanloopadres en verordonneert de nieuwkomer om daar tot nader order te blijven. Na overleg met Jan Thijssen besluit hij om de Maaslandse boerenzoon in te zetten bij de Radiodienst. Ook De Bloois krijgt een zender in beheer.

De via het Bureau Inlichtingen onder Ausems’ bevel gekomen marechaussee Gerrit Buunk (‘Fopkonijn’) bewijst eveneens zijn waarde. Hij is begin juli geland met drie radiosets die de exemplaren van De Bloois moeten vervangen. Een verzetsconnectie neemt hem mee naar het plaatselijk café. “Hij zou daar iemand ontmoeten. Hij wist niet wie en van beide kanten was men dus zeer wantrouwend”, schrijft Marinus Boeree. “In de gelagkamer vonden zij Ausems, die hem nog uit Engeland kende.” Ausems: “Op 20 juli kwam ik in contact met Fopkonijn, die mij vier microfoto’s overhandigde en zich verder ter mijner beschikking moest houden. De ontcijfering van de codeboodschappen had nogal wat voeten in de aarde, maar het werken met Fopkonijn is van den beginne af aan prettig geweest. Allereerst zijn we begonnen met militaire inlichtingen door te geven.”

Radiodienst

Jan Thijssen heeft in de zomer van 1944 drie buitenlandse en tientallen binnenlandse zenders/ontvangers tot zijn beschikking. Zijn Radiodienst werkt eindelijk op volle toeren. Honderden spionage- en andere berichten reizen door de ether. Het zijn er zelfs zoveel dat Ausems zijn baas moet afremmen. “Na verloop van ca. 2 weken samenwerking tussen Fopkonijn en mij bleek dat de Radiodienst volkomen overstelpt was. (…) Dit heeft mij genoodzaakt tot een vrij scherpe brief aan Jan waarin ik hem zei dat hij er voor verantwoordelijk was dat de eenmaal vrijwillig op zich genomen taak goed uitgevoerd werd. Kon dit niet meer door een te grote toevloed van berichten dan zou ik een censuur moeten instellen.” Ausems en Thijssen maken werkafspraken, waarna de berichtenstroom in betere banen geleid wordt.

Het succes is overigens van relatief korte duur. Aan het eind van het jaar zijn de meeste agenten onschadelijk gemaakt. Het eerste slachtoffer is Jan de Bloois. Hij zit bij de kapper in het Utrechtse gehucht Nederlangbroek als de SD daar een inval doet. Na een vlucht via de achterdeur maakt hij de fout eerst zijn vlakbij geparkeerde fiets op te halen. Hij wordt betrapt en ter plaatse doodgeschoten.

Half december zijn de Duitsers op zoek naar een onderduiker. Herman Leus signaleert de speurtocht, neemt de benen, maar wordt gesnapt. Een gericht schot schakelt hem uit. Op 8 maart 1945 wordt hij geëxecuteerd, uit wraak voor een aanslag op SD-leider Hanns Albin Rauter. Ook Tony Visser valt medio december in Duitse handen. Hij zal tot de bevrijding gevangen zitten. Gerrit Buunk blijft tot februari 1945 op vrije voeten. Tijdens een poging om het inmiddels bevrijde zuiden van Nederland te bereiken door de streng bewaakte IJssel over te steken gaat het mis. Na zijn aanhouding blijkt dat hij spionagemateriaal op zak heeft. Twee maanden later krijgt hij de kogel.

Japikse

Medio mei 1944 kan Ausems zich weer buigen over de naoorlogse verhoudingen. Dit keer is de inzet de militaire leiding rond de langzaam naderende machtswisseling. Ausems: “In die dagen kreeg ik van Camoes te horen dat er iemand was die namens een hooggeplaatst persoon mij eens wou spreken over de OD en verder over mijn opdracht en wat daarmee samenhing.” Die ‘iemand’ is reserveluitenant N.M. Japikse. Hij zegt te werken namens de voormalige opperbevelhebber van de land- en zeemacht, generaal Izaak Reijnders. Japikse en Ausems zijn het met elkaar eens dat de Ordedienst waarschijnlijk door de Duitsers is geïnfiltreerd en daarmee een onbetrouwbare partner is zodra de geallieerde invasie van Nederland een aanvang neemt. “De hulp waarop men van de zijde van Engeland rekende zou dus zeer problematisch zijn. Verder was Japikse er niet van overtuigd of de OD wel door de rechte man op de rechte plaats werd geleid. Hij stelde me voor Engeland van de mening van Vos (generaal Reijnders) op de hoogte te stellen en te vragen wat er tegen eenhoofdige leiding zou zijn. Volgens zijn zeggen had Vos zeer vele relaties onder officieren en onder secretaris-generaal en zou [hij] zeker in staat zijn een goed bestuursapparaat op te bouwen.” Ausems seint het voorstel om Reijnders te belasten met het militair gezag naar het Bureau Inlichtingen. Op 5 juni ontvangt hij antwoord: “Regering niet bereid vooralsnog eenhoofdig gezag gedurende eventueel vacuüm aan te wijzen.” Ausems slaagt er niet in om opnieuw contact te leggen met Japikse. Van het idee om Reijnders opperbevelhebber van de strijdkrachten te maken komt niets terecht.

Alle in Londen en Nederland gesmede plannen en pogingen ten spijt is er nog altijd geen coördinatie van het nationale verzet. Het betekent dat de regering na de bevrijding geen centraal aanspreekpunt heeft. Met name in Engeland leeft de wens dat de illegaliteit vertegenwoordigers aanwijst die in het machtsvacuüm dat mogelijk gaat ontstaan het vaderland besturen. Op 7 juni 1944, een dag na de geallieerde landing in Normandië, gaat er een codetelegram uit van het Bureau Inlichtingen waarin ‘namens koningin en minister-president’ wordt meegedeeld dat Wilhelmina ‘het als een noodzakelijkheid ziet dat een coördinatie tot stand komt van alle ondergronds werkende groeperingen’. Ze dienen een ‘groep van voormannen op zo breed mogelijke basis’ te benoemen die ‘bij een eventueel vacuüm opdracht krijgen één of meer personen aan te wijzen om op te treden als tijdelijke vertegenwoordigers der regering tot handhaving van orde en rust, tot de aankomst van de vooruit te zenden ministers, die als kwartiermakers zijn te beschouwen, en van het Militair Gezag. De organisatie en technische uitvoering der ordehandhaving blijft echter opgedragen aan de daarvoor reeds aangewezen dienst’. Bedoeld wordt de Ordedienst. De voormannen wordt nog een taak toebedeeld: na de bevrijding ‘de Kroon (…) van advies te dienen’.

De Kern

Ausems krijgt de door hem aangevraagde, dwingende boodschap op 11 juni voorgelegd. Pas op 23 juni kan hij het bericht voorlezen in de wekelijkse vergadering van de Kern. Hij vult het aan met zijn herinneringen aan de gesprekken met koningin Wilhelmina en minister Van Lidth de Jeude. Vrijwel direct worden de mededelingen verspreid onder andere illegale organisaties. Vertegenwoordigers van zeven illegale blade bespreken de inhoud op maandag 26 en dinsdagochtend 27 juni, in de middag gevolgd door de Kern. In beide vergaderingen blijft verschil van mening bestaan over de bundeling van het verzet. Afgesproken wordt om op 3 juli met zoveel mogelijk groeperingen bij elkaar te komen in een kantoorgebouw aan het Amsterdamse Singel. In totaal hebben 22 landelijk opererende organisaties die dag een vertegenwoordiger ter plaatse. Ook Ausems is uitgenodigd. Van hem wordt verwacht dat hij de vergaderresultaten doorgeeft aan Gerbrandy en Wilhelmina. Zij wachten, vier weken na de regeringsorder te hebben verstrekt, gespannen op bericht. De geallieerde legers rukken inmiddels op naar het noorden van Frankrijk en de tijd dringt. In Amsterdam realiseren de verzamelde verzetsleiders zich het belang van hun bijeenkomst. Na urenlange beraadslagingen komt men tot een verdeling in een linker-, midden- en rechtersectie van de illegaliteit. De representanten van die drie groepen, aangevuld met twee min of meer onafhankelijken, vormen een Contact-Commissie onder voorzitterschap van Willem Drees. Voor het eerst is de grote meerderheid van het verzet gebundeld, zij het dat de onderlinge verhoudingen nog altijd broos zijn.

Dré Ausems meldt tijdens de historische vergadering van 3 juli dat hij voortaan graag aanwezig wil zijn bij de bijeenkomsten van de Contact-Commissie, maar die wens wordt genegeerd. Wanneer de top vier dagen later voor het eerst bij elkaar komt is hij tot zijn teleurstelling niet welkom. De commissie schakelt hem alleen nog in om telegrammen te verzenden naar de regering in ballingschap. Op 18 juli gaat het eerste de deur uit: “Ondergrondse groeperingen op zeer brede basis hebben, erkentelijk voor vertrouwen, op praktische gronden een Contact-Commissie (CC) van 5 personen gevormd voor de tijd van de bevrijding voorafgaand aan een vacuüm. Een uitgebreider adviescommissie voor de tijd na de bevrijding wordt voorbereid.”

7.

Tussen alle coördinatiewerkzaamheden door vindt Ausems ook nog tijd om spionageberichten te maken. Hij geeft onder meer boodschappen door over munitie-opslagplaatsen, vijandelijke troepenbewegingen en de toenemende Duitse repressiemaatregelen. Later in het jaar somt hij de Nederlandse kustgemeenten op die worden ontruimd met het oog op een mogelijke geallieerde aanval en wijst hij in steeds dwingender bewoordingen op de toenemende hongersnood. De hoofdinspecteur van volksgezondheid C. Banning -voor de oorlog dokter in Zaandam en een oom van Ausems- voorziet hem van een lang overzicht met medicijnen. Ze zijn nodig om de sterk geslonken voorraden in de kustprovincies aan te vullen. Ook die verlanglijst gaat naar Londen. Het leidt er onder meer toe dat Engelse vliegers miljoenen eenheden insuline in Nederland droppen.

Driehonderd telegrammen

In totaal stuurt Dré Ausems tot aan de bevrijding zelfstandig en via BI-marconisten ruim driehonderd telegrammen en radioberichten naar Londen. Er is geen agent die zelfs maar in de buurt komt van dit aantal. Ausems toont een ongebreidelde inzet, ondanks dat de Duitsers steeds meer geheim agenten arresteren. Van de 43 gedropte BI-medewerkers zal uiteindelijk minder dan een kwart de bevrijding in eigen land meemaken. De overigen sneuvelen in actie, verlaten Nederland voortijdig of belanden in een buitenlandse cel. Van de zeven geparachuteerde collega’s die Ausems inzet om zijn berichten naar de overkant te sturen slagen er maar twee in om tot het eind actief te blijven. Zijn medespringer Jacques van Loon weet in september 1944 de geallieerde invasietroepen te bereiken. Drie agenten worden gefusilleerd, een vierde overleeft zijn gevangenschap.

Ausems heeft geluk. Hij ontspringt, na de bijna-arrestatie in Zaandam, een tweede maal de dans. In het voorjaar en de zomer van 1944 verblijft hij met zijn gezin in het Land van Altena. Ze wonen tijdelijk in De Assem, een afgelegen boerderij tussen de Brabantse gehuchten Meeuwen en Dussen. Twee maal per week fietst hij naar het Gooi, haalt er spionageberichten op en verwerkt die met het oog op verzending naar Engeland. Op 14 mei krijgt Ausems de waarschuwing dat er over de dijk een groep Duitsers naar hem onderweg is. In de korte tijd die hem rest, weet hij zijn zender in een lege hooiberg te verstoppen. De antenne -11 meter draad- rolt hij snel op en verbergt hij op zolder in een bak met zaad. “De eerste die binnenkwam was een moffenofficier, een luitenant van de Luftwaffe. Hij vroeg: ‘Wo waren Sie am vorigen Sonntag?’ Dit was de dag van mijn uitzending. Ik wist toen al genoeg; zij hadden mij dus gehoord. De hele boerderij werd van half vijf tot half tien doorzocht. Het harmonium werd afgebroken, de bedden uitgeschud, de hooiberg leeggehaald. De zender lag in de lege hooiberg ernaast. Ze hebben het hooi uit de volle hooiberg gehaald en het in de lege gegooid. (…) Wij hebben vijf uur in die kamer gezeten met de hele bevolking van de boerderij en die van de woning van de burgemeester, die aan de oprit van de boerderij stond. Die waren ook voor het Duitse cordon uitgedreven. (…) Ze hebben buiten een paar van ons voor een open kuil gezet, de bekende gebaren gemaakt en gezegd: ‘Waar zit die radiozender?’ Ze hebben veel misbaar gemaakt, maar de Brabantse boeren zijn glashard. Die oude boer, zijn neef en ik waren op elkaar ingeschoten. Die boer werd gevraagd verantwoording te doen van de mensen die in de kamer zaten. De luitenant stond voor hem en vroeg, wijzende op mij: ‘Wer ist das?’ ‘Dat is de houthandelaar Koops’, antwoordde hij. ‘Was machen Sie hier?’, vroeg de luitenant mij, waarop ik antwoordde dat ik een partij hout had verkocht. ‘Ja’, zei de boer weer: ‘Daar ligt het’.” Hoewel de peilploeg weet dat er een zender in de buurt moet zijn, kunnen ze niets vinden dat daar op wijst. Ausems: “De Duitsers hebben verstaan dat er de vorige zondag een vrouwenstem had gesproken. Zij hebben daarom, toen ze daags na dit voorval nog eens terugkwamen, de nicht van de boer meegenomen en die is drie weken lang verhoord.” De Sicherheitsdienst heeft de verkeerde te pakken. De vrouw die de bewuste zondag met het Bureau Inlichtingen sprak was namelijk Pauline Ausems.

Roelofarendsveen

Om het risico op nieuwe invallen te minimaliseren verhuizen de zender en zijn gebruikers nog dezelfde avond van De Assem naar Roelofsarendsveen. Dré Ausems: “Wij kwamen daar in augustus 1944 aan, wilden daar gaan werken, doch hoorden dat er een dag tevoren een grote razzia op mannen had plaatsgehad. Toen is ‘Mei’ -dat was de naam van de zender- natuurlijk ook weer ondergedoken. (…) Ik ben naar Breukelen gegaan en heb daar ‘Mei’ opgesteld om eventueel tijdens de invasie dienst te kunnen doen.” Hij is gescheiden van zijn gezinsleden, die afwisselend bij familie en bij voor hen onbekenden bivakkeren. Zijn kinderen bezoeken noodgedwongen verschillende scholen, soms maar voor een paar weken. Zelfs zij krijgen schuilnamen, die als geheugensteun in schoolboeken en -schriften worden genoteerd.

Het kat-en-muisspel tussen de opsporingsinstanties en de geheim agent blijft doorgaan, mede als gevolg van de matige apparatuur waarmee wordt gewerkt. Ausems: “De Engelsen hadden redelijke voorzorgsmaatregelen genomen dat er niet uitgepeild kon worden. Ze hebben echter deze slag verloren, want de moffen hebben het wel uitgepeild.” De makers van Ausems’ apparatuur blijven er ondanks diens ervaringen van overtuigd dat hun product onfeilbaar is. “Dergelijke massa-overvallen zijn typische maatregelen [van de] vijand als hij slechts geringe gegevens heeft. (…) Dus onwaarschijnlijk dat uw uitzending opgevangen wordt”, seint het Bureau Inlichtingen. Jan Somers’ dienst gaat dan ook gewoon door met het verstrekken van de bewuste zenders aan haar agenten.

Een ander probleem waarmee Ausems kampt is het onderhouden van zendcontact. “De verbinding was ieder ogenblik weg. De Engelse technici die het toestel gebouwd hadden, hadden gezegd dat je twintig minuten rustig kon spreken, alleen zo nu en dan onderbroken door het ‘Over, OK, over!’, maar dat bleek niet het geval te zijn. Als ik vijf minuten spreektijd had was het veel. Dan moest ik weer gaan zoeken waar de ander was.” Die ‘ander’ is Piet Gerbrands. Hij vliegt boven de Noordzee, buiten het bereik van de Duitse radar, en dient de verzonden boodschappen op te vangen. “Wij wisten allerlei kleine details van elkaar”, aldus Ausems. “Hij vroeg bijvoorbeeld: ‘Welke kleur had dat horloge dat je kocht in Madrid?’ Ik hoefde hem niet te identificeren. (…) Hij vroeg mij: ‘Hoe heette het hondje van die vriendin van mij waarmee wij de avond voordat je vertrok in Londen zijn gaan eten?’ Ik moest daar dan antwoord op weten te geven. Kon ik het, dan was het goed. Gaf ik er geen asem op, dan dachten zij: ‘Hij is in handen van de moffen’. Het ging ook om de manier waarop je sprak. Gerbrands en ik hebben buiten Londen geoefend met dit toestel en ook geoefend om elkaars stem tot in de kleinste details te herkennen. Juist om dergelijke dingen, omdat je samen veel hebt meegemaakt in Madrid en later op reis, ging het.”

Binnenlandse Strijdkrachten

Het is inmiddels begin september. Het optimisme over een snelle vrede groeit met de dag. In het Oosten drijft het Russische leger de tegenstander terug, in Westelijk Europa rukken Britse en Canadese troepen op richting Nederland. Bij Koninklijk Besluit worden op 5 september de Binnenlandse Strijdkrachten opgericht, een bundeling van de Ordedienst, de Raad van Verzet en de Landelijke Knokploegen. Met het oog op de geallieerde opmars en de kans dat hij alsnog wordt opgepakt schrijft Ausems een tientallen pagina’s dik verslag van zijn bevindingen tot dan toe. Hij begraaft het rapport onder een hortensiastruik in zijn onderduikgemeente De Bilt en seint de locatie van de bergplaats naar het Bureau Inlichtingen.

De organisatie van de Binnenlandse Strijdkrachten is overigens niet naar de zin van Jan Thijssen. Weliswaar slaagt Walraven van Hall er in om binnen enkele dagen een Top-driehoek te formeren waarin de OD, KP en RVV opgaan, Thijssen en zijn KP-collega Jan van Bijnen vinden de samenvoeging ‘een militair monstrum van de eerste rang’. “Ik verdom het. En wat meer zegt: ook Lange Jan die in de RVV dezelfde functie heeft als ik, zij het met beperkter volmachten, vertrapt het evenzeer. Dat hebben we de heren in een gezamenlijk schrijven gemeld en laat ze nu maar…”, schrijft Van Bijnen. “De NBS had de grote fout dat zij alles dooreen mengde en daardoor een rem werd op het actieve verzet. In plaats van een voor de hand liggende combinatie der drie organisaties en een verdeling der taken van sabotage voor LKP en RVV en bewakingsdiensten voor de OD werd nu overal een felle strijd om de macht gevoerd, waarbij de een niet voor de ander wijken wilde”, wordt de concurrentiestrijd betiteld in Het grote gebod, een naoorlogs standaardwerk over KP en LO.

Ausems volgt de ontwikkelingen op de voet. Vanuit De Bilt fietst hij regelmatig voor overleg naar het RVV-commandocentrum in Utrecht. Hij staat pal achter Jan Thijssen: “Men moet Jan zien als een uitermate harde werker, die zonder aanzien der personen zijn weg ging langs duidelijke lijnen en die overal, waar hij zulks ontmoette, op alle slakken van halfheid en stunteligheid het nodige zout legde, ook al boette hij daardoor zelf aan populariteit in.” Thijssen is inderdaad rechtlijnig. Hij voelt er niets voor om de commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten te gehoorzamen, zijns inziens een marionet van de conservatieve Ordedienst. “Nu dus uit de vele besprekingen in die dagen (…) gebleken was dat er een ernstige splitsing te verwachten was -enerzijds OD, RVV, KP in Amsterdam, anderzijds de verzetsgroepen in het land- deed ik een poging tot bemiddeling en schreef Richard een briefje waarin ik een onderhoud met hem aanvroeg”, noteert Ausems. ‘Richard’ is RVV-leider Jan van der Gaag, die namens zijn organisatie zitting heeft genomen in de Top-driehoek. Hij trekt in Amsterdam zijn eigen plan, los van die andere leider, Jan Thijssen, en in nauwe samenwerking met onder meer de Ordedienst. Desondanks wil ook Van der Gaag de RVV graag bij elkaar houden. Per kerende post nodigt hij Ausems uit om naar de hoofdstad te fietsen en zich daar te melden op de Leidsekade 58. Het komt er niet van. “Reden hiervan: het posten van ongure types aan de mij opgegeven contactadressen. Later bleken dit wachtposten te zijn”, telegrafeert Ausems op 6 oktober naar het Bureau Inlichtingen. Geschrokken van Van der Gaags bewakers draait hij zijn rijwiel en keert terug naar De Bilt.

‘Zijn zij gek geworden?’

Diezelfde maand gaat Ausems wel langs bij het net ingerichte hoofdkantoor van de Binnenlandse Strijdkrachten. Wat hij daar ziet stuit hem tegen de borst. “Men heeft complete burelen ingericht met fraaie titels, huistelefoon, secretarissen, enz. Men telefoneert met Eindhoven langs een zogenaamde privé-lijn. Men geeft bevelen en contra-bevelen, maar niemand is actief strijdend. Men roept mensen naar Amsterdam voor wie elk uur kostbaar is. Men legt duidelijke bevelen zodanig uit, dat er in de praktijk niets van terecht komt”, laat hij het Bureau Inlichtingen weten. “Onze algemene ervaring is deze. Zijn zij gek geworden? Ik persoonlijk zal zorgvuldig alle contact met OD en Driehoek vermijden, tenzij u mij daartoe uitdrukkelijk bevel geeft. Deze mensen kunnen goede militairen zijn, van illegaal werken en daarin resultaten behalen hebben zij geen kaas gegeten. Mijn onafhankelijke positie laat mij toe hier vrij te kunnen spreken.”

De spanningen tussen de leiders van OD, KP en RVV lopen zo hoog op dat de commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten, Henri Koot, de dwarsliggende Jan Thijssen uit zijn functie ontheft wegens ‘sabotage en verzet tegen elk gezag dat niet het uwe is’. “Ik had gehoopt als CNBS u in mijn staf of bij de troep een plaats te kunnen geven in overeenstemming met uw capaciteiten en aspiraties; met uw schrifturen hebt gij mij daartoe de weg afgesneden en naar mij gebleken is de weg tevens tot samenwerking met de KP en OD!” Het nieuws over zijn strijdmakker bereikt Ausems met vertraging. Twee weken na dato bericht hij Londen: “Protesteer ten sterkste tegen ontslag Jan. Hierdoor [gaat] een der weinige leiders van formaat voor verzetswerk verloren. Heeft dit ontslag wel uw goedkeuring?” Twee dagen later vraagt hij gedesillusioneerd: “Ik neem aan dat mijn woord nog enige invloed bij u heeft. Daarom verzoek ik u met de meeste aandrang deze uiterst gevaarlijke poging van OD-mentaliteit ongedaan te maken. Ik hoop spoedig antwoord van u te krijgen. Mogelijke oplossing gelegen in benoeming Jan als commandant stoottroepen voor het gehele land, terwijl NBS, indien gehandhaafd, alleen commando bewakingstroepen krijgt.” Hij is te laat. Al op 1 november is Thijssen, met zijn ontslagbrief op zak, aangehouden door de Sicherheitsdienst. SD-chef Joseph Schreieder weet dat hij een grote vis in handen heeft en verhoort Thijssen dan ook langdurig. Hoe wanhopig en gedesillusioneerd die ook is, hij verzwijgt de namen van zijn mede-RVV’ers. “Hier vervloekt men zichzelf”, krast hij in de muur van zijn Zwolse cel. “Het hart kent zijn eigen droefheid alleen.” Op 8 maart 1945 wordt hij gefusilleerd, als represaille voor de aanslag waarbij Rauter zwaargewond raakt.

8.

Wetend dat de werk- en leefomstandigheden in bezet gebied steeds slechter worden zoekt Ausems contact met een collega-agent van het Bureau Bijzondere Opdrachten (BBO), Maarten Cieremans. Het is hem bij toeval ter ore gekomen dat die een aantal afwerpterreinen onder controle heeft, waarop vanuit Engeland regelmatig goederen worden gedropt. Cieremans: “Dit was een uniek, gewoonlijk streng verboden contact tussen absoluut gescheiden mensen van BI en BBO. Wij toetsten elkaars identiteit met luchtige spot en ironie over Londen en onze opdrachtgevers. Hij was een jaar of tien ouder dan ik en vertelde dat hij en zijn vrienden in Amsterdam dringend verlegen zaten om bepaalde zendapparatuur, andere technische zaken en medicijnen, schoenen, kleding en voedsel. ‘De aandacht van een buurtbewoner, die hier spionageberichten voor ons verzamelt, is getrokken door de regelmatig ’s nachts overkomende solo-vliegende bommenwerpers. Hij heeft toen een boer aangesproken, van wie hij vermoedde dat hij jou zou kunnen bereiken. Nu dat gelukt is, hoop ik dat onze bazen het er over eens zullen worden hier een zending voor mij heen te sturen’. Het bleek dus maar al te simpel te zijn om de grondige veiligheidsmaatregelen, die de droppings omringden, te doorbreken. Niettemin beloofde ik mijn medewerking. Ik zei: ‘Maar als die zending binnenkomt, wat moet er dan verder mee?’ ‘In Breukelen is een café met een ruime achteringang naar de bierkelder. Als de boel daar wordt afgeleverd, dan zorgen wij voor de rest’.” Londen stemt in met het verzoek. Kort daarna lost een vliegtuig een pakket op het afwerpterrein bij Utrecht. Het bevat technisch materiaal, voedsel, textiel, tabak en zelfs flessen met drank. Een dag later wordt de hele voorraad afgeleverd bij het café in Breukelen. De ontmoeting tussen beide agenten is overigens ook uniek om een andere reden dan door Cieremans genoemd. De twee weten het niet van elkaar, maar ze wonen slechts vijf kilometer bij elkaar vandaan: Ausems in Zaandijk, Cieremans in Zaandam. De BBO-agent is daar tot medio 1943 assistent-verkoopleider bij de schaverij van Bruynzeel.

Verraad

Om niet te worden opgepakt bij de razzia’s die zijn tijdelijke verblijfplaats De Bilt en omgeving teisteren verhuist Dré Ausems opnieuw, dit keer naar Loenen aan de Vecht. Van de tientallen door het Bureau Inlichtingen uitgezonden agenten zijn er op oudejaarsdag nog maar acht actief. De arrestatiegolf in zijn directe omgeving voedt Ausems’ idee dat er sprake is van verraad binnen de RVV-gelederen. Met name in februari 1945 meldt hij het BI week na week de namen van gearresteerde agenten en hun medewerkers. “Zal nader onderzoeken, doch vermoeden penetratie hierdoor versterkt”, seint hij. “9 februari zendpost Havik overvallen. Gepakt: Lex en Alex. 10 februari gepakt: Fopkonijn, Jan en anderen. 11 februari: zendpost Uil overvallen, Bram gepakt.” Hij laat weten dat Pauline (‘39 van de Witte Beertjes’) zijn zendwerkzaamheden overneemt, mocht hij bij een razzia worden aangehouden. “Verdere arrestaties: Lorentz en zijn operator. Ook in Hilversum, Utrecht en Amsterdam zouden arrestaties zijn geweest. Onderzoek penetratie nog geen resultaat. Uitwisseling gevraagd voor al deze arrestanten. Welke gegevens heeft gij daartoe nodig? Jan alias Karel is nog steeds in leven, hoe staat het met zijn uitwisseling?” Het Bureau Inlichtingen kan hem niet van dienst zijn: “Hebben geen succes met uitwisselingsverzoeken en vragen ons af of hierdoor zelfs niet meer aandacht [op] gearresteerden wordt gevestigd dan gewenst.

Naarmate de bevrijding dichterbij komt neemt Ausems’ onrust toe. Op 2 maart seint hij: “Zendpost Arend overvallen. Operator, apparaat en seinplan in handen SD. Vijf dagen later: “Peilers en overvalauto’s bij ons. Wij beperken verkeer.” Hij begraaft opnieuw vertrouwelijke documenten, ditmaal in een boomgaard bij Breukelen. Zes weken voor de Duitse capitulatie waarschuwt hij voor een naoorlogse communistische opstand van de ‘Oranjegarde’ (waarbij hij het los van de BS opererende Oranje Nassau Regiment bedoelt). “Deze hebben plan hun wapens te gebruiken voor opstand tegen koningshuis en wettig gezag. Kolonel Schmidt en andere officieren in deze garde dienen als vlag die de lading dekt. (…) Mijn commentaar is zonder overschatting: communistisch gevaar, pas op voor overdrijving naar reactionaire zijde. Hierin veel groter gevaar gelegen voor ernstige onlusten.” Dat is een verkeerde inschatting. Het regiment onder leiding van voormalig KNIL-kolonel H. Schmidt wordt twee weken na de bevrijding opgeheven.

Tot het laatst toe verzendt en ontvangt Ausems berichten. Op 29 april gaat zijn een na laatste boodschap de lucht in: een verjaardagsfelicitatie voor prinses Juliana. Vijf dagen voor de vijand zich overgeeft stuurt hij zijn finale telegram naar het Bureau Inlichtingen. Hij deelt mee zijn zendapparatuur te hebben opgeslagen ‘in zolderschuit bij jachtwerf Piet Hein in Loosdrecht aan de Bloklaan’. Het slotakkoord uit Londen klinkt op 2 mei: “Meest hartelijke dank voor goede wensen. Wacht in grote spanning op wederzien.” Was getekend: Juliana.

A.W.M. Ausems en prins Bernhard

Prins Bernhard speldt Ausems een onderscheiding op (1954)

De bevrijding van Nederland betekent voor Ausems niet het eind van de Tweede Wereldoorlog. Na zich de eerste maanden te hebben beziggehouden met de afwikkeling van BI-aktiviteiten -hij schrijft onder meer een uitgebreid verslag om het onrecht te bestrijden dat Jan Thijssen zou zijn aangedaan- meldt hij zich als vrijwilliger voor het Verre Oosten. Nederlands-Indië is in handen van Japan, dat zich nog altijd verzet tegen de geallieerden. Met een groot aantal collega-agenten vliegt Ausems per RAF-toestel naar Ceylon, het tussenstation op de route naar Indië. Deze Netherlands Special Forces van het Korps Insulinde hebben ervaring met spionagewerk, parachutespringen en berichten verzenden, maar moeten nu Japans leren en een jungletraining ondergaan. De verwachting is dat zij de aanstaande overgave van het Japanse leger in Nederlands-Indië in goede banen gaan leiden. De missie loopt echter op niets uit. Het verblijf in Ceylon bestaat vooral uit langdurig wachten en het bestrijden van de verveling. Tegen het einde van 1945 kunnen de meeste officieren onverrichter zake per troepentransportschip terug naar Nederland. Zo ook Dré Ausems. Zijn oorlog is voorbij. Hij keert terug naar Fokker en hervat daar zijn oude baan als werktuigbouwkundig.

A.W.M. Ausems

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De verrader en het meisje

In december 2013 verscheen in Vrij Nederland het verhaal van Johan van Lom, de Amsterdammer die in 1945 aan de basis stond van het verraad van onder meer de Zaanse verzetsgrootheden Walraven van Hall en Jaap Buijs. Het artikel over deze tragische man is geschreven door Harm Ede Botje en Erik Schaap. Hieronder de intregale weergave. 

In 1945 verraadde de jonge jurist Johan van Lom topmensen van het Nederlandse verzet. Deed hij het om zijn minnares te bevrijden? ‘Het is een treurig, ellendig, maar ook fascinerend verhaal.’

Langzaam gleed het levenloze lichaam in het donkere water van de Keizersgracht. Een groepje mannen dat even eerder vanuit een grachtenpand naar de kade was gelopen met het lijk, verdween in het schemerduister. Het lichaam was van de 26-jarige jurist en verzetsman Johan van Lom. Een dag eerder was hij opgepakt en twee uur lang verhoord. Zijn ondervragers, allen verzetsmensen, achtten hem schuldig aan verraad. Ze veroordeelden 
Van Lom tot het drinken van de gifbeker, een glas thee gemengd met cyanide, maar het gif loste niet op, of hij weigerde het te drinken, dat is nooit duidelijk geworden. Op 6 maart 1945 werd hij met een nekschot geliquideerd.

De executie van Johan van Lom heeft nooit de wenkbrauwen doen fronsen: hij was immers een van de grote verraders van het verzet in de Tweede Wereldoorlog. Door hem verdwenen bekende verzetsstrijders achter de tralies en hij was er indirect verantwoordelijk voor dat onder anderen Walraven van Hall, de bankier van het verzet, werd opgepakt en geëxecuteerd. Hij zou verraad hebben gepleegd om zijn minnares uit de gevangenis te krijgen, zoals hij ook aan zijn ondervragers verklaarde. Maar klopt dat wel?

Tot nu toe was er maar zeer weinig bekend over Van Lom. Historicus Loe de Jong duidde hem in deel 10b van zijn Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog aan als Van Arkel, zijn nom de guerre. De privacy van zijn nabestaanden mocht niet worden geschaad, zijn weduwe was immers opgeklommen tot vicepresident van de rechtbank. Nabestaanden van verraders? Die werden met de nek aangekeken in naoorlogs Nederland.

Zeventig jaar lang bleef Van Lom in de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog een min of meer vergeten figuur. Maar nu bijna alle hoofdrolspelers zijn overleden, kan zijn verhaal eindelijk worden verteld. Dit artikel is geschreven op basis van dagboeken, brieven en stukken uit het Nationaal Archief die jarenlang ontoegankelijk waren. We voerden gesprekken met Wim van Norden, de 96-jarige oprichter van Het Parool, die Van Lom in contact bracht met de top van het verzet, en die de enige nog levende getuige van het drama is. En we spraken Van Loms nabestaanden, onder wie zijn dochter Anne. Die laatsten ontkennen stellig dat Van Lom er een minnares op na hield. Maar waarom ging hij dan naar de Duitsers?

Het glibberige pad

Anne van Lom is nu negenzestig jaar oud. Ze heeft haar vader nooit gekend, maar uit de familieverhalen is hij altijd naar voren gekomen als een romantische, idealistische man die veel van muziek hield en uitstekend fluit, piano en viool speelde, en die als jurist eigenlijk niet op zijn plaats was. Thuis werd nooit over het verleden gepraat. ‘Mijn vader had iets stoms gedaan in de oorlog. Het was gevaarlijk, daar moest je niet over praten. Waarom, daar heb ik eigenlijk nooit naar gevraagd, maar ik vermoed nu dat het was omdat, als het verhaal bekend zou worden, dat gevolgen zou kunnen hebben voor onze veiligheid en voor de carrière van mijn moeder, die rechter was.’ Pas naar aanleiding van een telefoontje voor dit artikel is Anne in dozen gaan zoeken naar brieven en andere documenten uit die tijd. Ze heeft er geen moeite mee dat het verraad van haar vader na zeventig jaar in de openbaarheid komt. ‘Het is een treurig, ellendig, maar ook fascinerend verhaal. Wij, in vredestijd, kunnen alleen maar hopen dat we onder dergelijke omstandigheden niet zelf het glibberige pad van het kwaad zouden betreden.’

In een reconstructie van haar oorlogsjaren die Anne’s moeder Cornelia ‘Non’ van Marle twee jaar na de oorlog ‘voor mijn kind’ op schrift stelde, komt Johan van Lom naar voren als een betrokken, idealistische jongeman. In de zomer van 1940 werden zij en Johan, toen haar verloofde, net als honderdduizenden andere Nederlanders lid van de Nederlandse Unie, een organisatie die met de Duitsers wilde samenwerken om zo de NSB de wind uit de zeilen te nemen. Non was er enthousiast over: ‘Eindelijk een kans om je te uiten, om iets te doen.’ Johan (door Non van Marle liefkozend ‘Han’genoemd) gaf zijn studie op en zette zich volledig in voor de beweging, tot die in december 1941 werd verboden.

In de oorlogsjaren was in een statig pand aan de Keizersgracht 401 in Amsterdam het voorname advocatenkantoor Bunker, Hendrix en De Pont gevestigd. Non van Marle solliciteerde er en werd assistente van Jan de Pont, die voornamelijk Joodse families en gearresteerde verzetsmensen bijstond. ‘Geen prettig werk,’ schreef Non in haar terugblik. ‘Vriendelijk zijn waar je verachting voelde, beleefd blijven waar je ze eens de waarheid zou willen zeggen, je omkeren wanneer je zou willen slaan of erger. En altijd die wanhopige vaak zelf opgejaagde mensen wier belangen je in handen had en die van jou hulp verwachtten en die je zo zelden werkelijk helpen kon.’

Johan van Lom had zijn studie niet afgemaakt. Na protesten tegen het tekenen van de ariërverklaring die op gang waren gekomen na de beroemde rede van professor Rudolf Cleveringa, was de Leidse universiteit in de zomer van 1941 gesloten. Veel studenten waren daarna uitgeweken naar Amsterdam of Utrecht, maar Van Lom was ‘solidair gebleven’ aldus Non in haar terugblik. Ook hij kon voor advocaat De Pont aan de slag, in Den Haag. ‘Han was brutaler, maar tevens veel gevoeliger dan ik en hij trok zich alles nog meer aan, wat hij aan anderen natuurlijk nooit merken liet,’ noteerde Non.

Contact met de illegaliteit

Vanachter het raam van hun woonkamer op de Zuider Amstellaan in de Rivierenbuurt, de tegenwoordige Rooseveltlaan, keken Han en Non machteloos toe hoe op 20 juni 1943 Joodse buren werden afgevoerd. Een buurvrouw op één hoog, van Duitse komaf, hing uit het raam om de ‘kameraden’ op straat te wijzen waar nog meer Joodse gezinnen woonden. Twee dagen later trouwden de jonggeliefden. ‘Het weer was stralend en we waren de twee gelukkigste mensen ter wereld.’ Op de huwelijksfoto’s poseert het stel voor hun huis aan de Zuider Amstellaan.

Drie maanden later, in september 1943, trok Tjodina (‘Ini’) Tijmstra tijdelijk in bij het jonggehuwde stel. Tijmstra was een vriendin van Non en haar zus Hetty, ze had bij Hetty in de klas gezeten. Ini was verraden nadat ze als medewerker van het Rijksarbeidsbureau in Den Haag lijsten van mannen die zouden worden opgehaald voor de Arbeitseinsatz naar de illegaliteit had gelekt. ‘Han wist in Den Haag de zaak geseponeerd te krijgen en Ini kon hier als onderwijzeres werken.’ Na een half jaar verhuisde Ini naar een kamer in de belendende woning, maar ze bleef vanzelfsprekend vaak over de vloer komen. Op 8 juni 1944 werd Anne geboren, de dochter van Han en Non, twee dagen na D-Day, de invasie in Normandië.

In diezelfde periode was Han betrokken bij de voorbereiding van het zogenaamde tweede Parool-proces, waarbij advocaat De Pont de verdediging voerde. Van 25 juli tot 8 augustus stonden tweeëntwintig Parool-mensen terecht voor het civiele Duitse Obergericht. Op dat moment werden civiele rechtszaken nog op een min of meer normale manier afgehandeld en hadden verdachten dus advocaten. ‘Via een bevriende advocaat uit Hilversum waren we bij De Pont terechtgekomen omdat die bij de Duitse rechtbank stond ingeschreven en dus bevoegd was te pleiten,’ zegt Wim van Norden, een van de oprichters van Het Parool. ‘En De Pont heeft toen voortreffelijk werk verricht.’ De openbare aanklager had vier keer de doodstraf geëist, maar die werd niet opgelegd omdat een kroongetuige niet op het proces kon worden opgeroepen. Twaalf verdachten kwamen meteen op vrije voeten, zeven kregen een tuchthuisstraf en werden naar Duitsland afgevoerd, drie kregen gevangenisstraf.

Trouwfoto

Johan en Non op hun trouwdag voor het huis aan de Zuider Amstellaan 44 (nu Rooseveltlaan) in Amsterdam

Van Norden bracht na het proces opnieuw een bezoek aan De Pont. Hij zocht een jurist die voor de net opgerichte Stichting 1940-1944 (later Stichting 1940-1945) kon helpen bij het opzetten van een systeem om na de oorlog de nabestaanden van verzetsstrijders van een pensioen te voorzien en om de statuten op te stellen. De Pont weigerde. ‘Hij wilde tot elke prijs voorkomen dat de Duitsers hem in contact konden brengen met illegale activiteiten,’ zegt Van Norden terugkijkend. Maar was de jonge Van Lom niet een alternatief? De Pont prees zijn assistent aan als een ‘heel goede jurist’, noteerde Non in haar terugblik op de oorlog.

De situatie in Amsterdam verslechterde in die laatste maanden van 1944 snel. Jongemannen werden in groten getale opgepakt en afgevoerd naar Duitsland om daar te werk gesteld te worden. Han en Non bouwden onder hun huis een schuilkelder zodat Han zich kon verstoppen bij een huiszoeking. Het dagelijks leven werd steeds zwaarder. ‘Geen gas, geen elektriciteit, geen kolen, geen eten,’ schreef Non. ‘Han zag er heel slecht uit en hij werd prikkelbaar. Ik kon niet geven wat hij nodig had. Wij verdienden niet zoveel om zwart voedsel te kunnen kopen. En Han wilde niet dat ik voor mijn advocatenwerk kosten in rekening bracht als een cliënt een goed strijder voor het vaderland was.’ Vrienden van het jonge stel raakten steeds actiever in het verzet. Enkelen waren volgens Non ‘soms krankzinnig roekeloos’ en werden opgepakt. In deze maanden regen de onheilstijdingen zich aaneen.

Op 23 oktober werden na een aanslag op een SD’er in de Apollolaan in Amsterdam-Zuid mannen uit de gevangenis aan de Weteringsschans gehaald en gefusilleerd. Ook werden twee villa’s aan de Apollolaan in brand gestoken en mensen die in de buurt van die straat woonden werden opgepakt. Onder hen mr. Jan de Pont. ‘Han was er kapot van. Voortdurend kwamen wanhopige, angstige mensen op kantoor en hier aan huis vragen of hij wist wie er gefusilleerd waren. We konden er niet achter komen, het was om gek van te worden.’ Han probeerde bij het hoofdkantoor van de Sicherheitsdienst aan de Euterpestraat, de tegenwoordige Gerrit van der Veenstraat, meer te weten te komen. Maar ondanks het feit dat hij als advocaat in opleiding met de Duitse autoriteiten te maken had en ook het SD-hoofdkantoor regelmatig bezocht, kreeg hij geen voet tussen de deur. De Pont bleef vastzitten.

De grootste klap volgde een maand later. Op 24 november werd Ini Tijmstra door de Landwacht opgepakt terwijl ze exemplaren van Het Parool vervoerde. De Duitsers doorzochten ook haar kamer en vonden bonnenvellen en vervalste persoonsbewijzen. ‘Daar wisten wij niets van,’ noteerde Non. Han dook onmiddellijk onder, uit angst dat Ini zijn naam tijdens verhoren zou noemen. Híj was immers degene geweest die haar in contact had gebracht met mensen van de Parool-groep.

Naar het SD-hoofdkwartier

Oudjaar 1944. Han, Non, de kleine Anne, Hans vader en een vriendin, Narrie, zaten in de woonkamer. Op tafel één kaars. Eten was er nauwelijks. De twee jonggehuwden hadden al een tijdje last van dysenterie (‘Han viel bijna om van de zwakte’) door het slechte eten uit de centrale keuken. Maar dit was een speciale avond. En dus stond er op tafel ‘echte wijn van de buren’ en ‘geroosterd brood met iets erop’. Er werd geklonken. ‘Heil en zegen, nog even doorbijten, het is bijna geleden.’

Johan van Lom komt uit de notities van zijn vrouw Non naar voren als een goede vaderlander en een toegewijde huisvader. Maar hij leefde onder grote spanning en was ondervoed. En hij raakte totaal uit het lood door de arrestaties van De Pont en Ini. Hij besloot dat hij in actie moest komen. En dat deed hij zonder met iemand te overleggen.

Dagboek

Dagboek van een reis in 1940 naar Zuid-Limburg van Tjodina (‘Ini’) Tijmstra, de vermeende minnares, met Non en haar zus Hetty

Begin januari maakte Van Lom voor de zoveelste keer de gang naar het SD-hoofdkwartier in de Euterpestraat. Dit keer vroeg hij naar Kriminalsekretär Friedrich Viebahn, een gevreesde figuur die belast was met het oprollen van de Nederlandse verzetsgroepen. ‘Van Lom stelde mij voor de geestelijke leiders van het Nederlandse verzet te arresteren,’ zei Viebahn in juni 1945 tegen zijn Nederlandse ondervragers. Van Lom vertelde volgens Viebahn over zijn werk voor de Stichting 1940-1945, noemde de namen van onder anderen Wim van Norden en Jan Meijer van Het Parool, Arie van Namen van Vrij Nederland en andere kopstukken van de verzetsbeweging die bij hem thuis waren geweest. ‘Hij verklaarde eigener beweging bereid te zijn zodanige inlichtingen te geven dat zij tijdens een vergadering konden worden gearresteerd’, aldus Viebahn.De verklaring van de SD-officier komt in grote trekken overeen met wat Van Lom zijn ondervragers vertelde vlak voor zijn eliminatie. Viebahn zou hem hebben voorgesteld dat wanneer Van Lom datum en tijd zou noemen van de eerstvolgende stichtingsvergadering, er over de vrijlating van Ini ‘te praten viel’. Van Lom koos ervoor de verzetsmensen uit te leveren. Wel stelde hij één voorwaarde: ze mochten onder geen beding worden geëxecuteerd. Viebahn gaf zijn woord, waar hij zich, bizar genoeg, in die krankzinnige laatste oorlogsmaanden aan heeft gehouden.

Dinsdag 12 januari, iets na half elf. Op de voordeur van Zuider Amstellaan 44 werd luid gebonsd, er werd gebruld, waarna geüniformeerde mannen binnenstormden. De mannen aan de eettafel in de achterkamer stoven alle kanten op. De Zaanse houthandelaar Jaap Buijs, die namens het Nationaal Steunfonds (het NSF financierde de illegaliteit) de vergadering bijwoonde, werd meteen gearresteerd. Jan Smallenbroek van Trouw en Arie van Namen ontsnapten via de tuindeuren naar buiten. Maar het huis was omsingeld en ook zij werden gearresteerd. ‘Wij werden geboeid en moesten op onze buik in het sneeuwwater liggen,’ verklaarde Van Namen na de oorlog toen onderzoek werd gedaan naar het verraad van Van Lom. ‘Viebahn was bij de arrestatie aanwezig en smeet mijn schoenen door de tuin. Hij ging als “overwinnaar” met zijn rechtervoet op mijn rug staan (…).’

In de voorkamer stond Non als aan de grond genageld. ‘Dit moest een droom zijn, dit was geen werkelijkheid,’ schreef ze in haar terugblik. ‘Ik werd met een pistool op mijn borst gedwongen in de voorkamer te blijven. Toen ik een tijd later in mijn slaapkamer kwam, lagen daar geboeide mensen met hun gezicht op de grond.’ Terwijl Van Namen, Buijs en Smallenbroek daar lagen, zaten Johan van Lom, Teus van Vliet (van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers) en de communist Bob Gillieron in de schuilplaats onder de studeerkamer, waar ze via een luik in de vloer in waren gekropen. Van Lom had met de Duitsers afgesproken dat hij daar zou zitten en Van Vliet mee zou nemen, om zo geen argwaan te wekken bij de illegaliteit over zijn rol. Gillieron was eigener beweging het luik in gedoken. De Duitsers haalden voor de vorm het hele huis overhoop en doorzochten de belendende tuinen. Daarna vertrokken ze met de arrestanten. ‘Als u uw man ziet, zeg dan dat hij zich bij ons moet melden,’zeiden ze bij vertrek tegen Non. Pas na een uur kwamen de drie mannen uit hun schuilplaats. Han verdween na zonsondergang naar een onderduikadres.

Ik moet het doen

Op zaterdag 15 januari stond Ini bij Non voor de deur. Ze was vrijgelaten, precies zoals 
Van Lom en Viebahn hadden afgesproken. ‘Overmorgen zou ik naar een Duits concentratiekamp overgebracht worden, ik moet er niet aan denken met die bombardementen,’ schreef Ini nog diezelfde dag in een nooit verstuurde brief aan Hetty, de zus van Non van Marle. ‘Maar Han heeft me eruit gehaald, ik kan hem niet zeggen hoe dankbaar ik hem ben.’ Een dag later beschreef ze meer in detail haar onverwachte ontslag uit de gevangenis. Viebahn zou haar hebben laten gaan ‘op buitengewone voorspraak van de heer Van Lom’. Toen ze naar buiten liep, stond Han haar op te wachten. ‘Ik ben hem meteen om de hals gevallen en toen heeft hij me een en ander uitgelegd. (…) ’s Morgens was die overval, ’s middags heeft hij bewerkt dat ik eruit kwam. Ik vind het de meest griezelige onderneming waar ik ooit van gehoord heb. Maar als Han wat in zijn hoofd haalt, haalt geen mens het er meer uit.’ Een week na Hans dood kreeg Non bezoek van een dominee, hij had een briefje bij zich dat onbekenden bij hem door de bus hadden gedaan.

Non was blij, maar ook bezorgd. De arrestaties en de vrijlating moesten verband met elkaar houden. Ze ging naar Hans onderduikadres en drong net zo lang aan tot hij toegaf dat hij naar de SD was gegaan en had voorgesteld voor ‘hen te werken’ in ruil voor vrijlating van Ini. ‘Ik bezwoer hem zich niet in te laten met die kerels, maar hij zei: “Ik moet het doen, begrijp toch dat hun leven [van de gevangengenomen verzetsstrijders-HEB/ES] ervan afhangt. En nu kan ik ook wat voor De Pont doen.’

Een paar dagen later arresteerde de SD in de Jan Luyckenstraat de eerder ontkomen Teus van Vliet terwijl hij zijn fiets van het slot stond te halen na een afspraak waarbij ook Van Lom aanwezig was geweest. Van Vliet was een belangrijk man en de Duitsers wilden vooral hem graag in handen krijgen. Van Lom was teruggegaan naar Viebahn en had een nieuwe afspraak gemaakt om ook Van Vliet in de val te lokken. In diens adresboekje vonden de Duitsers aanwijzingen voor weer een vergadering met verzetsmensen, en ook daar werd een inval gedaan. Hierbij werd onder meer Wally van Hall, de bankier van het verzet opgepakt. Hij werd wel geëxecuteerd, op 12 februari. Omdat zijn arrestatie alleen indirect met Van Lom in verband kon worden gebracht, voelden de Duitsers zich niet gebonden aan de afspraak om de gevangenen in leven te houden.

Non reageerde ontzet op de arrestatie van Van Vliet en maakte een hevige scène met Han, zo beschrijft ze in haar terugblik. ‘Hij zei: Ik ben geen schoft, jij begrijpt het niet. Hij beloofde met de SD te breken.’ Het was duidelijk dat Han opnieuw moest onderduiken. Op verzoek van Non ging Ini met hem mee, ‘zodat zij voor hem zorgen kon’. Het tweetal vond onderdak in een appartement aan de Bickersgracht 40, maar week al snel uit naar Den Haag, opgejaagd door verzetsmensen die opdracht hadden Van Lom aan te houden. In die kringen bestond inmiddels het sterke vermoeden dat Van Lom verraad had gepleegd nu hij bij twee verschillende arrestaties was ontkomen.

Gemeenschap met elkaar

Begin maart keerde het tweetal terug naar Amsterdam. Een vertegenwoordiger van het verzet had een briefje afgegeven bij Non met 
de boodschap dat ze Han op maandag 5 maart om twee uur wilden ontmoeten op de Westermarkt. Die ochtend was hij de wanhoop nabij, beschrijft Non. ‘Hij was razend nerveus en sprak tot niemand een woord. Toen we even alleen in de kamer waren borg hij zijn hoofd in mijn schoot. Ik vroeg: “Jongen wat is er nou.” Hij antwoordde met verstikte stem: “Ik wou dat ik er nooit aan begonnen was.” Toen er iemand de kamer binnen kwam is hij weer bij de kachel gaan zitten. Hij was boos omdat het eten niet gaar was, omdat hij zijn scheerkwast niet kon vinden. Hij ging over tweeën de deur uit, zonder groet om nooit meer terug te keren.’

Van Lom werd in het grachtenpand aan de Keizersgracht verhoord door vijf verzetsmensen onder leiding van Wim Sanders, na de oorlog een van de grote mensen van het Bureau Nationale Veiligheid en de Binnenlandse Veiligheidsdienst, de voorlopers van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. Na de oorlog liet Sanders in een verklaring weten dat Van Lom twee uur lang ‘gevaarlijke klippen trachtte te omzeilen’ en langzamerhand verstrikt raakte in ‘leugens en onjuistheden’. De ondervragers trokken zich daarop terug om te beraadslagen.

Sanders kwam tot de volgende reconstructie: Van Lom en Ini hadden een verhouding en hij was bereid geweest belangrijke verzetsmensen aan de bezetter uit te leveren in ruil voor haar vrijlating. Hij sprak onder vier ogen met Van Lom en confronteerde hem met het verhaal over liefde en verraad. De ondervraagde reageerde volgens Sanders ‘ontsteld’, vroeg hem hoe hij hiervan wist en zakte achterover. ‘Mijnheer,’ zou Van Lom gezegd hebben. ‘Ik heb alles verraden. Wat doet u met een verrader?’ Daarop zou de jonge jurist een volledige bekentenis hebben afgelegd, die bewaard is gebleven en waarin hij bevestigde dat hij met ‘mejuffrouw Tijmstra’ een verhouding was aangegaan en dat zij ‘van tijd tot tijd’ gemeenschap met elkaar hadden. Ook zou Viebahn dit hebben geweten en hebben gedreigd dit aan Non te vertellen.

Johan

Johan van Lom in 1936: een betrokken, idealistische jongeman

Opvallend genoeg sprak Viebahn vlak na de oorlog tegenover zijn ondervragers niet over het verraad-uit-liefdemotief van Van Lom. Volgens Viebahn vroeg Van Lom ‘op grond van persoonlijke bekendheid’ om vrijlating van Ini en stemde de SD’er daarin toe ‘aangezien er politioneel weinig reden was haar vast te houden’.

Na de bekentenis werd Van Lom veroordeeld tot het drinken van de gifbeker, zo vertelden getuigen nog diezelfde week aan de ondergedoken Wim van Norden. Van Norden, die nog steeds in het huis aan de Reguliersgracht woont waar hij tijdens de oorlogsjaren actief was voor Het Parool, staat nog steeds achter de beslissing Van Lom om te brengen. ‘Na de oorlog heb ik daar uitgebreid met Wim Sanders over gesproken,’ zegt hij. ‘Als ze de gelegenheid zouden hebben gehad hem vast te houden en na de oorlog te berechten wegens zijn verraad, hadden ze dat gedaan. Maar het kón niet. Ze wisten niet hoe lang het smartelijke lijden van de oorlog zou doorgaan. De kans bestond dat Van Lom zou ontvluchten en dan zou hij misschien nog meer mensen hebben verraden. Er was dus maar één oplossing: dat hij zichzelf van het leven zou beroven. En toen hij weigerde is hij doodgeschoten.’

Non schreef in de dagen erna een gedicht dat onlangs door haar dochter Anne werd teruggevonden. De enorme woede die ze voelde over de terechtstelling zonder enige vorm van proces is terug te lezen in de bijtende zinnen. ‘Ze oordeelden en er was geen beroep/Er was zelfs niet één die je gratie kon schenken/En niemand werd gevraagd te spreken/Die wel iets wist van je strijd, van je ziel/(…)/Wat waren de laatste woorden die nog fluistrend over je lippen kwamen?/Welk beeld hebben je brekende ogen gezien?/De mannen zetten hun geweren, of waren het pistolen in een hoek/Veegden hun handen af: dat was weer een verrader minder.’

Een onschuldig mens

Een week na Hans dood kreeg Non bezoek van een dominee. Hij had een briefje bij zich dat onbekenden bij hem door de bus hadden gedaan. Daarin stond wat er was gebeurd. De briefschrijvers beloofden met het oog ‘op de toekomst van haar en haar zoon (dat moest ‘dochter’ zijn – HEB/ES) dit geval zo geheim mogelijk te houden’. De briefschrijvers voelden zich ‘moreel verplicht’ Non op de hoogte te stellen van wat er was gebeurd. ‘De vrouw zal wellicht vragen hoe zich alles toegedragen heeft. Wij achten het niet juist in details te treden, maar kunnen u mededelen om haar, zij het enigermate, gerust te stellen, dat haar man zo gehandeld heeft, volgens zijn verklaring, door de zwakheid van zijn karakter’. Met andere woorden: het overspel leidde tot het verraad.

Johan2

‘Han was brutaler, maar tevens veel gevoeliger dan ik,’ schreef Non in 1947

Maar was dat wel echt zo? Non van Marle heeft de lezing van Sanders, die door Loe de Jong zonder voorbehoud werd overgenomen in zijn Koninkrijk der Nederlanden, altijd bestreden. ‘Dat er een verhouding tussen Han en Ini bestaan zou hebben is waanzin,’ schreef ze in 1947. ‘Noch Han noch Ini waren daar toe in staat. Ik had daarvan trouwens toch iets moeten merken. Wij waren dolgelukkig met elkaar en iedereen warmde zich aan de zon van ons huwelijk en ons gezinsleven’.

Ook nabestaanden van Ini (die in 1960 overleed) en Non (overleden in 1987) zijn ervan overtuigd dat van overspel geen sprake was. ‘Mijn moeder en Non zagen elkaar na de oorlog regelmatig en gingen vriendschappelijk met elkaar om,’ zegt Tjeerdfrans Kok, zoon van Ini. Iets wat door Anne van Lom wordt bevestigd. ‘Ik was nog een kind, maar ik kan me Ini goed herinneren. Het was een schatje, een onschuldig, open en spontaan mens. Ze bleven de beste vriendinnen en hebben elkaar na de oorlog nog jarenlang gezien,’ zegt ze. ‘Sanders sprak mijn vader onder vier ogen, er was verder niemand bij. Zijn versie van de feiten is altijd door iedereen voor waar gehouden. Maar is het echt zo gegaan? Het verhaal is volgens mij veel minder goedkoop en voor de hand liggend dan tot nu toe beschreven is. Misschien heeft mijn vader in een soort depressieve wanhoop alles toegegeven om er maar vanaf te zijn.’

Parool-oprichter Wim van Norden blijft vasthouden aan het verhaal van de liefde en het verraad. ‘Daardoor kan ik begrijpen wat Johan van Lom heeft gedaan. Hij was overmand door emoties die we liefde noemen, die alles opzij zet, een tragische held. Ik heb hem altijd een beetje verdedigd tegenover andere oud-verzetsmensen die hem in de eerste plaats zagen als een echte slechterik. Maar wat als hij niet uit alles verzengende liefde heeft gehandeld, zoals zijn familie wil doen geloven? Waarom deed hij het dan? Als je die liefdesverhouding totaal weglaat uit het verhaal, blijft er niets anders dan een verrader over.’

Anne van Lom is het daar niet mee eens. ‘Hubris, dat is waar mijn vader aan leed. Hij wilde dat er een eind kwam aan al het moorden. Viebahn bevestigde dat ook in zijn verhoor na de oorlog. Mijn vader wilde verder advocaat De Pont bevrijden en Ini uit de klauwen van de Duitsers redden. ’ Non formuleerde het zo in haar terugblik: ‘Ik geloof dat Han, lichamelijk volkomen verzwakt door de honger en geestelijk uitgeput door alle ellende die hij om zich heen zag, door de voortdurende hoogspanning waaronder hij moest werken, zichzelf in een geestvervoering heeft gebracht, dat hij dit barre geweld zou keren, dat hij een einde zou maken aan het moorden door goud met goud te wegen. Het doel van Han moet zijn geweest de bezetter reden tot fusilleren te ontnemen door hun de hoogste leiders van de illegaliteit in handen te spelen. Han was een overgevoelige jongen die zeer impulsief van aard was zodat hij vaak door zijn gevoel bewogen dingen deed waarvan hij de consequenties niet kon overzien. (…) Ik geloof dat pas toen hij merkte dat men hem wantrouwde, tot hem doordrong dat zijn handelswijze als verraad kon worden uitgelegd door mensen die zijn motieven niet kenden. En waarschijnlijk, toen hij voor het forum van de illegaliteit als verrader genoemd werd, is er iets in hem gebroken en heeft hij die krankzinnige bekentenis afgelegd. Hij was zo moe van alle strijd en ellende, dat hij op dat moment waarschijnlijk niets anders verlangde dan sterven, eindelijk rust.’

Ini Tijmstra overleefde de oorlog. Ze trouwde al snel met Thije Kok, een variétéartiest die tijdens de oorlog lid was van de Kultuurkamer en voor Duitse troepen optrad, maar naar eigen zeggen actief was in het verzet en voor Ini en Han tijdelijk een onderduikadres had gevonden op Bickerseiland. Na de oorlog hield Non de naam Van Lom aan. Ze was een van de eerste vrouwelijke rechters in Nederland en bracht het tot vicepresident van de rechtbank. Nooit kwam ze terug op de dood van haar man. Wim van Norden kende haar wel van gezicht, maar tot een gesprek kwam het niet. ‘Ze heeft nooit contact met mij gezocht en ik vond dat niet op mijn weg liggen.’ Toen hij in de jaren vijftig een vakantiehuisje wilde kopen aan de Vinkeveense Plassen, zei de makelaar vol enthousiasme dat ‘mevrouw Van Lom en haar dochter’ in het belendende huis hun weekenden doorbrachten. Van Norden zag daarop af van de aankoop. ‘Alleen door haar te zien zou ik dagelijks herinnerd worden aan een zeer emotionerende periode in mijn leven.’

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Carla Simons’ Dagboek 1942

Begin mei 2014 publiceerde Stichting Uitgeverij Noord-Holland Dagboek 1942. Leven op de grens van wankelende waarden. Het ontroerende oorlogsdagboek van de Amsterdamse schrijfster Carla Simons is bezorgd en van een uitgebreide levensbeschrijving voorzien door ondergetekende.

Het manuscript van Carla Simons’ ontroerende Dagboek 1942 belandde na de Tweede Wereldoorlog via Nederland en Canada in de Verenigde Staten. Daar lag het tientallen jaren, tot Olga Kan-Kok en haar dochter Mirjam Kan zich er over ontfermden. Ze besloten de literaire getuigenis van deze Joodse schrijfster te publiceren, precies zoals in 1942 Carla’s bedoeling was, en benaderden mij daartoe.

Dagboek 1942 is een uniek document. Met name door de literaire observaties van een vrouw die in de bezette hoofdstad bleef hopen op een goede afloop, maar onontkoombaar naar de afgrond gleed. Zeventien maanden lang noteerde ze haar diepste gevoelens en observaties, terwijl om haar heen in een steeds hoger tempo Joodse vrienden en bekenden werden gedeporteerd. Carla’s liefdesrelatie met de Italiaanse hoogleraar Romano Guarnieri betekende voor haar aanvankelijk uitstel van executie. Maar toen Romano zich tegen het fascisme keerde, veranderde dit ogenschijnlijke voordeel in een val waaruit geen ontsnappen mogelijk was. Op 27 september 1943 tekende de architect van de Endlösung, Adolf Eichmann, persoonlijk Carla’s doodvonnis.

Het leven van deze veelbelovende auteur eindigde ruw, zoals de uitgebreide inleiding van haar dagboek duidelijk maakt. Carla Simons werd een anoniem slachtoffer, zoals miljoenen overkwam die belandden in Hitlers moordmachine. De uitgave van Dagboek 1942 behoedt haar alsnog voor de vergetelheid. De publicatie (128 pagina’s, €14,95) is verkrijgbaar via de boekhandel en Stichting Uitgeverij Noord-Holland.

Omslag Dagboek 1942

Hoe het meisje met het rode haar werd verraden

De verzetsstrijder Hannie Schaft werd opgepakt dankzij een Nederlandse politieman, een tot nu toe onbekend feit.

Hannie Schaft werd op 17 april 1945 geëxecuteerd in de duinen bij Bloemen­daal. De Duitse bezetter, die maandenlang jacht op haar maakte, hoorde haar naam voor het eerst tijdens ondervraging van haar strijdmakker Jan Bonekamp. Hij raakte zwaargewond bij een aanslag die hij op 21 juni 1944 samen met Hannie Schaft pleegde op de gehate Zaanse politiecommandant Willem Ragut. Maar hoe belandde Bone­kamp in Duitse handen? Tot nu toe werd altijd gezegd dat hij werd overgedragen door ‘een foute politieman’. Maar wie was dat? En waarom leverde hij Bonekamp uit? Uit voorheen gesloten strafdossiers in het Nationaal Archief van wegens collaboratie veroordeelde Zaanse politiemannen is nu precies te reconstrueren wat er gebeurde op die fatale junidag in 1944.

Centraal staat een man die door de geschiedschrijving over het hoofd is gezien, de in 1978 in Spanje overleden Tonny Jansen. Jansen was lid van het Rechtsfront, een nauw met de NSB samenwerkende beroepsorganisatie voor politie en justitie. In augustus 1940 werd hij gestationeerd in Harlingen, waar hij openlijk de Hitlergroet bracht, jongens die V-tekens op de muur hadden gekalkt uitleverde aan de Duitsers en ijverig informatie doorspeelde aan de Sicherheitsdienst. ‘Er was in Harlin­gen geen tweede die zo zijn best deed voor de SD,’ verklaarde een getuige na de oorlog tegenover de politie.
Maar na zijn overplaatsing naar Zaandam in november 1942 gooide Jansen het over een andere boeg. Hij zocht contact met verzetsmensen en bood hun zijn diensten aan. Na de oorlog zijn er dan ook verschillende verzetslieden die hem verdedigen als iemand op wie ze konden bouwen. Zo zou hij medewerkerslijsten van verzetskrant De Typhoon uit handen van de Duitsers hebben gehouden, vliegeniers die achter de linies terecht waren gekomen hebben gered en ervoor hebben gezorgd dat de vooraanstaande verzetsman Jaap Buijs niet werd geëxecuteerd.

Geslepen schurk

‘Hij heeft zeer verdienstelijk werk gedaan voor het verzet,’ zei verzetsman August Sabel na de oorlog tijdens zijn rechtszaak. Maar de rangen der verzetsstrijders waren verdeeld over Jansen. Het gereformeerde, katholieke en sociaaldemocratische kamp nam het voor hem op, terwijl communistische getuigen niets van hem moesten hebben. Bij de links georiënteerde Raad voor Verzet stond de politieman op de lijst van te liquideren landverraders, vertelde het latere communistische raadslid Jan Brasser alias Witte Ko na de oorlog aan justitie. Jansen zou volgens Brasser ‘de motor’ zijn geweest van ‘de opdrachten van politiecommandant Willem Ragut’ en medeplichtig aan de arrestatie van zes Joden bij een razzia. Ook een andere communistische verzetscommandant, Jan ‘Joop’ Jongh was niet te spreken over de Zaanse politiecommissaris. ‘Jansen was een buitengewoon geslepen schurk, naar ons overzwaaiend om zijn huid te redden.’

Uit het justitiedossier van Jansen rijst een beeld op van een man die in de laatste oorlogsjaren weliswaar met het verzet samenwerkte, maar dan vooral met het niet-communistische verzet. Aan communisten had hij een broertje dood. Getuigen­verklaringen in het dossier melden dat Jansen aan de bezetter namen doorgaf van CPN’ers, een lijst van vermeende communisten had aangelegd waar huiszoekingen moesten worden gedaan en in 1943 een belangrijke rol speelde bij razzia’s waarbij communisten werden opgepakt.
Ook zou hij volgens mede-agenten een belangrijke rol hebben gespeeld bij het leeghalen van de Zaanse synagoge. De openbaar aanklager omschreef hem tijdens zijn proces in 1949 als een ‘opportunist’ behorend tot het slag politiemannen die tijdens de oorlog ‘niet aan de zijde van de vijand stonden’ noch zich op een ‘uitsluitend Nederlands standpunt stelden’. Uiteindelijk veroordeelde het Bijzonder Gerechtshof Jansen tot tweeënhalf jaar cel wegens ‘verraad’ en ‘hulp aan de vijand’. De straf viel zo laag uit omdat de rechters ‘in hoge mate rekening’ hielden met zijn verdiensten voor de verzetsbeweging.

IJver

In het dossier van Tonny Jansen zitten tal van getuigenissen over zijn rol tijdens de arrestatie van Jan Bonekamp, waaruit zonneklaar blijkt dat hij geen enkele moeite heeft gedaan de communistische verzetsstrijder te redden. Zo gaf hij de fanatieke NSB-agent Hendricus de Vogel opdracht de cel waarin Bonekamp werd geplaatst te bewaken. En Jansen deed nog iets waardoor hij de bezetter op het spoor van Hannie Schaft zette. Aanvankelijk verklaarde hij niet al te veel haast te hebben gehad met het informeren van de Duitsers, maar in een tweede verhoor komt hij daarop terug en zegt het bericht van Bonekamps arrestatie ‘zo snel mogelijk’ te hebben doorgespeeld, waarna manschappen van de SD ‘met de meeste spoed’ arriveerden.

Schaft
Hannie Schaft in gevangenschap, 1945

Kriminalsekretär van de Sicher­heitspolizei Emil Rühl en het gevreesde Sicherheitspolizei-lid Friedrich Christian Viebahn verbaasden zich na de oorlog tegenover hun ondervragers over de ijver van Jansen. Volgens Rühl en Viebahn was het voor Jansen ‘een kleine moeite’ geweest Bonekamp te laten onderduiken en hem te laten behandelen. Rühl: ‘Ik zou toch denken dat elke arts bereid zou zijn geweest deze man te helpen en hem hierdoor uit handen van de Duitse politie te houden.’ In een later verhoor zegt Rühl: ‘De Nederlandse SS-man De Vogel hield de wacht waardoor Bonekamp niet de gelegenheid had om personen te waarschuwen.’ En: ‘Door de willende medewerking van Jansen bij en na de arrestatie van Bonekamp was het voor ons mogelijk de moordaanslagen uitgevoerd door Hannie Schaft op te helderen.’ Als Jansen Bonekamp niet had uitgeleverd, concludeert Rühl, was Schaft nooit gevonden en ‘was zij zeker nog in leven’.
Ook de Nederlandse SS’er Maarten Kuiper, die tijdens de executie van Hannie Schaft zijn machinegeweer op haar zou legen, legde een belastende verklaring af over Jansen. Ook volgens Kuiper was het dankzij Jansen dat ‘Bonekamp nadat hij was neergeschoten, aan het bureau is gekomen, in de cel is gestopt en bewaakt om zodoende elk contact te vermijden. Zoals bekend heeft Bonekamp toen de naam genoemd van Hannie Schaft. Jansen heeft hierin een zeer actieve rol gespeeld.’
Na de oorlog probeerde Jansen zijn rol bij de uitlevering van Bonekamp aan de Duitsers zo klein mogelijk te maken. Ja, hij had gebeld met het hoofdkantoor van de SD in Amster­dam maar alleen maar omdat hij van arts Willem Levend had gehoord dat Bonekamp ‘binnen tien minuten zou overlijden’. Met andere woorden: als de Duitsers zouden arriveren zou ondervraging van de gevangene niet meer mogelijk zijn. Arts Levend herinnerde zich na de oorlog iets heel anders. Hij had tegen Bonekamp gezegd: ‘Het is erg, maar je gaat direct naar het ziekenhuis.’ En diezelfde boodschap had hij voor Jansen, NSB-burgemeester Hendrik Vitters en enkele SD’ers.

En dan is er ook nog de foto van Hannie Schaft die in de portefeuille van Bonekamp werd gevonden. In de film Het meisje met het rode haar uit 1981 speelt de foto een belangrijke rol: door die vondst kreeg Hannie Schaft een gezicht en wisten de Duitsers naar wie ze moesten zoeken. Maar in werkelijkheid is het waarschijnlijk anders gegaan. Zeker is dat Bonekamp een foto bij zich droeg. De eigenaresse van het huis waar Bonekamp was binnen gestrompeld, verklaarde na de oorlog dat er ‘een foto van een meisje met rond gezicht en loshangende haren tot op de schouders’ uit de portefeuille van Bonekamp werd gehaald door politieman Jan van der Schaaf. Die gaf de foto aan Jansen, en er zou ter plaatse zijn afgesproken dat die onmiddellijk moest worden vernietigd, om te voorkomen dat de afgebeelde persoon zou worden gezocht. ‘Wat door mij direct is gebeurd,’ zei Jansen tegen zijn ondervragers.
Dat Jansen in dit geval wel eens de waarheid gezegd zou kunnen hebben, kan worden onderbouwd met een verklaring uit een zeer onverdachte bron: die van Bonekamps echtgenote Trien van den Brink. Zij voedde in haar eentje haar dochter op, terwijl Bonekamp met Hannie Schaft operaties uitvoerde en ondergedoken zat. Na de aanslag op Ragut werd Van den Brink in het huis van haar moeder opgehaald door de politie en naar Zaandam gebracht. Daar moest ze een kwartier wachten tot er een Rode Kruis-auto arriveerde met haar man. Tijdens de rit naar het hoofdkwartier van de SD aan de Euterpestraat werd ze voortdurend verhoord over het illegale werk van haar man. Daar aangekomen ging het verhoor verder. Op tafel lagen de bezittingen van Bonekamp: een portefeuille, persoonsbewijs, een Aus­weis, een portemonnee, een sleutel en twee pistolen. Ook toonden de ondervragers haar verschillende foto’s, van hun dochter, pasfoto’s van hemzelf en een foto van een zekere Karel Smit die eerder door de Duitsers was gefusilleerd. Maar geen foto van Hannie Schaft. Voor de uiteindelijke arrestatie van Schaft maakte de al dan niet vernietigde foto overigens niet veel uit. Nadat Bonekamp Schafts naam had prijsgegeven, deden de Duitsers een inval bij de familie Schaft. Daar zijn ongetwijfeld foto’s gevonden die bij de opsporing zijn gebruikt.

Verzetsverpleegster

Zeker is dat Jansen in de negen maanden durende jacht op Hannie Schaft geen rol speelde. Zelf verklaarde hij ‘nimmer in de buurt van de woning’ te zijn geweest om ‘te trachten haar te arresteren’. Daarvoor zijn in het dossier ook geen aanwijzingen te vinden. Wel zitten er verklaringen in die een nieuw licht werpen op de laatste uren van Jan Bone­kamp. In Amsterdam werd hij overgebracht naar het Luftwaffe Lazaret te Amsterdam, dat gevestigd was bij het Wilhelmina Gasthuis. De eerdergenoemde Nederlandse SS’er Maar­ten Kuiper zag hoe de verzetsstrijder ‘verschillende spuitjes’ kreeg om hem ‘geschikt te maken voor verhoor’. Tijdens de bijeenkomsten was een Duitse verpleegster aanwezig die moest waarschuwen als Bonekamp ‘te zwak’ werd, waarna de ondervragingen zouden worden gestaakt.
Emil Rühl, die de ondervragingen samen met Kuiper deed, benadrukte na de oorlog dat Bonekamp voor hem een grote onbekende was. Bonekamp bekende een hele reeks aanslagen waaronder die op banketbakker en notoire NSB’er Pieter Faber. Hoe Rühl en Kuiper Bonekamp de naam Hannie Schaft hebben weten te ontfutselen, is altijd met raadselen omhuld geweest. Schafts medestrijdster Truus Menger-Over­steegen meldt in haar boek Toen niet, nu niet, nooit dat de Duitse verpleegster een belangrijke rol speelde. Zij zou zich hebben voorgedaan als een zogenaamde ‘verzetsverpleegster’ en Bonekamp hebben toegefluisterd dat hij boodschappen aan haar kon doorgeven. Hij zou toen, al blind en stervende, Hannie Schafts naam hebben genoemd.
Volgens de inmiddels overleden journalist Ton Kors liep het anders. In Hannie Schaft, het levensverhaal van een vrouw in verzet tegen de nazi’s beschrijft hij hoe Emil Rühl zich voordeed als een vriend en de stervende Bonekamp vroeg of hij wat kon doen. Beide auteurs geven geen bronnen bij hun weergave van de feiten. Rühl zelf gaf zijn ondervragers na de oorlog een veel minder spannende, hem vrijpleitende versie van de feiten. Volgens hem was er sprake van een ‘rustig verhoor’ waarbij Bonekamp vertelde samen met Schaft de aanslag op Ragut te hebben gepleegd en dat hij ook verder met haar samenwerkte. Mede-ondervrager Maarten Kuiper: ‘Ik heb persoonlijk gehoord dat Bonekamp de naam Hannie Schaft zei.’

De zaak-Jan Bonekamp/Hannie Schaft en de rol van Tonny Jansen daarbij was voor politie en justitie een van de vele affaires waarnaar ze tussen 1945 en 1949 onderzoek deden. Maar om onbekende reden voerde de officier van justitie de zaak niet op in de tenlastelegging en tijdens de zittingen en in het vonnis is er dan ook geen woord aan gewijd. Voor de inmiddels 89-jarige Truus Menger-Oversteegen is er geen twijfel mogelijk waarom dat zo is gelopen. ‘Weet je waarom Jansen zo heeft geopereerd? Bonekamp was een communist. Daarom stak hij geen hand voor hem uit. En weet je waarom er na de oorlog geen aandacht was voor deze zaak? Opnieuw: omdat Bonekamp een communist was. Het was in 1949 volop Koude Oorlog en om communisten werd met een boogje heen gelopen.’
Tonny Jansen werd na zijn veroordeling tot tweeënhalf jaar vrijwel onmiddellijk op vrije voeten gesteld omdat hij zijn straf al in voorarrest had uitgezeten. Hij begon een autoverhuurbedrijf in Haarlem en later kocht hij daar een reisbureau en begon met vliegreizen. Uiteindelijk werd hij directeur van Centouri, een grote speler op de reismarkt. Hij heeft die organisatie verkocht aan V&D en is op Mallorca gaan wonen. Zijn dochter Magda laat weten geen zin te hebben om ‘oude koeien uit de sloot te halen’ en verwijst door naar haar oom Theo Hibma (85), de broer van haar moeder. Hij zat tijdens de oorlog bij de familie Jansen ondergedoken om te ontkomen aan de Arbeitseinsatz. Hibma ziet Tonny Jansen in de eerste plaats als een verzetsman. Dat hij in de gevangenis heeft gezeten, noemt Hibma een ‘tik voor de familie’. Hij weet niets van betrokkenheid van zijn zwager bij de zaak-Bonekamp/Schaft. Wat Hibma zich wel herinnert, is dat zijn zwager tijdens de oorlog soms heel nerveus thuiskwam. ‘Over de redenen voor zijn nervositeit werd niet gesproken,’ aldus Hibma. ‘Hij wilde mijn zuster en mij niet ongerust maken en verzweeg dus veel.’

Tonny Jansen door Gerrit Dekker (mei 1949)
Tonny Jansen in 1949 tijdens zijn rechtszaak

 

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Walraven van Hall, premier van het verzet

Historici als Loe de Jong en Geert Mak bestempelden Walraven van Hall als de centrale man van de illegaliteit gedurende de Tweede Wereldoorlog. Desondanks zakte deze Zaandamse ’bankier van het verzet’ langzaam weg in de vergetelheid. Op 10 februari 2006, zijn honderdste geboortedag, verscheen er een biografie over Zaandammer ‘Wally’ van Hall (in 2014 heruitgegeven in een aangevulde editie).

Walraven van Hall komt op 10 februari 1906 ter wereld in een welgesteld, liberaal Amsterdams particiërsgezin. Onder zijn voorvaderen bevinden zich tal van Kamerleden, gemeentebestuurders en bankdirecteuren. Wally, zoals zijn roepnaam luidt, kiest echter een andere route en besluit om zeeman te worden. Hij bezoekt de Zeevaartschool op Terschelling en monstert vervolgens aan bij de Koninklijke Hollandsche Lloyd. Vier jaar lang reist hij als koopvaardij-officier tussen met name Europa en Zuid-Amerika. In 1929 worden zijn ogen niet meer goed genoeg bevonden voor de grote vaart. Hij treedt in de voetsporen van zijn vader en wordt bankier. Hij werkt anderhalf jaar in New York en grijpt dan de kans om bankdirecteur te worden in Zutphen. In 1932 trouwt hij met Tilly den Tex, ook al een telg uit een roemrijk bankiersgeslacht, met wie hij drie kinderen krijgt.

In maart 1940 treedt Van Hall in dienst bij de Zaandamse bankfirma Weduwe J. te Veltrup & Zoon, gevestigd aan de Westzijde 47. Hij betrekt diezelfde maand een vlakbij gelegen herenhuis, aan de Westzijde 42 (op de plek waar nu het Holland Handelshuis staat). Als commissionair in effecten reist hij dagelijks naar de Amsterdamse effectenbeurs. Naast zijn werk wordt Van Hall vrijwilliger bij de plaatselijke Luchtbeschermingsdienst, in 1939 opgericht ter voorbereiding op de dreigende oorlog.

Nederlandse Unie

Als reactie op de Duitse bezetting van Nederland ontstaat de Nederlandse Unie. Deze nieuwe volksbeweging wil het vooroorlogse verzuilde denken doorbreken en de ‘nationale eenheid’ bevorderen. Ruim anderhalf jaar schippert de Unie tussen toegeven aan de steeds verdergaande eisen van de bezetter en het volgen van een eigen koers. Desondanks groeit de organisatie uit tot de grootste politieke partij ooit, met 600.000-900.000 leden. De meeste mensen sluiten zich aan uit weerzin tegen de nationaal-socialistische partijen NSB, NSNAP en Nationaal Front. Van Hall wordt in november voorzitter van de nieuwe afdeling Zaandam, zijn stadgenoot Jaap Buijs secretaris/penningmeester. In mei 1941 opent de Nederlandse Unie een winkel aan de de Gedempte Gracht 10. Voorin zijn kranten, speldjes en ander propagandamateriaal verkrijgbaar, in een achterzaaltje vindt kadervorming plaats. “Het thans bereikte aantal van duizend leden voor Zaandam is nog veel te gering”, spreekt Van Hall tijdens de opening de achterban toe.

Buijs en Van Hall missen zelfs het kleinste stukje affiniteit met de bezetter en haar aanhang. Ze roepen het Unie-bestuur op om stelling te nemen tegen de NSB en Buijs laat het partijsecretariaat weten ‘liever geen loten voor de Winterhulp te willen verkopen’. “Van de verkoop mag niets worden verwacht”, geeft hij als reden op. In dat beeld past ook de vaderlandslievende actie van een Zaandamse Uniehuis-medewerker. Uit een Unie-verslag: “In Zaandam liep de conciërge van de winkel een proces-verbaal op, omdat hij van de op het trottoir voor de winkel geklodderde leuze ‘1 jaar Unie is 1 jaar verraad’ alleen het eerste gedeelte had weggeschrobd.” Van Hall zal de selectieve schoonmaakactie ongetwijfeld met een glimlach hebben waargenomen.

In december 1941 hebben de Duitsers genoeg van de wispelturige Nederlande Unie. De organisatie wordt verboden. Relatief veel Unie-leden belanden vervolgens in de illegaliteit. Zo ook Van Hall. Begin 1941 is hij al gestart met het inzamelen van geld voor slachtoffers van de Februaristaking en datzelfde jaar raakt hij betrokken bij de Zeemanspot, een hulporganisatie voor de gezinnen van koopvaardij- en marinepersoneel dat vanuit Groot-Brittannië bijdraagt aan de geallieerde oorlogsvoering. Samen met zijn broer Gijs -de latere burgemeester van Amsterdam- slaagt Walraven er in om tonnen aan giften en leningen bij elkaar te krijgen. “Wanneer anderen, die er misschien direct meer voor in aanmerking komen, het niet aandurven om te steunen, dan moeten zij dat zelf weten, maar ik denk er niet aan om mijn makkers, waarmee ik samen gevaren heb, nu in de steek te laten”, zegt de oud-zeeman tegen een vriend.

Nationaal Steunfonds

In de loop van 1942 wordt duidelijk dat steeds grotere aantallen nazi-slachtoffers hulp nodig hebben. De beide Van Halls richten daartoe samen met oud-Philipsmedewerker Iman J. van den Bosch het Landrottenfonds op. Walraven stelt voor om uit oogpunt van veiligheid -hoe meer leners, hoe groter de kans op verraad- leningen lager dan 25.000 gulden niet langer te accepteren. Die opzet lukt wonderwel, door aan te kloppen bij banken en vermogende Nederlanders. De organisatie groeit in 1943 uit tot een landelijk netwerk. De steun wordt uitgebreid naar gezinnen van gijzelaars en gevangenen, nabestaanden van geëxecuteerden, ontslagen ambtenaren, familie van Arbeidsinzet-onderduikers en (via een speciale Vakgroep J, met in het bestuur onder andere Zaandammer Remmert Aten) 8000 à 9000 joden. Een door Van Hall uitgedacht, ingenieus administratiesysteem voorkomt misbruik van de verzamelde gelden.
Uit de Zeemanspot en het Landrottenfonds ontstaat na verloop van tijd het Nationaal Steunfonds. Deze ondergrondse bank, waarvan Walraven de onbetwiste leider is, financiert gedurende de oorlog naar schatting 150.000 personen in nood. Daarnaast gaan er vele miljoenen naar illegale organisaties als de Persoonsbewijzencentrale, spionagegroepen, het gewapend verzet en bladen als Vrij Nederland, Trouw, Het Parool en De Typhoon. De bloeiperiode van het NSF breekt aan als de Nederlandse regering in ballingschap in september 1944 oproept tot de spoorwegstaking. Het fonds neemt de salarisbetaling op zich van de 33.000 stakende spoormedewerkers, een last van 5-6 miljoen gulden per maand. Walraven en Gijs van Hall zorgen dat er op grote schaal schatkistpromessen worden vervalst. Met deze waardepapiereen weten ze De Nederlandsche Bank onder leiding van nationaal-socialist M. Rost van Tonningen 51 miljoen gulden afhandig te maken. Het is tot vandaag de dag de grootste bankfraude ooit in Nederland.

In het laatste oorlogsjaar raakt Walraven betrokken bij de oprichting van de Stichting 1940-1945, de Binnenlandse Strijdkrachten (dat eveneens door het NSF wordt betaald) en een landelijke campagne om Duitse dwangarbeid te voorkomen. Hij houdt zich verder onder meer bezig met de hulp aan geallieerde piloten, de leverantie van explosieven aan het verzet en de bemiddeling tijdens conflicten binnen de landelijke illegaliteit. Aan zijn rol als intermediair houdt hij de bijnaam ‘olieman’ over. Vanwege zijn enorme inzet, charisma en kennis van zaken zal premier Schermerhorn na de oorlog Van Hall betitelen als de ‘volstrekt centrale en leidende figuur van het verzet’. Een andere minister-president, Drees, gebruikt vergelijkbare woorden.

Hoewel het NSF uiteindelijk meer dan 100 miljoen gulden onder haar beheer heeft en relatief makkelijk aan voedsel en kleding kan komen, weigeren Van Hall en zijn directe medewerkers gebruik te maken van hun ‘privileges’. Walravens gezondheid gaat dan ook snel achteruit tijdens de hongerwinter van 1944-’45. Geert Mak beschrijft in zijn boek ‘Een kleine geschiedenis van Amsterdam’ de vermoedelijk laatste keer dat de dan 11 jaar oude Attie haar vader ziet. “Het moet op een koude avond in de laatste oorlogswinter zijn geweest, zij wist de datum niet meer precies, dat Walraven van Hall -beter bekend als Van Tuyl, soms als Barends of Oom Piet- opgebrand na maanden van keihard werken, onverwacht bij zijn vrouw en drie kinderen de keuken binnen kwam zeilen. Hij kwam zelden meer thuis in die maanden, dat was te gevaarlijk geworden. Hij had een barre tocht achter de rug, op een fiets met houten banden van Amsterdam naar Zaandam, en hij was bekaf. Zijn vrouw probeerde hem op te warmen, wat te eten te geven. Ten slotte klom ze resoluut op een stoel. Achter uit de keukenkast haalde ze de laatste twee suikerklontjes, zorgvuldig bewaard voor het meest extreme noodgeval. En die mocht hij toen hebben.”

Op 27 januari 1945 wordt Van Hall gearresteerd, het gevolg van verraad in eigen kring. In de gevangenis aan de Amsterdamse Weteringschans belandt hij in de cel naast zijn vriend Jaap Buijs, die twee weken eerder is opgepakt. Op 12 februari 1945, twee dagen na zijn 39ste verjaardag, sterft Van Hall in Haarlem voor een vuurpeloton, als represaille voor een aanslag op een Duitse officier. Enkele maanden na de bevrijding wordt zijn lichaam aangetroffen in de Kennemerduinen. De olieman krijgt dichtbij de vindplaats zijn laatste rustplaats, op de Erebegraafplaats in Bloemendaal.

cawdshgr.jpg

‘Wally’ van Hall op de Zeevaartschool van Terschelling (links voor).