Kultuurkamerartiesten op de gevoelige plaat

Artiesten die zich tijdens de oorlog aansloten bij de Kultuurkamer konden, tot de Hongerwinter toesloeg, vaak een flink salaris bij elkaar sprokkelen. Een particuliere fotoverzameling geeft een aantal van hen een gezicht.

Jarenlang had theater Carré met verlies gedraaid. Maar in het seizoen 1942-’43 was er eindelijk weer winst, ruim 126.000 gulden. Een jaar later ging het nog beter. De baten verdubbelden tot meer dan 253.000 gulden. Dat had mede te maken met de gestegen bezoekersaantallen. Bijna 600.000 Carré-bezoekers bewonderden in 1943-’44 de kunsten van een lange reeks circusartiesten, zangers, komieken, goochelaars en bandjes. De amusementsbehoefte was groot in de door misère getroffen hoofdstad.

Theater Carré in 1944 (Stadsarchief Amsterdam)

Carré was geen uitzondering. De Nederlandse bioscopen trokken meer mensen dan ooit, de theaters draaiden op volle toeren. De oproepen in illegale bladen om het gereguleerde theatervertier te boycotten haalden weinig uit. Iedere afleiding in deze donkere dagen was welkom. Artiesten profiteerden volop van die gretigheid. Dat wil zeggen, de artiesten die zich hadden aangemeld bij de nazistische Kulturkammer. Zonder vergunning optreden was streng verboden. En de toestemming gold uiteraard alleen voor ‘arische’ kunstenaars. Die zich bovendien ook aan een rigide censuur moesten onderwerpen.

‘Herr Künstler’

Alle beperkingen ten spijt zochten veel artiesten tussen 1940 en 1945 het podium op. “We hebben het nog nooit zo goed gehad als in de oorlog”, citeerde Henk van Gelder in zijn boek De schnabbeltoer een anonieme muzikant. “Je kwam uit de crisis waar je als muzikant als oud vuil werd behandeld. En daar kwamen de Duitsers, die van nature al met veel meer respect naar ons vak opkeken. Je werd Herr Künstler. Er was veel werk, er werden goede gages betaald.”

Eén van die Künstler was de Amsterdammer Thije Kok (1919-2000). Net als de meeste van zijn collega’s tekende hij voor de Kultuurkamer. En kon hij dus doorgaan met optreden, in tegenstelling tot de joodse en de principiëler ingestelde artiesten. Kok -die zich op het podium Sjabo Szebano noemde- had weinig moeite met de bezettingsmacht. Voor Vrij Nederland schreven Harm Ede Botje en ik al eens hoe deze multi-artiest de Duitsers in artistiek opzicht ter wille was, maar zich na de bevrijding ten onrechte profileerde als verzetsstrijder. Kok trad onder meer als bandleider op tijdens een door de Sicherheitsdienst georganiseerde feestavond in het toenmalige Koloniaal Instituut (later Tropenmuseum). Tijdens een optreden in Almelo voor Duitse troepen die naar het Oostfront gingen, trok hij volgens een medemuzikant een uniform aan van de Feldgendarmerie en had hij ‘in ganzenpas rond gemarcheerd’. Hij was daarna met de feestende Duitsers mee op pad gegaan en ‘wakker geworden in een pantoffelfabriek tussen de pantoffels’.

Thije Kok alias Sjabo Szebano, 18-12-1943

In de nalatenschap van deze collaborerende clown bevinden zich tientallen foto’s van collega-artiesten die eveneens met instemming van de Kultuurkamer de planken betraden. De originelen liggen, sinds staatssecretaris Halbe Zijlstra in 2013 het Theater Instituut Nederland failliet liet gaan, waarschijnlijk nog ergens in een bedrijvenloods. Eerst als vrijwel onvindbaar onderdeel van de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam en daarna bij het Allard Pierson. Onlangs ontving ik kopieën van deze uit het zicht verdwenen promotiefoto’s. Vaak staan er namen bij, een enkele keer een datum en/of locatie (waaronder meerdere keren theater Carré). Het betreft artiesten met wie Thije Kok in 1943 en 1944 het podium deelde. Soms krabbelden ze een persoonlijke boodschap voor hem op de verstrekte foto.

‘Armloos wonder’

Tussen de plaatjes zijn enkele Hawaïcombo’s te vinden (de nazi’s hadden de veel populairdere jazz verboden; Hawaïaanse klanken waren second best). We herkennen conferencier Andries Kesselaar alias André Carell (de vader van de later nog veel beroemdere Rudi Carell had er geen moeite mee om op te treden voor de gelijkgeschakelde nazistische cultuurvakbond Vreugde en Arbeid). Er zijn foto’s van Dralle, het ‘armloos wonder’, en van Benny Kolsteren, de jongste Nederlandse goochelaar. Om maar een paar uitersten te noemen.

Tot de zomer van 1944 draaide het amusementscircus op volle toeren. Daarna zakte het als gevolg van de oorlogsomstandigheden in. Maar gelukkig hebben we dus nog de foto’s uit de collectie Kok. Vrijwel de hele verzameling staat hieronder, met waar mogelijk wat duiding. Wie meer kan vertellen over de afgebeelde personen is welkom via info@schaapschrijft.nl.

Laten we beginnen met Thije Kok zelf. Hij staat hier, op 23 december 1943, in het midden. Naast hem, met de sambaballen, zijn gelijknamige vader. Aan de andere kant Thijes broer Jan.
Eén van de twee Rieberties gaf op 21 februari 1944 bij een optreden in Rotterdam een gesigneerde foto aan Szebano, oftewel Thije Kok. De twee ‘jongleurs op 1 wiel’ vormden net zo makkelijk het pauzenummer bij een film als één van de acts tijdens een avond vol variété. Dat ze tekenden voor de Kultuurkamer vormde geen belemmering voor een naoorlogse carrière, die in ieder geval doorliep tot ver in de jaren vijftig.
Over de 4 Marleij’s, zo te zien vader, moeder en twee dochters, vond ik geen nadere informatie. Aan de outfit te zien was dit een van de vele Hawaïgezelschappen die tijdens de oorlog door het land trokken.
De dame rechts op deze foto herkennen we van de eerder genoemde 4 Marleij’s. Ze is opnieuw getooid in een Hawaïrok (zij het dat die veel wegheeft van een reeks wilgentenen), maar nu met andere collega’s. De band heette dit keer Hawaïans. Het was niet de meest originele vondst; het wemelde in en kort na de oorlog van de ensembles met dat woord. Daarvan waren de Kilima Hawaiians verreweg het bekendste.
De al eerder genoemde Andries Kesselaar alias André Carell (1911-1968) begon eind jaren dertig als conferencier. Aan het eind van de oorlog reisde hij met een kinderprogramma door Nederland. In de jaren zestig trad hij af en toe op met zijn steeds beroemdere zoon Rudi, onder meer in diens oudejaarsshow voor de AVRO (1961). In 1965 kreeg Andries Kesselaar zijn eigen tv-show, Caroussel.
Volgens het bijschrift zou dit Anita van Enkhuizen moeten zijn. Als datum staat 2 januari 1944 genoteerd. De enige Anita van Enkhuizen die ik kan terugvinden, woonde anno 2021 in Texas en is ongetwijfeld een andere dame.
Op 30 april 1944 traden Anny Francis en Capy op in Zutphen. Het Hongaarse danspaar vertoonde, waarschijnlijk zonder hun imitatie-aap, ‘eerst een bevredigende tango, terwijl hun dans met lichteffecten een fantastisch schouwspel’ was, recenseerde de Nijmeegsche Courant twee weken eerder. Het duo was in 1973 nog één keer te zien, tijdens een tv-documentaire over de Artiestenreünieclub. In deze club ontmoetten de oude variétéartiesten elkaar wekelijks, om bij te praten en terug te kijken op de ooit behaalde successen.
De jongste goochelaar van Nederland zou nooit de roem krijgen die Ger Copper, Hans Klok, Hans Kazàn en Fred Kaps ten deel viel, maar vermaakte tijdens en na de oorlog wel veel kinderen met zijn tovertrucs.
De ‘internationale buikspreekster’ Florencetta ‘met haar ondeugdende kameraad’ Bobby was voor, tijdens en ver na de oorlog te bewonderen. In 1942 was ze volgens krantenberichten zelfs op de gelijkgeschakelde radio te horen, al is me niet duidelijk hoe de luisteraars gewaar werden dat ze nog altijd met haar buik sprak. Kort voor de oorlog stond ze op hetzelfde podium als goochelaar Ben Ali Libi (echte naam Michel Velleman). Hij, jood, werd in 1943 in Sobibor vergast.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog krioelde het in Nederland van de komedianten, conferenciers en humoristen. Carel Starre hoorde ook bij die groep. Hij zette daarbij zijn piano in zoals Hans Liberg dat decennia later ook deed, als instrument om de lach op te wekken. De laatste was overigens succesvoller. Starre verdiende zijn brood vooral met een sigaren- annex feestartikelenwinkel in Delft.
Het Deutsche Arbeitsfront ‘Kraft durch freude’ bood op 4 november 1943 een ‘variété- en cabaretprogramma aan waar ook het Corbets Trio van de partij was. ‘De grote luchtsensatie’ nam het bij de keuze van hun gastheren blijkbaar niet zo nauw. Na de bevrijding traden de drie acrobaten niet meer op onder hun oorlogsnaam.
“Ter herinnering aan de koude kleedkamer in de West-End”, schreef één van de Gesona’s op de voor Thije ‘Sjabo’ Kok bestemde fotokaart. De lage temperatuur werd wellicht veroorzaakt door het tekort aan brandstoffen in de tweede oorlogshelft, maar dat vermeldt de geschiedenis niet. Schlagers zingend bleven de twee Gesona’s -voorheen werkend bij het joodse modehuis Gerzon; vandaar hun naam- tot begin jaren zestig optreden.
De Marcello’s traden op 10 mei 1944 op in Carré. Of het accordeonduo onderdeel was van het gelijknamige ‘revue- en variétégezelschap’ dat destijds regelmatig in de kranten adverteerde met haar programma ‘Wie lacht betaalt’ is me niet bekend.
Nog een duo dat op 10 mei 1944 in Carré optrad, De Martini’s. Gedurende de oorlog was er sprake van een showorkest met deze naam en er bestond ook een schlagergezelschap genaamd ‘De drie Martini’s’. Maar het mediteraan ogende tweetal vormde een ‘mondain danspaar’. Van hen kwam ik één naoorloge aankondiging tegen. In 1947 mochten De Martini’s al dansend mede een feestweek in Winterswijk aflsuiten.
“Ook het variétébedrijf gaat diep gebukt onder de moeilijkheden”, schreef redacteur G.K. Krop van dagblad Het Volk op 20 mei 1944. Waaruit die moeilijkheden bestonden, liet hij wijselijk achterwege. Ze waren ongetwijfeld oorlogsgerelateerd. “Maar men kan van de nood een deugd maken en zo biedt het Pinkster variétéprogramma in Royal [Amsterdam] het voordeel dat het geheel door Nederlandse krachten wordt verzorgd”, ging Krop monter verder. Onder de vaderlandse artiesten in Royal bevonden zich naast ‘voetenwonder’ Dralle (zie hieronder) ook ‘De Zwervers, met hun liedjes en gitaarspel’.
De Nederlandsche Vereeniging van Lichamelijk Gebrekkigen organiseerde op 27 december 1943 een ontspanningsochtend. “Het hoogtepunt van het programma vormde het optreden van den heer Dralle, bekend als ‘het armlooze wonder’, die het zoover heeft gebracht, dat hij met zijn voeten schrijft, teekent, schildert en alle mogelijke andere werkzaamheeden kan verrichten”, aldus een krantenverslag. H. Dralle trad ook op tijdens reguliere voorstellingen, in een poging wat brood op de plank te krijgen.
Een andere artieste die samen met Thije Kok optrad in Carré. Haar naam is helaas onbekend.
“Ter herinnering aan onze prettige samenwerking met het Szebano-kwartet”, schreef ‘chanteuse’ Julie Dotremont op 27 mei 1944 op een artiestenfoto van zichzelf na een optreden in het Bredase Fama Cabaret. ‘De zangeres van het charmante lied’ trad daar niet alleen meerdere dagen op met Thije Kok en zijn medebandleden (dit keer als ‘Hawaiian ensemble’), maar ook met een orkest en een andere band. En dat tweemaal daags, van 3 tot 6 en van 7 tot 10.
Cabaret Musis Sacrum in Eindhoven bood in 1943 een tweedaags kerstprogramma aan met meerdere artiesten die in deze galerij zijn terug te vinden. Onder hen sneltekenaar Leonardo annex humorist Leo Lang. Een ‘luimig conferencier’, typeerde een krant het laatste typetje destijds. Zij het ook een conferencier die blijkbaar weinig omzet draaide. Drie maanden na zijn optreden in Eindhoven plaatste Lang een advertentie: “Wie helpt Nijmeegsch artist aan een rokcostuum (50), lakschoenen, maat 43, en andere kleedingstukken?” Niet alle beoefenaars van de vrije kunsten slaagden er tijdens de oorlog in om de portemonnee gevuld te krijgen. Op 22 mei 1945 vinden we Leo Lang terug, nu adverterend als ‘reclamespecialist’. “De Mof sloot mijn zaak, het bombardement verwoestte mijn zaak, doch nu sta ik weer voor U klaar met ‘t ontwerpen en uitvoeren van showcards, affiches, folders, advertenties, reclame-stunts, e.d.”
Mille Margo, zie hieronder, was een ‘jongleuse op den kogel’. Ze trad net zo makkelijk op in feestzalen als in het circus. En indien nodig deed ze haar lakschoenen aan om als tapdanseres de planken te betreden. Al dan niet samen met de hierboven zichtbare pianist/accordeonist Martin. Die, niet geheel toevallig, dezelfde achternaam droeg als Margo: Rijken.
Niotna & Co vertelden een kluchtig verhaaltje over een dag op de boerderij. Volgens een verslaggever bracht het duo een toneelstuk ‘dat zich met een sneltreinvaart afspeelt, waar honderd en één dingen in gebeuren, de één al zotter en onbegrijpelijker dan de andere, zoo snel en zooveel, dat het niet na te vertellen is.” Het kolderieke nummer was zo succesvol dat Niotna (dat was Karel Brouwer, als de boer) en Co (de boerin) er tientallen jaren mee rondtourden. Inclusief de vijf oorlogsjaren.
Over deze dame met gitaar kan ik alleen maar meedelen dat het me totaal obekend is wie het betreft.
Van Roma en Sinti moesten de nazi’s weinig hebben, maar opvallend genoeg kwam de ‘origineele zigeunerdans’ van Pepita en Boris wel voorbij de censor. Het duo zou Cubaans of Argentijns zijn en, afhankelijk van de verslaggever, Mexicaanse dan wel Argentijnse, Spaanse of Hongaarse dansen brengen. Blijkbaar kon het publiek van die tijd veel worden wijsgemaakt.
Tijdens de donkere oorlogsjaren was er behoefte aan afleiding en vrolijkheid. Veel artiesten uit die tijd combineerden beide behoeften door komische acts naar het publiek te brengen. Zo ook de twee ‘teeken-parodisten’ Pot en Lood, echte namen Guus en Nap.
In het theater wemelde het van de zogenaamde professoren. Onder hen ook Prof. Langini. Hij verstond de kunst van het goochelen, want tijdens het in 1948 gehouden landelijk goochelaarscongres sleepte deze inwoner van Zwolle drie prijzen in de wacht. De prof zou zijn vingervlugheid tot ver in de jaren vijftig blijven beoefenen.
‘Ridi’ is Italiaans voor ‘lach’, maar of de gelijknamige clown en zijn partner Jeanij die ook aan het publiek wisten te ontlokken, is de vraag. In de kranten uit de jaren ’40-’45 zijn beide komieken niet terug te vinden.
Op 20 april 1944, Hitlers een-na-laatste verjaardag, stond Wassia Krimsky op het Leidseplein in het Amsterdamse café-restaurant annex cabaret Casanova. Dat deze ‘zanger-danseur’ tekende voor de Kultuurkamer lijkt hem na de oorlog niet te zijn kwalijk genomen. Hij trad in de tweede helft van de jaren veertig namelijk met enige regelmaat als eenmans Don Kozakkenkoor op bij de VARA en tijdens CPN-feestavonden.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Hoe omvangrijk was het joodse verzet?

In mei 2021 maakte het NIOD bekend een onderzoek te willen starten naar het joodse verzet in Nederland. Was dat bovengemiddeld, in vergelijking met de niet-joodse illegaliteit? Of lieten de joodse inwoners zich, zoals de beeldvorming soms wil doen geloven, slaafs naar de kampen sturen? Een voorzichtige steekproef, aan de hand van de Zaanse weerstand tussen 1940 en 1945.

Begin 2021 publiceerde Martijn Katan zijn boek Geen makke schapen. Daarin vertelt hij over tien joodse familieleden die tijdens de oorlog in verzet kwamen tegen het nazistisch regime in Nederland. Volgens Katan boden joden gemiddeld vijf maal vaker verzet dan niet-joden. ‘Natte-vingerwerk’ nuanceerde hij dat aantal overigens zelf, want over betrouwbare bronnen beschikte hij niet of nauwelijks. Maar dat er verhoudingsgewijs veel meer joden dan niet-joden in het verzet belandden, wist Katan zeker. “Zelfs de namen die we kennen, leiden al tot een percentage dat relatief twee keer zo hoog is als van de Nederlanders. En misschien waren het er heel veel meer”, zei hij tegen Nieuwsuur.

Historicus David Barnouw stak zijn scepsis over de door Katan genoemde percentages niet onder stoelen of banken. Op de website van Jonet benadrukte hij hoe moeilijk het is om getallen te noemen. Hanteer je de krappe verzetsdefinitie van Loe de Jong, die alleen het georganiseerde Nederlandse verzet telde en uitkwam op 45.000 illegalen? Ga je uit van de redenering van Dick Verkijk? Deze publicist rekende allen mee ‘die in positieve zin iets (tot heel veel) hebben gedaan in 1940-1945’. Zijn schatting van het aantal verzetsstrijders kwam daardoor op ruim 2,5 miljoen (op een bevolking van negen miljoen).
Of, veel waarschijnlijker, ligt de waarheid ergens tussen de aannames van De Jong en Verkijk? 

Joods Monument Zaanstreek

De ellende begint al bij de vraag wie er joods was. Moet je bijvoorbeeld uitgaan van de mensen die zichzelf joods noemden en daarmee de seculiere en andersgelovige mensen met een joodse herkomst negeren? Of hanteer je -hoe pijnlijk ook- de nazistische definitie? Die kwam er, sterk samengevat, op neer dat mensen met drie of vier joodse grootouders zelf ook automatisch joods waren. Hun voorbestemming was het concentratie- of vernietigingskamp.

Op het Joods Monument Zaanstreek staan de verhalen van alle Zaanse bewoners die in 1942 hun gemeente moesten verruilen voor het Judenviertel van Amsterdam of -de buitenlandse joden- kamp Westerbork. Daarnaast zijn op deze website lemma’s te vinden over de joodse onderduikers in de negen Zaangemeenten. Uitgaand van deze ‘database’ vol verhalen is tot op grote hoogte te herleiden wie van hen zich op enig moment op het illegale pad begaven.

Ik ga daarbij niet uit van de strakke normering die Loe de Jong hanteerde. Het zou betekenen dat mensen die niet in groepsverband weerstand boden, zoals individuele helpers van onderduikers, buiten de ‘verzetsdefinitie’ vallen. Tegelijkertijd wil ik de criteria niet zover oprekken dat de Koot-en-Bie-norm resteert (‘Wo ist der Bahnhof?’ ‘Do ist der Bahnhof.’).
Van onderstaande joodse personen is bekend dat zij zich in oorlogstijd bezighielden met koeriersdiensten, illegale pers, hulp aan onderduikers, vluchtacties of soortgelijke het regime ondermijnende werkzaamheden. Het betreft twee categorieën. Ten eerste de Zaanse inwoners die in de bezettingstijd als ‘voljood’ werden geregistreerd of als zodanig conform de toen geldende regels als zodanig geregistreerd hadden moeten worden (zie het lemma over het gezin van Theodor Strauss). En ten tweede de joodse mannen en vrouwen die voor kortere of langere tijd onderdoken in de Zaanstreek. Beide categorieën bij elkaar opgeteld, betreft het -alle leeftijden meegeteld- ruim zevenhonderd personen.

Zaanse bewoners:

Samuel de Beer (Den Haag, 16-5-1887) zou actief zijn geweest binnen het Zaanse verzet. Zijn rol daarin is overigens onduidelijk. Dat geldt niet voor zijn zoon Fred (6-2-1915). Die maakte tijdens de oorlog deel uit van de leiding van de illegale CPN in Zaandam en hield zich onder meer bezig met sabotageacties.

Ellen Justine Inja-Weijl (Enschede, 13-7-1903) en haar man Cor Inja hielden zich jarenlang bezig met de hulpverlening aan joden binnen en buiten de kampen.

Samuel de Lange (Amsterdam, 17-2-1906 – Dachau, 4-2-1945) komt voor op de ‘Erelijst Verzet en Koopvaardij’. Zijn arrestatie in maart 1944 maakte dat hij zijn verzetswerk niet kon voortzetten.

Hertha Poppert-Speier (Fritzlar, 11-11-1913) verzorgde vanaf 1941 Belgische cartes d’identité ten behoeve van mensen die Nederland wilden verlaten. 

Mina Smit (Zaandam, 27-11-1917) verborg samen met haar man Henk Blank onderduikers en bracht het ondergrondse blad Trouw rond. 

Theodor Strauss (Berlijn, 15-10-1904) hield zich voor de Groep-Albrecht bezig met spionage. Zijn echtgenote Marga (Dortmun, 14-3-1913) bezorgde gedurende de laatste oorlogsmaanden het ondergrondse blad De Typhoon.

Onderduikers in de Zaanstreek:

Isidor Berliner (Keulen, 25-1-1891), Erna Berliner-Schwarz (Keulen, 8-11-1897) en Doris Berliner (Keulen, 29-3-1929). De ondergedoken vluchtelingenfamilie Berliner verleende allerlei hand- en spandiensten aan het verzet, waaronder het rondbrengen van illegale kranten.  

Lore Zilly Durlacher (Duitsland, 3-12-1920) bevrijdde onder meer, samen met andere veelal joodse leden van de Westerweelgroep, gevangenen uit kamp Westerbork.

Eva Fränkel (Beuthen, 19-2-1918) was via Amsterdamse kunstenaarsconnecties actief in de illegaliteit.

Harry Führer (Keulen, 29-3-1924) bracht via het studentenverzet boodschappen over en bouwde op hun verzoek een onopvallende kristalradio.

Beppie Nunes Nabarro-Ephraïm (Amsterdam, 24-10-1920) was koerierster voor de Zaandamse verzetsman Piet Bosboom en verzorgde onderduikers.

Anna Sperber-Chlebowksi (Keulen, 8-12-1920 – Ravensbrück, 20-4-1945) sloot zich met haar man Gert aan bij de verzetsgroep van Joop Westerweel.

Helene Hertha Wohlfarth-Katz (Offenbach, Duitsland, 14-4-1909) vertaalde teksten uit het Duits voor de illegale pers.

Veel vrouwen

Aan bovenstaande namenlijst vallen een paar dingen op. Toen vier decennia na de bevrijding duizenden Verzetsherdenkingskruizen werden uitgereikt, was daarvan eenderde voor vrouwen. Maar hierboven staan elf joodse verzetsvrouwen en slechts vijf mannen. Het is een opvallend verschil met het algemeen geldend beeld van de ondergrondse werkers in Nederland.
Verder worden hierboven negen onderduikers in de Zaanstreek en zeven Zaans-joodse inwoners genoemd. Bij de laatste groep bevinden zich vijf personen die gemengd gehuwd of dankzij valse documenten ‘ontjoodst’ waren. Het betekende dat zij in beginsel niet naar een concentratie- of vernietigingskamp hoefden en dus meer verzetsmogelijkheden hadden dan degenen die al in 1942 of ’43 een oproep kregen om naar Westerbork te vertrekken.
Voor de joodse onderduikers die in verzet kwamen, geldt dat het merendeels vluchtelingen uit nazi-Duitsland betrof. Zij hadden al in de jaren dertig de gruwelen in hun vaderland ervaren en waren daardoor beter voorbereid op een ondergronds bestaan dan de oorspronkelijk Nederlandse joden, die gaandeweg en vaak te laat ondervonden wat de nationaalsocialistische plannen waren.

Hoger aandeel

Uitgaand van bovenstaande namen en alleen de betrokkenen van achttien jaar en ouder tellend, kom ik uit op 2% van de ‘autochtone’ joodse Zaankanters en 3% van de joodse onderduikers in de Zaanstreek die zich ontwikkelden tot verzetsstrijder. Volgens Loe de Jong nam 0,5% van de bevolking in Nederland deel aan het verzet, maar dat was inclusief alle kinderen en jongeren. Zelfs als die niet worden meegeteld (ongeveer eenderde van de totale populatie), blijft het percentage dat De Jong aan het verzet toeschreef ruim onder de 1%. De Zaanse cijfers vertalend naar heel Nederland zou je kunnen concluderen dat de joodse deelname aan het verzet drie tot vijf keer hoger lag dan het aandeel van de niet-joodse bevolking. Dat is dus aardig in lijn met het ‘natte-vingerwerk’ van Martijn Katan.

Maar…

Tegen deze berekening kunnen de nodige bezwaren worden ingebracht. De mate van verzet verschilde per regio, en dus ook het verzet waarbij joden betrokken waren. Zo is bekend dat in de Zaanstreek relatief meer illegale activiteiten plaatsvonden dan elders in Nederland. Dat kan van invloed zijn op de genoemde percentages.
Verder hanteerde zoals gezegd Loe de Jong een smalle definitie van verzet, waardoor meerdere van bovengenoemde namen waarschijnlijk niet aan zijn criteria voldeden. Er bestaan bovendien geen kant en klare lijsten van verzetsstrijders, en al helemaal geen overzichten met joodse illegalen in de ene en niet-joodse in de andere tabel, waardoor een volledige betrouwbare vergelijking mogelijk is. En zo zijn er nog wel wat kanttekeningen te plaatsen.
Het maakt het aangekondigde NIOD-onderzoek naar het joodse verzet in Nederland des te pregnanter.

Amsterdams monument voor de joodse verzetsstrijders die de oorlog niet overleefden (Wikipedia)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Verzetsleider Theo Dobbe, van jager tot prooi

Na jarenlang jacht op hem te hebben gemaakt, kreeg de Sicherheitsdienst Theo Dobbe (1901-1944) op Dolle Dinsdag eindelijk te pakken. De voormalige vertegenwoordiger van de Nederlandsche Linoleumfabriek in Krommenie had verspreid over het land talloze aanslagen gepleegd. Geen wonder dat de Duitsers hem uit de weg wilden ruimen. In mijn boek De levens van Johnny de Droog beschrijf ik de laatste uren van deze rusteloze en veelzijdige verzetsstrijder. Hier het betreffende hoofstuk.

(Collectie F. Vogels)

SS-leider Hanns Albin Rauter beschouwde Theo Dobbe als een van zijn grootste tegenstrevers, en daar had hij alle reden toe. De capitulatie van het Nederlandse leger was amper een feit toen Dobbe zijn zekerheden als hoofdvertegenwoordiger bij een Krommenieër linoleumfabriek inruilde voor een leven als fulltime verzetsman. Samen met onder anderen Gerard Reeskamp en Jan van Straelen roofde hij wapens, munitie en springstoffen uit de Vesting Naarden. Ze waren ook betrokken bij het opblazen van een Amsterdamse villa waarin Duitse officieren werden gehuisvest. Alles wat de vijand schade kon berokkenen pakten ze aan, bijna ongeacht de consequenties. Hun onverschrokkenheid, zo niet roekeloosheid, leidde er toe dat arrestatie een kwestie van tijd was. Maar waar Van Straelen na zijn aanhouding in september 1942 nooit meer vrij zou komen, lukte het Dobbe een klein jaar daarvoor om zich, ingesmeerd met zeep, door een getralied wc-raampje te persen en via een met prikkeldraad afgedekt hek de buitenwereld te bereiken. Hij ontkwam daardoor niet alleen aan de gevangenis, maar ook op het nippertje aan executie.

Theo Dobbe

Met Friesland als zijn nieuwe standplaats trok Dobbe door het land, rustelozer dan ooit. Hij gaf leiding aan de eerste grootschalige roof van bonkaarten. Vlotte prater die hij was eiste hij, gekleed in marechaussee-uniform, brutaalweg de administratie op van het distributiekantoor in Joure. De buit was zo groot dat een deel kon worden verkocht op de zwarte markt. De verdiensten kwamen ten goede aan de illegale pers. De Duitsers reageerden geagiteerd. Aan de tipgever die hen naar Dobbe – wiens foto een prominente plek kreeg in het Nederlandsch Buitengewoon Politieblad – en zijn twee mededaders leidde beloofden ze een voor die tijd buitensporige beloning van tienduizend gulden.

Collaborateurs

Dobbe pleegde niet alleen roofovervallen, maar bevrijdde ook gevangenen. Hij was betrokken bij het vervalsen van documenten, redde neergestorte vliegeniers en hielp onderduikers. Als hooggeplaatst lid van de Landelijke Knokploegen kreeg hij de taak om een Opruimingsdienst te vormen die verraders en andere collaborateurs moest liquideren. Dat was een kolfje naar zijn hand. Zoals hij inmiddels de meest gezochte illegaal van Nederland was, zo stond Johnny de Droog bovenaan zijn eigen dodenlijst. Die was verantwoordelijk voor de arrestatie van vele Ordedienstleden. Onder wie Jan van Straelen, die vanuit zijn Utrechtse cel beklemtoonde dat het signalement van de Judas moest worden verspreid. ‘Waarschuw iedereen tegen hem.’

Tot de gewaarschuwden hoorde in ieder geval Theo Dobbe, zijn verzetscommandant. Die bezocht met een kameraad de Arnhemse Rijnstraat. Tegenover Christina de Droog deden ze zich voor als medewerkers van de Centrale Recherche. Ze kon hen niet helpen; Johnny was niet thuis en ze had geen idee wanneer dat wel het geval zou zijn. Omdat hij handelsreiziger was – ze wist niet beter dan dat hij daarmee zijn brood verdiende – gebeurde het wel vaker dat hij langere tijd elders verbleef. Het duo verrichtte nog wel een huiszoeking, maar ook die leverde niets op. Een herhaald bezoek aan Arnhem bleef al net zo vruchteloos. De fietsenmaker was verhuisd zonder zijn nieuwe adres achter te laten.

Johnny de Droog

Even leek het er op dat de groep-Dobbe zijn zoektocht kon staken. Eens per maand ging er op de Hasseltse Holtrustweg een man van deur tot deur. Hij vroeg overal of hij wat eten kon kopen en verliet na een geslaagde boodschappentocht weer het stadje, de tassen volgeladen met eieren, meel, aardappelen en vlees. In het Overijsselse Hasselt was hij onbekend en zijn ‘Hollandse’ accent verraadde dat hij van elders kwam. Toen een lid van de Meppeler Knokploeg een ondergronds blad met foto’s van collaborateurs onder ogen kreeg wist hij het zeker: de anonieme voedselhaler was in werkelijkheid Johnny de Droog. De gelijkenis met de gezochte verrader was inderdaad treffend. Hij werd daarom van straat geplukt en in een koeienstal vastgebonden. Wapens had hij niet bij zich, maakte een fouillering duidelijk. Zijn persoonsbewijs stond op naam van Lemke. Een eerste verhoor van de verbaasd ogende, alles ontkennende man leverde niets op.

Het werd tijd voor een steviger aanpak. Een Knokploeglid pakte een stevig touw en sloeg de verdachte daarmee enkele malen hard op zijn schouders en rug. Het hielp niet; de kermende gevangene bleef alle beschuldigingen ontkennen. De KP’ers begon te twijfelen. Ze trokken zich voor overleg terug in een hoek van de stal. Na wat heen en weergepraat besloten ze dat een van hen in westelijk Nederland navraag zou doen. De Droog alias Lemke bleef in de tussentijd vastzitten. Toen de KP’er na enkele dagen terugkwam had hij geen spoor van bewijs tegen de gevangene kunnen vinden. Hun vergissing beseffend liet het schuldbewuste verzetsgroepje Lemke los, onder de toezegging dat hij de rest van de oorlog welkom was om gratis voedsel te komen ophalen. Aldus geschiedde.

Laatste klusje

Op 4 september 1944 nam Theo Dobbe afscheid van zijn gezin. ‘Ik moet nog één laatste klusje doen’, legde hij zijn vrouw uit. Zij had hem al eerder gevraagd om te stoppen met zijn ondergrondse avonturen en deed nu weer een poging: ‘Je hebt al genoeg gedaan.’ Haar echtgenoot was resoluut. ‘Morgen ben ik er weer.’ Hij nam nog even snel zijn dertienjarige dochter mee naar Arnhem. Daar kreeg ze een nieuwe regenjas. ‘Kom je echt terug straks, pap?’, vroeg ze bezorgd. ‘Mocht dat niet zo zijn, wil je dan voor je moeder de grootste bloemenmand kopen die er is?’, reageerde hij.

Dobbe was goedgehumeurd en optimistischer dan ooit. ‘Het uur der bevrijding waarop gij zo lang gewacht heeft is zeer nabij’, jubelde het ondergrondse blad De Bevrijding. ‘Er wordt reeds in België gevochten. Met rasse schreden naderen de geallieerden de Nederlandse Z-grens.’ In het geruchtencircuit zong ’s morgens rond dat de grens zelfs al was bereikt. Sterker, de Canadezen zouden Breda ontzet hebben. Premier Gerbrandy bevestigde deze mythe ’s avonds via Radio Oranje. Het was een kwestie van dagen of hoogstens weken tot de totale Duitse ineenstorting, dachten vriend en vijand. Maar voor het feesten kon beginnen wilde Theo Dobbe een belofte aan zijn vermoorde kameraad Jan van Straelen inlossen. Zijn eerdere pogingen om De Droogs spoor te volgen hadden gefaald. Nu moest het er maar eens van komen. De verrader had al te lang geleefd.

Dolle Dinsdag

In de ochtend van wat later bekendheid zou krijgen als Dolle Dinsdag verliet Dobbe de familie waar hij had mogen slapen. Met een aktetas bij de hand fietste hij naar de Amsterdamscheweg, de verbinding tussen Arnhem en Ede. In de tas zaten wat mouwbanden met het woord ‘Oranje’. Hij had ze de voorgaande nacht gemaakt. Ze zouden die herkenningstekens nodig hebben als de bevrijding daar was.

Theo Dobbe had om zeven uur met enkele manschappen afgesproken bij het aan de bosrand gelegen hotel De Leeren Doedel, net buiten de Arnhemse bebouwing. Het was hem bekend dat Johnny de Droog een paar honderd meter verder een tuinhuisje bewoonde. Dat was te bereiken via een bospad achter een boerderij. De anderen stonden al bij De Leeren Doedel te wachten, zag hij tot zijn genoegen. Hij reed hen voorbij, wetend dat ze in zijn kielzog zouden volgen. Het leek Dobbe verstandig om de omgeving te verkennen alvorens het vonnis te voltrekken.

Het was druk met legervoertuigen op de Amsterdamscheweg. Een dag eerder hadden geallieerde troepen Antwerpen bevrijd. Talloze uit Frankrijk en België gevluchte Wehrmachtonderdelen nestelden zich in Noord-Brabant, Limburg en Gelderland. Ze namen posities in om de aanvallers onder de grote rivieren te houden. Overbelaste trucks trokken voorbij. Soldaten met koffers aan het fietsstuur laveerden daar tussendoor. Duitse burgers en Nederlandse nazi’s probeerden het vege lijf te redden. De chaos was compleet.

Dobbe stak de weg over en ging met een van zijn metgezellen vooruit. Aan het begin van de Wekeromscheweg woonde een boswachter. Van hem hoorden ze dat hun doelwit thuis was. Het geluid van schoten bevestigde dat; De Droog was weer eens aan het oefenen in zijn tuin. Het maakte zijn belagers extra voorzichtig. De veiligste werkwijze leek hen om de woning te omsingelen, de hoofdbewoner binnen schootsafstand te lokken en dan toe te slaan.

Arrestatie

De twee verkenners liepen terug naar de Amsterdamscheweg. Dobbe bleef met de fiets aan de hand in de berm staan kijken naar de chaotische terugtocht van de Duitse troepen, terwijl zijn partner de anderen ophaalde. ‘Mijnheer, blijft u staan’, hoorde Dobbe onverwacht roepen. Van Dobbe was niet van plan om gehoor te geven aan dat bevel. Hij gooide zijn fiets op de grond en liep in de richting van het bos, wetend dat zijn vrienden zich daar schuilhielden. Verder dan een paar meter kwam hij niet. Uit de struiken doken twee geüniformeerde Duitsers op. Ze werden vergezeld door een vrouw en Johnny de Droog. Theo Dobbe zette nog een paar passen naar wat hij hoopte de weg van de vrijheid zou zijn. ‘Blijf staan of ik schiet’, klonk het nu dreigender. Hij kon niet anders dan omdraaien en zijn handen in de lucht te steken.

Vanuit het dichte groen langs de weg zag een secondant hoe Dobbe tussen de twee Duitsers werd weggevoerd. De Droog fietste er langzaam achteraan. Het was alweer enkele maanden eerder dat zijn chef hem had gezegd: ‘U moet zien Dobbe te pakken te krijgen, want daar hebben wij belang bij.’ Hij besefte de hoofdprijs te hebben veroverd door, als zo vaak, op het juiste moment op de juiste plek te staan.

Theo Dobbe, kort voor zijn dood (NIMH)

Leeren Doedel

Het hele gezelschap verdween in De Leeren Doedel. Dobbes strijdmakkers wachtten niet af. Ze haalden hulp en posteerden zich verdekt langs de weg. Toen de bewakers en hun arrestant even later het hotel verlieten ontging het hen dat er langs de Amsterdamscheweg gewapende mannen lagen, klaar voor een bevrijdingspoging. De colonnes met Wehrmachtwagens bleven maar passeren, in een eindeloze file. Er was geen schijn van kans dat Dobbes ontzetting onder deze omstandigheden zou slagen. Het laatste restje verzetshoop verdween toen het groepje de gevangene naar binnen leidde bij SD-rechercheur Piet Wamelink, die vlakbij De Leeren Doedel woonde. Diens echtgenote was getuige van Dobbes aanhouding. Daartoe gevraagd vertrok ze naar het SD-kantoor in Arnhem om versterking en een vervoermiddel te halen. Ze had maar weinig tijd nodig. Een handvol beambten ging onmiddellijk mee naar haar woning en trof daar De Droog aan, zijn pistool gericht op zijn aartsvijand.

Nadat Dobbe was overgebracht naar de Dienststelle wilde hij aanvankelijk zijn naam niet noemen. Dat veranderde toen August Ahlbrecht zijn portretfoto liet zien. Dobbe was een oude bekende, wilde hij maar zeggen. ‘Je bent nu vastgelopen’, stelde de Sturmscharführer vast. Dobbe, die tot dan gebruikmaakte van een reeks pseudoniemen, bevestigde zijn identiteit en zei dat De Droog hem had gepakt. Verder liet hij weinig los. Na een half uurtje werd hij afgevoerd naar een cel. Nog diezelfde middag bracht Ahlbrecht hem over naar SS-Lager Avegoor. ‘Ik kreeg van Thomsen een gesloten envelop mee die ik overhandigen moest aan de Obersturmführer van Avegoor. Onderweg vroeg Dobbe aan mij: “Wat moet er met mij gebeuren?”, waarop ik hem ten antwoord gaf: “Ik moet je overgeven aan de Waffen-SS.” Ik kon wel denken wat met Dobbe zou gebeuren, maar het was zwaar voor mij om dit te zeggen.’

Briefje

Mocht Dobbe nog hoop hebben dat de oprukkende geallieerde divisies zijn noodlot konden keren dan haalde Dolle Dinsdag die radeloze droom onderuit. De Duitsers hadden haast en wilden alle ballast kwijt. Hij moest opnieuw in een auto plaatsnemen. Die reed achter een vrachtwagen aan waarin zich tien gewapende SS’ers bevonden. Na enkele minuten stopten ze bij buitenplaats het Hof, even ten zuiden van Dieren. Het gezelschap stapte uit. Dobbe besefte inmiddels wat hem te wachten stond. Hij zei dat hij graag een afscheidsbrief aan zijn vrouw wilde schrijven. Dat mocht. Ten overstaan van twee SD’ers met het pistool in de aanslag zette hij wat zinnen op papier. Het moment dat hij het briefje overhandigde benutte hij om een greep te doen naar een op hem gericht vuurwapen. Er klonk een schot. Theo Dobbe viel neer. Zijn hoofd bloedde. Een tweede schot maakte aan alle onzekerheid een einde. Enkele SS’ers wikkelden een zeil om het lichaam, dat vervolgens in een kuil verdween. Dobbes donkergroene vilten hoed werd op het slordig neergelegde pakket gegooid. Daarna vulden de mannen het graf met zand.

(Collectie J. Vet)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Nazihandlanger/publicist M. Duyvis uit Zaandam

Aan het christelijke Nederlandsche volk zag het daglicht in januari 1941. Het boek ‘werd in beslag genomen en, nadat men gepoogd had mij voor gek te verklaren, weer vrijgegeven door de daartoe bevoegde instanties in Nederland’. Dit warrige politieke schotschrift vloeide voort uit het brein van oud-Zaankanter M. Duyvis. Wie was deze fanatieke antisemiet en Hitler-aanbidder?

De (bijna?) gekverklaarde auteur -het vergt hier te veel ruimte om het hoe en waarom te duiden- plaatste voorin Aan het christelijke Nederlandsche volk een foto van zichzelf. Te zien is een oudere heer achter een degelijke typmachine. Hij kijkt met een ietwat gekwelde blik langs de lens. Zijn 268 pagina’s tellende, tweedelige boek eindigt met een foto van de Führer, ‘onze Groote Broer’. De tussenliggende tekst is een mix van jodenhaat, nazisupport en opschepperij over de groten der aarde die Duyvis zou hebben ontmoet dan wel geholpen. Het is het verhaal van een nationaalsocialistische pocher op leeftijd. Zijn in het voorjaar van 1941 vrijgegeven schrijfsel belandde na de bevrijding op de mestvaalt van de geschiedenis, ondanks dat de auteur het vier jaar eerder nog een enorm succes noemde. Ook de schrijver zelf verdween uit het zicht. Wie was deze publicist?

M. Duyvis

Een paar bijna willekeurige citaten uit Aan het christelijke Nederlandsche volk maken veel duidelijk. Laat ik beginnen met de lange openingszin van het boek: “Nu meer en meer het besef begint door te dringen, dat niets en niemand de wording van het nieuwe Europa, opgebouwd in nationaal-socialistischen en fascistischen geest, zal vermogen te weerstaan en velen in hun gesprekken uit laten komen overtuigd te zijn, dat de oude orde welke Engeland met zijn verschillende handlangers trachtte te handhaven, binnen afzienbaren tijd tot het verleden zal behooren, zonder evenwel het juiste begrip te hebben, hoe deze ontwikkeling historisch gegroeid is, lijkt het mij nuttig aan de hand van de feiten, na te gaan, hoe het zaaien van corruptie door Frankrijk en Engeland als oogst heeft doen ontstaan de vernietiging van deze landen.” Een eind verderop kan Duyvis niet nalaten te beweren dat zo ongeveer al zijn eerdere voorspellingen zijn uitgekomen, maar dat geldt dus niet voor deze langdradige start van zijn boek.

Een andere quote: “Het moet U toch duidelijk zijn, volksgenooten, in welken toestand de plutocraten, vrijmetselaars, joden enz., van Engeland, Amerika en Frankrijk hun bondgenoot Italië met het verdrag van Versailles hebben achtergelaten.” Voortbordurend op deze complottheorie wijst Duyvis vervolgens keer op keer de joden en vrijmetselaars aan als aanstichters van vrijwel al het kwaad in de wereld. De kop van één van zijn hoofdstukken vat zijn gedachtegoed samen: “Hoe de democratische vrijmetselaars en joden-gezelschappen hun rottigheden verbergen door gebruik te maken van de christelijke vlag.”

Tegenover deze boosdoeners staat zijns inziens Adolf Hitler, de geduldige vredestichter. “Dat Hitler de juiste man is op de juiste plaats, zal vriend en vijand moeten toegeven. Wat hij voor het Duitsche volk gedaan heeft en wat hij nu bezig is te doen voor de geheele wereld (en hij zal slagen, dat verzeker ik U) is enorm. (…) Deze heilige met zijn idealen wordt aangebeden door 90 millioen Duitschers en ik voorspel U, dat in zeer korten tijd, alle Germaansche volken van Europa hem zullen opeischen als hun heilige, dezen eenvoudigen man.” Het is ideologische wartaal, kwaadaardige onzin. En dat dus 268 pagina’s lang.

Citaat uit Aan het christelijke Nederlandsche volk

Uit zijn tekst valt op te maken dat Duyvis rond 1900 een rijwielfabriek had, eerst in Rotterdam en daarna in Schiedam. Deze vader van twee dochters (geboren in 1902 en 1905) woonde aanvankelijk op de Heemraadssingel, maar in 1940 op de Rochussenstraat 105a, beide in Rotterdam. In 1906 verloor hij zijn linkerbeen. Toen hij viel reed er een tram overheen. Wellicht betekende dit ongeluk het begin van het einde van zijn fietsbedrijf, want dat werd in 1908 failliet verklaard. Duyvis vertrok daarop naar Turijn. Daar werkte hij enkele jaren in de Fiat-fabriek. In 1915 reisde hij naar Nederlands-Indië, waar hij een aantal maanden verbleef. In 1919 keerde hij terug naar Nederland, na opnieuw enkele jaren Italië.

Arnhemsche Courant (25-4-1906)

Een kleine rekensom op basis van zijn mededeling een jaar jonger te zijn dan Hendrik Colijn leidt tot de conclusie dat M. Duyvis in 1870 ter wereld kwam. Maar daarna meldt deze boerenzoon tot vijf keer toe 66 te zijn, waaruit voortvloeit dat hij rond 1874 geboren is. Hij kreeg de voornaam van zijn vaders vader, maar noemt die alleen terloops. (“Tinus, ik ben in Nederland”, citeert hij zijn broer). Dat drie jaar jongere broertje kreeg overigens de voornaam van zijn moeders vader, Freek. Uit Duyvis’ verhaal valt verder af te leiden dat hij vanaf zijn tiende naar de (particuliere) christelijke school aan het Zaandijkse Darmenpad (de tegenwoordige Smidslaan) ging. Daar kreeg de latere NSB’er -slechts- twee jaar les van de enige leraar ter plekke, de heer Breebaart (‘want van de andere scholen was ik weggejaagd geworden, wegens mijn karakter.’). Toen hij veertien was, woonde de schrijver naar eigen zeggen in Zaandam.
Tot zover de aanwijzingen die naar de verdere personalia van M. Duyvis moesten leiden.

Citaat uit Aan het christelijke Nederlandsche volk

Het zijn genoeg bouwstenen om Duyvis’ levensloop te achterhalen. Hij bleek in werkelijkheid Duijvis -met een ij- te heten en een zoon te zijn van de in Zaandam geboren veehouder Pieter Duijvis (21-7-1842) en van Catharina Petronella Duijvis-Schweeke. Zij kwam op 16 oktober 1836 ter wereld in Monnickendam, de plaats waar ook onze auteur geboren werd. Dat gebeurde op 4 mei 1875. De boreling ging als Martinus de boeken in. Zijn broertje ‘Freek’ heette voluit Frederik Willem en was inderdaad drie jaar jonger.

Dat Martinus Duijvis in Monnickendam het licht zag, had alles te maken met zijn moeder. Een jaar voor Martinus’ geboorte verhuisde zijn vader van Zaandam naar het vissersdorp, waar hij op 29 maart 1874 met Catharina in het huwelijk trad. Nog geen drie jaar later keerde Pieter met zijn vrouw en oudste zoon terug naar de Zaanstreek. Niet naar Zaandam overigens, maar naar Assendelft. Dat was ook het dorp waar Freek werd geboren. De familie ging wonen bij Pieters broer Gerrit Duijvis, eveneens een veehouder.

Vijf jaar later, in 1882, verruilde het gezin Duijvis -op Martinus’ zevende verjaardag- Assendelft voor de Vaartdijk 420 in Westzaan. Weer vier jaar daarna ging het nog een paar kilometer oostelijker, naar het Jan de Wittepad 347 in Koog aan de Zaan. En van daar verhuisde het gezin naar de Oranjestraat G363, vlakbij het Zaandamse treinstation. Pieter Duijvis was inmiddels afgezakt van boer tot arbeider.

Armoede

De armoede tekende het gezin. Het was in deze periode dat Martinus Duijvis de arbeidersvoorman Ferdinand Domela Nieuwenhuis hoorde, en in de ban raakte van diens retoriek. Citaat: “Ik woonde te Zaandam en ging met mijn vader naar een vergadering op de Oostzijde, waar hij spreken zou. Ik was pas veertien jaar, maar heb nooit vergeten wat hij zei, en Domela is een van mijn leiders geweest in heel mijn verder leven en mijn zwerftochten over de wereld. Hij was de paal waartegen mijn persoonlijke jonge levensboom kon opgroeien.” Hoe lang zijn passie voor het anarchisme overeind bleef, schreef Duijvis niet in zijn boek, maar in 1940 was hij van extreem-links naar extreem-rechts geschoven en hing hij de nazistische beginselen aan.

Handelaar in velocipèdes

In de tussentijd was hij ook uit de Zaanstreek vertrokken. Het lijkt er op dat het gezin Duijvis in de jaren ’90 uiteenviel. Moeder Catharina vertrok in 1894 naar Oostzaan en vader Pieter keerde in 1898 terug naar Westzaan. Maar al twee maanden voor zijn moeder Zaandam verliet, deed ook Martinus dat. Per 5 mei 1894, daags na zijn negentiende verjaardag, werd hij bijgeschreven in Amsterdam. Zijn vormingsjaren waren Zaans gekleurd, nu ging hij het als ‘handelaar in velocipèdes’ proberen in Amsterdam. Dat verliep blijkbaar niet meteen naar wens, want acht maanden later ging hij zijn moeder achterna naar Oostzaan. In het voorjaar van 1896 was hij terug in de hoofdstad. Daar probeerde hij ditmaal zijn brood te verdienen als kellner. Ook dat duurde niet lang; op 27 januari 1897 vertrok hij samen met zijn moeder en broer naar Rotterdam. Martinus huwde er Wilhelmina Aletta de Recht, met wie hij aan het begin van de twintigste eeuw twee dochters kreeg. En hij keerde terug naar zijn eerdere professie, rijwielfabrikant en -verkoper.

“Failliet 22-5-1908”, meldt Duijvis’ kaart van de burgerlijke stand. Het betekende het begin van zijn inmiddels eenbenige tocht naar het buitenland, een reis die via Brussel naar Italië en Nederlands-Indië liep. Waarmee hij in het interbellum zijn brood verdiende, is me niet duidelijk. Maar begin 1941 was de inmiddels gepensioneerde ex-fietsenmaker terug. Zijn aanvankelijk uit de handel gehaalde en inmiddels heruitgegeven en aangevulde Aan het christelijke Nederlandsche volk deed toen de ronde langs het deutschfreundliche deel van de natie.

In zijn boek haalde Tinus Duijvis een paar keer aan dat hem op korte termijn waarschijnlijk een ‘soberen houten villaatje’ wachtte. Daarin kreeg hij wel gelijk. Hij overleed op 8 september 1942 in Apeldoorn. Een naoorlogse veroordeling wegens collaboratie bleef hem daardoor bespaard. Vergetelheid werd zijn deel.

De slotwoorden van Aan het christelijke Nederlandsche volk

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De onbekende verzetsgroep Kempenaar

In mei 2021 ontving het Gemeentearchief een flinke stapel documenten en foto’s van de Zaandamse firma P. & K. Bets. Tussen de papieren van deze binnenvaartschippers zaten veel verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog. Directeur Klaas Bets bleek deel te hebben uitgemaakt van de verzetsgroep Kempenaar, een nauwelijks bekende ondergrondse organisatie.

De vrachtvaarders van de Zaanse familie Bets opereerden met twee bedrijven. In Zaandijk zat Bets & Zonen, in Zaandam P. & K. Bets. De Zaandijkse tak kon in de oorlog blijven varen met een paar motordekschuiten die, bij gebrek aan andere brandstoffen, waren uitgerust met kolenvergassers. Bekend is het verhaal van een reis die beide schepen tijdens de Hongerwinter naar Friesland maakten. Na een IJsselmeertocht vol hindernissen kwam de bemanning terug met een lading aardappelen en een Friese onderduiker. Die was in de machinekamer van de ‘Zaanlander 2’ achter een dubbele wand verstopt.

Reijer Bets (1866), de directeur van Bets & Zonen, woonde aan de Lagedijk 12. Deze streng gelovige aanhanger van de Nederlands-Hervormde kerk zou er voor hebben gezorgd dat zijn joodse buurtgenote Judith van Thijn (1865) vanaf 1943 onderdak kreeg in ‘Ons Verpleeghuis’, dat in Koog aan de Zaan stond. Door daar onder te duiken, overleefde ze de oorlog. De firma Bets & Zonen keerde zich dus op meerdere manieren tegen de bezetter. Opvallend is echter dat de verzetsdocumentatie die het Gemeentearchief Zaanstad in 2021 ontving niet de Zaandijkse scheepvaarders betrof, maar hun familieleden uit Zaandam.

Houten Bets

Ook het Zaandamse familiebedrijf P. & K. Bets was ondergronds actief, maar dat lijkt alleen in kleine kring bekend te zijn. Deze binnenvaartschippers vervoerden voornamelijk hout, vandaar dat de onderneming in de volksmond bekendstond als ‘Houten Bets’. Klaas Bets (Zaandam, 22-6-1897) en zijn echtgenote Theodora Wilhelmina Gräfe (Zaandam, 21-12-1899) woonden op de Prins Hendrikkade 6a. Recht tegenover hun deur lag hun bezit in de Voorzaan, binnenvaartschepen met namen als ‘De Trouw’ en ‘Het Vertrouwen’.

Klaas Bets, 1941 (Gemeentearchief Zaanstad)

Het opvallendste document in het bedrijfsarchief dat naar de oorlog verwijst, betreft een door motten aangevreten ‘Oorkonde ter herinnering aan den verzetstijd van groep “Kempenaar”.’ De in november 1945 opgestelde papieren waardering betreft het tijdvak 6 september 1944 tot 8 augustus 1945. De periode dus tussen Dolle Dinsdag en de atoombom op Nagasaki, die het einde van de Tweede Wereldoorlog bezegelde. Op 5 september 1944 ontstonden de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten, de bundeling van de belangrijkste gewapende organisaties. Ook de groep Kempenaar -een vernoeming naar een type binnenvaartschip- was vanaf die dag een (bescheiden) BS-onderdeel. De oorkonde geeft echter geen aanwijzingen waaruit Klaas Bets’ ‘hulpverleening aan het Land, gedurende en na de bezetting door den vijand’ binnen de groep Kempenaar bestond.

In de collectie-Bets zitten meer stukken die naar de jaren ’40-’45 verwijzen. Maar wat deed toch die groep Kempenaar waarvan Klaas Bets deel uitmaakte?

Klaas en Reijer Bets, hout overladend bij de loswal van de Prins Hendrikkade (Gemeentearchief Zaanstad)

Vaartuigendienst

Op 19 juni 1945 liet een verslaggever van De Nieuwe Dag weten: “Een bijzondere verzetsgroep van de B.S. heeft gedurende de bezetting zooveel mogelijk het werk voortgezet van het ‘Vaartuigendepot Amsterdam’ van de Ned. Marine. Zoo vond de sectie ‘Inland Water Transport’ van het Can.[adese] leger in den ‘Vaartuigendienst’, zooals de voortzetting van het ‘Vaartuigendepot’ werd genoemd, aanstonds na de bevrijding een orgaan, bekwaam en bereid om alle Duitsch geverfde scheepsruimte terug te brengen naar de oorspronkelijke eigenaars.”

De Duitsers hadden tussen 1940 en 1945 duizenden schepen gevorderd, om ze te kunnen gebruiken bij hun strijd tegen de geallieerden. Begin mei 1945 waren er van de 21.000 vooroorlogse binnenvaartschepen nog maar zo’n 10.000 in handen van de rechthebbenden. Er werd echter dag en nacht doorgewerkt om de diefstallen terug te draaien. De Nieuwe Dag op 19 juni: “Reeds 10.665 schepen heeft deze Verzetsgroep Kempenaar in Amsterdam opgespoord en 400 daarvan konden onmiddellijk aan de eigenaren worden teruggegeven.”

De groep Kempenaar probeerde dus, zodra de Duitse capitulatie was bezegeld, geroofde schepen te inventariseren en terug te bezorgen bij de rechtmatige eigenaars. Daags na de bevrijding ontving de tot BS-sergeant benoemde Klaas Bets al een schriftelijke oproep om ‘zich met spoed te begeven naar het Zeemanshuis, Kadijksplein 17-18 te Amsterdam, en zich onder de bevelen van den Commandant dier groep [Kempenaar] te stellen’. Het Zeemanshuis, tot het door de Duitsers werd ingepikt een goedkoop hotel voor zeelieden, was voor even het hoofdkwartier van de botenspeurders.

De mobilisatie-oproep voor de verzetsgroep Kempenaar viel in de bus bij met name mannen uit Amsterdam en Badhoevedorp. En bij nog één andere Zaandammer: sergeant Jacobus Geilings (Fijnaart en Heiningen, 9-11-1906). Die woonde in de Burgemeester ter Laanstraat 118, een paar honderd meter van de firma Bets.

Tot zover het werk van de groep Kempenaar na de bevrijding. Maar wat deden de leden tijdens de bezetting? En wat was de rol van Klaas Bets? De stukken bij het Gemeentearchief Zaanstad bevatten geen harde feiten, hoogstens wat aanwijzingen. Zoals die brief uit mei 1943. De bezetter had zojuist verordonneerd dat de Nederlandse oud-militairen zich moesten melden voor de Arbeitseinsatz. Onder hen bevonden zich ook de nodige mannen die inmiddels werkzaam waren in de scheepvaart. Kuindert M. Poll riep daarop zijn betrouwbaar geachte collega’s op om gul te doneren voor de familieleden van de getroffen ex-militairen. De opstandigheid spatte van het papier. Of Poll betrokken was bij de latere groep Kempenaar blijft in het ongewisse, maar de toon was gezet.

Het voormalige illegale blad Vrij Nederland lichtte op 23 juni 1945 een tipje van de sluier op aangaande de groep Kempenaar. “Een van de meest rasechte ondergrondsche organisaties was de groep ‘Kempenaar’, waarin een deel van het verzet van de binnenschippers zich afspeelde”, schreef de dienstdoende redacteur. “De oorsprong van die groep lag in den Vaartuigendienst van het Nederlandsche leger, en in September 1944 werden deze mannen opnieuw met hun schepen ingeschakeld, nu in het strijdend gedeelte van de BS. Er werd goed werk verricht, onder meer voor clandestiene voedselvoorziening in den afgelopen hongerwinter.”

Daar bleef het niet bij. VN: “In April kreeg deze groep opdracht alle te Amsterdam aanwezige schepen, die Duitsch of Duitsch-gevorderd waren, te registreeren en te controleren, teneinde deze na de bevrijding zo snel mogelijk ten gebruike van de bevolking te brengen. Over den heele haven van Amsterdam werden zoodoende circa 1000 schepen gevonden. Na een week of 4 kon er reeds weer een 200-tal in de vaart worden gebracht.” En medio juni 1945 waren er dus al ruim 10.000 eerder geconfisqueerde schepen opgespoord, zoals De Nieuwe Dag enkele dagen eerder berichtte.

Het werk van Klaas Bets, Jacobus Geilings en hun tientallen kameraden was wellicht niet zo spectactulair als dat van hun schietende en rovende collega’s die een andere tak van het ‘strijdend gedeelte’ vormden, maar voor het vlot op gang krijgen van de Nederlandse economie waren ze onontbeerlijk.

Wie meer wil weten over de firma P. & K. Bets -voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog- kan terecht bij het Gemeentearchief Zaanstad.

Nationaal Archief

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Wie was Wimpey, de nazibespotter?

Bij mijn werkgever hangt sinds jaar en dag een spotprent uit 1944, een cadeautje van een bekende. De maker signeerde het destijds illegale werk met ‘Wimpey’. Maar wie schuilt er eigenlijk achter dit pseudoniem?

In 1945 verscheen bij de Amsterdamse uitgeverij De Telg een prentenboek onder de titel Keep smiling! Op het voorblad van het 33 centimeter hoge boek stond de naam van de maker: Willem van Beek. Eindelijk kon hij zijn eigen naam verbinden aan de vijftien daarin afgedrukte tekeningen. Van Beek had ze getekend toen de bezetting nog een feit was. Hij koos daarom aanvankelijk voor het geallieerd klinkende pseudoniem ‘Wimpey’.

Keep smiling! werd gedrukt in een oplage van 5100 exemplaren. De eerste honderd kregen een nummer en gingen naar leden van de voormalige verzetsbeweging. Het was een dankbetuiging van iemand die zich zelf ook had laten gelden tussen 1940 en 1945. Voor de liefhebbers: de vijftien gebundelde cartoons zijn antiquarisch nog wel verkrijgbaar, zij het dat de kosten snel oplopen naar boven de honderd euro.

De spotprent die bij mijn werkgever hangt, is niet terug te vinden in Keep smiling! Deze houtskooltekening dateert uit eind 1944 en komt uit een serie van 35 stuks. Een geallieerde hamer daalt neer op het gehelmde hoofd van een Weermachtsoldaat. De getroffen militair heeft een prop in zijn oor, hetgeen staat voor ‘propaganda’. Zijn bril bestaat uit twee hakenkruizen. Willem van Beek alias Wimpey schreef er in potlood bij: “Kermis 1944. Arme Duitse Michel. Thans het hoofd van Jut!” Dat is een net iets andere zin dan op eenzelfde tekening die het Amsterdamse Verzetsmuseum bezit, als onderdeel van een tiendelige serie karikaturale litho’s. “Arme Michel. Het hoofd van Jut”, staat daar iets bondiger. Een verdere duiding ontbreekt helaas.

Van de site van het Verzetsmuseum neem ik onderstaande tekst over, die een beeld geeft van Wimpeys levensloop.

Willem van Beek (Den Haag 24-5-1918-(?)-(?)-1989) volgde vanaf zijn veertiende lessen aan de Academie voor Architectuur en Kunst in Den Haag (Rijksacademie van beeldende kunsten). Naast tekenonderwijs en kunstgeschiedenis kreeg hij ook les in druktechnieken. In de jaren voor de oorlog hield Van Beek zich onder andere bezig met illustratief/decoratief werk. Gedurende het grootste deel van de oorlog was Van Beek werkzaam als postsorteerder bij het centrale postkantoor te Den Haag. In 1941 raakte hij betrokken bij het verzet. Samen met de Joodse uitgever Willem Polak huurde Van Beek in 1941 een kamer in de Haagse straat de Geest op nummer 74. Daar plaatsten zij drie illegaal gekochte drukpersen, betreffende een steendrukpers, een etspers, en een pers voor monotype. Deze drukpersen werden gebruikt voor vervalsingswerk, onder andere voor de Parool-groep, het drukken van valse serienummers op illegaal verkregen distributiekaarten, en het vervalsen van officiële documenten zoals persoonsbewijzen en reisvergunningen.

Oranjehotel

In oktober 1941 werd Van Beek gearresteerd nadat hij zich op een strand in de buurt van verdedigingswerken had begeven, waar hij het lichaam van een dode Britse luchtmachtsoldaat had gevonden. Op verdenking van beroving van het stoffelijk overschot verbleef Van Beek 3 maanden in de gevangenis in Scheveningen (Oranjehotel). In december 1941 werd hij door een militaire rechtbank in Amsterdam vrijgesproken. Na zijn vrijlating vervaardigde Van Beek in de periode tussen januari 1942 en augustus 1944 een groot aantal aan de oorlog gerelateerde tekeningen, waarvan op de illegale drukpersen afdrukken/ litho’s werden gemaakt. Deze afdrukken werden individueel of in beperkte oplages illegaal verkocht om het verzetswerk te financieren. Het betrof onder andere de serie van 10 karikaturale litho’s die in een oplage van 35 werd uitgegeven. Het benodigde papier was door een lokale verzetsgroep gestolen uit een magazijn in Haarlem. Het meeste drukwerk deed Willem van Beek zelf, maar [hij] werd geregeld geholpen door onderduikers. Na de geallieerde luchtlanding bij Arnhem (Market Garden) was Willem van Beek actief als gids en koerier voor het verzet in bezet Nederlands gebied, en vlak na de bevrijding als vertaler voor het Canadese leger. Willem van Beek vertrok in 1947 naar Engeland. In Londen werkte hij in de grafische sector, en diende hij van 1948 tot 1960 als reservist bij het 22ste Special Air Service (SAS) regiment (The Artist Rifles). Willem van Beek ontving in 1946 het Nederlandse mobilisatiekruis, in 1960 de Britse Efficiency Medal, en in 1985 het Verzetsherdenkingskruis.

Het is summiere informatie over een man die ruimschoots zijn steentje bijdroeg aan het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Veel meer extra informatie dan een ‘Zelfportret in onderduikplaats’ vind ik niet van hem. Het betreft een werk dat eigendom is van het Rijksmuseum. Van Beek heeft daarop zichzelf vastgelegd, liggend in de kruipruimte van zijn moeders Haagse woning. Hij was daar in november 1944 enkele dagen ondergedoken.

En, tot slot, er circuleren ook nog een ex libris en, op de Facebookpagina ‘The Artists of The Artists Rifles, een paar naoorlogse tekeningen. Daar wordt Willem van Beek ‘The Rembrandt of Wandsworth‘ genoemd. Wandsworth is een district in zuidelijk Londen waar de tekenaar toen blijkbaar woonde. Hier een van zijn Britse cartoons, gemaakt rond 1950.

Het is al met al niet heel veel informatie over deze verzetsman/illustrator. Wie aanvullende gegevens heeft, is welkom via info@schaapschrijft.nl.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Hommages aan ‘foute’ striptekenaars

De gemeente Almere vernoemde het figuurtje Gijsje Goochem in de gloednieuwe Stripheldenbuurt. Dat was niet zo eh… goochem, maakte de Wormerveerse schrijver Onno Lassooy in januari 2021 bekend. Gijsjes geestelijk vader Jacobus Grosman had namelijk een donkerbruin verleden, als SS-tekenaar aan het Oostfront. De straatnaam in de Stripheldenbuurt was een indirecte, maar geen unieke hommage aan een Nederlandse collaborateur. Bewust of onbewust kregen meer ‘foute’ tekenaars na de Tweede Wereldoorlog eerherstel.

In 2004 konden de eerste Almeerders hun huizen betrekken in de naar stripfiguren en hun tekenaars vernoemde wijk. Van Donald Ducklaan tot Popeyestraat en van Jan Kruisweg tot Goscinnypad; voor iedere stripliefhebber was er wat wils. Zelfs de fan van het nazistisch gedachtegoed kon er zijn/haar hart ophalen. Jacob Grosman vertrok in 1941 naar Berlijn en van daar naar het Oostfront. Hij maakte ter plekke tekeningen voor de SS-Propagandakompanie. Na de oorlog kon Grosman vrolijk door blijven tekenen, onder meer in de Margriet, Eigen Erf en Ons Geïllustreerd Weekblad. Met de kennis van nu zou het Almeerse college van B&W een creatie van deze collaborateur nooit met een straatnaam hebben geëerd, maar op het gemeentehuis ontbrak destijds de benodigde kennis van zaken.

Almere heeft ook een Kuifjestraat. Geestelijk vader Hergé -een pseudoniem van de Belg Georges Prosper Remi Remi (1907-1983)- collaboreerde eveneens met de bezetter, maakte racistische en antisemitische tekeningen en kreeg na de bevrijding tijdelijk een beroepsverbod.

Willy Vandersteen

De grootste stad van Flevoland beschikt verder over straten die zijn vernoemd naar Suske, Wiske, tante Sidonia en Lambik. Hun maker, de ook al Belgische Willy Vandersteen, deinsde tijdens de oorlog -onder de schuilnaam Kaproen- evenmin terug voor het tekenen van antisemitische strips en het anderszins pleasen van de nazi’s.
Hun meegaandheid deerde uiteindelijk zowel Vandersteen als Hergé niet of nauwelijks. Na 1945 werden hun creaties populairder dan ooit en begonnen ze aan een ware zegetocht. Met als kers op de taart dus een eerbetoon op de plattegrond van Almere (hoewel Vandersteen er zelfs op hoge leeftijd niet voor terugschrok om zo nu en dan wat racisme in zijn plaatjes te verwerken).
Maar hoe zit dat met hun Nederlandse collega-striptekenaars? Kwamen zij brandschoon uit de jaren 1940-1945? En hoe verging het ze daarna?

Gelijkgeschakeld

De gelijkgeschakelde -lees: gecensureerde- kranten plaatsten tijdens de bezetting veel ‘beeldromans’. Er ontstond zelfs extra ruimte voor Nederlandse tekenaars, aangezien de import van de voordien populaire Angelsaksische plaatjesreeksen stilviel. De makers dienden uiteraard wel aangesloten te zijn bij de Kultuurkamer. Op het eerste gezicht zou dat een waterscheiding kunnen zijn tussen de ‘goede’ en de ‘foute’ tekenaars. Maar zo simpel lag het niet altijd. Tom Poes-uitvinder Marten Toonder bijvoorbeeld was lid van de Kulturkammer en tekende in de oorlog voor De Telegraaf, maar toonde zich vanaf 1944 ook dienstbaar aan het verzet. Zijn collega Pieter Kuhn (Kapitein Rob) illustreerde in 1943 en 1944 tientallen boeken voor Westland, een nazistische uitgeverij. Ze droegen titels als Stuka’s vallen aan! en De tsaar, de toovenaar en de jodenKuhn zou naderhand vertellen dat het werk bij Westland een dekmantel was voor zijn illegale werkzaamheden als vervalser van persoonsbewijzen en helper van onderduikers.

Bij iemand als Alfred Mazure is veel duidelijker dat hij aan de juiste kant van de streep stond. Zijn creatie Dick Bos, de detective die zijn tegenstanders dankzij jiu-jitsugrepen van zich afwierp, was tijdens de oorlog zo populair dat er een nazistische versie van zijn hoofdpersoon moest komen. Mazure weigerde. Dick Bos kreeg prompt te maken met een verschijningsverbod. Alfred Mazure nam wraak. Hij leidde een Wassenaarse verzetsgroep en tekende in de illegale pers.

Henk Sprenger

Een andere stripgrootheid, Henk Sprenger (Kick Wilstra) uit Oost-Knollendam, publiceerde in de oorlog in het illegale blad Metro. Dat werd gedrukt bij De Algemene Vrije Illegale Drukkerij (DAVID). Ook hij bleef onbesmet. Anton Pieck, later befaamd vanwege zijn suikerzoete prenten, tekende in de jaren ’20 zo nu en dan een tekststrip voor het blad Zonneschijn. In de oorlog gebruikte hij zijn kennis en kunde om officiële documenten te vervalsen. Hij nam ook joodse onderduikers op in zijn huis.
Strippionier Henk Backer maakte een voortijdig einde aan aan zijn razendpopulaire Tripje-reeks in het Rotterdamsch Nieuwsblad. Hij vertikte het om dat werk in dienst te stellen van de Nationale Jeugdstorm, zoals hem was gevraagd. Eerder had hij al moeten stoppen met zijn strip Adolphus, over een tikje sneue, al wat oudere man. Zijn lezers zouden eens mogen denken dat Backer de Führer bespotte… En Neeltje ‘Toby’ Vos gebruikte haar tekenkwaliteiten tijdens de oorlog niet alleen voor de ‘Kabouterboekjes’ van De Bijenkorf, maar ook om identiteitsbewijzen te vervalsen. Ze bezorgde het ondergrondse Parool en werkte als koerierster. Vos werd opgepakt en verhoord door de beruchte SD’er Willy Lages. Ze wist haar onschuld te bepleiten en kwam weer vrij.

Deze vier mannen en ene vrouw kozen dus voor het verzet, en dat gold ongetwijfeld voor meer tekenaars. Maar waren er ook overduidelijk ‘foute’ Nederlandse stripmakers?

Volk en Vaderland

Cor van Deutekom maakte al voor de oorlog politieke cartoons. Zijn ster steeg toen hij tussen 1940 en 1945 mocht publiceren voor de Nederlands Nationaal-Socialistische Uitgeverij. Verder illustreerde hij onder meer een boek van de nazistische propagandist Max Blokzijl. Ook tekende hij voor NSB-blad Volk en Vaderland en het al net zo extreemrechtse Het Nationale Dagblad. Hoe het Van Deutekom (1895-1981) na de oorlog verging is me niet bekend.

Cor van Deutekom als antisemitische sneltekenaar op de Gedempte Gracht in Zaandam, augustus 1943 (collectie NIOD).

Ook Pax Steen tekende tijdens de oorlog rustig door. Meerdere door de Duitsers goedgekeurde bladen publiceerden zijn tekeningen. Zijn beeldverhaal Bubbeltje en Knor fungeerde zelfs als NSB-propagandastrip. In nota bene de oud-verzetskrant Trouw vond ik de enige verwijzing naar naoorlogs tekenwerk van deze collaborateur. Over Olle en de Peren en Olle en het Varken schreef de dienstdoende redacteur: “Twee fleurig getekende verhaaltjes van Pax Steen, uitgegeven door De Muinck en Co te Amsterdam.” De verslaggever vond het eindresultaat ‘grappig’.

Peter Beekman tekende niet alleen voor meerdere NSB-bladen, hij was ook sinds 1940 lid van die partij. Hij maakte voor uitgeverij NeNaSu (Nederlandse Nationaal-Socialistische Uitgeverij) en Het Nationale Dagblad de krantenstrip Hansje, Ansje en de Meeuw. De hoofdpersoon is actief binnen de Jeugdstorm, de Nederlandse Hitlerjugend. Beekman ontliep desondanks na de oorlog zijn straf en klom zelfs op tot tekenstudiochef van drukkerij Van Boekhoven. Daarnaast tekende hij, onder pseudoniem, voor het marineblad Stella Maris.

Kees Koekkoek zette de nazistische meeloper Koenraad van den Arbeidsdienst op papier en haalde ook nog wat inkomsten uit zijn racistische plaatjes voor het NSDAP-periodiek Het Nieuwe Volk. Een daarop gelijkende nazi-titel in Amsterdam, Werkend Volk, werd geïllustreerd door Sytze Henstra. Die was ook verantwoordelijk voor de tekeningen in Duitse propagandaboeken als Moeder, vertel eens wat van Adolf Hitler en zou de maker zijn van Het lied van Levie, een zwaar antisemitisch werk (De Misthoorn, 1941). Desondanks mocht Henstra na de bevrijding zijn stripwerk bij De Telegraaf hervatten, waar hij voordien ook al zijn brood verdiende.

Bovenstaand overzicht van ‘foute’ striptekenaars is bij lange na niet compleet. Al was het maar omdat sommigen van hen tijdens de bezetting onder een schuilnaam werkten. Een aantal van bovengenoemde illustrators kon na de oorlog doorgaan alsof er niets was gebeurd. En enkelen werden dus zelfs vereeuwigd in de Almeerse Stripheldenwijk.
De Gijsje Goochemstraat is overigens niet veel meer dan een doorgaande steeg zonder woningen. Het lijkt me een relatief kleine moeite om de naam even aan te passen.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Pieter Starreveld uit Koog: monumentenmaker

De geboren Zaankanter Pieter Starreveld maakte ruim twintig oorlogsmonumenten. Opvallend genoeg kreeg geen daarvan een plek in de regio waar hij zijn jongste jaren doorbracht. Over het leven van deze beeldhouwer, een van de belangrijkste en productiefste die Nederland telde, verschijnt binnenkort een monografie.  

“Pieter Starreveld, J.A. Raedecker, Cor van Kralingen en Mari Andriessen behoren tot de meest gevierde makers van oorlogsmonumenten”, schreef Wim Pijbes op 2 mei 2020 in NRC Handelsblad. Pijbes kon het weten, als (onder meer) oud-directeur van het Rijksmuseum. Mari Andriessen is van het genoemde viertal de aansprekendste, als geestelijk vader van De Dokwerker. Cor van Kralingen maakte onder meer het iconische beeld De vallende man, dat te zien is op de begraafplaats in het Rotterdamse Crooswijk en op acht erevelden in binnen- en buitenland. En John Raedecker gold in de jaren ’20 en ’30 van de vorige eeuw als de bekendste Nederlandse beeldhouwer. De beelden van het Nationaal Monument op de Dam kwamen van zijn hand. Maar wie is toch Pieter Starreveld?

Symbolische geboortedatum

Starreveld komt in 1911 ter wereld op een datum die gezien zijn latere levensloop symbolisch genoemd mag worden: 5 mei. Zijn wieg staat in Koog aan de Zaan, in wat dan wijk F, nummer 6 heet (de omgeving van de Hoogstraat). Onder zijn voorouders bevinden zich nogal wat zeevaarders, maar zijn vader had toen hij in 1910 trouwde, moeten beloven dat hij aan wal zou blijven. Adolf Starreveld (1888-1970) begint daarom als lasser in de scheepsbouw. Hij en echtgenote Aagje (1889-1964) verhuizen overigens al snel uit Koog. In 1913 staan ze geregisteerd op het Zaandamse adres Oostzijde 402, drie jaar later in Amsterdam. Daar werkt Adolf voor de gemeente. Hij maakt in de hoofdstad straten, legt rails en graaft riolen in. Zoals zovelen die het niet al te breed hebben, verplaatst het gezin de huisraad op keer. In de Zaanstreek komen ze echter niet meer terug. Tot zijn huwelijk in 1935 blijft Pieter Starreveld met zijn ouders, twee broertjes en een zusje in Amsterdam. Er is slechts één onderbreking, omdat hij weigert onder de wapenen te gaan. Het gevolg is dat hij in Haarlem vervangende dienstplicht moet doen.

Op zijn dertiende begint Pieter bij het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs, op zijn achttiende aan de Rijksacademie voor beeldende kunsten in Amsterdam. Daar volgt hij een opleiding tot beeldhouwer. Om zijn lessen te kunnen bekostigen vervaardigt hij eierdoppen, schaaltjes en andere houten gebruiksvoorwerpen. Hij blijkt talentvol. Als lid van kunstenaarscollectief ‘De Trekvogels’ mag hij al 1931, nog tijdens zijn studie, ‘houten voorwerpen, schalen enz’ exposeren, zoals dagblad De Standaard meldt. “Een bezoek aan de tentoonstelling verdient aanbeveling, men vindt er ernstig en pittig werk.” Daarna gaat het rap. De exposities van De Trekvogels volgen elkaar in hoog tempo op. “De kommen en nappen van Pieter Starreveld zijn licht en forsch en aangenaam in de hand”, recenseert De Telegraaf in 1932. De jonge kunstenaar begint naam en opdrachten te krijgen.

Tweede Wereldoorlog

Eind 1935 trouwt Pieter met Johanna (‘Hannie’) Stolte, een goede vriendin van onder anderen Etty Hillesum. Eerder was Hanie verloofd met publicist Menno ter Braak, maar die heeft ze de bons gegeven. Pieter verdient al als twintiger de kost met onder meer beeldhouwwerk, tekeningen en linosneden. Zijn werk bereikt zelfs het Stedelijk Museum. Tegen de tijd dat de Tweede Wereldoorlog zich aandient, mag hij zich een breed gewaardeerd kunstenaar noemen. Een half jaar voor de Duitsers Nederland bezetten, haalt Pieter nog één keer de landelijke kranten, met een plaquette voor de jubilerende muziekrechtenorganisatie BUMA. Pieter ontwikkelt zich tot een veelzijdig talent. Op de site van het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis staan achter zijn naam niet minder dan elf kwalificaties: “Beeldgieter, beeldhouwer, emailleur, glasschilder, graficus, grafisch ontwerper, medailleur, monumentaal kunstenaar, pastellist, pentekenaar en tekenaar.”

Het links-culturele wereldje waarin het echtpaar Starreveld-Stolte zich beweegt, maakt het bijna onvermijdelijk dat Pieter in het verzet belandt. Zijn weerzin tegen het nationaalsocialisme is al in 1937 publiekelijk zichtbaar. Hij verbindt dan zijn naam aan een manifest tegen de ‘heerschende geestesgesteldheid in het Derde Rijk’, waar ‘ontaarde kunst’ en hun makers het moeten ontgelden. Het moet hem dan ook vreemd te moede zijn wanneer de bezetter de meisjes-HBS in de Amsterdamse Euterpestraat, waarvoor hij een beeld van een jongen tussen twee hertjes heeft gemaakt, in 1940 confisqueert. Vanaf dat moment wordt zijn kunst bewonderd door leden van de Sicherheitsdienst, die er zijn hoofdkwartier heeft.

Teijlers Museum

Het ‘goede’ deel van de natie kan zijn werk tegenkomen in de illegale uitgaven van Lou Lichtveld (alias Albert Helman). Die schrijft in het ondergrondse blad De Vrije Kunstenaar en maakt verzetspoëzie, waaronder de door Pieter geïllustreerde gedichten De dierenriem (1942) en Sebastiaan (1944). Tot hun coproductie behoren ook drie penningen, waarvan de eerste al in 1940 wordt gemaakt. Op de voorkant verbeeldt Pieter de Duitse overweldiging van Nederland, op de achterzijde is een tekst van Lichtveld te lezen: “Geweld deed wijken ‘s lands geluk en zaaide lijken.” In hun omgeving worden veel verzetsstrijders gearresteerd, maar Lichtveld en Starreveld halen heelhuids de bevrijding.

Het verzetswerk blijft niet beperkt tot de samenwerking met Lou Lichtveld. Onder de schuilnaam Lucas Vandervelde illustreert Pieter eind 1943 het een jaar later uitgegeven, door Maurits Mok (nom de plume Hector Mantinga) geschreven gedicht Een naamloos strijder. Het wordt in een oplage van 125 in rood, zwart en blauw gedrukt op, zoals het colofon vermeldt, ‘de persen der naamlozen’.

Vrouwelijk naakt

Pieter Starreveld in 1946 in zijn Amsterdamse atelier, werkend aan het vrouwelijk naakt (Wikipedia)

Na de bevrijding heeft Pieter nog wel een privé-oorlogje uit te vechten. Op verzoek van de gemeente Schiedam maakt hij in 1946 een herdenkingsmonument. Het is bestemd voor het plaatselijke Julianapark. Maar het katholieke en anti-revolutionaire smaldeel in de gemeenteraad tekent bezwaar aan: een naakte vrouw in het park gaat hen te ver. Ze zijn in de minderheid, maar op voorstel van de PvdA en de CPN komt er een compromis. Het naakt mag in het park worden geplaatst, mits de begeleidende tekst die naar de oorlog verwijst wordt weggebeiteld. De motie wordt met 17 tegen 12 aangenomen (de meeste confessionelen stemmen tegen). Een tot op het bot beledigde Pieter Starreveld weigert om het bijschrift weg te hakken; een ander moet daarom dat klusje klaren. Pas in 1950 verrijst het beeld op de beoogde plek. Het duurt tot 1967 voor er eerherstel plaatsvindt: het kunstwerk krijgt alsnog de status van oorlogsmonument en een nieuwe begeleidende tekst verwijst naar de verzetsstrijd.

Marion Golsteijn, Wikipedia

Het Schiedamse naakt is een van de 22 of 23 -de tellingen variëren- oorlogsmonumenten die Pieter Starreveld maakt. Een enorm hoog aantal, maar dat valt bijna weg in zijn totale oeuvre aan nagelaten houten, stenen en bronzen beelden: naar schatting duizend.

Zijn bekendste oorlogsmonument is wellicht Zeeman op de uitkijk, dat te vinden is in de Amsterdamse IJhaven. Het is ook het beeld dat zich zo’n beetje het dichtst bij zijn geboorteplaats bevindt. Zowel in Koog aan de Zaan als in Zaandam staan in de publieke ruimte geen kunstwerken van Pieter Starreveld. Wat dat betreft zijn Amsterdam -zijn woonplaats gedurende zijn jonge jaren- en Amersfoort -waar hij zijn tweede levenshelft woont en in 1989 overlijdt- beter bedeeld. Daar bevinden zich in de buitenlucht meerdere beelden met zijn signatuur.

Wie meer wil weten over Pieter Starreveld; er is een website aan hem gewijd.

Onthulling van Starrevelds Amsterdamse monument voor de gevallenen in de zeevaart, 1949 (Nationaal Archief)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



Fouten op het Namenmonument

In mei 2016 schreef ik dat het Holocaust Namenmonument waarschijnlijk voor eeuwig ‘under construction‘ zou zijn. Vijf jaar later nadert het herdenkingsproject in de Amsterdamse Weesperstraat eindelijk de voltooiing. De stenen met daarin de namen van 102.000 vermoorde joden, Roma en Sinti zijn gebakken en deels al bevestigd. Met, zoals gevreesd, de nodige fouten. Vijf voorbeelden, op basis van een bescheiden steekproef.

“Bij het eerbetoon aan deze mensen mogen geen fouten worden gemaakt”, schreef de Volkskrant op 28 april 2021. “En toch is dat onvermijdelijk, denkt Jacques Grishaver, voorzitter van het Nederlands Auschwitz Comité en initiatiefnemer van het Namenmonument.” Dat had te maken met de schaal van de genocide en de hiaten in de archieven. Het is ook de reden dat de stenen die in de muur komen verlijmd in plaats van gemetseld worden, en dus relatief makkelijk te vervangen zijn. Verder wordt er een lege ‘reservemuur’ gebouwd en houdt de organisatie maar liefst 40.000 blanco stenen achter de hand.

Het Auschwitz Comité was er duidelijk over. “De namen die op het Holocaust Namenmonument zullen worden vermeld, zijn van Joden die vanuit Nederland zijn vervolgd en gedeporteerd, alsmede gedeporteerde Nederlandse Joden woonachtig in andere landen, die in naziconcentratie- en vernietigingskampen zijn vermoord, alsook zij die zijn omgekomen tijdens transporten en dodenmarsen waar geen graf van bekend is.”

Impressie van het Holocaust Namenmonument

Amateurhistoricis Dennis Koopman verdiepte zich vanwege zijn eigen familiegeschiedenis in het namenbeleid en uitte in de Volkskrant zijn twijfels over negenhonderd namen in de database van het Holocaust Namenmonument. Hij ontdekte in deze database onder meer negen namen van slachtoffers die geen jood, Roma of Sinti waren. Er zaten namen tussen van mensen die op een erebegraafplaats liggen en dus wel degelijk een graf hebben. “Hetzelfde geldt voor het gros van de ongeveer zeventig mensen die tijdens de bezetting in het doorgangskamp Westerbork -meestal aan ziekte of ouderdom- zijn overleden”, schreef de Volkskrant. Hun gecremeerde stoffelijke resten werden bijgezet op de joodse begraafplaats in Diemen. Toch krijgen ook zij een vermelding op het Namenmonument.

Een andere amateurhistoricus, Jim Terlingen, stoort zich al jaren aan de fouten op het Utrechtse monument voor de Shoah-slachtoffers. Op dat gedenkteken voor 1200 slachtoffers ontdekte hij -het is een tussenstand- 82 fouten. Hij vraagt zich dan ook af of het monument in de Weesperstraat niet beter gemodelleerd had kunnen worden naar het Holocaust Mahmal in Berlijn. Dat is een collectie stenen zonder namen.

Zaanstreek

De database van het Holocaust Namenmonument staat op internet. Dat maakt een vergelijking mogelijk met de Holocaustslachtoffers die vermeld staan op het het Joods Monument Zaanstreek, de regio waar ik woon. Zouden aan de hand daarvan, en op basis van de onderliggende primaire bronnen, net als in Utrecht fouten te ontdekken zijn? En zo ja, wat voor en hoeveel?

Uitgaand van de criteria die het Auschwitz Comité hanteert, betreft het in de Zaanstreek zo’n 180 namen. Ook de drie Zaankanters die in Westerbork stierven, krijgen -ondanks de gehanteerde criteria- een vermelding op het Namenmonument. Dat is verwarrend. De in Amsterdam ‘verzelfmoorde’ Bernard Eisendrath zal er namelijk niet worden vermeld. Dat geldt eveneens voor zijn door de nazi’s in de hoofdstad doodgeschoten familielid Paul Juchenheim. In de woorden van Jacques Grishaver: “Het gaat echt alleen om mensen die zijn omgekomen ten gevolge van Shoah, en die geen graf hebben. Je moet ergens een lijn trekken.” Hoe dat dan rijmt met de Westerbork-slachtoffers wier laatste rustplaats bekend is, is me niet duidelijk.

Fouten

Dan zijn er de fouten in de database van het Namenmonument. Ik telde er vijf, nog steeds uitgaand van de 180 Zaanse namen.

1. In de database, en dus (vooralsnog?) op het Namenmonument, ontbreekt Fajga Rozenszajn-Korn (1906). Hoewel de Oorlogsgravenstichting vaststelde dat ze op 7 juli 1944 stierf in Auschwitz is er voor deze Poolse vluchtelinge geen, maar voor haar gelijktijdig en in hetzelfde kamp vermoorde zoon Leo wel een steen in de Weesperstraat.

Fajga Rozenszajn-Korn in Oostzaan, 1940 (L. Steinvoorte-Bakels)

2. Dat er verwarring bestaat over de achternaam van een ander vluchtelingenechtpaar, eveneens afkomstig uit Polen, valt te begrijpen. Is het Jacoby, Jakoby of wellicht zelfs Jacobi? Maar welke van de drie de burgerlijke stand ook noteerde, het kan niet zo zijn dat Rückla na haar huwelijk Jacoby heette en haar man Heinz de achternaam Jakoby droeg, zoals straks te lezen is op het Namenmonument.

3. Mietje Cohen (1927) uit Koog aan de Zaan stierf volgens de Namenmonument-database op 4 juni 1943 in Sobibor. In werkelijkheid was dat een maand eerder, op of rond 7 mei 1943. Haar gezinsleden werden ook op die laatste datum vergast en staan wel correct vermeld.

4. Erna Littwitz-Fabian (1897) werd begin juli 1944 vanuit Theresienstadt doorgestuurd naar Auschwitz. Het is dus onmogelijk dat ze, zoals wordt vermeld op de Namenmonument-database, daar op 1 januari 1944 stierf. Veel logischer is 7 juli 1944, de dag dat ook haar man en schoonmoeder in Auschwitz zijn vermoord.

5. Samuel IJzerkoper (1881) uit Zaandam ontbreekt in de database. Er is wel een naamgenoot van hem te vinden, maar dat is een veel jongere man. Samuel werd samen met zijn echtgenote Dina op 5 februari 1943 vermoord in Auschwitz.

Het betekent dat een kleine 3% van de Zaanse omgebrachte joden niet of niet helemaal goed in de database van het Holocaust Namenmonument staan. Vertaald naar heel Nederland komt dat uit op ongeveer drieduizend fouten. Dat is een aanzienlijk aantal. De komende jaren zullen er in de Weesperstraat heel wat stenen vervangen of zelfs toegevoegd moeten worden.

Impressie van het Holocaust Namenmonument in de Weesperstraat

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag



De vergeten oorlogsdoden van Pieter Bon

Onzichtbaar voor de buitenwereld prijken hun namen op een plaquette bij de Zaandamse firma Pieter Bon. Maar in de Zaanse oorlogsliteratuur worden ze niet genoemd. Ze ontbreken ook op een in oktober 1945 door het Sociografisch Bureau van Zaandam opgesteld overzicht van lokale oorlogsslachtoffers. En geen van hen kreeg een vermelding op het plaatselijk monument voor omgekomen verzetsstrijders. De vier medewerkers van Pieter Bon, op gewelddadige wijze gestorven tussen 1940 en 1945, lijken verzwolgen door de geschiedenis. Wie waren zij?

In 1952 bestond oliefactorij Pieter Bon tweehonderd jaar. Dat was uiteraard aanleiding voor een uitbundig feest. En voor de onthulling van een bronzen plaquette in de fabriek, aangeboden namens de werknemers van het Zaandamse bedrijf. De door 350 mensen bezochte jubileumbijeenkomst haalde de kolommen van lokale en landelijke kranten. Daarin ging de aandacht vooral uit naar de aanwezige prominenten en de vele bloemstukken die de jubilaris mocht ontvangen. De namen van de vier voortijdig gestorven mannen op de plaquette bleven ongenoemd, en dat gold ook voor de achtergronden van hun vermelding op het kleine monument.

Foto: G. Plekker

De herinnering op de wandplaat betreft Willem Vaneveld, Hendrik Jacob Weerman, Jan Dirk Hoveling en Petrus Franciscus Smits. Over hen zijn her en der flarden en snippers informatie te vinden. Aan de hand daarvan wordt hieronder een beeld geschetst van dit in de vergetelheid geraakte viertal, allen volgens de plaquette ‘trouwe medewerkers’ van Pieter Bon ‘die in de oorlogsjaren 1940-1945 het hoogste offer hebben gebracht’. In Letty Swarts boek ‘Schipperij op de Zaan’ heet het zelfs dat ze de dood vonden ‘na heldhaftig werk in het verzet’. Maar is dat zo?
Een portret van de slachtoffers maakt het een en ander duidelijk.  

Willem Vaneveld

In zijn boek Zaanstreek in bezettingsjaren noemt Wim Swart veertien Zaankanters die door vijandelijk geweld sneuvelden in de meidagen van 1940. Willem Vaneveld ontbreekt in die rij. Toch werd hij ruim een maand na zijn dood bijgeschreven in het overlijdensregister van Zaandam, ‘oud vier en vijftig jaren, schipper, geboren te  Zoeterwoude en wonende te Zaandam’. Schipper Vaneveld kwam inderdaad in Zoeterwoude ter wereld, op 19 februari 1886. Hij woonde sinds maart 1939 met zijn echtgenote Johanna de Wolf op het Zaandamse adres Schiermonnikoog 96. Vaneveld stierf overigens ver buiten zijn woonplaats, in het Zuid-Hollandse Heinenoord. Op 11 mei, de tweede dag dat de Nederlandse krijgsmacht trachtte het Duitse aanvalsleger te weerstaan, bevond dat dorp zich in de frontlinie. Waarschijnlijk was Willem Vaneveld die dag voor Pieter Bon aan het werk en lag hij met zijn schip in de Oude Maas bij Heinenoord toen het voor hem fatale geweld losbarstte. Vaneveld werd een van de eerste Zaanse oorlogsslachtoffers. Zijn weduwe zou hem ruim veertig jaar overleven.

Hendrik Jacob Weerman

De tweede naam op de plaquette betreft een man die ruim anderhalf jaar na Willem Vaneveld de dood vond. De 28 jaar eerder in het Drentse Odoorn geboren Hendrik Jacob Weerman was, net als zijn collega Vaneveld, binnenvaartschipper voor Pieter Bon. Hij stierf op 21 juli 1941 in Rotterdam. Zijn overlijden werd geregistreerd in de Overijsselse gemeente Zwartsluis, de plaats waar hij ook werd begraven. Wellicht dat de ongehuwde schipper daar voordien ook woonde, maar dat heb ik niet teruggevonden. Hetzelfde geldt voor zijn doodsoorzaak. Zijn naam is terug te lezen op een in 2000 onthuld oorlogsmonument bij de gemeentelijke begraafplaats in Zwartsluis.

Over de twee laatste slachtoffers op de plaquette is meer bekend. “Gedurende de oorlogsjaren werd de onderneming zwaar getroffen. Vier medewerkers kwamen om het leven; twee van hen werden als straf voor hun verzetsdaden gefusilleerd”, schreef Albert Boes in 2007 in het blad Zaans Erfgoed. Hij doelde daarbij, zonder de nadere omstandigheden te duiden, op Jan Dirk Hoveling (Koog aan de Zaan, 5-11-1912) en en zijn negen jaar jongere collega Petrus Franciscus Smits (Dordrecht, 24-10-1921).

Jan Dirk Hoveling

Jan Dirk Hoveling trouwde in november 1936 in Zaandam met Elisabeth Sjollema. Het stel kreeg drie kinderen, maar scheidde in de zomer van 1942. Hoveling woonde op het adres Schiermonnikoog 90, drie woningen van zijn collega Willem Vaneveld. Hij hertrouwde op 25 maart 1943 met Marchje Brunsting, opnieuw in Zaandam. Met haar kreeg hij een dochter. “Mijn vader heeft als matroos van 1938 tot 1941 met als kapitein Kees v/d Meer gevaren voor hij zelf kapitein werd op de Walta”, schreef Hemme Hoveling (1937) in 2020 op een internetforum. De Walta was een zogeheten dekschuittanker.
Het blad De Zwerver plaatste in december 1947 een oproep over deze ‘schipper in dienst van de Oliefactory Piet [sic] Bon Czn. te Zaandam, die op 25 Juli 1944 door de Duitsers gearresteerd werd’. De Zwerver meldde dat Hoveling via Harlingen en Leeuwarden naar Groningen was gebracht, waar hem het Marine Kriegsgericht wachtte. Volgens zijn zoon Hemme werd hij daartoe thuis opgehaald. De Zwerver: “Er zijn aanwijzingen dat Hoveling, die voer op een van de tankschepen waarmede de voorpostboten van de mijnenvegers en Kriegsmarine met gasolie bevoorraad werden, in contact met de illegaliteit heeft gestaan. Vermoedelijk lopen deze draden naar Friesland.” Waar De Zwerver de Friese link op baseerde is een raadsel; er zijn geen aanwijzingen dat Hoveling in die provincie ondergronds actief was. Maar Hoveling zou dus, namens Pieter Bon, olie aan de Duitsers hebben geleverd en tezelfdertijd het verzet van dienst zijn geweest.
In een tweede forum meldde Hemme Hoveling over zijn vader: “Deelnemend aan een verzetsgroep, is hij samen met zijn matroos verraden door een NSB’er en gefusilleerd door de Duitsers.” Welke verzetsgroep het betrof, bleef ongenoemd. De genoemde ‘matroos’ was overigens Petrus Franciscus Smits.

De Zwerver, 12-12-1947

Petrus Franciscus Smits

Er is weinig dat herinnert aan matroos (elders ook wel schipper genoemd) Smits. Op 23 augustus 1944 werd deze twintiger samen met kapitein Hoveling afgeleverd bij de gevangenis van Emden. Op bewaard gebleven documentatie is niet vermeld hoe lang hun straf moest duren. Bijzonder is tevens dat Smits op 7 september alweer zou zijn vrijgelaten. Hoveling bleef vastzitten.
Er zijn wat gegevens over Petrus Franciscus (‘Piet’) Smits terug te vinden op zijn in Duitsland gemaakte overlijdensakte. Dat gebeurde overigens pas drie jaar na de oorlog. Te lezen valt dat hij in Amsterdam ‘an Bord Schiff Walta’ woonde, de tanker waarvan Jan Dirk Hoveling de kapitein was. Op 14 september 1944 -een week na zijn vrijlating- vond Smits de ‘Tod durch Erschiessen’. Die laatste mededeling is niet terug te vinden op Hovelings in 1947 opgemaakte overlijdensakte. Bij hem wordt uitgegaan van een ‘Kriegssterbefall’, een ‘oorlogsdood’. Vast staat echter dat beide mannen op dezelfde dag in Emden zijn geëxecuteerd.

Op 6 september 1944 werd de net over de grens met Groningen gelegen stad Emden als gevolg van geallieerde luchtbombardementen bijna volledig in de as gelegd. De luchtaanval kostte 46 mensen het leven. Wellicht dat de ontsteltenis over de vrijwel totale verwoesting en het zicht op de naderende nazistische nederlaag leidde tot een verdere verharding van de Duitse moraal. Misschien dat daardoor de stap naar nog zwaardere sancties kleiner werd. In totaal stierven er tijdens de oorlog 25 Nederlandse gevangenen in Emden, zij het in de meeste gevallen niet door de kogel. Jan Dirk Hoveling en Piet Smits vonden wel op die wijze de dood. Hun laatste tocht ging naar de schietbaan van Harsweg, een buitenwijk van Emden. 

Overlijdensakte Petrus Franciscus Smits (Nationaal Archief)

 
De Oorlogsgravenstichting legde een dossier aan over Smits. Het omvat 39 pagina’s: veel NAW-gegevens, maar ook een verslag van de lijkschouwing (“Geen schot in het achterhoofd”) en briefwisselingen over de plek waar hij begraven werd. Plus een liefdevol schrijven van zijn verloofde Corrie. Haar brief was op 15 augustus 1944 in Harlingen op de bus gedaan en bereikte Piet Smits dus een paar weken of zelfs dagen voor zijn dood. “We denken hier allemaal dat je weer gauw bij ons zult zijn”, schreef zijn vriendin. “Ik heb zelf ook zoo’n idee, dat je weer gauw bij me bent. Wat zal ik je dan kussen.” Het zou er niet meer van komen. 
 

Fragmenten van een op het lichaam van Smits gevonden brief aan zijn familie, 15-8-1944 (Nationaal Archief)

 
Jacob Seefat
 
Op dezelfde plaats en tijd als de twee opvarenden van de Walta stierf er in Emden nog een Nederlander voor het vuurpeloton. Over Jacob (‘Jaap’) Seefat (1921) weet Tresoar, het Friese archief, te melden dat hij een in Harlingen geboren visser was. Hij woonde daar in de Zuiderstraat 31. Na op 10 juli 1944 te zijn verraden ‘door caféhouder Bokslag van de Zuiderhaven’ arresteerden de Duitsers hem en belandde hij, net als Hoveling en Smits, op 23 augustus 1944 in Emden. Samen met Smits mocht hij op 7 september de cel verlaten, om een week later alsnog de ultieme straf te moeten ondergaan.
Bijzonder is dat uit bewaard gebleven stukken bij het Nationaal Archief blijkt dat Jaap Seefat zijn ouders in Zaandam had opgegeven als contactadres, Van Wessemstraat 69. Die woonden daar sinds september 1942. De naoorlogse correspondentie over zijn lot vond deels plaats met zijn in Westzaan wonende broer. In Jacob Seefats nalatenschap werden meerdere schrijfsels teruggevonden, waaronder enkele handgeschreven afscheidsbrieven. Die waren gericht aan zijn verloofde, zijn ouders en een vriend. Het lijkt er op dat ze nooit werden verzonden. Een paar citaten: “Lieve, beste ouders. Mijn laatste uren ben ik nu aan het tellen, dus moet ik afscheid van jullie nemen. Ik hoop, dat jullie verders gelukkig mogen leven en mij niet vergeten.”
Uit een brief van Seefats Harlingse vriendin Hillie Nielsen komt naar voren dat er een goed contact was met Piet Smits: “Corrie blijft op Pietje wachten. (…) Corrie zegt net, als de jongens weer terug mogen komen, gaan we tegelijk trouwen.” Uit haar laatste brief blijkt dat Hillie wist dat Jaap Seefat en Piet Smits in Emden gevangen zaten: “Vanmorgen heb ik bericht van den advocaat gehad met jullie adres. En ben Corrie en ik er direct mee naar het Hafencommandantur gegaan, of we mochten schrijven. (…) En wat een teleurstelling dat we Dinsdag niet bij jullie mochten, he. We waren ‘s Maandags nog naar Groningen geweest om een papier, dat we jullie éénmaal in de week mochten bezoeken.” Hoewel ze er in slaagden om zo’n document te verwerven, zouden Hillie en Corrie hun verloofdes niet meer zien.     
 

Jacob Seefat (Tresoar)

 
De twee medewerkers van Pieter Bon en Jaap Seefat werden ter dood veroordeeld wegens ‘fortgesetzten gemeinschaftlichen Diebstahls in Tatenheit mit Wehrmittelbeschädigung‘ en op 14 september 1944 gefusilleerd. In stukken van de Oorlogsgravenstichting is te lezen dat visser Jacob Seefat ‘door de Duitsers in Harlingen [is] gearresteerd in een zaak betreffende diefstal en handel in motorbrandstof van de Duitse Weermacht’. Het was dezelfde beschuldiging die Smits en Hoveling ten deel viel.
Pas in 1994 werd duidelijk wat daaraan precies ten grondslag lag. Toen kregen de Zaanse oud-verzetsman Jan Bruin en een zoon van Jan Dirk Hoveling bij het NIOD inzage in een dossier dat veel ophelderde. Het betrof de verslaglegging van een Duits proces tegen 23 personen, onder wie Hoveling, Seefat, Smits en de eerder genoemde Harlingse café-eigenaar Bokslag. “Uit het proces bleek dat het schip van de firma Bon, die de olie vervoerde, gevorderd was door de Duitse marine”, noteerde Jan Bruin. “De naam van het schip werd niet genoemd. Wel die van schipper J.D. Hoveling die samen met J. Seefat ‘zwart’ olie verhandelde aan o.a. vissers uit Harlingen. Hiervoor werd een bedrag van f 1,00 per liter in rekening gebracht. In totaal zijn 2600 liter verhandeld. Uit het verslag bleek ook dat van de genoemde hoeveelheid olie een deel in vaten van 200 ltr. tegen een prijs van f 120,- per stuk werd verkocht. De handel met de olie had plaats in het laatste kwartaal van 1943 en het eerste kwartaal van 1944. Het koffiehuis van Albert Bokslag, Zuiderstraat 31 in Harlingen, werd door de Duitsers gezien als het centrum van de zwarte handel in olie. Ook Jacob Seefat woonde op dit adres. (…) De Duitse machinist Fürst was ook betrokken bij de oliehandel, evenals Petrus Fransiscus [sic] Smits die van beroep schipper was en in Harlingen werd gearresteerd.”
Van de voornoemde mannen werden er vier ter dood veroordeeld. Albert Bokslag kwam er vanaf met vijf jaar tuchthuis. Ook de achttien andere verdachten kregen tuchthuis- of gevangenisstraffen. Sommigen van hen zouden de bevrijding niet meemaken.
 
Plaquette
 
Gezien bovenstaande informatie is het begrijpelijk dat niet alle vier op de Pieter Bon-plaquette genoemden de Zaanse oorlogsliteratuur en/of verzetsmonumenten haalden. Jan Dirk Hoveling ontving -om mij onbekende redenen- postuum een Verzetsherdenkingskruis. Maar zijn graf op het Ereveld in Loenen is geen automatische erkenning van verzetsactiviteiten. Van de ongeveer vierduizend in Loenen begraven mannen en vrouwen was ‘slechts’ een kwart actief in de illegaliteit. Er liggen echter ook militairen en Arbeitseinsatz-slachtoffers. Tot die laatste categorie behoort Jan Dirk Hoveling. Piet Smits kreeg een laatste rustplaats op een ereveld in Osnabrück. Jaap Seefat verhuisde naar een familiegraf in Harlingen. Alle banden met de Zaanstreek ten spijt viel hen vervolgens in deze regio vergetelheid ten deel.
 

Jan Dirk Hoveling (Oorlogsgravenstichting)

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand te houden.

Bedrag