237 ontsnappingen uit Westerbork

In 1942, ’43 en ’44 verlieten ruim 100.000 joodse gevangenen Westerbork per trein, met als bestemming een buitenlands concentratie- of vernietigingskamp. Een paar honderd gedetineerden onttrokken zich aan deportatie door het Durchgangslager in Drenthe te ontvluchten. Maar wie waren dat? 

Dat er tussen 1 juli 1942 en 12 april 1945, toen het kamp werd bevrijd, slechts een kleine minderheid probeerde om te ontsnappen aan Durchgangslager Westerbork had meerdere redenen. De bewaking ter plaatse uiteraard. Het dreigement dat na een geslaagde ontsnapping de achterblijvers zwaar zouden worden gestraft, met om te beginnen de familie van de vluchter. Het ontbreken van een onderduikadres. De hoop dat een Sperr tot uit- of afstel zou leiden. En de onwetendheid over het aanstaande lot in kampen als Auschwitz en Sobibor.

Men moest dan ook wel heel wanhopig of vastberaden zijn om Westerbork op heimelijke wijze te verlaten. Vast staat dat slechts een paar honderd joodse gevangenen er in slaagden om de buitenwereld te bereiken en daar -soms overigens slechts tijdelijk- in relatieve vrijheid te leven. Zij kropen voorbij de prikkeldraadversperring van het kamp. Werden met hulp van buitenaf naar buiten gesmokkeld, in de kamptrein of per auto. Wandelden met een brutale smoes voorbij de bewaking. Of wisten een bed te verwerven in een ziekenhuis buiten het Lager, van waaruit ontsnappen relatief makkelijk was.

Jacques Presser hield het in zijn standaardwerk Ondergang op 210 joodse gevangenen die wisten weg te komen uit Westerbork. Zijn collega Loe de Jong nam dat getal over in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog: “Er zijn in totaal tweehonderdtien Joden uit Westerbork gevlucht: honderddrie-en-vijftig in de periode juli ’42-september ’43, zeven-en-vijftig nadien. Daarmee bedoelen wij dan Joden die het kamp binnengevoerd waren om gedeporteerd te worden. Er waren anderen die, bijvoorbeeld in opdracht van de Joodse Raad, in het kamp werkzaam waren en dan van tijd tot tijd naar hun woonplaats konden terugkeren: zij konden, als zij dat wensten, wegblijven en dat deden verscheidenen (hoevelen, weten wij niet).”

In het door Herinneringscentrum Kamp Westerbork in 2003 uitgegeven boekje Een gat in het prikkeldraad wordt gesteld dat het door Presser en De Jong genoemde aantal ‘aan de te lage kant’ is. De auteurs waagden zich overigens niet aan een ander getal. Dat deed Wils ‘t Hart wel, in haar afstudeerscriptie Ik zou in mijn tranen willen wegzwemmen (2003). Zij kwam tot een aantal van meer dan driehonderd vluchters. Haar scriptie is helaas onvindbaar, waardoor mij niet duidelijk is hoe ze tot dit cijfer kwam.

In onderstaand overzicht noem ik de tussen 1 juli 1942 en 12 april 1945 uit Westerbork ontsnapte personen van wie ik de personalia op meerdere plekken kon terugvinden. De belangrijkste bronnen zijn de dag- en nachtrapporten van de politie in Assen en een (incomplete) NIOD-lijst met ‘vermiste personen’ (archiefnummer 250i, inventarisnummer 1024). Ook zijn er relevante gegevens gevonden in andere archieven en in een aantal boeken. Bij de inventarisatie heb ik de honderden vluchtelingen buiten beschouwing gelaten die tussen Westerbork en de concentratie- en vernietigingskampen uit de deportatietreinen wisten te ontkomen. Wel heb ik de mensen meegeteld die het kamp af en toe mochten verlaten om elders werkzaamheden te verrichten en vervolgens niet meer terugkeerden naar Westerbork. Ook zij waren in mijn optiek vluchtelingen.

Het overzicht is chronologisch. De genoemde data betreffen de dag van vermissing -zoals meestal gemeld door de politie- of, indien bekend, de dag van ontsnapping. Waar mensen de oorlog niet overleefden -bijvoorbeeld omdat ze na hun ontsnapping weer werden opgepakt-, is naast hun sterfdatum ook de overlijdenslokatie vermeld.
Onderstaand overzicht van inmiddels 237 ontsnappingen uit Westerbork is uiteraard niet volledig. Aanvullingen en correcties op onderstaande namenlijst zijn dan ook welkom via info@schaapschrijft.nl. Wel graag met bronvermelding.

1942

7-7-1942: Echtpaar Nandor Pollak (2-8-1890/na 1957) en Elsa Pollak-Goldmann (8-10-1899/na 1957) met dochter Dorrit Pollak (24-11-1922/na 1950).

Na juli 1942: A.B. (naam verder onbekend).

24-9-1942: Echtpaar Franz Anton Barbiers (16-10-1908/na 1978) en Betje Barbiers-van de Kar (2-3-1921/Auschwitz, 10-5-1945).

Rond 25-9-1942: Josephina van Messel-Aardewerk (25-8-1894/3-6-1981).

Oktober 1942: Jacques Wallage (1-2-1904/23-10-1975).

Oktober 1942: Abraham Appelboom (17-7-1917/Sobibor, ).

Oktober 1942: Maurits (‘Maup’) Wolff (1-11-1919/na 1945).

Medio oktober 1942: Alexander Gans (26-05-1916/20-03-1999).

2-10-1942: Louis Berkelouw (31-1-1892/Midden-Europa, 31-8-1943).

4-10-1942: Barend Nopol (1-6-1905/Auschwitz, 28-2-1943).

9-10-1942: Onbekende man.

12-10-1942: Israël van Gelder (4-9-1920/Midden-Europa, 31-3-1944).

Op/rond 12-10-1942: Herman Mozes (15-7-1913/1985).

15-10-1942: Levi Serlui (29-5-1896/12-2-1974).

Medio/eind oktober 1942: David Brandon (19-12-1889/overleden na 1945).

5-11-1942: mijnheer Israëls.

5-11-1942: Hulda Elisabeth (Bep) Turksma (11-5-1917/21-9-1987).

December 1942: M. Rootveldt.

December 1942: Avi Magid (pseudoniem) (1928/2008) en zijn moeder.

6-12-1942: Sally Barzelaij (24-9-1916/24-5-1991).

11-12-1942: Izaac Sternfeld (14-5-1897/Auschwitz, 15-12-1942).

23-12-1942: Goedman Kesing (28-3-1905/Auschwitz, 3-8-1943).

28-12-1942: Mozes Suskind (4-3-1887/na 1945)

1943

Waarschijnlijk 1943: onbekend echtpaar.

Waarschijnlijk 1943: Simon Lodewijk Wijnbergen (21-2-1940).

1943, data onbekend: de broers Benjamin David Bachrach (2-8-1921/1989), Mozes (‘Maurits’) Bachrach (17-11-1917/14-10-1944) en Simon Bachrach (6-6-1916/2011).

1943, datum onbekend: Salo Meijer.

1943, datum onbekend: Lore Süsskind.

1943, datum onbekend: Regina Grelinger (12-12-1888/21-1-1971).

1943, datum onbekend: Enkele kinderen.

1943, datum onbekend: Jan le Grand (1927).

1943, datum onbekend: Rahel Karlsberg (17-7-1923/na 2009). 

Begin 1943: Emanuel Mendels (22-10-1893/Sobibor, 9-4-1943).

Begin 1943: Jansje Schrijver-Kool (19-1889/Sobibor, 16-7-1943) en (eerste ontsnapping) zoon Samuel Schrijver (7-5-1922/13-1-2013).

Begin januari 1943: Kurt Max Ehrlich (22-8-1943/na 1981).

9-1-1943: Sophia Hendrika de Vries (23-11-1923/na 1945) en haar vriend Wolfgang Wiener (23-5-1920/na 1945).

21/22-1-1943: Emil Glücker (6-8-1920/na 1945).

8-2-1943: Elf onbekende personen.

18-2-1943: Eugen Suschny (20-10-1895/2-1-1973).

Waarschijnlijk maart 1943: Jacob Eduard (‘Jacques’) van de Rhoer (13-4-1904/na 1997).

Maart 1943: Henri René Kahn. (12-10-1888/12-4-1970).

9-3-1943: Emanuel Slier (26-1-1893/8-9-1948).

17-3-1943: Eduard van de Rhoer (17-7-1908/10-6-1994).

5/6-4-1943: Echtpaar Emanuel Moffie (2-6-1920/11-4-1992) en Sophia Francisca Moffie-Zetter (11-5-1919/1-2-2006), en Vedig Sedler (Zetter?).

9-4-1943: Salomon Nebig (17-6-1923/Nederland, 10-4-1943).

10-4-1943: Leofried Durlacher (7-3-1923/27-10-1998).

26-4-1943: Hartog de Boer (2-11-1916/Sobibor, 7-5-1943).

26-4-1943: Siegfried Louis Natkiel (9-9-1926/na 1945).

27-4-1943: Meijer Swaab (5-11-1926/Midden-Europa, 21-1-1945).

30-4-1943: Leo Weil (17-6-1922/2019).

6-5-1943: Carl Lewin (19-3-1897).

10/11-5-1943: Aäron (‘Nol’) Wallage (24-9-1924/11-10-1987).

10/11-5-1943: Lion Wagenaar (25-11-1916/na 1956).

10/11-5-1943: Maurits Jacob Vles (28-6-1906/2-3-1970).

11-5-1943: Salomon Samson Meyer (28-12-1910/5-12-1986).

18-5-1943: Jacob van Straten (19-6-1911/Sobibor, 28-5-1943).

25-5-1943: Benedictus Boas (9-7-1897/24-7-1945).

25-5-1943: Barend Fresco (30-5-1901/Auschwitz, 31-5-1944).

29-5-1943: Gottfried Cosman (31-3-1914/Sobibor, 11-6-1943).

29-5-1943: Iris Harriët Eisendrath (5-5-1915/Auschwitz, 3-9-1943).

7-6-1943: Levie Salomon Israëls (5-1-1916/na 1969).

7-6-1943: Johan Ernst Polak (3-7-1911/Auschwitz, 17-9-1943).

8-6-1943: Robert Abraham (‘Bob’) Levisson (27-12-1913/25-12-2001).

8-6-1943: Jacques Cohen (12-3-1923/Midden-Europa, 31-8-1944).

16-6-1943: Hendrik Jacobus Cornelis Bout (14-10-1918/Midden-Europa, 31-8-1944).

29-6-1943: Nico Menko (1-6-1918/Sobibor, 2-7-1943).

11/12-7-1943: Salomo Polak (6-6-1914/na 1971).

17-7-1943: Louis Marcus Peereboom (23-2-1918/14010-2002).

17-7-1943: Isaac Mouwes (23-4-1905/28-12-1979).

19-7-1943: Bella Frieda Levy-Przyrowski (21-10-1922/18-7-1992).

27/28-7-1943: Echtpaar Isaäc Wallage (2-8-1912/17-2-1953) en Margaretha Wallega-Vieijra (11-7-1912/na 1952).

Augustus 1943: Manfred Rübner (11-7-1924/Auschwitz, 31-3-1944).

6/7-8-1943: Twee onbekende vrouwen. 

14-8-1943: Max Windmüller (17-2-1920/Cham, 21-4-1945).

23-8-1943: Arno Friedmann (8-1-1900/Auschwitz, 28-1-1944).

23-8-1943: Onbekende man, wellicht ? Boasson.

3-9-1943: Jenny Stern (5-5-1926/3-7-2020).

4-9-1943: Johanna Veronica Levy (4-9-1918/24-10-2009).

7-9-1943: Simon Maurits Hornman (4-12-1926/na 1997).

8-9-1943: Salomon de Jong (23-9-1920/na 1972).

8-9-1943: Abraham Kaas (1-9-1917/na 1951).

10-9-1943: Mathilde (‘Tilly’) Bosman (11-3-1923).

10-9-1943: Sophie Marianne (‘Job’) Simons (23-8-1922/28-1-2017).

11-9-1943: Adolf Grünfeld (17-12-1901/3-8-1959).

11-9-1943: Ondrey Gerö (11-7-1890/na 1945).

13-9-1943: Fritz Klaber (6-11-1904)/30-3-1986).

13-9-1943: Echtpaar Bernard Max Vromen (25-12-1911/11-9-1963) en Froukje Vromen-Cohen (10-12-1910/18-10-1983).

13-9-1943: Fritz Karl Kuraner (19-4-1908/na 1947).

14-9-1943: Günther Ernst Aronade (19-3-1918/Auschwitz, 13-2-1944).

15 of 22-9-1943: Lily Kettner (2-4-1923/na 1990).

17-9-1943: Ruth Karlsberg (8-5-1925).

17-9-1943: Rosey Eva Pool (7-5-1905/29-9-1971).

23-9-1943: Werner Stertzenbach (4-4-1909/10-7-2003).

Vóór 24-9-1943: Max Ferman en echtgenote.

25-9-1943: Echtpaar Willi William Schönland (23-12-1915/27-7-2011) en Mathilde (‘Tilly’) Schönland-van Weerden (13-5-1918/15-11-2006).

29-9-1943: David Sluizer (20-12-1875-2-3-1964).

Eind september/begin oktober 1943: David Rosenbaum (15-2-1925/Auschwitz, 1-1-1945).

Eind september/begin oktober 1943 (eerste ontsnapping): Martin (‘Uffi’) Uffenheimer (18-6-1922/1985).

1-10-1943: Hannelore Cahn (27-11-1923/maart 2014).

4-10-1943: Ludwig Boll (10-12-1911/2-12-1984).

4-10-1943: Hans Nussbaum (27-3-1911/na 1946).

6-10-1943: Georg Lodewijk Witjas (2-8-1899/25-8-1976).

12-10-1943: Hartog van der Goen (13-3-1901/Midden-Europa, 2-5-1945).

14-10-1943: Abraham de Kadt (4-2-1868/25-1-1951)

17 of 18-10-1943: Onbekende man.

18/19-10-1943: Max Biegel (12-5-1909/Scharnegoutum, 29-2-1944).

29/30-10-1943: Heinz Leopold (‘Herman’) Speyer (3-9-1911/na 1945).

9-11-1943: Jacob Cohen Rodriguez (1-8-1907/Midden-Europa, 31-7-1944).

15-11-1943: Benjamin Wolff (16-7-1906/na 1945).

19-11-1943: Daniël Santcroos (26-3-1906/30-7-1975).

19-11-1943: David van der Sluis (5-4-1910/4-10-1973).

25-11-1943: Paul Roman (10-12-1913).

25-11-1943: Otto Kann (6-11-1929/15-4-2017).

3-12-1943: Jacob Karel Danneboom (2-8-1909/Auschwitz, 20-1-1945).

11-12-1943: Hartog Deen (4-9-1908/1-8-1973).

11-12-1943: David Hagenaar (15-10-1905/5-9-1980).

15-12-1943: Albert Salomon (26-1-1883/7-5-1976) en Paula SalomonLevie (1-12-1897/17-4-2000)

Eind 1943: Frouke Dal-Abrahams (Monnickendam, 2-4-1917/3-5-1995)

1944

1944, datum onbekend: Michaël Hijman de la Bella (24-12-1916/14-5-2000).

1944, datum onbekend: Gretl Schramm-Siesel.

1944, datum onbekend: Bubi Pinkus.

Waarschijnlijk januari 1944: David Fierlier (Rotterdam, 18-3-1906/Midden-Europa, 9-5-1945).

5-1-1944: Elisabeth de Leeuw-Herzberg (10-11-1892/25-6-1991).

11-1-1944: Jozef Pool (29-8-1921/na 1945).

11-1-1944: Hermann Kellner (20-5-1921/2-9-1972).

17-1-1944: Onbekende man.

17-1-1944: Onbekende man.

19-1-1944: Hartog Roosnek (3-10-1915/8-10-1972).

19-1-1944: Herbert Schlaechter (18-1-1920/7-1-1988).

19-1-1944: Ernest Frank (2-4-1915/5-6-1998).

20-1-1944: Johanna Seys (24-3-1912).

20-1-1944: Betty Lewin (6-2-1912/na 1947).

20-1-1944: Tijsje Anna Blitz (7-12-1914).

23-1-1944: Barend Blitz (30-9-1900).

2-2-1944: Paul Werner Siegel (28-1-1924/na 1996).

2-2-1944 (tweede ontsnapping): Martin (‘Uffi’) Uffenheimer (18-6-1922/1985).

9-2-1944: Jo Spier (11-2-1916/22-9-2009).

9-2-1944: Twee onbekende meisjes.

25-2-1944: Herman Italiaander (12-9-1923/1-1-2014).

25-2-1944: Frits Siegfried Siesel (17-2-1925/na 1945)

Maart 1944: Onbekende man.

3-3-1944: Werner Ernst Hirschfeld (26-4-1920/16-3-1986).

3-3-1944: Lotte Wahrhaftig-Siesel (16-4-1926/na 1955).

3-3-1944: Franz Pol(l)ak.

3-3-1944: David Dolsch.

3-3-1944: Walter ?.

3-3-1944: Onbekende persoon.

3/4-3-1944: Willem Herman (‘Wim’) de Rooij (28-6-1921/Amsterdam, 5-1-1945).

6-3-1944: Abraham Coronel (4-3-1915/22-6-1983).

6-3-1944: Max Cahn (1-12-1894/Flossenbürg, 30-1-1945).

22-3-1944: Onbekende man.

23-3-1944: Echtpaar Julius Werner Reutlinger (14-11-1921/1987)  en Gella Reutlinger-Simon (25-12-1921/na 1950).

28-3-1944: Ruth Rischel Fleischer-Haar (12-11-1919/4-7-1994).

28-3-1944: Walter Kaiser (10-10-1920/na 1951).

1-4-1944: Bertha de Haas (12-1-1870/21-12-1948).

1-4-1944: Klara van Essen-van Rhijn (16-5-1896).

3-5-1944: Salomon Aron Gazan (9-2-1904/Wilhelmshafen, 9-1-1945).

19-5-1944: Herman Salomon Dormits (31-12-1926/na 1963).

Zomer 1944: Willy.

6/7-6-1944: Horst (‘Hans’) Kerpen (19-10-1930/27-3-1993).

21-6-1944: Philippus Knorringa (10-12-1891/26-1-1973).

3-7-1944: Samuel Beesemer (12-7-1905/24-3-1975).

10-8-1944: Jonas Henri (‘Johnny’) Kan (24-10-1919/25-8-1988).

16-8-1944: Abraham Hammelburg (13-9-1916/8-7-2000).

28-8-1944: Jacob van Rooijen (2-3-1904/2-5-1982).

September 1944: ‘Jan’ (pseudoniem).

September 1944: Thomas (‘Gideon’) Drach (5-7-1916/30-5-1990).

3-9-1944: Broers Manfred Klafter (4-9-1919/6-2-1997) en Harry Klafter (1-11-1925).

5-9-1944: Tien onbekende personen.

5-9-1944: Samuel Goldstein (1-12-1917/6-9-1944).

5-9-1944: Ernst Katan (23-4-1923/6-9-1944).

5-9-1944: Johan Ancona (8-12-1919/6-9-1944).

5-9-1944: Johan Frederik Theodoor Engers. (7-6-1919/6-9-1944).

Verklaring kampcommandant Gemmeker over de executie van vier ontsnapte gevangenen.

6-9-1944: Raphaël (‘Felix’) Halverstad (11-8-1904/14-8-1978).

7/8-9-1944: Helena Wijler (9-9-1925).

11/12-9-1944: Isaäc Anholt (29-1-1919/na 1973).

13-9-1944: Eli Jacobus Kulker (27-3-1904/9-12-1986).

6-10-1944: Broers Hendrik Samuel Houthakker (31-12-1924/15-4-2008) en Lodewijk Arnold Houthakker (16-1-1926/2-10-2008).

6-10-1944: Abraham Jacob Muller (20-4-1921).

6-10-1944: Aron Bronkhorst (22-11-1916/31-10-1999).

6-10-1944: Paul Jürgen Jacobson (2-1-1914/na 1949).

6-10-1944: Abram Mordko Lederman (17-2-1903/17-8-1973).

6-10-1944: Emile Francesco Moresco (2-6-1897/20-7-1986).

6-10-1944: Hartog Opdenberg (22-9-1906/1-5-1960).

6-10-1944: Walter Julius Orgler (1-10-1908/na 1946).

6-10-1944: Hermann Polak (12-3-1906).

6-10-1944: Ernst Stein (29-7-1900/23-8-1952).

6-10-1944: Robert Gerhard Hermann Steinberg (9-5-1901/na 1973).

6-10-1944: Siegfried Abraham Theodoor van der Wielen (19-4-1903/6-12-1994).

1945

Begin januari 1945: Emanuel Marcus (19-10-1908/Groningen, 21-1-1945)

20-2-1945: Samuel Wortelboer (30-7-1910/8-8-1973) en een onbekende man.

25-2-1945: Hendrik Fritz van Doorn (10-6-1906).

11-4-1945 (tweede ontsnapping): Samuel Schrijver (7-5-1922/13-1-2013).

7-4-1945: Bob Zadok Blok (4-9-1928/na 2014).

Jaartal/datum onbekend

Stella.

Hartog (‘Harrie’) Worms (27-6-1904/11-5-1977).

Waardeer dit artikel!!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Je kunt mij ook met een vast per bedrag per maand steunen. Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.

Bedrag



Nu uit: ‘Bekanntmachung / Bekendmaking’

Nederland werd tussen 1940 en 1945 volgeplakt met overheidsaffiches. De bezettingsmacht maakte zijn bedoelingen duidelijk met een niet aflatende stroom aanwijzingen, verordeningen en bekendmakingen. Tussen de regels kon de bevolking lezen hoe de oorlog verliep. In 1940 was er meestal nog sprake van zachte drang, maar gedurende de tweede oorlogshelft nam het aantal genadeloze bevelen snel toe. Honderden opeenvolgende nazistische muurbiljetten koppelden een mengeling van ge- en verboden aan straffen voor overtreders. Hoe ernstiger de tekst en zwaarder de sancties, hoe moeilijker het regime standhield.

Het boek Bekanntmachung/Bekendmaking. Het nazisme in affichevorm (1940-1945) bevat een selectie van vijftig affiches die tijdens de Tweede Wereldoorlog de Zaanstreek kleurden. In deze regio kwam alles samen. Hier vond zowel de Februaristaking (1941) als de April-meistaking (1943) en de Spoorwegstaking (1944/’45) plaats, die de bezetter dwongen tot felle tegenacties. Zaandam was begin 1942 de eerste gemeente die ‘Judenrein’ werd gemaakt. De machthebbers waren gebeten op de socialistische Zaanstreek, waar nogal wat weerstand tegen de bezetter leefde. Het gewapend verzet liquideerde er bovengemiddeld veel (vermeende) collaborateurs, met dodelijke represailles tot gevolg. En de Hongerwinter hield flink huis aan de boorden van de Zaan.

Al deze en nog veel meer gebeurtenissen komen terug op de posters van het dictatoriale bewind. Ze zijn exemplarisch voor heel Nederland en geven de repressie weer die vijf jaar lang het dagelijks leven bepaalde. In de begeleidende tekst wordt, met de affiches als leidraad, het oorlogsverloop verteld.

Bekanntmachung/Bekendmaking. Het nazisme in affichevorm (1940-1945) is verkrijgbaar via elke boekhandel. De prijs bedraagt €16,95.

Waardeer dit artikel!!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Je kunt mij ook met een vast per bedrag per maand steunen. Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.

Bedrag



De raadselachtige dood van V-Mann Johnny de Droog

Op 19 februari 1945 stierf Johnny de Droog een eenzame dood. Zijn collega’s vonden de V-Mann met een kogel in zijn hoofd. Was het zelfmoord? Moord? En door wie dan? Tot vandaag de dag houden deze vragen de gemoederen bezig. In mijn biografie over een van de grootste verraders die Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog telde, probeer ik het raadsel te ontwarren. Hieronder een fragment uit het hoofdstuk over De Droogs laatste minuten. Wie overigens meer denkt te weten, is welkom: info@schaapschrijft.nl.

Johnny de Droog had inmiddels zo’n driehonderd tegenstanders achter de tralies gekregen, alleen en in samenwerking. Ruim een kwart van hen stierf in een kamp, voor een vuurpeloton of na martelingen waaraan De Droog meedeed. Twee verdachten schoot hij eigenhandig dood. Onder de slachtoffers bevonden zich afgezien van Toon van Londen geen getrouwen uit De Slapende Leeuw, zijn Arnhemse verzetsgroep. Hoe opportunistisch de voormalige fietsenmaker zich drie jaar lang ook had gedragen, zijn afspraak met Walter Becker dat hen niets mocht overkomen bleef overeind.
‘Johnny de Droog en mijn persoon waren heel veel in Gorssel en bleven dagen thuis, daar het slecht weer was en Johnny rust wou hebben’, memoreerde Emil Rappard kort na de bevrijding in zijn Utrechtse gevangeniscel. Pagina na pagina zette de SD’er gedetailleerd zijn oorlogsherinneringen op papier, zonder om de zaken heen te draaien. ‘We gingen alleen meest iedere dag naar Lochem om bonnen of levensmiddelen te halen.’ Op 19 januari kwam aan die gezamenlijke ritjes – vijftien kilometer heen en weer over modderige wegen – een voorlopig einde. Rappard kreeg verlof om zijn naar Duitsland geëvacueerde, hoogzwangere echtgenote op te halen. Ze was zes dagen daarna uitgerekend. De baby verscheen uiteindelijk ruim een week na de geplande datum. Voor en na de bevalling bleef de aanstaande vader thuis om bijstand te verlenen. Hij spande zich in om basisbenodigdheden te verzamelen voor zijn vrouw en zoon. Het ging hem weliswaar eenvoudiger af dan de gemiddelde Nederlander om eten en kleding bemachtigen, maar ook voor hem was het verkrijgen van boodschappen niet makkelijk in een tijd met tekorten op elk gebied. Johnny de Droog toonde zijn betrokkenheid door op kraambezoek te komen. Het waren schaarse momenten van ontspanning.
Vooral de geallieerde troepen hadden baat bij de dooi die eind januari, begin februari 1945 inzette. Het Duitse Ardennenoffensief was vastgelopen in de sneeuw, maar een tegenaanval zat er aanvankelijk ook niet in. Nu keerden de kansen. Eindelijk konden de Canadese en Amerikaanse divisies zich opmaken voor de finale ronde. Vraag was niet langer of, maar wanneer ze de Rijn zouden oversteken. Al sinds het najaar probeerden bommenwerpers de bruggen bij Deventer te vernietigen. Ze hoopten daarmee de aanvoer van verse Wehrmachttroepen en -materialen naar het front te ontwrichten. Veel succes hadden de vliegeniers van de Mitchells en Bostons niet. Gedwongen door het afweergeschut rond de stad moesten ze hun lading van te grote hoogte laten vallen. Een deel belandde daardoor in het hart van Deventer in plaats van boven de IJssel. Op 6 februari ging het volledig fout. Een bommentapijt verwoestte tientallen huizen. Meer dan zestig mensen kwamen om.
De Droog en Rappard namen even later de schade in ogenschouw. Bij de Rijkmanstraat zagen ze hoe over een lengte van honderd meter de bebouwing was weggevaagd. In wat resteerde van de smalle corridor stonden tientallen bewoners. Hun gesprekken werden overstemd door een agressieve, woest blaffende hond. ‘Niemand durfde hem aan te pakken’, herinnerde Rappard zich zeventig jaar nadien. ‘Maar Johnny deed zijn jasje uit, gooide dat over hem heen en pakte hem op. Hij aaide hem en had er zo vriendschap mee.’ Mensen vertrouwde hij niet, dieren wel.

Johnny de Droog in 1941

Op maandag 19 februari leek het eindelijk redelijk fietsweer te worden. De regen bleef weg, er stond weinig wind en het was bijna tien graden Celsius. Het werd tijd om weer eens een wat langere tocht te maken. Emil Rappard kon het zich precies herinneren. Rond zeven uur stapte hij uit bed en kleedde zich aan. Hij pakte zijn semi-automatische Walther 7.65, die zoals elke nacht veiligheidshalve naast zijn hoofdkussen lag, en stak het wapen bij zich. Na te hebben ontbeten wachtte hij op De Droog. Die hoefde niet ver te fietsen om zijn maatje op te halen. De afstand van het zomerkoepeltje waar hij verbleef tot Rappards slaapplek bedroeg minder dan een kilometer. De laatste resten schemering hingen tussen de oude bomen die de lange, rechte Stationslaan omrandden. Het was stil op de doorgaande weg.
Bij nummer G227 remde De Droog. Hij was zoals altijd keurig in het pak, zag Rappard. Na een wederzijde begroeting stapten ze op hun fietsen. Het was inmiddels acht uur geweest toen ze het tuinpad afreden en rechtsaf sloegen. Ze waren al onderweg richting het bescheiden centrum van Gorssel toen De Droog zich realiseerde dat hij was vergeten om zijn radio uit te zetten. Ze draaiden om en fietsten terug. Bij het houten huisje aangekomen bleef Emil Rappard buiten wachten. De Droog draaide de deur van het slot en liep de kleine woon- annex slaapkamer binnen. Het onmiskenbare geluid van een vlakbij afgevuurd schot verdreef Rappards laatste slaapresten. Hij gooide zijn rijwiel neer en rende ‘Johnny! Johnny!’ roepend om het koepeltje heen. Aan de achterzijde zag hij De Droog bewegingsloos bij de terrasdeur liggen. ‘Toen ging ik natuurlijk met getrokken revolver, geladen, om het huisje heen. Een paar keer. Voor het geval ik iemand zou tegenkomen. En gelijktijdig door het bos kijken. Ik zag niets.’
Er was ook niets, vertelde Rappard later. Of althans niemand, afgezien van de jeugdige SD-medewerker en de met bloed bedekte man tussen de tuinstoelen. Begin 1946 hield hij tijdens een verhoor nog vast aan het idee dat De Droog zelfmoord had gepleegd (‘Ook al omreden dat Johnny de Droog de laatste dagen nogal zenuwachtig was.’). Daar kwam hij later op terug. ‘Vermoedelijk heeft hij zichzelf geraakt toen hij het pistool uit de binnenzak haalde.’ Hij ‘droeg zijn pistolen steeds doorgeladen en ongezekerd bij zich’.
Die conclusie sloot aan bij de uitleg van zijn collega August Ahlbrecht. Nadat Rappard hem in verwarring zou hebben gebeld met de mededeling dat De Droog zichzelf had doodgeschoten, was Ahlbrecht in opdracht van Artur Thomsen naar Gorssel gereden. In de dienstauto zat ook Hauptscharführer Herbert Kühnert. Het slachtoffer bevond zich nog op de waranda, zagen ze bij aankomst. Ahlbrecht: ‘Hij had een schot in het hoofd, vlak onder de ogen, en was dood. Naast hem lag een pistool.’ Ze veegden het bloed van zijn gezicht. Het gat naast de neus was volgens Ahlbrecht goed zichtbaar. Hij controleerde de bij het lijk liggende FN. Zoals verwacht ontbrak daarin één kogel. Het viel hem ook op dat het vuurwapen erg makkelijk afging. ‘Er was geen enkel spoor te vinden om aan te nemen dat een ander De Droog had neergeschoten. Wij namen aan dat hij zichzelf doodgeschoten had. Voor hij vertrok keek hij altijd zijn pistool na. Dit was een pistool met een licht drukpunt. Vermoedelijk is toen het schot afgegaan en werd hij in het hoofd getroffen. Het was ons bekend dat hij zeer roekeloos met vuurwapens omging.’

Gewend als ze waren aan doden in hun omgeving stonden ze niet lang stil bij het ongeval. Ze tilden het stoffelijk overschot op een karretje achter de auto. Daarna dekten ze het af met een zeil. Thomsen voelde er weinig voor om de verzetsbeweging een feestdag te bezorgen door bekend te maken dat een van hun grootste vijanden het loodje had gelegd. De uitvaart diende daarom heimelijk plaats te vinden. Hij gaf Ahlbrecht en Kühnert opdracht om naar kamp Amersfoort te rijden. Daar wachtte commandant Karl Peter Berg hen die avond op. Hij beloofde om de vertrouwensman, wiens naam hij niet te horen kreeg, te laten cremeren. Het kwam er niet van; wellicht omdat deze Polizeigefängnis niet over een crematorium beschikte en wegbrengen te belastend was. De Droog bracht de nacht door in het lijkenhuisje naast de fusilladeplaats en kreeg daarna een graf tussen de verzetsstrijders, politieke gevangenen en onderduikers die de kampontberingen niet hadden overleefd.

Johnny de Droog in zijn grafkist, 1945 (T. Kleinveld)

Waardeer dit artikel!!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Je kunt mij ook met een vast per bedrag per maand steunen. Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.

Bedrag



De moord op Walraven van Hall

Op 12 februari 1945 stierf Walraven van Hall in Haarlem voor een vuurpeloton. Hieronder een fragment uit het slothoofdstuk van mijn biografie over deze Zaandammer, Nederlands belangrijkste verzetsleider tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De Sicherheitsdienst heeft Walraven op 27 januari naar het Huis van Bewaring aan de Weteringschans gebracht. Tevergeefs proberen ze om hem aan het praten te krijgen. Zijn broer Gijs: ‘Aanvankelijk was er nog hoop. De SD wist nog niet dat zij met Van Hall de lang gezochte “Van Tuyl” gevangen had.’ Bij zijn arrestatie heeft Walraven weliswaar een (vervalst) identiteitsbewijs op zak, maar dat staat op zijn eigen naam en leidt dus niet naar een van zijn alter ego’s. Die onwetendheid duurt in ieder geval tot 6 februari. Op een organogram over de Nederlandse illegaliteit dat de SD die dag aanlegt, wordt Van Hall nog altijd aangeduid onder zijn schuilnaam. Het overzicht is opgesteld door Teus van Vliet. ‘Hij heeft de oorlog overleefd, mede omdat hij voor de Duitsers een schema heeft gemaakt waarin de gehele illegaliteit beschreven werd, inclusief de namen van de verschillende organisaties met erbij de schuilnamen van de leiders voor zoverre die hem bekend waren en dat waren de meesten’, aldus Gijs van Hall. Vrij snel daarna ontdekken de Duitsers alsnog dat ze diens broer in handen hebben. Gijs: ‘Een andere gevangene verried zijn identiteit. Daarmee was zijn lot bezegeld.’
Remmert Aten: ‘Niets hebben wij vermogen te doen. Wij waren allen bereid, maar de leiding heeft geen teken gegeven. De kans op redding moet anders gelegen hebben. Dat deze gefaald heeft en niets het noodlot heeft kunnen afwenden is ontzettend.’ Gijs: ‘Achteraf beschouwd… misschien hadden we hem kunnen loskrijgen wanneer we als illegaliteit contact met Seyss-Inquart hadden opgenomen. Die contacten waren toen al mogelijk. Maar een politieman uit Zaandam, met wie we contacten hadden, zei ons – en dat was toen, achteraf beschouwd, terecht –: “Ze weten niet wie hij is.” Toen dachten we: als dat zo is, kunnen we hem beter als onbekende laten zitten dan speciaal de aandacht op hem vestigen. Later wisten ze dus wel wie hij was.’

De Persoonsbewijzencentrale maakte in 1944 een vervalste identiteitskaart voor
Walraven van Hall. Daarop is zowel zijn beroep als zijn geboortedatum aangepast.

Na een week belandt Walraven in de cel naast zijn vriend Jaap Buijs. Het lot? Buijs in zijn dagboek: ‘2 februari. Opeens ging mijn celdeur open en tot mijn grote ontsteltenis kwam Wally tussen twee Duitse wachtmeesters mijn cel binnen. Of dit opzet of een vergissing was, weet ik niet. Daarna hoorde ik de cel naast mij opengaan en werd hij daar in opgesloten. Even daarna begon hij te tikken, maar daar ik nooit enig contact met een andere gevangene had gehad, verstond ik dat niet. Hij kwam toen met zijn mond voor de spleet van z’n raam, riep mij en vertelde dat hij 27 januari was gearresteerd. Hij had eerst in een lichte cel aan de overkant doorgebracht en was nu overgebracht.
“Hoe komt het in Godsnaam dat jij in zo’n smerige cel zit?”
Ik zei hem dat ik niets had bekend en dat dat waarschijnlijk de straf was. Hij legde me toen uit hoe het tikken in z’n werk ging en we hebben toen tot ‘s avonds laat, zeer tot ongenoegen van onze medegevangenen, met elkaar tikkend gesproken. Ik was toen zo moe, door de inspanning, dat ik voor het eerst vast heb geslapen.’

De omstandigheden in de gevangenis zijn beroerd. De cellen zijn verduisterd. Voor verwarming, water en zeep wordt niet gezorgd. Voedsel is nauwelijks voorhanden, en post of bezoek ontvangen is er al helemaal niet bij. Buijs noteert: ‘Mijn behandeling werd hoe langer hoe slechter. Weinig eten, verrotte aardappels, geen vet en geen verwarming. Twee zeer dunne dekens en een strozak zo goed als zonder stro op de stenen vloer. Bovendien geen licht.’ Af en toe klinkt er iets door uit een andere cel, zoals de stem van dominee Henk de Jong, een van de gearresteerden op 27 januari. Bij het vallen van de avond zingt hij: “Ik wil u, o God, mijn dank betalen. U prijzen in mijn avondlied.”
Buijs: ‘3 februari. Ik werd uit mijn cel gehaald en zag toen Wally buiten zijn cel staan. We werden tegenover elkaar gezet. We gaven er geen blijk van elkaar te kennen. Men wist dus blijkbaar niet dat hij bij mij in de cel was geweest.’ Van Hall kan alleen communiceren met zijn ondervragers en met Buijs. ‘Door klopseinen op de muur hadden wij contact met elkander en daardoor, omdat onze zaak niet zo somber leek, voor zover dit ging, goede en prettige gesprekken met elkander. Hij was zich gaan inbeelden dat zijn vrouw en kinderen ook wel gearresteerd zouden zijn en ik wist hem dit gelukkig uit zijn hoofd te “kloppen”. Later werd zijn zaak echter voortdurend ernstiger. Op 8 februari wist het tuig dat ze Van Tuyl in handen hadden en toen werd zijn zaak hopeloos. Wat hebben we veel met elkaar gesproken in die dagen en wat een strijd heeft deze beste kerel gestreden om van zijn gezin afscheid te nemen’, aldus Buijs in het vriendenboek Walraven van Hall. 10 februari 1906-12 februari 1945. Koerier Weeda, alias Brinkie: ‘Toen we uit Zaandam moesten vluchten en ons intrek ergens in Amsterdam namen, zaten we weer iedere avond bij elkaar en werd er altijd eerst even over de Westzijde 42 gebabbeld. Dikwijls zei hij dan: “Brinkie, dat is mijn enige angst, dat ik mijn gezin achter moet laten als er eens iets gebeurt.” Inderdaad was dit z’n enige angst, want voor het overige vreesde hij niets en niemand.’

Tilly en de kinderen zijn onmiddellijk na Walravens arrestatie ondergedoken. De twee oudsten, Attie en Aad, worden ondergebracht op verschillende adressen in Zaandam. Tilly trekt met de 4-jarige Mary-Ann in bij de Amsterdamse familie Goedkoop. Het huis aan de Westzijde wordt door vrienden ontdaan van waardevolle spullen. Via de achtertuin worden ze op een dekschuit geladen, over de Zaan afgevoerd en elders opgeslagen. Als na enige tijd duidelijk is dat de Duitsers de gezinsleden met rust laten keren zij en hun bezittingen terug naar de Westzijde.

In januari 1945 arresteren de Duitsers verschillende kopstukken van het Nederlandse verzet, onder wie Walraven van Hall. De Sicherheitsdienst slaagt er op 6 februari in om een overzicht van de illegaliteit te maken. Daarop is zichtbaar dat de SD weet de NSF-leider in handen te hebben (‘Van Tuijll: festgenommen’).

De al op 12 januari naar de Weteringschans overgebrachte Trouw-medewerker Jan Smallenbroek vangt vanuit zijn cel nog één keer een glimp op van Walraven. ‘Door een luik kregen we zwarte koffie. Toen dat luik openging, zag ik iemand zitten die ik heel goed kende, Van Hall.’ Een mogelijkheid om met hem in contact te komen is er niet. Arie van Namen slaagt daar wel in, vertelt hij vier jaar na de oorlog. ‘Op zaterdag 27 januari werd mij door klopsignalen bekend dat Hugo naast mij in een cel zat op de Weteringschans te Amsterdam. Ik schrok daar erg van, omdat ik bang was dat bij een eventueel verhoor van Hugo mijn leugens bekend zouden worden bij de SD. (…) Op 27 januari 1945 bemerkte ik gelijktijdig dat de mij bekende Walraven van Hall aan de andere zijde van mijn cel zat ingesloten. Deze gaf als zijn mening te kennen dat zijn arrestatie het gevolg moest zijn geweest van een aantekening in een zakboekje van Hugo dat door de SD op deze was gevonden. Ik heb dit op verzoek van Van Hall door klopseinen aan Hugo gevraagd, die hierop geen positief antwoord heeft gegeven.’
Jaap Buijs, die korte tijd later in dezelfde cel belandt als Van Namen, doet iets soortgelijks. Van Hall ‘heeft mij toen verteld dat hij dacht dat verdachte iets had gezegd, maar dat hij, Van Hall, het niet begreep. Van Hall heeft het woord verraad gebruikt. Op 8 februari 1945 heeft hij mij medegedeeld dat Hugo of Goedkoop de zaak verraden had, want dat de Duitsers alles, letterlijk alles, wisten.’
In zijn aantekeningen beschrijft de Zaanse houthandelaar uitgebreid de laatste dagen die hij, gescheiden door een stenen muur, doorbrengt met zijn vriend.
‘7 en 8 februari. Bitter koud. Eten ellendig en veel te weinig. Echter vele goede gesprekken met Wally, die echter vooral de 8ste zeer somber was en veel steun nodig had, daar ze alles van hem wisten, ook dat hij Van Tuyl was. Beiden probeerden wij te gissen wie dit allemaal gezegd kon hebben. Wat is het ellendig als je dan een makker alleen maar kunt troosten door dat koude tikken. Je zou hem zo graag eens de hand willen drukken en hem laten voelen hoe je meeleeft. (Later bleek dat Hugo een tekening van de illegaliteit had gemaakt, 6 februari door hem ingeleverd, en alles had verraden. De rotvent!).
‘9 februari. Opnieuw verhoord. Ze bleken nu ook van mij alles te weten. Alleen het NSF-verband wisten ze niet. Toch was ik nu overtuigd dat ik er ook niet door zou komen. Dit met Wally besproken, die mij toen vertelde dat daar toch wel kans op was. Er scheen iets tussen te zijn, waardoor dit niet zou gebeuren. ‘t Was gek, maar er zat een zekere troost in dat Wally nu niet alleen die ellende doormaakte, maar je zelf ook onder dezelfde druk leefde. (‘t Zat als volgt: [verrader Johan van] Lom had gezegd ons wel te willen verraden, mits wij niet gefusilleerd werden. Viebahn en Rühl wilden die belofte houden. Lages niet, toen bleek wie we waren.)’
’10 februari. Wally jarig. Diep ontroerend was deze dag, daar zijn zaak er steeds slechter voor kwam te staan en hij thans beslist overtuigd was er niet door te komen. ‘s Middags weer verhoord. Rühl zei dat hij nu verlangde dat ik los zou komen en zou zeggen hoe het NSF werkte. Hugo had alles gezegd en ontkennen gaf niet. Als bewijs zei hij dat Van Hall hoofd van het NSF was en ik zijn plaatsvervanger. Ook thans alles weer ontkend. (In Scheveningen heb ik aan Hugo gevraagd of dit waar was. Hij ontkende dit heftig. Later bleek het echter volkomen waar te zijn.)’
’11 februari. Opnieuw verhoord. Heb bekend dat ik voorzitter van de Kern en van Natura was, doch heftig ontkend dat ik iets van het NSF afwist. Dit teneinde niet gedwongen te zijn iets van Wally te moeten zeggen. Heb geen enkele naam genoemd. Rühl noemde mij echter keurig alle deelnemers aan de Kernvergadering op, die hij op een lijstje had (Hugo!!).’

Het oorlogsmonument bij de Jan Gijzenbrug (Anton van Daal)

Aan de Haarlemse Jan Gijzenkade staat sinds 1950 een in Franse kalksteen uit-gehouwen beeldengroep. De maker, Theodoor van Reijn, heeft een knielende man en vrouw gecreëerd die samen een krans neerleggen. Op het voetstuk staat de bijbeltekst ‘En nu blijft geloof hoop en liefde deze drie doch de meeste van deze is de liefde.’ Het beeld herinnert aan het drama dat zich 25 meter verder, aan de andere zijde van de weg, heeft afgespeeld. Dat drama begint voor Van Hall op 10 februari 1945, zijn 39ste verjaardag. Die zaterdag pleegt een groepje voormalige RVV-leden, dat zich de voorgaande weken heeft ontwikkeld tot een roofbende, een gewapende overval op een rijwielhandelaar. Ze rijden met hun buit door Haarlem-Noord. Daar willen leden van de Feldgendarmerie hun auto als onderdeel van een routinecontrole doorzoeken. Om te kunnen wegkomen schiet een van de inzittenden met een machinegeweer op de Duitsers. Een onderofficier valt dodelijk gewond neer, een soldaat en een burger raken gewond. Dezelfde avond licht de Haarlemse politie de Amsterdamse SD in over de gebeurtenis.
De Sicherheitspolizei, die sinds juli 1944 in de plaats treedt van de opgeheven rechtbanken, neemt zoals gebruikelijk represailles. Dat verloopt via meerdere schijven. In opdracht van Aussenstelle-leider Willy Lages belt zijn ondergeschikte Friedrich Viermann met SiPo-bevelhebber Karl Schöngarth. Die geeft opdracht om acht gevangenen te executeren. Viermann, in 1949: ‘Ik heb toen aan Dr. Schöngarth acht namen van zg. Todeskandidaten opgezonden, die stonden bovenaan de lijst van terdoodveroordeelden.’
Uit de aantekeningen van Jaap Buijs: ’12 februari. Een der ellendigste dagen van mijn leven. Wally werd twee keer achter elkaar uit zijn cel gehaald. De tweede keer zei hij dat hij hoed en jas had moeten inleveren en dat dit het einde betekende. Hij verzocht mij verder te luisteren en gaf bepaalde wensen op voor toezicht op zijn kinderen, enzovoort. Ik zei hem dat ik, wanneer ik er doorkwam, zoveel mogelijk de kleine zorgen voor zijn gezin zou trachten dagelijks weg te nemen en verder zou doen wat ik kon. Hij zei dat hij dat mij niet eens wilde vragen. Omdat hij mij kende sprak dat voor hem vanzelf. Half vier werd hij weer gehaald en toen hij terugkwam, zei hij dat hij ‘s avonds met anderen gefusilleerd zou worden. Hij vroeg mij aan Til mee te delen dat zijn laatste gedachten bij haar en de kinderen zouden zijn. Daarna zei hij dat hij een vreselijke strijd had om van zijn liefste te scheiden, en nam toen afscheid. Totaal kapot was ik. Wat is de vrijheid duur gekocht. Toen ik het barse bevel hoorde om uit zijn cel te komen, wist ik me geen raad meer.’ Wat Buijs niet opschrijft is dat hij vraagt – onbekend is aan wie – of hij Walravens plaats voor het executiepeloton mag innemen. Het wordt geweigerd.

Samen met zeven andere gevangenen uit het cellencomplex aan de Weteringschans wordt Van Hall op 12 februari 1945 per overvalauto naar de Jan Gijzenkade in Haarlem-Noord vervoerd. De Duitsers drijven intussen een groep burgers naar de executieplaats, een lege plek voor een betonnen tankmuur. Onder hen bevindt zich ook de bekende Haarlemse verzetsstrijder Hannie Schaft. De 10-jarige Jan Heerze is er die maandag eveneens bij. Hij beschrijft de gebeurtenissen in het kinderboek Februari ’45. Een verhaal uit de hongerwinter. ‘Duitsers waren zenuwachtig. Onderofficieren liepen snauwend heen en weer, soldaten hielden voortdurend hun machinepistolen op de mensen gericht. “Ze willen ons vermoorden!”, schreeuwde opeens een vrouwenstem uit de menigte. Er ontstond beweging in de rijen. Verwarde uitroepen. Een Feldwebel brulde: “Stilte! Stilte!” Een man die een stap naar voren deed, kreeg een stoot met een geweerkolf tegen zijn borst. Hij tuimelde achterover. Op hetzelfde moment naderden over de Rijksstraatweg met grote snelheid drie overvalauto’s. Het rumoer verstomde. Uit de eerste wagens sprongen SS’ers. Een paar gingen vlak voor de toeschouwers staan, anderen stelden zich op in een lange rij, het geweer aan de voet. Toen ging de klep van de achterste wagen open. Het werd doodstil op de Jan Gijzenbrug. Een man viel half de auto uit, en nog een, en nog een.’
Ingeborg de Wit, in 1945 17 jaar oud, schrijft later een brief aan de weduwe van dominee Henk de Jong, een van de acht slachtoffers. ‘Op de dag van de fusillade waren mijn broer en ik op weg om sprokkelhout te vergaren voor mijn moeder. De vorige dag waren wij getuige van het neerschieten van een Duitse officier op een fiets, die over de brug reed. We vlogen vlug terug naar huis van angst om onze moeder hiervan te vertellen. Op diezelfde plaats, een beetje verder van de brug, is uw man vermoord, de volgende dag op dezelfde tijd. Wij werden ruw door Duitse soldaten langs de kade geforceerd tezamen met andere mensen op een zekere plaats te staan. Toen arriveerde de Duitse overvalwagen met SS’ers en soldaten en acht schamel geklede personen.’
Ook de 9 jaar oude Rob Hahn moet die maandag toekijken. In 2002 vertelt hij: ‘Ze werden eruit geknuppeld met de kolven van geweren. Anders dan iedereen denkt zijn ze niet op de plaats van het monument neergeschoten, maar aan de overkant. Ze stonden zo dat het schootsveld van de Duitsers over het water van de Jan Gijzenvaart lag.’ De toeschouwers worden gedwongen te kijken. Het is vijf uur ‘s middags. De leider van het executiepeloton, Hans Stöver, geeft zijn Wachzug het bevel om te schieten. Ingeborg de Wit: ‘Ik herinner mij nog de explosie van de geweren van de Duitse soldaten. Wij waren verslagen, bang en vol haat. We werden geforceerd langs de slachtoffers te lopen, maar ik wilde niet kijken.’
Kort voor de fatale schoten klinkt er een schreeuw. Walraven houdt zich aan de belofte die hij in zijn cel deed. Omstanders horen hem roepen: ‘Ik denk aan je, Tilly.’ Luttele seconden later valt hij dodelijk getroffen neer.

Als Rob Hahn later op de dag teruggaat naar de plek van de executie ziet hij de acht lichamen in de loopgraven naast de Rijksstraatweg liggen. ‘Hoe lang ze daar gelegen hebben, weet ik niet meer.’ De Amsterdamse begrafenisondernemer en trouw SS’er en NSB’er Johannes Bleekemolen en garagehouder Pierre van Lee halen de slachtoffers in de vroege avond op en vervoeren ze per vrachtwagen naar het Kennemerduingebied. Daar verwijdert Bleekemolen hun schoenen en ringen. De schoenen neemt hij mee naar huis. Ze dienen als brandstof voor zijn kachel. De ringen overhandigt hij aan de Sicherheitspolizei. De lichamen worden begraven in het duinzand nabij de Zeeweg. Vijf dagen later stuurt Bleekemolen de begrafenisrekening, ƒ195,- per persoon, naar de gemeente Haarlem. 

De plaats van de executie, mei 1945 (Noord-Hollands Archief)

Waardeer dit artikel!!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Je kunt mij ook met een vast per bedrag per maand steunen. Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.

Bedrag



Mei tot mei nu ook via Twitter

Voor de Twitter-bezitter: Mei tot mei is vanaf nu ook te volgen via mijn Twitter-account @meitotmei. Dagelijkse nieuwtjes, verse publicaties, boekrecensies en andere medelingen over de Tweede Wereldoorlog. Soms Zaans georiënteerd, vaak ook landelijk.

Etty Hillesum en Carla Simons: spiegelbeelden?

In het najaar van 2021 verschijnt Judith Koelemijers biografie van Etty Hillesum. Deze joodse vrouw uit Amsterdam werd bekend door de publicatie van haar oorlogsdagboek, 38 jaar na haar dood. De talloze overeenkomsten met het leven van een ander Holocaust-slachtoffer uit de hoofdstad, Carla Simons, zijn te veelvuldig en opvallend om ongenoemd te laten.

Etty Hillesum was, meteen na Anne Frank (Het Achterhuis), maar samen met Philip Mechanicus (In Dépôt. Dagboek uit Westerbork) de bekendste chroniqueur van de jodenvervolging. Honderdduizenden Nederlanders lazen Het verstoorde leven en haar ooggetuigeverslag kreeg vele vertalingen.

Zo bekend als Etty Hillesum (lang) na haar gewelddadige levenseinde werd, zo anoniem bleef Carla Simons. In 2014 probeerde ik haar wat naamsbekendheid te geven, maar verder dan een paar honderd verkochte exemplaren van het aan Simons gewijde en grotendeels door haar geschreven Dagboek 1942 kwam het niet. En dat terwijl uitgeverij Contact al in 1947 aankondigde om haar literaire oorlogsgedachten uit te geven. Het ging uiteindelijk niet door, om onbekende redenen. Ook de eerste pogingen om Hillesums bewaard gebleven aantekeningen uit te geven, eveneens in 1947, strandden aanvankelijk. Meerdere uitgevers zagen de publicatie niet zitten. Het is lang niet de enige overeenkomst tussen deze twee zelfstandige, eigenzinnige, geëmancipeerde vrouwen.

Carla Simons, ca. 1939 (Joods Historisch Museum)

Etty Hillesum, ca. 1939 (Wikipedia)

Er waren uiteraard ook de nodige verschillen. Zo werd Hillesum in 1914 geboren in Middelburg en Simons elf jaar eerder in Amsterdam. Het grootste verschil betreft het dagboek zelf. Waar de eerste gedurende lange periodes bijna dagelijks de pen oppakte, beperkte Simons zich tot een maandelijks overzicht. Soms sloeg ze zelfs een maand over. Ze lijkt aan het karwei te zijn begonnen met het idee dat er vooral iets literairs moest ontstaan. Haar aan het papier toevertrouwde gedachten zijn zeker de eerste periode verheven, zo niet pompeus.

Uit alles blijkt dat ze in die beginfase van het schrijven geen idee had van de dodelijke gevaren die haar en de andere joden in Nederland bedreigden. Etty Hillesum schreef in de eerste weken van 1942 indringend over onder meer de Joodse Raad, de Gestapo en een doodgemartelde kennis. Carla Simons daarentegen filosofeerde over bomen, bloemen en sterren, en leek te vluchten in een fantasiewereld. Pas in april wijdde ze voor het eerst een paar woorden aan de enorme beperkingen waarmee joden te maken hadden. ‘Verboden voor Joden’, signaleerde ze bij een lonkend Amsterdams terras. Om er meteen aan toe te voegen: ‘Maar wie ontneemt mij dit genot, dit verlangen naar lenteleven?’ Het leek alsof ze zich toeschouwer waande in een grimmig sprookje, fictie waaraan ze zelf nog zou kunnen ontsnappen. Het zou bijna driekwart jaar duren voor ze definitief een andere insteek koos en de realiteit vaker tot zich liet doordringen. Maar zelfs toen bleef ze een dromerig optimisme koesteren.

Polen

Haar naïviteit komt misschien wel het best tot uiting in een goedbedoeld advies aan een joodse kennis. De 23-jarige vrouw overwoog te trouwen met een volgens Carla ongeschikte partner. Het was inmiddels september 1942 en de transporten naar Auschwitz waren al enkele maanden aan de gang. Carla raadde de jonge vrouw aan om van het huwelijk af te zien: ‘Het is erger dan naar Polen gestuurd te worden.’ Even daarvoor had ze weliswaar vastgesteld te leven in een ‘tijd van verschrikking, arrestaties, razzia’s, wanhoop, zelfmoord’, maar desondanks achtte ze een slecht huwelijk erger dan de gedwongen tocht naar een duistere bestemming in Polen. Ter vergelijking: tezelfdertijd noteerde Etty Hillesum in haar dagboek: ‘Een hele hoop mensen maken zich ziek of houden zich ziek uit angst om versleept te worden. Velen maken ook zichzelf dood, ook uit angst.’

De verschillende invalshoeken die beide buurtgenoten tot het najaar van 1942 hanteerden is verklaarbaar. Hillesum had als medewerkster van de Joodse Raad het leed dat de joden werd aangedaan al aan den lijve ondervonden. Bovendien was ze inmiddels korte tijd in kamp Westerbork geweest. Simons kon, dankzij haar relatie met een Italiaan, nog geruime tijd haar relatief luxe leven voortzetten en de boze buitenwereld tot op zekere hoogte ontkennen.

Na acht maanden kwam Simons tot de conclusie dat ze soms ‘te gestileerd, te mooi, te weinig doordacht’ schreef. Het was een vriend, de bekende concertpianist Imré Ungár, die haar daarop attendeerde. Ze besloot om meer aandacht te besteden aan het rauwe leven en de gruwelijkheden die de hoofdstad bedreigden. Halverwege haar manuscript veranderde de verheven, soms bijna abstracte tekst in een tastbaarder verhaal. Er drongen steeds vaker gruwelen en bedreigingen in door. Het dagboek werd meer en meer een kroniek van een aangekondigde dood. En daarmee kwam het een stuk dichter te staan bij de getuigenissen van Etty Hillesum (die overigens eveneens vooral haar innerlijk leven boekstaafde).

Parallellen

Er zijn te veel parallellen tussen de twee schrijvende joodse, Amsterdamse vrouwen om ze te kunnen negeren. Ik zet ze hieronder op een rij.

  • Beide vrouwen deden een academische talenstudie: Simons waagde zich aan het Italiaans, Hillesum wierp zich op de Slavische talen.
  • Zowel Simons als Hillesum was vrijzinnig en openhartig. Nadat Simons een roman had gepubliceerd waarin een biseksueel verlangen aan bod kwam, oordeelde de bekende historica Annie Romein-Verschoor preuts: ‘Het geeft te denken dat die zichzelf doorgrondende openhartigheid zich zo overwegend op het seksuele richt.’ Volgens haar collega A.M. de Jong benaderde Simons met haar beschrijving van de ‘overprikkelde erotomane Lea (…) bedenkelijk de grenzen der pornografie.’ Hillesum, die tezelfdertijd meerdere relaties onderhield, noteerde al op de eerste pagina van haar dagboek: ‘Erotisch ben ik geraffineerd, ik zou haast zeggen doorgewinterd genoeg om tot de goede minnaressen te behoren.’
  • Ze kregen allebei een relatie met een buitenlandse charismatische intellectueel die zich in Nederland had gevestigd. De mannen waren afkomstig uit een nadien als vijandige mogendheid beschouwd land. Simons werd smoorverliefd op de Italiaanse privaatdocent Romano Nobile Guarnieri, Hillesum op de uit Duitsland gevluchte ex-bankier Julius Spier. In beide gevallen kwam het overigens niet tot een huwelijk of kinderen.
  • Opvallend is het leeftijdsverschil tussen de geliefden. Guarnieri (1883) en Simons scheelden twintig jaar, Spier (1887) en Hillesum 27 jaar.
  • De twee vrouwen onderwierpen zich aan navelstaarderige sessies met handlijnkundigen of andere toekomstvoorspellers. Hillesum deed dat bij Spier, die van het handlezen zijn beroep had gemaakt. Simons bezocht meermalen niet bij naam genoemde waarzeggers.
  • Ze woonden allebei in Amsterdam-Zuid, op een paar honderd meter van elkaar. Simons aan de Noorder Amstellaan, Hillesum in de Gabriël Metsustraat.
  • Beiden begonnen pas in de oorlog met het schrijven van een dagboek. Hillesum vanaf 1941, Simons in 1942. Beide dagboeken eindigden abrupt: dat van Simons in mei 1943, dat van Hillesum vier maanden later.
  • Zowel uit Dagboek 1942 als uit Het verstoorde leven spreekt een continu godsbesef. Beide schrijfsters praten op papier met grote regelmaat met en over Hem. In de laatste alinea van haar dagboekaantekeningen typeert Etty Hillesum zichzelf in bijbelse bewoordingen: ‘Ik heb mijn lichaam gebroken als brood en het uitgedeeld onder de mannen.’ De laatste dagboekzin van Carla Simons bevat een letterlijk bijbelcitaat: ‘Maar in mijn hart komt rust en vertrouwen, en ik denk aan deze woorden: “En hij scheidde zich van hen af omtrent een steenworp, en knielde neder en bad, zeggende: Vader, of Gij wildet deze drinkbeker van mij wegnemen, doch niet mijn wil, maar de Uwe geschiedde.”‘
  • Hoewel ze allebei meermalen een aanbod kregen om onder te duiken, weigerden ze die stap te zetten. Simons omdat waarzeggers haar vertelden dat haar niets zou overkomen, Hillesum ‘omdat ze het lot van haar volk wilde delen.’
  • Op 19 november 1943 stierf Carla Simons in de gaskamer van Auschwitz. Etty Hillesum onderging dat lot elf dagen later, in het hetzelfde kamp.

J.G. Gaarlandt

In het voorwoord van Het verstoorde leven schrijft inleider Jan Geurt Gaarlandt over ‘haar uiteenzettingen over het “vrouwenvraagstuk”, haar bevindingen in de literatuur van de Russen en Duitsers, van [Rainer Maria] Rilke vooral, haar visie op de geschiedenis en het jodendom, haar constante groei naar een leven dat zich verzet tegen de haat die vriend en vijand beheerst, de eerlijkheid en vrijgevochtenheid, haar stemmingen, haar lyrische ontvankelijkheid, de dreigende gebeurtenisen, de steeds grotere evidentie van “het verstoorde leven” om haar heen, ze peilt ze, schrijft ze neer, helder, intens, met een opvallend literair talent.’ Gaarlandt doelt daarbij uiteraard op Etty Hillesum. Het wonderlijke is dat zijn omschrijving precies zo van toepassing is op Carla Simons.

Lees die twee schrijfsters! (En daarna natuurlijk Judith Koelemeijers biografie.)

Carla Simons, 1939

Etty Hillesum, 1939 (Wikipedia)

 

 

Waardeer dit artikel!!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Je kunt mij ook met een vast per bedrag per maand steunen. Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.

Bedrag



Archiveren moet je leren

Een van de trotse verzamelaars in Allen tegen allen.

In de prachtige documentaire Allen tegen allen (2019), over het vooroorlogse Nederlandse fascisme, komt een keur aan verzamelaars langs. Een logo van de NSB, het paspoort van Mussert, zeldzame partijspeldjes; de trots op en begeerte naar nazistische parafernalia spat uit hun ogen. De extreemrechtse collecties zijn hen gegund. Maar toch…

Toen ik in 2017 vier foto’s van de Februaristaking in 1941 in de schoot geworpen kreeg, was mijn aarzeling kort. Tot dan toe waren er van die werkonderbreking tegen de jodenvervolging wereldwijd slechts twee foto’s bekend. Het kwartet aanvullingen was dus uitermate zeldzaam en daarmee -ook vanuit geschiedkundig oogpunt- kostbaar. Mijns inziens hoorden ze niet in een particuliere collectie, maar in een voor iedereen toegankelijk archief. De foto’s verhuisden daarom naar het Gemeentearchief Zaanstad.

Hetzelfde gebeurde toen ik wat later vele honderden originele oorlogsdocumenten ontving met de namen, adressen en andere gegevens van ‘foute’ Zaankanters. De papieren bevinden zich nu in een veilige omgeving, onder ideale klimatologische omstandigheden. En, minstens zo belangrijk, iedereen die er onderzoek naar wil doen, heeft daartoe nu de gelegenheid.

Het schilderij van Frans Mars.

Soms krijg ik privécollecties onder ogen die me doen watertanden. Dat de eigenaar van een door Frans Mars gemaakt schilderij (een kado in mei 1945 van de even eerder uit de gevangenis bevrijde Zaandamse verzetsman Jaap Buijs voor zijn stadgenoot/medestrijder Bob Pel; handgeschreven opschrift op de achterkant: ‘Ter herinnering aan onze prachtige samenwerking’) het kunstwerk in de familie wilde houden, begrijp ik ten volle. Maar hoe graag zou ik op basis van de binnen dezelfde familie circulerende documenten en verhalen over agent Pel een biografie over diens leven willen maken. Dat is nu lastig tot onmogelijk; ik kan niet bij de originele bronnen komen.

Ook meer dan jammer: enige tijd terug mocht ik een blik werpen in een reeks dagboeken die geschreven waren door een in Krommenie ondergedoken joods echtpaar. Ze hadden de schuiltijd op zolder onder meer besteed aan het schrijven van een mooi toneelstuk over de omstandigheden waarin ze moesten zien te overleven. Het geheel was verlevendigd met bijzonder mooie tekeningen van onder meer de decors die het stuk moesten aankleden. Het was en is uniek materiaal, waarvan ik geen equivalent ken. Helaas ging de dagboeken na de bezichtiging weer in de tas mee naar huis. Ik hoop van harte dat ze op enig moment in een archief belanden. En wat zou ik graag dat toneelstuk eens opgevoerd zien worden.

Kiddoesjbeker

Niet voor een archief, maar voor een museum lijkt me -vanwege het achterliggende verhaal- de kidoesjbeker die ooit het eigendom was van Gabriël Pais een aanwinst. Hij werd in 1942 vermoord in Auschwitz, zijn voor de sabbath bedoelde drinkbeker met de initialen G.P. bleef bewaard en verhuisde met een familielid naar Curaçao. Het enig resterende aandenken aan Gabriël Pais is of wordt dit jaar geschonken aan een dertienjarige naamgenoot in België. Een prachtig gebaar natuurlijk, maar -persoonlijke voorkeur- ik had de beker liever gezien bij een publieke organisatie.

Max Lewin op het Binnenhof.

Nog een voorbeeld. Voor mijn te schrijven boek over de joodse radiopionier, politicus en spion Max Lewin mocht ik van een familielid tal van persoonlijke documenten lenen. Zonder die nalatenschap had Lewins levensverhaal er een stuk kaler uitgezien. Bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis ligt namelijk wel wat informatie over deze bijzondere man, maar dat is slechts een fractie van het originele materiaal dat ik in handen had. Het zou fijn zijn wanneer alle gegevens in het IISG bij elkaar komen. Dan kunnen anderen er ook van genieten.

Een laatste illustratie. Helaas pas nadat begin 2020 mijn boek over verzetsman/verrader Johnny de Droog was uitgegeven, belden er twee Gelderse broers. Hun moeder speelt een belangrijke rol in de biografie. Ze werkte in 1941/’42 -zonder zich daarvan bewust te zijn- samen met collaborateur De Droog, in de veronderstelling dat hij nog altijd actief was binnen en voor de illegaliteit. Haar ‘vriend’ schonk haar een gesigneerde foto van zichzelf, schreef ansichtkaarten naar haar en liet wat van zijn bezittingen bij haar achter. De broers hadden van hun moeder een bureau geërfd waarin ze deze spullen bewaarde. En wellicht nog meer, maar vooralsnog hadden haar zoons dat nooit uitgezocht. Ik mocht langskomemn, een kijkje nemen en de waardevolle spullen zelfs meenemen. Helaas liep het contact daarna dood. Ik ben bang dat de unieke documentatie -van Johnny de Droog, een van Nederlands grootste verraders, is zo goed als niets bewaard gebleven- op enig moment bij het vuil verdwijnt.

Resumerend: wees zuinig op uw oude artikelen. Leg het in geval van twijfel voor aan iemand die er kijk op heeft. Zorg dat hetgeen van belang is voor de geschiedschrijving een plek krijgt in een museum of archief. En waar dat gewenst is, ben ik graag uw intermediair.

Gevangene Jaap Buijs was 166.500 gulden waard (maar het geld raakte zoek)

Jaap Buijs in 1944 (C. Dorjee)

Oud-verzetsman Jacob ‘Jaap’ Buijs (1888-1960) wordt waarschijnlijk geëerd in het Zaanse straatbeeld. Als het aan de gemeente Zaanstad ligt, krijgt hij een brug naar zich vernoemd. Gezien Buijs’ toenmalige woonplaats en beroep -houthandelaar-, lijkt het me logisch dat dat een houten oeververbinding in Zaandam wordt.

Dat Buijs niet eerder is vernoemd, is zowel betreurenswaardig als verklaarbaar. Na de Tweede Wereldoorlog werden vooral verzetsstrijders met een straatnaambordje geëerd die tussen 1940 en 1945 het leven lieten. De vernoeming van iemand als Jan Brasser -die voorop ging in de gewapende strijd, dat ternauwernood overleefde en in 2007 een tunnel in Krommenie op zijn naam kreeg- was en is een uitzondering. Maar waar Brasser vooral regionaal actief was, opereerde Jaap Buijs (ook) in de landelijke verzetsleiding en had zijn inzet veel meer impact. Hij was de rechterhand van de spin in het web binnen de Nederlandse illegaliteit, Walraven van Hall, en gaf onder meer leiding aan de Stichting 1940-1945. Buijs werd voorzitter van de landelijke koepelorganisatie de Kern -het belangrijkste gremium van ondergronds Nederland- en van hulporganisatie Natura. En hij zat in de top van het Nationaal Steunfonds. En dat is nog maar een selectie uit zijn verzetsactiviteiten tussen 1941 en 1945. Hoe belangrijk zijn medestrijders deze geboren en getogen Zaandammer achtten, werd me onlangs eens te meer duidelijk.

Siegfried Wreszynski

In het boek Opkomst en ondergang van een onweerstaanbare oplichter (1993) schetst Igor Cornelissen het leven van de stateloze bedrieger Siegfried Wreszynski (1893-1954). Deze in Polen geboren joodse man lichtte in en buiten Nederland talloze mensen op en harkte zo enorme bedragen binnen. Alleen al de Amsterdamsche Bank raakte voor de oorlog bijna twintig miljoen gulden kwijt aan deze charmant opererende crimineel. In 1941 kwam Wreszynski, na een relatief korte gevangenisstraf wegens oplichting, op vrije voeten. Hij belandde een jaar later in kamp Westerbork, maar wist daar in juli 1942 uit te komen, nadat hij een aantal joodse lotgenoten had overgehaald hem geld en andere kostbaarheden te geven. In ruil zou hij de organisatie van hun passage naar de Verenigde Staten op zich nemen. Na zijn vrijlating dook hij onder en liet hij zijn geldschieters in de steek.

Wreszynski in de Volkskrant, 10-1-1946

In de navolgende jaren zette hij zijn oplichterspraktijken voort. Hij troggelde bijvoorbeeld de vader van een gearresteerde verzetsman vijftigduizend gulden af, in ruil voor de belofte de gevangene vrij te kopen. De zoon werd geëxecuteerd, het geld was weg. Ook voor het redden van andere illegalen vroeg en kreeg hij enorme bedragen. Tegenprestaties bleven in de regel uit.

Jan Teewis Duyvis

Een van zijn slachtoffers was Jan Teewis Duyvis, telg uit een Zaans ondernemersgeslacht. Waar zijn familieleden in Koog aan de Zaan liever olie en vetten verwerkten (en, veel later, borrelnootjes), zag Jan Duyvis meer toekomst in de opkomende elektriciteit. Hij stichtte daarom in 1910 in Amsterdam-Noord de Hollandsche Draad- en Kabelfabriek (Draka). In november 1944 vertelde een zakenrelatie Duyvis over een voor de Britse geheime dienst werkende Poolse jood die zijn financiële steun genoot. Daarop besloot de kapitaalkrachtige Duyvis deze uiterst betrouwbaar ogende ‘Hans’ eveneens geld te lenen, bijna een ton. Toen Duyvis’ schoonzoon Jan Jacob van Dam in januari 1945 wegens verzetsactiviteiten werd garresteerd, bood ‘Hans’ hulp aan. In ruil voor dertigduizend gulden kon hij Van Dam vrijkopen, luidde de belofte aan Jan Duyvis. De verzetsstrijder werd echter doorgezonden naar een Duits kamp. Daar stierf hij op 25 april 1945. De Draka-directeur zag zijn schoonzoon en zijn investeringen nooit meer terug.

Gijs van Hall

Er is nog een Zaanse link, die in Cornelissens publicatie niet aan de orde komt. En dat terwijl daarbij sprake was van veel grotere bedragen dan in voorgaande loskoopzaken. Walraven van Halls broer Gijs stipte hem wel even aan, in het boek Het Nationaal Steun fonds 1943-1945. Hij beperkte zich daarbij tot één bittere zin: “In het enige geval waarin wij op verzoek van officiële instanties aan een loskoopsom hebben bijgedragen, is deze prompt in handen van de beruchte oplichter Wreszynski terechtgekomen.” Verdere namen noemde Gijs van Hall niet. De affaire was blijkbaar te pijnlijk.

Johan van Lom op zijn trouwdag

Op 12 januari 1945 werd Jaap Buijs gearresteerd tijdens een vergadering van de Stichting 1940-1945. Het was een gevolg van verraad in eigen gelederen. Omdat de verrader, Johan van Lom, bij de Sicherheitsdienst had bedongen dat de arrestanten niet mochten gedood, sleet de houthandelaar de laatste vier oorlogsmaanden in de gevangenis. Zowel hijzelf als de buitenwereld wist niet dat Buijs als gevolg van Van Loms afspraak de doodstraf zou ontlopen. En dus ondernam de top van de landelijke illegaliteit via Wreszynski een poging gedaan om hem en een aantal anderen vrij te kopen.

166.500 gulden

In een archief vond ik onlangs enkele briefjes over deze affaire. Op één ervan stond het bedrag dat ten bate van Jaap Buijs was overhandigd: de immense som van 166.500 gulden. Anno 2020 staat dat gelijk aan bijna een miljoen euro. De eerstvolgende naam op het lijstje met een handvol vrij te kopen illegalen was Jan Goedkoop, de enkele weken na Buijs tezamen met Walraven van Hall opgepakte secretaris van de commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten. Voor hem was ‘slechts’ 36.000 gulden gereserveerd. Wat Siegfried Wreszynski met het geld heeft gedaan, is onbekend. Hij heeft in ieder geval geen van de gevangenen weten los te krijgen. Buijs en Goedkoop zaten vast tot mei 1945.

Na de bevrijding resteerde van  Jaap Buijs een zowel geestelijk als lichamelijk wrak. In de gevangenis was hij veel gewicht kwijtgeraakt. Hij had zowel zijn in een naastgelegen cel opgesloten vriend ‘Wally’ van Hall verloren als tientallen andere medestrijders. Kort voor diens executie zegde hij Van Hall toe zich te zullen ontfermen over diens echtgenote en drie kinderen. Daaraan hield hij zich, tot zijn eigen dood in 1960. Maar iedere keer als hij de kinderen van Walraven en Tilly van Hall ontmoette, barstte Jaap Buijs in tranen uit. Ondanks zijn eigen verdriet deed hij zo zijn best om Tilly bij te staan dat zijn echtgenote hem er -ten onrechte- van verdacht met de weduwe een buitenechtelijke relatie te hebben of te willen. Jaap Buijs was ernstig getraumatiseerd. Maar ondanks zijn PTSS -dat begrip bestond toen nog niet- zette hij zich vanaf 1945 in om monumenten op te richten -dat aan het Zaandamse Verzetsplantsoen en de Eerebegrafplaats in Bloemendaal zijn mede aan hem te danken- en oorlogsslachtoffers te helpen.

De 166.500 gulden die het landelijk verzet er voor over had om Jaap Buijs uit de gevangenis en van een mogelijke dood te redden, zegt veel over diens status in de illegaliteit. Buijs behoorde tot de meest gewaardeerden onder zijn medestrijders, zowel in de Zaanstreek als in de rest van het land. Het is de hoogste tijd om deze dappere, onbaatzuchtige Zaankanter te eren in het publieke domein. Met een brug of anderszins.

Uitreiking van de Medal of Freedom, 7-5-1953, door VS-ambassadeur Selden Chapin (W. Dorjee)

Filmbeelden gezocht over de Zaanstreek in oorlogstijd

 Oproep!
De eerste stappen zijn gezet om een film samen te stellen over de Zaanstreek in oorlogstijd. Het eindresultaat zal merendeels bestaan uit filmbeelden die zijn gemaakt tussen 1939 en 1945. Inmiddels hebben we de beschikking over enkele tientallen filmpjes uit die jaren, maar waarschijnlijk is er meer. Wie heeft of weet films -hoe kort, schijnbaar onbetekenend of amateuristisch ook- waarop de Zaanstreek in de aanloop naar en gedurende de oorlogsjaren is vastgelegd?
Reacties zijn van harte welkom via info@schaapschrijft.nl of 075-6313819. (En het verder verspreiden van deze boodschap is ook aardig.)
Hier een voorbeeld van een filmpje zoals we op het oog hebben: een huwelijk in Koog aan de Zaan (1941).

Podcast over het naoorlogse communisme

Voor ‘Andere Tijden’ mochten voormalig CPN-wethouder Wim Nieuwenhuijse en ik van gedachten wisselen over het naoorlogse Zaanse communisme. Van verzetshelden naar staatsvijanden. Het resultaat van de uitwisseling is nu te beluisteren via een podcast.