Pieter Starreveld uit Koog: monumentenmaker

De geboren Zaankanter Pieter Starreveld maakte ruim twintig oorlogsmonumenten. Opvallend genoeg kreeg geen daarvan een plek in de regio waar hij zijn jongste jaren doorbracht. Over het leven van deze beeldhouwer, een van de belangrijkste en productiefste die Nederland telde, verschijnt binnenkort een monografie.  

“Pieter Starreveld, J.A. Raedecker, Cor van Kralingen en Mari Andriessen behoren tot de meest gevierde makers van oorlogsmonumenten”, schreef Wim Pijbes op 2 mei 2020 in NRC Handelsblad. Pijbes kon het weten, als (onder meer) oud-directeur van het Rijksmuseum. Mari Andriessen is van het genoemde viertal de aansprekendste, als geestelijk vader van De Dokwerker. Cor van Kralingen maakte onder meer het iconische beeld De vallende man, dat te zien is op de begraafplaats in het Rotterdamse Crooswijk en op acht erevelden in binnen- en buitenland. En John Raedecker gold in de jaren ’20 en ’30 van de vorige eeuw als de bekendste Nederlandse beeldhouwer. De beelden van het Nationaal Monument op de Dam kwamen van zijn hand. Maar wie is toch Pieter Starreveld?

Symbolische geboortedatum

Starreveld komt in 1911 ter wereld op een datum die gezien zijn latere levensloop symbolisch genoemd mag worden: 5 mei. Zijn wieg staat in Koog aan de Zaan, in wat dan wijk F, nummer 6 heet (de omgeving van de Hoogstraat). Onder zijn voorouders bevinden zich nogal wat zeevaarders, maar zijn vader had toen hij in 1910 trouwde, moeten beloven dat hij aan wal zou blijven. Adolf Starreveld (1888-1970) begint daarom als lasser in de scheepsbouw. Hij en echtgenote Aagje (1889-1964) verhuizen overigens al snel uit Koog. In 1913 staan ze geregisteerd op het Zaandamse adres Oostzijde 402, drie jaar later in Amsterdam. Daar werkt Adolf voor de gemeente. Hij maakt in de hoofdstad straten, legt rails en graaft riolen in. Zoals zovelen die het niet al te breed hebben, verplaatst het gezin de huisraad op keer. In de Zaanstreek komen ze echter niet meer terug. Tot zijn huwelijk in 1935 blijft Pieter Starreveld met zijn ouders, twee broertjes en een zusje in Amsterdam. Er is slechts één onderbreking, omdat hij weigert onder de wapenen te gaan. Het gevolg is dat hij in Haarlem vervangende dienstplicht moet doen.

Op zijn dertiende begint Pieter bij het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs, op zijn achttiende aan de Rijksacademie voor beeldende kunsten in Amsterdam. Daar volgt hij een opleiding tot beeldhouwer. Om zijn lessen te kunnen bekostigen vervaardigt hij eierdoppen, schaaltjes en andere houten gebruiksvoorwerpen. Hij blijkt talentvol. Als lid van kunstenaarscollectief ‘De Trekvogels’ mag hij al 1931, nog tijdens zijn studie, ‘houten voorwerpen, schalen enz’ exposeren, zoals dagblad De Standaard meldt. “Een bezoek aan de tentoonstelling verdient aanbeveling, men vindt er ernstig en pittig werk.” Daarna gaat het rap. De exposities van De Trekvogels volgen elkaar in hoog tempo op. “De kommen en nappen van Pieter Starreveld zijn licht en forsch en aangenaam in de hand”, recenseert De Telegraaf in 1932. De jonge kunstenaar begint naam en opdrachten te krijgen.

Tweede Wereldoorlog

Eind 1935 trouwt Pieter met Johanna (‘Hannie’) Stolte, een goede vriendin van onder anderen Etty Hillesum. Eerder was Hanie verloofd met publicist Menno ter Braak, maar die heeft ze de bons gegeven. Pieter verdient al als twintiger de kost met onder meer beeldhouwwerk, tekeningen en linosneden. Zijn werk bereikt zelfs het Stedelijk Museum. Tegen de tijd dat de Tweede Wereldoorlog zich aandient, mag hij zich een breed gewaardeerd kunstenaar noemen. Een half jaar voor de Duitsers Nederland bezetten, haalt Pieter nog één keer de landelijke kranten, met een plaquette voor de jubilerende muziekrechtenorganisatie BUMA. Pieter ontwikkelt zich tot een veelzijdig talent. Op de site van het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis staan achter zijn naam niet minder dan elf kwalificaties: “Beeldgieter, beeldhouwer, emailleur, glasschilder, graficus, grafisch ontwerper, medailleur, monumentaal kunstenaar, pastellist, pentekenaar en tekenaar.”

Het links-culturele wereldje waarin het echtpaar Starreveld-Stolte zich beweegt, maakt het bijna onvermijdelijk dat Pieter in het verzet belandt. Zijn weerzin tegen het nationaalsocialisme is al in 1937 publiekelijk zichtbaar. Hij verbindt dan zijn naam aan een manifest tegen de ‘heerschende geestesgesteldheid in het Derde Rijk’, waar ‘ontaarde kunst’ en hun makers het moeten ontgelden. Het moet hem dan ook vreemd te moede zijn wanneer de bezetter de meisjes-HBS in de Amsterdamse Euterpestraat, waarvoor hij een beeld van een jongen tussen twee hertjes heeft gemaakt, in 1940 confisqueert. Vanaf dat moment wordt zijn kunst bewonderd door leden van de Sicherheitsdienst, die er zijn hoofdkwartier heeft.

Teijlers Museum

Het ‘goede’ deel van de natie kan zijn werk tegenkomen in de illegale uitgaven van Lou Lichtveld (alias Albert Helman). Die schrijft in het ondergrondse blad De Vrije Kunstenaar en maakt verzetspoëzie, waaronder de door Pieter geïllustreerde gedichten De dierenriem (1942) en Sebastiaan (1944). Tot hun coproductie behoren ook drie penningen, waarvan de eerste al in 1940 wordt gemaakt. Op de voorkant verbeeldt Pieter de Duitse overweldiging van Nederland, op de achterzijde is een tekst van Lichtveld te lezen: “Geweld deed wijken ‘s lands geluk en zaaide lijken.” In hun omgeving worden veel verzetsstrijders gearresteerd, maar Lichtveld en Starreveld halen heelhuids de bevrijding.

Het verzetswerk blijft niet beperkt tot de samenwerking met Lou Lichtveld. Onder de schuilnaam Lucas Vandervelde illustreert Pieter eind 1943 het een jaar later uitgegeven, door Maurits Mok (nom de plume Hector Mantinga) geschreven gedicht Een naamloos strijder. Het wordt in een oplage van 125 in rood, zwart en blauw gedrukt op, zoals het colofon vermeldt, ‘de persen der naamlozen’.

Vrouwelijk naakt

Pieter Starreveld in 1946 in zijn Amsterdamse atelier, werkend aan het vrouwelijk naakt (Wikipedia)

Na de bevrijding heeft Pieter nog wel een privé-oorlogje uit te vechten. Op verzoek van de gemeente Schiedam maakt hij in 1946 een herdenkingsmonument. Het is bestemd voor het plaatselijke Julianapark. Maar het katholieke en anti-revolutionaire smaldeel in de gemeenteraad tekent bezwaar aan: een naakte vrouw in het park gaat hen te ver. Ze zijn in de minderheid, maar op voorstel van de PvdA en de CPN komt er een compromis. Het naakt mag in het park worden geplaatst, mits de begeleidende tekst die naar de oorlog verwijst wordt weggebeiteld. De motie wordt met 17 tegen 12 aangenomen (de meeste confessionelen stemmen tegen). Een tot op het bot beledigde Pieter Starreveld weigert om het bijschrift weg te hakken; een ander moet daarom dat klusje klaren. Pas in 1950 verrijst het beeld op de beoogde plek. Het duurt tot 1967 voor er eerherstel plaatsvindt: het kunstwerk krijgt alsnog de status van oorlogsmonument en een nieuwe begeleidende tekst verwijst naar de verzetsstrijd.

Marion Golsteijn, Wikipedia

Het Schiedamse naakt is een van de 22 of 23 -de tellingen variëren- oorlogsmonumenten die Pieter Starreveld maakt. Een enorm hoog aantal, maar dat valt bijna weg in zijn totale oeuvre aan nagelaten houten, stenen en bronzen beelden: naar schatting duizend.

Zijn bekendste oorlogsmonument is wellicht Zeeman op de uitkijk, dat te vinden is in de Amsterdamse IJhaven. Het is ook het beeld dat zich zo’n beetje het dichtst bij zijn geboorteplaats bevindt. Zowel in Koog aan de Zaan als in Zaandam staan in de publieke ruimte geen kunstwerken van Pieter Starreveld. Wat dat betreft zijn Amsterdam -zijn woonplaats gedurende zijn jonge jaren- en Amersfoort -waar hij zijn tweede levenshelft woont en in 1989 overlijdt- beter bedeeld. Daar bevinden zich in de buitenlucht meerdere beelden met zijn signatuur.

Wie meer wil weten over Pieter Starreveld; er is een website aan hem gewijd.

Onthulling van Starrevelds Amsterdamse monument voor de gevallenen in de zeevaart, 1949 (Nationaal Archief)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Fouten op het Namenmonument

In mei 2016 schreef ik dat het Holocaust Namenmonument waarschijnlijk voor eeuwig ‘under construction‘ zou zijn. Vijf jaar later nadert het herdenkingsproject in de Amsterdamse Weesperstraat eindelijk de voltooiing. De stenen met daarin de namen van 102.000 vermoorde joden, Roma en Sinti zijn gebakken en deels al bevestigd. Met, zoals gevreesd, de nodige fouten. Vijf voorbeelden, op basis van een bescheiden steekproef.

“Bij het eerbetoon aan deze mensen mogen geen fouten worden gemaakt”, schreef de Volkskrant op 28 april 2021. “En toch is dat onvermijdelijk, denkt Jacques Grishaver, voorzitter van het Nederlands Auschwitz Comité en initiatiefnemer van het Namenmonument.” Dat had te maken met de schaal van de genocide en de hiaten in de archieven. Het is ook de reden dat de stenen die in de muur komen verlijmd in plaats van gemetseld worden, en dus relatief makkelijk te vervangen zijn. Verder wordt er een lege ‘reservemuur’ gebouwd en houdt de organisatie maar liefst 40.000 blanco stenen achter de hand.

Het Auschwitz Comité was er duidelijk over. “De namen die op het Holocaust Namenmonument zullen worden vermeld, zijn van Joden die vanuit Nederland zijn vervolgd en gedeporteerd, alsmede gedeporteerde Nederlandse Joden woonachtig in andere landen, die in naziconcentratie- en vernietigingskampen zijn vermoord, alsook zij die zijn omgekomen tijdens transporten en dodenmarsen waar geen graf van bekend is.”

Impressie van het Holocaust Namenmonument

Amateurhistoricis Dennis Koopman verdiepte zich vanwege zijn eigen familiegeschiedenis in het namenbeleid en uitte in de Volkskrant zijn twijfels over negenhonderd namen in de database van het Holocaust Namenmonument. Hij ontdekte in deze database onder meer negen namen van slachtoffers die geen jood, Roma of Sinti waren. Er zaten namen tussen van mensen die op een erebegraafplaats liggen en dus wel degelijk een graf hebben. “Hetzelfde geldt voor het gros van de ongeveer zeventig mensen die tijdens de bezetting in het doorgangskamp Westerbork -meestal aan ziekte of ouderdom- zijn overleden”, schreef de Volkskrant. Hun gecremeerde stoffelijke resten werden bijgezet op de joodse begraafplaats in Diemen. Toch krijgen ook zij een vermelding op het Namenmonument.

Een andere amateurhistoricus, Jim Terlingen, stoort zich al jaren aan de fouten op het Utrechtse monument voor de Shoah-slachtoffers. Op dat gedenkteken voor 1200 slachtoffers ontdekte hij -het is een tussenstand- 82 fouten. Hij vraagt zich dan ook af of het monument in de Weesperstraat niet beter gemodelleerd had kunnen worden naar het Holocaust Mahmal in Berlijn. Dat is een collectie stenen zonder namen.

Zaanstreek

De database van het Holocaust Namenmonument staat op internet. Dat maakt een vergelijking mogelijk met de Holocaustslachtoffers die vermeld staan op het het Joods Monument Zaanstreek, de regio waar ik woon. Zouden aan de hand daarvan, en op basis van de onderliggende primaire bronnen, net als in Utrecht fouten te ontdekken zijn? En zo ja, wat voor en hoeveel?

Uitgaand van de criteria die het Auschwitz Comité hanteert, betreft het in de Zaanstreek zo’n 180 namen. Ook de drie Zaankanters die in Westerbork stierven, krijgen -ondanks de gehanteerde criteria- een vermelding op het Namenmonument. Dat is verwarrend. De in Amsterdam ‘verzelfmoorde’ Bernard Eisendrath zal er namelijk niet worden vermeld. Dat geldt eveneens voor zijn door de nazi’s in de hoofdstad doodgeschoten familielid Paul Juchenheim. In de woorden van Jacques Grishaver: “Het gaat echt alleen om mensen die zijn omgekomen ten gevolge van Shoah, en die geen graf hebben. Je moet ergens een lijn trekken.” Hoe dat dan rijmt met de Westerbork-slachtoffers wier laatste rustplaats bekend is, is me niet duidelijk.

Fouten

Dan zijn er de fouten in de database van het Namenmonument. Ik telde er vijf, nog steeds uitgaand van de 180 Zaanse namen.

1. In de database, en dus (vooralsnog?) op het Namenmonument, ontbreekt Fajga Rozenszajn-Korn (1906). Hoewel de Oorlogsgravenstichting vaststelde dat ze op 7 juli 1944 stierf in Auschwitz is er voor deze Poolse vluchtelinge geen, maar voor haar gelijktijdig en in hetzelfde kamp vermoorde zoon Leo wel een steen in de Weesperstraat.

Fajga Rozenszajn-Korn in Oostzaan, 1940 (L. Steinvoorte-Bakels)

2. Dat er verwarring bestaat over de achternaam van een ander vluchtelingenechtpaar, eveneens afkomstig uit Polen, valt te begrijpen. Is het Jacoby, Jakoby of wellicht zelfs Jacobi? Maar welke van de drie de burgerlijke stand ook noteerde, het kan niet zo zijn dat Rückla na haar huwelijk Jacoby heette en haar man Heinz de achternaam Jakoby droeg, zoals straks te lezen is op het Namenmonument.

3. Mietje Cohen (1927) uit Koog aan de Zaan stierf volgens de Namenmonument-database op 4 juni 1943 in Sobibor. In werkelijkheid was dat een maand eerder, op of rond 7 mei 1943. Haar gezinsleden werden ook op die laatste datum vergast en staan wel correct vermeld.

4. Erna Littwitz-Fabian (1897) werd begin juli 1944 vanuit Theresienstadt doorgestuurd naar Auschwitz. Het is dus onmogelijk dat ze, zoals wordt vermeld op de Namenmonument-database, daar op 1 januari 1944 stierf. Veel logischer is 7 juli 1944, de dag dat ook haar man en schoonmoeder in Auschwitz zijn vermoord.

5. Samuel IJzerkoper (1881) uit Zaandam ontbreekt in de database. Er is wel een naamgenoot van hem te vinden, maar dat is een veel jongere man. Samuel werd samen met zijn echtgenote Dina op 5 februari 1943 vermoord in Auschwitz.

Het betekent dat een kleine 3% van de Zaanse omgebrachte joden niet of niet helemaal goed in de database van het Holocaust Namenmonument staan. Vertaald naar heel Nederland komt dat uit op ongeveer drieduizend fouten. Dat is een aanzienlijk aantal. De komende jaren zullen er in de Weesperstraat heel wat stenen vervangen of zelfs toegevoegd moeten worden.

Impressie van het Holocaust Namenmonument in de Weesperstraat

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De vergeten oorlogsdoden van Pieter Bon

Onzichtbaar voor de buitenwereld prijken hun namen op een plaquette bij de Zaandamse firma Pieter Bon. Maar in de Zaanse oorlogsliteratuur worden ze niet genoemd. Ze ontbreken ook op een in oktober 1945 door het Sociografisch Bureau van Zaandam opgesteld overzicht van lokale oorlogsslachtoffers. En geen van hen kreeg een vermelding op het plaatselijk monument voor omgekomen verzetsstrijders. De vier medewerkers van Pieter Bon, op gewelddadige wijze gestorven tussen 1940 en 1945, lijken verzwolgen door de geschiedenis. Wie waren zij?

In 1952 bestond oliefactorij Pieter Bon tweehonderd jaar. Dat was uiteraard aanleiding voor een uitbundig feest. En voor de onthulling van een bronzen plaquette in de fabriek, aangeboden namens de werknemers van het Zaandamse bedrijf. De door 350 mensen bezochte jubileumbijeenkomst haalde de kolommen van lokale en landelijke kranten. Daarin ging de aandacht vooral uit naar de aanwezige prominenten en de vele bloemstukken die de jubilaris mocht ontvangen. De namen van de vier voortijdig gestorven mannen op de plaquette bleven ongenoemd, en dat gold ook voor de achtergronden van hun vermelding op het kleine monument.

Foto: G. Plekker

De herinnering op de wandplaat betreft Willem Vaneveld, Hendrik Jacob Weerman, Jan Dirk Hoveling en Petrus Franciscus Smits. Over hen zijn her en der flarden en snippers informatie te vinden. Aan de hand daarvan wordt hieronder een beeld geschetst van dit in de vergetelheid geraakte viertal, allen volgens de plaquette ‘trouwe medewerkers’ van Pieter Bon ‘die in de oorlogsjaren 1940-1945 het hoogste offer hebben gebracht’. In Letty Swarts boek ‘Schipperij op de Zaan’ heet het zelfs dat ze de dood vonden ‘na heldhaftig werk in het verzet’. Maar is dat zo?
Een portret van de slachtoffers maakt het een en ander duidelijk.  

Willem Vaneveld

In zijn boek Zaanstreek in bezettingsjaren noemt Wim Swart veertien Zaankanters die door vijandelijk geweld sneuvelden in de meidagen van 1940. Willem Vaneveld ontbreekt in die rij. Toch werd hij ruim een maand na zijn dood bijgeschreven in het overlijdensregister van Zaandam, ‘oud vier en vijftig jaren, schipper, geboren te  Zoeterwoude en wonende te Zaandam’. Schipper Vaneveld kwam inderdaad in Zoeterwoude ter wereld, op 19 februari 1886. Hij woonde sinds maart 1939 met zijn echtgenote Johanna de Wolf op het Zaandamse adres Schiermonnikoog 96. Vaneveld stierf overigens ver buiten zijn woonplaats, in het Zuid-Hollandse Heinenoord. Op 11 mei, de tweede dag dat de Nederlandse krijgsmacht trachtte het Duitse aanvalsleger te weerstaan, bevond dat dorp zich in de frontlinie. Waarschijnlijk was Willem Vaneveld die dag voor Pieter Bon aan het werk en lag hij met zijn schip in de Oude Maas bij Heinenoord toen het voor hem fatale geweld losbarstte. Vaneveld werd een van de eerste Zaanse oorlogsslachtoffers. Zijn weduwe zou hem ruim veertig jaar overleven.

Hendrik Jacob Weerman

De tweede naam op de plaquette betreft een man die ruim anderhalf jaar na Willem Vaneveld de dood vond. De 28 jaar eerder in het Drentse Odoorn geboren Hendrik Jacob Weerman was, net als zijn collega Vaneveld, binnenvaartschipper voor Pieter Bon. Hij stierf op 21 juli 1941 in Rotterdam. Zijn overlijden werd geregistreerd in de Overijsselse gemeente Zwartsluis, de plaats waar hij ook werd begraven. Wellicht dat de ongehuwde schipper daar voordien ook woonde, maar dat heb ik niet teruggevonden. Hetzelfde geldt voor zijn doodsoorzaak. Zijn naam is terug te lezen op een in 2000 onthuld oorlogsmonument bij de gemeentelijke begraafplaats in Zwartsluis.

Over de twee laatste slachtoffers op de plaquette is meer bekend. “Gedurende de oorlogsjaren werd de onderneming zwaar getroffen. Vier medewerkers kwamen om het leven; twee van hen werden als straf voor hun verzetsdaden gefusilleerd”, schreef Albert Boes in 2007 in het blad Zaans Erfgoed. Hij doelde daarbij, zonder de nadere omstandigheden te duiden, op Jan Dirk Hoveling (Koog aan de Zaan, 5-11-1912) en en zijn negen jaar jongere collega Petrus Franciscus Smits (Dordrecht, 24-10-1921).

Jan Dirk Hoveling

Jan Dirk Hoveling trouwde in november 1936 in Zaandam met Elisabeth Sjollema. Het stel kreeg drie kinderen, maar scheidde in de zomer van 1942. Hoveling woonde op het adres Schiermonnikoog 90, drie woningen van zijn collega Willem Vaneveld. Hij hertrouwde op 25 maart 1943 met Marchje Brunsting, opnieuw in Zaandam. Met haar kreeg hij een dochter. “Mijn vader heeft als matroos van 1938 tot 1941 met als kapitein Kees v/d Meer gevaren voor hij zelf kapitein werd op de Walta”, schreef Hemme Hoveling (1937) in 2020 op een internetforum. De Walta was een zogeheten dekschuittanker.
Het blad De Zwerver plaatste in december 1947 een oproep over deze ‘schipper in dienst van de Oliefactory Piet [sic] Bon Czn. te Zaandam, die op 25 Juli 1944 door de Duitsers gearresteerd werd’. De Zwerver meldde dat Hoveling via Harlingen en Leeuwarden naar Groningen was gebracht, waar hem het Marine Kriegsgericht wachtte. Volgens zijn zoon Hemme werd hij daartoe thuis opgehaald. De Zwerver: “Er zijn aanwijzingen dat Hoveling, die voer op een van de tankschepen waarmede de voorpostboten van de mijnenvegers en Kriegsmarine met gasolie bevoorraad werden, in contact met de illegaliteit heeft gestaan. Vermoedelijk lopen deze draden naar Friesland.” Waar De Zwerver de Friese link op baseerde is een raadsel; er zijn geen aanwijzingen dat Hoveling in die provincie ondergronds actief was. Maar Hoveling zou dus, namens Pieter Bon, olie aan de Duitsers hebben geleverd en tezelfdertijd het verzet van dienst zijn geweest.
In een tweede forum meldde Hemme Hoveling over zijn vader: “Deelnemend aan een verzetsgroep, is hij samen met zijn matroos verraden door een NSB’er en gefusilleerd door de Duitsers.” Welke verzetsgroep het betrof, bleef ongenoemd. De genoemde ‘matroos’ was overigens Petrus Franciscus Smits.

De Zwerver, 12-12-1947

Petrus Franciscus Smits

Er is weinig dat herinnert aan matroos (elders ook wel schipper genoemd) Smits. Op 23 augustus 1944 werd deze twintiger samen met kapitein Hoveling afgeleverd bij de gevangenis van Emden. Op bewaard gebleven documentatie is niet vermeld hoe lang hun straf moest duren. Bijzonder is tevens dat Smits op 7 september alweer zou zijn vrijgelaten. Hoveling bleef vastzitten.
Er zijn wat gegevens over Petrus Franciscus (‘Piet’) Smits terug te vinden op zijn in Duitsland gemaakte overlijdensakte. Dat gebeurde overigens pas drie jaar na de oorlog. Te lezen valt dat hij in Amsterdam ‘an Bord Schiff Walta’ woonde, de tanker waarvan Jan Dirk Hoveling de kapitein was. Op 14 september 1944 -een week na zijn vrijlating- vond Smits de ‘Tod durch Erschiessen’. Die laatste mededeling is niet terug te vinden op Hovelings in 1947 opgemaakte overlijdensakte. Bij hem wordt uitgegaan van een ‘Kriegssterbefall’, een ‘oorlogsdood’. Vast staat echter dat beide mannen op dezelfde dag in Emden zijn geëxecuteerd.

Op 6 september 1944 werd de net over de grens met Groningen gelegen stad Emden als gevolg van geallieerde luchtbombardementen bijna volledig in de as gelegd. De luchtaanval kostte 46 mensen het leven. Wellicht dat de ontsteltenis over de vrijwel totale verwoesting en het zicht op de naderende nazistische nederlaag leidde tot een verdere verharding van de Duitse moraal. Misschien dat daardoor de stap naar nog zwaardere sancties kleiner werd. In totaal stierven er tijdens de oorlog 25 Nederlandse gevangenen in Emden, zij het in de meeste gevallen niet door de kogel. Jan Dirk Hoveling en Piet Smits vonden wel op die wijze de dood. Hun laatste tocht ging naar de schietbaan van Harsweg, een buitenwijk van Emden. 

Overlijdensakte Petrus Franciscus Smits (Nationaal Archief)

 
De Oorlogsgravenstichting legde een dossier aan over Smits. Het omvat 39 pagina’s: veel NAW-gegevens, maar ook een verslag van de lijkschouwing (“Geen schot in het achterhoofd”) en briefwisselingen over de plek waar hij begraven werd. Plus een liefdevol schrijven van zijn verloofde Corrie. Haar brief was op 15 augustus 1944 in Harlingen op de bus gedaan en bereikte Piet Smits dus een paar weken of zelfs dagen voor zijn dood. “We denken hier allemaal dat je weer gauw bij ons zult zijn”, schreef zijn vriendin. “Ik heb zelf ook zoo’n idee, dat je weer gauw bij me bent. Wat zal ik je dan kussen.” Het zou er niet meer van komen. 
 

Fragmenten van een op het lichaam van Smits gevonden brief aan zijn familie, 15-8-1944 (Nationaal Archief)

 
Jacob Seefat
 
Op dezelfde plaats en tijd als de twee opvarenden van de Walta stierf er in Emden nog een Nederlander voor het vuurpeloton. Over Jacob (‘Jaap’) Seefat (1921) weet Tresoar, het Friese archief, te melden dat hij een in Harlingen geboren visser was. Hij woonde daar in de Zuiderstraat 31. Na op 10 juli 1944 te zijn verraden ‘door caféhouder Bokslag van de Zuiderhaven’ arresteerden de Duitsers hem en belandde hij, net als Hoveling en Smits, op 23 augustus 1944 in Emden. Samen met Smits mocht hij op 7 september de cel verlaten, om een week later alsnog de ultieme straf te moeten ondergaan.
Bijzonder is dat uit bewaard gebleven stukken bij het Nationaal Archief blijkt dat Jaap Seefat zijn ouders in Zaandam had opgegeven als contactadres, Van Wessemstraat 69. Die woonden daar sinds september 1942. De naoorlogse correspondentie over zijn lot vond deels plaats met zijn in Westzaan wonende broer. In Jacob Seefats nalatenschap werden meerdere schrijfsels teruggevonden, waaronder enkele handgeschreven afscheidsbrieven. Die waren gericht aan zijn verloofde, zijn ouders en een vriend. Het lijkt er op dat ze nooit werden verzonden. Een paar citaten: “Lieve, beste ouders. Mijn laatste uren ben ik nu aan het tellen, dus moet ik afscheid van jullie nemen. Ik hoop, dat jullie verders gelukkig mogen leven en mij niet vergeten.”
Uit een brief van Seefats Harlingse vriendin Hillie Nielsen komt naar voren dat er een goed contact was met Piet Smits: “Corrie blijft op Pietje wachten. (…) Corrie zegt net, als de jongens weer terug mogen komen, gaan we tegelijk trouwen.” Uit haar laatste brief blijkt dat Hillie wist dat Jaap Seefat en Piet Smits in Emden gevangen zaten: “Vanmorgen heb ik bericht van den advocaat gehad met jullie adres. En ben Corrie en ik er direct mee naar het Hafencommandantur gegaan, of we mochten schrijven. (…) En wat een teleurstelling dat we Dinsdag niet bij jullie mochten, he. We waren ‘s Maandags nog naar Groningen geweest om een papier, dat we jullie éénmaal in de week mochten bezoeken.” Hoewel ze er in slaagden om zo’n document te verwerven, zouden Hillie en Corrie hun verloofdes niet meer zien.     
 

Jacob Seefat (Tresoar)

 
De twee medewerkers van Pieter Bon en Jaap Seefat werden ter dood veroordeeld wegens ‘fortgesetzten gemeinschaftlichen Diebstahls in Tatenheit mit Wehrmittelbeschädigung‘ en op 14 september 1944 gefusilleerd. In stukken van de Oorlogsgravenstichting is te lezen dat visser Jacob Seefat ‘door de Duitsers in Harlingen [is] gearresteerd in een zaak betreffende diefstal en handel in motorbrandstof van de Duitse Weermacht’. Het was dezelfde beschuldiging die Smits en Hoveling ten deel viel.
Pas in 1994 werd duidelijk wat daaraan precies ten grondslag lag. Toen kregen de Zaanse oud-verzetsman Jan Bruin en een zoon van Jan Dirk Hoveling bij het NIOD inzage in een dossier dat veel ophelderde. Het betrof de verslaglegging van een Duits proces tegen 23 personen, onder wie Hoveling, Seefat, Smits en de eerder genoemde Harlingse café-eigenaar Bokslag. “Uit het proces bleek dat het schip van de firma Bon, die de olie vervoerde, gevorderd was door de Duitse marine”, noteerde Jan Bruin. “De naam van het schip werd niet genoemd. Wel die van schipper J.D. Hoveling die samen met J. Seefat ‘zwart’ olie verhandelde aan o.a. vissers uit Harlingen. Hiervoor werd een bedrag van f 1,00 per liter in rekening gebracht. In totaal zijn 2600 liter verhandeld. Uit het verslag bleek ook dat van de genoemde hoeveelheid olie een deel in vaten van 200 ltr. tegen een prijs van f 120,- per stuk werd verkocht. De handel met de olie had plaats in het laatste kwartaal van 1943 en het eerste kwartaal van 1944. Het koffiehuis van Albert Bokslag, Zuiderstraat 31 in Harlingen, werd door de Duitsers gezien als het centrum van de zwarte handel in olie. Ook Jacob Seefat woonde op dit adres. (…) De Duitse machinist Fürst was ook betrokken bij de oliehandel, evenals Petrus Fransiscus [sic] Smits die van beroep schipper was en in Harlingen werd gearresteerd.”
Van de voornoemde mannen werden er vier ter dood veroordeeld. Albert Bokslag kwam er vanaf met vijf jaar tuchthuis. Ook de achttien andere verdachten kregen tuchthuis- of gevangenisstraffen. Sommigen van hen zouden de bevrijding niet meemaken.
 
Plaquette
 
Gezien bovenstaande informatie is het begrijpelijk dat niet alle vier op de Pieter Bon-plaquette genoemden de Zaanse oorlogsliteratuur en/of verzetsmonumenten haalden. Jan Dirk Hoveling ontving -om mij onbekende redenen- postuum een Verzetsherdenkingskruis. Maar zijn graf op het Ereveld in Loenen is geen automatische erkenning van verzetsactiviteiten. Van de ongeveer vierduizend in Loenen begraven mannen en vrouwen was ‘slechts’ een kwart actief in de illegaliteit. Er liggen echter ook militairen en Arbeitseinsatz-slachtoffers. Tot die laatste categorie behoort Jan Dirk Hoveling. Piet Smits kreeg een laatste rustplaats op een ereveld in Osnabrück. Jaap Seefat verhuisde naar een familiegraf in Harlingen. Alle banden met de Zaanstreek ten spijt viel hen vervolgens in deze regio vergetelheid ten deel.
 

Jan Dirk Hoveling (Oorlogsgravenstichting)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De laatste uren van Johnny de Droog

Johnny de Droog, een van de grootste verraders die Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog telde, stierf op 19 februari 1945 een gewelddadige en nog altijd met raadsels omgeven dood. Hij werd begraven tussen honderden oorlogsslachtoffers -verzetsstrijders, joden- in kamp Amersfoort. Hier het hoofdstuk over zijn laatste uren, uit mijn boek De levens van Johnny de Droog.

Johnny de Droog had inmiddels zo’n driehonderd tegenstanders achter de tralies gekregen, alleen en in samenwerking. Ruim een kwart van hen stierf in een kamp, voor een vuurpeloton of na martelingen waaraan De Droog meedeed. Twee verdachten schoot hij eigenhandig dood. Onder de slachtoffers bevonden zich afgezien van Toon van Londen geen getrouwen uit De Slapende Leeuw, zijn Arnhemse verzetsgroep. Hoe opportunistisch de voormalige fietsenmaker zich drie jaar lang ook had gedragen, zijn afspraak met Walter Becker dat hen niets mocht overkomen bleef overeind.

Johnny de Droog, 1941

‘Johnny de Droog en mijn persoon waren heel veel in Gorssel en bleven dagen thuis, daar het slecht weer was en Johnny rust wou hebben’, memoreerde Emil Rappard kort na de bevrijding in zijn Utrechtse gevangeniscel. Pagina na pagina zette hij gedetailleerd zijn oorlogsherinneringen op papier, zonder om de zaken heen te draaien. ‘We gingen alleen meest iedere dag naar Lochem om bonnen of levensmiddelen te halen.’ Op 19 januari kwam aan die gezamenlijke ritjes – vijftien kilometer heen en weer over modderige wegen – een voorlopig einde. Rappard kreeg verlof om zijn naar Duitsland geëvacueerde, hoogzwangere echtgenote op te halen. Ze was zes dagen daarna uitgerekend. De baby verscheen uiteindelijk ruim een week na de geplande datum. Voor en na de bevalling bleef de aanstaande vader thuis om bijstand te verlenen. Hij spande zich in om basisbenodigdheden te verzamelen voor zijn vrouw en zoon. Het ging hem weliswaar eenvoudiger af dan de gemiddelde Nederlander om eten en kleding bemachtigen, maar ook voor hem was het verkrijgen van boodschappen niet makkelijk in een tijd met tekorten op elk gebied. Johnny de Droog toonde zijn betrokkenheid door op kraambezoek te komen. Het waren schaarse momenten van ontspanning.

Bommentapijt

Vooral de geallieerde troepen hadden baat bij de dooi die eind januari, begin februari 1945 inzette. Het Duitse Ardennenoffensief was vastgelopen in de sneeuw, maar een tegenaanval zat er aanvankelijk ook niet in. Nu keerden de kansen. Eindelijk konden de Canadese en Amerikaanse divisies zich opmaken voor de finale ronde. Vraag was niet langer of, maar wanneer ze de Rijn zouden oversteken. Al sinds het najaar probeerden bommenwerpers de bruggen bij Deventer te vernietigen. Ze hoopten daarmee de aanvoer van verse Wehrmachttroepen en -materialen naar het front te ontwrichten. Veel succes hadden de vliegeniers van de Mitchells en Bostons niet. Gedwongen door het afweergeschut rond de stad moesten ze hun lading van te grote hoogte laten vallen. Een deel belandde daardoor in het hart van Deventer in plaats van boven de IJssel. Op 6 februari ging het volledig fout. Een bommentapijt verwoestte tientallen huizen. Meer dan zestig mensen kwamen om.

De Droog en Rappard namen even later de schade in ogenschouw. Bij de Rijkmanstraat zagen ze hoe over een lengte van honderd meter de bebouwing was weggevaagd. In wat resteerde van de smalle corridor stonden tientallen bewoners. Hun gesprekken werden overstemd door een agressieve, woest blaffende hond. ‘Niemand durfde hem aan te pakken’, herinnerde Rappard zich zeventig jaar nadien. ‘Maar Johnny deed zijn jasje uit, gooide dat over hem heen en pakte hem op. Hij aaide hem en had er zo vriendschap mee.’ Mensen vertrouwde hij niet, dieren wel.

19 februari

Op maandag 19 februari leek het eindelijk redelijk fietsweer te worden. De regen bleef weg, er stond weinig wind en het was bijna tien graden Celsius. Het werd tijd om weer eens een wat langere tocht te maken. Emil Rappard kon het zich precies herinneren. Rond zeven uur stapte hij uit bed en kleedde zich aan. Hij pakte zijn semi-automatische Walther 7.65, die zoals elke nacht veiligheidshalve naast zijn hoofdkussen lag, en stak het wapen bij zich. Na te hebben ontbeten wachtte hij op De Droog. Die hoefde niet ver te fietsen om zijn maatje op te halen. De afstand van het zomerkoepeltje waar hij verbleef tot Rappards slaapplek bedroeg minder dan een kilometer. De laatste resten schemering hingen tussen de oude bomen die de lange, rechte Stationslaan omrandden. Het was stil op de doorgaande weg.

Bij nummer G227 remde De Droog. Hij was zoals altijd keurig in het pak, zag Rappard. Na een wederzijde begroeting stapten ze op hun fietsen. Het was inmiddels acht uur geweest toen ze het tuinpad afreden en rechtsaf sloegen. Ze waren al onderweg richting het bescheiden centrum van Gorssel toen De Droog zich realiseerde dat hij was vergeten om zijn radio uit te zetten. Ze draaiden om en fietsten terug. Bij het houten huisje aangekomen bleef Emil Rappard buiten wachten. De Droog draaide de deur van het slot en liep de kleine woon- annex slaapkamer binnen. Het onmiskenbare geluid van een vlakbij afgevuurd schot verdreef Rappards laatste slaapresten. Hij gooide zijn rijwiel neer en rende ‘Johnny! Johnny!’ roepend om het koepeltje heen. Aan de achterzijde zag hij De Droog bewegingsloos bij de terrasdeur liggen. ‘Toen ging ik natuurlijk met getrokken revolver, geladen, om het huisje heen. Een paar keer. Voor het geval ik iemand zou tegenkomen. En gelijktijdig door het bos kijken. Ik zag niets.’

Eén kogel

Er was ook niets, vertelde Rappard later. Of althans niemand, afgezien van de jeugdige SD-medewerker en de met bloed bedekte man tussen de tuinstoelen. Begin 1946 hield hij tijdens een verhoor nog vast aan het idee dat De Droog zelfmoord had gepleegd (‘Ook al omreden dat Johnny de Droog de laatste dagen nogal zenuwachtig was.’). Daar kwam hij later op terug. ‘Vermoedelijk heeft hij zichzelf geraakt toen hij het pistool uit de binnenzak haalde.’ Hij ‘droeg zijn pistolen steeds doorgeladen en ongezekerd bij zich’. Die conclusie sloot aan bij de uitleg van zijn collega August Ahlbrecht. Nadat Rappard hem in verwarring zou hebben gebeld met de mededeling dat De Droog zichzelf had doodgeschoten, was Ahlbrecht in opdracht van Artur Thomsen naar Gorssel gereden. In de dienstauto zat ook Hauptscharführer Herbert Kühnert. Het slachtoffer bevond zich nog op de waranda, zagen ze bij aankomst. Ahlbrecht: ‘Hij had een schot in het hoofd, vlak onder de ogen, en was dood. Naast hem lag een pistool.’ Ze veegden het bloed van zijn gezicht. Het gat naast de neus was volgens Ahlbrecht goed zichtbaar. Hij controleerde de bij het lijk liggende FN. Zoals verwacht ontbrak daarin één kogel. Het viel hem ook op dat het vuurwapen erg makkelijk afging. ‘Er was geen enkel spoor te vinden om aan te nemen dat een ander De Droog had neergeschoten. Wij namen aan dat hij zichzelf doodgeschoten had. Voor hij vertrok keek hij altijd zijn pistool na. Dit was een pistool met een licht drukpunt. Vermoedelijk is toen het schot afgegaan en werd hij in het hoofd getroffen. Het was ons bekend dat hij zeer roekeloos met vuurwapens omging.’

Gewend als ze waren aan doden in hun omgeving stonden ze niet lang stil bij het ongeval. Ze tilden het stoffelijk overschot op een karretje achter de auto. Daarna dekten ze het af met een zeil. Thomsen voelde er weinig voor om de verzetsbeweging een feestdag te bezorgen door bekend te maken dat een van hun grootste vijanden het loodje had gelegd. De uitvaart diende daarom heimelijk plaats te vinden. Hij gaf Ahlbrecht en Kühnert opdracht om naar kamp Amersfoort te rijden. Daar wachtte commandant Karl Peter Berg hen die avond op. Hij beloofde om de vertrouwensman, wiens naam hij niet te horen kreeg, te laten cremeren. Het kwam er niet van; wellicht omdat deze Polizeigefängnis niet over een crematorium beschikte en wegbrengen te belastend was. De Droog bracht de nacht door in het lijkenhuisje naast de fusilladeplaats en kreeg daarna een graf tussen de verzetsstrijders, politieke gevangenen en onderduikers die de kampontberingen niet hadden overleefd.

De opgegraven restanten van Johnny de Droog in 1945 in kamp Amersfoort.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De laatste wil van Willem Ragut

De Zaandamse politiechef Willem Marinus Ragut leek aan te voelen dat hij het eind van de oorlog niet zou halen. Een half jaar jaar voordat Hannie Schaft en Jan Bonekamp hem liquideerden, stelde hij zijn testament op. “Van mijn overlijden zal op geen enkele wijze ruchtbaarheid te geven zijn.”

Op 21 juni 1944 schoot Hannie Schaft in de Zaandamse Westzijde Willem Marinus Ragut van zijn fiets. Daarna completeerde haar vriend Jan Bonekamp de eliminatie door nog twee schoten op de collaborerende politiechef af te vuren. Tragisch genoeg wist Ragut zich net voor het fatale schot nog één keer op te richten en vijf kogels naar zijn belager te schieten. Dodelijk gewond strompelde Bonekamp weg. De gealarmeerde Zaandamse politie vond hem even later naast een bloemenzaak in de Westzijde. Voor Bonekamp stierf, ontfutselde de Sicherheitsdienst hem gegevens die ook het einde van Hannie Schaft inleidden, op 17 april 1945.

Het was alsof Willem Ragut voorzag dat hij geen vreedzame dood zou sterven. Hoewel hij nog maar 46 jaar oud was, paste hij eind november 1943 zijn laatste wil aan. Die begon met de wens ‘dat bij mijn overlijden -hetzij gewelddadig, hetzij natuurlijk- de navolgende gedragsregels moeten worden gevolgd’. Waarna er een gedetailleerde beschrijving kwam hoe te handelen na zijn dood. Centraal daarbij stond zijn eis dat er geen ruchtbaarheid aan mocht worden gegeven, ‘terwijl onder geen enkele voorwaarde bloemen of anderszins de kist mogen dekken! Mijn lijk zal niet worden “tentoongesteld”, noch voor mijn nabestaanden, noch voor anderen.’ De crematie moest wat hem betrof in alle stilte plaatsvinden, met hoogstens wat familieleden in de omgeving. “Rouwkaarten, doodsadvertenties, bloemen, rouwbeklag en anderszins hebben achterwege te blijven!” Waarom Ragut elke vorm van eerbetoon uitsloot is een raadsel, maar in elke zin benadrukte hij dat dit niet onderhandelbaar was.

Dat hij uitging van een aanslag die zijn leven zou beëindigen, kwam ook verderop in zijn testament ter sprake. “Wanneer mijn dood niet direct is gevolgd op een gewelddadige aanslag, doch dat mijn dood intreedt eenigen tijd na den aanslag en ik in een inrichting moet worden opgenomen, dan zal dit een inrichting zijn, niet gelegen in mijn woonplaats of standplaats.” Het Gemeenteziekenhuis en het St. Jan in Zaandam moesten dus geen plek inruimen voor Willem Ragut. Althans, hij wilde daar niet in levenden lijve verblijven. Nadat zijn dood was geconstateerd, werd Ragut alsnog naar het Gemeenteziekenhuis in de Frans Halsstraat vervoerd. Van daar werd hij korte tijd later overgebracht naar het crematorium.

De NSB en de rijksoverheid respecteerden Raguts wens om aan zijn dood geen ruchtbaarheid te geven. Er verscheen alleen een kort berichtje in het politieblad. “Sluipmoord maakte te Zaandam een einde aan het leven van den Corpschef der Gemeentepolitie, den Kapitein W.M. Ragut. De gevallene heeft in zijn uiterste wil bepaald, dat van zijn dood geenerlei ophef zal worden gemaakt, welke wilsbeschikking wij ook op deze plaats eerbiedigen.” ‘Gelukkig’ kon de dienstdoende redactie op dezelfde pagina wel uitgebreid eer betonen aan drie andere collaborerende politiemannen die in juni 1944 ‘door moordenaarshand’ het leven lieten. Zij waren respectievelijk ‘een lichtend voorbeeld’ en ‘een held’, reden om ze met korpseer ter aarde te bestellen. “Hun eer was: trouw!”

Pas na de oorlog zou de naam van Willem Marinus Ragut in bredere kring bekend worden. Maar dan vooral als het doelwit van Hannie Schaft en Jan Bonekamp, die deze verraderlijke en voor het verzet levensgevaarlijke politiechef met liefde uit de weg ruimden om erger te voorkomen.

De urn met as van Willem Ragut en zijn in 1985 gestorven echtgenote Lydia bevindt zich overigens nog altijd in crematorium Driehuis-Westerveld, ontdekte Eric Wilderom. De weinige stoffelijke resten zijn te vinden in columbarium 3, nummer FF4.

Foto Eric Wilderom

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



291 ontsnappingen uit Westerbork

In 1942, ’43 en ’44 verlieten ruim 100.000 joodse gevangenen Westerbork per trein, met als bestemming een buitenlands concentratie- of vernietigingskamp. Een paar honderd gedetineerden onttrokken zich aan deportatie door het Durchgangslager in Drenthe te ontvluchten. Maar wie waren dat? 

Dat er tussen 1 juli 1942 en 12 april 1945, toen het kamp werd bevrijd, slechts een kleine minderheid probeerde om te ontsnappen aan Durchgangslager Westerbork had meerdere redenen. De bewaking ter plaatse uiteraard. Het dreigement dat na een geslaagde ontsnapping de achterblijvers zwaar zouden worden gestraft, met om te beginnen de familie van de vluchter. Het ontbreken van een onderduikadres. De hoop dat een Sperr tot uit- of afstel zou leiden. En de onwetendheid over het aanstaande lot in kampen als Auschwitz en Sobibor.

Men moest dan ook wel heel wanhopig of vastberaden zijn om Westerbork op heimelijke wijze te verlaten. Vast staat dat slechts een paar honderd joodse gevangenen er in slaagden om de buitenwereld te bereiken en daar -soms overigens slechts tijdelijk- in relatieve vrijheid te leven. Zij kropen voorbij de prikkeldraadversperring van het kamp. Kochten zich vrij. Werden met hulp van buitenaf naar buiten gesmokkeld, in de kamptrein of per auto. Wandelden met een brutale smoes voorbij de bewaking. Slaagden er in om dankzij vervalste papieren deels ‘ontjoodst’ te worden en zo ontslag uit het kamp te bewerkstelligen. Of wisten een bed te verwerven in een ziekenhuis buiten het Lager, van waaruit ontsnappen relatief makkelijk was.

Jacques Presser hield het in zijn standaardwerk Ondergang op 210 joodse gevangenen die wisten weg te komen uit Westerbork. Zijn collega Loe de Jong nam dat getal over in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog: “Er zijn in totaal tweehonderdtien Joden uit Westerbork gevlucht: honderddrie-en-vijftig in de periode juli ’42-september ’43, zeven-en-vijftig nadien. Daarmee bedoelen wij dan Joden die het kamp binnengevoerd waren om gedeporteerd te worden. Er waren anderen die, bijvoorbeeld in opdracht van de Joodse Raad, in het kamp werkzaam waren en dan van tijd tot tijd naar hun woonplaats konden terugkeren: zij konden, als zij dat wensten, wegblijven en dat deden verscheidenen (hoevelen, weten wij niet).”

In het door Herinneringscentrum Kamp Westerbork in 2003 uitgegeven boekje Een gat in het prikkeldraad wordt gesteld dat het door Presser en De Jong genoemde aantal ‘aan de te lage kant’ is. De auteurs waagden zich overigens niet aan een ander getal. Dat deed Wils ‘t Hart wel, in haar waardevolle afstudeerscriptie Ik zou in mijn tranen willen wegzwemmen (2003). Zij kwam tot een aantal van meer dan driehonderd vluchters, die ze veelal bij naam noemt. Wel telt zij een aantal gevangenen mee die uit de transporttrein wisten te vluchten, en dus niet rechtstreeks uit Westerbork ontkwamen. Frank van Riet ging in zijn boek De bewakers van Westerbork tussen Wils ‘t Hart en Loe de Jong/Jacques Presser zitten. Hij hield het op 230-300 ontsnappingen.   

In onderstaand overzicht noem ik de tussen 1 juli 1942 en 12 april 1945 uit Westerbork ontsnapte personen van wie ik de personalia op meerdere plekken kon terugvinden. De belangrijkste bronnen zijn de dag- en nachtrapporten van de politie in Assen en een (incomplete) NIOD-lijst met ‘vermiste personen’ (archiefnummer 250i, inventarisnummer 1024). Ook zijn er relevante gegevens gevonden in andere archieven, in een aantal boeken en dankzij het nijvere speurwerk van Frieda Voorhorst. Bij de inventarisatie heb ik de honderden vluchtelingen buiten beschouwing gelaten die tussen Westerbork en de concentratie- en vernietigingskampen uit de deportatietreinen wisten te ontkomen. Wel heb ik de mensen meegeteld die het kamp af en toe mochten verlaten om elders werkzaamheden te verrichten en vervolgens niet meer terugkeerden naar Westerbork. Ook zij sloegen in mijn optiek op de vlucht voor een erger lot.

Het overzicht is chronologisch. De genoemde data betreffen de dag van vermissing -zoals meestal gemeld door de politie- of, indien bekend, de dag van ontsnapping. Waar mensen de oorlog niet overleefden -bijvoorbeeld omdat ze na hun ontsnapping weer werden opgepakt-, is naast hun sterfdatum ook de overlijdenslocatie vermeld.
Onderstaand overzicht van inmiddels 291 ontsnappingen uit Westerbork is uiteraard niet volledig. Aanvullingen en correcties op onderstaande namenlijst zijn dan ook welkom via info@schaapschrijft.nl. Wel graag met bronvermelding.

1942

7-7-1942: Echtpaar Nandor Pollak (2-8-1890/24-5-1960) en Elsa Pollak-Goldmann (8-10-1899/28-1-1977) met dochter Dorrit Pollak (24-11-1922/na 1977).

14-7-1942: Siegfried Wreszynski (10-11-1893/24-12-1954). 

31-7-1942: Abraham (‘Abri’) Smoiro (25-3-1908/9-10-1970).

Na juli 1942: Pools echtpaar (namen onbekend).

Na juli 1942: de heer Fransman.

Na juli 1942: NN.

16-8-1942: Willem Melkman (31-12-1921/26-12-2001).

23/24-8-1942: Arnaud van Gelder (30-3-1915/27-1-1997).

Tussen 11-9-1942 en 23-9-1943: Aäron Boeken (31-5-1914/19-11-1983).

24-9-1942: Echtpaar Franz Anton Barbiers (16-10-1908/na 1978) en Betje Barbiers-van de Kar (2-3-1921/Auschwitz, 10-5-1945).

Rond 25-9-1942: Josephina van Messel-Aardewerk (25-8-1894/3-6-1981).

Oktober 1942: Abraham Appelboom (17-7-1917/Sobibor, ).

12-10-1942: Maurits (‘Maup’) Wolff (1-11-1919/na 1946).

2-10-1942: Louis Berkelouw (31-1-1892/Midden-Europa, 31-8-1943).

4-10-1942: Barend Nopol (1-6-1905/Auschwitz, 28-2-1943).

8-10-1942: Meijer (Menno) Denneboom (14-10-1923/4-11-1992).

8-10-1942: Israël (Ies) Denneboom (3-8-1920/3-11-2013).

8-10-1942: Meijer Caneel (3-9-1907/23-8-1990).

8-10-1942: Mozes (‘Maup’) de Leeuw (3-8-1915/Sobibor, 2-7-1943).

9-10-1942: Onbekende man.

10-10-1942: Simon Bachrach (6-6-1916/2011).

13-10-1942: de broers Jacques van Gelder (29-7-1923/13-11-1986) en Israël (Iwie) van Gelder (4-9-1920/Midden-Europa, 31-3-1944).

Op/rond 12-10-1942: Herman Mozes (15-7-1913/12-4-1985).

13-10-1942: de broers Benjamin David Bachrach (2-8-1921/1989) en Mozes (‘Maurits’) Bachrach (17-11-1917/14-10-1944).

13-10-1942: Nico Menco (1-6-1918/Sobibor, 2-7-1943).

15-10-1942: Levi Serlui (29-5-1896/12-2-1974).

Medio oktober 1942: Alexander Gans (26-5-1916/20-3-1999).

16-10-1942: Echtpaar Abraham (Ab) van der Linden (6-9-1911/22-5-1999) en Mirjam van der Linden-Springer (22-7-1916/15-7-1986).

16-10-1942: Jacques Wallage (1-2-1904/23-10-1975).

Op/rond 17-10-1942: de broers Joseph Salomon Gokkes (8-1-1899/2-12-1961) en Marcus Gokkes (16-5-1896/10-2-1969). 

Medio/eind oktober 1942: David Brandon (19-12-1889/12-6-1949).

29-10-1942: Salomon Jo Braaf (7-8-1909/17-9-1984).

5-11-1942: Alfred Israëls (18-10-1924/28-9-1989).

5-11-1942: Hulda Elisabeth (Bep) Turksma (11-5-1917/21-9-1987).

5-11-1942: Nathan (‘Nan’) Minco (16-8-1924/16-11-1970).

Op/rond 15-11-1942: Jacob (‘Jaap’) Worms (16-3-1912/19-3-1982). 

December 1942: M. Rootveldt.

December 1942: Avi Magid (pseudoniem) (1928/2008) en zijn moeder.

1-12-1942: Hartog (‘Harrie’) Worms (27-6-1904/11-5-1977).

6-12-1942: Sally Barzelaij (24-9-1916/24-5-1991).

11-12-1942: Izaac Sternfeld (14-5-1897/Auschwitz, 15-12-1942).

23-12-1942: Goedman Kesing (28-3-1905/Auschwitz, 3-8-1943).

28-12-1942: Mozes Suskind (4-3-1887/na 1945)

1943

Waarschijnlijk 1943: onbekend echtpaar.

1943, datum onbekend: Jacob van Gelder (2-4-1905/11-11-1967).

1943, datum onbekend: Cato van Volen (23-4-1914/12-3-2008).

1943, datum onbekend: Salo Meijer.

1943, datum onbekend: Lore Polak (22-11-1919).

1943, datum onbekend: Lore Süsskind.

1943, datum onbekend: Regina Grelinger (12-12-1888/21-1-1971).

1943, datum onbekend: Enkele kinderen.

1943, datum onbekend: Jan le Grand (1927).

Begin 1943: Emanuel Mendels (22-10-1893/Sobibor, 9-4-1943).

Begin 1943: Jansje Schrijver-Kool (1-9-1889/Sobibor, 16-7-1943) en (eerste ontsnapping) zoon Samuel Schrijver (7-5-1922/13-1-2013).

1-1-1943: Levy Drielsma (21-11-1883/20-7-1965).

Begin januari 1943: Kurt Max Ehrlich (22-8-1943/na 1981).

9-1-1943: Sophia (‘Sia’) Hendrika de Vries (23-11-1923/na 1986) en haar vriend Wolfgang Wiener (23-5-1920/na 1986).

18-1-1943: George Werner Zwillenberg (12-11-1918/april 2011).

21/22-1-1943: Emil Glücker (6-8-1920/na 1945).

16-2-1943: Twee onbekende mannen.

18-2-1943: Eugen Suschny (20-10-1895/2-1-1973).

18-2-1943: Gottfried Pop (3-7-1909/18-4-1981).

Waarschijnlijk maart 1943: Jacob Eduard (‘Jacques’) van de Rhoer (13-4-1904/na 1997).

Maart 1943: Henri René Kahn. (12-10-1888/12-4-1970).

9-3-1943: Emanuel Slier (26-1-1893/8-9-1948).

17-3-1943: Eduard van de Rhoer (17-7-1908/10-6-1994).

30-3-1943: Salomon Pop (8-10-1907/Sobibor, 16-7-1943).

5/6-4-1943: Echtpaar Emanuel Moffie (2-6-1920/11-4-1992) en Sophia Francisca Moffie-Zetter (11-5-1919/1-2-2006), en Vedig Sedler (Zetter?).

6-4-1943: Sylvia de Levier (ongeveer 1925/na 1947).

9-4-1943: Salomon Nebig (17-6-1923/Nederland, 10-4-1943).

10-4-1943: Leofried Durlacher (7-3-1923/27-10-1998).

12/13-4-1943: Jechiël Roselaar (14-8-1920/Sobibor, 21-5-1943).

26-4-1943: Hartog de Boer (2-11-1916/Sobibor, 7-5-1943).

26-4-1943: Siegfried Louis Natkiel (9-9-1926/na 1945).

27-4-1943: Meijer Swaab (5-11-1926/Midden-Europa, 21-1-1945).

30-4-1943: Leo Weil (17-6-1922/2019).

6-5-1943: Carl Lewin (19-3-1897/18-3-1958).

10/11-5-1943: Aäron (‘Nol’) Wallage (24-9-1924/11-10-1987).

10/11-5-1943: Lion Wagenaar (25-11-1916/na 1956).

10/11-5-1943: Maurits Jacob Vles (28-6-1906/2-3-1970).

11-5-1943: Salomon Samson Meyer (28-12-1910/5-12-1986).

18-5-1943: Jacob van Straten (19-6-1911/Sobibor, 28-5-1943).

25-5-1943: Benedictus Boas (9-7-1897/24-7-1945).

25-5-1943: Barend Fresco (30-5-1901/Auschwitz, 31-5-1944).

26-5-1943: Hans Lindenbaum (21-10-1932).

29-5-1943: Gottfried Cosman (31-3-1914/Sobibor, 11-6-1943).

29-5-1943: Iris Harriët Eisendrath (5-5-1915/Auschwitz, 3-9-1943).

Juni 1943: Gertrud (‘Trudel’) van Reemst-de Vries (22-11-1914/7-6-2007). 

7-6-1943: Levie Salomon Israëls (5-1-1916/na 1969).

7-6-1943: Johan Ernst Polak (3-7-1911/Auschwitz, 17-9-1943).

8-6-1943: Robert Abraham (‘Bob’) Levisson (27-12-1913/25-12-2001).

8-6-1943: Jacques Cohen (12-3-1923/Midden-Europa, 31-8-1944).

16-6-1943: Hendrik Jacobus Cornelis Bout (14-10-1918/Midden-Europa, 31-8-1944).

Tweede helft 1943, datum onbekend: de zusters Anna Barmhartigheid (19-3-1909/na 1986) en Alida Barmhartigheid (6-7-1911/9-10-1986).

11/12-7-1943: Salomo Polak (6-6-1914/27-4-1977).

17-7-1943: Louis Marcus Peereboom (23-2-1918/14-10-2002).

17-7-1943: Isaac Mouwes (23-4-1905/28-12-1979).

19-7-1943: Bella Frieda Levy-Przyrowski (21-10-1922/18-7-1992).

27/28-7-1943: Echtpaar Isaäc Wallega (2-8-1912/17-2-1953) en Margaretha Wallega-Vieijra (11-7-1912/na 1952).

Augustus 1943: Manfred Rübner (11-7-1924/Auschwitz, 31-3-1944).

6/7-8-1943: Twee onbekende vrouwen. 

14-8-1943: Max Windmüller (17-2-1920/Cham, 21-4-1945).

20/21-8-1943: Max Gruber (9-11-1921/1990).

23-8-1943: Arno Friedmann (8-1-1900/Auschwitz, 28-1-1944).

23-8-1943: Onbekende man, wellicht ? Boasson.

2-9-1943: Jenny Stern (5-5-1926/3-7-2020).

4-9-1943: Johanna Veronica Levy (4-9-1918/24-10-2009).

7-9-1943: Simon Maurits Hornman (4-12-1926/na 1997).

8-9-1943: Salomon de Jong (23-9-1920/na 1972).

8-9-1943: Abraham Kaas (1-9-1917/na 1951).

9 of 10-9-1943: Jansje Erwteman-Frederikstadt (9-6-1916/7-6-1995)

10-9-1943: Mathilde (‘Tilly’) Bosman (11-3-1923).

10-9-1943: Sophie Marianne (‘Job’) Simons (23-8-1922/28-1-2017).

11-9-1943: Adolf Grünfeld (17-12-1901/3-8-1959).

11-9-1943: Ondrey Gerö (11-7-1890/na 1945).

13-9-1943: Fritz Klaber (6-11-1904/30-3-1986).

13-9-1943: Echtpaar Bernard Max Vromen (25-12-1911/11-9-1963) en Froukje Vromen-Cohen (10-12-1910/18-10-1983).

13-9-1943: Fritz Karl Kuraner (19-4-1908/na 1947).

14-9-1943: Günther Ernst Aronade (19-3-1918/Auschwitz, 13-2-1944).

15 of 22-9-1943: Lilly Kettner (2-4-1923/na 1990).

16-9-1943: Echtpaar Izaak de Vries (30-12-1888/18-11-1951) en Jetje de Vries-Goud (3-6-1887/16-4-1976).

17-9-1943: Ruth Karlsberg (8-5-1925).

17-9-1943: Rosey Eva Pool (7-5-1905/29-9-1971).

18-9-1943: Echtpaar Abraham (‘Ab’) Izak Roos (23-8-1910/22-4-1980) en Rosalie Roos-Asscher (17-3-1910/22-4-1990) met hun kinderen Jacob (9-3-1937) en Salomon (5-8-1939).

23-9-1943: Werner Stertzenbach (4-4-1909/10-7-2003).

Vóór 24-9-1943: Max Ferman en echtgenote.

25-9-1943: Echtpaar William (‘Willi’) Schönland (23-12-1915/27-7-2011) en Mathilde (‘Tilly’) Schönland-van Weerden (13-5-1918/15-11-2006).

29-9-1943: David Sluizer (20-12-1875-2-3-1964).

Eind september/begin oktober 1943: David Rosenbaum (15-2-1925/Auschwitz, 1-1-1945).

Eind september/begin oktober 1943 (eerste ontsnapping): Martin (‘Uffi’) Uffenheimer (18-6-1922/1985).

1-10-1943: Hannelore Cahn (27-11-1923/maart 2014).

4-10-1943: Ludwig Boll (10-12-1911/2-12-1984).

4-10-1943: Hans Nussbaum (27-3-1911/na 1946).

6-10-1943: Georg Lodewijk Witjas (2-8-1899/25-8-1976).

12-10-1943: Hartog van der Goen (13-3-1901/Midden-Europa, 2-5-1945).

14-10-1943: Abraham de Kadt (4-2-1868/25-1-1951)

17 of 18-10-1943: Onbekende man.

18/19-10-1943: Max Biegel (12-5-1909/Scharnegoutum, 29-2-1944).

21-10-1943: Simon Lodewijk Wijnbergen (21-2-1940).

23-10-1943: broer en zus Salomon (‘Max’) Schrijver (20-2-1938) en Jeannette Schrijver (20-12-1936).

29/30-10-1943: Heinz Leopold (‘Herman’) Speyer (3-9-1911/na 1945).

9-11-1943: Jacob Cohen Rodriguez (1-8-1907/Midden-Europa, 31-7-1944).

15-11-1943: Benjamin Wolff (16-7-1906/na 1945).

19-11-1943: Daniël Santcroos (26-3-1906/30-7-1975).

19-11-1943: David van der Sluis (5-4-1910/4-10-1973).

25-11-1943: Paul Romann (10-12-1913/Auschwitz, 31-5-1944).

3-12-1943: Jacob Karel Danneboom (2-8-1909/Auschwitz, 20-1-1945).

11-12-1943: Hartog Deen (4-9-1908/1-8-1973).

11-12-1943: David Hagenaar (15-10-1905/5-9-1980).

15-12-1943: Albert Salomon (26-1-1883/7-5-1976) en Paula SalomonLevie (1-12-1897/17-4-2000)

Eind 1943: Frouke Dal-Abrahams (Monnickendam, 2-4-1917/3-5-1995)

1944

1944, datum onbekend: Michaël Hijman de la Bella (24-12-1916/14-5-2000).

1944, datum onbekend: Gretl Schramm-Siesel.

1944, datum onbekend: Siegbert (‘Bubi’) Pinkus (10-4-1921/na 1946).

1944, datum onbekend: Louis (‘Loek’) Kater (22-7-1938/10-10-2008).

Waarschijnlijk januari 1944: David Fierlier (Rotterdam, 18-3-1906/Midden-Europa, 9-5-1945).

5-1-1944: Elisabeth de Leeuw-Herzberg (10-11-1892/25-6-1991).

11-1-1944: Jozef Pool (29-8-1921/na 1945).

11-1-1944: Hermann Kellner (20-5-1921/2-9-1972).

16-1-1944: Ernest Frank (2-4-1915/5-6-1998).

17-1-1944: Onbekende man.

17-1-1944: Onbekende man.

19-1-1944: Hartog Roosnek (3-10-1915/8-10-1972).

19-1-1944: Herbert Schlaechter (18-1-1920/7-1-1988).

20-1-1944: Johanna Seys (24-3-1912).

20-1-1944: Betty Lewin (6-2-1912/na 1947).

20-1-1944: Tijsje Anna Blitz (7-12-1914).

23-1-1944: Barend Blitz (30-9-1900). 

2-2-1944: Marianne Elisabeth Hendrix (28-1-1939/3-6-2004).

2-2-1944: Paul Werner Siegel (28-1-1924/na 1996).

2-2-1944 (tweede ontsnapping): Martin (‘Uffi’) Uffenheimer (18-6-1922/1985).

8-2-1944: Rahel Karlsberg (17-7-1923/na 2009).

9-2-1944: Jo Spier (11-2-1916/22-9-2009).

9-2-1944: Twee onbekende meisjes.

21/22-2-1944: Mary Florence Gomperts-Sanders (21-10-1890/19-8-1981).

24-2-1944: Bernard Gomperts (9-11-1886/21-1-1950).

25-2-1944: Herman Italiaander (12-9-1923/1-1-2014).

25-2-1944: Frits Siegfried Siesel (17-2-1925/na 1945)

Maart 1944: Onbekende man.

3-3-1944: Werner Ernst Hirschfeld (26-4-1920/16-3-1986).

3-3-1944: Lotte Wahrhaftig-Siesel (16-4-1926/na 1955).

3-3-1944: Franz Pollak (30-12-1918).

3-3-1944: David Dolsch.

3-3-1944: Walter ?.

3-3-1944: Onbekende persoon.

3/4-3-1944: Willem Herman (‘Wim’) de Rooij (28-6-1921/Amsterdam, 5-1-1945).

6-3-1944: Abraham Coronel (4-3-1915/22-6-1983).

6-3-1944: Max Cahn (1-12-1894/Flossenbürg, 30-1-1945).

22-3-1944: Onbekende man.

23-3-1944: Echtpaar Julius Werner Reutlinger (14-11-1921/1987)  en Gella Reutlinger-Simon (25-12-1921/na 1950).

28-3-1944: Ruth Rischel Fleischer-Haar (12-11-1919/4-7-1994).

28-3-1944: Walter Kaiser (10-10-1920/na 2002).

1-4-1944: Bertha de Haas (12-1-1870/21-12-1948).

1-4-1944: Klara van Essen-van Rhijn (16-5-1896).

1-4-1944: Elsa Jessurun d’Oliveira (14-12-1913/1-5-1998).

4-4-1944: Sophia Meijer-Philips (5-5-1868/1955).

3-5-1944: Salomon Aron Gazan (9-2-1904/Wilhelmshafen, 9-1-1945).

19-5-1944: Herman Salomon Dormits (31-12-1926/na 1963).

Zomer 1944: Willy.

Tweede helft 1944: Johanna Kroonenberg (27-12-1917/na 1992).

1-6-1944: R. Baas (17-5-1909).

6/7-6-1944: Horst (‘Hans’) Kerpen (19-10-1930/27-3-1993).

21-6-1944: Philippus Knorringa (10-12-1891/26-1-1973).

3-7-1944: Samuel Beesemer (12-7-1905/24-3-1975).

10-8-1944: Jonas Henri (‘Johnny’) Kan (24-10-1919/25-8-1988).

16-8-1944: Abraham Hammelburg (13-9-1916/8-7-2000).

28-8-1944: Jacob van Rooijen (2-3-1904/2-5-1982).

September 1944: ‘Jan’ (pseudoniem).

3-9-1944: de broers Manfred Klafter (4-9-1919/6-2-1997) en Harry Klafter (1-11-1925).

5-9-1944: Tien onbekende personen.

5-9-1944: Samuel Goldstein (1-12-1917/Westerbork, 6-9-1944).

5-9-1944: Ernst Katan (23-4-1923/Westerbork, 6-9-1944).

5-9-1944: Johan Ancona (8-12-1919/Westerbork, 6-9-1944).

5-9-1944: Johan Frederik Theodoor Engers. (7-6-1919/Westerbork, 6-9-1944).

Verklaring kampcommandant Gemmeker over de executie van vier ontsnapte gevangenen.

6-9-1944: Raphaël (‘Felix’) Halverstad (11-8-1904/14-8-1978).

7/8-9-1944: Helena Wijler (9-9-1925) en haar verder onbekende vriend.

11/12-9-1944: Isaäc Anholt (29-1-1919/na 1973).

13-9-1944: Elie Jacobus Kulker (27-3-1904/9-12-1986).

13-9-1944: Thomas (‘Gideon’) Drach (5-7-1916/30-5-1990).

6-10-1944: de broers Hendrik Samuel Houthakker (31-12-1924/15-4-2008) en Lodewijk Arnold Houthakker (16-1-1926/2-10-2008).

6-10-1944: Abraham (‘Bram’) Jacob Muller (20-4-1921).

6-10-1944: Aron Bronkhorst (22-11-1916/31-10-1999).

6-10-1944: Paul Jürgen Jacobson (2-1-1914/na 1949).

6-10-1944: Abram Mordko Lederman (17-2-1903/17-8-1973).

6-10-1944: Emile Francesco Moresco (2-6-1897/20-7-1986).

6-10-1944: Hartog Opdenberg (22-9-1906/1-5-1960).

6-10-1944: Walter Julius Orgler (1-10-1908/na 1946).

6-10-1944: Hermann Polak (12-3-1906).

6-10-1944: Ernst Stein (29-7-1900/23-8-1952).

6-10-1944: Robert Gerhard Hermann Steinberg (9-5-1901/na 1973).

6-10-1944: Siegfried Abraham Theodoor van der Wielen (19-4-1903/6-12-1994).

1945

Begin januari 1945: Emanuel Marcus (19-10-1908/Groningen, 21-1-1945)

20-2-1945: Samuel Wortelboer (30-7-1910/8-8-1973).

25-2-1945: Hendrik Fritz van Doorn (10-6-1906).

7-4-1945: Bob Zadok Blok (4-9-1928/na 2014).

7-4-1945: Abraham (‘Bram’) van der Sluis (22-4-1913/na 1945).

7-4-1945: Marcus Hart (20-2-1917/na 1945).

11-4-1945 (tweede ontsnapping): Samuel Schrijver (7-5-1922/13-1-2013).

12-4-1945: Joseph Emmerik (Amsterdam, 29-1-1909/1-12-1980).

12-4-1945: Jonas Knoop.

12-4-1945: Onbekende man.

Jaartal/datum onbekend

Friedel.

Jobje v.d. B.

Kootje.

Onbekend echtpaar.

Sally.

Stella.

W.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Nu uit: ‘Bekanntmachung / Bekendmaking’

Nederland werd tussen 1940 en 1945 volgeplakt met overheidsaffiches. De bezettingsmacht maakte zijn bedoelingen duidelijk met een niet aflatende stroom aanwijzingen, verordeningen en bekendmakingen. Tussen de regels kon de bevolking lezen hoe de oorlog verliep. In 1940 was er meestal nog sprake van zachte drang, maar gedurende de tweede oorlogshelft nam het aantal genadeloze bevelen snel toe. Honderden opeenvolgende nazistische muurbiljetten koppelden een mengeling van ge- en verboden aan straffen voor overtreders. Hoe ernstiger de tekst en zwaarder de sancties, hoe moeilijker het regime standhield.

Het boek Bekanntmachung/Bekendmaking. Het nazisme in affichevorm (1940-1945) bevat een selectie van vijftig affiches die tijdens de Tweede Wereldoorlog de Zaanstreek kleurden. In deze regio kwam alles samen. Hier vond zowel de Februaristaking (1941) als de April-meistaking (1943) en de Spoorwegstaking (1944/’45) plaats, die de bezetter dwongen tot felle tegenacties. Zaandam was begin 1942 de eerste gemeente die ‘Judenrein’ werd gemaakt. De machthebbers waren gebeten op de socialistische Zaanstreek, waar nogal wat weerstand tegen de bezetter leefde. Het gewapend verzet liquideerde er bovengemiddeld veel (vermeende) collaborateurs, met dodelijke represailles tot gevolg. En de Hongerwinter hield flink huis aan de boorden van de Zaan.

Al deze en nog veel meer gebeurtenissen komen terug op de posters van het dictatoriale bewind. Ze zijn exemplarisch voor heel Nederland en geven de repressie weer die vijf jaar lang het dagelijks leven bepaalde. In de begeleidende tekst wordt, met de affiches als leidraad, het oorlogsverloop verteld.

Bekanntmachung/Bekendmaking. Het nazisme in affichevorm (1940-1945) is verkrijgbaar via elke boekhandel. De prijs bedraagt €16,95.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De raadselachtige dood van V-Mann Johnny de Droog

Op 19 februari 1945 stierf Johnny de Droog een eenzame dood. Zijn collega’s vonden de V-Mann met een kogel in zijn hoofd. Was het zelfmoord? Moord? En door wie dan? Tot vandaag de dag houden deze vragen de gemoederen bezig. In mijn biografie over een van de grootste verraders die Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog telde, probeer ik het raadsel te ontwarren. Hieronder een fragment uit het hoofdstuk over De Droogs laatste minuten. Wie overigens meer denkt te weten, is welkom: info@schaapschrijft.nl.

Johnny de Droog had inmiddels zo’n driehonderd tegenstanders achter de tralies gekregen, alleen en in samenwerking. Ruim een kwart van hen stierf in een kamp, voor een vuurpeloton of na martelingen waaraan De Droog meedeed. Twee verdachten schoot hij eigenhandig dood. Onder de slachtoffers bevonden zich afgezien van Toon van Londen geen getrouwen uit De Slapende Leeuw, zijn Arnhemse verzetsgroep. Hoe opportunistisch de voormalige fietsenmaker zich drie jaar lang ook had gedragen, zijn afspraak met Walter Becker dat hen niets mocht overkomen bleef overeind.
‘Johnny de Droog en mijn persoon waren heel veel in Gorssel en bleven dagen thuis, daar het slecht weer was en Johnny rust wou hebben’, memoreerde Emil Rappard kort na de bevrijding in zijn Utrechtse gevangeniscel. Pagina na pagina zette de SD’er gedetailleerd zijn oorlogsherinneringen op papier, zonder om de zaken heen te draaien. ‘We gingen alleen meest iedere dag naar Lochem om bonnen of levensmiddelen te halen.’ Op 19 januari kwam aan die gezamenlijke ritjes – vijftien kilometer heen en weer over modderige wegen – een voorlopig einde. Rappard kreeg verlof om zijn naar Duitsland geëvacueerde, hoogzwangere echtgenote op te halen. Ze was zes dagen daarna uitgerekend. De baby verscheen uiteindelijk ruim een week na de geplande datum. Voor en na de bevalling bleef de aanstaande vader thuis om bijstand te verlenen. Hij spande zich in om basisbenodigdheden te verzamelen voor zijn vrouw en zoon. Het ging hem weliswaar eenvoudiger af dan de gemiddelde Nederlander om eten en kleding bemachtigen, maar ook voor hem was het verkrijgen van boodschappen niet makkelijk in een tijd met tekorten op elk gebied. Johnny de Droog toonde zijn betrokkenheid door op kraambezoek te komen. Het waren schaarse momenten van ontspanning.
Vooral de geallieerde troepen hadden baat bij de dooi die eind januari, begin februari 1945 inzette. Het Duitse Ardennenoffensief was vastgelopen in de sneeuw, maar een tegenaanval zat er aanvankelijk ook niet in. Nu keerden de kansen. Eindelijk konden de Canadese en Amerikaanse divisies zich opmaken voor de finale ronde. Vraag was niet langer of, maar wanneer ze de Rijn zouden oversteken. Al sinds het najaar probeerden bommenwerpers de bruggen bij Deventer te vernietigen. Ze hoopten daarmee de aanvoer van verse Wehrmachttroepen en -materialen naar het front te ontwrichten. Veel succes hadden de vliegeniers van de Mitchells en Bostons niet. Gedwongen door het afweergeschut rond de stad moesten ze hun lading van te grote hoogte laten vallen. Een deel belandde daardoor in het hart van Deventer in plaats van boven de IJssel. Op 6 februari ging het volledig fout. Een bommentapijt verwoestte tientallen huizen. Meer dan zestig mensen kwamen om.
De Droog en Rappard namen even later de schade in ogenschouw. Bij de Rijkmanstraat zagen ze hoe over een lengte van honderd meter de bebouwing was weggevaagd. In wat resteerde van de smalle corridor stonden tientallen bewoners. Hun gesprekken werden overstemd door een agressieve, woest blaffende hond. ‘Niemand durfde hem aan te pakken’, herinnerde Rappard zich zeventig jaar nadien. ‘Maar Johnny deed zijn jasje uit, gooide dat over hem heen en pakte hem op. Hij aaide hem en had er zo vriendschap mee.’ Mensen vertrouwde hij niet, dieren wel.

Johnny de Droog in 1941

Op maandag 19 februari leek het eindelijk redelijk fietsweer te worden. De regen bleef weg, er stond weinig wind en het was bijna tien graden Celsius. Het werd tijd om weer eens een wat langere tocht te maken. Emil Rappard kon het zich precies herinneren. Rond zeven uur stapte hij uit bed en kleedde zich aan. Hij pakte zijn semi-automatische Walther 7.65, die zoals elke nacht veiligheidshalve naast zijn hoofdkussen lag, en stak het wapen bij zich. Na te hebben ontbeten wachtte hij op De Droog. Die hoefde niet ver te fietsen om zijn maatje op te halen. De afstand van het zomerkoepeltje waar hij verbleef tot Rappards slaapplek bedroeg minder dan een kilometer. De laatste resten schemering hingen tussen de oude bomen die de lange, rechte Stationslaan omrandden. Het was stil op de doorgaande weg.
Bij nummer G227 remde De Droog. Hij was zoals altijd keurig in het pak, zag Rappard. Na een wederzijde begroeting stapten ze op hun fietsen. Het was inmiddels acht uur geweest toen ze het tuinpad afreden en rechtsaf sloegen. Ze waren al onderweg richting het bescheiden centrum van Gorssel toen De Droog zich realiseerde dat hij was vergeten om zijn radio uit te zetten. Ze draaiden om en fietsten terug. Bij het houten huisje aangekomen bleef Emil Rappard buiten wachten. De Droog draaide de deur van het slot en liep de kleine woon- annex slaapkamer binnen. Het onmiskenbare geluid van een vlakbij afgevuurd schot verdreef Rappards laatste slaapresten. Hij gooide zijn rijwiel neer en rende ‘Johnny! Johnny!’ roepend om het koepeltje heen. Aan de achterzijde zag hij De Droog bewegingsloos bij de terrasdeur liggen. ‘Toen ging ik natuurlijk met getrokken revolver, geladen, om het huisje heen. Een paar keer. Voor het geval ik iemand zou tegenkomen. En gelijktijdig door het bos kijken. Ik zag niets.’
Er was ook niets, vertelde Rappard later. Of althans niemand, afgezien van de jeugdige SD-medewerker en de met bloed bedekte man tussen de tuinstoelen. Begin 1946 hield hij tijdens een verhoor nog vast aan het idee dat De Droog zelfmoord had gepleegd (‘Ook al omreden dat Johnny de Droog de laatste dagen nogal zenuwachtig was.’). Daar kwam hij later op terug. ‘Vermoedelijk heeft hij zichzelf geraakt toen hij het pistool uit de binnenzak haalde.’ Hij ‘droeg zijn pistolen steeds doorgeladen en ongezekerd bij zich’.
Die conclusie sloot aan bij de uitleg van zijn collega August Ahlbrecht. Nadat Rappard hem in verwarring zou hebben gebeld met de mededeling dat De Droog zichzelf had doodgeschoten, was Ahlbrecht in opdracht van Artur Thomsen naar Gorssel gereden. In de dienstauto zat ook Hauptscharführer Herbert Kühnert. Het slachtoffer bevond zich nog op de waranda, zagen ze bij aankomst. Ahlbrecht: ‘Hij had een schot in het hoofd, vlak onder de ogen, en was dood. Naast hem lag een pistool.’ Ze veegden het bloed van zijn gezicht. Het gat naast de neus was volgens Ahlbrecht goed zichtbaar. Hij controleerde de bij het lijk liggende FN. Zoals verwacht ontbrak daarin één kogel. Het viel hem ook op dat het vuurwapen erg makkelijk afging. ‘Er was geen enkel spoor te vinden om aan te nemen dat een ander De Droog had neergeschoten. Wij namen aan dat hij zichzelf doodgeschoten had. Voor hij vertrok keek hij altijd zijn pistool na. Dit was een pistool met een licht drukpunt. Vermoedelijk is toen het schot afgegaan en werd hij in het hoofd getroffen. Het was ons bekend dat hij zeer roekeloos met vuurwapens omging.’

Gewend als ze waren aan doden in hun omgeving stonden ze niet lang stil bij het ongeval. Ze tilden het stoffelijk overschot op een karretje achter de auto. Daarna dekten ze het af met een zeil. Thomsen voelde er weinig voor om de verzetsbeweging een feestdag te bezorgen door bekend te maken dat een van hun grootste vijanden het loodje had gelegd. De uitvaart diende daarom heimelijk plaats te vinden. Hij gaf Ahlbrecht en Kühnert opdracht om naar kamp Amersfoort te rijden. Daar wachtte commandant Karl Peter Berg hen die avond op. Hij beloofde om de vertrouwensman, wiens naam hij niet te horen kreeg, te laten cremeren. Het kwam er niet van; wellicht omdat deze Polizeigefängnis niet over een crematorium beschikte en wegbrengen te belastend was. De Droog bracht de nacht door in het lijkenhuisje naast de fusilladeplaats en kreeg daarna een graf tussen de verzetsstrijders, politieke gevangenen en onderduikers die de kampontberingen niet hadden overleefd.

Johnny de Droog in zijn grafkist, 1945 (T. Kleinveld)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De moord op Walraven van Hall

Op 12 februari 1945 stierf Walraven van Hall in Haarlem voor een vuurpeloton. Hieronder een fragment uit het slothoofdstuk van mijn biografie over deze Zaandammer, Nederlands belangrijkste verzetsleider tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De Sicherheitsdienst heeft Walraven op 27 januari naar het Huis van Bewaring aan de Weteringschans gebracht. Tevergeefs proberen ze om hem aan het praten te krijgen. Zijn broer Gijs: ‘Aanvankelijk was er nog hoop. De SD wist nog niet dat zij met Van Hall de lang gezochte “Van Tuyl” gevangen had.’ Bij zijn arrestatie heeft Walraven weliswaar een (vervalst) identiteitsbewijs op zak, maar dat staat op zijn eigen naam en leidt dus niet naar een van zijn alter ego’s. Die onwetendheid duurt in ieder geval tot 6 februari. Op een organogram over de Nederlandse illegaliteit dat de SD die dag aanlegt, wordt Van Hall nog altijd aangeduid onder zijn schuilnaam. Het overzicht is opgesteld door Teus van Vliet. ‘Hij heeft de oorlog overleefd, mede omdat hij voor de Duitsers een schema heeft gemaakt waarin de gehele illegaliteit beschreven werd, inclusief de namen van de verschillende organisaties met erbij de schuilnamen van de leiders voor zoverre die hem bekend waren en dat waren de meesten’, aldus Gijs van Hall. Vrij snel daarna ontdekken de Duitsers alsnog dat ze diens broer in handen hebben. Gijs: ‘Een andere gevangene verried zijn identiteit. Daarmee was zijn lot bezegeld.’
Remmert Aten: ‘Niets hebben wij vermogen te doen. Wij waren allen bereid, maar de leiding heeft geen teken gegeven. De kans op redding moet anders gelegen hebben. Dat deze gefaald heeft en niets het noodlot heeft kunnen afwenden is ontzettend.’ Gijs: ‘Achteraf beschouwd… misschien hadden we hem kunnen loskrijgen wanneer we als illegaliteit contact met Seyss-Inquart hadden opgenomen. Die contacten waren toen al mogelijk. Maar een politieman uit Zaandam, met wie we contacten hadden, zei ons – en dat was toen, achteraf beschouwd, terecht –: “Ze weten niet wie hij is.” Toen dachten we: als dat zo is, kunnen we hem beter als onbekende laten zitten dan speciaal de aandacht op hem vestigen. Later wisten ze dus wel wie hij was.’

De Persoonsbewijzencentrale maakte in 1944 een vervalste identiteitskaart voor
Walraven van Hall. Daarop is zowel zijn beroep als zijn geboortedatum aangepast.

Na een week belandt Walraven in de cel naast zijn vriend Jaap Buijs. Het lot? Buijs in zijn dagboek: ‘2 februari. Opeens ging mijn celdeur open en tot mijn grote ontsteltenis kwam Wally tussen twee Duitse wachtmeesters mijn cel binnen. Of dit opzet of een vergissing was, weet ik niet. Daarna hoorde ik de cel naast mij opengaan en werd hij daar in opgesloten. Even daarna begon hij te tikken, maar daar ik nooit enig contact met een andere gevangene had gehad, verstond ik dat niet. Hij kwam toen met zijn mond voor de spleet van z’n raam, riep mij en vertelde dat hij 27 januari was gearresteerd. Hij had eerst in een lichte cel aan de overkant doorgebracht en was nu overgebracht.
“Hoe komt het in Godsnaam dat jij in zo’n smerige cel zit?”
Ik zei hem dat ik niets had bekend en dat dat waarschijnlijk de straf was. Hij legde me toen uit hoe het tikken in z’n werk ging en we hebben toen tot ‘s avonds laat, zeer tot ongenoegen van onze medegevangenen, met elkaar tikkend gesproken. Ik was toen zo moe, door de inspanning, dat ik voor het eerst vast heb geslapen.’

De omstandigheden in de gevangenis zijn beroerd. De cellen zijn verduisterd. Voor verwarming, water en zeep wordt niet gezorgd. Voedsel is nauwelijks voorhanden, en post of bezoek ontvangen is er al helemaal niet bij. Buijs noteert: ‘Mijn behandeling werd hoe langer hoe slechter. Weinig eten, verrotte aardappels, geen vet en geen verwarming. Twee zeer dunne dekens en een strozak zo goed als zonder stro op de stenen vloer. Bovendien geen licht.’ Af en toe klinkt er iets door uit een andere cel, zoals de stem van dominee Henk de Jong, een van de gearresteerden op 27 januari. Bij het vallen van de avond zingt hij: “Ik wil u, o God, mijn dank betalen. U prijzen in mijn avondlied.”
Buijs: ‘3 februari. Ik werd uit mijn cel gehaald en zag toen Wally buiten zijn cel staan. We werden tegenover elkaar gezet. We gaven er geen blijk van elkaar te kennen. Men wist dus blijkbaar niet dat hij bij mij in de cel was geweest.’ Van Hall kan alleen communiceren met zijn ondervragers en met Buijs. ‘Door klopseinen op de muur hadden wij contact met elkander en daardoor, omdat onze zaak niet zo somber leek, voor zover dit ging, goede en prettige gesprekken met elkander. Hij was zich gaan inbeelden dat zijn vrouw en kinderen ook wel gearresteerd zouden zijn en ik wist hem dit gelukkig uit zijn hoofd te “kloppen”. Later werd zijn zaak echter voortdurend ernstiger. Op 8 februari wist het tuig dat ze Van Tuyl in handen hadden en toen werd zijn zaak hopeloos. Wat hebben we veel met elkaar gesproken in die dagen en wat een strijd heeft deze beste kerel gestreden om van zijn gezin afscheid te nemen’, aldus Buijs in het vriendenboek Walraven van Hall. 10 februari 1906-12 februari 1945. Koerier Weeda, alias Brinkie: ‘Toen we uit Zaandam moesten vluchten en ons intrek ergens in Amsterdam namen, zaten we weer iedere avond bij elkaar en werd er altijd eerst even over de Westzijde 42 gebabbeld. Dikwijls zei hij dan: “Brinkie, dat is mijn enige angst, dat ik mijn gezin achter moet laten als er eens iets gebeurt.” Inderdaad was dit z’n enige angst, want voor het overige vreesde hij niets en niemand.’

Tilly en de kinderen zijn onmiddellijk na Walravens arrestatie ondergedoken. De twee oudsten, Attie en Aad, worden ondergebracht op verschillende adressen in Zaandam. Tilly trekt met de 4-jarige Mary-Ann in bij de Amsterdamse familie Goedkoop. Het huis aan de Westzijde wordt door vrienden ontdaan van waardevolle spullen. Via de achtertuin worden ze op een dekschuit geladen, over de Zaan afgevoerd en elders opgeslagen. Als na enige tijd duidelijk is dat de Duitsers de gezinsleden met rust laten keren zij en hun bezittingen terug naar de Westzijde.

In januari 1945 arresteren de Duitsers verschillende kopstukken van het Nederlandse verzet, onder wie Walraven van Hall. De Sicherheitsdienst slaagt er op 6 februari in om een overzicht van de illegaliteit te maken. Daarop is zichtbaar dat de SD weet de NSF-leider in handen te hebben (‘Van Tuijll: festgenommen’).

De al op 12 januari naar de Weteringschans overgebrachte Trouw-medewerker Jan Smallenbroek vangt vanuit zijn cel nog één keer een glimp op van Walraven. ‘Door een luik kregen we zwarte koffie. Toen dat luik openging, zag ik iemand zitten die ik heel goed kende, Van Hall.’ Een mogelijkheid om met hem in contact te komen is er niet. Arie van Namen slaagt daar wel in, vertelt hij vier jaar na de oorlog. ‘Op zaterdag 27 januari werd mij door klopsignalen bekend dat Hugo naast mij in een cel zat op de Weteringschans te Amsterdam. Ik schrok daar erg van, omdat ik bang was dat bij een eventueel verhoor van Hugo mijn leugens bekend zouden worden bij de SD. (…) Op 27 januari 1945 bemerkte ik gelijktijdig dat de mij bekende Walraven van Hall aan de andere zijde van mijn cel zat ingesloten. Deze gaf als zijn mening te kennen dat zijn arrestatie het gevolg moest zijn geweest van een aantekening in een zakboekje van Hugo dat door de SD op deze was gevonden. Ik heb dit op verzoek van Van Hall door klopseinen aan Hugo gevraagd, die hierop geen positief antwoord heeft gegeven.’
Jaap Buijs, die korte tijd later in dezelfde cel belandt als Van Namen, doet iets soortgelijks. Van Hall ‘heeft mij toen verteld dat hij dacht dat verdachte iets had gezegd, maar dat hij, Van Hall, het niet begreep. Van Hall heeft het woord verraad gebruikt. Op 8 februari 1945 heeft hij mij medegedeeld dat Hugo of Goedkoop de zaak verraden had, want dat de Duitsers alles, letterlijk alles, wisten.’
In zijn aantekeningen beschrijft de Zaanse houthandelaar uitgebreid de laatste dagen die hij, gescheiden door een stenen muur, doorbrengt met zijn vriend.
‘7 en 8 februari. Bitter koud. Eten ellendig en veel te weinig. Echter vele goede gesprekken met Wally, die echter vooral de 8ste zeer somber was en veel steun nodig had, daar ze alles van hem wisten, ook dat hij Van Tuyl was. Beiden probeerden wij te gissen wie dit allemaal gezegd kon hebben. Wat is het ellendig als je dan een makker alleen maar kunt troosten door dat koude tikken. Je zou hem zo graag eens de hand willen drukken en hem laten voelen hoe je meeleeft. (Later bleek dat Hugo een tekening van de illegaliteit had gemaakt, 6 februari door hem ingeleverd, en alles had verraden. De rotvent!).
‘9 februari. Opnieuw verhoord. Ze bleken nu ook van mij alles te weten. Alleen het NSF-verband wisten ze niet. Toch was ik nu overtuigd dat ik er ook niet door zou komen. Dit met Wally besproken, die mij toen vertelde dat daar toch wel kans op was. Er scheen iets tussen te zijn, waardoor dit niet zou gebeuren. ‘t Was gek, maar er zat een zekere troost in dat Wally nu niet alleen die ellende doormaakte, maar je zelf ook onder dezelfde druk leefde. (‘t Zat als volgt: [verrader Johan van] Lom had gezegd ons wel te willen verraden, mits wij niet gefusilleerd werden. Viebahn en Rühl wilden die belofte houden. Lages niet, toen bleek wie we waren.)’
’10 februari. Wally jarig. Diep ontroerend was deze dag, daar zijn zaak er steeds slechter voor kwam te staan en hij thans beslist overtuigd was er niet door te komen. ‘s Middags weer verhoord. Rühl zei dat hij nu verlangde dat ik los zou komen en zou zeggen hoe het NSF werkte. Hugo had alles gezegd en ontkennen gaf niet. Als bewijs zei hij dat Van Hall hoofd van het NSF was en ik zijn plaatsvervanger. Ook thans alles weer ontkend. (In Scheveningen heb ik aan Hugo gevraagd of dit waar was. Hij ontkende dit heftig. Later bleek het echter volkomen waar te zijn.)’
’11 februari. Opnieuw verhoord. Heb bekend dat ik voorzitter van de Kern en van Natura was, doch heftig ontkend dat ik iets van het NSF afwist. Dit teneinde niet gedwongen te zijn iets van Wally te moeten zeggen. Heb geen enkele naam genoemd. Rühl noemde mij echter keurig alle deelnemers aan de Kernvergadering op, die hij op een lijstje had (Hugo!!).’

Het oorlogsmonument bij de Jan Gijzenbrug (Anton van Daal)

Aan de Haarlemse Jan Gijzenkade staat sinds 1950 een in Franse kalksteen uit-gehouwen beeldengroep. De maker, Theodoor van Reijn, heeft een knielende man en vrouw gecreëerd die samen een krans neerleggen. Op het voetstuk staat de bijbeltekst ‘En nu blijft geloof hoop en liefde deze drie doch de meeste van deze is de liefde.’ Het beeld herinnert aan het drama dat zich 25 meter verder, aan de andere zijde van de weg, heeft afgespeeld. Dat drama begint voor Van Hall op 10 februari 1945, zijn 39ste verjaardag. Die zaterdag pleegt een groepje voormalige RVV-leden, dat zich de voorgaande weken heeft ontwikkeld tot een roofbende, een gewapende overval op een rijwielhandelaar. Ze rijden met hun buit door Haarlem-Noord. Daar willen leden van de Feldgendarmerie hun auto als onderdeel van een routinecontrole doorzoeken. Om te kunnen wegkomen schiet een van de inzittenden met een machinegeweer op de Duitsers. Een onderofficier valt dodelijk gewond neer, een soldaat en een burger raken gewond. Dezelfde avond licht de Haarlemse politie de Amsterdamse SD in over de gebeurtenis.
De Sicherheitspolizei, die sinds juli 1944 in de plaats treedt van de opgeheven rechtbanken, neemt zoals gebruikelijk represailles. Dat verloopt via meerdere schijven. In opdracht van Aussenstelle-leider Willy Lages belt zijn ondergeschikte Friedrich Viermann met SiPo-bevelhebber Karl Schöngarth. Die geeft opdracht om acht gevangenen te executeren. Viermann, in 1949: ‘Ik heb toen aan Dr. Schöngarth acht namen van zg. Todeskandidaten opgezonden, die stonden bovenaan de lijst van terdoodveroordeelden.’
Uit de aantekeningen van Jaap Buijs: ’12 februari. Een der ellendigste dagen van mijn leven. Wally werd twee keer achter elkaar uit zijn cel gehaald. De tweede keer zei hij dat hij hoed en jas had moeten inleveren en dat dit het einde betekende. Hij verzocht mij verder te luisteren en gaf bepaalde wensen op voor toezicht op zijn kinderen, enzovoort. Ik zei hem dat ik, wanneer ik er doorkwam, zoveel mogelijk de kleine zorgen voor zijn gezin zou trachten dagelijks weg te nemen en verder zou doen wat ik kon. Hij zei dat hij dat mij niet eens wilde vragen. Omdat hij mij kende sprak dat voor hem vanzelf. Half vier werd hij weer gehaald en toen hij terugkwam, zei hij dat hij ‘s avonds met anderen gefusilleerd zou worden. Hij vroeg mij aan Til mee te delen dat zijn laatste gedachten bij haar en de kinderen zouden zijn. Daarna zei hij dat hij een vreselijke strijd had om van zijn liefste te scheiden, en nam toen afscheid. Totaal kapot was ik. Wat is de vrijheid duur gekocht. Toen ik het barse bevel hoorde om uit zijn cel te komen, wist ik me geen raad meer.’ Wat Buijs niet opschrijft is dat hij vraagt – onbekend is aan wie – of hij Walravens plaats voor het executiepeloton mag innemen. Het wordt geweigerd.

Samen met zeven andere gevangenen uit het cellencomplex aan de Weteringschans wordt Van Hall op 12 februari 1945 per overvalauto naar de Jan Gijzenkade in Haarlem-Noord vervoerd. De Duitsers drijven intussen een groep burgers naar de executieplaats, een lege plek voor een betonnen tankmuur. Onder hen bevindt zich ook de bekende Haarlemse verzetsstrijder Hannie Schaft. De 10-jarige Jan Heerze is er die maandag eveneens bij. Hij beschrijft de gebeurtenissen in het kinderboek Februari ’45. Een verhaal uit de hongerwinter. ‘Duitsers waren zenuwachtig. Onderofficieren liepen snauwend heen en weer, soldaten hielden voortdurend hun machinepistolen op de mensen gericht. “Ze willen ons vermoorden!”, schreeuwde opeens een vrouwenstem uit de menigte. Er ontstond beweging in de rijen. Verwarde uitroepen. Een Feldwebel brulde: “Stilte! Stilte!” Een man die een stap naar voren deed, kreeg een stoot met een geweerkolf tegen zijn borst. Hij tuimelde achterover. Op hetzelfde moment naderden over de Rijksstraatweg met grote snelheid drie overvalauto’s. Het rumoer verstomde. Uit de eerste wagens sprongen SS’ers. Een paar gingen vlak voor de toeschouwers staan, anderen stelden zich op in een lange rij, het geweer aan de voet. Toen ging de klep van de achterste wagen open. Het werd doodstil op de Jan Gijzenbrug. Een man viel half de auto uit, en nog een, en nog een.’
Ingeborg de Wit, in 1945 17 jaar oud, schrijft later een brief aan de weduwe van dominee Henk de Jong, een van de acht slachtoffers. ‘Op de dag van de fusillade waren mijn broer en ik op weg om sprokkelhout te vergaren voor mijn moeder. De vorige dag waren wij getuige van het neerschieten van een Duitse officier op een fiets, die over de brug reed. We vlogen vlug terug naar huis van angst om onze moeder hiervan te vertellen. Op diezelfde plaats, een beetje verder van de brug, is uw man vermoord, de volgende dag op dezelfde tijd. Wij werden ruw door Duitse soldaten langs de kade geforceerd tezamen met andere mensen op een zekere plaats te staan. Toen arriveerde de Duitse overvalwagen met SS’ers en soldaten en acht schamel geklede personen.’
Ook de 9 jaar oude Rob Hahn moet die maandag toekijken. In 2002 vertelt hij: ‘Ze werden eruit geknuppeld met de kolven van geweren. Anders dan iedereen denkt zijn ze niet op de plaats van het monument neergeschoten, maar aan de overkant. Ze stonden zo dat het schootsveld van de Duitsers over het water van de Jan Gijzenvaart lag.’ De toeschouwers worden gedwongen te kijken. Het is vijf uur ‘s middags. De leider van het executiepeloton, Hans Stöver, geeft zijn Wachzug het bevel om te schieten. Ingeborg de Wit: ‘Ik herinner mij nog de explosie van de geweren van de Duitse soldaten. Wij waren verslagen, bang en vol haat. We werden geforceerd langs de slachtoffers te lopen, maar ik wilde niet kijken.’
Kort voor de fatale schoten klinkt er een schreeuw. Walraven houdt zich aan de belofte die hij in zijn cel deed. Omstanders horen hem roepen: ‘Ik denk aan je, Tilly.’ Luttele seconden later valt hij dodelijk getroffen neer.

Als Rob Hahn later op de dag teruggaat naar de plek van de executie ziet hij de acht lichamen in de loopgraven naast de Rijksstraatweg liggen. ‘Hoe lang ze daar gelegen hebben, weet ik niet meer.’ De Amsterdamse begrafenisondernemer en trouw SS’er en NSB’er Johannes Bleekemolen en garagehouder Pierre van Lee halen de slachtoffers in de vroege avond op en vervoeren ze per vrachtwagen naar het Kennemerduingebied. Daar verwijdert Bleekemolen hun schoenen en ringen. De schoenen neemt hij mee naar huis. Ze dienen als brandstof voor zijn kachel. De ringen overhandigt hij aan de Sicherheitspolizei. De lichamen worden begraven in het duinzand nabij de Zeeweg. Vijf dagen later stuurt Bleekemolen de begrafenisrekening, ƒ195,- per persoon, naar de gemeente Haarlem. 

De plaats van de executie, mei 1945 (Noord-Hollands Archief)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Mei tot mei nu ook via Twitter

Voor de Twitter-bezitter: Mei tot mei is vanaf nu ook te volgen via mijn Twitter-account @meitotmei. Dagelijkse nieuwtjes, verse publicaties, boekrecensies en andere medelingen over de Tweede Wereldoorlog. Soms Zaans georiënteerd, vaak ook landelijk.