Zoldernazi Jacques Philippa begon zijn moordlustige loopbaan in Zaandam

De ter dood veroordeelde Jacques Philippa zat na de oorlog 29 jaar ondergedoken op de zolder van zijn ouderlijk huis. Hij haalde daarmee in 1974, toen hij alsnog werd gearresteerd, alle kranten. Het lid van de moordlustige Bloedgroep Norg begon zijn gewelddadige nazistische loopbaan in Zaandam, als hopman bij de NSB.

Over de zware oorlogsmisdadiger Jacobus Petrus Philippa (30-9-1917) is al veel geschreven. Zijn levensloop mag dan ook opmerkelijk genoemd worden. En dat is een understatement. Over zijn tijd in Zaandam was echter vrijwel niets bekend. Hieronder een poging om wat licht te werpen op de eerste stappen die hij daar zette als NSB’er met een bloeddorstige inborst.

Vaandrig

Nadat de in Den Haag geboren Sjaak – in 1941 maakt hij daar het wat deftiger klinkende Jacques van – de hbs heeft afgerond, studeert hij vanaf 1937 aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. In zijn boek In dienst van de nazi’s omschrijft auteur Paul van de Water hem in die tijd als een ‘kille, gesloten, afstandelijke, fanatieke en pro-Duitse jongen die geen vrienden had’. Hoe deutschfreundlich hij ook mag zijn, in mei 1940 vecht Philippa op de Grebbeberg als vaandrig tegen de Duitse troepen die Nederland zijn binnengevallen. In tegenstelling tot veel strijdmakkers komt hij er ongedeerd weg. Twee maanden na de capitulatie wordt hij bevorderd tot tweede luitenant, een ‘eer’ die alleen is weggelegd voor beroepsmilitairen die beloven zich niet te zullen verzetten tegen het nieuwe regime.

Philippa in oorlogsuniform.

In de zomer van 1942 meldt Philippa zich bij het Vrijwilligerslegioen Nederland, een onderdeel van de Waffen-SS. Als Unterscharführer volgt hij in het Beierse Bad Tölz een officiersopleiding aan de SS-Junkerschule. Het duurt bijna twee jaar voor hij terugkeert naar Nederland. Hij sluit zich dan aan bij de Drentse Landwacht. Als waarnemend districtscommandeur van deze gewelddadige NSB-groep arresteert en martelt hij er op los. Hij organiseert razzia’s. En hij is actief in de Bloedgroep Norg, een haveloze bende Landwachters die in de voormalige burgemeesterswoning van het dorp Norg opgepakte verzetsstrijders mishandelt en vermoordt.

Doodstraf

Al met al is het voldoende om Jacques Philippa in 1950 de doodstraf op te leggen. Probleem is alleen dat zijn verblijfplaats onbekend is. Hij ‘bevindt zich waarschijnlijk in Spanje’, schrijft de Drentse politiecommissaris R. de Jong in 1948 aan de broer van een van Philippa’s vele slachtoffers. Niemand heeft ook maar het minste vermoeden dat de gezochte collaborateur na de bevrijding van Assen via de Afsluitdijk naar Amsterdam is gevlucht. Daar huurt hij een kamertje tot zijn moeder hem in de zomer van 1945 vraagt om naar huis te komen. Philippa fietst naar Den Haag en richt de zolder van zijn ouderlijke woning aan de Pauwenlaan 95 in als leefvertrek.

Pauwenlaan 95 in Den Haag.

De navolgende 29 jaar komt hij niet of nauwelijks buiten. Hij kweekt kanaries en lost schaakproblemen op. In 1973 overlijdt zijn moeder. Jacques’ zus kan het niet verteren hoe haar bejaarde vader lijdt onder de heimelijke aanwezigheid van zijn zoon. Zij waarschuwt daarom de politie. In de ochtend van donderdag 11 april wordt de ooit gezochte, maar inmiddels door bijna iedereen vergeten oorlogsmisdadiger alsnog aangehouden. Hij is dan 56 jaar oud. Zijn eerder opgelegde straf wordt bij Koninklijk Besluit ingekort tot vier jaar cel. Die zit hij volledig uit. Na zijn vrijlating in het voorjaar van 1978 kan hij maar kort van zijn vrijheid genieten. Op 18 december 1981 wordt hij dood gevonden in de badkamer van zijn woning in Enschede, waar hij dan al zeker twee weken heeft gelegen.

WA’er in Zaandam

Tot zover in grove schetsen Philippa’s levensloop. Tijd om in te zoomen op zijn verblijf in Zaandam. Want daar begint in zekere zin zijn schijnbaar gewetenloze tocht door de nazistische instanties. Dagblad Zaanstreek memoreerde op 20 oktober 2021 dat hij een paar maanden als WA-hopman aan de boorden van de Zaan actief was. Helaas staan er nogal wat fouten in dat artikel. Zo wordt de hoofdpersoon niet in 1940, maar op 21 mei 1941 lid van de NSB. Daarom kan hij niet al in januari 1941 in Zaandam gestationeerd zijn geweest als leider van de Weerafdeling. Pas op 21 augustus van dat jaar schrijft de gemeente Breda hem uit. Rond die tijd komt Philippa naar Zaandam. Dat de politiecommissaris en de burgemeester hem op 27 april 1941 verbieden om nog in Zaandam op te treden, zoals in Dagblad Zaanstreek gemeld, klopt gezien het hierboven genoemde tijdsverloop natuurlijk ook niet. En een knokpartij tussen de WA en plaatselijke bewoners vindt niet plaats in de Zaandamse Spoorbuurt, zoals de dienstdoende verslaggever vermoedt, maar in Koog aan de Zaan.

Julianastraat

Die gebeurtenissen in Koog verdienen een nadere beschouwing, aan de hand van zowel nazistische als antifascistische bronnen. Ze werpen namelijk wat licht op het karakter van – dan nog – Sjaak Philippa en de ongekende ontsporingen waaraan hij zich later schuldig maakt.

Na zijn verhuizing naar de Zaanstreek, in de nazomer van 1941, neemt Philippa een kamer in ‘Het Wapen van Zaandam’, een hartje centrum gelegen hotel. De NSB kan de nieuwkomer goed gebruiken. Iemand die de KMA heeft afgerond en zich in mei 1940 bewees als commandant van een mitrailleurpost hebben ze nog niet in hun gelederen. Na zijn aanmelding als NSB’er – stamboeknummer 140920 – heeft Philippa zich ook gevoegd bij de Weerafdeling, de paramilitaire knokploeg van de NSB. Hij krijgt er de rang van hopman. Aangekomen in Zaandam mag hij meteen in deze officiersfunctie aan de slag. Het van de Vrijmetselaars geroofde gebouw aan de Stationsstraat is enkele maanden eerder geopend als nationaalsocialistisch Kringhuis, de beweging is klaar om de Zaanstreek te veroveren. Een sterke WA is daarbij onontbeerlijk.

Eind september 1941 bericht Philippa als ‘Vendelcommandant’ aan de Heerbanleider Amsterdam over een zangavond in Zaandam. “Op Maandagavond 22 Herfstmaand was het geheele Vendel aangetreden in de zaal van het gebouw Thalia voor zaalwacht en vlaggewacht tijdens het afleggen van de gelofte door de kernleden van Kring 42”, schrijft hij trots. Kring 42 betreft de Zaanse NSB-afdeling. Feestzaal Thalia is eigendom van Jacob IJdenberg. Hij is enkele maanden eerder tot wethouder benoemd in het nazistische stadsbestuur van Zaandam. Philippa’s met ‘Hou Zee!’ ondertekende brief is een van de weinige bewaard gebleven levenstekens uit zijn Zaanse tijd.

Feestgebouw Thalia aan de Prins Hendrikkade in Zaandam (Gemeentearchief Zaanstad).

Veel uitgebreider is de berichtgeving over zijn rol bij een veldslag in Koog aan de Zaan, een paar dagen later. Waarschijnlijk stoort het de Zaandamse nieuwkomer mateloos dat hij elke nacht moet doorbrengen in de Wilhelminastraat. Hij heeft uit naam van de koningin zijn leven gewaagd op de Grebbeberg. Terwijl hij daar vocht, nam zij de benen naar Engeland. En vanaf de overkant van het Kanaal moedigt ze nu haar landgenoten aan om zich niet neer te leggen bij de Duitse hegemonie. Dat Wilhelmina en haar andere gevluchte familieleden nog altijd door middel van straatnamen – waarvan er een dus vlakbij zijn hotelkamer hangt – worden geëerd, zint de NSB’er niet. Daarom bedenkt hij een tegenactie.

NSB’ers – oud en jong – voor hun Kringhuis in de Zaandamse Stationsstraat, 1941 (Gemeentearchief Zaanstad).

In de ochtend van zaterdag 27 september verzamelt Philippa 21 WA-mannen. Generalkommissar für das Sicherheitswesen Hanns Albin Rauter schrijft aan de Reichskommissar für die besetzten Niederländischen Gebiete Arthur Seyss-Inquart dat het de bedoeling was om de straatnaamborden waarop nog levende leden van het koningshuis vermeld staan te vervangen. Die bevinden zich in Zaandam, Wormerveer, Krommenie en Koog aan de Zaan. “Philippa had hiervoor noch van de NSB-partijleiding, noch van de leiding van de WA opdracht ontvangen”, oordeelt Rauter nadien. “Integendeel, hij had de beslissing alleen genomen.” Kort tevoren heeft Seyss-Inquart meegedeeld dat de ‘koninklijke’ straatnaambordjes voorlopig niet te hoeven worden vervangen, maar daar heeft Philippa dus geen boodschap aan.

Hanns Albin Rauter (Bundesarchiv)

In Zaandam komen de WA’ers niet ver met hun plannen. De gealarmeerde politiecommissaris verbiedt de geplande actie. De zwarthemden vertrekken daarom naar Krommenie. Daar maken de bordjes Juliana- en Wilhelminastraat plaats voor de zelfgefabriceerde teksten ‘Mien Tippelstraat’ en ‘Medelijdenstraat’. In Krommenie en in Wormerveer verloopt de omwisseling volgens Rauter ‘vlot’, bij gebrek aan handhavende politie. Drie dagen later doet de NSB-krant Het Nationale Dagblad op de voorpagina enthousiast verslag van de demonstratie. “De Zaankanters hebben met zichtbaar genoegen het werk der zwarte soldaten gadegeslagen, dit bleek uit hun uitlatingen en geheele houding.” Hetzelfde zou gelden voor Koog aan de Zaan: “Door de grootste orde en discipline der WA werd de rust gehandhaafd, waartoe de kalme houding van het publiek veel bijdroeg.” Dat de werkelijkheid anders was, blijkt wel uit getuigenissen van voor- en tegenstanders.

Verslagfragment in Het Nationale Dagblad (30-9-1941).

Kort na de bevrijding verschijnt er een acht pagina’s tellende brochure over de gebeurtenissen in Koog. Die begint met de volgende zinnen: “Op Zaterdag 27 September 1941 was het ’s middags en ’s avonds buitengewoon rumoerig in de anders ook vrij drukke Julianastraat. En, daar was reden voor! Een troep leden van de NSB, z.g. ‘WA-mannen’, volgelingen van Hitler, die er toen van overtuigd waren, dat diens regime van terreur, geweld en dwang voorgoed ingang had gevonden en zou blijven voortbestaan, trok de straat in en rukte, met groot misbaar, de straatnaambordjes van de huizen en stelde daarvoor andere in de plaats, met ’t opschrift ‘Medelijdenstraat’.” Dat deze verwisseling ‘verband [houdt] met het feit dat in deze straat bijna niemand bereid werd gevonden om voor de [nazistische hulporganisatie] “Winterhulp” bij te dragen’, lijkt overigens ontsproten aan de fantasie van de auteur. De monarchie moest uit het publieke domein, waar dan ook. Met de Winterhulp had dat niets van doen.

Politie

Het zit de Weerafdeling niet mee in de Koogse Julianastraat. Ze vinden twee niet van nazi’s gecharmeerde agenten op hun pad. Er ontstaat een worsteling. Rauter: “De tegen de WA optredende Hollandse politiebeambten Klaas van Doeland en Herm Nijzink werden door de WA gedeeltelijk ontwapend. In opdracht van Philippa zijn de twee politiesabels en een pistool na het incident aan de Nederlandse politie teruggegeven.” De schrijver van bovengenoemde brochure: “Zij werden zwaar mishandeld, doch ze kregen de originele straatnaambordjes in handen en slaagden er in hun buit te behouden.”

Vier agenten uit Koog aan de Zaan, 1935. Links Herm Nijzink, rechts Klaas van Doeland (Gemeentearchief Zaanstad).

Het lijkt er even op dat Jacques Philippa de zaken weer onder controle heeft. Rauter: “Nadat de WA naar behoren was afgemarcheerd, verschenen er steeds meer inwoners van de gemeente Koog aan de Zaan en haalden ze vervolgens onder hoerageroep het straatnaambord ‘Mien Tippelstraat’ weg. Datzelfde gebeurde met het bordje ‘Medelijdenstraat’.” Het is inmiddels kwart voor acht ’s avonds. Op dat moment komt het NSDAP-lid Hans Werner aangefietst. De in Zaandam wonende Kolonnenführer is als zodanig herkenbaar aan een partij-insigne op zijn kleding. Het is olie op het vuur. Werner: “De mensenmassa dacht dat ik bij de fascisten hoorde. Ik werd daarom door de menigte aangevallen en geslagen, waardoor ik op de grond viel. Daarop heb ik mijn revolver getrokken en in de lucht geschoten.”

‘Weg of ik schiet’

Zijn al dan niet toevallig aanwezige partijgenoot Menne Bos, een twintigjarige fabrieksarbeider uit Koog aan de Zaan, legt nadien ook een getuigenis af. “Deze persoon werd door de menigte omringd, waarbij hij een revolver uit zijn tas haalde, daarmee dreigde en tegen de mensen zei: ‘Weg of ik schiet.’ Daarbij schoot deze persoon eenmaal in de lucht. De menigte stoof uiteen en een mij onbekende persoon viel de man van achteren aan. De persoon met de revolver schoot daarop achterwaarts over een schouder. Ik hoorde verschillende schoten achter elkaar. Daarna viel die persoon op de grond en schoot in het wilde weg op de mensen.” Desondanks slaagt Bos er in om Hans Werner zijn wapen te ontfutselen. Hij draagt het even later over aan de politie.

De Julianastraat in Koog aan de Zaan (Gemeentearchief Zaanstad).

De brochureschrijver: “Daarna viel de heethoofd ten prooi aan de woedende menigte. Uit den winkel van Albert Heijn werd een stalen stoel weggehaald en daarmee, en ook op andere wijze, werd de mof bewerkt.” Werner wordt getrapt, zijn rechteronderarm met een mes bewerkt, zijn partijplaatje afgerukt. Desondanks lukt de Rijksduitser om te ontkomen. Hij laat vier door zijn kogels getroffen gewonden achter. Achtervolgd door zijn belagers – die onder meer ‘Sla die fascisten en moffen dood’ en ‘Dood aan de NSB’ schreeuwen – bereikt hij het even verderop gelegen café van Hein Stam. “Daar werd hij allesbehalve liefdevol ontvangen!”, aldus de brochureschrijver. “Eenige bezoekers van het café namen hem op en smeten den gehavenden bruut door een der ramen naar buiten.”

Het café van Stam in de Raadhuisstraat (Gemeentearchief Zaanstad).

Werner is opnieuw overgeleverd aan zijn vijanden. Uit de brochure: “De toegestroomde menigte ontving den geweldenaar met open armen. Hij werd beetgepakt en men toog met hem naar de Noorderbrug, met de bedoeling hem over de leuning te gooien om hem in de Zaan te doen verdrinken.” Hans Werner heeft geluk dat op dat moment de plaatselijke agenten Jan Breeker en C.A. Prinsen in hun patrouillewagen langsrijden. Hij heeft ook pech. Breeker zit tot over zijn oren in de plaatselijke illegaliteit en laat weinig na om de nazi’s te dwarsbomen. “Bij de oprit van de Noorderbrug zagen we een man lopen, en wel op zo’n manier dat hij dreigde te vallen”, verklaren ze later die week tegen de Duitse autoriteiten. “Wij zijn naar deze man gegaan en hoorden dat hij met een revolver had geschoten. We vroegen hem: ‘Heeft u geschoten?’, waarop hij ‘ja’ antwoordde. Daarop hebben we deze man gearresteerd, meegenomen naar het bureau en daar laten verbinden.” Werners verwondingen zijn zo ernstig dat de agenten hem voor behandeling naar het gemeentelijk ziekenhuis laten brengen. “Zijn moffenkop was onkenbaar en van z’n kleeren was niets meer heel”, wist de brochureschrijver. “Naar verluidt is hij maandenlang verpleegd in het ziekenhuis en is hij tenslotte toch nog hersteld.”

V.l.n.r. de agenten Prinsen, Van Doeland, Nijzink en Breeker (Gemeentearchief Zaanstad).

Jacques Philippa is aanvankelijk onwetend van de enorme chaos die hij met zijn onbezonnen actie heeft veroorzaakt. Hij is met zijn manschappen teruggemarcheerd naar het hoofdkwartier in Zaandam. Op de plek des onheils blijft het nog een tijdje onrustig. “Duizenden bij duizenden menschen waren dien middag en avond in de Julianastraat present en de gemoederen waren allerminst vredelievend gestemd. Allerlei dreigementen en wraakuitingen werden er vernomen die, ingeval de Duitschers toen waren verschenen, tot ernstige botsingen geleid zouden hebben. Gelukkig bleven onze ‘beschermers’ weg en keerde de rust in den laten avond weer.”

Jacques Philippa (Oorlogs- en Verzetscentrum Groningen).

Het incident krijgt een stevige staart. Buurtbewoner Rinus Hille is herkend als een van de mensen die opruiende leuzen hebben geschreeuwd. Hij en Hein Stam worden gearresteerd vanwege hun ’tegen de Duitse bezettingsmacht gerichte gedrag’, aldus Rauter op 22 oktober 1941 in zijn brief aan Rijkscommissaris Seyss-Inquart. Daarbij blijft het niet. “Vanwege deze tegen een Rijksburger gerichte Duits-vijandige demonstratie wordt in overleg met de gevolmachtigde voor de provincie Noord-Holland – Oberdienstleiter Seidel, Haarlem – de gemeente Koog aan de Zaan een zoengeld ter hoogte van fl 25.000,- opgelegd.” Hoewel de burgemeester van Koog een poging doet om de boete te laten vervallen – de ‘demonstratie’ zou niet tegen de bezettingsmacht, maar tegen de NSB gericht zijn geweest -, blijft de straf gehandhaafd. Het lijkt er op dat Hein Stam er wel zonder bestraffing vanaf komt. Zijn uitleg niet te hebben gezien dat Hans Werner gewond was, komt geloofwaardig genoeg over. Rinus Hille daarentegen verdwijnt negen maanden achter de tralies. Na het uitzitten daarvan belandt hij in de illegaliteit. De tuinman weet ongeschonden de bevrijding te halen en klimt nadien op tot alom gerespecteerd wethouder, burgemeester en Statenlid.

Een niet helemaal accuraat verslag van de gebeurtenissen in Koog door het illegale blad Vrij Nederland, 15-10-1941.

Waar Rinus Hille uiteindelijk tot grote hoogte zal reiken, begint voor Jacques Philippa de afdaling. NSB-leider Anton Mussert grijpt persoonlijk in. Op 1 oktober verschijnt er een mea culpa in Het Nationale Dagblad. De NSB verwerpt weliswaar het gedrag van ‘onze gewezen Koningin’, aldus de krant, maar ‘zij wenscht zich niet te buiten te gaan aan onwaardige strijdmethoden tegen haar, die eens een groote plaats innam in ons hart.’ Uit naam van Mussert bericht landelijk WA-commandant Arie Zondervan dat ‘vendelcommandant’ Jacques Philippa ‘op bevel van den Leider onmiddellijk van zijn commando ontheven’ is.

Het Nationale Dagblad (1-10-1941).

Anton Mussert wil er alles aan doen om de heersende macht niet tegen de haren in te strijken. Eigengereide oproerkraaiers als Philippa passen niet in zijn pogingen om de nazi’s te paaien. Of de NSB-aanvoerder bij zijn besluit nog even heeft teruggedacht aan zijn werkbezoek aan Zaandijk op 20 augustus 1938 vermeldt de geschiedenis niet. Aan zijn katheder hing toen, zoals wel vaker tijdens zijn vooroorlogse toespraken, een portret van Wilhelmina. Maar drie jaar later is van die aanhankelijkheid niets over.

Mussert op 20 augustus 1938 op het spreekgestoelte bij boerderij Fortuin, in het verlengde van de Guisweg in Zaandijk (Gemeentearchief Zaanstad).

Helemaal uit de fascistische familie gestoten wordt Philippa niet. Hij wordt op 25 november 1941 ‘naar de gemeente Groningen afgeschreven’, zoals het in ambtelijke termen heet. Gedesillusioneerd vertrekt hij naar het hoge Noorden. Dat de monarchistische straatnaamborden begin 1942 in heel Nederland alsnog moeten plaatsmaken voor andere teksten is een schrale troost.

In Groningen mag Philippa aan de slag als adjudant van de plaatselijke Weerafdeling. Driekwart jaar later meldt hij zich bij de Waffen-SS en komt hij in Beieren terecht. Daarna gaat de val steeds sneller, met zijn martel- en moordpraktijken in en om Norg als absoluut dieptepunt. Het lijkt er op dat zijn scheiding in januari 1945, na een huwelijk van amper een jaar, het laatste zetje is geweest om zijn haat- en wraaklust volledig te ontplooien. De laatste keer dat hij Zaandam passeert, is als hij in april 1945 vlucht van het dan al bijna bevrijde Drenthe naar de hoofdstad.

Jacques Philippa en Jantje Hazekamp op hun huwelijksdag, 7-1-1944. Het huwelijk werd in januari 1945 op haar verzoek ontbonden.

Op 9 mei 1945 zit Jacques Philippa ondergedoken in zijn Amsterdamse huurkamer, in angstige afwachting van hetgeen de toekomst hem biedt. Twintig kilometer noordelijker is de sfeer juist uitgelaten. Net als vier jaar eerder staan er duizenden mensen in en rond de Koogse Julianastraat. De straat is met vlaggen versierd. Om zeven uur ’s avonds begint het feest. De Zaanlands Kapel speelt vrolijke muziek. Dan naderen per koets drie mannen. Het zijn de Koogse verzetsstrijder Henricus Hagtingius, Klaas van Doeland en Herm Nijzink. Er volgen toespraken en vaderlandse liederen. Hagtingius krijgt een schep overhandigd, de beide agenten een paal met daaraan een bord met het opschrift ‘Juliana straat’. Onder het toeziend oog van de samengestroomde menigte planten zij het bord op de hoek van de Juliana- en Breestraat in de grond.

Onder het toeziend oog van de twee ‘goede’ agenten Herm Nijzink (rechts) en Klaas van Doeland (links) werd in 1945 het straatnaambord van de Julianastraat teruggeplaatst. De man met de schop is Henricus Hagtingius (H. van Kordenoordt).

Huisarts Hagtingius is vanwege zijn illegale werkzaamheden twee keer gearresteerd geweest. Na maandenlang opgesloten te zijn geweest, kwam hij terug. Kaalgeschoren en verzwakt, maar geestelijk ongebroken. Nu is het zijn moment. “De bordjes met het opschrift Julianastraat zitten weer op hun plaats en nooit, nooit gaan ze er weer af!”, roept hij de massa toe. “De tirannie der verdrukkers is ten einde! We zijn weer vrij, we kunnen weer vrij spreken en verruimd ademen!” Gejuich en hoerageroep vallen hem ten deel. De mensen trekken in een uitgelaten optocht door het dorp, achter de muziek aan. Bij terugkomst in de Julianastraat ontstaat er een spontaan dansfeest. Een brandstapel met in top een karikatuur van Adolf Hitler maakt het feest compleet. De nog altijd geldende avondklok mag voor één keer worden genegeerd. Pas rond middernacht keert de stilte terug op straat.

9 mei 1945, de Julianastraat (H. van Kordenoordt).

In Koog aan de Zaan wordt de vrijheid gevierd, in de Haagse Pauwenlaan heeft Jacques Philippa zichzelf elke vrijheid ontnomen. Bijna dertig jaar zit hij in zelfisolatie, bang voor de buitenwereld en bang voor de straf die hem bij verstek is opgelegd. Twee dagen voor de festiviteiten in Koog aan de Zaan eist Het Parool al de doodstraf voor Landwachters.  “De leden van dit gezelschap vallen zonder uitzondering onder de zwaarste en meest verachtelijke categorie”, aldus de voormalige verzetskrant. De leider van de Bloedgroep Norg zal ook daadwerkelijk de kogel krijgen. Philippa verstopt zich en houdt dat vol tot het echt niet meer anders kan. Wanneer het eindelijk zo ver is, op donderdag 11 april 1974 om 11.15 uur, loopt hij voor de laatste keer de zoldertrap van zijn ouderlijk huis af. Zonder te protesteren stapt hij in de politie-Mercedes die hem naar de cel rijdt. Hij zegt de agenten ‘dat dit er al die jaren al inzat en het hem toch eens moest overkomen’. Jacques Philippa verruilt het gebrek aan vrijheid in zijn ouderlijk huis voor een gevangenis met staatstoezicht.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Franci Siffels: het geschrapte hoofdstuk

Omdat schrijven onherroepelijk gepaard gaat met schrappen, verdween een van de beoogde hoofdstukken uit mijn manuscript over het tragische leven van de Zaandamse verzetsstrijdster/V-Frau Franci de Munck-Siffels. Om ze niet helemaal in de duisternis te laten verdwijnen, geef ik de verloren pagina’s hier een plek. Het boek De verraadster is overigens verkrijgbaar via elke Nederlandse boekhandel.

Tijdens naoorlogse ondervragingen draait Dirk Stoutjesdijk om de hete brij heen, een krampachtige poging om de gevangenisstraf die hem boven het hoofd hangt te minimaliseren. Daarbij hoort ook de ontkenning dat zijn weg ooit die van Franci Siffels kruiste. Er zijn echter zoveel getuigenissen van het tegendeel dat de oud-burgemeester van Langedijk zijn leugen niet kan volhouden. “Ik heb enige malen een ontmoeting gehad met een vrouw die zich Fransje de Munck noemde”, bekent de NSB’er ten langen leste.

Hun kennismaking vindt plaats in de tweede week van mei 1944. Franci loopt die dag naar zijn huis aan de Dorpsstraat in Zuid-Scharwoude, een van de plaatsen die deel uitmaken van de gemeente Langedijk. De burgemeester is afwezig, maar zijn echtgenote laat de jonge vrouw toch binnen. Nog geen kwartier later zit Franci tegenover Dirk Stoutjesdijk. “Bij haar eerste bezoek aan mijn woning legitimeerde zij zich met een kaart van de SD te Amsterdam, waarop het verzoek stond aan haar medewerking te verlenen. Zij verzocht mij gebruik te mogen maken van mijn telefoon. Zelf heb ik toen het door haar opgegeven nummer van de SD te Amsterdam op mijn toestel gedraaid en op haar verzoek naar de SD’er Viebahn gevraagd. Toen deze zich aan het toestel meldde en ik hem de tegenwoordigheid van deze Fransje de Munck mededeelde, moest ik de hoorn aan haar overgeven.”

Sicherheitsdienst

Stoutjesdijk weet dan al dat ze sinds enige tijd als zogenaamde onderduikster bij zijn dorpsgenoot Cor Keeman woont. Over haar exacte rol in Duitse dienst is hem bij de eerste ontmoeting nog niets bekend. Wat ze telefonisch met de SD bespreekt gaat naar zijn zeggen ook langs hem heen. “Ik heb mij in een ander vertrek teruggetrokken en Fransje bij dit gesprek alleen gelaten.” Het echtpaar vertrouwt de onverwachte bezoekster. Afgesproken wordt dat Franci de telefoon vrijelijk kan gebruiken. Ze mag voortaan naar binnen via de zijdeur, die nooit op slot is. In de navolgende dagen maakt Franci gebruik van die geste. Ook dan zoekt ze contact met de Sicherheitsdienst.

In de nacht van 15 op 16 mei staat ze weer in de huiskamer van het burgemeestersechtpaar, nu vergezeld door haar partners in crime Rühl, Viebahn, Kuiper en Vink. Terwijl Franci in de gang langdurig met Friedrich Viebahn van gedachten wisselt bestuderen de anderen de personalia van vijf door haar genoemde verdachten. Het betreft vier mannen uit Langedijk en één uit het enkele kilometers noordelijker gelegen dorpje Waarland. Stoutjesdijk zoekt desgevraagd hun adressen op. Daarna stapt het gezelschap in twee gereedstaande wagens. Franci blijft achter.

Emil Rühl (links) en Friedrich Viebahn voor het Bijzonder Gerechtshof, 1949

Stoutjesdijk is sinds 1943 burgemeester van Langedijk. Hij kent inmiddels alle straten in zijn gemeente. Gedienstig wijst hij de huizen aan waar de gezochte personen wonen. Bij Pieter Termaat grijpen ze mis; hij is op tijd gealarmeerd. Iets soortgelijks gebeurt bij zijn zwager Henk van Zuijlen en bij Dirk Bruin. Na te zijn gewaarschuwd heeft Van Zuijlen veiligheidshalve een nachtje bij familie gelogeerd. De eveneens illegaal werkende directeur van de Nieuwe Langedijker Courant, Jan Keizer, heeft hetzelfde gedaan. Ook bij hem ontmoeten de speurders alleen een ontkennende echtgenote. De onderduiker in Waarland blijkt niet op de hoogte van de jacht op het verzet. Als enige van de gezochte West-Friezen belandt hij in de cel. Het is een schamele oogst. Rühl en zijn helpers rijden rond vieren met hun arrestant naar de hoofdstad. Franci probeert in de tussentijd een paar uur te slapen in de vlakbij haar eigen logeeradres gelegen burgemeesterswoning. Politieman Jan Vink: “Ze durfde niet terug, omdat ze bang was om vermoord te worden.” Pas wanneer de opkomende zon lange schaduwen over de Dorpsstraat werpt raapt Franci haar moed bijeen en legt ze de paar honderd meter af die haar scheiden van haar tijdelijke onderkomen.

Gebroken Duits

Jan Keizer krijgt de volgende ochtend te horen dat de kust veilig is. Op de terugweg naar zijn woning in Noord-Scharwoude ziet hij Franci voor het raam staan bij het echtpaar Keeman. De herkenning is wederzijds. Zodra Keizer binnen is loopt zijn verraadster opnieuw naar Stoutjesdijk. “Naar ik meen was het omstreeks negen uur dat Fransje aan het gemeentehuis te Langedijk bij mij kwam en mij verzocht van de telefoon gebruik te mogen maken, hetgeen ik goed vond. Zij vroeg mij het kengetal van Alkmaar, hetgeen ik haar mededeelde. Zij draaide daarop een nummer op het telefoontoestel. Ik hoorde dat zij zich meldde met Fransje en in gebroken Duits sprak en mededeelde dat zij zo spoedig mogelijk in Alkmaar zou komen.”

Nieuws van den dag, 8-8-1944

In een tweede verhoor bekent Stoutjesdijk dat hij op Franci’s verzoek zelf telefonisch haar komst naar Alkmaar doorgeeft. Hij ‘vergeet’ ook nog iets anders te melden. Nadat Franci is vertrokken rijdt de burgemeester onmiddellijk naar wachtmeester Peter van der Mars. Jan Keizer moet worden gearresteerd, gebiedt hij. “Hij vertelde mij dat hij een kwartier geleden een bericht had gekregen dat Keizer thuisgekomen was. Ik moest direct mee, omdat er veel haast bij was.” De burgemeester kent Van der Mars slecht. “Ik heb eerst rustig de banden van mijn rijwiel opgepompt en liet toen mijn vrouw opbellen naar wachtmeester Joor, om hem te zeggen dat ik met Stoutjesdijk mee moest om Jan Keizer te arresteren, opdat Joor Keizer bijtijds zou kunnen waarschuwen.”

Mislukt

Het opzetje mislukt. Joor slaagt er niet in om Keizers woning snel genoeg te bereiken. In de tussentijd arriveren Stoutjesdijk en Van der Mars daar al. Omdat de bel stuk is lopen de twee achterom. Daar treffen ze de dochter van de krantendirecteur aan. Vol overtuiging legt die uit dat haar vader de voorgaande avond is vertrokken en niet thuis heeft geslapen. Haar afleidingsmanoeuvre geeft Jan Keizer de gelegenheid om via de voordeur te ontsnappen. “De poging tot arrestatie van mij was des te zwaarder, daar ik al eerder gevangen had gezeten bij de SD, waarvan toen de beschuldiging luidde: ‘Hoofd van illegale beweging, het begraven van munitie in de duinen en een vooraanstaand militair commando.’ Door gebrek aan bewijs ben ik daar uiteindelijk voor vrijgelaten.”

Franci is vasthoudend. Stoutjesdijk: “In de loop van diezelfde morgen is Fransje nogmaals op mijn bureau geweest en deelde mij mede dat Keizer tijdens ons bezoek te omstreeks 9.30 uur wel thuis was geweest, doch er tussenuit was gegaan.” Ze heeft nog een boodschap: “Verder deelde zij mij mede dat zij op advies van de ondergrondse alhier weg moest naar Alkmaar, alwaar zij een nieuw adres had gekregen, namelijk bij dokter Louwi [Nico Louis] aan de Geestmersingel.” Het komt nog eenmaal tot een ontmoeting tussen Keizer en zijn verklikker. “Vlak daarop kwam voornoemde De Munck bij mij en vroeg of zij met mij mee mocht onderduiken. Ik zei haar toen dat dat niet kon, omdat ik zelf nog geen onderduikadres had.”

Overstuur

Henk van Zuijlen heeft minder geluk. Franci meldt zich rond tienen bij zijn echtgenote, meteen na haar telefoongesprek in het Langedijker gemeentehuis. Cornelia van Zuijlen kent haar dan al een paar weken. Franci is meermalen op bezoek geweest. Dit keer komt ze overstuur binnen. Ook zij heeft die nacht een SD-inval meegemaakt, acteert ze. “Fransje zei dat aan haar onderduikadres huiszoeking was verricht en dat zij een ander adres zocht, waarom zij met spoed mijn man wilde spreken. Ik vertrouwde Fransje toen nog en vertelde haar dat mijn man die morgen te 11.30 uur te vinden zou zijn op het Gerechtsgebouw te Alkmaar.”

Haar gesprekspartner zoekt Stoutjesdijk op. Dat Van Zuijlen haar eerder die maand van voedselbonnen heeft voorzien maakt haar niet milder. Dit is haar kans om hem, met inzet van de Langedijker burgemeester, te laten oppakken. De administrateur moet wegens familieomstandigheden inderdaad bij de rechtbank zijn. Hij zit in de gang te wachten als een ambtenaar hem zegt dat er buiten het gebouw iemand voor hem is. Wanneer hij daar gaat kijken blijkt een agent hem op te wachten. Het politierapport van die dag vertelt het vervolg: “12.15 uur. Door de rechercheur 1e klasse W.J. van het Kaar op verzoek van de burgemeester van Broek op Langedijk in het Gerechtsgebouw aangehouden: Hendrik van Zuijlen, geboren te Coevorden, 26 augustus 1915.” De dagen daarna wacht de arrestant een tocht langs de gevangenis aan de Weteringschans en het SD-kwartier in de Euterpestraat. Hij doorstaat de verhoren en mag na drie weken de cel verlaten. Pas dan wordt het hem duidelijk wie verantwoordelijk was voor zijn aanhouding.


Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Lores lef. Het verzet van een joods ‘ijskonijn’

Lore Durlacher was politiek vluchteling, links en joods. En dus gehaat door de nazi’s. Tijdens de Tweede Wereldoorlog groeide dit ‘ijskonijn’ uit tot een van Nederlands meest onverschrokken verzetsstrijders. 

Een week voor de Tweede Wereldoorlog uitbrak, vertrok Lore Zilly Durlacher (3-12-1920) naar Nederland. Als progressieve joodse vrouw had ze niets meer te zoeken in het voor haar onveilige Duitsland. Ze kwam terecht in het joodse werkdorp in Wieringen. Dat was een verzamelplaats voor uit Duitsland en Oostenrijk gevluchte joden. Honderden jonge mannen en vrouwen kregen er een agrarische opleiding, die hen in staat moest stellen om een bestaan op te bouwen in Palestina.

In 1941 ontruimden de Duitsers het werkdorp. Zij die geen onderduikplek zochten, werden uiteindelijk naar concentratiekamp Mauthausen gedeporteerd. De meeste slachtoffers vonden daar de dood. Lore Durlacher werkte tot januari 1943 als leerling-verpleegster in Het Apeldoornsche Bosch. Kort voor de ontruiming van deze instelling voor joodse mensen met een verstandelijke beperking dook ze onder, eerst in Hilversum en daarna in Zaandijk. Vanaf begin 1943 stond haar leven in het teken van het verzet tegen de nazi’s. Ze sloot zich met andere Palestinapioniers aaneen tot een groep die in opstand kwam tegen de dictatuur. Met haar geblondeerde haar zag ze er uit als een naïef meisje, maar dat was ze dus allesbehalve.

Koelbloedig

Lore Durlacher ontwikkelde zich toch een van de actiefste, koelbloedigste en brutaalste verzetsstrijders binnen het non-conformistische samenwerkingsverband. Zij en haar medestrijders bevrijdden, vaak samen met leden van de zogeheten Westerweelgroep, tientallen gedetineerden uit Durchgangslager Westerbork en slaagden er in om honderden joden in veiligheid te brengen. Ook was ze betrokken bij enkele (vergeefse) pogingen om de spoorlijn bij dat kamp te vernielen en zo de deportaties naar Oost-Europa stil te leggen.

Lore Zilly Durlacher verdient meer naamsbekendheid dan ze tot nu toe heeft. Daarom hieronder vier voorbeelden die laten zien hoe het ‘ijskonijn’, zoals Durlacher door haar vrienden werd genoemd, tijdens de bezetting geen actie uit de weg ging, hoe gewaagd ook.

Lore Durlacher in 1942

26 augustus 1943

In de zomer van 1943 dook Lore Durlacher in Zaandijk onder bij het echtpaar Westrik en hun dochter Corrie. Frans Westrik beschreef jaren later zijn oorlogservaringen en noemde daarin ook Lore. “Zij noemde zich Els Rijsdijk, was Hollandse, een blonde verschijning en in het bezit van een vervalst persoonsbewijs. Zij was een- of tweemaal aan de Grüne Polizei ontsnapt, hoe zij bij ons te land kwam kan ik me niet herinneren. Zij was onze logé, bewoog zich volkomen ongedwongen, lag b.v. in de tuin onverschrokken te zonnen. In de nacht echter van donderdag, de 26e augustus, op vrijdag, werd er om half twee gebeld. Toen ik uit het raam keek waren daar twee Hollandse politie-agenten met bevel open te doen. Naar achteraf bleek was de ene een N.S.B.-er, genaamd [Jan] Bloemsma, wonende Tulpstraat [9] Koog, de naam van de andere is me nooit bekend geweest.

Te gauw ging ik naar beneden om open te doen. Zij zeiden een Joods meisje bij ons te zoeken en zonder een woord te zeggen viel ik op een stoel neer in de voorkamer. In een zeer korte spanne tijds hadden moeder en Els kans gezien het echtpaar en Doris [een joods onderduikgezin] in hun resp. schuilplaatsen te werken. Els had het echtpaar voor haar rekening genomen en het bed op zolder recht gelegd en Moeder Doris in de kast gestopt. Juist was zij daarmee klaar, toen Bloemsma al in de slaapkamer verscheen en wilde weten wat Moeder in die kast deed. Nu dat was heel eenvoudig, n.l. haar peignoir pakken. Bij inspectie van die kast ontdekten zij ook niets bijzonders. Els kwam van de trap af en op de vraag wat zij daarboven moest doen, antwoordde zij heel gevat: ‘Man, ’t is zo warm en ik lag gewoon in m’n broek in bed, ik ben even een nachtpon wezen halen, want ik kan zo ongekleed toch niet voor jullie verschijnen.’

Eindelijk dachten zij in Corrie het gezochte jodenkind te hebben ontdekt! Wat zij niet zagen was, dat voor haar bed twee stellen kleren opgeborgen waren en ook twee paar schoenen. Ofschoon wij konden aantonen, dat Corrie onze eigen dochter was, niets hielp en we moesten beiden mee naar het politiebureau in Zaandam.” Frans en Evertje Westrik werden flink ondervraagd, maar lieten niets los.
De volgende ochtend werden ze op vrije voeten gesteld. “Els had die nacht direct de leiding in handen genomen. Oom Jan was [mede-onderduiker Ernst Berliner] de wanhoop nabij en Els had gedreigd alle lichten aan te steken als hij niet kalmeerde. Voor Doris vond zij een ander onderkomen.”

Dankzij het gedecideerde optreden van Lore Durlacher liep het incident met een sisser af.

November 1943

Met hulp van een in Westerbork werkzaam marechausseelid zouden dertien Palestinapioniers een ontsnapping wagen uit het Durchgangslager. Frans Gerritsen en Lore Durlacher kropen daartoe ’s nachts, net nadat er een bewakingspatrouille was gepasseerd, naar het omheinende prikkeldraad. Ze waren met een vijfhonderd meter lang touw verbonden met Tine de Lange, een kennis van de participerende marechaussee. Toen Gerritsen en Durlacher met hun kniptang bij de omheining lagen te wachten, ‘kreeg ik een ruk aan de voet en zijn we teruggegaan en er kwamen meteen grote schijnwerpers over de hei’, aldus Gerritsen in een naoorlogs interview. “Dus was er iets fout, wat wisten we niet. We hadden zwarte kleding aan en bleven stil liggen. Toen het licht weg was, kropen we langs het touw terug. Tine zei: ‘Ja, die marechaussee had met een rood licht geseind.’ Binnen was er iets gebeurd, wat wisten we niet.”

Deze ontsnapping mislukte dus. Op andere momenten was er wel succes. Dan wachtte Lore samen met iemand anders de vluchters buiten het Westerborkhek op en brachten ze hen per fiets naar een schuilplaats. Maar in de winter van 1944 dreigde het even fout te gaan.

9 februari 1944

De Amsterdamse typograaf/verzetsman Jo Spier (1916) was een van de gevangenen die door Lore Durlacher werden geholpen. Hij was op 2 februari 1944 naar Westerbork gestuurd en zes dagen later ‘werd ik opgeroepen voor het transport naar Auschwitz.’ Toen hij de ochtend van het transport de barak verliet, namen twee jongens hem mee in een tegengestelde richting van de plek waar de trein wachtte. Hij belandde op de zolder van een paardenstal. Daar ontmoette hij twee meisjes die eveneens aan het transport waren onttrokken. “De volgende morgen om 6 uur werden wij opgehaald door Kurt Walter, een gevangene in Westerbork, die verzetswerk in Westerbork deed en contact had met een verzetsgroep buiten het kamp. Wij kregen van hem een vals pasje, passeerden met hem de OD [Ordnungsdienst] die bij de uitgang stond en werden buiten het kamp, buiten het zicht van de torens, opgevangen door twee verzetsmensen uit de Westerweelgroep. Ze hadden allebei een fiets bij zich. Die nacht had het gevroren, het had geijzeld, de heidepaadjes waren glad en wij kwamen met één fiets te vallen en door het geluid dat wij maakten, kwam een marechaussee van de kampbewaking die op dat moment toevallig op weg naar zijn werk was, op ons af en poogde ons te arresteren. Hij werd echter door Lore Durlacher, dat verzetsmeisje, overtuigd dat hij ons moest laten gaan. Die marechaussee stond toe dat ik mij verwijderde en Lore bleef bij hem achter.” De drie gevangenen en hun begeleiders wisten te ontkomen.

Lore Durlacher vertelde in 1955 in iets andere bewoordingen over hetzelfde voorval. Dichtbij het kamp stuitten Frans Gerritsen en zij op een Nederlandse politieman die hen tegenhield en vroeg waarnaar ze op weg waren. “Lore antwoordde dat ze voedsel zochten. De jongen [die Lore vervoerde] had geen identiteitskaart. Lore zag dat de politie hen niet geloofde en toen probeerde ze zijn menselijke gevoelens te beïnvloeden. Ze zei dat ze haar verloofde uit het kamp wilde redden.” Ze gaf haar fiets aan de de vluchteling en bleef alleen achter met de agent. Ze slaagde er in om hem over te halen geen actie te ondernemen. Daarna liep ze naar de afgesproken ontmoetingsplek, waar ze Frans Gerritsen en de gevluchte Palestinapioniers aantrof. Gezamenlijk reisden ze verder naar het einddoel in Amsterdam.

Medio maart 1944

Bij een poging om naar Frankrijk te ontkomen, waren zes Palestinapioniers opgepakt en begin 1944 naar Westerbork gebracht. Halverwege maart kregen ze te horen dat ze waren geselecteerd voor een transport naar Auschwitz. Ze besloten om te ontsnappen. In de administratie schreef een medeplichtige ‘Bij het transport gevoegd’, waardoor ze niet vermist zouden worden. Ze slaagden er in om ongezien uit de rij voor de trein te lopen en verborgen zich in een schoolbarak. Een van hen, Werner Hirschfeld: “De kamer is vol sigarettenrook. In onze zenuwachtigheid steken wij de ene sigaret na de andere op. Telkens kijken wij op onze horloges. Om half tien worden de wagens dichtgemaakt en vertrekt de trein. De tijd gaat langzaam voorbij. De spanning stijgt tot het ondragelijke… Een fluit klinkt. Wij luisteren. Dan horen wij het sissen van de locomotief. Langzaam rollen 25 veewagens met 800 Joden het kamp uit.”
De zes liepen in twee groepjes van drie met vervalste passen langs de kampwacht. Ze overnachtten in een bosje in een provisorisch gemaakt onderkomen en meldden zich conform afspraak om 6.45 uur op een afgesproken locatie. Hirschfeld: “Twee minuten zitten wij achter een heuveltje, dan horen wij stappen. Onmiddellijk onderscheiden wij twee gedaanten die tastend hun weg zoeken, een vrouw en een man. Met een gesmoorde jubelkreet vallen wij elkaar in de armen. Het zijn Lore en Frans.” Met acht fietsen vertrok de groep, op weg naar de geregelde onderduikadressen. Een deel van de vluchters zou vervolgens doorreizen naar Frankrijk.

Israël

Veel Palestinapioniers betaalden de ultieme prijs voor hun verzetswerk. Lore Durlacher haalde wel heelhuids de bevrijding en emigreerde daarna met haar man naar Israël. Daar werd ze verpleegster in een kinderdorp. Ze overleed in 1991.

Lore Durlacher in 1938

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Carla Simons: ‘Ik wil leven’

De joodse Carla Simons had een relatie met de Italiaanse hoogleraar Romano Guarnieri. Diens steun aan Hitlers bondgenoot Mussolini betekende aanvankelijk haar redding. Maar toen Guarnieri afstand nam van het fascisme en in een Italiaanse cel verdween, trok Adolf Eichmann persoonlijk het net dicht. “Ik heb opdracht gegeven om Simons per omgaande voor tewerkstelling naar het Oosten over te brengen.”
Hieronder enkele fragmenten uit Dagboek 1942 over de Amsterdamse schrijfster (1903-1943), wier leven opvallend veel parallellen vertoont met dat van de zoveel bekendere auteur Etty Hillesum.

Eind 1939 rolde de novelle Ik wil leven van de drukpersen. Achteruit interpreterend kunnen de titel en de eerste zinnen van dit boekje worden gelezen als het afscheid van de auteur, Carla Simons: “Natuurlijk heb ik nooit meer bericht van je gehad. Ik wist het op het ogenblik dat de trein wegreed, en je ineens ver weg was, los al, afgesneden: onbereikbaar. Ik riep nog: schrijf me, en je knikte ja, – ik zag de zwarte krullen om je wit gezicht, ‘maar je lachte er bij, en ik wist, dat de brief nooit zou komen.” Carla – voluit Caroline Josephine Sophie – was Joods en werd op 16 november 1943 met een goederenwagon vanuit Durchgangslager Westerbork naar het vernietigingskamp Auschwitz gedeporteerd.

Optimistisch

Dat de openingswoorden uit Ik wil leven dreigend overkomen heeft te maken met onze naoorlogse kennis. Want hoewel Adolf Hitler al ruim zes jaar Duitsland leidde toen Carla’s vierde en laatste boek op de markt verscheen en de Tweede Wereldoorlog kort tevoren een aanvang had genomen, kon de Amsterdamse schrijfster natuurlijk niet bevroeden wat haar lot zou worden. Ook toen Nederland werd bezet en vervolgens op wrede wijze ontdaan van de Joodse bevolking bleef ze optimistisch. Ze hoopte tot het laatst zonder al te grote schade door de oorlog te komen. Zelfs nadat er al vele tienduizenden Joden uit Nederland waren gedeporteerd bleef ze op haar vertrouwde adres wonen, in de schijnwetenschap dat haar relatie met de Italiaanse hoogleraar Romano Guarnieri voldoende veiligheid bood. De deportatie naar Westerbork werd in het najaar van 1943 bijna onontkoombaar. Desondanks weigerde Carla om onder te duiken. Haar moeder, die er wel voor koos om een schuilplaats te zoeken, schreef eind 1945 in een hartenkreet aan Carla’s vriendin Elsa Götz-Mazzoleni: “O God, waarom is ze toen niet weggegaan, maar heeft vertrouwen gehad in die beulen en bleef maar in haar huis.”

Carla Simons

De slotregels van Ik wil leven refereren aan Pasen en de daaraan gekoppelde komst van de Joodse messias: “Ik ben gestorven en sta weer op; in mij stuwt het heftig als de opgestegen sappen, onverwoestbaar, niet te stuiten: diviene drang naar voortbestaan. Want ik wil leven: elke dag opnieuw word ik herboren – en ik ben onsterfelijk.” Het zijn, opnieuw met terugwerkende kracht, verwachtingsvolle en tegelijk wrange woorden.

(…)

Carla werd, na van huis te zijn gehaald (dat vervolgens werd geplunderd), opgesloten in de Hollandsche Schouwburg, de Amsterdamse verzamelplaats voor te deporteren Joden. Cynisch genoeg had Romano negen jaar eerder als lid van een comité van aanbeveling geholpen deze schouwburg te redden van de ondergang toen de joodse eigenaar zijn financiële verplichtingen niet langer kon nakomen. 

Romano Guarnieri (R. van Gruting)

Vast staat dat Carla op 28 oktober arriveerde in kamp Westerbork. Daar verbleven op dat moment ook nog [haar familieleden] Max en Ellie Kok met hun beide zonen. Of ze elkaar hebben ontmoet is twijfelachtig. Carla werd namelijk onmiddellijk naar de strafbarak gebracht, een met prikkeldraad omgeven gevangenis binnen de gevangenis. Wie hier werd vastgezet moest in de regel ook het laatste restje hoop laten varen. De gedetineerden in deze beruchte barak 67 werden niet alleen strenger bewaakt dan de andere gedetineerden, maar over het algemeen ook sneller afgevoerd naar het vernietigingskamp.

Deportatietrein

Carla’s verblijf in Westerbork duurde nog geen drie weken. Op 16 november 1943 was het haar beurt om in de deportatietrein te stappen. Een andere Joodse kroniekschrijver, wiens aantekeningen eveneens bewaard bleven, noteerde nauwgezet wat zich tijdens het voorafgaande etmaal in en rond strafbarak 67 afspeelde. “De mannen en vrouwen gaan morgen op straftransport naar Polen”, registreerde de voormalige journalist Philip Mechanicus. “Zij mogen aan de vooravond van de reis geen bezoek ontvangen, zij mogen ook niet meer met oogluikende toelating van de bewakende, in lange, blauwe capes gehulde OD’ers aan de voorkant van de slagboom of achter het prikkeldraad met hun familieleden en vrienden praten. Dus laatste afscheid aan de achterkant, tegenover de latrine, tussen twee rijen prikkeldraad met daartussenin niemandsland van drie meter breed. Aan de ene kant de indigo-scharlaken boeven, aan de andere kant de civilisten, met in de modder vastgezogen voeten, op de achtergrond een natte was, in de vallende avond. Geschreeuw van prikkeldraad tot prikkeldraad, dwars door elkaar heen.” Na die uitwisseling van gedachten, wensen en wanhoopskreten gingen de gedoemden een voor een naar binnen om in de verduisterde barak hun schaarse bezittingen te pakken.

Lex van Weren, een gevangene die met Carla in de strafbarak zat en ook samen met haar uit Nederland werd gevoerd, vertelde na de bevrijding onder meer: “Elke maandag, gekke gewoonte, begon je – je kon niet weten – alvast je spulletjes bij elkaar te zoeken. Niemand had de zekerheid dat hij niet op de lijst stond. En dan kwam de barakkencommandant, ook een gevangene – dat was het systeem van de Duitsers, er kwam bij dat soort zaken geen eigen volk aan te pas – en las die lijst voor. Bijna elke week, op dinsdagmorgen, vertrok die trein en de volgende dag was er weer een revue-voorstelling. Dan kwamen de mensen op hun mooist aangekleed kijken en luisteren. Wéér een week dichter bij het einde van de oorlog, dachten we. Je rekende in weken.”

Schurftige slang

In de dinsdagochtendvroegte van 16 november 1943 werden bijna duizend gevangenen verdeeld over 27 wagons. In de overvolle treinstellen zat en lag iedereen op elkaar geperst. De voertuigen gingen op slot en daarna vertrok ‘de schurftige slang’, zoals Mechanicus het typeerde. De inzittenden wisten alleen dat de eindbestemming ergens in Polen lag. Lex van Weren: “Gelukkig niet naar Mauthausen, dacht ik. Want daarvandaan kreeg je uitsluitend doodstijdingen.” Drie dagen en drie nachten was het transport onderweg. Zo nu en dan werd er gestopt, waarna Grüne Polizei de deuren openschoof en zoveel mogelijk resterende kostbaarheden van de gevangenen afpakte; onder meer geld, pennen en horloges. Heel veel was het niet. De rechtmatige eigenaars hadden de meeste spullen al moeten afgeven toen ze Westerbork binnenkwamen. Soms, als er te weinig buit was, werd er geslagen. De trein stond in Dresden als gevolg van bombardementen tien uur lang stil op een emplacement alvorens verder te kunnen. De onzekerheid, kou, honger en dorst in de wagons moeten verscheurend zijn geweest.

Auschwitz-Birkenau

In de ochtend van 19 november stopten de goederenwagons in Birkenau, een paar kilometer van Auschwitz. Een voor een gingen de deuren open. Na een korte stilte klonk er geschreeuw. Geüniformeerde mannen sloegen met stokken en zwepen en riepen dat de gevangenen ‘raus’ moesten. Die zagen vervolgens hekken, prikkeldraad en magere lotgenoten in blauw-wit gestreepte vodden. Leden van dit Joodse Canada-Kommando probeerden nog om wat mensen de ‘goede’ kant op te dirigeren door te fluisteren: “Zeg dat je gezond bent.” Slechts een enkeling schatte de hint op de juiste waarde. De selectie ging razendsnel. Een SS’er wees met zijn gehandschoende hand waar de in rijen opgestelde nieuwkomers heen moesten. 446 gevangenen werden naar rechts gestuurd, naar het kamp. Het was de route naar een getatoeëerd nummer op de arm en bovenmenselijke dwangarbeid. Slechts zestien van de geprivilegieerden, allemaal mannen, zouden uiteindelijk de bevrijding meemaken. Degenen die naar links werden gecommandeerd wachtte een onmiddellijk doodvonnis. Ze werden te oud, te jong of te zwak bevonden en moesten de gereedstaande vrachtwagens in. Hun laatste rit ging naar de gaskamers. Daar stierf Carla, samen met de meeste andere gevangenen van transport 81. Het zou nog jaren duren voor het Rode Kruis officieel vaststelde ‘dat Caroline J.S. Simons voornoemd, op of omstreeks 19-11-43 in of in de omgeving van Auschwitz aan de gevolgen van gasverstikking is overleden’.


Carla Simons in 1939

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





 

 

 

 

 

Kristallnacht in Vlotho, vlucht naar Zaandam. ‘Ze gedroegen zich als wilden’

In mijn boek Eisendrath, een verzonken familie komen ook de lotgevallen van de Duits-joodse familie Juchenheim aan bod. Na de Kristallnacht vluchtte een aantal gezinsleden naar Nederland. Hier het hoofdstuk over die angstige periode in 1938.

Nog geen jaar na de uitreis van Emma, zijn moeder, wordt voor Paul Juchenheim de situatie onhoudbaar. Hoewel getrouwd met de evangelisch ingestelde Frieda – een keuze die het merendeel van zijn familie moeilijk kan accepteren; Israëlieten huwen geen christenen, daarover zijn ze het wèl eens met de nazi’s –, blijft het joodse stigma hem aankleven. Dat zijn dorpsgenoten hem zien als een moeilijk man, iemand met gedragsstoornissen, maakt de situatie niet overzichtelijker. ‘Zappel-Paul’ honen ze al jaren. De smiespelaars verwijzen daarmee naar de hyperactieve, klunzige hoofdrolspeler uit het oude kinderboek Struwwelpeter. Pauls drukte en onhandigheid zijn legendarisch, al sinds de lagere school. Het joodse internaat in het verre Wolfenbüttel noch een joods particulier lesinstituut op het Duitse Waddeneiland Norderney hebben daaraan iets kunnen veranderen. Een aansluitende studie die hem moest voorbereiden op een toekomst als koopman was mede daardoor een recept voor mislukking. Gelukkig kon en kan hij zijn talenten kwijt in de culturele wereld, al enkele decennia trouwens. Daar waardeerden ze zelfs tot op zekere hoogte zijn excentriciteit.

Huisdoorzoeking

De bakens zijn echter verzet. Pauls baan in de filmindustrie maakt hem verdacht. De huidige leiders hebben weinig op met onafhankelijke creativiteit, en al helemaal niet als daarbij joden gemoeid zijn. Wanneer Paul in 1936 voor werkzaamheden in Nederland verblijft, doorzoekt de politie zijn huis. Onduidelijk is waarom de keuze valt op de woning aan de Herforder Strasse, al wordt er later wel gefluisterd over een vondst van ‘belastende brieven’. Het maakt ook niet uit. De tijd dat er juridische aanleidingen nodig waren om een huis overhoop te halen, ligt ver terug. Het feit dat hier een jood woont is voldoende.

Paul krijgt lucht van de huiszoeking. Hij redeneert dat een terugkeer naar Vlotho gelijkstaat aan een enkele reis naar de gevangenis of het kamp en besluit in Nederland te blijven tot de lucht is schoongewaaid. Bernard en Selma Eisendrath geven hem in hun Zaandamse woning een kamer en voedsel, voor zolang als nodig is. In tergende spanning en afgesloten van betrouwbare berichtgeving wacht Paul de ontwikkelingen af. Wekenlang.

Selma Eisendrath, Lore Juchenheim, Emma Juchenheim en Bernard Eisendrath in Zaandam. Eind jaren ’30. (E. Mulder)

Gijzeling

De situatie lijkt te escaleren, gebeten als de politie is op het arresteren van de in het buitenland verblijvende rassenvijand. Om hem te dwingen zich aan te geven, nemen Duitse agenten Frieda in gijzeling. Ze verdwijnt in Bielefeld achter de tralies, ver buiten bereik van haar geliefden. Het pressiemiddel werkt niet. Paul blijft in Zaandam. Pas na drie maanden krijgt Frieda haar vrijheid terug. De voortdurende pesterijen met als doel om zoveel mogelijk jehoedem de grens over te drijven, hebben nu ook haar aangetast. Ze stopt de schamele bezittingen die de overheid genadig toestaat in een koffer en verlaat Duitsland. Aangekomen in de Zaandamse Bootenmakersstraat kan ze haar echtgenoot weer omarmen.

Heel lang blijven Paul en Frieda niet bij hun familie. Gesteund door het Comité voor Joodsche Vluchtelingen vinden ze een kamer in Amsterdam. Het is de eerste van een serie – meestal kunnen ze slechts een paar weken of maanden blijven, alvorens weg te moeten –, die uitgebaat worden door huiseigenaars met namen als Lösing en Rosenthal. Op het Merwedeplein, waar beide ballingen het langst hun spullen uitstallen, kunnen ze in hun geboortetaal van gedachten wisselen met het enkele portieken verderop wonende echtpaar Frank en hun twee dochters, net als zij vluchtelingen. Duitsland is nooit uit de buurt, het jodendom evenmin.

Vluchtelingencomité

Eigenlijk willen ze verder trekken, andere grenzen over. Zo ver mogelijk van die hysterische tiran in Berlijn. Weg van de politici die hun bierkelders hebben verruild voor het regeringspluche en daar hun gebral omzetten in wetsartikelen. De nazi’s knagen aan het buitenland, streven naar meer Lebensraum. Wie zegt dat Nederland een veilige haven blijft? De Juchenheim-probeersels zijn vergeefs, maakt een briefje van het vluchtelingencomité aan de Vreemdelingendienst duidelijk: ‘Deze familie kan niet emigreren, omdat de man ziek is.’ Terwijl zijn zwager en diens echtgenote hun ontsnappingskansen beproeven, zoekt ook Bernard contact met het Comité voor Joodsche Vluchtelingen. De enige Juchenheims die nog in Vlotho zijn achtergebleven, Alwin, Paula en hun twee kinderen, verkeren in acuut levensgevaar.

Lore, Alwin, Hans en Paula Juchenheim (Joods Museum Dorsten)

Kristallnacht

Op 9 en 10 november 1938 golft er een nazistische furie door de Duitse straten. De laarzen nemen het land over. Het is tijd dat de joden ‘de razernij van het volk’ voelen, schrijft instigator Joseph Goebbels in zijn dagboek. Twee dagen eerder heeft een Hannover jood zijn revolver gebruikt om een Duitse diplomaat te doden en daarmee ontsteekt hij de lont in het kruitvat. Het moment voor een massale pogrom is daar. Duizenden synagogen, joodse winkels en huizen worden op bevel van Goebbels en Hitler belaagd en vernield in wat moet doorgaan voor een spontane opstand.

In de vroege ochtend van de tweede dag vol aangejaagde razernij lopen vier SS’ers en SA’ers gewapend met bijlen en voorhamers van het raadhuis naar de sjoel van Vlotho. Ze openen de houten voordeur en beginnen met hun gereedschap om zich heen te slaan. Kerkbanken, heilige relikwieën, de kostbare kroonluchter en de kasten; alles van waarde versplintert onder het uitzinnige geweld. Uit het door een bijl geteisterde harmonium komen bij elke slag valse tonen, net zolang tot het instrument definitief zwijgt. ‘Ik zag hoe de uitvoerend ambtenaar Wilhelm Krumme, die sowieso altijd gekte in zijn hoofd had, zichzelf een gebedsmantel had omgehangen en daarmee in de synagoge ronddanste’, verklaart een toevallige passant later. ‘Ze gedroegen zich allemaal als wilden, als dwazen.’ Wanneer het kwartet hun vernielzucht heeft bevredigd, krijgen Alwin Juchenheim en de andere joodse mannen uit het dorp bevel om de houten restanten naar buiten te tillen. Ze moeten de overblijfselen naar een eilandje in de Weser dragen. Even later laait daar een groot vuur op.

‘Wegwezen’

De enige als zodanig herkenbare joodse winkel in het dorp wordt die dag eveneens gemolesteerd. De kostbare kledingvoorraad van de confectiezaak belandt ordeloos op het kerkplein, alle verkoopsters worden door grofgebekte SA’ers naar buiten gecommandeerd: ‘Wegwezen, wat willen jullie hier nog!’ Ook de woning van de Juchenheims ontsnapt niet aan het barbarisme. De eigenaars hebben met hun rijkdom lang genoeg de ogen uitgestoken van hun buren, meent de revolutionaire horde. De middag wordt benut om alle ramen, de deuren, trap en badkamer aan diggelen te slaan, een lot dat overigens nog elf huizen beschoren is.

Een van die vermeende jaloerse buren is Ursula, een meer dan goede vriendin van Lore Juchenheim. Terwijl de verwoestingen voortduren, holt Ursula naar het station. De trein komt eraan. Lore is die ochtend, zoals elke werkdag, naar het joodse meisjesgymnasium in Bad Oeynhausen vertrokken. Onder haar zwarte, golvende kapsel schuilt een helder verstand en leergierig als ze is, heeft ze het al geschopt tot de vierde klas. Er is overigens ook wat doorzettingsvermogen van haar ouders nodig geweest om haar zover te krijgen. De directeur had zijn leerlinge eerder dit jaar van school willen verwijderen. Pas toen Paula hem Alwins toegekende Erekruis voor Frontstrijders toonde, en daarmee diens tijdens de oorlog bewezen vaderlandsliefde en opofferingsgezindheid, ging de directeur overstag. Hoewel ze joods was, mocht Paula’s dochter blijven.

Lore Juchenheim

Kapotgeslagen

’s Middags keert Lore terug van school, om zoals altijd even voor half drie in Vlotho uit de trein te stappen. Ursula neemt Lore gehaast mee naar haar eigen, veilige huis, uit het zicht van het geteisem dat de omgeving afstroopt. Ontdaan vertelt ze daar wat er aan de andere kant van de schutting heeft plaatsgevonden. ‘De staande klok werd omver geworpen. Kristal dat op het buffet stond werd kapotgeslagen, de piano beschadigd. De toetsen stonden allemaal rechtop! Het zilver werd uit de lades gegrist en over de grond gestrooid. De grote hal van het huis lag vol met servies, dat voor een deel stukgeslagen was, en met bestek.’

Paula en haar tienjarige zoon Hans proberen te ontsnappen. Ze vluchten naar de rivier, maar worden onderweg mishandeld door een dolle SA’er. Wel ontkomen ze aan arrestatie. De politie heeft de opdracht om zoveel mogelijk joden op te pakken, maar bij voorkeur alleen welvarende en jonge mannen. Die kunnen worden afgetuigd en vernederd alvorens naar het concentratiekamp te worden getransporteerd, zo luiden de orders. Wat nog over is van de rechtsstaat wordt gesmoord in geweld. Tussen de 26.000 nieuwe arrestanten die Dachau, Buchenwald en Sachsenhausen bevolken, bevindt zich ook Alwin. Hij is in nazistische ogen een logische kandidaat voor arrestatie, als rijke zakenman met maar liefst twee auto’s. Parasitair Freiwild als hij kan wel een lesje gebruiken. En dus duwen ze hem samen met talloze anderen in een gereedstaande trein die het kamp als bestemming heeft.

Hans Juchenheim

Buchenwald

Het is een slopende reis in een te volle wagon, maar een oase vergeleken met wat hen bij aankomst wacht. Ter verwelkoming schoppen en slaan de bewakers van Buchenwald – de eindbestemming – de onder dwang voorbij rennende gedetineerden. De ‘novemberjoden’ vormen een dankbaar mikpunt voor de geüniformeerden, wier voornaamste doel het lijkt om hun slachtoffers geestelijk en lichamelijk te kwellen waar dat mogelijk is. In het kamp sommeren SS’ers Alwin om alles van waarde dat hij meedraagt in een krat te gooien. Hij ziet zijn bezit nooit meer terug. De registratie van de nieuwe lichting ontaardt in een urenlange marteling. Sommigen bekopen het met gebroken botten en bebloede hoofden. In de navolgende dagen en weken gaan eindeloze uren voorbij met verplichte oefeningen en strafexercities op de appèlplaats. Bij daglicht mishandelen sadisten er de ‘joodse varkens’, – de reguliere aanspreekvorm –, ’s nachts gebeurt dat in de volgestouwde, onverwarmde slaapbarakken. Daar bivakkeren duizenden tegen elkaar gevouwen gevangenen op hun britsen, zonder dekens of matrassen. Alwin heeft het gevoel op stenen te liggen. Hij kan niet draaien zonder anderen wakker te maken, ingeklemd als hij is tussen lotgenoten.

Het lijden wordt nog verergerd door het gebrek aan eten en drinken, het vuil, de doordringende kou, niet-aflatende stank en ziekte. Het is de mannen onmogelijk om zich te wassen. Al gauw kampt de meerderheid met diarree en ontstekingen. Sommigen ontwikkelen bevroren vingers en tenen. Zieken krijgen een plek op de vloer van een wrakke schuur met de bijnaam ‘barak des doods’. Het is ‘een bouwval, die stonk naar uitwerpselen, urine en pus’, aldus een gedetineerde verpleeghulp. Alwin is er getuige van hoe medegevangenen in hun radeloosheid tegen de onder hoogspanning gezette omheining lopen of er voor kiezen om zich te laten neerschieten in de verboden zone die het binnenkamp omringt.

Dakloos

Het duurt enige dagen voor althans een deel van de rampspoed doordringt tot Zaandam. Bernard grijpt onmiddellijk zijn vulpen en vraagt zowel het ministerie van Justitie als het Comité voor Joodsche Vluchtelingen al het mogelijke te doen om ‘Paula Juchenheim-Katzenberg, met Lore, 12 jaar, en Hans, 10 jaar, joden’ naar Nederland te halen. ‘Beleefd roep ik uw welwillende medewerking in om hen, eventueel de 2 kinderen, de grens te laten passeren zodra hun het vertrek uit Duitsland is toegestaan.’ Hoe groot de paniek is, blijkt uit een haastig geschreven briefje dat Selma ontvangt. ‘Je moet beslist, dringend en in allerijl Paula en de kinderen helpen. Alwin is weg. Door borgtocht of emigratiepapieren komt hij vrij. Paula en de kinderen zijn dakloos.’ Met een verwijzing naar deze familiaire noodkreet doet Bernard een nieuw beroep op het joodse vluchtelingencomité om zijn ontheemde familieleden toe te laten. In zijn achterhoofd speelt de knagende wetenschap dat de regering de grenzen bij voorkeur potdicht houdt. ‘Zoals ik u reeds berichtte zijn wij bereid hen te ontvangen. Of zij tot de uitverkorenen zullen behoren die hier in Holland mogen komen, is natuurlijk nog niet te bezien’, schrijft hij gedienstig. Er schemert twijfel tussen zijn met krullende letters gevulde zinnen. ‘Wat “borgstelling” of “Auswanderungspapieren” betreft, dat ligt natuurlijk buiten mijn competentie, daar ik niet weet hoe die te stellen of te verkrijgen. Mag ik deze zaak in uw bijzondere aandacht aanbevelen?’ Als weekmaker – of is het een voorzichtige omkooppoging? – stort hij ‘ter eerste bestrijding van eventuele onkosten’ vijfentwintig gulden op de comitérekening, ‘naast de reeds gestorte bedragen’. Nu is het wederom wachten op een gunstige beschikking.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Het begin van het Englandspiel

In mijn boek De levens van Johnny de Droog besteed ik aandacht aan het begin van het Englandspiel, dat tientallen Nederlandse geheim agenten het leven kostte. Hieronder het hoofdstuk over de eerste agenten die in de Duitse val liepen. Het boek over verzetsstrijder en V-Mann De Droog is overigens verkrijgbaar via iedere boekhandel.

In de nacht van 6 op 7 november 1941 zond de Dutch Section van de Britse sabotagedienst Special Operations Executive twee geheim agenten naar bezet Nederland. Nadat ze ongezien met hun parachutes op een boerenkoolveld bij Ommen landden, maakten Thijs Taconis en zijn marconist Huub Lauwers zich op om hun gewaagde missie uit te voeren. Taconis had als opdracht om verspreid over Nederland sabotagegroepen te formeren die vanuit Groot-Brittannië zouden worden gevoed met vuurwapens en explosieven. Lauwers moest een inlichtingeneenheid opzetten en zorgen voor het zendcontact met Londen.

Het duo was gedropt met flink wat bagage. De SOE had hen – naast slecht vervalste persoonsbewijzen en identieke kleding, waardoor ze er clownesk uitzagen – voorzien van pistolen, twaalfduizend gulden, noodrantsoenen, gereedschap, een fiets en een kristalzender. Taconis, een atletisch gebouwde, gebruinde eind-twintiger, en de kleinere en iets jongere Lauwers wisten na een moeizame zwerftocht onderdak te vinden bij kennissen in Den Haag. Het was een noodoplossing, bij gebrek aan andere schuiladressen. Taconis kon er maar kort blijven. Te veel mensen uit de hofstad kenden hem. Verraad lag op de loer. Met een hoed over de ogen liep hij schichtig rond, hopend op het beste. Er diende daarom elders in het land veiliger huisvesting te komen. Dat lukte via Jaap van Dijk, een verkoopleider bij Unilever in Arnhem. Hij wist een geschikt onderkomen: het Oosterbeekse pension Glück Auf. Om argwaan te voorkomen gingen de twee agenten daar door voor gewone gasten van het echtpaar Van Lingen, de eigenaars.

Wapens en sabotagemateriaal

Lauwers trachtte in Glück Auf zijn zender aan de praat te krijgen. Maar wat hij ook probeerde: de apparatuur miste het vermogen om de overkant van de Noordzee te halen. Hopend dat het versturen van berichten wel zou lukken wanneer hij zich dichter bij Engeland bevond reisde Lauwers half december terug naar Den Haag. Reservekapitein/dierenarts Christiaan van den Berg – dezelfde die eerder namens de Ordedienst via via wapens en munitie had geleverd aan de Arnhemse verzetsgroep De Slapende Leeuw – bracht hem daar in contact met reserveluitenant Walter Teller. In diens flatwoning aan de Fahrenheitstraat kon Huub Lauwers op 3 januari 1942 eindelijk een bericht naar Londen zenden. Bovendien toonden Van den Berg en Teller zich bereid om samen met hem een inlichtingendienst op te zetten. Ook Thijs Taconis had succes. Hij was er vanuit het Oosterbeekse ‘hoofdkwartier’ in geslaagd om verspreid over Nederland contacten te leggen die als basis konden dienen bij het vormen van sabotagegroepen. De uitholling van het Duitse gezag begon dus eindelijk te draaien conform de meegekregen opdrachten.

In februari berichtte de SOE het duo dat er een eerste zending wapens en sabotagemateriaal op komst was. Nogal prematuur, meende Lauwers. Strijdende verzetseenheden waren vooralsnog een zeldzaamheid en een dropping zou alleen maar tot extra risico’s leiden. ‘Op een tijdstip waarin ten gevolge der Duitse en Japanse successen op alle fronten (Rusland, Afrika, Singapore, Ned. Oost-Indië) meer dan ooit rekening moest worden gehouden met verraad, niet alleen van NSB-zijde, maar ook door diegenen die niet langer vertrouwen hadden in een geallieerde overwinning, werd de luitenant Taconis gedwongen, teneinde deze opdracht te kunnen uitvoeren, in contact te treden met verschillende reeds bestaande en mogelijkerwijze door de Gestapo gepenetreerde verzetsorganisaties’, analyseerde Lauwers een jaar na de bevrijding. Zijn chef Taconis had eveneens bedenkingen, maar vond een weigering van dit vroege cadeau geen optie. Hij oordeelde dat ze in Londen wel zouden weten waarmee ze bezig waren. Lauwers riep daarop Christiaan van den Berg te hulp. Er was een geschikt afwerpterrein nodig en het lukte de agent niet om dat zelf te vinden. Een oud-collega hielp de reservekapitein aan een bruikbare plek, de heide bij het Drentse Hooghalen. Alleen een vrachtwagen om de afgeworpen containers te vervoeren ontbrak. Ook daarop wist Van den Berg raad. Zijn nieuwe medewerker George Ridderhof wilde er zorg voor dragen.

Samenzweerders en saboteurs

Glück Auf was langzaamaan veranderd in een verzamelplaats voor samenzweerders en saboteurs. Onder hen bevond zich ook een Arnhemse fietsenmaker. De SD’er Willem Joseph Hohmann vertelde in augustus 1945, zonder nadere specificatie, dat De Droog ‘het vuile werk voor hen [Taconis en Lauwers] opknapte’. Huub Lauwers zei daarover enkele maanden later dat hij ‘door bemiddeling van Van Dijk in verbinding [stond] met zekere Johnny, die hem bij vervoer wapens behulpzaam zou zijn’.

Waar Johnny de Droog zich op dat moment nog inzette voor koningin en vaderland speelde George Ridderhof al een dubbelrol. De Amsterdamse koopman was het voorgaande jaar als gevolg van zwarthandel in de gevangenis beland. Daar vertelde een aangehouden Februaristaker hem dat er regelmatig een geallieerde duikboot pendelde tussen Engeland en Zeeland. Om een wit voetje te halen verklapte Ridderhof dat spectaculaire verhaal aan de Duitsers. Het werkte, hij mocht het huis van bewaring verlaten. Aan de vrijlating was wel een voorwaarde verbonden: hij moest doordringen in de geschetste organisatie. Dat was een onmogelijke eis. De pendeldienst bleek namelijk niet te bestaan. Wel lukte het Ridderhof om in Zeeland het vertrouwen te winnen van een illegaal opererende marinier. Die verwees hem naar Christiaan van den Berg. Deze Hagenaar was zo ingenomen met zijn nieuwe kennis, een gemoedelijke man die net als hij wel van een glaasje en een praatje hield, dat hij hem uitgebreid informeerde over zijn ondergrondse activiteiten en contacten.

Johnny de Droog

George Ridderhof

Toen een Brits vliegtuig in de nacht van 27 op 28 februari 1942 twee containers met wapens en springstoffen boven Hooghalen dropte, assisteerde de nieuwbakken V-Mann George Ridderhof de nog altijd onwetende Van den Berg met het binnenhalen van de buit. Hermann Joseph Giskes, het hoofd van de contraspionagedienst Abwehr III, leende hem daartoe een vrachtwagen en chauffeur. Een volle container – de tweede bleek onvindbaar – werd in de laadbak getild en verhuisde zo van Drenthe naar de Van Pallandtstraat 65 in Arnhem, waar Ridderhof sinds oktober woonde. Het kapitale herenhuis had een overvloed aan ruimte om de SOE-donatie te verbergen. De andere ondergrondse werkers in het complot vertrouwden de voorraad met graagte toe aan de behulpzame nieuweling binnen hun gelederen. Wat ze er zo vroeg in de oorlog mee moesten doen wisten ze nog niet, maar dat was van later zorg. Ridderhof: ‘Daar Van den Berg gedurende de hierop volgende veertien dagen geen nadere opdracht gaf hoe met de wapens te handelen heeft Giskes een overval in mijn woning laten doen, waarbij de wapens in beslag genomen zijn.’ De spionagechef beval Ridderhof om te vertrekken naar een hotel in het Belgische Namen en daar nadere instructies af te wachten. Hij moest uit het zicht blijven van kapitein Van den Berg. Pas nadat diens netwerk was ontmanteld mocht Giskes’ informant zich weer in Nederland vertonen.

Het huis van Ridderhof bevond zich hemelsbreed nog geen kilometer van De Droogs fietsenstalling, die andere – inmiddels eveneens ontmantelde – wapenbewaarplaats. De beide vertrouwensmannen zullen zich de ironie van de situatie nooit hebben gerealiseerd. Er was meer toeval. Op amper vijfhonderd meter van Ridderhofs woning leefde Jaap van Dijk, aan de Heemstralaan 9. Taconis fietste regelmatig van Glück Auf naar zijn sabotage-instructeur Van Dijk, de man die hem enkele maanden eerder in contact bracht met Johnny de Droog. Zo cirkelde de boven- en onderwereld in Arnhem gedurende de winter van 1941/’42 om elkaar, met als verbindende factor het eveneens op een steenworp afstand gelegen hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst.

Vanuit dit SD-zenuwcentrum en andere nazistische bolwerken werden plannen gesmeed om het net dicht te trekken. George Ridderhof voedde Hermann Giskes met de informatie die de loslippige Christiaan van den Berg hem enthousiast serveerde. Ridderhof vertelde zijn baas onder meer over twee uit Engeland overgekomen geheim agenten die sabotagegroepen opzetten. Toen de Oberstleutnant op 4 maart ook nog via de Funkbeobachtungsstelle – de Duitse peildienst die illegale zendapparatuur opspoorde – vernam dat één van de door Ridderhof genoemde agenten vanuit een flat aan de Haagse Fahrenheitstraat berichten naar Londen zond achtte hij het tijd om in te grijpen.

Overvalwagens

In de vroege avond van 6 maart, een vrijdag vol ijs en sneeuw, waagden zich amper mensen buiten. Het viel dan ook weinigen op dat om de hoek van de Fahrenheitstraat overvalwagens de stilte verbraken. Huub Lauwers had er al helemaal geen aandacht voor. Gekleed in een winterjas en met een plaid over zijn knieën probeerde hij vanuit de koude logeerkamer van de familie Teller contact te maken met Londen. Het zoeken naar de juiste golflengte vergde zijn opperste concentratie. Hij schrok op toen Walter Teller plotseling het kamertje binnenstapte. Er stonden even verderop Duitse auto’s, zei hij. Hoewel Lauwers het op toeval hield zette hij zijn zender uit. Hij keek door een kier in de gordijnen naar beneden, maar zag niets verdachts. Om zekerheid te verkrijgen besloot hij samen met Teller buiten een rondje te maken en de risico’s te schatten. Even later liepen er twee dik ingepakte, ogenschijnlijk in een geanimeerd gesprek verwikkelde mannen door de buurt. Alleen scherpe observanten konden hun spiedende ogen zien, zoekend naar mogelijk onraad. Slechts tien minuten duurde het uitstapje. Toen sprongen er SD’ers met getrokken pistolen uit langsrijdende auto’s. Ze glibberden over de deels bevroren straat en dwongen de verdachten tegen een muur. Vrijwel tezelfdertijd stormden andere SD’ers Fahrenheitstraat 678 binnen. Tellers echtgenote slaagde er nog net in om Lauwers’ zender over het balkon te gooien. Ongelukkigerwijs belandde het apparaat op de waslijnen van de onderburen. Een Duitser kon het kostbare bezit onbeschadigd uit de touwen plukken. Even later werden de zender, in het huis aangetroffen belastende documenten en de twee gevangenen afgevoerd naar het Binnenhof. Daar verheugde de Duitse contraspionagedienst zich al op een confrontatie.

Huub Lauwers

Nog hetzelfde etmaal vernam Taconis dat zijn marconist was opgepakt. De verzetskennis die hem op de hoogte bracht gaf het dringende advies om een andere onderduikplek te zoeken. Huub Lauwers: ‘Waarschijnlijk om dit te kunnen voorkomen had provocateur Johnny de Droog laten weten dat hij gearresteerd was en zich in de politiegevangenis te Nunspeet [Lauwers bedoelde Putten] bevond. Hij verzocht hem zo mogelijk maatregelen voor bevrijding te treffen. Taconis besloot daarom voorlopig naar Van Dijk in Arnhem te gaan, om daar actie [tot] bevrijding te ondernemen en tevens om na inwinnen van voldoende inlichtingen ook mij te bevrijden.’

‘Agent 1’

Terwijl Taconis piekerde hoe hij zowel De Droog als Lauwers kon loskrijgen was de Gestapo fanatiek naar hem op zoek. Lauwers zweeg vooralsnog over zijn collega, die de Duitsers alleen kenden als ‘agent 1’. Ze wisten dankzij De Droog wel dat die zich in de buurt van Arnhem ophield en meenden dat hij ‘van het Indische type’ was. Intensief observatiewerk had hen de voorgaande weken duidelijk gemaakt dat Christiaan van den Berg in contact stond met iemand die aan het signalement leek te voldoen. Daardoor konden ze deze man binnen een paar uur aanhouden. De meegevoerde en vervolgens mishandelde ‘halfbloed’ bleek evenwel niet de gezochte geheim agent te zijn. Arrestant Johan van Hattem gaf weliswaar leiding aan een inlichtingendienst, maar wist niets te vertellen over Lauwers en Taconis.

Thijs Taconis

In 1949 gaf Joseph Schreieder, een met Hermann Giskes samenwerkende Kriminaldirektor van de contraspionagedienst, zijn versie van deze roerige dagen. ‘Ik reed weer terug naar het Binnenhof. Hoe kreeg ik nu de sabotageagent te pakken? Ik telefoneerde na mijn terugkomst dadelijk met Giskes, die even teleurgesteld was als ik. Hij had geen enkele verbinding meer. Door de arrestaties waren zij verbroken.’ De hoop om Taconis alsnog te vinden werd nu gericht op hun jongste vertrouwensman. ‘Jonny Droog [sic] had contact met een agent, die volgens zijn rapport van Indisch type was, tezamen met een tweede agent met behulp van een parachute naar beneden gesprongen was en sabotagegroepen organiseerde. Jonny moest voor die organisatie jonge mensen zoeken. (…) Jonny Droog had zijn laatste ontmoeting met deze agent op 2 maart gehad.’

Poos en Slagter

Op maandagochtend 9 maart – daags nadat De Droog vanuit Putten Thijs Taconis en Jaap van Dijk offerde om zijn eigen leven te redden – kregen twee collaborerende Haagse rechercheurs opdracht om naar Arnhem te reizen. Leo Poos en Marten Slagter hadden inmiddels de nodige ervaring met het neutraliseren van antipoden. Zij waren dan ook de aangewezen personen om Taconis op te pakken. Volgens Antonie Berends stak de door De Droog voorgedragen tussenpersoon Josephus Bouchette hen de helpende hand toe door Heemstralaan 9 aan te wijzen als het adres waar de gezochte persoon moest huizen: ‘Des morgens werd de omgeving door de SD-Arnhem afgezet en op het sein van “de Pastoor” werd de woning binnengedrongen.’

Probleemloos verliep de aanhouding niet. Nadat Poos en Slagter door mevrouw Van Dijk waren binnengelaten, troffen ze in een achterkamer een lange jongeman aan. Ze vroegen of hij Timmer heette. Taconis, die onder deze schuilnaam opereerde, ontkende. Hij stelde voor om zijn persoonsbewijs te tonen, bewoog zijn hand richting zijn binnenzak en trok razendsnel een pistool. Hij richtte en haalde de trekker over. Er klonk alleen een droge klik. Het wapen ketste. De rechercheurs wierpen zich op Taconis en overmeesterden hem. Omstanders konden zien en horen hoe een tierende, geboeide gevangene uit de flat werd gehaald en in een SD-auto verdween. Op het kantoor van Unilever, zijn werkgever, kreeg Jaap van Dijk een soortgelijke behandeling. Beide arrestanten wachtte een transport naar het Binnenhof, Schreieders werkplek. De bal ging nu echt rollen. In de navolgende dagen en weken vielen er meer verzetsmensen uit het netwerk van Taconis en Lauwers in Duitse handen.

Codedocumenten

Glück Auf onderging een grondige doorzoeking. De stroken behang werden van de muren gescheurd, alle tegels losgewrikt, de vloeren opengebroken. Het resultaat was nihil. De codedocumenten die Huub Lauwers tussen het oud papier had geplakt bleven onzichtbaar voor de hongerige speurders. De beide pensionbeheerders moesten evengoed mee naar het SD-kwartier in Arnhem. ‘Ze komen gauw terug’, kregen hun jonge dochters ter geruststelling te horen. Dat bleek een rekbare interpretatie. Pas na een paar weken mocht Wilhelmina van Lingen weer naar haar inmiddels dichtgetimmerde huis. Echtgenoot Jan maakte tot april 1944 een helletocht langs gevangenissen en concentratiekampen.

Christiaan van den Berg bleef vooralsnog ongemoeid. De SD redeneerde dat hij nog van pas kon komen bij het verder ontmantelen van de illegaliteit. Toen medio juni duidelijk was dat er via hem geen nieuwe baten te verwachten waren werd ook hij ingerekend. Zijn verraderlijke vertrouweling George Ridderhof kon daarna vanuit België terugkeren naar zijn thuisland: ‘Ik hoorde toen dat Van den Berg gearresteerd was en dat er geen gevaar meer was om ontdekt te worden.’

Om het Duitse toneelspel te vervolmaken werd De Droog vrijwel tezelfdertijd als Taconis en Lauwers op het Binnenhof afgeleverd. De illusie dat hij nog altijd lijnrecht tegenover de bezetter stond moest gehandhaafd blijven. Voor de vorm onderging ook hij een kort verhoor. Na deze pro-formabehandeling mocht De Droog terug naar zijn cel. Daar viel hem een relatief comfortabele behandeling ten deel. Het was, wist de overloper, een kwestie van dagen, hoogstens weken voor hij weer buiten stond.

Verzinsels

Met name Huub Lauwers, een van Schreieders hoofdprijzen, kwam niet zo makkelijk weg. Aan het verhoor dat de marconist meteen na zijn arrestatie moest ondergaan leek geen eind te komen. Om tijd te winnen en Taconis de kans te geven een ander onderduikadres te vinden diste Lauwers complete verzinsels op en liet hij elke in het Duits gestelde vraag vertalen. Toen hij na drie hallucinante dagen en nachten zonder slaap bij toeval Taconis en Van Dijk onder zware bewaking op de gang voorbij zag lopen, besefte hij dat al zijn inspanningen nutteloos waren geweest.

Zijn metgezel pakte het anders aan. Vastberaden om zijn huid zo duur mogelijk te verkopen zweeg hij vooral. Hij koos zelfs voor de tegenaanval. Nadat zijn ondervrager zichzelf bier had ingeschonken en even niet oplette, deed Taconis een greep naar de fles en sloeg er de hals af. Hij haalde wild uit naar zijn vijand. Het was een kansloos gevecht. Bewakers overmeesterden Taconis en sloegen hem terug in zijn stoel. Vanaf dat moment had hij als bijnaam ‘der Tiger’.

Joseph Schreieder voor het Bijzonder Gerechtshof, 1949

‘CAUGHT’

Dat de Duitsers uiteindelijk toch ten volle profijt kregen van hun gevangenen kwam op het conto van Hermann Giskes. Met veel psychologisch inzicht en de belofte om enkele indirect betrokkenen met rust of zelfs vrij te laten wist hij Lauwers zover te krijgen dat die het zenden met Engeland hervatte. Lauwers dacht de Oberleutnant te kunnen misleiden door zijn berichten te doorspekken met fouten. Hij wist zelfs het woord ‘CAUGHT’ in een boodschap te verwerken, ten teken dat hij gevangen zat. Zijn opzet mislukte. Londen herkende zijn heimelijke boodschappen niet of deed alsof, om de tegenpartij in verwarring te brengen. Dat betekende het begin van een seinwisseling die de geschiedenis zou ingaan als het Englandspiel. In de navolgende twee jaar belandden hierdoor bijna zestig geheim agenten in Duitse gevangenissen. Ze vonden in september 1944 vrijwel allemaal een gruwelijke dood in de steengroeve van Mauthausen. Hermann Giskes had zijn belofte aan Lauwers om diens collega’s in leven te laten niet kunnen waarmaken. Zonder het weten droeg Johnny de Droog een steentje bij aan de start van dit lugubere seinspel tussen twee grootmachten.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





De spionerende minister, de vigerende staatssecretaris en de bankierende verzetsleider

De vorige staatssecretaris van Defensie (en huidige minister van Infrastructuur en Waterstaat), Barbara Visser, woont in wat vroeger de achtertuin was van ‘bankier van het verzet’ Walraven van Hall. Een van haar partijgenoten was een halve eeuw daarvoor minister van Defensie. Deze Hans de Koster trok in de oorlog op met… Walraven van Hall.

Henri Johan (‘Hans’) de Koster (1914-1992) leidde vanaf augustus 1940 de ondergrondse ‘Groep Peggy’. Die hield zich bezig met militaire spionage. De Leidenaar hengelde rapporten binnen bij hoge ambtenaren, op basis waarvan de Nederlandse regering in ballingschap voorbereidingen kon treffen voor de naoorlogse opbouw van het land. Zijn naar Engeland overgeseinde boodschappen werden zo goed ontvangen dat De Koster zelfs een eigen agent kreeg toegestuurd, Robert de Brauw.

Hans de Koster als minister

De Brauw (alias ‘Pijpekop’) landde in de nacht van 7 op 8 augustus 1944 per parachute in Nederland. Hij meldde zich onmiddellijk bij zijn oude kennis De Koster. De geheim agent had een belangrijke boodschap bij zich: een machtiging van de Nederlandse regering voor het vaderlandse verzet om twintig miljoen gulden in te zetten ten behoeve van onder meer onderduikers. Na de machtiging te hebben overhandigd aan Jaap le Poole, de leider van spionagegroep ‘Dienst Wim’, legde die de afdruk van de microfiche voor aan Walraven van Hall. De regeringstoezegging hoorde namelijk toe aan de leider van het Nationaal Steunfonds (NSF), meende Le Poole. De overdracht vond net op tijd plaats. Het NSF had al tien miljoen besteed en de behoefte aan extra financiën was immens. Dankzij de machtiging had het steunfonds niet alleen de beschikking over een formele instemming met de activiteiten en uitgaven uit het verleden en voor de toekomst, maar ook een aanbeveling waarmee het een stuk makkelijker werd om extra gelden te verwerven.

Robert de Brauw

Heel lang kon Rob de Brauw zijn ondergrondse werk niet verrichten. Nadat zijn zender was uitgepeild, op 14 oktober 1944, belandde hij in gevangenschap. Vanaf dat moment was ook Hans de Koster vogelvrij. Hij sloeg op de vlucht. Trekkend van adres naar adres probeerde hij de Duitsers voor te blijven. Uitgeput meldde hij zich bij Van Hall, die hij kende onder diens schuilnaam Van Tuyl. Van Hall hielp hem door deze turbulente periode. Medio 1945 legde De Koster zijn herinneringen aan die tijd vast.

Van Tuyl

“Een gesprek met Van Tuyl was altijd iets bijzonders. Een man die grote gaven paarde aan grote charme; een warme belangstelling voor iedereen persoonlijk. Hij zei: ‘Jij moet eens even op een heel rustige plaats zitten bij goede mensen. Ik ken je als de kalmte zelve en die indruk geef je me nu niet. Waar kan ik je het adres opgeven waar je naar toe kunt? Het is in de Zaan. Kom morgen op de Leidsegracht.’ [Dat was Van Halls illegale werkadres.] Voor diezelfde nacht had ik nog geen bed. Dit zou ook geregeld geworden (…) Die nacht sliep ik in een leegstaande kamer bij de Leidsedwarsstraat. Toen kreeg ik Van Tuyls adres. Ik fietste naar de Zaan, een kronkelig water. Vrijwel altijd denk je dat je tegen de wind in fietst. Voorbij de fabrieken van Verkade, olieslagerijen en restanten van rijstpellerijen, kwam ik in Zaandijk. Even voorbij de fabriek van Duyvis woont de chemische ingenieur van dit bedrijf, Boekenoogen, getrouwd met Geert, zonder kinderen. Het was een adres dat in alle opzichten goed beviel. Er werd geen woord gevraagd of te veel gezegd.”

Westzijde 42 kort na de oorlog, woonadres van de familie Van Hall

Eindelijk kon Hans de Koster even tot rust komen. In tegenstelling tot Rob de Brauw zou hij de oorlog overleven. Mede dankzij Walraven van Hall en de aan de Lagedijk 46 wonende chemisch ingenieur van Duyvis en diens echtgenote, Hendrik Albert Boekenoogen en Geertruida Boekenoogen-van Maanen.

De Koster – eerder al staatssecretaris van Buitenlandse Zaken – schopte het in 1971 tot VVD-minister van Defensie in de kabinetten-Biesheuvel 1 en 2. In die functie gaf hij onder meer de aanzet tot de privatisering van de Artillerie-Inrichtingen in Zaandam (tijdens de oorlog een broeinest van verzet).

Barbara Visser

Barbara Visser stapte tot op zeker hoogte in zijn voetsporen. Ze werd in 2017 staatssecretaris van Defensie. Visser woont in het Zaandamse gebouw dat een plek kreeg in wat ooit de achtertuin was van de familie Van Hall. Eventjes raakten de oude en de nieuwe oorlogswereld elkaar op die paar vierkante meters grond waar Walraven, Tilly en hun drie kinderen vanaf 1940 gehuisvest waren, waar Hans de Koster contact legde en waar Barbara Visser dagelijks bivakkeert.

Op dit adres, Westzijde 42, bevindt zich sinds 2020 een appartementencomplex met de naam ‘De Bankier’. Op de zijgevel is sindsdien een citaat zichtbaar over Walraven van Hall (1906-1945): “Als Wally binnenkwam was iedereen in vijf minuten gelukkig.” Het is een eerbetoon aan de belangrijkste Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik denk dat Hans de Koster het had kunnen waarderen.

Westzijde 42 nu

Een derde prominente VVD’er schopte het overigens in 1992, toen De Koster overleed, tot assistent-manager bij het eerdergenoemde Zaanse voedingsconcern Duyvis. Zijn naam: Mark Rutte. Maar dat is weer een ander verhaal.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Opmars en neergang van de ‘stinkende’ Zaandamse (nationaal-)socialist Jan Duijs

Een veelbelovender politicus dan Jan Duijs heeft de Zaanstreek zelden gehad, in de dubbele betekenis van het woord. De charismatische SDAP’er schetste zijn massale arbeidersachterban keer op keer in gezwollen bewoordingen een hemel op aarde. Hij klom op tot de machtigste man van Zaandam en tot Kamerlid in Den Haag. Maar zijn val was diep: hij stierf als wraakzuchtige nationaalsocialistische vrederechter. 

Zaandammer Jacobus Johannes ’t Hoen (1931) had ooit het plan om te promoveren op politicus Jan Duijs. Verder dan dat voornemen kwam het helaas niet. ’t Hoens onvoltooide dissertatie ligt sinds eind jaren negentig bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam. Het bestaat uit honderden vellen papier van zijn werkgever, het Zaanlands Lyceum. Op de achterzijde kun je de repetitiestof voor en zelfs de namen van de leerlingen van deze geschiedenisdocent vinden. Op de voorkant staan geschreven en getypte aantekeningen over de machtigste socialist die de Zaanstreek ooit had. ’t Hoens inspanningen hadden moeten resulteren in een promotie aan de Universiteit van Amsterdam. Kort voor het zover kwam stierf hij, in 1988. Wellicht dat iemand het werk over de invloedrijkste Zaandammer aan het begin van de twintigste eeuw ooit afrondt. Al was het maar om de politieke draai die deze sociaal-democraat maakte nader te duiden. Hieronder een biografische schets van Jan Eliza Wilhelm Duijs. En dan met name van zijn laatste, fascistische jaren. De Unvollendete van Jaap ’t Hoen vormt daarbij de basis.

Jacobus Johannnes ’t Hoen in 1983 (De Zaanlander)

“Jan Duijs is voor de ontwikkeling van de Zaandamse sociaal-democratie van nauwelijks te overschatten belang geweest”, concludeert Rob Hartmans in het boek De Rode Zaan. En inderdaad, de in 1877 geboren Duijs werd in Zaandam niet alleen een onovertroffen SDAP-propagandist (1906), raadslid (1907) en de eerste sociaal-democratische wethouder van een grote gemeente (1912), maar hij schopte het ook tot Kamerlid (1909) en Statenlid (1910). Hij kreeg het voor elkaar dat de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij in 1913 de absolute meerderheid kreeg in de Zaandamse gemeenteraad en dat Klaas ter Laan daar de eerste sociaal-democratische burgemeester van Nederland werd. Tussen 1915 en 1919 had de SDAP zelfs alle collegezetels in handen, een nooit herhaald unicum. De verdiensten van Duijs voor de ontluikende Zaanse sociaal-democratie kunnen niet genoeg op waarde worden geschat.

Jan Duijs spreekt rond 1914 op het Boschjespad in Koog aan de Zaan (Gemeentearchief Zaanstad)

Om zover te komen schuwde de hardwerkende politicus weinig middelen. Hij was een geestig en slagvaardig debater, tegen wie niemand op kon. Dat hij zichzelf daarbij nogal eens verloor in tegenstrijdigheden en opmerkingen onder de gordel deed zijn populariteit geen kwaad. Zijn populistische redevoeringen gingen er bij zijn soms honderden toehoorders in als Gods woord in een ouderling.

Zijn politieke tegenstanders waren minder enthousiast, en zelfs een enkele partijgenoot moest niets hebben van zijn bijtende interrupties en ‘stinkende insinuaties’ (Maurits Mendels). SDAP-pionier Willem Vliegen prees Duijs’ ‘geweldige feitenmateriaal’ en zijn ‘kostelijke slagvaardigheid, die natuurlijke geestigheid, die vooral in debat hem tot zo’n gevreesde tegenstander maken’. Maar, voegde Vliegen daar aan toe, ‘voor een wegwijzer bij de oplossing van politieke problemen wordt hij zeker niet aangezien.’

Het Zaandamse College van B&W met uiterst rechts Jan Duijs, 20-9-1914 (Gemeentearchief Zaanstad)

Talrijk zijn de anekdotes die over Jan Duijs rondgingen. Het raadslid dat in het dagelijks leven vroeg op moest om zijn werk als notaris te kunnen doen en daarom voorstelde om de uitlopende vergadering af te breken, ontving van Duijs een snijdende repliek: “Ik wist dat notarissen de mensen soms uitkleedden, maar niet dat ze ze ook naar bed brachten.”
Duijs las eens de notulen van eerdere raadsvergaderingen voor, om een opponent op diens tegenstrijdige verhalen te wijzen. Punt was alleen dat hij diens vermeende uitspraken ter plekke verzon. Een andere politieke opponent kreeg van Duijs te horen: “Zo, die meneer Mooij zal dus Zaandam redden. Nu ken ik hem wel. Wij zitten samen in de Provinciale Staten. Daar heb ik hem tweemaal gehoord. Een keer moest hij hoesten en de andere keer liet hij een potloodje vallen.” Het zijn enkele voorbeelden uit vele die Duijs’ straatvechtersmentaliteit tonen.

Royement

Tekening van Albert Hahn in De Notenkraker (28-12-1912): ‘Liberaal: “’t is uw schuld dat hij daar zit!” Klerikaal: “Nee, ’t is uw schuld dat hij daar zit.” Duijs: “Hij zit er.”‘

Hoewel Jan Duijs het 11 jaar als wethouder en 28 jaar als Kamerlid volhield, zag zijn partij hem eerder als stemmentrekker en uiterst populair propagandist dan als strategisch zwaargewicht. Toch kreeg hij soms iets voor elkaar binnen de sterk verzuilde Tweede Kamer. Zo zorgde hij er in 1913 met een amendement voor dat 70.000 bejaarden voor het eerst een kleine staatsuitkering ontvingen. Hij zou ook zijn zin krijgen met een aantal punten die hij in 1933 opschreef in zijn brochure Ter Oriëntering. Daarin betoogde hij dat de SDAP niet alleen de arbeidersbelangen moest dienen, zich moest uitspreken voor het koningshuis en de democratie en tegen het communisme, en diende te onderzoeken of eenzijdige ontwapening wel zo’n goed idee was. Die punten nam de partij vier jaar later allemaal over, maar toen was Duijs al geen lid meer. Hem werd verweten dat hij zijn kritiek eerst binnenskamers had moeten bespreken. Ook een vraaggesprek over zijn brochure met de anti-socialistenkrant De Telegraaf werd hem niet in dank afgenomen. De onderlinge verstandhouding raakte uiteindelijk dermate vertroebeld dat de SDAP het Kamerlid in 1935 royeerde als lid.

Tekening van Albert Hahn in De Notenkraker (22-2-1913): ‘De strijd om den ouden arbeider: Duijs verdedigt den ouden arbeider tegen de krijschende klerikale bende.’

Een jaar later schreef hij een met antisemitisme doorspekte brochure waarin hij opkwam voor de rechten van NSB’ers. Het pamflet kreeg een ereplaats bij de NSB-propagandawinkel in de Kalverstraat. Die steun ten spijt sloot Duijs zich niet aan bij de partij van Anton Mussert. Nog niet. Eigenzinnig als hij was richtte hij met Marius Dirk Dijt (een voormalig redacteur van het conservatieve tijdschrift De Waag) en oud-NSB’er Gerrit van Duyl de tegen het fascisme leunende Nederlandsche Volkspartij op. De beweging van de drie D’s werd geen succes en in oktober 1939 fuseerde de NVP met het nationaalsocialistische Verdinaso. Op dat moment had Duijs al de overstap gemaakt naar de Nationaal-Socialistische Beweging. In ’t Hoens proefschrift-in-wording kunnen we lezen hoe het afliep met de ooit zo populaire volksvertegenwoordiger.

NSB-aanbevelingsbrief, 8 september (in NSB-taal ‘Herfstmaand’) 1941 (IISG, Collectie J.J. ’t Hoen)

Al sinds zijn breuk met de SDAP toonde de NSB waardering voor het -toen nog- Kamerlid. Zijn in 1936 verschenen brochure Democraten op fascistenjacht werd instemmend besproken in de NSB-krant Volk en Vaderland: “Hopelijk wordt deze studie van mr. Duijs afzonderlijk verkrijgbaar gesteld. Zij bevat zooveel overtuigend materiaal en geeft een zoo scherpen kijk op het wezen van het marxisme, dat kennisneming voor elken volksgenoot aan te bevelen is.” Anton Mussert zocht Duijs in 1937 zelfs op in diens nieuwe woonplaats Lochem.

Germaansche ras

Jan Duijs was toen, na bijna drie decennia, Kamerlid af. Hij werd in zijn woonplaats hoofdredacteur van de Lochemse Courant. In die hoedanigheid schreef hij in januari 1941: “Ons volk is van Germaanschen bloede. De toekomst van het Germaansche ras is ook de toekomst van ons volk. De problemen die 1941 nog moge brengen, zullen, laat ieder zich daarvan goed doordringen, ook voor ons land niet anders dan in lotsverbondenheid met den grooten Germaanschen stam kunnen worden opgelost.”
In een eerdere briefwisseling met een andere oud-Zaandammer, de eveneens tot het nazisme bekeerde voormalige VARA-programmeleider Gerrit Jan Zwertbroek, stak Duijs zijn enthousiasme voor de NSB niet onder stoelen of banken: “Heb je Rost van Tonningen voor de radio gehoord? Daar is toch door een Socialist als jij of ik geen speld tusschen te krijgen? (…) Voorloopig kunnen de oude SDAP-leidertjes nog probeeren te saboteeren. Spoedig zullen ze bemerken dat de arbeiders in het Nationaal-Socialisme vertrouwen krijgen, evenals de jeugd. En je zult eens wat zien als straks het groote werk kan beginnen.”

Gemier

In Zwertbroeks pleidooi om de Nederlandse fascistische organisaties vrijwillig te laten fuseren zag Duijs niets. “Dan kan de duvel ook wel met Onzen Lieven Heer gaan”, antwoordde hij op 22 september 1940. “Men is Nationaal-Socialist of men is het niet. Al dat gemier in nieuwe beweginkjes zonder de NSB heb ik steeds met groote gelatenheid aangezien. In wereldrevolutionaire tijden als deze is al dat gecompromisel uit den boze.”

Het was een houding die de NSB wel aanstond. In augustus 1941 droeg de secretaris-generaal van het departement van Justitie Duijs voor als ‘rechter tevens vrederechter in de Arrondissementsrechtbank te Arnhem’. Duijs was niet alleen politicus, maar ook meester in de rechten en volgens de NSB dus geknipt voor deze functie. Als vrederechter zou hij onder meer de voormalige socialistische kameraden moeten bestraffen die in opstand kwamen tegen de Nieuwe Orde. In de aanbevelingsbrief werd vermeld dat Duijs ‘een trouw lid van de Beweging [is], die den nieuwen tijd begrijpt en gaarne al zijn krachten inspant om de komst van het Nationaal-Socialisme in ons land te bevorderen’.

Hersentumor

Nieuwsblad van Friesland, 17-9-1941

Probleem was dat juist rond die tijd ‘al zijn krachten’ Duijs in de steek lieten. Begin september 1941 openbaarde zich bij hem een ernstige aandoening. Zijn vrouw en hij reisden voor een behandeling naar Amsterdam, waar ze hun intrek namen in het American Hotel bij het Leidseplein. Duijs bleek een hersentumor te hebben. Een operatie bood geen soelaas. Kort daarna, op 16 september 1941, stierf hij. Drie dagen later werd hij, gadegeslagen door een kleine groep vrienden, bijgezet in het graf waar ook zijn kind lag, op de Algemene begraafplaats in Den Haag. Duijs’ echtgenote hing nadien ter herinnering aan de overledene een ingelijste spreuk boven haar bureau: “Beter een leven vol strijd dan een leven zonder idealen.”

Het nazistische college van B&W in Zaandam koos voor een ander eerbetoon. De Herman Heijermansstraat, vernoemd naar een joodse schrijver, veranderde in september 1942 in Jan Duijsstraat. Die aanpassing hield stand tot de bevrijding van Nederland. Nadien zou niemand het nog in zijn of haar hoofd halen om de ver afgezakte (nationaal-)socialistische politicus op een voetstuk te plaatsen, hoe klein ook.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





De moord op advocaat Theo Eskens (1906-1944)

Dat Theo Eskens amper een rol speelt in de Zaanse oorlogsliteratuur is zowel begrijpelijk als een omissie. In de week dat de Tweede Wereldoorlog uitbrak, verhuisde advocaat/raadslid Eskens van Zaandam naar de hoofdstad. Maar tot zijn gewelddadige dood, vijf jaar later, bleef deze verzetsstrijder verbonden met zijn oude woonplaats.

Theodorus Johannes Eskens komt op 14 december 1906 ter wereld in Amsterdam, als zoon van een ‘agent voor buitenlandse huizen’ (oftewel vertegenwoordiger) en een huisvrouw. Na zijn lagere en de handelsschool begint hij een rechtenstudie. Theo is dan al politiek geëngageerd; hij sluit zich onder meer aan bij de Sociaal-Democratische Studieclub. In dienst hoeft hij niet. Na een aantal keren uitstel van opkomst te hebben gekregen, volgt er afstel; hij wordt ongeschikt geacht voor het leger.
Op zijn 26-ste huwt hij Hendrika Jacoba Wilhelmina (‘Henny’) Krabbé (1905-2005), een tante van de latere schrijver Tim Krabbé en de acteur Jeroen Krabbé. Het prille stel verhuist in 1933 van Amsterdam naar Zaandam. “Burcht-Apotheek, Zaandam, Zuiddijk 38. Eigenaar: H.J.W. Krabbé is onder huwelijksche voorwaarden gehuwd met Th. Joh. Eskens”, meldt het plaatselijk dagblad op 3 november van dat jaar. “Zaak door haar als openbare koopvrouw voortgezet.” De apotheek bestaat nog altijd, en ook nog steeds onder dezelfde naam en op dezelfde plek.

Henny Krabbé, in 1921 geschilderd door haar vader.

Het echtpaar betrekt in mei 1936 om de hoek een ruimere woning, aan de Schubertstraat 2. De nog maar 29 jaar oude Theo Eskens is dan, naast zijn werk als advocaat en als adviseur van het Bureau voor Arbeidsrecht in Zaandam, al een klein jaar gemeenteraadslid voor de SDAP. Hij voert onder meer het woord over zijn specialisme, juridische zaken. Hoewel de spreektijd in de raad beperkt is en hij die ook nog eens moet delen met de andere leden van verreweg de grootste fractie krijgt hij alle ruimte voor zijn bijdragen. Met Eskens heeft de sociaal-democratische partij een gewaardeerde en bevlogen volksvertegenwoordiger aan zich weten te binden.

Echtscheiding

Theo en Henny lijken hun zaken op de rails te hebben. De toekomst ligt open. En toch gaat het mis. Het huwelijk strandt. “Bij vonnis der Arrondissementsrechtbank te Haarlem dd. 1 Augustus 1939, tussen mevr. Hendrika Jacoba Wilhelmina Krabbé, wonende te Zaandam, als eiseres, en mr. Theodorus Johannes Eskens, advocaat en procureur, wonende te Zaandam, als gedaagde, bij verstek gewezen, is uitgesproken de echtscheiding der partijen”, bericht De Staatscourant.
Begin april 1939 is in de Zaandamse raad al een brief voorgelezen waarin Eskens verklaart geen nieuwe kandidatuur voor de gemeenteraad te aanvaarden, ‘in verband met het bij hem bestaande voornemen zich in Amsterdam te vestigen’. Dat is merkwaardig. Nog geen anderhalve maand eerder is de SDAP-kandidatenlijst geopenbaard. Daarop bezet Theo Eskens een vijfde plaats. Dat is misschien lager dan gehoopt, maar desondanks een garantie voor een nieuwe termijn: de SDAP heeft (en houdt in 1939) negen zetels. Blijkbaar is er dan al een echtscheiding in aantocht. De timing is des te opvallender, omdat Henny rond die tijd ontdekt dat ze zwanger is. Afgaand op de tekst in De Staatscourant lijkt het er op dat Henny het initiatief heeft genomen om een punt achter de relatie te zetten. Ze zal als alleenstaande moeder de oorlog ingaan.
Theo Eskens wordt per 31 augustus 1939 ingeschreven op het adres van Johan (Jo) Jacob Voskuil (1897-1972). Deze communistische kunstenaar en latere verzetsstrijder heeft op het Frederiksplein 46 zijn atelier. Het is een bijzondere datum. Niet alleen omdat Duitsland hetzelfde etmaal Polen binnenvalt en Adolf Hitler daarmee de Tweede Wereldoorlog in gang zet, maar ook omdat op die donderdag in Zaandam zijn dochter Karin (1939-2016) -tevens het enige kind van Henny en Theo- geboren wordt.

Frederiksplein 46 in 1949 (Stadsarchief Amsterdam)

‘Clown en leugenaar’

De oorlogsdreiging moet Theo en Henny met angst en woede hebben vervuld. Ze hebben joodse vrienden en familieleden. En ze zijn fervent tegenstanders van het nationaalsocialistisch gedachtegoed. Het is dan ook niet toevallig dat Theo in 1938 Maurits Dekker bijstaat wanneer die zich bij de Amsterdamse rechtbank moet verantwoorden. De bekende letterkundige wordt ervan beschuldigd in een van zijn publicaties ‘het hoofd van een bevriende staat’ te hebben beledigd. Wie dat hoofd is, blijkt al uit de titel van de gewraakte brochure: Hitler, een poging tot verklaring. De aanklager acht het laakbaar dat Dekker de Führer onder anderen typeert als ‘clown’ en ‘leugenaar.’ “Het hele boekje ademt een geest van haat en minachting. Aan dergelijke boekjes hebben wij geen behoefte.” Maurits Dekker ziet dat uiteraard anders: “Mijn boekje was bedoeld als een ernstige waarschuwing en dit zal het blijven, onafhankelijk van het feit of ik daarvoor veroordeeld word of niet.”

Maurits Dekker in 1936 (Jeroen Bons, Wikipedia)

Theo Eskens verklaart in de rechtbank, met een profetische blik, dat “verdachte vreest dat door het dictatuur regiem een nieuwe wereldoorlog zal ontbranden. Hij lijdt onder de vervolging, waaraan zovelen in Duitsland bloot staan. In dit licht gezien is zijn felheid te begrijpen.” Hij vraagt om vrijspraak. Zijn verdediging is vergeefs. De rechtbank veroordeelt Maurits Dekker op 5 mei 1938 conform de eis tot honderd gulden boete of twintig dagen celstraf. De resterende exemplaren van zijn brochure worden in beslag genomen. Dekker -joods en links- moet tijdens de bezettingsjaren onderduiken, maar neemt ook deel aan het verzet. In tegenstelling tot zijn advocaat zal hij de oorlog overleven.
Dat geldt niet voor de leider van een verzetsorganisatie in Putten, wiens verdediging Theo Eskens in 1942 op zich neemt. Het is van meet af aan een kansloze zaak. De verdachte, Piet Vijge, heeft (van de Zaandamse Artillerie-Inrichtingen gesmokkelde) wapens in huis. Bij de rechters is ook bekend dat hij illegale pamfletten schrijft en aanslagen op zijn naam heeft staan. Hij krijgt dan ook de doodstraf. Het moet een diepe indruk op Theo hebben gemaakt.

Een door Jo Voskuil in 1940 gemaakt schilderij, getiteld ‘Aan Mr. Eskens’

Frederiksplein 46

Dat het inmiddels voormalige echtpaar Eskens bereid is om de daad bij het woord te voegen, blijkt wel uit hun vriendschap met George Louis Jambroes. Deze leraar aan het Zaandamse lyceum is betrokken bij een van Nederlands eerste verzetsorganisaties, het Legioen van Oud-Frontstrijders. Hij tart graag de bezetter en trekt er regelmatig met een van de Zaandamse wapenfabriek gesmokkeld pistool op uit. Henny Krabbé verbergt dat wapen plus door hem verzameld spionagemateriaal in haar apothekersmagazijn. Zij is ook degene die de vijftig meter verderop wonende Jambroes in 1941 waarschuwt wanneer ze hoort dat de autoriteiten naar hem op zoek zijn. Jambroes vlucht het land uit en zal maanden later Groot-Brittannië bereiken. Daar wordt hij klaargestoomd als geheim agent, per parachute neergelaten boven Nederland en onmiddellijk gearresteerd. George Jambroes is een slachtoffer van het Englandspiel, dat tientallen gedropte agenten het leven zal kosten. Onder wie de Zaandamse onderwijzer.

George Louis Jambroes (E.G. Jambroes)

Vanaf het begin van de bezetting is ook Theo Eskens, hoewel inmiddels naar Amsterdam verhuisd, hem van dienst. Bij zijn verhoor, na aankomst in Groot-Brittannië, verklaart George Jambroes: “Mijn eerste contact met geheime organisaties verkreeg ik door Mr. Th.J. Eskens, advocaat en procureur, Frederiksplein 46 te Amsterdam, C., die mij het adres gaf van den reserve-officier van den motordienst Nout, wonende Duivelandscheweg no. 111 te Den Haag.” Dat gebeurt al in het najaar van 1940. George Jambroes, Henny Krabbé en Theo Eskens behoren met hun acties tot de eersten in Nederland die zich tegen de nazistische dictatuur keren.

Theo Eskens in de achtertuin van zijn Amsterdamse woning, 1943 of 1944 (Verzetsmuseum Amsterdam)

Henny Krabbé beperkt zich niet tot het geven van steun aan haar bevriende buurman. Ze vangt vanaf 1942 in haar woning een acht jaar oud joods meisje op, Hanna Catharina Jacobson.
Haar ex-man doet iets soortgelijks, maar dan in het groot. Op zijn nieuwe adres, op het Frederiksplein, heet hij zo ongeveer ieder vervolgingsslachtoffer welkom. Een van hen is acteur Albert van Dalsum. Hij heeft geweigerd om lid te worden van de Kultuurkamer en pleegt lijdelijk verzet. Zijn joodse echtgenote Isidora Frederika Mogendorff (een actrice die vooral bekendheid geniet onder de artiestennaam Do Hoogland) vindt eveneens een schuilplaats bij Theo Eskens. Op 8 maart 1943 bevalt ze daar zelfs van een zoon, Jean Paul Louis Emanuel.
Na de bevalling krijgen ook haar ouders Emanuel en Eline Mogendorff een gastvrij onthaal bij de strafpleiter. Het echtpaar verbleef eerder in het Amsterdamse ziekenhuis De Joodsche Invalide. Maar omdat Do’s moeder geestelijk achteruit gaat en daardoor mensen dreigt te verraden, moet ze er snel weg. Korte tijd na hun verhuizing naar het Frederiksplein wordt de Joodsche Invalide leeggehaald en gaan de patiënten op transport. Theo Eskens regelt dat het bejaarde echtpaar Mogendorff een relatief veilige plek krijgt bij Jettie van Leesten, die in Haarlem in de Prins Mauritsstraat 22 woont. Do van Dalsum heeft eerder al bewerkstelligd dat hij haar zusters aan een onderduikadres helpt.

Albert van Dalsum en -half zichtbaar- dr. Kat, een andere onderduiker bij Theo Eskens, 1943 (Verzetsmuseum Amsterdam)

Het is een komen en gaan op het Frederiksplein. Eskens’ huishoudelijke hulp Ilse Porck legt met een camera een aantal van de vele gasten vast: het in de danswereld actieve echtpaar Kooistra-Mogroby, de joodse kinderen Loesje en Bernhard Blitz, dokter Kat, Madelein Waldorp, de achternaamloze Johnny en de verder eveneens onbekende joodse pianiste Puck. Twee dochters van schrijver/activist Jef Last, Ankie en Mieke, trekken begin 1944 eveneens bij Theo Eskens in om te zorgen voor twee joodse pianisten die bij hem ondergedoken zijn (en van wie de hiervoor genoemde Puck er ongetwijfeld één is).
Er lijkt geen einde te komen aan de gastvrijheid. En daar blijft het niet bij. Het op Voskuils en Eskens’ adres gevestigde reclamebureau Studio Forto fungeert als dekmantel voor de militaire afdeling van de spionage- en koeriersorganisatie Rolls Royce. Frederiksplein 46 groeit uit tot een verzamelpunt voor beramers van subversieve activiteiten.

Bernhard en Loesje Blitz (Verzetsmuseum Amsterdam)

Op de laatste foto die Ilse Porck van Theo Eskens maakt, staat hij op een tak van een appelboom in zijn tuin. Het is de zomer van 1944. “Ik kijk net het raam uit en de eerste en laatste keer dat Eskens tegen me heeft gelachen heeft, werd vereeuwigd”, zal Ilse Porck later schrijven. De geallieerden hebben inmiddels voet aan wal gezet in Normandië en rukken in hoog tempo op naar het noorden. De oorlog kan niet lang meer duren.

Ilse Porck, 1941 (Verzetsmuseum Amsterdam)

Dat idee c.q. die wens is ook terug te lezen in een brief die Theo Eskens op 20 juni van dat jaar naar Do’s een dag later jarige tweelingzus Ro Mogendorff stuurt. “Dat je je volgende verjaardag weer geheel vrij in een vrij land en betere maatschappij zult vieren”, wenst hij haar toe. Zijn schrijven wordt vergezeld door twee boeken, plus ‘wat lekkers dat je niet helemaal moet opdelen en de onvermijdelijke bloemen’.

Verjaardagsfelicitatie van Theo Eskens voor de ondergedoken Ro Mogendorff, 20-6-1944 (Joods Historisch Museum)

Ro en Do Mogendorff zullen de oorlog overleven, maar aan Theo Eskens’ vrijheidsdroom komt op 11 september een wreed einde. Theo’s familie plaatst op 15 september een omfloerste rouwadvertentie in enkele dagbladen. Hun zoon, vader en broer ‘overleed plotseling’, luidt het understatement. Het illegaal verschijnende Zaans Nieuws durft het een maand later wel aan om de waarheid te openbaren. “Wij willen nog vermelden dat op Maandag 11 september Mr. Th. J. Eskens door een drietal NSB’ers uit zijn huis werd gehaald en op de Zuidelijke Wandelweg in Amsterdam werd doodgeschoten. Een felle vijand der nazi’s is hier dus wederom het slachtoffer geworden van een aantal landverraders. Vooral voor vele Zaandammers zal dit een droef bericht zijn.” Het eveneens ondergronds verschijnende De Vrije Katheder weet daar nog iets aan toe te voegen: “In verband met deze en andere moorden is het vermoeden gerezen dat de SD op het ogenblik bezig is zich te ontdoen van personen die ten behoeve van derden (b.v. cliënten) relaties met de SD onderhielden en daarbij te veel achter de schermen hebben gekeken. Het Parket te Amsterdam mocht zich met de moord op Mr. Eskens niet bemoeien; de Duitse justitie zou deze zaak wel onderzoeken!”

Binnen de familie Eskens is al meteen duidelijk wie er achter de aanslag zitten. Otto Eskens is namelijk bij zijn broer op bezoek wanneer die wordt gearresteerd. Hij ziet drie mannen de woning op het Frederiksplein binnenstappen; een onbekende en de hem wel bekende Andreas (‘Dries’) Riphagen en Adriaan Smolders. De eerste heeft een reputatie opgebouwd als onderwereldfiguur die voor de Duitsers werkt en tijdens de oorlog door verraad minstens tweehonderd mensen een voortijdige dood bezorgt. Een enkele maal vermoordt hij zelf iemand. Smolders is zijn zakenpartner. Samen met deze NSB’er heeft hij een jaar eerder een onteigende joodse banketfabriek overgenomen.
Er zijn getuigenissen dat Riphagen in de dagen na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, meerdere mensen ombrengt van wie hij blijkbaar gevaar te duchten heeft. Wellicht om die reden wordt op 11 september ook Theo Eskens uit zijn huis gehaald en naar de enkele kilometers verderop gelegen Zuidelijke Wandelweg gebracht. Otto Eskens doet na de bevrijding bij de Politieke Rechercheafdeling zijn verhaal. “Mijn broer werd ’s avonds om ongeveer half twaalf gevonden op de Zuidelijke Wandelweg met een schot in het hoofd.” Een dag na de moord had Otto op het Amsterdamse politiebureau al aangifte gedaan van moord. “Maar hierop heeft de Gestapo de politie medegedeeld dat zij zich er buiten moesten houden, aangezien het geen moord, doch een terechtstelling betrof.”

Dries Riphagen (Wikipedia)

Het dodelijke schot in zijn achterhoofd maakt een einde aan het leven van een genereuze, vrijheidslievende en veelbelovende advocaat. Dries Riphagen zal nooit worden veroordeeld voor de moord op Theo Eskens en talloze andere misdaden. Hij weet na de oorlog met hulp van de Nederlandse Veiligheidsdienst naar het buitenland te ontkomen. Op 13 mei 1973 bezwijkt hij in een Zwitsers ziekenhuis aan kanker.

Theo Eskens (Oorlogsgravenstichting)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag





Paul Juchenheim: doodgeschoten om een kolenzak

In mijn boek over de familie Eisendrath is een hoofdstuk gewijd aan hun familielid Paul Juchenheim (Vlotho, 28-8-1888). Deze uit Duitsland naar Amsterdam gevluchte jood werd niet vermoord in een concentratie- of vernietigingskamp, maar vlakbij zijn huis in koelen bloede doodgeschoten. ‘Geef dat zwijn maar ongebluste kalk.’

Op 6 april 1943 laat Paul Juchenheim, onhandig als hij is, een kolenzak uit het raam vallen. Het is slechts papier en de zak bevat onvoldoende brandstof om veel schade te kunnen veroorzaken. Het ongeluk wil dat er uitgerekend op dat moment een Duitse onderofficier onderlangs loopt. Het vallende voorwerp raakt zijn mouw, zacht en zonder gevolgen voor lijf en uniform. Paul weet niet hoe snel hij zich door het raam naar voren moet buigen om excuses aan te bieden. Ze worden aanvaard, schijnt het. Twee landgenoten die elkaar in den vreemde ontmoeten, dat schept toch een band, hoe fragiel ook. Bovendien betreft het een onbeduidend incident zonder naweeën. De officier neemt afscheid van de nederige vijftiger met – opvallend detail dat de getroffene niet kan ontgaan – een ster op zijn kleding. Paul raapt de zak van de stoep. Opgelucht stapt hij weer naar binnen.

Grüne Polizei

Drie dagen later, sabbatavond, gaat rond tienen de bel van Berkelstraat 1. Het is spertijd. De onbekende bezoeker in het donkere portiek weet dat de bewoners thuis moeten zijn. Het zijn zelfs vier bezoekers, ziet Paul tot zijn schrik als ze door zijn echtgenote Frieda  zijn binnengelaten. Hij beseft dat er op dit late tijdstip weinig heil valt te verwachten. Zijn bezorgdheid verandert in paniek wanneer hij een bekend gezicht ziet. Weermacht-officier Karl Rudolph is teruggekeerd, vergezeld door een lid van de Grüne Polizei en twee Nederlandse hulpagenten. Ze ruiken naar bier, het resultaat van een voorafgaand cafébezoek. Er klinkt afwisselend bars en timide Duits, afhankelijk van wie er het woord eist dan wel onderdanig reageert. De Hollanders roepen hun gastheer bits ter verantwoording. Heeft hij afgelopen dinsdag een zak met kolen op Herr Offizier Rudolph laten vallen? Paul erkent het ongelukje. De twee weten genoeg; voor zover ze nog bevestiging zochten, is die nu verstrekt. In het bijzijn van Frieda beginnen ze de dader te molesteren. Ze geven hem klappen in zijn gezicht en trekken hem mee naar achteren. Rudolph volgt, een pistool in de hand. De panelen die voor- en achterkamer scheiden, worden dichtgeschoven.

Berkelstraat 1

Met een jood die Duitse militairen aanvalt, eentje die door zijn huwelijk met een ariër het Germaanse ras schendt bovendien, hoeven de ordebewakers geen mededogen te hebben. Uit hun woorden maakt Frieda op dat aan hun handelen geen opdracht van het politiebureau, maar een persoonlijke vendetta ten grondslag ligt. Achter gesloten deuren zetten de mannen hun hardhandige les voort. Het geweld speelt zich af buiten bereik van Frieda, die onder toezicht blijft van de Grüne Polizist. Wel hoort ze Pauls pijn- en angstkreten. Die zijn zo indringend dat ook de buren ze waarnemen. Frieda kan het niet aan. Voor haar bewaker de kans krijgt om in te grijpen, trekt ze de schuifdeuren open. Rudolph reageert onmiddellijk. Met zijn pistool geeft hij een harde klap tegen haar borst.

Distributiebonnen

De folteraars realiseren zich dat ze hun werkzaamheden beter elders kunnen voortzetten, zonder pottenkijkster. Paul krijgt de opdracht om iets warmers aan te doen, want hij moet naar buiten. Moeizaam trekt hij een pullover en zijn huisjasje aan. Frieda protesteert: ‘Mijn man is tbc-patiënt.’ Als de Duitsers ergens bang voor zijn, weet ze, is het wel een besmettelijke ziekte. De repliek doet haar de moed in de schoenen zakken: ‘Des te eerder is hij dood.’ Alsof die tijding nog niet duidelijk genoeg is, benadrukken Karl Rudolph en de Hollanders dat Paul de volgende dag niet zal beleven, aangezien hij meteen wordt neergeschoten. Frieda gelooft hen niet, weigert hen te geloven. Voor zijn beulen hem de trap afduwen, weet ze haar echtgenoot een paar distributiebonnen te geven. Ze heeft geen idee waar Paul terecht zal komen, maar dan kan hij in ieder geval iets te eten kopen. Machteloos en alleen blijft ze achter, te bevreesd om het vijftal naar buiten te volgen.

Ook een gehavende man van middelbare leeftijd heeft minder dan een minuut nodig voor het loopje van zijn woning in de Berkelstraat naar de volgende stopplaats. Het is een kwestie van linksaf slaan, na twintig meter een kwart slag naar rechts draaien en dan de weg oversteken. Daar begint de Oude IJsselstraat. Nog enkele tientallen meters verder bevindt zich het portiek van nummer 10, tegenover het plein. Hier is het stil. De bewoners houden zich keurig aan het gebod om lichtschijnsel te vermijden en aangezien de straatlantaarns uit zijn, is de duisternis compleet. Het is half twaalf.

Knallen

Plotseling hoort Frieda kort achter elkaar twee knallen. Ze tuurt ongerust door het raam van de voorkamer, maar ziet niets. Er zijn meer mensen opgeschrokken. Om te beginnen Emanuel Manet, die in de Oude IJsselstraat 10 op de eerste etage woont. Hij loopt naar beneden en doet de buitendeur open. Aan zijn voeten ligt een kreunende man. Bij hem staan enkele mannen in uniform. Manet wil hulp bieden en het overduidelijk veel pijn lijdende slachtoffer een kussen en wat water geven. Het mag niet. Hij wordt weg gecommandeerd, constateert de eveneens toegesnelde buurman van nummer 12. Deze Pieter Landman – toevallig zelf ook politieman – hoort een Nederlandse hulpagent tegen Manet snauwen: ‘Water, water… Geef dat zwijn maar ongebluste kalk.’ Landman vraagt wat er aan de hand is. ‘Och, een Duitse Feldwebel heeft zojuist een jood neergeschoten die zich verzette’, luidt het laconieke antwoord. Landman antwoordt dat het hem onmogelijk lijkt voor een jood om zich te willen verzetten tegen een Duitse militair. ‘Die jood wilde weglopen’, krijgt hij te horen, ‘dus toen hebben we hem maar koud gemaakt’.

Paul bloedt uit zijn mond. Ook zijn kleding kleurt rood. Het blauw van zijn huisjas is beschadigd door twee met bloed omgeven gaatjes. Hij kan alleen nog onverstaanbaar gemompel uitbrengen. Rondom hem vinden beraadslagingen plaats. Landman krijgt te horen dat er een auto voor de gewonde is geregeld, alles is onder controle. De agent wordt naar huis gestuurd. Het is bijna middernacht als er opnieuw een schot klinkt. Daarna duurt het nog twintig minuten voor een ambulance Paul Juchenheim afvoert.

Uitgelachen

Zodra ze de volgende ochtend naar buiten mag, haast Frieda zich naar het kantoor van de Sicherheitsdienst op het Adama van Scheltemaplein. Daar wordt ze uitgelachen; natúúrlijk is haar man niet neergeschoten. Nauwelijks terug in haar woning ziet ze een auto van de Feldgendarmerie voor de deur stoppen. Twee Duitse militairen stappen uit en vragen haar naar het incident in de voorgaande nacht. Een van hen, een Untersturmführer, verklaart ‘dat het toch niet aangaat om iemand op straat zomaar neer te knallen’. Volgens zijn collega is Paul niet dood, ‘alleen maar aangeschoten’. Maar ze zeggen geen flauw benul te hebben waar hij is gebleven.

Frieda zoekt desperaat verder. Eerst bij de Joodsche Raad, die ook al van niets weet. En vervolgens in het Centraal Israëlitisch Ziekenhuis aan de Nieuwe Keizersgracht. Daar komt haar speurtocht ten einde. Haar echtgenoot ligt binnen. Dood. Ze mag hem even zien. Hij heeft een schotwond in zijn rechterslaap, constateert ze ontzet. Het ziekenhuis geeft geen toestemming om Paul te laten ophalen. De Duitse politie heeft namelijk beslag gelegd op zijn lichaam. Het duurt bijna twee weken voor Frieda alsnog permissie krijgt om hem te begraven. Paul wordt bijgezet op de joodse begraafplaats in Diemen, vlakbij zijn zwager Bernard.

Kaart van de Joodsche raad over Paul Juchenheim

Het tweetal wordt ook op een andere manier herenigd. Op 29 april stuurt de Joodsche Raad, zoals vrijwel elke week, een brief naar de Duitse autoriteiten met de namen van hen die een eind aan hun leven maakten. Acht personen vermeldt het overzicht dit keer, met in het midden Paul Juchenheim. Hij is zowel de jongste op de dodenlijst als de enige die er niet op thuishoort. Het maakt de ‘sehr geehrter Herr Aus der Fünten’ niet uit. De SS-Hauptsturmführer, verantwoordelijk voor de deportaties, vindt al meer dan een jaar dit soort opsommingen van ‘bekannt gewordenen Selbtsmorde’ op zijn bureau. Voor hem zijn ze al routine. Hoe het licht uit de ogen van de genoemde joden verdween doet er niet toe, zolang de cijfers maar kloppen. Aan de nummer 5 in de Joodsche Raad-opsomming van 6 oktober 1942, ene Bernard Eisendrath, hecht hij dezelfde waarde als aan de getallen in het overzicht van 29 april 1943. Voor hem is iedereen gelijk. Het is zoals zijn collega, generaal Christiansen, vaststelde. Die ontving – toevallig dezelfde dag dat Bernard zijn gifpil slikte – een verzoekschrift van een op de deportatielijst voorkomende man. Deze jood had meegevochten bij de slag om de Grebbeberg en was daar een been kwijtgeraakt. Dat kon Christiansen niet vermurwen: ‘Jud ist Jud, ob mit, oder ohne Beine, und wenn wir den Juden nicht besiegen u. ausschalten, dan schaltet er uns aus’, krabbelde hij in de marge van de aanvraag.

Monument op de joodse begraafplaats in Vlotho met ondermeer de namen van een aantal Juchenheims, onder wie Paul Juchenheim.

Kriegsgericht

Nog voor de uitvaart brengt de weduwe Juchenheim-Überwasser een tweede bezoek aan de Sicherheitsdienst. Op basis van haar verhaal wordt proces-verbaal opgemaakt. Een dode jood is één ding, maar een zinloze schietpartij in het midden van de stad dient geen enkel doel, dat moge duidelijk zijn. In aanwezigheid van Frieda worden de Nederlandse betrokkenen bij het drama het SD-hoofdkwartier binnengebracht, ontwapend en naar de cel vervoerd. ‘Ze zijn tot alles in staat’, vertrouwt de opdrachtgever Frieda toe. Het komt onverwacht tot een proces, twee maanden later. Er is één mogelijke dader aangewezen, Weermachtofficier Rudolph. De twee Hollandse agenten zijn ook present, maar louter als getuigen. Ze hebben slechts enkele uren opsluiting achter de rug en zijn alweer een tijdje in functie. De verdachte bepleit zijn onschuld. Hij houdt het Kriegsgericht voor dat ‘joden geen mensen’ zijn. De rechters lijken dat met hem eens te zijn. Ze spreken Karl Rudolph vrij.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

ValutaBedrag